| Nieuw Rechts in Vlaanderen. Het gedachtegoed van het Nieuw Rechtse tijdschrift ‘Teksten, Kommentaren en Studies’ (Sofie Delporte) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
DEEL III: Nieuw Rechts in een breder perspectief
1. Nieuw Rechts en de conservatieve revolutie
1.1 De conservatieve revolutie: een inleiding
‘Conservatieve revolutie’ verwijst naar een bepaalde politieke denkstroming. De term kreeg een vaste plaats in de wetenschappelijke politicologische terminologie na de publicatie van Die Konservative Revolution in Deutschland. Grundriss ihrer Weltanschauung in 1950 van Armin Mohler. Revolutie van rechts of rechtse revolutie zijn synoniemen voor deze beweging. De term is geen creatie van Mohler. Hij wijst zelf op een aantal vroegere vindplaatsen (de eerste is het Berlijnse dagblad ‘Die Volksstimme’ van 24 mei 1848). In het begin van de jaren ’30 werd het een bestanddeel van de politieke woordenschat.[437] De conservatieve revolutie wordt hier vooral belicht zoals die in TeKoS naar voor wordt gebracht. TeKoS beroept zich voor deze beschrijving op die van Mohler. Het is dus vooral zijn visie die hier wordt gevolgd.
De conservatieve revolutie heeft een positief en een negatief luik: enerzijds wil zij reageren tegen een samenlevingsmodel dat beschouwd wordt als inadequaat en anderzijds stelt zij daar het eigen model tegenover. De conservatieve revolutie wil een vernieuwingsbeweging zijn, hoe paradoxaal deze benaming ook mag lijken voor een beweging die zich conservatief noemt. De alternatieve maatschappijmodellen die worden geformuleerd zijn divers, maar datgene wat wordt afgewezen is zeer eenduidig. De conservatieve revolutie keert zich tegen de Franse Revolutie en haar gevolgen. Ze wil een ‘Gegenrevolution’ zijn. Tegenover het optimistisch vooruitgangsgeloof en het geloof in de maakbaarheid van de mens en de samenleving stelt zij een sceptischer kijk op de mogelijkheden tot fundamentele verandering van de wereld. De verheerlijking van het rationalisme wordt in vraag gesteld en principes als vrijheid en gelijkheid worden niet zo maar aanvaard. Hoewel men met de term conservatieve revolutie meestal verwijst naar een denkrichting uit het interbellum, is het duidelijk dat ze geen product is van het interbellum alleen. De contrarevolutie ontstond bijna tegelijk met de Franse Revolutie en zou op het einde van de achttiende en de hele negentiende eeuw door haar eigen woordvoerders hebben. Justus Möser, Edmund Burke, Joseph de Maistre, Louis de Bonald zijn slechts enkele die, ieder met zijn eigen klemtonen, kritiek leverden op de Franse Revolutie, haar ideologie en gevolgen en een eigen alternatief formuleerden. Dit kon soms op populariteit rekenen, werd soms in de marginaliteit gedrongen, maar het verdween nooit.[438]
De conservatieve revolutie kan dus beschouwd worden als een tegenkracht die de Franse Revolutie en het maatschappijmodel dat daarop gebaseerd is, ongedaan wil maken. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat alles wat gericht was en is tegen de Franse Revolutie en haar gevolgen, tot de conservatieve revolutie kan gerekend worden. De revolutie van 1789 had vanaf het begin te maken met twee groepen van tegenstanders die geen voorlopers van de conservatieve revolutie zijn. Ten eerste waren er de tegenstanders binnen het eigen kamp die de resultaten van de Franse Revolutie en/of haar egalitaire theorie niet vergaand genoeg vonden. Deze kritiek op de Franse Revolutie en haar gedachtegoed heeft natuurlijk niets te maken met de conservatieve revolutie. Ten tweede waren er degenen die een terugkeer wensten naar de toestand zoals die aan de vooravond van de revolutie had bestaan. Zij bestreden het nieuwe regime met de bedoeling hun vroegere of door de jacobijnen bedreigde posities te heroveren of te behouden. Deze houding en de actie die eruit voortvloeide, werd, volgens Mohler, door de conservatief-revolutionairen onderscheiden van de eigen houding en aangeduid als ‘restauratie’, ‘reactionair’, ‘oud-conservatief’ enz. De conservatief-revolutionairen zijn diegenen die de grondslagen van de hedendaagse maatschappij in vraag stellen zonder te willen terugkeren naar het Ancien Régime. De gemeenschappelijke vijand in de 19de eeuw dwong hen echter vaak met de reactionairen in hetzelfde politieke kamp en dezelfde tactische opstelling waardoor het onderscheid tussen beiden voor buitenstaanders moeilijk waarneembaar was en ook in eigen rangen onduidelijkheid en verwatering ontstonden.[439]
Samenvattend kan men stellen dat de conservatieve revolutie beschouwd kan worden als een beweging die reageerde tegen de Franse Revolutie en haar burgerlijke en egalitaire waarden. Het Westers samenlevingsmodel werd als erfgenaam van de Franse Revolutie in vraag gesteld en bekritiseerd. Tegelijk werd een terugkeer naar het Ancien Régime verworpen. In de plaats daarvan werden alternatieve maatschappijmodellen, gebaseerd op rechtse uitgangspunten, geformuleerd.[440] Deze invulling van de term conservatieve revolutie verklaart ook de paradox die in de term schuilt: de tegenstelling tussen een conservatieve houding en revolutionair pathos.[441] Een conservatieve wereldvisie en waardensysteem werden binnen de conservatieve revolutie gekoppeld aan vernieuwingswil. Het hield dus geen streven in naar een loutere contrarevolutie, maar de wil tot het creëren van een nieuw maatschappijmodel overeenkomstig rechtse en dus conservatieve principes.
In zuivere vorm is de conservatieve revolutie altijd een theoretische zaak gebleven. Geen enkele stroming die tot de conservatieve revolutie kan gerekend worden, is op het vlak van de politieke verwezenlijking verder geraakt dan een eerste begin van praktische uitvoering, tenzij als element binnen andere stromingen die haar in wezen vreemd waren.[442] De beweging is altijd sterk verbrokkeld geweest, de grenzen tussen verschillende stromingen waren vaag en de beweging omvatte een groot aantal thema’s en denkrichtingen van totaal uiteenlopende aard. Mohler stelt daarom dat iedere samenhangende beschrijving van de geschiedenis en de inhoud van de conservatieve revolutie noodzakelijkerwijs een ideeëngeschiedenis is en dat de afbakening van het onderwerp gebaseerd is op een aantal arbitraire scheidingslijnen.[443] Als men de conservatieve revolutie wil beschrijven als onderdeel van de politieke werkelijkheid, dan wordt dit een beschrijving van gebeurtenissen die ‘onderaards’ of aan de rand plaats vonden.[444]
Alhoewel het zwaartepunt van de revolutie van rechts in Duitsland lag, kan men niet spreken van een uitgesproken Duits fenomeen. Mohler verwijst daarvoor naar een aantal figuren uit andere landen die tot de conservatieve revolutie kunnen gerekend worden. Deze namen zijn volgens hem slechts toevallig aangehaald en beogen zeker geen volledig of representatief overzicht te geven van de conservatief-revolutionaire beweging in andere landen. Voorbeelden zijn Dostojewski uit Rusland, Georges Sorel en Maurice Barrès uit Frankrijk en voor Italië Julius Evola en Vilfredo Pareto. Ook in Vlaanderen kunnen bepaalde figuren tot de conservatieve revolutie gerekend worden (zie volgend hoofdstuk). Volledigheidshalve moet men ook opmerken dat Mohler meent dat men ook conservatief-revolutionaire verschijnselen buiten Europa aantreft. Hij haalt in deze context onder meer de leider van de Chinese nationalistische Kwomintang aan, Sun Jat Sen. Dit Europees en zelfs mondiaal karakter van de conservatieve revolutie neemt niet weg dat zij in elk land andere trekken en kenmerken vertoonde.[445]
