| On the brink. Een studie over de nucleaire onderhandelingsstrategie van Noord-Korea: 1993-1994 en 2002-2006. (Kobe Verheyen) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Op 11 november 2005 verlaat Noord-Korea de onderhandelingen van het voorlopig laatste overleg rond het Noord-Koreaanse nucleaire-wapenprogramma. Tijdens deze onderhandelingsronde wordt opnieuw geen akkoord bereikt dat een einde kan maken aan de nucleaire crisis tussen Noord-Korea enerzijds en de internationale gemeenschap anderzijds. Sinds het uitbreken van de eerste nucleaire crisis in 1993, zijn er 13 jaar lang diplomatieke inspanningen geleverd om Noord-Korea te doen afzien van nucleaire wapens. Tot op de dag van vandaag lijken al deze inspanningen echter tevergeefs geweest.
De vraag of Noord-Korea beschikt over een nucleair wapenarsenaal moet evenwel met de nodige omzichtigheid worden benaderd. Hoewel er bewijzen voorhanden zijn die wijzen op de aanwezigheid van nucleaire faciliteiten en nucleaire materialen, bestaat er geen hard bewijsmateriaal dat de effectieve aanwezigheid van nucleaire wapens aantoont. Wel moet worden opgemerkt dat Noord-Korea er zelf tijdens de onderhandelingen geen geheim van maakt dat het beschikt over atoomwapens. Het is echter lang niet zeker dat Noord-Korea de waarheid vertelt.
De vraag of Noord-Korea beschikt over kernwapens is niet de centrale vraag in deze eindverhandeling. De verhandeling onderzoekt hoe het mogelijk is dat een relatief zwak land als Noord-Korea er steeds weer in slaagt om via zijn nucleaire-wapenprogramma de internationale gemeenschap tegen zich in het harnas te jagen en hoe het er bovendien steeds voor zorgt dat het kan onderhandelen vanuit een positie van sterkte met een grootmacht als de Verenigde Staten.
Het antwoord op deze vraag moet vermoedelijk gezocht worden in de harde onderhandelingsstijl die Noord-Korea hanteert: die van het brinkmanship. Deze stijl wordt gekenmerkt door het aanwenden van bluf, dreigementen en chantage. Door handig gebruik te maken van deze techniek slaagt Noord-Korea er telkens opnieuw in om onderhandelingen met de Verenigde Staten en de internationale gemeenschap af te dwingen. De hoofdbedoeling van deze eindverhandeling is dan ook om het gebruik en het resultaat van de brinkmanship-onderhandelingsstrategie van Noord-Korea te onderzoeken tijdens de nucleaire onderhandelingen met de Verenigde Staten.
Er dient echter vooraf opgemerkt te worden dat het onderhandelingsproces een zeer complexe aangelegenheid is. Een nucleair Noord-Korea is niet enkel een probleem voor de Verenigde Staten, maar ook voor de landen die zich in dezelfde geografische regio bevinden als Noord-Korea. In de eerste plaats zijn dit China, Japan, Rusland en Zuid-Korea. Hoewel het onderhandelingsproces tijdens de eerste nucleaire crisis vooral is toegespitst op onderhandelingen tussen de VS en Noord-Korea, zullen gedurende de tweede nucleaire crisis ook deze andere partijen in het onderhandelingsproces worden betrokken. Hoewel een aantal standpunten en voorstellen van de andere betrokken partijen onvermijdelijk hun plaats moeten krijgen in deze eindverhandeling, wordt geopteerd om vooral de nadruk te leggen op de onderhandelingen tussen de VS en Noord-Korea.
Deze eindverhandeling is opgebouwd uit vijf grote delen. In het eerste deel wordt allereerst een algemeen theoretisch kader geschetst rond de karakteristieken van het onderhandelingsproces. Vervolgens worden een aantal typische kenmerken voorgesteld van een communistische onderhandelingsstrategie. Tot slot wordt dieper ingegaan op het concept brinkmanship. Twee toonaangevende auteurs hebben dit concept uitgebreid, zij het op een verschillende manier, beschreven: Thomas Schelling en Scott Snyder. Terwijl Schellings’ definitie zeer bruikbaar is voor een globale benadering van het conflict, is Snyders’ definitie zeer toepasselijk om de graad van brinkmanship in het onderhandelingsproces zelf te onderzoeken.
Het tweede deel heeft de bedoeling om een brede achtergrond van Noord-Korea zelf te schetsen. Om de harde onderhandelingspositie van Pjongjang correct te vatten is het belangrijk om een goed begrip te hebben van het land zelf. In het eerste gedeelte wordt de aandacht vooral toegespitst op de geschiedenis van Noord-Korea en de relaties met buurland Zuid-Korea. In het tweede gedeelte worden achtereenvolgens de Kim-dynastie, de Juche-ideologie en de militaire doctrine van Noord-Korea besproken.
Het derde deel van deze eindverhandeling schetst vervolgens de nucleaire geschiedenis van Noord-Korea tot en met 1993, wanneer de eerste nucleaire crisis uitbreekt. Hierbij gaat de aandacht uit naar de pogingen van Noord-Korea om nucleaire wapens aan te maken en de ontdekking hiervan door de Verenigde Staten. Ook wordt kort het beleid van president George Bush I ten aanzien van de nucleaire kwestie besproken. De laatste paragraaf van deel 3 gaat op zoek naar de motieven achter het nucleaire programma van Noord-Korea.
In het vierde en het vijfde deel wordt daadwerkelijk overgegaan tot de kern van de eindverhandeling: een onderzoek naar de brinkmanship-onderhandelingsstrategie van Noord-Korea gedurende de eerste en de tweede nucleaire crisis. Deel 4 bespreekt de eerste nucleaire crisis, deel 5 de tweede nucleaire crisis.
Beide delen zijn symmetrisch opgebouwd. In de eerste paragraaf wordt telkens een historisch overzicht van de nucleaire crisis geschetst. In de volgende paragraaf wordt vervolgens een systematische reconstructie gegeven van het onderhandelingsproces zelf, waarbij de aandacht telkens ligt op de Noord-Koreaanse onderhandelingsstrategie van brinkmanship. In de laatste en afrondende paragraaf wordt tot slot een terugkoppeling gemaakt naar het theoretische kader van de eindverhandeling.
Een belangrijke opmerking vooraf is dat het beschikbare bronnenmateriaal omtrent deze problematiek uitsluitend westers is. Hiermee wordt bedoeld dat er geen Noord-Koreaanse bronnen voorhanden zijn die het mogelijk maken om ook de Noord-Koreaanse kant van de medaille te belichten. Desalniettemin is getracht om gedurende de bespreking van de eerste en de tweede nucleaire crisis een zo objectief mogelijk beeld van de situatie te schetsen.
Een laatste opmerking vooraf is dat de eerste nucleaire crisis veel meer wetenschappelijk gedocumenteerd is dan de tweede nucleaire crisis. Een aantal van de sleutelfiguren tijdens de eerste crisis registreerden het onderhandelingsproces zeer gedetailleerd in boekvorm, waardoor het mogelijk is om een zeer precieze reconstructie van de onderhandelingen op te maken. De tweede nucleaire crisis is echter minder gedetailleerd beschreven, vermoedelijk omdat deze nog steeds aan de gang is. Hierdoor is bijgevolg vooral een beroep gedaan op wetenschappelijke artikels om de standpunten van de verschillende onderhandelingspartijen te reconstrueren.
Het theoretisch kader van deze eindverhandeling bestaat uit twee grote delen. Het eerste deel gaat op zoek naar de algemene karakteristieken van een onderhandelingsproces. Hierbij wordt in eerste instantie de aandacht gevestigd op enkele concepten die noodzakelijk zijn voor een goed begrip van elk onderhandelingsproces, zijnde carrots and sticks en de strategie van tit for tat. In tweede instantie worden enkele andere concepten besproken die verduidelijkend werken om een proces van harde onderhandelingen te begrijpen. Het zal hier onder meer gaan om dreigementen, bluf, onderhandelingsreputatie, communistische onderhandelingstechnieken en hardball tactics.
