| Van ‘Hier spreekt men Nederlands’ tot ‘Tien voor Taal’. De evolutie van de taalprogramma’s op de openbare omroep. (Paul Nies) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Deel 2: De taak van de openbare omroep: Taalprogramma’s gedurende vier perioden
Een begrip laat zich vaak slechts beschrijven aan de hand van de opdracht die het vervult. Voor een breed en omvattend begrip als ‘de openbare omroep’ is dit hoogstwaarschijnlijk ook de meest zinvolle manier om tot een definitie te komen. Zo komt Boon (1984, p. 19) tot de volgende omschrijving:
Het verzorgen van radio- en/of televisieprogramma’s voor het publiek, omroepen dus, wordt zeer algemeen ervaren als openbare dienstverlening, d.i. het vervullen van een taak die voor de gemeenschap nuttig en zelfs onmisbaar is. Het behoeft nauwelijks een betoog dat met hun educatieve, informatieve en recreatieve functies, radio- en televisie-uitzendingen taken van algemeen nut, van algemeen belang zijn.
Dat deze omschrijving geherinterpreteerd kan worden doorheen de tijd, geeft Van den Bulck (2000) aan in de volgende bemerking: ‘Het ontstaan en de uitbouw van de televisie als een publieke dienst met specifieke doelstellingen, vindt haar grondslag in de maatschappijvorm waarin zij functioneert’. Ze vervolgt: ‘De grote taken van de televisie zijn de grote opdrachten die de samenleving – en de intellectuele elite hierin – zich op dat moment stelt. Om die reden moet de publieke televisie worden gekaderd in de specifieke eigenschappen van de moderne samenleving, die haar gedifferentieerd en gesegmenteerd karakter compenseert door homogeniseringstendensen op het niveau van de natie’.
De openbare omroep speelt dus in op de omstandigheden en de tendensen van de maatschappij op dat moment. De programma’s die op een bepaald ogenblik op de buis verschijnen, kaderen in de opdracht die de omroep zichzelf geeft, of die hem wordt gegeven, in die omstandigheden. Niet in het minst geldt dit voor de taalprogramma’s: vaak waren en zijn deze programma’s een indicatie van hoe de omroep tegenover haar publiek staat; als een ‘pater familias’, als een onderwijzer, of als een entertainer?
Dit deel zullen we beginnen met een analyse van de manier waarop de taalprogramma’s belangrijk waren in de moderniteit van de Vlaamse openbare omroep. Daarna delen we de 52-jarige geschiedenis van de openbare omroep in vier perioden in, aan de hand van het taalbeleid dat gevoerd werd, en de taalprogramma’s die werden uitgezonden. Daarbovenop schetsen we voor elke periode de omstandigheden en de ontwikkelingen die aan de basis liggen van het taalbeleid: sociaal, economisch en politiek. We bekijken ook het algemeen beleid van de openbare omroep voor elke periode, om te zien hoe hij zichzelf zag in de veranderende omstandigheden. De taalvariëteit die de openbare omroep hanteert, hangt immers samen met de verschillende elementen binnen het domein van de omroep. Als er één of meerdere van die elementen veranderen, zal ook het taalbeleid mee evolueren (Van den Bulck, 1989, p. 87). Op die manier zal er, met de verschuiving van moderniteit naar postmoderniteit die we al eerder aanhaalden, ook een verschuiving merkbaar zijn in het taalbeleid van de openbare omroep (Van den Bulck & Van Poecke, 1993, p. 1).
We besteden ook aandacht aan de relaties met de buurlanden. We geven aan hoe de relatie met de openbare omroep van ‘buurland’ Wallonië verliep, maar meer nog hebben we aandacht voor de relatie met de Nederlandse omroep, waaraan de Vlaamse omroep zich decennialang spiegelde. Elke periode zullen we besluiten met een overzicht van de verschillende taalprogramma’s, al dan niet aangevuld met een diepgaandere analyse van één van de taalprogramma’s.