In zijn artikel ‘Veranderen om te kunnen behouden’ in TeKoS geeft Luc Pauwels een enigszins andere voorstelling van de conservatieve revolutie. De Franse Revolutie en de industriële revolutie worden daarin voorgesteld als een ‘tweeledige revolutie’. Op deze tweeledige revolutie volgde volgens Pauwels een drieledige respons. Ten eerste een conservatieve die in de eerste plaats ideologisch en politiek gericht was tegen het gedachtegoed en de praxis van de Franse Revolutie. Ten tweede een romantische die het rationalisme en de radicale vleugel van de Franse Revolutie bekritiseerde en tegelijk reageerde op zowel de Franse Revolutie als de industriële revolutie met haar materialisme en productivisme. De derde reactie was een socialistische die zich afzette tegen de sociale gevolgen van de Industriële Revolutie en tegen het liberalisme dat er de ideologische legitimatie voor leverde. Naarmate de modernisering zich doorzette, ontstond in de loop van de negentiende eeuw een diepgaande en definitieve splitsing bij de drie genoemde stromingen. Bij de conservatieven ontstond een breuk tussen reactionairen die naar zuivere restauratie streefden en de jongconservatieven die meenden dat de klok niet kon worden teruggezet. Bij socialisten vond een splitsing plaats tussen marxisten en niet-marxisten. Bij de romantici ten slotte ontstond een kloof tussen enerzijds de individualisten en anderzijds degenen die hun organisch wereldbeeld wilden realiseren door maatschappelijke engagement. Volgens Luc Pauwels is de eigenlijke conservatieve revolutie net voor en net na de eerste wereldoorlog ontstaan door het samenvloeien van impulsen van jongconservatieven, niet-marxistische socialisten en romantische volksnationalisten. Wat ze gemeen hadden en wat het eigenlijke doel was van de conservatieve revolutie was “een originele synthese tussen de waarden van de traditie en de instrumenten van de moderniteit”.[446]
1.2 De conservatieve revolutie in de Weimarrepubliek
1.2.1 De focus op de Weimarrepubliek
De conservatieve revolutie kende zijn grootste ontwikkeling, verspreiding en invloed tijdens het interbellum. De revolutie van rechts zoals die zich ontwikkelde na de eerste wereldoorlog sloot zoals gezegd aan bij een politieke denkstroming die reeds lang voordien bestond. De specifieke omstandigheden en problemen van de tussenoorlogse periode hebben wel een eigen gestalte en invulling gegeven aan deze traditie. De conservatieve revolutie wilde een vernieuwingsbeweging zijn en in het interbellum wilde ze het puin ruimen dat de negentiende eeuw had achtergelaten. De Europese samenleving evolueerde in die periode naar een egalitaire democratie met gerationaliseerde politieke structuren en een steeds grotere autonomie voor het onafhankelijke individu binnen de context van een geïndustrialiseerde en seculariserende maatschappij. De eerste wereldoorlog betekende een zware schok en deed deze nieuwe constructie wankelen. De impact van de ‘Grote Oorlog’ was in gans Europa voelbaar en gaf een nieuwe impuls aan het rechts revolutionaire denken.[447]
Door deze ingrijpende veranderingen bereikte ‘rechts’ in Duitsland een punt dat Mohler de “Achsenzeit” noemt. Volgens hem bereikt elk conservatisme in haar ontwikkeling eens het punt waarop ze merkt dat het niet voldoende is zich te beperken tot het vrijwaren van het status-quo, omdat er geen status-quo meer is dat de moeite waard is om te vrijwaren. Elke rechtse beweging bereikt een punt waarop men duidelijk ziet dat het onvoldoende is om het herstel van het Ancien Régime na te streven, omdat men het Ancien Régime niet meer kan herstellen. Dit punt noemt hij de “Achsenzeit”. Dit is het punt waarop rechts merkt dat men de blik voorwaarts moet richten. In Frankrijk deed deze “Achsenzeit” zich voor in de periode 1880-1920. In Duitsland bereikte het oude conservatisme in de jaren ’20 van de twintigste eeuw dit problematisch stadium. Deze “Achsenzeit” heeft ontstaan gegeven aan de conservatieve revolutie in de Weimarrepubliek.[448]
Hoewel het vooral om een Duits of toch Duitstalig fenomeen ging, was de geest van de rechtse revolutie ook in andere landen aanwezig. Heel Europa en andere delen van de wereld waren tijdens de jaren ’20 en ’30 van de twintigste eeuw in de ban van het rechtse denken. Toch staat het vast dat Duitsland in die jaren de belangrijkste denktank was voor de conservatieve revolutie.[449] Dit is ook de reden waarom hier zal gefocust worden op de conservatieve revolutie in de Weimarrepubliek. De wetenschappelijke literatuur over dit onderwerp is nogal eenzijdig gericht op Duitsland.[450] In een recentere uitgave verwijst Mohler wel naar het werk van Zeev Sternhell over het fascisme in Frankrijk: wat Sternhell fascisme noemt is voor Mohler conservatieve revolutie (zie 1.2.5 De conservatieve revolutie versus het nazisme). In TeKoS staat de Duitse conservatieve revolutie centraal. Op geregelde tijdstippen verschijnen er in TeKoS artikels over de rechtse revolutie in Duitsland en haar vertegenwoordigers (tot begin 2001 een veertigtal), terwijl over deze stroming in andere landen veel minder artikels gepubliceerd zijn. Over de conservatieve revolutie in Frankrijk zijn bijvoorbeeld tot nu toe slechts twee artikels verschenen.
1.2.2 De situatie voor de eerste wereldoorlog
Om deze “Achsenzeit” in de Weimarrepubliek te begrijpen is het noodzakelijk de sociaal-politieke situatie en het mentale klimaat in het Duitse rijk voor de eerste wereldoorlog in rekening te brengen. In 1871 werd een eengemaakte nationale Duitse staat gevestigd. Na het fiasco van de burgerlijke revolutie van 1848 werd de eenmaking gerealiseerd door de militaire macht van Pruisen. De burgerij en de intellectuelen, die de dragers waren geweest van de eenheidsgedachte en ze verbonden hadden met democratie en liberalisme, moesten met de conservatieve Junkersstaat tot een vergelijk komen. Burgerlijke vrijheden werden wel verleend en mogelijkheden tot particulier initiatief waren er te over, maar de werkelijke politieke macht kwam te liggen bij de oude Pruisische machtselite. Deze was van oudsher conservatief, antimodern en antiliberaal gezind. Na de eenmaking ontstond er een integratie van de nieuwe en oude elite. De nieuwe staat rekruteerde uit de gevestigde adel en uit de nieuwe burgerlijke krachten. De burgerij werd op die manier ingekapseld in het regime. Twee peilers ondersteunden het Duitse rijk: het leger waarin de adel primeerde en de industrie en economie die gedragen werden door de ondernemende burgerij. Er werd met andere woorden een verbond gevormd tussen de op traditie gesteunde feodale orde en de op rationalisme steunende techniek en wetenschap. Deze integratie van de burgerij in de oude machtsstructuren werd bovendien bevorderd door de angst van de burgerij voor het verlies van haar recent verworven sociale status en voor het opkomende, als bedreigend ervaren proletariaat. Ook de cultivering van het burgerlijke Bildungsideaal droeg bij tot deze integratie. Dit ideaal stelde cultuur als hoogste goed en beriep er zich op “unpolitisch” te zijn en was daarom van grote politieke relevantie. “Unpolitisch” betekende immers overeenstemming met het status-quo en politiek liberalisme werd hoogstens nog met de mond beleden.[451] Deze politieke evolutie vond plaats in een context van vlugge en ingrijpende sociaal-economische veranderingen die zich voordeden op het einde van de negentiende eeuw als gevolg van de bliksemsnelle industriële revolutie. Deze veranderingen leidden bij een deel van de elite tot het ontstaan van een cultuurpessimisme dat brak met het overheersend rationalisme en vooruitgangsgeloof. Er ontstond een nieuw denkklimaat waarin diverse stromingen naar boven kwamen: gemeenschapszin in plaats van individualisme, ‘nationaal’ in plaats van marxistisch socialisme, sociaaldarwinisme, racisme, biologisch antisemitisme, eugenetica en elitarisme. Dit was allerminst een typisch Duits verschijnsel, maar het kreeg in Duitsland wel een eigen invulling.[452] Dit denkklimaat, samen met het uitblijven van een invloed van betekenis van de burgerlijke liberale en democratische ideeën, zou de ontwikkeling van de conservatieve revolutie in de Weimarrepubliek in de hand werken.