Het tweede deel spitst zich volledig toe op het concept brinkmanship. Een goede kadering van deze harde onderhandelingsstijl is essentieel omdat deze eindverhandeling zich concentreert op het gebruik van deze onderhandelingstactiek door Noord-Korea. Na een algemene paragraaf waarin verschillende definities van het begrip naast mekaar worden gezet, zal de klemtoon gelegd worden op twee toonaangevende auteurs die over brinkmanship hebben geschreven: Thomas Schelling en Scott Snyder.
1.1. Algemene karakteristieken van het onderhandelingsproces
In dit eerste deel worden een aantal belangrijke aspecten van onderhandelingen besproken. Allereerst zal het begrip onderhandelingen worden gedefinieerd. In de volgende twee paragrafen worden eerst de carrots-and-sticks-benadering en vervolgens de onderhandelingstactiek van tit for tat besproken. De derde paragraaf beschrijft de concepten warning, threat, bluff en commitment. De vierde paragraaf beschrijft de onderhandelingsreputatie van een land en de plaats van de bluftechniek daarin . De vijfde paragraaf schetst een beeld van de typische karakteristieken van communistische onderhandelaars. Een laatste paragraaf wordt tot slot gewijd aan de harde onderhandelingsstrategie, de zogenaamde hardball tactics.
1.1.1. Definitie van het begrip onderhandelingen
De definitie die gebruikt zal worden in het kader van dit eindwerk is die van Robert Mnookin: onderhandelingen zijn “a joint decision making process involving interactive communication in which parties that lack identical interests attempt to reach agreement”[1].
Er zijn twee algemene motieven waarom twee of meer partijen overgaan tot onderhandelen. Ten eerste kan via een onderhandelingsproces een resultaat bereikt worden, dat niet mogelijk was zonder dat onderhandelingsproces. Ten tweede kan via een proces van onderhandeling een conflict tussen de verschillende onderhandelingspartijen opgelost worden[2].
De kern van het onderhandelingsproces is dat de onderhandelende partijen limieten stellen waarbinnen een oplossing gezocht dient te worden. Zeer belangrijk hierbij is een duidelijke en gedeelde informatie tussen de verschillende partijen over wat elke partij met de onderhandelingen wenst te bereiken.
Om tot een oplossing te komen kunnen de partijen toegevingen doen inzake hun standpunt, dit wordt een concessie genoemd. Het maken en interpreteren van concessies is een moeilijke aangelegenheid. Twee dilemma’s kunnen hierbij optreden: het dilemma of honesty en het dilemma of trust.
Het dilemma of honesty houdt in dat moet worden nagegaan welk deel van de waarheid de tegenpartij mag kennen en welk deel niet. Indien land X al zijn informatie doorgeeft aan land Y, kan land Y door niet alle informatie door te geven aan land X een voordeel behalen ten aanzien van dat land. Indien beide landen voor elkaar alle informatie verzwijgen, zal dit leiden tot een patstelling.
Het dilemma of trust houdt in dat moet worden nagegaan hoeveel van wat de tegenpartij vertelt, daadwerkelijk moet worden geloofd. Indien land X alles gelooft wat land Y zegt, terwijl land Y sommige zaken verzwijgt of voorliegt aan land X, zal land Y een voordeel behalen op land X. Indien echter beide landen niets geloven van elkaar, zal het onmogelijk zijn om tot een akkoord te komen[3].
Centraal bij onderhandelingen staat de geven-en-nemen-strategie. De partijen doen concessies aan elkaar, waardoor een oplossing wordt bereikt die voor beide aanvaardbaar is. Dit patroon is niet enkel een belangrijk kenmerk van een onderhandelingsproces, het is ook essentieel om problemen tussen de verschillende partijen tot een oplossing te brengen.Wanneer een van de partijen een concessie doet, wordt van de tegenpartij verwacht dat ook zij een concessie doet[4].
1.1.2. Carrots and sticks
Overheden maken gebruik van verschillende beleidsinstrumenten om invloed uit te oefenen. Deze instrumenten kunnen ingedeeld worden in carrots en sticks. Een eenvoudige classificatie hiervan ziet er als volgt uit:

Figuur 1: Tools of Government[5]
Enerzijds zijn er de negatieve en beperkende beleidsinstrumenten. Deze worden sticks genoemd. De instrumenten hebben de bedoeling een bepaalde actie te ontraden of te verbieden. Anderzijds zijn er de positieve en aanmoedigende beleidsinstrumenten. Deze worden carrots genoemd. De instrumenten zijn bedoeld om een bepaalde actie op te leggen of aan te moedigen. Algemeen geschetst worden carrots beschouwd als beloningen en sticks als bestraffingen[6].
Sticks worden in praktijk verwezenlijkt via het opleggen van reguleringen. De term regulering wijst in deze context op het geheel van regels, bevelen, instructies, normen en standaarden. Deze worden ondersteund met sancties of de dreiging met sancties indien de regulering niet wordt nageleefd. Carrots worden op hun beurt gerealiseerd via economische beleidsinstrumenten. Concreet betekent dit het toekennen of het wegnemen van materiele voordelen. Deze instrumenten kunnen het duurder of goedkoper maken om een bepaalde actie te ondernemen. Het verschil tussen carrots en sticks is dat bij de eerste soort van beleidsinstrumenten geen verplichting kan worden opgelegd, terwijl dit wel het geval is bij de tweede soort[7].
Binnen de internationale betrekkingen hebben carrots en sticks een voorname plaats verworven. Sticks worden onder meer gebruikt als middel om druk uit te oefenen op regimes die zich schuldig maken aan agressieve daden en schendingen van de mensenrechten. Carrots werden onder meer aangewend om ontwapening en militaire demobilisatie aan te moedigen. Terwijl de eerste soort beleidsinstrumenten gebruikt wordt als antwoord op daden van agressie of misbruik die reeds geschied zijn, wordt de tweede soort van beleidsinstrumenten gebruikt om preventief op te treden tegen een crisis of een heropleving van geweld.
Carrots en sticks staan nauw met elkaar in verband. Het stopzetten van een sanctie kan beschouwd worden als een positieve incentive terwijl het opheffen van een incentive kan beschouwd worden als het opleggen van een sanctie. In de diplomatieke praktijk wordt de combinatie van carrots en sticks vaak gehanteerd. Carrots worden aangewend om de aantrekkelijkheid van een voorstel te verhogen terwijl sticks worden aangewend indien de tegenpartij zich niet aan het voorstel houdt[8].
1.1.3. Tit for tat
Tit for tat wordt gedefinieerd als: ‘a strategy of strict reciprocity after an initial cooperative move; it can bring about mutual cooperation in a repeated Prisoner’s Dilemma game, since it ensures that defection will not pay.’[9]
Robert Axelrod gaat in ‘The evolution of cooperation’ op zoek naar de voorwaarden waaronder landen zullen samenwerken rond internationale issues in een wereld zonder centrale autoriteit[10]. Hij vertrekt daarbij van het prisoner’s dilemma en stelt de strategie van tit for tat voor als oplossing voor dat dilemma.
In het prisoner’s dilemma worden twee spelers voorgesteld. Elke speler heeft twee keuzes: ofwel werkt hij samen met de andere speler, ofwel werkt hij niet samen met de andere speler. De spelers moeten een keuze maken zonder de keuze van de andere speler te kennen. Kiezen om niet samen te werken zal voor beide spelers het beste resultaat opleveren. Indien immers een van de spelers ervoor kiest om samen te werken, terwijl de andere speler ervoor kiest om niet samen te werken, zal de eerste speler veel slechter af zijn dan wanneer beide spelers kiezen om niet samen te werken. De dominante keuze in het prisoner’s dilemma zal dus zijn om niet samen te werken, hoewel beide spelers veel beter af zouden zijn indien ze allebei samenwerkten[11].
Axelrod stelt dat de oplossing voor dit dilemma de strategie van tit for tat is. Hij definieert deze strategie als: ‘the policy of cooperating on the first move and then doing whatever the other player did on the previous move’. Axelrod toont experimenteel aan dat samenwerking kan onstaan tussen twee partijen die elkaar sterk wantrouwen indien de strategie van tit for tat wordt gevolgd[12].