Hoofdstuk 1: De taalprogramma’s en de moderne doelstellingen
Door aan te geven dat de televisie een imaginaire gemeenschap creëerde, vestigden we de aandacht al op de langetermijneffecten van de televisie. De vraag is nu of er zich ook effecten voordeden op kortere termijn. Leerden de mensen wat bij als ze naar tv keken? Gingen ze met elkaar in discussie in de huiskamer? Of praatten ze over de programma’s met vrienden? Dit zijn noodzakelijke vragen die we moeten stellen als we de taalprogramma’s van de openbare omroep onder de loep nemen. Deze programma’s veronderstelden immers een actieve beleving door de kijker. We gaven ook al aan dat de moderne openbare omroep geen passief publiek veronderstelde. Er werd daarentegen van uitgegaan dat, eens het televisietoestel werd uitgeschakeld, het effect van de uitzendingen zou blijven. Als de kijker net naar een programma over het gebruik van de Nederlandse taal had gekeken, werd verwacht dat hij voortaan aandacht zou hebben voor zijn eigen taalgebruik, dat hij het probeerde te verbeteren, of misschien ging hij net meer aandacht besteden aan zijn dialect, als het programma daarover handelde. De taal was op die manier één van de kenmerken die voor elke gemeenschap verschillend waren, en kon dus, zoals eerder aangegeven werd, gebruikt worden om zich een identiteit aan te meten.
We mogen evenwel niet verwachten dat de openbare omroep een rechtstreekse invloed had op zijn publiek. We kunnen niet controleren welke programma’s bekeken werden, en of hetgeen in die programma’s werd aangeleerd, ook werd nagevolgd. Scannell (1996, p. 23) stelt dat ‘the relationship between broadcasters, listeners and viewers is an unforced relationship because it’s unenforceable’.
Idealiter zouden we de impact van de openbare omroep en zijn taalprogramma’s meten door na te gaan hoe intensief het publiek deze programma’s heeft ervaren en nog steeds ervaart, en welke invloed ze op hen gehad hebben. Dit is echter praktisch onmogelijk, aangezien het bijzonder moeilijk zou zijn om de effecten van taalprogramma’s van meerdere decennia geleden op de kijkers van toen en nu te meten.
Ook de taalprogramma’s op de openbare omroep hadden hun invloed. Ze stonden, misschien meer nog dan andere programma’s, in dienst van de moderniteit. Het creëren van een nationale identiteit, van een imaginaire gemeenschap, de functie van spreekbuis van een natie,… het was inherent aan deze periode. In deze moderniteit bracht de openbare omroep een hele reeks taalprogramma’s op het scherm: van Quiz der Nederlandse taal, over Teletaalles, Hier spreekt men Nederlands en ’t Is maar een woord tot Klare taal (cf. Hoofdstuk 2 t.e.m. 4). De Quiz der Nederlandse taal en ’t Is maar een woord wilden de kijker iets bijbrengen over de taal in de vorm van een spelprogramma, terwijl Teletaalles en Hier spreekt men Nederlands zich echt richtte tot de Vlaming om hem iets bij te leren. Teletaalles deed dit onder het motto ‘Beter Nederlands voor iedere kijker’, Hier spreekt men Nederlands was onderwijzend op een speelse manier, vol humor. Klare taal tenslotte was opnieuw een eerder belerend programma, dat de kijker het Nederlands wilde leren gebruiken in discussies of in brieven. We sluiten dit rijtje moderne taalprogramma’s af met Klare taal, maar de aandachtige lezer zal opmerken dat dit programma in een periode valt waarin de samenleving de moderniteit al voor het grootste deel heeft verlaten, en op weg is naar de postmoderniteit. Hiermee willen we aangeven dat de periodisering van omroep en samenleving elkaar overlapt: ook al streefde de samenleving postmoderne doelstellingen na, toch bleef een belangrijke instelling, de openbare omroep, zich tegen de tijdsgeest in vastklampen aan haar moderne taken. Hoe deze moderne taken tot eind jaren ’80 werden vervuld door de taalprogramma’s, besproken in hoofdstuk 2, 3 en 4, bespreken we in dit eerste hoofdstuk. Voor het laatste hoofdstuk gelden deze moderne taken niet meer.