Ook in deze vooroorlogse periode was er reeds sprake van een conservatieve oppositie die het Duitse rijk en het bestaande maatschappijmodel bekritiseerde. Enerzijds waren dat de aanhangers van een onaangetaste feodale staat, anderzijds degenen die kunnen omschreven worden als de voorlopers van de conservatieve revolutie van het interbellum. Zij zagen deze tijd volgens Mohler “wie eines der seit damals die deutschen Städte zierende Häuser im ‘Gründerstil’: hinter der pompösen Stückfassade voll aufgeklebter Embleme sinnerfülter Zeiten ist längst die Wirtschaft zum Schicksal geworden…”[453] Binnen deze beweging ontstond er een splitsing. Langs de ene kant stond de getalsmatig sterkste groep die geloofde dat het zijn doelstellingen zou kunnen realiseren via reformistische weg binnen het keizerrijk. Langs de andere kant stond de vleugel die het Tweede Rijk niet zag als een eerste onvolmaakte stap, maar als een foute stap. Binnen deze groep heerste de opvatting dat het eigen alternatieve rechtse maatschappijmodel enkel gerealiseerd kon worden door een radicaal herbeginnen.[454]
De belangrijkste vertegenwoordigers van deze laatste stroming waren, naast enkele zogenaamde “Einzelgänger”, zoals Paul de Lagarde (1827-1891) en Justius Langbehn (1851-1907), de Völkischen en de jeugdbewegingen.[455] Paul de Lagarde was de grote verkondiger van het Duitse culturele pessimisme. Voor hem vormde de natie een spirituele essentie, die opgebouwd moest zijn als een standenstaat volgens een feodale orde. Het volk diende samen te vallen met de natie. Lagarde wees de Franse Revolutie af omdat ze het verleden op een hoop geveegd had. Hij pleitte voor een revolutie doorgevoerd door het volk die vervuld moest zijn van een nieuwe levenskracht en van het volkswezen. Hij stond negatief tegenover de toestand van zijn eigen tijd en zijn eigen volk.[456] Hij wilde de Duitse gemeenschap ‘genezen’ van de kwaden van de moderniteit. In zijn ogen waren de joden de aanstekers en de bevoordeelden van de algemene malaise. Er moest een nieuwe, nationale en politieke, religie gecreëerd worden om de Duitse gemeenschap samen te bundelen en te hernieuwen. Het christendom moest daarom onderworpen worden aan een wetenschappelijke kritiek en gezuiverd worden van de joodse erfenis. Lagarde was overigens de mentor van Theodore Fritsch, die wordt beschouwd als de ‘oude meester’ van het Germaanse antisemitisme in het Derde Rijk.[457] Justius Langbehn heeft vooral bekendheid verworven met zijn boek Rembrandt als Erzieher. Het was een cultuurkritiek en een pleidooi voor mysticisme en subjectieve intuïtie.[458] De Völkischen verdedigden een populistische ‘Blut und Boden’ ideologie. Ze gingen er van uit dat de mens essentieel bepaald wordt door zijn oorsprong (ras, volk, stam) en huldigden dan ook racistische theorieën. De völkische ideologie steunde ook op een mystieke visie op de Duitse cultuur. Met het oog op het Teutoonse verleden moest Duitsland een eigen sociaal bestel ontwikkelen, gestoeld op orde, harmonie en hiërarchie. De Duitse cultuur werd superieur geacht, maar werd bedreigd door inferieure Slavische en joodse krachten. Er werd sterk de nadruk gelegd op de noodzaak om het ras zuiver te houden en een nieuwe elite in het leven te roepen die de erfvijand van het “Deutschtum”, de “Judengeist”, moest verdelgen.[459] De jeugdbewegingen kunnen gezien worden als de sociologische uitdrukking van het protest van de jeugd tegen de burgerlijke, materialistische samenleving van de belle epoque. De eerste Wandervögel-groep werd opgericht in 1901 door Karl Fischer.[460] De oprichting van deze eigen jeugdbeweging beantwoordde aan een bij jongeren van dat moment diepe behoefte aan een uitlaatklep voor wat zij beschouwden als het bedompte en bekrompen burgerbestaan van de oudere generaties. Deze Wandervögel-beweging werd gekenmerkt door een nieuw romantisme. Het ‘terug naar de natuur’ stond in het centrum van hun activiteiten. Tegenover het artificiële, stedelijke, gestroomlijnde en civiele bestaan werd voor de ongereptheid en vitaliteit van de vrije natuur gekozen. Ze wilden doorheen de natuur en de traditie komen tot een nieuwe band met ‘het volk’. Door de jeugdbeweging werd de natuur verbonden met de levende gemeenschap en de traditie waaraan het individu ondergeschikt was. De interesse en aandacht voor de eigenheid van de Germaanse volksaard bood een weg voor het nastreven van een nationalistische politiek.[461] Deze jeugdbeweging was volgens Mohler zeer belangrijk voor de conservatieve revolutie tijdens het interbellum omdat veel van haar vertegenwoordigers eruit zijn voortgekomen.[462]
1.2.3 De impact van wereldoorlog I en het mentale klimaat in het interbellum
De eerste wereldoorlog was van groot belang voor het denken in het interbellum en betekende een decisieve impuls voor de conservatieve revolutie. De algemene schok van de nederlaag, de wanorde die volgde op de oorlog en de revolutie, de misnoegdheid over het ‘Diktat’ van Versailles en de economische crisis versterkten het conservatief-revolutionaire denken.[463] De ‘Grote Oorlog’ bracht ook een nieuwe ideologisering van de ‘Duitse Geest’ met zich mee en een verheerlijking van ideeën als het vergoten bloed, de gemeenschap en de nationale missie.[464] Daarbij kwam nog dat er bij de bevolking maar weinig waardering bestond voor de kersverse democratische staat. Tal van elementen van het radicaalrechtse revolutionaire ideeëngoed konden op die manier in brede kring in zwang raken.[465]
Vooral de jongere generaties werden getekend door de Kriegserlebnis. Ze had een diepe invloed op hun voelen en denken. Terwijl de oudere conservatieven wilden terugkeren naar de situatie zoals die was geweest in het keizerrijk, zagen de jonge conservatieven zichzelf als revolutionairen. Zij wilden een omwenteling teweeg brengen.[466] Volgens Mohler, en Boehme volgt hem hierin, zou vooral oud rechts terugvallen op de zogenaamde dolkstootlegende (die stelde dat de democraten en de socialisten op het thuisfront een dolk in de rug van het leger hadden geplant), waarmee de aristocratie en de militaire elite de schuld voor de nederlaag afschoven op de verachte democratie en republiek. Vele (maar niet alle) conservatief-revolutionairen trachtten daarentegen de nederlaag te begrijpen als iets noodzakelijk en wilden de zin ervan ontrafelen. Voor hen betekende de oorlog het noodzakelijke opruimen van een vermolmde wereld. Duitsland stond volgens hen voor een nieuw begin.[467]
Zoals gezegd kon het nieuwe staatsbestel op weinig sympathie rekenen. Het verdrag van Versailles werd aanzien als een zware vernedering voor Duitsland. De afwijzing van dit ‘Diktat’ richtte zich niet alleen tegen de Westerse machten die het hadden opgedrongen, maar ook tegen de regering in Weimar die het ten slotte geratificeerd had.[468] Partijen werden bovendien gezien als kunstmatig, star en mechanisch. Ze drukten geen eensgezinde staats- en volkswil uit, maar verdedigden hun eigen particuliere belangen. Het eigenbelang van elk van hen leidde tot wat werd beschouwd als belachelijke compromissen.[469] Met deze kritiek op het nieuwe democratische staatsbestel werd overigens aangesloten bij een traditie die reeds voor de oorlog aanwezig was in Duitsland, met name de nationalistische gedachte dat pluraliteit iets onnatuurlijk en ongezond was. Alle conflicten en verschillen moesten worden overwonnen om plaats te maken voor een gezonde en eensgezinde volksgemeenschap.[470] Het meerpartijensysteem verdeelde volgens deze logica het Duitse volk en werd daarom afgewezen. De chaos in het land die volgde op de oorlog en later de zware economische crisis waartegen de regering onmachtig leek, versterkten de afkeer nog. Met de afwijzing van het nieuwe staatsbestel werd tevens de democratie zelf in vraag gesteld en het maatschappijmodel dat er aan gekoppeld was. De idealen van de Franse Revolutie, waarop het nieuwe model was gebaseerd, werden door steeds meer mensen bekritiseerd.
De oppositie tegen de republiek entte zich op een nieuwe golf van irrationalisme, die zijn filosofische uitdrukking vond in de zogenaamde ‘Lebensphilosophie’. Deze filosofische stroming plaatste beweging en worden voor het starre zijn, zag de werkelijkheid als iets organisch en legde de nadruk op de beperkingen van het logische en de waarde van het irrationele.[471] Samen met de nieuwe irrationele argumentatie trad de nadruk op ‘het volk’ naar voor. Het volk werd gezien als een transcendent verschijnsel met eigen onveranderlijke karaktertrekken en een eigen cultuur. Het was een organisch geheel waarin alles een eigen plaats en functie was toebedeeld. Het volk werd tevens in verband gebracht met de specifieke natuur waarin het geworteld was. Hiermee werd de aanzet gegeven voor de ‘biologisering’ ervan en voor de mythe van ‘Blut und Boden’. Het kreeg een religieuze en metafysische dimensie. Het idee van het volk leek een alternatief voor de decadentie van de kapitalistische maatschappij met haar geatomiseerde en losgeslagen individuen enerzijds en de nivellering en het collectivisme van het communisme anderzijds. Hoewel dit pleidooi voor ‘het volk’ vaak was verweven met raciale connotaties, was het daarom niet altijd bewust of consequent raciaal of racistisch, bovendien bestonden er ook gradaties van racisme.[472]
De enorme wanorde die op de oorlog volgde gaf de decisieve impuls aan een groepering van radicaalrechts. ‘November’, ‘Versailles’, ‘Weimar’, het ‘bolsjewisme’, de economische crisis, maar ook de oproep tot het verdedigen van de enige ‘Duitse Geest’ waren thema’s die radicaalrechts bijeenbracht. De noodzaak voor alle Duitsers om herenigd te worden in een sterke ‘Volksgemeinschaft’ om een einde te maken aan de vernedering veroorzaakt door vijandige buitenlandse machten en de ‘novembercriminelen’ (socialisten en joden) waren thema’s die met vuur werden verdedigd. Deze groepering van radicaalrechts was uitermate complex, niet alleen vanuit organisatorisch gezichtspunt (kringen, liga’s, kleine partijtjes,…), maar ook door het feit dat er sterke inhoudelijke verschillen bestonden en er zeer verscheiden klemtonen werden gelegd.[473]
1.2.4 De conservatieve revolutie: een indeling
1.2.4.1 De conservatief-revolutionairen
De conservatief-revolutionairen behoorden ook tot deze radicaalrechtse groep. In tegenstelling tot de zogenaamde ‘Alt-Konservativen’ verbonden ze de afwijzing van Weimar met een al even scherpe kritiek op het Wilhelminisme dat met de geest van een sterk materialisme en kleinburgerschap werd geïdentificeerd. Ze wilden zoals gezegd een ‘Neugestaltung’ van Duitsland.[474] Men mag zich deze conservatieve revolutie niet als een monolitisch geheel voorstellen. Hoewel de verschillende conservatief-revolutionaire stromingen een aantal analoge ideeën verdedigden, weken ze op andere wezenlijke punten hemelsbreed van elkaar af. Om het geheel nog wat complexer te maken, vertoonden al deze stromingen nog een interne verdeeldheid. Dit alles resulteerde in een onoverzichtelijke mozaïek van groepjes, die meestal slecht rond één persoon en/of periodiek gecentreerd waren. De conservatief-revolutionairen hebben zich in Duitsland nooit tot één drukkingsgroep of partij weten te formeren.[475] Armin Mohler onderscheidt binnen de conservatieve revolutie een vijftal stromingen (zie verder).