Het proces verloopt als volgt. Eén van de twee partijen geeft de aanzet tot samenwerking. Indien de tegenpartij op haar beurt deze aanzet beantwoordt met een verdere stap tot samenwerking, zal de eerste partij in een volgende stap ook kiezen voor een verdere samenwerking. Indien de tegenpartij echter zal verkiezen om niet samen te werken, zal de eerste partij haar samenwerkingsinitiatief terug intrekken en ervoor kiezen om niet verder samen te werken of in sommige gevallen zelfs te vergelden[13].
Het vroegere gedrag van een staat inzake zijn buitenlands beleid kan op die manier het gedrag van een andere staat tegenover die staat verklaren. Staten ontwikkelen een zekere vorm van routine en standaardprocedures in hun relatie met elkaar. Een staat zal dus zijn acties gericht naar een andere staat grotendeels baseren op de acties die de andere staat onderneemt jegens de staat in kwestie. Dit proces wordt wederkerigheid (reciprocity) genoemd. Opgemerkt moet worden dat niet enkel het voorafgaand gedrag van de andere staat het beleid bepaalt. Ook het eigen voorafgaand gedrag van een staat jegens een andere staat zal mee bepalen hoe nieuw beleid geformuleerd wordt[14].
1.1.4. Warnings, threats, commitments en bluff tijdens onderhandelingen
Tijdens een onderhandelingsproces kan door de onderhandelende partijen gebruik worden gemaakt van warnings (waarschuwingen), threats (dreigementen), commitments (beloftes, verbintenissen) en bluffs (bluf). Dit zijn manoeuvres die als doel hebben om de verwachtingen van de tegenpartij te veranderen en de keuzes van die tegenpartij te beïnvloeden.
Door het aanwenden van een waarschuwing of een dreigement, probeert een partij de opponent ervan te weerhouden om een niet-gewenste actie te ondernemen of om een wel gewenste actie te weigeren. De waarschuwende of bedreigende partij zal zijn tegenstander duidelijk maken welke de negatieve gevolgen zullen zijn van het al dan niet ondernemen van een bepaalde actie. Tussen een waarschuwing en een dreigement moet echter een duidelijk onderscheid worden gemaakt. Het verschil ligt in de rol van de waarschuwende of bedreigende partij bij het veroorzaken van de voorspelde negatieve gevolgen[15].
Bij een waarschuwing zal de waarschuwende partij de gewaarschuwde partij erop wijzen welke de natuurlijke gevolgen zullen zijn van het niet gehoorzamen door deze laatste (noncompliance). De waarschuwende partij is niet de initiator van deze negatieve gevolgen, ze worden veroorzaakt door externe factoren als natuurwetten, technische evoluties en economische ontwikkelingen. Indien wordt gehoorzaamd zullen beide partijen hieruit voordeel halen.
Wanneer een partij echter dreigementen uitspreekt ten aanzien van een andere partij, zal die bedreigende partij duidelijk maken dat zijzelf speciale inspanningen zal ondernemen om de negatieve gevolgen voor de andere partij te veroorzaken. Opmerkelijk hierbij is dat dit niet noodzakelijk zal leiden tot voordelen voor de bedreigende partij omdat het veroorzaken van de negatieve gevolgen kosten met zich meebrengt[16].
Een waarschuwing of een dreigement kan inefficiënt blijken te zijn. Daarvoor zijn drie verklaringen mogelijk. Ten eerste kan worden verondersteld dat de kosten van de negatieve gevolgen lager zijn dan de kosten van het tegemoetkomen aan de eis van de tegenpartij. Ten tweede kan de tegenpartij weigeren om aan de waarschuwing of het dreigement tegemoet te komen wegens het feit dat een tegemoetkoming zal leiden tot een aantasting van haar onderhandelingsreputatie. Tot slot kan de tegenpartij weinig geloof hechten aan de waarschuwing of het dreigement en deze bijgevolg catalogeren onder de noemer ‘bluf’, waarmee wordt bedoeld dat de waarschuwing of het dreigement door de andere partij niet als geloofwaardig wordt ervaren[17].
Waarschuwingen en dreigementen moeten duidelijk onderscheiden worden van beloftes of verbintenissen (commitments). Het maken van een belofte of het aangaan van een verbintenis is een manoeuvre om de tegenpartij ervan te overtuigen dat een bepaald standpunt wordt behouden indien de tegenpartij zich aan de afspraken houdt of dat niet wordt afgeweken van een voorspelling om actie te ondernemen indien de tegenpartij zich niet aan de afspraak houdt. Door het maken van beloftes of het aangaan van verbintenissen probeert een partij haar eigen gedrag in de toekomst duidelijk te maken aan haar tegenstander. Indien een partij gemaakte beloftes of aangegane verbintenissen niet nakomt, verliest zij haar geloofwaardigheid (credibility) en worden beloftes en verbintenissen als bluf ervaren. De geloofwaardigheid van een partij die beloftes en aangegane verbintenissen wel nakomt neemt toe, terwijl de bluffactor afneemt[18].
Tot slot is het belangrijk op te merken dat er bij overheden een algemene tendens heerst om onderhandelingen te weigeren indien de tegenpartij op voorhand reeds expliciete dreigementen formuleert. Dit zorgt ervoor dat de meeste overheden ervan afzien om dreigementen ten aanzien van een onderhandelingspartner te formuleren[19].
1.1.5. Onderhandelingsreputatie
Het is voor een overheid niet enkel belangrijk om tijdens het onderhandelingsproces een gunstig akkoord te bereiken. Op basis van onderhandelingen uit het verleden zal een overheid bij andere overheden een bepaalde onderhandelingsreputatie verkrijgen. Zo wordt een overheid bijvoorbeeld een bepaalde diplomatieke stijl toegemeten, alsook een bepaalde attitude met betrekking tot het gebruik van geweld en andere karakteristieken in verband met de uitoefening van macht[20].
Of een overheid al dan niet gebruik maakt van bluf tijdens onderhandelingen is een van de belangrijkste factoren van de onderhandelingsreputatie. Indien een overheid bekend staat als een bluffer, zal ze door andere overheden waarschijnlijk weinig ernstig worden genomen. Er zijn echter verschillende manieren voor een overheid om haar dreigementen meer geloofwaardig te maken.
Ten eerste kan dit via het gebruik van commitments (zoals hierboven reeds beschreven). Een tweede manier om niet bekend te staan als een bluffende staat is het opbouwen van een reputatie van niet-bluffer. Indien een partij een dreigement stelt dat door de tegenpartij wordt genegeerd, zal het nadeel van de kosten die worden gemaakt door het uitvoeren van dit dreigement niet opwegen tegen het nadeel van het niet-uitvoeren van dit dreigement. Het stellen van een dreigement dat niet wordt uitgevoerd is erg schadelijk voor de onderhandelingsreputatie. Indien een partij doorheen de geschiedenis een reputatie heeft opgebouwd van niet-bluffer, zal de tegenpartij veel minder snel geneigd zijn om de dreigementen te bagatelliseren[21].
1.1.6. Communistische onderhandelingsstrategie
Doorheen de geschiedenis hebben communistische landen een eigen onderhandelingsstijl ontwikkeld. In wat volgt wordt een overzicht gegeven van de acht belangrijkste karakteristieken van de communistische onderhandelingsstrategie.
Ten eerste drukt de communistische onderhandelingsdelegatie zeer sterk haar stempel op de onderhandelingsagenda. Een agenda wordt verondersteld een lijst te zijn van alle mogelijke onderwerpen waarover tijdens het onderhandelingsproces gediscussieerd zal worden. Communistische onderhandelaars daarentegen stellen een agenda samen die enkel is samengesteld uit onderwerpen die voor henzelf gunstig zijn[22].
Ten tweede worden, zodra de onderhandelingen van start zijn gegaan, door de communistische onderhandelingsdelegatie incidenten gecreëerd die hen tijdens het onderhandelingsproces voordelen opleveren. Deze incidenten worden nauwkeurig gepland. Communistische onderhandelaars verkiezen harde incidentrijke onderhandelingen boven onderhandelingen in een gemoedelijke sfeer van vrede en kalmte[23].
Een derde belangrijke karakteristiek is dat de communistische onderhandelingsdelegatie voortdurend tracht om de vooruitgang van de onderhandelingen te vertragen. Communistische onderhandelaars geloven dat dit de onderhandelingspositie van hun tegenstander verzwakt omdat een ongeduldige tegenpartij dan sneller geneigd is om concessies te maken. Ook lijken zij totaal ongevoelig voor menselijk lijden: ze zullen er niet voor terugdeinzen om het onderhandelingsproces te vertragen, zelfs indien dit leidt tot een toenemend verlies aan mensenlevens[24].