1.1 Codificatie en functionele implementatie
De Vlaamse taal had bij aanvang van de televisie-uitzendingen nog een hele weg te gaan, zo gaven we al eerder aan. Een groot deel van de Vlamingen sprak enkel dialect, de Franse taal was nog steeds dominant, en voor een norm als Standaardnederlands moest de ‘culturele elite’ van Vlaanderen zich tot Nederland wenden. De taalopvoeding stond dus nog in haar kinderschoenen, en de openbare omroep moest een belangrijke rol gaan spelen in de codificatie van de ‘nieuwe’ Nederlandse standaardtaal in Vlaanderen, en vooral bij de functionele implementatie ervan (cf. supra). Hiervoor werden taalprogramma’s uitgezonden.
In de eerste taalprogramma’s hielp de openbare omroep nog mee aan de codificatie van de taal. Teletaalles bijvoorbeeld besteedde, onder de noemer ‘Beter Nederlands voor iedere kijker’ aandacht aan de techniek van de taal, en had een rubriek over woorden. De meest fundamentele kenmerken van de taal moesten in deze beginjaren nog bijgebracht worden aan de Vlaamse kijker.
De latere taalprogramma’s legden meer de nadruk op de functionele implementatie van de taal: de kijker moest het Standaardnederlands aanvaarden. Fons Fraeters (03.08.2004) gaf aan dat directeur-generaal en germanist Bert Leysen hiervoor expliciet een beroep had gedaan op prof. Florquin. De standaardtaal mocht niet meer aanvoelen als een ‘zondags jasje’, de Vlaming moest afgeraken van zijn krampachtigheid en onbeholpenheid als hij het Algemeen Nederlands gebruikte (Annie Van Avermaet, 09.04.2004). Hier spreekt men Nederlands was vooral op die aanvaarding gericht: er werd benadrukt hoe belangrijk het was dat men zich in goed Nederlands uitdrukte, voor de eigen standing en om respect af te dwingen van andere gemeenschappen. Hiertoe werd niet meer zozeer gefocust op woorden en grammatica, maar vooral op uitdrukkingen en woordconstructies waarmee het taalgebruik ‘pittiger’ gemaakt kon worden. Ook Klare taal -in 1977 nog!- wilde bijdragen tot de functionele implementatie, met rubrieken over ‘leren spreken in het openbaar’ en over ‘leren discussiëren’ en hoopte zo de Vlaming vlotter ter taal te maken.
1.2 De algemene dienst
De openbare omroep had drie opdrachten: informeren, onderwijzen en ontspannen. Wanneer we het over taalprogramma’s hebben, is er steeds de eerste reflex om te verwijzen naar de opdracht van onderwijzen. Natuurlijk klopte dit, aangezien het ging over taal, en net één van de opdrachten vanuit de staat was om het taalbewustzijn van de Vlaming te verhogen, om die Vlaming te verheffen en ‘schoner’ te maken. Deze paternalistische reflex was echter niet overheersend in de eerste taalprogramma’s, eind jaren ‘50. Dit waren quizzen met als thema ‘de Nederlandse taal’. ’t Is maar een woord en Quiz der Nederlandse taal hadden als doel de kijker te ontspannen, maar tegelijkertijd moest hij er toch wat van opsteken. De taalprogramma’s die deze quizzen opvolgden, zoals Teletaalles, dat liep vanaf het seizoen 1960-1961, gingen zich aanvankelijk vooral toeleggen op het onderwijzen, maar trachtten geleidelijk aan toch de taal op een iets ludiekere manier te benaderen.
De evolutie van het taalprogramma Hier spreekt men Nederlands geeft het best aan hoe het taalbeleid van de openbare omroep zich ontwikkelde. Het begon met een item in het serieuze programma van Leo Somers, Nederlandse taal. Dit item evolueerde naar iets cabaretesk, werd vrolijker en vrolijker, en hieruit groeide een ander programma: Klankbord. Dit was een programma van 10 à 15 minuten, dat over meer ging dan uitspraak alleen. Taaltips allerhande werden gegeven. De vorm was ludiek, in de eerste plaats om de mensen een ander beeld van algemene taal te geven. De filosofie op de achtergrond was: maak dat die cultuurtaal sympathiek overkomt. Je kan er immers niet buiten in een ‘beschaafd’ land. Een cultuurtaal is daar nodig. Ook dialect werd in dit programma geïntegreerd. Niet om de ‘gewone’ man belachelijk te maken, maar om taal in al zijn facetten, met al zijn dialecten te laten zien. Al werd wel steeds duidelijk gemaakt dat het Standaardnederlands de na te streven norm was. Hieruit ontstond tenslotte Hier spreekt men Nederlands: een programma dat de kijker iets bij wilde brengen over onze taal, maar waarin ook plaats was voor humor (Annie Van Avermaet, 09.04.2004).