Hoewel de conservatieve revolutie gekenmerkt werd door een grote diversiteit, kunnen er toch een aantal gemeenschappelijke elementen worden onderscheiden. Eerst en vooral de scherpe afkeer van de decadente cultuur en maatschappij ten tijde van Weimar. Er bestond ook een nauwe band tussen ‘conservatieve’ en ‘nationalistische’ revolutionaire principes. Dit nationalisme stond in rechtstreeks verband met het idee van de vooropgestelde eeuwige organische eenheid van de traditionele ‘Gemeinschaft’. De natie was een ‘Schicksalsgemeinschaft’, een door het lot verbonden gemeenschap. Het democratische meerpartijensysteem van de Weimarrepubliek verdeelde deze gemeenschap en drukte geen eensgezinde volkswil uit. Het verdrag van Versailles had Duitsland bovendien zijn soevereiniteit ontnomen en gedegradeerd tot een tweederangs natie. Het Duitse volk moest de verloren eenheid herstellen en een ware Duitse natie vestigen. Om de Duitse natie te bepalen gebruikten de conservatief-revolutionairen verschillende criteria variërend van taal over cultuur tot samenhorigheidsgevoel, afstamming en bloedband. Deze natie had een ‘bepaalde’ politieke wil, die haar uitdrukking moest vinden in een autoritaire staat. De leiding van die autoritaire staat moest in handen zijn van een bekwame ‘elite’ die de wil van het volk aanvoelde. Hoe deze staat moest georganiseerd worden verschilde sterk van auteur tot auteur. Vast staat wel dat het individualistische liberalisme werd afgewezen. Veel auteurs pleitten voor een vorm van corporatisme of nationaal-socialisme dat het volk verenigde en waarin iedereen een eigen plaats en functie had.[476] Volk, gemeenschap, natie, organische samenleving, leiding, elite, autoriteit, totaliteit en daadkracht zijn enkele van de voornaamste leidmotieven van de conservatieve revolutie (maar natuurlijk niet de enige). Rond de concrete invulling van deze elementen draaide de onderlinge discussie van de conservatief-revolutionairen, maar eensgezindheid bestond wel over de overtuiging dat ze konden dienen om er de problemen mee te lijf te gaan die in die tijd als fundamenteel werden ervaren.[477]
1.2.4.2 De ‘aartsvaders’ van de conservatieve revolutie
De conservatief-revolutionaire ideeën kwamen niet zomaar uit de lucht vallen. De impact van Nietzsche (1844-1900) op de conservatief-revolutionairen was onmiskenbaar. Mohler beschouwt Nietzsche dan ook als een van de “aartsvaders” van de conservatieve revolutie.[478] Hij stelt zelfs dat “zonder Nietzsche de conservatieve revolutie “ondenkbaar” geweest was”.[479] Het pleidooi voor het vernietigen van het oude voor een nieuw en krachtiger leven, de verheerlijking van de voorchristelijke, Griekse opvatting van de wereld en wantrouwen voor de rationele reductie van de mens zijn allemaal elementen die in min of meerdere mate aanwezig waren in de conservatief-revolutionaire ideeën. Nietzsche reageerde tegen een cultuur die meende met rede en wetenschappelijke vooruitgang de graal te hebben gevonden. Voor hem moesten zowel het christendom als het moderne vooruitgangsdenken het ontgelden. Deze laatste ontmaskerde hij als een geseculariseerd geloof, een ‘vooruitgangsgeloof’ dat met waarden als ‘objectiviteit’ en ‘waarheid’ zich even metafysisch opstelde als het christendom. In zijn visie was religie iets voor de zwakken, die met hun moraal van naastenliefde de sterkeren aan banden wilden leggen. Wreedheid en de aanvaarding van de meedogenloze strijd om het leven beschouwde hij daarentegen als een teken van de levenskracht van de aristocratie.[480] Het nihilisme van Nietzsche, met zijn kritiek op de godsdiensten, zijn relativisme en zijn daarmee samenhangende destructie van alle waarden wist hij te combineren met het geven van een positieve betekenis aan het leven. Hij introduceerde opnieuw een soort waarde door het feit dat hij als centrale drijfveer van de mens de wil tot zelfbevestiging, de ‘Wille zur Macht’, aannam. Het probleemwezen dat de mens is, door het feit dat hij alle richtingen uit kan, uiteenlopende mogelijkheden heeft en openstaat voor de toekomst, wordt voor zichzelf een opgave: door zijn eigen machtsdrang en alleen daardoor kan hij zichzelf tot een nieuw wezen herscheppen. Dat nieuwe hoge wezen is de Übermensch. Het is een opgave die men zichzelf stelt. Het is de mens die volledig ja zou zeggen tegen het leven zoals het is met al zijn moeilijkheden, zijn zin- en doelloosheid en die alleen in zichzelf zijn rechtvaardiging vindt.[481] Nietzsche beantwoorde met andere woorden het verlies van de religie en de pseudo-religie van de moderne wetenschap met nieuwe filosofische concepten zoals de zichzelf overstijgende mens en het idee van de eeuwige wederkeer (de cyclische of sferische geschiedenisvisie). Deze dualiteit van afbreken en het proberen creëren van een alternatief waardensysteem is ook in de conservatieve revolutie duidelijk aanwezig. Koortsachtig zoeken naar waarden en zingeving en nihilisme lagen op die manier dicht in elkaars buurt. De ideeën van Nietzsche konden al tijdens zijn leven en vooral tijdens het interbellum op heel wat populariteit rekenen.[482] Ook de Nieuw Rechtse stroming van na de tweede wereldoorlog refereert vaak aan deze denker (zie verder). Armin Mohler rekent Nietzsche niet tot de conservatieve revolutie, maar hij argumenteert volgens Luc Pauwels wel zeer overtuigend dat deze zonder Nietzsche niet tot haar typische en gemeenschappelijke “Leitbilter” was gekomen. Nietzsche’s filosofie heeft over heel Europa kiemmogelijkheden voor conservatief-revolutionaire stromingen geschapen.[483] De conservatief-revolutionairen remodelleerden zijn denken in functie van hun eigen idealen. Hun benadering was dan ook een partiële benadering en een fundamenteel politieke lezing van zijn ideeëngoed. Volgens Alain de Benoist is elke lezing van Nietzsche echter partijdig zoals blijkt uit de linkse of individualistische interpretatie van zijn ideeën… De Nietzsche van de conservatieve revolutie is volgens hem dan ook “een authentieke Nietzsche en tezelfdertijd één Nietzsche onder de vele”.[484] Deze redenering impliceert in feite de rechtvaardiging van de radicaalrechtse interpretatie van het gedachtegoed van deze filosoof.
Een andere “aartsvader” van de conservatieve revolutie is volgens Mohler Georges Sorel (1847-1922). Deze Franse denker komt in TeKoS echter amper aan bod. Volgens Luc Pauwels is hij in België en Nederland steeds een grote onbekende gebleven. Hij kwam in het interbellum bij ons nauwelijks aan de orde.[485] Ook Olivier Boehme vermeldt hem niet als inspiratiebron of invloed voor de rechtse revolutie in Vlaanderen. Er is slechts één artikel over Sorel verschenen in TeKoS. Het belang van Sorel voor de conservatieve revolutie situeerde zich in de introductie van het idee van de mythe in de politiek. Hij interpreteerde de mythe als een geloof, door de mens geschapen en verbonden met de vraag naar het menselijke bestaan. Daarnaast was er aandacht voor zijn antidemocratische, antiwetenschappelijke en ethisch-heroïsche ingesteldheid.[486]
Naast deze beide aartsvaders erkent Mohler ook Carl Schmitt, Ernst Jünger en Martin Heidegger, die behoren tot de generatie na Nietzsche en Sorel, als aartsvaders van de conservatieve revolutie. Carl Schmitt wordt echter ook tot de jongconservatieve stroming binnen de conservatieve revolutie gerekend, terwijl Ernst Jünger ook als nationaal-revolutionair wordt gerangschikt.[487] Volgens Luc Pauwels vormen deze drie het leidend driemanschap van de conservatieve revolutie in Duitsland. Dit moet echter niet als een soort ‘generale staf’ worden begrepen, maar als een inschatting van hun invloed.[488]
1.2.4.3 Vijf conservatief-revolutionaire stromingen
Zoals gezegd onderscheidt Mohler vijf conservatief-revolutionair geïnspireerde stromingen. Zijn indeling wordt hier overgenomen omdat ze in verschillende publicaties wordt gevolgd en omdat ook TeKoS deze indeling hanteert. Deze vijf stromingen zijn: de ‘Völkische’, de ‘Jungkonservative’, de Nationalrevolutionäre’ de ‘Bündische’ en de ‘Landvolkbewegung’. De eerste drie groepen zijn duidelijk ideologische denkrichtingen, terwijl de laatste twee concrete historische uitbarstingen zijn, die in de eerste plaats activistisch geïnspireerd waren.[489] De twee laatste stromingen zijn voor deze thesis in feite niet echt van belang, maar worden volledigheidshalve toch kort vermeld.