Ten vierde beseffen communistische onderhandelaars dat onderhandelingen onvermijdelijk zullen leiden tot akkoorden die vanuit hun standpunt verwerpelijk zijn. Ze zullen bijgevolg proberen om de omvang van de akkoorden die door hen als ongunstig worden ervaren zo sterk mogelijk te beperken. Ook trachten zij de rol van onderzoekende en superviserende instanties die voortvloeien uit akkoorden zo sterk mogelijk te beperken[25]. Wanneer toch akkoorden worden gesloten die te zeer indruisen tegen communistische belangen zal door de communistische onderhandelaars niet getwijfeld worden om een veto te stellen tegen elke mogelijke uitvoering van het akkoord[26]. De communistische onderhandelingsstrategie deinst er tot slot ook niet voor terug om in allerlaatste instantie te ontkennen dat een bepaald akkoord bereikt is, zelfs niet wanneer dit akkoord reeds in schriftelijke vorm is vastgelegd[27].
Ten vijfde is het een veelgebruikte onderhandelingstechniek van communistische onderhandelaars om schijnissues te formuleren. Dit zijn vervalste issues die door de communistische delegatie ten gepaste tijde worden gebruikt om het onderhandelingsproces in hun voordeel te beïnvloeden[28].
Ten zesde wordt de echte waarheid door communistische onderhandelaars vaak ontkend of vervormd. Omdat de waarheid echter vaak komt bovendrijven tijdens een onderhandelingsproces, wordt meestal gekozen voor een vervorming van de waarheid. De techniek die hiervoor wordt toegepast is uit een groot geheel een aantal aspecten van waarheid lichten, waardoor een conclusie kan worden gevormd die in feite helemaal tegengesteld is aan de echte waarheid maar die toch gebaseerd is op waargebeurde feiten[29].
Ten zevende wordt elke vorm van concessie vanwege de tegenpartij door communistische onderhandelaars aanzien als een teken van zwakte. Indien de tegenpartij een concessie doet zonder dat de communistische onderhandelingsdelegatie een toegeving moet doen, zal deze laatste vinden dat haar tegenstander vanuit een positie van zwakte onderhandelt. Hierdoor zal de communistische onderhandelingsstijl agressiever en veeleisender worden, terwijl de neiging om toegevingen te doen nog zal verminderen[30].
Een achtste en laatste karakteristiek van de communistische onderhandelingsstijl is het eindeloos blijven herhalen van de gestelde eisen. Hierdoor zal de tegenpartij op lange termijn geïrriteerd geraken waardoor ze meer geneigd zal zijn om tegemoet te komen aan deze eisen. Hierdoor slaagt de communistische onderhandelingsdelegatie erin om haar doelstellingen te bereiken[31].
Uiteraard dient opgemerkt te worden dat dit niet enkel geldt voor communistische onderhandelaars, maar dat ook andere onderhandelaars van een aantal van deze technieken gebruik maken[32].
1.1.7. Hardball tactics
Hardball tactics zijn onderhandelingstechnieken waarbij de ene partij de andere daadwerkelijk probeert te verslaan, alsof het onderhandelingsproces een duel is. Omdat deze definitie vrij algemeen is, wordt in het kader van deze eindverhandeling voor de volgende beschrijving van dit concept gekozen: hardball tactics zijn onderhandelingstechnieken die sterke druk uitoefenen op de tegenpartij om bepaalde handelingen te doen die zij anders niet zou doen[33]. Brinkmanship is een hardball tactic.
Deze onderhandelingstechniek wordt meestal als zeer offensief ervaren en vaak zal de partij die aan deze techniek wordt blootgesteld geneigd zijn om revanche te nemen. De ervaring leert dat het aanwenden van dit soort technieken meer kwaad dan goed veroorzaakt in een onderhandelingsproces.
Er zijn verschillende manieren om hardball tactics te beantwoorden. Ten eerste kunnen ze genegeerd worden, ten tweede kunnen ze in samenspraak met de tegenpartij bediscussieerd worden en ten derde kunnen deze hardball tactics beantwoord worden met soortgelijke hardball tactics.
Het negeren van deze offensieve onderhandelingstactiek kan zwak overkomen naar de buitenwereld toe, maar toch kan deze reactie zeer efficiënt en krachtdadig blijken. Het niet reageren op een bedreiging is vaak de beste manier om ermee om te gaan. De mogelijkheid om hardball tactics te beantwoorden met eigen offensieve onderhandelingstactieken kan leiden tot chaos en negatieve gevoelens tussen de onderhandelingspartners. Toch mag deze optie niet direct uitgesloten worden. Het kan zo voor beide partners duidelijk worden dat dit tot weinig resultaat leidt en dat, eens de rook is opgeklaard, het voor beide partijen noodzakelijk zal zijn om op zoek te gaan naar een andere onderhandelingstactiek[34].
Een concrete toepassing van hardball tactics is het chicken game. Dit wordt vaak symbolisch voorgesteld als twee auto’s die recht op elkaar af rijden. De auto die als eerste moet uitwijken, wordt het chicken genoemd. Degene die het langste rechtdoor durft gaan is de zogenaamde hero. Hier is duidelijk dat onderhandelingen in deze context door beide partijen worden aanzien als een duel dat gewonnen of verloren kan worden.
Een onderhandelaar die deze tactiek gebruikt, combineert een grote mate van bluf met een bedreigende actie. Op die manier tracht deze onderhandelaar de tegenpartij zover uit te dagen tot die moet zwichten (moet uitwijken) en moet ingaan op de eisen van de onderhandelaar[35]. Brinkmanship is een verdere toepassing van het chicken game. Het combineert ook een grote mate van bluf met een bedreigende actie. Brinkmanship houdt echter meer in dan bluf en bedreiging.
1.2. Brinkmanship
In deze paragraaf wordt het concept brinkmanship van naderbij onderzocht. De eerste paragraaf gaat op zoek naar een gepaste en hanteerbare definitie van het begrip. In de tweede paragraaf wordt het begrip verder ontleed aan de hand van de definitie van Scott Snyder. De slotparagraaf focust op de invulling die Thomas Schelling gaf aan het begrip brinkmanship.
1.2.1. Definitie
De term brinkmanship werd tijdens de Koude Oorlog geïntroduceerd door de Amerikaanse Secretary of State John Foster Dulles. Ondanks de vele kritiek die Dulles kreeg, werd brinkmanship een belangrijk element in het Amerikaans beleid onder president Eisenhouwer, president Kennedy en president Johnson[36]. Brinkmanship werd door Dulles zelf gedefinieerd als: “the ability to get to the verge without getting into war”[37].
Brinkmanship kan op verschillende wijzen worden gedefinieerd. Een eerste definitie stelt dat het zoveel is als: “using provocative acts and inflammatory rhetoric to escalate tensions in ways that either enhance a country’s power or its diplomatic leverage”[38]. Een andere definitie luidt als volgt: “The policy of a nation that pushes a dangerous situation to the limits of safety (the ‘brink’) before pulling back”[39].
Wikipedia geeft een ruimere definitie van het begrip: “Brinkmanship refers to the policy of practice, especially in international politics and foreign policy, of pushing a dangerous situation to the brink of disaster in order to achieve the most advantageous outcome by forcing the opposition to make concessions.”[40]
Thomas Schelling geeft in ‘The strategy of conflict’ nog een andere invulling aan het begrip: “Brinkmanship is the deliberate creation of a recognizable risk of war, a risk that one does not completely control”[41] De definitie van Schelling is het onderwerp van de tweede paragraaf. Deze definitie is echter in het kader van dit eindwerk minder operationeel te maken als die van Snyder.
Scott Snyder geeft in ‘Negotiating on the edge’ een brede en zeer goed hanteerbare omschrijving van het concept brinkmanship: “Brinkmanship involves the mixing of aggressive and provocative tactics, including issuing unconditional demands, blustering, bluffing, threatening, stalling, manufacturing deadlines, and even walking out of negotiations.”[42] Snyders’ definitie zal in de derde paragraaf verder worden ontleed.