1.3 Het algemene publiek
Met zijn programma’s trachtte de openbare omroep steeds een zo groot mogelijk publiek Niet in het minst was dit het geval voor de taalprogramma’s. De opvoedkundige imperatief (cf. supra) zorgde er immers voor dat alles in het werk werd gesteld om zoveel mogelijk kijkers naar deze programma’s te lokken. Hier spreekt men Nederlands werd bijvoorbeeld vlak voor een veelbekeken programma zoals ‘Het journaal’ geplaatst, zodat de kijkers die hun toestel een beetje eerder inschakelden, al iets konden opsteken over de Nederlandse taal. Hier spreekt men Nederlands wisselde daarenboven af met het weerpraatje van Armand Pien, en profiteerde zo mee van diens immense populariteit (Annie Van Avermaet, 09.04.2004).
Ook in de taalprogramma’s zelf werd een inspanning gedaan om alle kijkers te behagen. Zo werd er in Hier spreekt men Nederlands, zoals al eerder gezegd, aandacht besteed aan het dialect. Zo zegt ook Annie Van Avermaet: ‘We lieten het horen. Het had zijn plaats in de maatschappij’. Om de verschillende dialecten uit Vlaanderen in de spots te zetten, werd een beroep gedaan op dialectsprekers uit alle regio’s van Vlaanderen. Dit waren geen notabelen, die het dialect tot in de puntjes beheersten, maar ‘gewone’ mensen, die erg herkenbaar waren voor de kijkers: een kapper, iemand die bij ‘de Stella in Leuven’ werkte,… Een soort ‘vinger aan de pols’. Ze namen het in Hier spreekt men Nederlands dan ook op voor hun dialect. De intuïtieve bezwaren van de kijker werden op die manier verwoord (Beheydt, 1991, p. 57).
Daarnaast ging het programma ook niet voorbij aan de verschillende registers van taal die bestonden. ‘…het AN, in z’n verschillende verschijningsvormen [werd aan bod gebracht]. Niet alleen het AN van de klaslokalen. Ook een jongerentaal enz. telkens andere verschijningsvormen, studenten, zakenlui: allerlei registers. Dit was ons hoofddoel, dit kenbaar maken’ (Annie Van Avermaet, 09.04.2004). Door belangstelling te hebben voor alle registers in de taal wist Hier spreekt men Nederlands een algemeen publiek aan te spreken. Het was hiermee het eerste taalprogramma dat het ‘schoon Vlaamsche’ keurslijf van zich af gooide.
Niet alleen door op dialecten in te spelen, trachtte Hier spreekt men Nederlands iedereen te bereiken.Ook deed het taaltrio moeite om alle beroepsgroepen te bereiken, aldus nog Annie Van Avermaet (09.04.2004). Dit deden ze door ironisch te verwijzen naar allerlei programma’s. Dit konden detectives zijn, maar ook totaal andere programma’s, om iedereen aan te spreken.
1.4 De nationale identiteit
D’hoest (2002, p. 84) stelt dat de openbare omroep zich met bepaalde programma’s ook expliciet tot de natie kan richten. Een taalprogramma is hier een voorbeeld van omdat, naast over de dialecten en de registers, er vooral over standaardtaal gesproken wordt: er wordt expliciet getoond welke taal op dat moment door de natie wordt gehanteerd, wat er de specifieke kenmerken van zijn en welke woorden of uitdrukkingen gebruikt worden. Het is een spiegel van de taalsituatie op datzelfde moment, en geeft de kijker, zowel de Vlaamse kijker als de buitenlandse kijker, dus een beeld van wat zijn natie op het gebied van taalcultuur te bieden heeft.