1) De Völkischen
De eerste reeds aangehaalde groep, de Völkischen, stelde ‘de oorsprong’ centraal waaraan termen als volks-, ras-, stam- en/of taalgemeenschap werden gekoppeld. Volk en taal werden voor de Völkischen verheerlijkt als ordescheppende principes. Dit leidde al snel tot een reactionaire, romantische en racistische wereldbeschouwing.[490] De Völkischen verwierpen de moderniteit en streefden naar de 'renaissance' van een eenvormige nationale 'volksstaat' waarin de volks-, ras-, stam- of taalgemeenschap centraal stond.[491] De invloed van Arthur de Gobineau (1816-1882) en Houston Steward Chamberlain (1855-1927) was in deze groep overduidelijk aanwezig. Er werd sterk de nadruk gelegd op de noodzaak om het ras zuiver te houden. Uit dit racisme trad ook een raciaal antisemitisme naar voor. Dit antisemitisme richtte zich tegen de ‘inhalige jood’ die het zuivere Duitse ras bedreigde en de drager was van het al evenzeer gewantrouwde kapitalisme. De ‘Judengeist’ werd voorgesteld als de erfvijand van het ‘Deutschtum’. Ook de Slavische volkeren werden als minderwaardig beschouwd. Het sociaaldarwinisme was eveneens een centraal onderdeel van dit völkische gedachtegoed. Een ander kenmerkend element was hun mystieke kijk op de Duitse of Teutoonse cultuur. De Duitse cultuur werd superieur geacht en het grootse Teutoonse verleden werd verheerlijkt. Duitsland moest met het oog op dit verleden een eigen maatschappelijk systeem tot stand brengen waarin orde, harmonie en hiërarchie centraal stonden.[492]
In deze groep tierden twijfelachtige en obscure theorieën welig. Een voorbeeld hiervan is de Ariosofie, een racistisch occultisme, die in deze groep sterk verspreid was. Deze denkstroming was ontstaan rond de eeuwwisseling en was in feit een combinatie van de Theosofie van Blatavsky[493] met het völkisch nationalisme. De meest bekende Ariosofist was ongetwijfeld Guido von List (1848-1919). Volgens Kershaw geldt List als de goeroe van de cultus van de superioriteit van het Arisch-Germaanse ras dat geroepen zou zijn om over de aarde te heersen.[494] List wilde vooral aantonen dat de Oostenrijkers en Duitsers geen culturele navolgers, maar wegbereiders waren die onder meer de oertaal hadden ontwikkeld waaruit alle andere talen waren voortgekomen. List ging uit van een Germaanse hoogcultuur die ten onder was gegaan en heropgebouwd moest worden. De grote schuldige van deze ondergang was het christendom omdat het de oude Germaanse religie vernietigd had en omdat tegelijk met de kerstening andere volkeren Europa binnendrongen die zich vermengden met het zuivere Arische ras waardoor het Arische ras degenereerde.[495] Een belangrijke Ariosofische beweging tijdens het interbellum was de beweging van Georg Lanz (1874-1954) die door het leven ging als Lanz von Liebensfels. Hij ontwikkelde een rassenreligie, Theozoology genaamd. Voor Lanz was het Arische ras het superieure ras dat door vermenging met andere rassen was gedegradeerd. Hij geloofde dat de oorspronkelijke Ariërs grote magische gaven bezaten en dat door middel van raciale segregatie en selectieve voortplanting deze krachten opnieuw tot leven konden worden gebracht. Lanz ging er van uit dat God een panpsychische oerkracht was waaruit alle andere energieën en krachten waren afgeleid. In deze hiërarchie zag hij krachten als ‘Theozoa’ en ‘Elektrozoa’ aan het werk die de mens zouden veredelen. Zo zouden de godmensen ontstaan zijn, de voorouders van het hedendaagse ‘Arische heldenras’. Maar enkele godmensen hadden zich vermengd met de dieren en door deze ‘zondeval’ waren hun ‘elektrische’ organen, die hen in contact konden brengen met het goddelijke, verzwakt. Lanz noemde hen diermensen, de voorouders van de lagere rassen. Volgens hem was Christus een zuivere Ariër, een godmens die in het mysterie van de bevrijding de weg toonde uit de ellende van de rassenvermenging naar een raciale perfectie.[496] In hoeverre deze obscure theorieën werden nagevolgd is moeilijk te achterhalen, vast staat wel dat het in 1905 opgerichte magazine van Lanz, ‘Ostrara’, relatief wijd verspreid was in Oostenrijk en Duitsland.[497]
Veel jong-conservatieven en nationaal-revolutionairen zaten enigszins verveeld met de verwantschap die ze deelden met de Völkischen, van wie de meeste volgens hen niet ernstig te nemen waren. Nochtans stond de nadruk op het ras bij de Völkischen in het teken van dezelfde organische opbouw en verbondenheid met landschap, taal en traditie die ook voor zoveel andere conservatief-revolutionairen centrale notities vormden. Bij elke groep binnen de rechtse revolutie waren racisme en antisemitisme overigens nooit ver weg.[498]
Vertegenwoordigers van deze völkische stroming waren onder meer Erich Ludendorff en Herman Wirth. Erich Ludendorff was de oorlogsheld die in 1914 de Russische troepen uit Oost-Pruisen had verjaagd en die de laatste oorlogsjaren de facto dictator van Duitsland was. Hij was het symbool van het Duitse ultranationalisme en werd door radicaalrechts vereerd. Hij was een völkische nationalist met een grondige afkeer voor de republiek en voor de katholieke kerk. Hij onderhield nauwe contacten met Hitler en zou deelnemen aan zijn putsch in 1923. Ludendorff werd vrijgesproken in het proces dat volgde op deze poging tot staatsgreep. De onenigheid met Hitler nam in de daaropvolgende jaren toe, wat uiteindelijk zou leiden tot een totale breuk in 1927.[499] Herman Wirth (1885-1981) was medestichter en voorzitter van de Ahnenerbe, de ‘wetenschappelijke’ afdeling binnen de SS, die beïnvloed was door de Ariosofie.[500] Deze afdeling sponsorde onder meer archeologische expedities die moesten aantonen dat alle grote beschavingen in wezen Arisch van oorsprong waren. Wirth werd echter al in 1937 gedwongen om af te treden. Hij bleef wel goede contacten onderhouden met Himmler.[501]
2) De Jungkonservativen
Een tweede groep zijn de Jungkonservativen. Deze stroming strookt het meest met de definiëring van conservatisme als politieke gezindheid. Volgens Mohler wilde deze stroming zich door het bijwoord ‘jong’ onderscheiden van het reactionaire conservatisme: “der Altkonservatismus”. De jongconservatieven verzetten zich tegen de erfenis van 1789 en trokken uit deze oppositie duidelijk revolutionaire consequenties.[502] Ze streefden naar een “deutsche Revolution”, waarmee de vergissing van 1789 rechtgezet zou worden en waarmee tegelijk een nieuwe eenheid en een nieuw maatschappijmodel zou worden gecreëerd. Dit betekende voor hen niet de omverwerping van het overgeleverde, maar wel het smeden van een nieuwe eenheid uit het bestaande. Ze wilden met andere woorden een nieuwe synthese bewerkstelligen tussen de oude Europese beschaving en de nieuwe geïndustrialiseerde samenleving.[503]
Nationale verbondenheid was ook voor de jongconservatieven een centraal gegeven. Volk en taal, de sleutelbegrippen van de Völkischen, werden door de jongconservatieven niet geloochend. Voor hen waren ze alleen niet bruikbaar als ordescheppende principes omdat ze volgens hen leiden tot gesloten eenvormige staten van jacobijnse inspiratie. Het centrale begrip bij de jongconservatieven was het “Reich”. Onder het rijk verstond men “een historisch gegroeide Europese samenlevingsvorm die volkeren en stammen, talen en regio’s hun eigen identiteit en ontwikkeling laat, maar ze in een bovengeordende structuur wil bundelen.”[504] Het rijk stond voor een verband tussen verschillende en ongelijke volkeren, die ieder met behoud van hun eigenheid geschaard zouden zijn onder dezelfde principes en die tot samenwerking zouden komen op een aantal gemeenschappelijke domeinen. Het particuliere volk werd zo niet verloochend, maar overstegen. Van dit rijk, dat geenszins beschouwd kon worden als een statenbond tussen gelijkwaardige partners, zou Duitsland de kern uitmaken.[505]
Deze groep onderscheidde zich ook door zijn sterke nadruk op orde. Ze werden gekenmerkt door een uitgesproken neiging tot juridisch denken, het ontwerpen van structuren en van een rechtsorde.[506] De invulling van deze rechtsorde verschilde van auteur tot auteur, maar was altijd wezenlijk autoritair. Een voorbeeld hiervan vindt men terug in het werk Das Dritte Reich van Arthur Moeller van den Bruck. Daarin herdefinieert hij democratie als “Anteilnahme des Volkes an seinen Schicksal”.[507] De Weimarrepubliek moest het daarom ontgelden als een schijnstaat en in haar plaats moest een ware staat komen. Deze kon niets anders zijn dan een machtsstaat, die zijn legitimatie in zichzelf vond en in staat zou zijn naar binnen de orde te handhaven en naar buiten macht uit te stralen. Deze ware staat kon een standenstaat zijn of een autoritaire staat. Het idee van een standenstaat mondde echter meestal uit in een autoritaire staat. Dergelijke autoritaire staat moest de belangenstrijd tussen de verschillende maatschappelijke groepen ongedaan maken door zelf van boven uit soeverein en met het oog op het welzijn van het geheel de juiste beslissingen en maatregelen te treffen. Op die manier zou een organische samenwerking gecreëerd worden tussen de verschillende standen, wat ook de bedoeling was van de standenstaat.[508]
Men wilde komen tot een harmonieuze organische maatschappij waarin iedereen een eigen functie en plaats had. De jongconservatieve stroming zette zich dan ook heftig af tegen het communisme.[509] Tegelijk werd ook het als verlopen beschouwde kapitalistische systeem scherp bekritiseerd.[510] Men ging in plaats daarvan op zoek naar een niet–marxistisch socialisme, een ‘conservatief socialisme’.[511] Het hoopvolle perspectief van een nationaal verbonden volk leidde tot de opvatting van een ‘nationaal-socialisme’. Men wilde tot een nieuwe synthese komen tussen de oude Pruisische orde, met haar strenge discipline, soberheid en hiërarchie en het nieuwe industriële tijdperk, waarin de techniek heerste en de massa’s naar voor waren getreden.[512] De jongconservatieven aanvaarden dus wel de moderniteit maar trachtte ze naar haar hand te zetten.[513] Ze wilden de bestaande situatie niet louter bewaren, maar haar ombuigen en aanpassen aan het eigen (rechtse) ideaal.