1.2.2. Schellings’ benadering van brinkmanship
Thomas Schelling komt in ‘The strategy of conflict’ tot een eigen benadering van het begrip brinkmanship. Hij stelt het voor als twee partijen die op de brink staan en die met elkaar verbonden zijn door middel van een koord.
De brink is geen steile afgrond van een rots waarop men staat en vanwaar men kan beslissen om zich naar beneden te storten om zo zijn tegenstander mee te sleuren in de val. De brink moet eerder opgevat worden als een aflopende helling waarop men kan staan maar dit met een constant risico op uitglijden. Aan het einde van de helling bevindt zich een afgrond. Hoe dichter men bij de afgrond komt, hoe steiler de helling wordt en hoe groter het risico op uitglijden waardoor beide partijen in de afgrond storten. Zowel de helling als het risico op uitglijden zijn echter onregelmatig: noch degene die op de helling staat, noch de toeschouwers weten met zekerheid hoe groot het risico op uitglijden is wanneer een stap dichter naar de afgrond wordt genomen[43].
Brinkmanship is het opzettelijk creëren van een aanzienlijk risico op oorlog. Het is onmogelijk om dit risico volledig onder controle te krijgen. De tactiek hierbij is om opzettelijk de situatie uit de hand te laten lopen, precies omdat dit uit de hand lopen voor de tegenpartij onverdraaglijk is. Daardoor zal deze zich inschikkelijker tonen en sneller geneigd zijn om concessies te doen. De tegenstander wordt dus aangevallen en geïntimideerd door hem bloot te stellen aan een gemeenschappelijk risico. Hem wordt erop gewezen dat, indien hij een tegenbeweging maakt, de situatie wel eens uit de hand zou kunnen lopen waardoor beide partijen over de brink glijden en in de afgrond storten. Opmerkelijk hierbij is dat het voldoende is om te dreigen met een ‘mogelijkheid op vergelding’ om de tegenpartij angst aan te jagen. Het is dus niet zo dat elke tegenbeweging vanwege de andere partij met honderd procent zekerheid vergolden zal worden[44].
In ‘Arms and influence’ definieert Schelling brinkmanship als “a competition in risk-taking”[45]. Het is het bewust creëren van een risico op een totale catastrofe. Hierbij moet duidelijk gesteld worden dat de creatie van het risico gewild is, maar dat de uitmonding van het conflict in een totale catastrofe ongewild is. Schelling maakt dit duidelijk aan de hand van een voorbeeld: rocking the boat.
Twee personen zitten in een roeiboot. De ene persoon wil de andere persoon alleen laten roeien, zodat hijzelf kan rusten. Hij moet een manier bedenken waardoor hij de andere persoon angst aanjaagt, zodat die niet anders zal durven dan alleen roeien. Hij kan zeggen: ‘Roei, anders kantel ik de boot om zodat we beide verdrinken’. Dit zal echter weinig indruk maken op de andere persoon. Indien hij echter de boot hard heen en weer laat schommelen, zodat die elk moment kan omkantelen, zal de andere persoon veel sterker onder de indruk zijn waardoor hij sneller overgehaald zal kunnen worden om het roeien op zich te nemen[46]. Dit voorbeeld illustreert hoe het principe van brinkmanship werkt. Het is in wezen het manipuleren van een risico om zo iets van de tegenpartij gedaan te krijgen.
1.2.3. Snyders’ benadering van brinkmanship
Snyder stelt dat in het concept brinkmanship vier basiscomponenten kunnen worden onderscheiden. Dit is ten eerste de vraag tot unilaterale concessies, ten tweede het gebruik van bluf en dreigementen, ten derde het opleggen van deadlines en tot slot het constant dreigen om de onderhandelingstafel te verlaten[47].
· Vraag tot unilaterale concessies
Een eerste component van brinkmanship is de vraag tot unilaterale concessies van de tegenpartij in ruil voor het opstarten of het verderzetten van onderhandelingen. Deze vraag naar voordelen alvorens onderhandelingen van start gaan, wijst enerzijds op het feit dat de partij die deze handeling stelt weinig belang lijkt te hebben bij een daadwerkelijke oplossing van een conflict. Het afwijzen van de vraag tot unilaterale concessies zal immers leiden tot een verslechtering in de relaties tussen beide partijen, wat een verzoeningsakkoord niet zal bespoedigen. Anderzijds wijst de vraag tot unilaterale concessies op de aanname van een maximalistische positie in het onderhandelingsproces vanwege de partij die de handeling stelt. Dit betekent dat de partij vastberaden vanuit een positie van sterkte wenst te onderhandelen, terwijl het zijn tegenstander in een positie van zwakte duwt.
Het aanwenden van de vraag tot unilaterale concessies in ruil voor deelname aan de onderhandelingen is gewoonlijk een poging om de zwakheden en de flexibiliteit van de tegenpartij bloot te leggen. De tegenpartij moet hierbij ingaan op de vraag, zonder dat er iets concreets in de plaats wordt gegeven[48].
Het gebruik van een overdreven eis tot concessie kan de tegenpartij psychologisch beïnvloeden. De logica hierachter is dat hoe hoger de initiële prijs tot coöperatie is, hoe gunstiger de condities zijn voor een eventueel akkoord. Met andere woorden: indien men veel vraagt, is de kans groter dat een aantal eisen worden ingewilligd dan indien men weinig vraagt[49].
· Gebruik van bluf en dreigementen
Het aanwenden van dreigementen die al dan niet kunnen gecatalogeerd worden als bluf, is een steeds weerkerend fenomeen in de strategie van brinkmanship. Deze dreigementen worden vooral aangewend om ambiguïteit te creëren omtrent mogelijke acties (vanwege de partij die de strategie toepast) die ondernomen kunnen worden wanneer het onderhandelingsproces wordt afgebroken. Zo wordt de onderhandelingspartner onder druk gezet tot het doen van concessies om zo een slechte afloop van de onderhandelingen te voorkomen.
Het gebruik van bluf en dreigementen kan worden aangewend omwille van twee doeleinden. Enerzijds om de tegenstander te ontmoedigen om een bepaalde actie te ondernemen. Anderzijds kunnen bluf en dreigementen de tegenpartij ertoe aan te zetten om gestelde eisen in te willigen[50].
Tot slot moet echter worden opgemerkt dat enkel het uiten van bluf en dreigementen niet voldoende is om deze strategie doeltreffend te maken. Het is noodzakelijk dat de partij die deze technieken aanwendt ook kan aantonen dat niet al haar dreigementen bluf zijn. Het concept credibility of geloofwaardigheid is hierbij zeer belangrijk. De partij moet aantonen dat haar dreigementen geloofwaardig zijn, waardoor wordt voorkomen dat deze door de tegenpartij aanzien worden als ‘loze’ dreigementen die weinig effect hebben[51].
· Opleggen van deadlines
Een derde component van brinkmanship is het opleggen van deadlines. Dit is een strategie om de controle over het onderhandelingsproces te behouden. De partij die deze strategie gebruikt zal aan de tegenpartij een deadline opleggen. De deadline wordt vaak gecombineerd met de eis tot unilaterale concessies vanwege de tegenpartij. Ook zal de partij die deze strategie gebruikt wijzen op de negatieve consequenties die zich zullen voordoen indien de tegenpartij niet tijdig reageert[52].
Er is echter een risico verbonden aan deze strategie. De tegenpartij kan het vermoeden hebben dat er bluf in het spel is. Indien dit daadwerkelijk het geval is en indien de tegenpartij de deadline daarom naast zich neerlegt, zal dit leiden tot een aanzienlijke verzwakking in de onderhandelingspositie van de partij die de deadline heeft opgelegd. Het is daarom voor de tegenpartij noodzakelijk om voldoende expertise aan te wenden in het omgaan met deadlines. Voor de partij die de deadline oplegt is het belangrijk om geloofwaardigheid te behouden[53].
· Dreigen met het verlaten van de onderhandelingstafel
De meest dramatische vorm van brinkmanship is de dreiging de onderhandelingstafel te verlaten. Dit is een middel om de druk op de tegenpartij op te drijven. Deze strategie wordt aangewend omwille van twee doeleinden. Enerzijds om de onderhandelingen te blokkeren of tijd te winnen. Anderzijds om psychologische druk uit te oefenen op de tegenstander. Hierdoor zal de tegenstander sneller geneigd zijn toe te geven aan de standpunten van de partij die ermee dreigt om de onderhandelingstafel te verlaten.