Met deze programma’s wordt het lokale en het regionale niveau van taal overstegen, en wordt er werk gemaakt van één natie: de taal als essentieel kenmerk heeft een éénmakende functie.
1.5 Een imaginaire gemeenschap
Door taal centraal te zetten, fungeerden de taalprogramma’s als een soort spreekbuis voor de natie. De imaginaire gemeenschap aan de andere kant van de beeldbuis werd aangesproken in haar eigen taal, en er werd haar getoond hoe ze deze taal het best kon aanwenden: wat mocht gezegd worden, wat niet? Sommige programma’s, met name Hier spreekt men Nederlands, gingen zelfs zo ver dat ze de natie woorden in de mond legde die voordien niet bestonden of nauwelijks gebruikt werden. Hierbij kunnen we verwijzen naar het voorbeeld van ‘solden’. Dat zou, volgens het taalteam, vervangen moeten worden door ‘koopjes’, omdat het technici zijn die ‘solderen’, en niet verkopers. Geleidelijk verschenen er meer en meer ‘koopjes’ in de etalages, aldus Annie Van Avermaet (09.04.2004). Al moeten we de bemerking maken dat dit effect niet eeuwigdurend was. Fons Fraeters (03.08.2004) claimt wel dat het woord ‘woonkamer’ op het conto van prof. Florquin geschreven mag worden. Hij zou het in een aflevering van Hier spreekt men Nederlands gevormd hebben door het Noordnederlandse ‘huiskamer’ te kruisen met het Engelse ‘living room’. ‘Woonkamer’ is intussen wel algemeen aanvaard.
Door de populariteit van deze taalprogramma’s bouwden ze mee aan het ontstaan van een imaginaire gemeenschap. Een gemeenschap die zelf ook degelijk Nederlands wilde spreken. Zo ontstond er een sfeer waarin de nieuwe standaardtaal werd aanvaard, als normaal werd beschouwd. Prominente persoonlijkheden die op tv verschenen, werden aangemaand de standaardtaal te gebruiken, opdat ze een voorbeeld konden zijn voor de kijkers. Woorden van iemand die gezag had, werden immers gemakkelijker nagevolgd. Zo ook de woorden van ‘BV’s avant la lettre’ zoals Annie Van Avermaet en Fons Fraeters.
Toch ging het hier niet om een éénzijdige beïnvloeding: ook de mensen die, o.a. voor tv, met taal bezig waren, gebruikten hetgeen ze mensen rondom zich hoorden zeggen vaak als voorbeelden van hoe het niet, of net wél, moet (Fons Fraeters, 03.08.2004). Al werd er niet onder stoelen of banken gestoken dat de omroep de kijker wilde bereiken. Het programma Teletaalles liep onder het motto ‘Beter Nederlands voor iedere kijker’ en de rubriek ‘Spreek het zo uit’ van Prof. Joos Florquin in het programma Klankbord loog er ook niet om: de hele gemeenschap moest beter Nederlands leren (Beheydt, 1991, pp. 53-54). In Panorama (X., 1968) gaven de drie protagonisten van Hier spreekt men Nederlands aan hetgeen ze wilden bereiken, en hoe ze zo een gemeenschap creëerden. In de samenleving hadden ze vastgesteld dat er op dat moment (1968) al een zekere ‘materiële welgesteldheid’ was, en dat zij nu konden bijdragen aan een ‘geestelijke welstand’ (Arnould, R., 1968).
De imaginaire gemeenschap werd evenwel niet enkel gevormd doordat de leden dezelfde taal spraken. De kijkers identificeerden zich ook met hetgeen er op het scherm gebeurde. Marcel Struyven, één van die ‘typetjes’ uit Hier spreekt men Nederlands verwoordde het als volgt: ‘Weet je wat eigenaardig is? Jef, Swoi en ik, we ontmoeten mekaar maar heel zelden. Eigenlijk kennen wij elkaar alleen maar van het scherm. Maar het is precies of we zijn al jarenlang vrienden. We zijn echt een familie geworden. Zonder mekaar in levende lijve te ontmoeten. Is dat niet prettig?’ (X., 28.04.1966). Hij geeft aan hoe de televisie een grote groep van kijkers het gevoel kan geven tot één grote groep te behoren.