De christelijke invloed is binnen deze stroming zeker het grootst. Het christendom werd gezien als een eenheid brengende factor die de vele samenstellende delen in al hun veelvuldigheid en variatie zou overspannen.[514] Het christendom werd dus niet gezien als doel op zich, maar als een werktuig die de rijksgedachte mee kon realiseren en eenheid kon brengen.[515] Deze christelijke invloed ging samen met het ideaalbeeld van de middeleeuwse samenleving die binnen deze stroming leefde. De middeleeuwse samenleving zoals zij die zagen, bezat een harmonische geleding van de onderling verschillende en slechts voor god gelijkwaardige groepen.[516] Ook de middeleeuwse rijksgedachte, die als essentieel christelijk werd gezien, werd verheerlijkt.[517]
Volgens Mohler was deze groep de meest ‘geciviliseerde’ of burgerlijke van de conservatieve revolutie. Ze waren de enigen die de Weimarrepubliek niet totaal en onverzoenlijk afwezen. Daardoor konden ze nog als gesprekspartner fungeren en bleven er steeds bruggen bestaan tussen hen en het establishment “hoe diep de scheiding der geesten ook was”.[518] Deze jongconservatieven lieten zich gelden op het niveau van de regering in 1932 met het kabinet van Franz von Papen. Met zijn “Kabinett der Barone” heeft die niet eens geprobeerd de schijn van een parlementaire democratie op te houden. Hij regeerde via nooddecreten en steunde sterk op de steun van de NSDAP. Edgar Jung, een jongconservatieve intellectueel, was de auteur van de redevoeringen van von Papen.[519]
Voor deze jongconservatieven was de meest invloedrijke “Ideenzentrale” de Berlijnse Juniklub rond Moeller van den Bruck en de aanverwante tijdschriften ‘Der Ring’ en ‘Das Gewissen’. De jongconservatieve invloed liet zich ook voelen in andere tijdschriften en via het optreden van jongconservatieven op colloquia, congressen en voordrachten. De bekendste vertegenwoordigers van deze stroming, die ook buiten Duitsland bekend werden, waren naast de eerde vermelde Moeller van den Bruck en Edgar Jung, Othmar Spann, Carl Schmitt en Oswald Spengler.[520]
3) De Nationalrevolutionären
De nationaal-revolutionairen telden bijna uitsluitend leden van de jonge oorlogsgeneratie. Deze generatie was door de ‘Kriegserlebnis’ getekend. De nationaal-revolutionaire beweging, als typische uitloper van de frontgeneratie, is nooit verankerd geweest in de traditionele burgerlijke wereld.[521] Deze stroming werd dan ook gekenmerkt door radicale vervreemding van en twijfel aan de burgerlijke samenleving. Het nihilisme van deze nationaal-revolutionairen leidde tot een anarchistische opstelling en een obsessieve vernietigingsdrang.[522] Ze wilden de burgerlijke Weimarrepubliek op radicale wijze hervormen en een Duitse antikapitalistische maatschappij tot stand brengen.[523]
Wat deze nationaal-revolutionairen met de andere stromingen binnen de conservatieve revolutie gemeen hebben, wat met andere woorden als conservatief kan bestempeld worden, is hun verlangen naar een nieuwe eenheid, een nieuwe bindende kracht die het individuele leven overstijgt en van zijn centrale positie berooft.[524] Deze nieuwe bindende kracht werd bij hen echter zeer nihilistisch ingevuld. Ze waren niet conservatief door terug te grijpen naar wat eens geweest was, maar door hun visie op de eeuwige strijd die amoreel was. In de eeuwige vernietiging, vond de eeuwige wedergeboorte plaats. Het progressieve geloof in een betere wereld verwierpen ze totaal. De industriële maatschappij was het slagveld waar deze eeuwige strijd gevoerd zou worden. Zij leverde steeds opnieuw het vernietigende materiaal en zelf zou zij ook telkens weer vernietigd en weer opgebouwd worden.[525] ‘Beweging’ en ‘natie’ waren voor hen de sleutelwoorden. De beweging op zich was het belangrijkste. Wat de nieuwe tijd zal brengen, wisten ze nauwelijks en wilden ze ook niet weten. De natie was voor hen de uitdrukking van de lotsverbondenheid van een volk. De natie vormde de synthese van werkelijkheid en geloof, instinct en inzicht, natuur en geest. Nationalisme was voor hen het streven naar de Duitse klasseloze maatschappij.[526]
Deze nationaal-revolutionaire stroming ontstond uit een samengaan van elementen van extreemlinks en extreemrechts. Zowel het linkse als het rechtse kamp waren volgens deze nationaal-revolutionairen voorbijgestreefd en hadden afgedaan. “Stalin is voor hen een konservatief, Hitler een liberaal…”.[527] In deze stroming ontmoetten nationalistische en socialistische tendensen elkaar. Men vond hier ook de meeste aanhangers terug van het nationaal-bolsjewisme, een fusie van radicale socialistische en radicale nationalistische doelstellingen, die in het bolsjewistische Rusland een bondgenoot zagen in de strijd tegen het kapitalistische Westen.[528] Ze zetten zich af tegen de Völkischen, in hun ogen niet meer dan romantici en de jongconservatieven die een synthese wilden realiseren tussen het oude Europa en de nieuwe geïndustrialiseerde wereld. De nationaal-revolutionairen verwierpen dit idee volledig. Zij wilden de ondergang van de burgerlijke wereld bewerkstelligen. Ze wilden de Weimarrepubliek als exponent van de kapitalistische decadentie zo snel mogelijk ten grave dragen.[529]
De meest gekende en belangrijkste vertolker van deze strekking was ongetwijfeld Ernst Jünger.[530] Andere belangrijke nationaal-revolutionaire auteurs waren Friederich Hielscher en Arthur Manraun. Enkele andere personen die tot deze strekking behoorden, danken hun bekendheid aan andere activiteiten, met name Ernst von Salomon (de auteur van succesromans) en Otto en Gregor Strasser (medestanders van Hitler die respectievelijk een rabiaat tegenstander en slachtoffer werden). Ook Ernst Niekisch behoorde tijdens het interbellum tot deze nationaal-revolutionaire stroming.[531]
4) De Bündischen
De Bündischen worden door Luc Pauwels omschreven als “een typisch Duits jeugdbewegingfenomeen”. Als erfgenaam van de Wandervögelbeweging heeft deze groep alle andere groepen van de conservatieve revolutie gevoed.[532] In deze Bündische groeperingen vonden jongeren elkaar terug die een autonoom leven buiten de starre vormen van de volwassenenwereld wilden opbouwen. Er werden echter geen pogingen gedaan om de explosieve kracht van deze beweging te kanaliseren naar een concreet programma, noch om ze ideologisch te onderbouwen.[533] Ideologisch was deze beweging dus nauwelijks van belang. Ze wordt hier dan ook slechts volledigheidshalve vermeld.