Er is echter een beperking verbonden aan deze strategie. Het is een unilaterale tactiek die enkel kan worden toegepast door een partij die het zich kan veroorloven om de potentiële voordelen van een akkoord naast zich neer te leggen[54].
Brinkmanship is in de visie van Snyder dus een unilaterale onderhandelingsstrategie die het meest succesvol is wanneer degene die deze strategie toepast zich weinig zorgen maakt over enerzijds de reactie van de tegenstander en anderzijds de negatieve context die wordt gecreëerd door het aanwenden van deze strategie. Het is een combinatie van de vraag voor unilaterale concessies vanwege de tegenstander en het dreigement om de onderhandelingstafel te verlaten[55].
Het veelvuldig herhalen van dezelfde dreigementen of blufstrategieën kan er echter toe leiden dat de tegenpartij deze gaat zien als ongeloofwaardige opschepperij. Brinkmanship wordt op die manier vaak onproductief. Het inherent gevaar van de strategie is dat het gebruik van buitensporige dreigementen ertoe kan leiden dat de onderhandelingspartner de echte bedreiging onderschat. Dit kan leiden tot inschattingsfouten en mogelijk tot de escalatie van een conflict[56].
Snyder stelt dat er twee manieren zijn om efficiënt op brinkmanship te reageren. Ten eerste wijst hij op het feit dat brinkmanship vanwege de ene partij kan beantwoord worden door brinkmanship vanwege de andere partij. Een andere manier om tegemoet te komen aan brinkmanship is ervoor te zorgen dat een akkoord wordt bereikt waardoor de partij die een strategie van brinkmanship toepast iets te verliezen heeft. Hierdoor zal die partij zich gematigder opstellen en zullen de verschillende componenten van brinkmanship minder bruikbaar worden[57].
In het tweede deel van deze eindverhandeling gaat de aandacht uit naar het land Noord-Korea zelf. Bedoeling is om een geschiedkundig beeld van het land en zijn gebruiken te schetsen. Dit kan verhelderend werken voor een goed begrip van de harde houding van Noord-Korea inzake zijn nucleaire activiteiten. Deze geschiedkundige schets gaat ook in op de Noord-Koreaanse staatsideologie, meerbepaald de Juche. Deze ideologie werd vanaf 1955 door Kim Il Sung uitgewerkt. Een goed begrip ervan kan verhelderend zijn om de harde houding inzake internationale politiek van het huidige Noord-Korea beter te vatten.
Ook zal in dit deel de Kim-dynastie aan bod komen en de manier waarop die doorheen de jaren vorm krijgt. Noord-Korea wordt vaak vereenzelvigd met zijn leider. De manier waarop zowel Kim Il Sung als Kim Jong Il de macht naar zich toe hebben getrokken maakt deze personificatie gerechtvaardigd. Een korte bespreking van beide leiders is daarom niet overbodig. In de laatste paragraaf wordt ingegaan op de Noord-Koreaanse militaire doctrine.
2.1. Korea: kolonisering, dekolonisering, tweedeling en oorlog
De eerste paragraaf bespreekt de Japanse kolonisering. Die duurt van 1910 tot 1945 wanneer Japan capituleert in de Tweede Wereldoorlog. De tweede paragraaf bespreekt het ontstaan en het uiteenvallen van de Koreaanse republiek kort na de bevrijding van het land. De derde paragraaf behandelt de Koreaanse oorlog. Tijdens die oorlog staat Korea in het middelpunt van de Koude Oorlog en worden de kiemen gezaaid voor de verdere tweedeling van het land in Noord- en Zuid-Korea. Tot slot worden de relaties met buurland Zuid-Korea besproken tot op heden en de verscheidene verzoeningspogingen tussen beide delen van Korea.
2.1.1. De Japanse kolonisering van Korea
Op 29 augustus 1910 wordt Korea integraal ingelijfd bij het Japanse Rijk. Gedurende de kolonisering, die 35 jaar duurt, wordt Korea geregeerd door een Japanse gouverneur-generaal die enkel verantwoording dient af te leggen aan de Japanse keizer. Het nieuwe regime leidt het land op een efficiënte, doch sterk bureaucratische en onderdrukkende manier.
Het gevoerde beleid van de regering wordt sterk bepaald door de persoonlijke voorkeuren van de gouverneur-generaal, Terauchi Masatake, die vroeger minister van oorlog was in Japan. Hij regeert met ijzeren vuist en zijn regeerstijl heeft veel weg van het verlicht despotisme. Ook zijn opvolger, Hasegawa Yoshimichi, houdt er een harde stijl van regeren op na[58].
De wijze waarop Japan regeert wordt door henzelf omschreven als simpel en efficiënt. Er worden verschillende hervormingen doorgevoerd: Korea wordt Chosen genoemd, steden veranderen van naam, politieke en sociale organisaties worden ontbonden – enkel religieuze organisaties en scholen blijven bestaan. Verder worden de vrijheid van vereniging en het recht op vrije meningsuiting verboden en kranten worden onder staatscontrole gebracht[59].
Op het vlak van de politieke besluitvorming wordt de Koreaanse bevolking bijna volledig uitgesloten: alle regeringsdepartementen worden bevolkt door Japanners en slechts zes van de dertien provinciegouverneurs zijn Koreanen. Om toch tegemoet te komen aan de Koreaanse wensen richt de Japanse overheerser raadgevende organen op. Deze organen hadden geen stemrecht, de Koreaanse bevolking heeft bijgevolg geen orgaan waardoor ze effectief kon deelnemen aan het politieke proces. Gevolg hiervan is dat Korea een autoritaire structuur krijgt die volledig afhankelijk is van een militair politiesysteem[60].
Niet alleen wordt de oorspronkelijke Koreaanse bevolking uitgesloten van de macht, ze wordt ook gediscrimineerd: Japanse overheidsambtenaren verdienen meer dan de Koreaanse, de Koreaanse bevolking wordt strenger berecht voor criminele wandaden en gevangeniscondities zijn voor de Japanners minder slecht dan voor de oorspronkelijke Koreaanse bevolking. Ook op het vlak van onderwijs krijgen de Japanse kinderen een voorkeurbehandeling. Zo wordt bijvoorbeeld het Japans de officiële onderwijstaal en worden boeken over de Koreaanse geschiedenis verzameld en verbrand[61].
Over de economische gevolgen van de Japanse kolonisering zijn de meningen verdeeld. Enerzijds wordt beweerd dat de kolonisering een economische boom zou hebben veroorzaakt, waardoor de economische toestand van de Koreaanse bevolking zou zijn verbeterd. Anderzijds wordt gesteld dat de Japanse onderdrukking zou hebben geleid tot de economische uitbuiting van het Koreaanse schiereiland[62]. Een derde mening stelt dat de Japanse onderdrukking heeft geleid tot een klein maar beperkt succes voor Korea: Japanse investeringen hadden positieve effecten voor het land, maar leidden er ook toe dat rijkdom en grondstoffen wegvloeiden uit het land[63].
Tot slot is de Japanse kolonisering vooral zeer pijnlijk voor de Koreaanse landbouwers: deze worden vaak vervangen door Japanse landbouwers die over veel efficiëntere landbouwtechnieken beschikken. Naast de emigratie van de Japanse landbouwers naar Korea komt er tijdens deze periode ook een algemene emigratiegolf op gang van Japan naar Korea. Steden en platteland worden ingepalmd en grote sectoren van de industrie worden door Japanners gecontroleerd.
Naast het abrupt opleggen van de Japanse gewoontes, maken de Japanse inwijkelingen zich ook schuldig aan de mishandeling van de Koreaanse bevolking.
De negatieve gevoelens van de Koreaanse bevolking jegens de onderdrukkende Japanse overheerser nemen dan ook toe en kennen een hoogtepunt in 1919[64].