Ook op andere manieren werd er ingespeeld op de ruime publieke belangstelling, en er werd zelfs geprobeerd om de imaginaire gemeenschap daadwerkelijk bijeen te brengen. Hiertoe werden hele evenementen georganiseerd die draaiden rond de programma’s en hun presentatoren.
1.6 Reactie op de taaldominantie
De openbare omroep is er gekomen, mede door een vorm van culturele wedloop tussen de Nederlandstalige en de Franstalige gemeenschap (cf. supra). Aanvankelijk kreeg taal dan ook een belangrijke rol in de contrastieve zelfidentificatie tegenover de Franstaligen. Toen het eerste taalprogramma, de Quiz van de Nederlandse Taal op de buis verscheen, in het seizoen 1959-1960, was dit pleit evenwel al beslecht. De Nederlandstalige en de Franstalige omroep functioneerden op het gebied van programma’s inmiddels onafhankelijk van elkaar (cf. supra).
De NIR richtte zich niet meer zozeer naar het zuiden, maar hoofdzakelijk naar het noorden: Nederland. De Nederlanders spraken immers dezelfde, of alleszins ongeveer dezelfde taal als wij, en hadden veel minder energie moeten steken in het verkrijgen van een officiële erkenning van hun taal. Hun Nederlands werd dan ook algemeen beschouwd als de standaardvariëteit. Fons Fraeters (03.08.2004) bevestigt dit:
De standaardtaal die de BRT voor ogen had, diende vergeleken te worden met de Nederlandse standaardtaal, maar iedereen die erbij betrokken was, zowel directeur-generaal Leysen als de medewerkers van de taalprogramma’s, zoals Prof. Florquin, beseften dat dit een ideaal was dat ze slechts konden benaderen. Dit ideaal werd na een tijd dan ook opgegeven. Wel werden er nog zeer regelmatig voorbeelden van uit de Nederlandse woordenschat gehaald, die ook in Vlaanderen gebruikt konden worden, omdat de Nederlandse taal nu eenmaal een veel natuurlijkere ontwikkeling had doorgemaakt.
Beheydt (1991, p. 53) geeft aan dat het eerste echte taalprogramma dat in Vlaanderen op de buis kwam, Teletaalles, daarom gebaseerd was op een Nederlandse format: de Hilversumse televisietaallessen van J.A. de Ridder. De toenmalige bestuursdirecteur informatie, Paul Van den Bussche, heette een onverbiddelijke taaltuinier te zijn en wilde, gedreven door zijn taalidealisme, de Vlaming taalbewuster maken via het ‘machtige medium’. Om het verwantschap van het Noord-Nederlands nog meer te benadrukken, bestond de helft van de eerste Teletaallessen zelfs uit materiaal dat van de Hilversumse televisietaallessen was overgenomen, aldus Beheydt. Ook in de vernieuwde variant besteedde Teletaalles nog aandacht aan de Noordnederlandse taal. In zijn rubriek ‘Woordjes sprokkelen’ leverde Maarten Van Nierop commentaar bij verschillende soorten woorden, waaronder specifiek Noordnederlandse woorden. Hij beschouwde immers principieel het Nederlands van boven de Moerdijk als norm voor het Nederlands van Noord en Zuid.
Deze overduidelijke adoratie van het Noordnederlands verminderde in het programma Hier spreekt men Nederlands. De makers, prof. Joos Florquin, Annie Van Avermaet en Fons Fraeters slaagden erin de taal een pittiger imago te geven, en spaarden hierbij ook de Noorderburen niet. Deze Vlaamse strijdvaardigheid wordt door prof. Florquin geïllustreerd in een interview met Beheydt (1991, p. 54):
Als ik zeg: “De boer van die hoeve melkt elke dag zijn koe”, dan staan daar drie voorbeelden in, die de drie mogelijkheden van de oe-uitspraak illustreren. Maar het interesseert geen mens dat de boer van die hoeve zijn koe melkt. Als ik daarentegen zeg: “Elke Vlaming moet een Nederlands boek naar de Voer sturen”, dan heb ik weer een illustratie van mijn drie oe’s. Nu echter zal de kijker beter luisteren omdat achter het voorbeeld nog een inhoud zit.