5) De Landvolkbewegung
Ook deze beweging wordt hier slechts volledigheidshalve vermeld. De Landvolkbewegung was in feite een korte hevige boerenopstand in Sleeswijk-Holstein tussen 1928 en 1932. De boeren verzetten zich tegen het vernietigende landbouwbeleid van de Weimarregering. Deze beweging had echter evenmin als de Bündischen een theoretische grondslag.[534] Het is wel de enige strekking die het de heersende machten moeilijk maakte door praktische actie.[535]
Mohler zou in latere publicaties enige afstand nemen van zijn vroegere indeling in vijf groepen. De Landvolkbewegung was wellicht te kortstondig, te weinig ideologisch en te zeer afhankelijk van woordvoerders uit andere groepen van de conservatieve revolutie (vooral nationaal-revolutionairen) om als evenwaardige vijfde groep te kunnen worden beschouwd.[536]
1.2.5 De conservatieve revolutie versus het nazisme
De vraag luidt of het nationaal-socialisme van Hitler als een deel van de conservatieve revolutie kan worden beschouwd. Mohler trekt een duidelijke scheidingslijn tussen de conservatieve revolutie en het nazisme. Hij onderstreept het verzet van vele conservatief-revolutionairen die als “trotskisten van het nationaal-socialisme” zich niet wilden laten inkapselen door de nazistische massabeweging.[537] Ze vormden kleine intellectuele kringen die echter maar weinig invloed uitoefenden op de massa. Bij de individuele vertegenwoordigers van de conservatieve revolutie vindt men grote verschillen terug in de houding ten opzichte van het nazisme. Een klein deel emigreerde, maar de overgrote meerderheid bleef in Duitsland. Van deze laatste trok een deel zich terug uit de politieke sfeer.[538] Wat Mohler omschrijft als het vluchten in een “innere Emigration”.[539] Anderen probeerden hun kritiek op bedekte wijze te uiten via de literatuur of traden toe tot het verzet. Kritiek was echter gevaarlijk. Sommige conservatief-revolutionairen belandden in een gevangenis of een concentratiekamp. Anderen werkten mee met de NSDAP uit persoonlijke ambitie of uit hoop om via het middel van de massapartij toch nog hun doelstellingen te realiseren.[540]
TeKoS legt sterk de nadruk op het feit dat de conservatieve revolutie weinig met het nazisme en Hitler te maken heeft. Een voorbeeld hiervan is het artikel van Peter Logghe ‘Het rechtse verzet tegen Hitler’ uit 1995. In dit artikel wordt het boek van Claus Wolfschlag Hitlers rechte Gegner besproken. Logghe levert daarbij kritiek op de identificatie die zou zijn ontstaan tussen ‘rechts=nazi=Hitler=slecht’ en ‘links=antifascistisch=weerstand=goed’. Hij beklaagt zich over het feit dat er voor de rechtse tegenstanders van het Hitlerregime weinig of geen interesse bestaat. Integendeel zelfs, steeds weer wordt de voorlopersrol van de rechtse denkers voor het nazisme op alle mogelijke vlakken uitgepeeld. Logghe staat dan ook zeer positief ten opzichte van het opzet van het boek van Wolfschlag die wil aantonen dat “de zogenaamde Duitse “rechtse” beweging zeker geen nationaal-socialistische was, wel integendeel, en dat ze ook niet volledig verdwenen is in de nationaal-socialistische partij. Hij (Wolfschlag) brengt hulde aan die mannen en vrouwen die in zeer moeilijke tijdsomstandigheden hun idealen trouw bleven en verder bleven uitdragen, en dit soms met hun leven moesten betalen…”.[541]
Ook andere historici zien breuklijnen in het rechts-revolutionaire veld. Maar de strijd tussen een tot regime geworden strekking en andere strekkingen van dezelfde antidemocratische stroming wettigt nog niet van een absolute scheiding te spreken tussen de conservatieve revolutie enerzijds en het nationaal-socialisme anderzijds.[542] Er bestaat wel degelijk een verwantschap tussen de conservatieve revolutie en het nationaal-socialisme. Het is daarbij vooral de völkische beweging met haar rassenideologie die een belangrijke invloed heeft uitgeoefend op de nazistische politiek.[543] Volgens Kershaw erkende Hitler in Mein Kampf dat er geen essentieel verschil bestond tussen de ideeën van het nationaal-socialisme en die van de völkische beweging. De nazistische ideologie was in feite een samenraapsel van völkische en andere conservatief-revolutionaire ideeën vermengd met vooroordelen en ressentimenten. De ideologie was bij de nazi’s echter niet van wezenlijk belang. Het was vooral het krachtige en dynamische imago van de nationaal-socialisten en hun gedrevenheid die Hitler uiteindelijk aan de macht zouden brengen.[544] Toch kan men een principieel onderscheid tussen de verschillende rechts-radicale stromingen niet ontkennen. Men kan ze dan ook niet louter onderbrengen onder dezelfde noemer ‘fascisme’.[545] Wanneer men het begrip fascisme als een generisch begrip hanteert en het dus loskoppelt van zijn historische betekenis kan men dit wel. Onder meer Zeev Sternhell, die verschillende boeken over het fascisme in Frankrijk publiceerde,[546] behoort tot de school in de literatuur die de term ‘fascisme’ als generisch begrip gebruikt. Mohler erkent dat hij en Sternhell het in feite over hetzelfde hebben, wat Mohler conservatieve revolutie noemt is voor Sternhell fascisme. TeKoS wijst elk gebruik van de term ‘fascisme’ voor conservatief-revolutionaire stromingen met klem af. Het etiket ‘fascistisch’ zou ten onrechte stigmatiseren en bijgevolg een onbevooroordeeld beeld van het verleden in de weg staan.
1.3 Nieuw Rechts een erfgenaam van de conservatieve revolutie? Een kort overzicht
1.3.1 De conservatieve revolutie: een voorloper van Nieuw Rechts?
De vraag of de conservatieve revolutie in de Weimarrepubliek kan beschouwd worden als een voorloper van het Nieuw Rechtse gedachtegoed moet genuanceerd worden beantwoord. Het is in ieder geval duidelijk dat tussen beide ideologische stromingen een band bestaat. De conservatief-revolutionaire stromingen uit het interbellum worden zowel door Patrick Commers als Patrick Rentmeesters erkent als voorlopers van Nieuw Rechts.[547] Ook Erik Arckens stelt in zijn thesis dat de Nouvelle Droite in feite een verder zetten en een uitwerken is van de ideeën van de conservatieve revolutie.[548] Deze stelling wordt bij alle drie echter louter geponeerd en niet uitgewerkt. Nieuw Rechts zelf refereert vaak aan de conservatieve revolutie in de Weimarrepubliek. TeKoS besteedt veel aandacht aan de conservatieve revolutie in Duitsland en haar vertegenwoordigers en staat er duidelijk zeer positief tegenover. Regelmatig worden er in TeKoS artikels over gepubliceerd (tot begin 2001 een veertigtal). Daarbij wordt, zoals gezegd, benadrukt dat deze conservatieve revolutie weinig met het nazisme en Hitler te maken heeft. De conservatief-revolutionairen eenvoudigweg als voorlopers van de fascistische ideologie aanduiden noemt Luc Pauwels “grotesk”.[549] Deze nadruk op het verschil tussen de conservatieve revolutie en het nazisme is nodig in die zin dat Nieuw Rechts de band met de conservatieve revolutie slechts als dusdanig kan erkennen als deze duidelijk onderscheiden is van het nazisme. De reden hiervoor ligt voor de hand: door zichzelf in verband te brengen met een beweging die banden had met het nazisme zou de ganse Nieuw Rechtse beweging onmiddellijk worden gestigmatiseerd en in diskrediet worden gebracht.
Toch kan men Nieuw Rechts niet zo maar gelijk stellen aan de conservatieve revolutie. De wezenlijke overeenkomst tussen de verschillende conservatief-revolutionaire stromingen is de fundamentele kritiek op de erfenis van 1789 EN de wil haar door een revolutie op alle terreinen te keren.[550] Revolutie impliceert omverwerping en volgens Luc Pauwels is dat een attitude die door TeKoS aan de kaak wordt gesteld en verworpen.[551] Het feit dat de historische omstandigheden helemaal anders zijn speelt hierin natuurlijk een belangrijke rol. Een rechtse revolutie lijkt in deze tijd niet zo voor de hand liggend.[552] Door de nadruk te leggen op de metapolitieke strategie erkent Nieuw Rechts ook deze onmogelijkheid. Het artikel van Mohler ‘Van de konservatieve revolutie tot nieuw rechts: kontinuïteit en diskontinuïteit’[553] uit 1986 handelt over wat de conservatieve revolutie en Nieuw Rechts met elkaar gemeen hebben en wat zij niet met elkaar gemeen hebben. Wat hierbij opvalt is het feit dat vooral het verschil in context wordt benadrukt. De verschillen tussen beide stromingen komen volgens Mohler neer op de verschillende tijdgebonden omstandigheden zoals die door hem worden geïnterpreteerd. De conservatieve revolutie kon steunen op een massabeweging, vond plaats in een tijdperk waarin het opiniedelict niet bestond en men beoordeeld werd op zijn handelingen in plaats van op zijn meningen. Nieuw Rechts daarentegen is een geïsoleerde beweging die niet wordt gedragen door een massabeweging -rechts geldt immers nog steeds als de verliezende partij van de tweede wereldoorlog- en rechtse opvatting gelden nog steeds als ‘het kwade’. Bovendien heeft Nieuw Rechts geen toegang tot de media omdat het totalitair liberalisme de ganse maatschappij doordringt. Een gevolg van dit alles is dat Nieuw Rechts zich vooral moet verdedigen tegen de etiketten die het door zijn tegenstanders krijgt opgekleefd. Wat betreft de inhoud van beide denkstromingen stelt Mohler “In zijn ideeën is NIEUW RECHTS niet zomaar een nieuwe uitgave der konservatieve revolutie. Het streeft wel in dezelfde richting, maar geniet van oneindig veel nieuw gewonnen ervaringen en inzichten…”[554]
Nieuw Rechts kan dus niet gelijkgesteld worden aan de conservatieve revolutie, maar ‘streeft’ wel in dezelfde richting. Het valt inderdaad niet te ontkennen dat er overeenkomsten bestaan tussen het gedachtegoed van TeKoS en de ideeën van de conservatieve revolutie. Toch moet men voorzichtig zijn met het aanduiden van dergelijke ideologische overeenkomsten. De invulling van gelijkaardige thema’s kan grondig verschillen. Het probleem van het aanduiden van overeenkomsten wordt nog versterkt door het ontbreken van een algemeen conservatief-revolutionair ideologisch opzet. Sommige Nieuw Rechtse thema’s
waren ook leidmotieven binnen de conservatieve revolutie, andere kwamen slechts zijdelings aan bod of hadden een andere invulling, van nog andere was gewoon nog geen sprake. Terwijl omgekeerd bepaalde thema’s uit de conservatieve revolutie niet aanwezig zijn in het Nieuw Rechtse gedachtegoed. Nieuw Rechts erkent zelf de gemeenschappelijke filosofische basis van beide denkstromingen, met name het verwerpen van de erfenis van de Franse Revolutie en de wil die erfenis ongedaan te maken (Nieuw Rechts opteert daarvoor voor de metapolitieke strategie, het revolutionaire aspect wordt zoals gezegd verworpen). Men kan daarom stellen dat Nieuw Rechts tot dezelfde radicale contrarevolutionaire traditie gerekend kan worden waartoe ook de conservatieve revolutie behoort, maar niet aan deze laatste kan worden gelijkgesteld.