2.1.2. De Koreaanse onafhankelijkheid
Begin maart 1919 begint een opkomend gevoel van Koreaans nationalisme de Japanse onderdrukking aan de kaak te stellen. Over heel Korea komen honderdduizenden mensen op straat die pleiten voor het natuurlijk recht op onafhankelijkheid voor de Koreaanse bevolking, vrij van Japanse onderdrukking. Hoewel de Japanse overheid in eerste instantie verrast is, volgt een zware repressie: tienduizenden mensen worden gearresteerd en er vallen duizenden doden. De eerste onafhankelijkheidspoging mislukt, maar het is duidelijk dat de nationalistische leiders door een groot deel van de bevolking worden gesteund[65].
De demonstraties veroorzaken een breuk in het Japanse koloniale beleid. Het strenge repressieve beleid slaagde er immers niet in te anticiperen op de massale demonstraties van maart 1919. Gouverneur-generaal Makoto voert daarom hervormingen door, waardoor het beleid minder repressief wordt en de Japanse controle toch kan worden versterkt. Op die manier worden de offensieve en extreme kanten van het beleid afgescherpt door middel van enkele cosmetische veranderingen. Zo wordt de Japanse heerschappij naar de buitenwereld toe gelegitimeerd.
De Koreaanse nationalistische beweging zet zich echter door en vindt haar stem in twee dagbladen die sinds 1920 worden toegelaten. Ook tijdschriften worden toegelaten: zij dienen als een forum voor debat binnen de nationalistische beweging. Verder worden ook verschillende organisaties toegelaten, zoals jeugdorganisaties, werknemersorganisaties en studiegroepen. Tussen de jaren 1920-1925 zijn de nationalisten binnen de kolonie relatief vrij om te discussiëren over sociale, culturele en politieke thema’s[66].
Desalniettemin zal het nog heel wat jaren duren vooraleer Korea volledig wordt bevrijd van de Japanse heerschappij, meer bepaald tot de capitulatie van Japan in 1945, bij het einde van de Tweede Wereldoorlog. Op 8 augustus 1945 verklaart de Sovjet-Unie de oorlog aan Japan en een grootscheepse aanval op de Japanse posities in Mantsjoerije en Korea wordt voorbereid. De Japanse verdediging begint te desintegreren, mede dankzij de inzet van Amerikaanse atoomwapens. Op 15 augustus geeft Japan te kennen zich onvoorwaardelijk over te geven. De Sovjettroepen zijn op dat moment al tot diep in Korea genaderd. Opmerkelijk en belangrijk hierbij is het feit dat het Sovjetleger de opdracht krijgt niet verder te gaan dan de achtendertigste breedtegraad. Reden daarvoor is dat de Amerikanen aan Stalin te kennen hebben gegeven zelf het Zuiden van Korea te willen controleren[67].
Na de vernietiging van de Japanse troepen op het Koreaanse schiereiland in 1945 worden voor de revolutionaire krachten gunstige voorwaarden geschapen om voor het eerst in de geschiedenis van het land een onafhankelijke volksdemocratie op te richten[68].
2.1.3. Verdeling van Korea: Noord en Zuid
Reeds snel na de bevrijding van Korea wordt duidelijk dat dit niet zal leiden tot een autonoom en onafhankelijk Koreaans schiereiland. Er wordt immers een scheidingslijn getrokken op de achtendertigste breedtegraad, die een breuk zal veroorzaken tussen het Noorden en het Zuiden van het land. Het Noorden komt onder de controle van de Sovjet-Unie, terwijl het Zuiden onder de controle komt te staan van de Verenigde Staten[69].
De verdeling van het land veroorzaakt een breuk in het sociale leven en in de administratieve functies. Ook vanuit economisch standpunt brengt de scheiding weinig voordelen en de bevolking is hiervan het slachtoffer. Om deze situatie te veranderen worden op Amerikaans initiatief onderhandelingen gestart met de Sovjet-Unie. Ook Groot-Brittannië en China worden bij de onderhandelingen betrokken. De onderhandelingen vinden plaats in Moskou en er wordt overeengekomen dat er nood is aan een unitaire maar voorlopige Koreaanse regering[70].
Hiernaast wordt ook een permanente commissie opgericht: de US-USSR Joint Commission. Deze commissie kent echter weinig succes en kan alleen een akkoord bereiken inzake niet-essentiële zaken, terwijl ze er niet in slaagt om onderhandelingen rond belangrijke issues op te starten[71].
Na de mislukking van de bilaterale conferenties besluit de VS om de zaak door te verwijzen naar de Verenigde Naties. Op 23 september 1947 wordt de Koreaanse kwestie besproken in de Algemene Vergadering. Op 14 november wordt, ondanks oppositie van de Sovjet-Unie en enkele andere communistische landen, het Amerikaanse voorstel aangenomen dat procedures inhoudt voor de Koreaanse onafhankelijkheid met een absolute meerderheid[72].
Een commissie van de Verenigde Naties wordt opgericht: U.N. Temporary Commission on Korea. De commissie komt aan in Seoul op 8 januari 1948. De Sovjet-Unie weigert echter om deel te nemen aan de bijeenkomsten en verbiedt de werkzaamheden van de commissie in Noord-Korea. Het is voor de commissie onvermijdbaar om de zaak terug te brengen naar de Algemene Vergadering van de VN en die neemt een nieuwe resolutie aan: de resolutie van 14 november blijft geldig en de commissie moet de verkiezingen voor heel Korea coördineren. Belangrijk hierbij op te merken is dat indien dat laatste onmogelijk zou zijn, de commissie enkel belast wordt met het superviseren van verkiezingen in delen van Korea waartoe het toegang krijgt[73].
Op 1 maart 1948 kondigt de Amerikaanse bevelhebber in Zuid-Korea de verkiezingen aan die op 5 mei zullen plaatsvinden en die onder de supervisie van de U.N. Temporary Commission on Korea zullen staan. De commissie beperkt zijn rol vooral tot aanbevelingen inzake de sfeer van democratie en vrijheid, die borg zouden staan voor eerlijke verkiezingen. Op 31 mei 1948 worden 198 leden van de Algemene Raad verkozen. Syngman Rhee wordt als voorzitter aangeduid. Opmerkelijk hierbij is dat 100 zetels worden gereserveerd voor de vertegenwoordigers van Noord-Korea. De Algemene Raad krijgt het recht om een regering te vormen die jurisdictie heeft over heel Korea. Ondertussen wordt het noordelijk deel van Korea gestimuleerd om ook verkiezingen te houden en hun vertegenwoordigers naar de Nationale Raad te sturen. Op 20 juli wordt Syngman Rhee als eerste president van Korea verkozen en ziet de Republiek Korea het levenslicht[74].
In Noord-Korea wordt reeds in 1946 de North Korean People’s Committee opgericht. De Sovjet-Unie ziet hierin de kans om in het Noordelijk deel van Korea een communistisch regime te installeren en spoort het volkscomité ertoe aan een communistische grondwet uit te werken. Op 2 maart 1948, een dag nadat de Amerikaanse bevelhebber in Zuid-Korea de verkiezingen heeft uitgeroepen, wordt in Noord-Korea de grondwet aangenomen door het volkscomité. De installatie van een communistisch regime in Noord-Korea, genaamd de Democratische Volkrepubliek Korea, is hierdoor een feit. Op 25 augustus worden verkiezingen gehouden en Kim Il Sung wordt de eerste premier van Noord-Korea. Belangrijk hierbij vast te stellen is het feit dat Kim Il Sung stelt dat zijn regime is geïnstalleerd overeenkomstig de wil van de hele Koreaanse bevolking en dat zijn belangrijkste taak is de eenmaking van Korea te verwezenlijken. Hij verklaart de wetten die in Zuid-Korea worden gemaakt als onbestaande[75].
De U.N. Temporary Commission on Korea beschuldigt de Noord-Koreaanse overheid van ondemocratische praktijken, maar de Sovjet-Unie en andere communistische landen steunen Kim Il Sung. De splitsing tussen Noord en Zuid wordt een feit. De weg naar de oorlog ligt open[76].
2.1.4. De Koreaanse Oorlog
De Koreaanse Oorlog is een zeer wrede en vreemde oorlog. Hij wordt omschreven als een ‘jojo-oorlog’: eerst veroveren de Noord-Koreanen nagenoeg heel Zuid-Korea, daarna wordt Noord-Korea overrompeld en teruggedrongen door de Amerikaanse generaal MacArthur die opperbevelhebber is van de VN-strijdkrachten[77].