Toch maakten Florquin en co niet enkel sneren naar de Nederlanders, ze gebruikten hun taal ook als norm, vooral wat betreft uitdrukkingen. Deze uitdrukkingen ‘kunnen iedereen helpen zich pittig en persoonlijk en korrekt uit te drukken’ (Florquin, 1967, p. 7).
Na het verdwijnen van Hier spreekt men Nederlands verminderde ook langzaamaan de gerichtheid naar het noorden op het gebied van taal, toonde het onderzoek van Geerts, Nootens en Van den Broeck aan. Zij ondervroegen, naar aanleiding van de Berend Boudewijnquiz, een representatieve steekproef in Vlaanderen met de vraag wie van de deelnemers het beste Nederlands sprak. Uit de resultaten bleek dat Vlamingen hun eigen taal veel aantrekkelijker en beschaafder vonden dan het Nederlands van de noorderburen. Een onderzoek van Jaspaert (1984) bij de ‘potentiële maatschappelijke elite m.b.t. taal’ toonde aan dat ook deze ‘elite’ pro-Belgischer was dan ooit (Deprez, 1985, pp. 108-109).
Ondanks de fixatie op de Noordnederlandse variant, werden de Franstaligen niet ongemoeid gelaten door de taalprogramma’s. Beheydt (1991, p. 56) stelt vast dat in Hier spreekt men Nederlands ‘heel vaak de Vlaams-Waalse verhoudingen en de bekrompen franskiljonse politiek op de korrel werd genomen’. Dit leidde bijgevolg wel eens tot een politieke rel. Zo viel het programma op zaterdag 17 oktober 1964 plotseling en zonder enige verklaring weg. Aanleiding hiertoe was een boutade van het uitspraakteam, die stelden dat ‘de Vlamingen overal in de meerderheid zijn behalve in het leger en de diplomatie’. Dit kwam in het verkeerde keelgat terecht bij de toenmalige minister van defensie P.W. Seghers, en samen met minister Fayat liet hij het programma door de kabinetsraad verbieden. Deze beslissing bracht een golf van verontwaardiging teweeg in de Vlaamse pers, waar bijvoorbeeld De Standaard het gewraakte programma toch aankondigde, maar dan als Hier zwijgt men Nederlands (X., 20.10.1964). De Franstalige pers reageerden dan weer erg verontwaardigd op de uitspraken in het programma. La Libre Belgique (24.10.1964) stoorde zich aan de ‘brocards lancés à l’adresse des «fransquillons» et autres allusions corrosives aux problèmes linguistiques’, en vond het voor Prof. Florquin tijd dat hij “mettait une sourdine à ses ricanements”, aldus Beheydt. Florquin en zijn team mochten uiteindelijk opnieuw aan de slag maar slechts na te hebben beloofd wat voorzichtiger te zijn met politieke uitspraken.
Hoofdstuk 2: Het paternalisme in de beginjaren: de periode 1953-1959
2.1 De sociale, politieke en economische omstandigheden
De Tweede Wereldoorlog betekende een keerpunt in de Belgische geschiedenis. Meer bepaald betekende dit het einde van de Franstalige dominantie in België. Op economische vlak bijvoorbeeld bleek dat de Vlaamse economie zich veel beter wist te rehabiliteren dan de Waalse, volgens Deprez (1985, pp. 37-38). De Waalse steenkoolindustrie was verouderd, en in Vlaanderen kreeg de industrie een welgekomen impuls onder het bewind van de regering-Eyskens.