1.3.2 De verwantschap tussen Nieuw Rechts en de conservatieve revolutie: een kort overzicht [555]
Het volgende overzicht van overeenkomsten tussen de conservatieve revolutie en het gedachtegoed van Nieuw Rechts is beperkt en niet exhaustief. In het kader van deze thesis was het niet mogelijk om de conservatieve revolutie grondig en diepgravend te bestuderen. Het enige wat ik hier wil aantonen, is het feit dat de Nieuw Rechtse ideeën niet uit de lucht zijn komen vallen en in min of meerdere mate refereren aan ideeën die ook leefden binnen de conservatieve revolutie.
Het is duidelijk dat het uitgangspunt van beide bewegingen hetzelfde is. Nieuw Rechts reageert net als de conservatief-revolutionairen enerzijds tegen een samenlevingsmodel dat beschouwd wordt als inadequaat, met name het model dat gebaseerd is op de idealen van de Franse Revolutie en anderzijds formuleert zij een alternatief. Het alternatief van Nieuw Rechts is geen loutere overname van een conservatief-revolutionair model geformuleerd in het interbellum, maar het bevat wel elementen die duidelijk refereren aan conservatief-revolutionaire voorlopers.
Een andere overeenkomst is de invloed van Nietzsche. Het Nieuw Rechtse discours refereert vaak aan Nietzsche. Zijn afkeer voor het christendom, zijn ophemeling van de heidense, Griekse opvatting van de wereld, zijn kritiek op het rationalisme en het vooruitgangsdenken, zijn relativisme, zijn pleidooi voor de zichzelf overstijgende mens, het concept van de eeuwige wederkeer etc. zijn allemaal elementen die terugkomen in het gedachtegoed van Nieuw Rechts. TeKoS publiceerde reeds verschillende artikels die uitsluitend aan deze filosoof gewijd zijn (tot begin 2001 een twintigtal). In andere artikels en publicaties wordt ook vaak naar hem verwezen.
Het cultuurpessimisme dat beide stromingen kenmerkt is een andere gelijkenis. De scherpe afkeer van de decadente cultuur van de eigen tijd, die duidelijk aanwezig was in de conservatieve revolutie, vinden we ook terug bij Nieuw Rechts: de (gepercipieerde) crisis van de Westerse beschaving is een centraal element binnen haar gedachtegoed. Nieuw Rechts is ervan overtuigd dat de huidige Westerse beschaving afgegleden is naar een stadium van verval en degeneratie. Nieuw Rechts gaat er daarbij van uit dat deze decadentie kan worden tegengegaan door het realiseren van een ‘Europese culturele renaissance’. Europa bevindt zich weliswaar op een dieptepunt, maar dit is slechts een tussenfase waarin de heropstanding van de Europese cultuur wordt voorbereid. Nieuw Rechts formuleert daartoe een eigen tegenproject dat een uitweg moet bieden uit de huidige cultuurcrisis. Dit uitdenken van een alternatief is vooral een aspect dat ook aanwezig was bij de jongconservatieven. De nationaal-revolutionairen waren niet echt geïnteresseerd in de creatie van een nieuwe orde, de beweging op zich stond bij hen centraal en de Völkischen beriepen zich nogal vaak op eerder obscure en weinig realistische theorieën.
Volgens Nieuw Rechts is het egalitarisme verantwoordelijk voor de huidige cultuurcrisis. De aanduiding van het ‘virus van het egalitarisme’ als voornaamste vijand in al zijn metamorfoses, is een betrekkelijk nieuw aspect binnen het rechtse kamp en was binnen de conservatieve revolutie niet als dusdanig aanwezig. Van een reductie van alle vijanden tot één was er nog geen sprake, maar er bestond wel reeds een afkeer ten opzichte van het egalitarisme, een erfenis van de Franse Revolutie. Vooral de jongconservatieven wezen het egalitaire gedachtegoed af. Zij pleitten voor een organische samenwerking tussen de verschillende standen onder auspiciën van een autoritaire staat en stonden zeer afkerig ten opzichte van het communisme. Bij de Völkischen werd het anti-egalitarisme sterk raciaal ingekleurd. De joden en de slavische volkeren werden beschouwd als minderwaardig aan het Arische ras, maar ook binnen het Arische ras bestonden er volgens hen gradaties van raciale zuiverheid. Ook het samenlevingsmodel dat ze voor ogen hadden was zeker niet gestoeld op egalitaire waarden. Ze pleitten voor de totstandkoming van een specifiek Duits maatschappelijk bestel steunend op orde, harmonie en hiërarchie. Er was volgens hen nood aan een nieuwe elite die de erfvijand van het Deutschtum, de Judengeist, moest verdelgen. Bij de nationaal-revolutionairen, die pleitten voor een klasseloze Duitse maatschappij, was het anti-egalitarisme logischerwijs veel minder aanwezig.
De afkeer tegenover het kapitalistisch liberalisme lijkt Nieuw Rechts met de conservatief-revolutionaire stromingen gemeenschappelijk te hebben. Het staat in ieder geval vast dat het individualistische liberalisme door zowel de conservatieve revolutie als Nieuw Rechts wordt afgewezen. Het kapitalistisch liberalisme rukt volgens beide bewegingen het individu los uit de organische samenleving en laat hem verweesd en ontworteld achter. Ook het afwijzen van de almacht van de economische waarden, de rede en het vooruitgangsideaal is bij beide bewegingen aanwezig. De meest radicale tegenstanders van het kapitalistisch liberalisme waren terug te vinden bij de nationaal-revolutionairen. Zij wilden de traditionele burgerlijke wereld op radicale wijze omvormen tot een Duitse antikapitalistische maatschappij. De jongconservatieven verdedigden een vorm van corporatisme of nationaal-socialisme dat de harmonie en de orde binnen de maatschappij zou waarborgen. Ook de Völkischen wezen het kapitalistisch liberalisme af en pleitten voor de totstandkoming van een eigen Duits maatschappijmodel waarin orde, eendracht en hiërarchie centraal stonden.
Het afwijzen van het communisme ligt wat complexer. Nieuw Rechts beschouwt het liberalisme niet als tegenhanger van het communisme, beiden worden gezien als twee tegenpolen binnen een zelfde egalitair en economisch waardensysteem en als gelaïciseerde vormen van het joods-christelijke egalitarisme. Deze koppeling werd door de conservatief-revolutionairen nog niet gemaakt. Hun houding ten opzichte van het communisme verschilde nogal. De jongconservatieven zetten zich heftig af tegen het communisme dat in tegenspraak was met hun elite-denken en hun opvatting van een organische samenleving. Binnen die organische samenleving pleitten ze wel voor een of andere vorm van nationaal-socialisme dat echter anti-marxistisch diende te zijn. Bij de nationaal-revolutionairen daarentegen ontmoetten nationale en socialistische tendensen elkaar wat uitmondde in een pleidooi voor een Duitse klasseloze maatschappij. Binnen deze stroming vindt men ook de aanhangers terug van het nationaal-bolsjewisme die in het bolsjewistische Rusland een bondgenoot zagen in de strijd tegen het kapitalistische Westen. Van een radicaal anticommunisme was in deze stroming dus geen sprake.
De afwijzing van het christendom en het pleidooi voor het terug aansluiten bij onze heidense erfenis is ook niet eenduidig. De jongconservatieve stroming werd gekenmerkt door een sterke christelijke invloed. Het christendom werd beschouwd als een eenheid brengende factor die de verschillende delen in al hun veelvuldigheid zou omvatten. Dergelijke ideeën vindt men duidelijk niet terug bij Nieuw Rechts. De wortels van het Nieuw Rechts heidendom liggen in de völkische stroming. In de negentiende eeuw werd in het völkische milieu de heidense erfenis van de Germaanse voorouders herontdekt en gekoppeld aan de opkomst van de rassenleer. Religie werd iets dat inherent was aan een bepaald ‘ras’. Sommige Völkischen waren openlijk heidens, antichristelijk en zeker antirooms, maar dat gold zeker niet voor allemaal.[556]
Een voorbeeld van een voorloper van het noordse heidendom zijn de theorieën van de eerder vermelde Guido Karl Anton List (1848-1919) of Guido von List, de eerste en meest bekende vertegenwoordiger van de Ariosofie. Ten gevolge van een oogkwaal was deze auteur in 1902 gedurende elf maanden blind. Hij verkondigde dat hij in die periode via visioenen uit vorige levens de betekenis van de heidense religie en de runen had leren kennen.[557] De paper waarin hij zijn ideeën uiteenzette, werd zonder commentaar afgewezen door de Keizerlijke Academie der Wetenschappen. Desondanks werden zijn theorieën door völkische nationalisten verwelkomd. List verdedigde de superioriteit van het Arisch-Germaanse ras dat geroepen zou zijn om over de aarde te heersen.[558] Hij ontwikkelde een ganse theorie over de inhoud van de oorspronkelijke Germaanse religie. Hij ging daarbij uit van het idee dat alle religies in hun kern dezelfde esoterische leer bezitten, enkel de uiterlijke verschijningsvorm zou specifiek volksgebonden zijn. Deze etnische religies waren noodzakelijk voor de laagste sociale klassen omdat die mentaal niet voldoende ontwikkeld waren om abstracte begrippen te begrijpen en daarom nood hadden aan meerdere gepersonaliseerde goden. Dit polytheïsme maakte deel uit van de Ario-Germaanse religie die List ‘Wuotanismus’ (cultus van Wotan) noemde. Alleen de selecte groep hoger ontwikkelden begrepen dat de goden pe