De positie van Syngman Rhee in Zuid-Korea is zeer zwak. Zijn regime kenmerkt zich door massale intimidatie, terreur en overvolle gevangenissen. In Noord-Korea slaagt Kim Il Sung er wel in om een goed functionerend systeem op te bouwen dat gekenmerkt werd door stabiliteit, systematische economische opbouw, sterke economische groei en revolutionaire sociale hervormingen[78].
In Zuid-Korea breekt in 1948 een guerrillaoorlog uit, die op de steun van de bevolking kan rekenen. Noord-Korea speelt een belangrijke rol in de guerrilla, zo leidt het onder meer guerrillastrijders op in het guerrillaopleidingsinstituut van Pjongjang. Het machtsevenwicht verschuift in de loop van 1949 en begin 1950 dan ook in het voordeel van Kim Il Sung – onder andere omdat hij kan rekenen op zwaar militair materiaal dat door de Sovjets werd achtergelaten toen die in 1948 het land verlieten, zoals tanks en aanvalsvliegtuigen. De VS verlieten Zuid-Korea pas in 1949 en lieten een militaire missie achter van vijfhonderd man, vergezeld van licht legermateriaal dat vijftigduizend soldaten moest kunnen bewapen[79].
Ondertussen neemt de militaire spanning tussen het Noorden en het Zuiden toe. Langsheen de achtendertigste breedtegraad groeit het aantal gewapende incidenten. Voor een groot deel zijn dit Zuid-Koreaanse acties die gericht zijn tegen guerrillatroepen uit het Noorden, maar in sommige gevallen betreft het ook pogingen van Noord-Korea om de kracht van zijn tegenstander te testen[80].
25 juni 1950 is de datum waarop de Koreaanse oorlog van start gaat. ’s Morgens vroeg om vier uur valt Noord-Korea binnen in Zuid-Korea met hevige mortier- en artilleriebeschietingen, gevolgd door infanterie-aanvallen. Bij het aanbreken van de dag blijken de troepen van het Noorden overal aanwezig te zijn. Het Zuid-Koreaanse leger wordt verrast en overrompeld. Slechts enkele uren na het begin van de vijandelijkheden naderen de troepen uit Noord-Korea tot op vijftig kilometer van Seoel[81].
Kort daarna neemt de VN veiligheidsraad een door de Verenigde Staten ingediende resolutie aan waarin Noord-Korea als agressor wordt aangeduid en opgeroepen wordt om zijn troepen achter de demarcatielijn terug te trekken. De afwezigheid van de Sovjet-Unie in de veiligheidsraad maakt dat één belangrijke en beslissende stem ontbrak. Hierdoor kan de Sovjet-Unie de agressieresolutie die hun Noord-Koreaanse bondgenoot treft niet met een veto torpederen[82].
In Washington groeit meer en meer het besef dat een definitieve lijn moet getrokken worden tegen de communistische agressie. Als reactie hierop worden de Amerikaanse burgers en de diplomatieke staf die nog in Zuid-Korea vertoeven geëvacueerd. Generaal MacArthur, opperbevelhebber van de Amerikaanse bezettingsmacht in Japan, krijgt de opdracht om de troepen van Syngman Rhee via lucht en over zee met munitie en lichte wapens te bevoorraden[83].
De Verenigde Staten breiden zo de Truman-doctrine uit naar Azië. Deze doctrine houdt in dat landen die bedreigd worden door het communisme op steun vanwege de Verenigde Staten kunnen rekenen. Deze steun kan politiek, economisch en zelfs militair zijn. De waarheid gebiedt echter te stellen dat President Truman niet echt de middelen heeft om zijn doctrine toe te passen. Toch ontstaat in de Korea-crisis geloof in de doctrine van roll back die inhoudt dat het communisme daadwerkelijk teruggedrongen moet worden. Onder andere generaal MacArthur steunt dit idee[84].
Kim Il Sung, ondertussen tot opperbevelhebber van het leger benoemd, maakt – zo zou later blijken – een belangrijke tactische fout door te veronderstellen dat de Verenigde Staten zich onder druk van de communistische grootmachten buiten het conflict zouden houden. Dit zou niet zijn enige tactische blunder in de Koreaanse Oorlog zijn[85].
Op 26 juni stuurt generaal MacArthur een telegram naar het Pentagon waarin hij meedeelt dat de troepen van Rhee op instorten staan en dat vijandelijke tanks de buitenwijken van Seoel hebben bereikt. Om de indruk te vermijden dat de Verenigde Staten alleen opereren wordt overeengekomen dat de Verenigde Naties eerst een resolutie dienen aan te nemen waarin wordt afgesproken om Zuid-Korea militair te ondersteunen. Hiermee krijgt het conflict een internationale dimensie. De resolutie wordt goedgekeurd en zestien landen, waaronder België, nemen daadwerkelijk deel aan de Koreaanse Oorlog[86].
De val van Seoel is een feit op 28 juni 1950: het Zuid-Koreaanse leger is gebroken, de hoofdstad is gevallen en de regering is gevlucht. Via de radio spreekt Kim Il Sung het volk toe. Hij stelt dat het doel van de Noord-Koreaanse aanval was om het corrupte regime van Syngman Rhee te vernietigen en Korea te herenigen. Hij roept de bevolking op om in opstand te komen en de guerrilla en het leger te steunen[87].
Na de inname van Seoel blijft een finaal offensief van Noord-Korea echter uit. Kim Il Sung schijnt erin te geloven dat hij Zuid-Korea nu via een volksopstand in handen zal krijgen. Deze volksopstand blijft uit. Generaal MacArthur besluit dat Amerikaanse grondtroepen onmiddellijk moeten ingrijpen om Zuid-Korea van de ondergang te redden. President Truman geeft MacArthur daarop de toestemming om de lucht- en zeeoorlog tot het Noord-Koreaanse grondgebied uit te breiden, maar hij moet daarbij wel uit de buurt van de Chinese en de Russische grens blijven. Grondtroepen zijn vooralsnog niet noodzakelijk, stelt de Amerikaanse president. Die toestand verandert echter wanneer MacArthur aan het Pentagon een rapport stuurt over de catastrofale staat waarin de Zuid-Koreaanse troepen zich bevinden. Op 30 juli stemt Truman in met MacArthurs eisen en het sturen van grondtroepen wordt een feit[88].
Ondertussen trekt MacArthur de oorlog meer en meer naar zich toe. De Verenigde Staten krijgen het bevel over de troepen van de Verenigde Naties en MacArthur wordt opperbevelhebber. Omwille van logistieke en organisatorische problemen is het de eerste prioriteit om het Noord-Koreaanse Volksleger te vertragen. Op 5 juli opent dat leger echter een grootscheepse aanval die de Amerikaanse verdediging op de vlucht doet slaan. Enkel Pusan blijft in Zuid-Koreaanse handen. Voor beide partijen is deze strategische havenstad van levensbelang. MacArthur vraagt nogmaals extra troepen voor de verdediging van Pusan, Truman stemt toe. Noord-Korea en Kim Il Sung worden het middelpunt van een wereldcrisis[89].
De landoperaties verlopen aanvankelijk dramatisch voor het Amerikaanse en het Zuid-Koreaanse leger. De verovering van Pusan en de bezetting van heel Zuid-Korea liggen binnen het bereik van Kim Il Sung, maar hij aarzelt en verspreidt zijn strijdkrachten om eerst het veroverde terrein te bezetten en de verbinding met de bevolking te verwezenlijken. Op 22 juli treedt de Amerikaanse cavaleriedivisie in actie. De vijandelijke vooruitgang vertraagt en stopt in Naktong, ten noorden van Pusan. In augustus en september woedt een hevige strijd rond Pusan, maar het Amerikaanse leger slaagt erin de Noord-Koreaanse aanvallen af te slaan[90].
Om een kanteling in de oorlog te veroorzaken kiest MacArthur voor een gewaagde strategie: in plaats van de vijand terug te drijven vanuit Pusan, laat hij een divisie bestaande uit 70 000 mariniers ontschepen in Inchon, een haven aan de westkust die zo’n 450 kilometer ten Noorden van de vuurlijn lag. De Noord-Koreaanse troepen bieden hevig weerstand, maar op 27 september wordt de ve