De relatieve economische welvaart zorgde ervoor dat er meer nadruk gelegd kon worden op het sociale en het politieke. Op deze gebieden werd de kloof tussen de twee taalgebieden alleen maar groter, zo stelt Deprez (1985, p. 40). De koningskwestie, de repressie na de Tweede Wereldoorlog, waarbij Vlamingen werden afgeschilderd als collaborateurs, en de schoolstrijd accentueerden nog meer de kloof die er al tussen Vlamingen en Walen bestond door de tegenstellingen op het gebied van de taal. En ook ideologische tegenstellingen gingen zich vormen langs deze scheidingslijn: de protestantse inslag in Wallonië stond lijnrecht tegenover de katholieke overtuiging ten noorden van de taalgrens. Deze taalgrens viel hoe langer hoe meer samen met levensbeschouwelijke en politieke breuklijnen, en was voortaan de centrale, meer dan ooit communautaire, scheidingslijn (Deprez, 1985, p. 117, Ruys, 1973, p. 150). In 1952 werd in een gemeenschappelijk manifest dan ook erkend dat ‘België bestaat uit twee volkeren met elk een eigen taal en een eigen culturele en etnische individualiteit: het Vlaamse en het Waalse volk’ (Ruys, 1973, p. 152).
In 1955 werd daarom nogmaals een poging gedaan om Vlaanderen af te helpen van de tweetaligheid, die hun nog steeds werd opgelegd door de taalwetten. In 1955 werd uiteindelijk een memorandum ontworpen waardoor Vlaanderen eentalig Nederlands werd (Ruys, 1973, p. 160).
Het Vlaams-nationalisme kende onder deze omstandigheden een sterke bloei. De Vlaamse Beweging speelde hier al snel op in, en in de jaren vijftig veranderde ze het geweer van schouder, aldus nog Deprez (1985, p. 41). In plaats van radicale acties, werd er gebruik gemaakt van democratische middelen om de Vlaamse identiteit kenbaar te maken: de media, culturele organisaties, massameetings en parlementaire debatten. Ook werd er beroep gedaan op een andere geleding van de bevolking, namelijk de jeugd en de studenten, georganiseerd in jeugdbewegingen en studentenverenigingen. Op politiek vlak verdedigde de Volksunie als eerste democratische, Vlaams-nationalistische partij de Vlaamse zaak, drong sterk aan op een federalisering van de Belgische staat (Deprez, 1998, p. 92). Onder impuls van deze partij is de staat geworden wat ze nu is.
2.2 Het begin van de openbare omroep: de lijnenslag
Na de Tweede Wereldoorlog kwam Europa langzaamaan in de ban van de televisie, zo stelt Bal (1985). Engeland vormde met de BBC de bakermat van dit nieuwe medium, en was al meteen na de oorlog beginnen uitzenden, met een definitie van 425 lijnen. Deze definitie geeft aan uit hoeveel lijnen het beeld opgebouwd is. Hoe meer lijnen, hoe beter de kwaliteit. Ook Frankrijk had voor het begin van de Wereldoorlog al ervaring met televisie, en kwam ook al snel terug in de ether; met een definitie van 819 lijnen. Deze resolutie vond ook zijn weg naar het noorden, naar Wallonië en West-Vlaanderen, waar de eerste tv-toestellen van Frans fabrikaat waren. Men kon echter wel al genieten van Vlaamse uitzendingen, aangeboden in het programma ‘Het hof van Vlaanderen’ (Bal, 1985, pp. 152-153).
Een eigen omroep kreeg België vooralsnog niet, zo begint Bal de schets van de situatie in ons land. Eerste minister Achille Van Acker stelde andere, economische, prioriteiten. Toch kwam eind 1949 de melding dat de televisie er zou zijn ‘voor het einde van het komende jaar’. We weten nu dat het uiteindelijk tot oktober 1953 zou duren eer de Vlamingen en de Walen effectief van het medium konden genieten. Toch liet de directeur-generaal van de radio in deze speech al optekenen ‘dat de Vlamingen waakzaam moesten zijn en dat een machtig buurland trachtte de alleenheerschappij te verwerven’, hiermee doelend op de invloed van Frankrijk (Bal, 1985, p. 154).
De definitie van 819 lijnen die door de Fransen werd ingevoerd, bleef dan ook niet zonder discussie, en mondde uit in wat later de lijnenslag genoemd zou worden. De Vlamingen kozen immers voor 625 lijnen, omwille van technische redenen, en omdat het een systeem was waarvoor bijna heel Europa had gekozen (Anthierens, 1965, p. 44). De belangrijkste reden echter was de achterdocht tegenover de invloed van de RTF (Radio et Télévision Francophone). De Walen bleven vasthouden aan de definitie van 819 lijnen, en lieten zo hun politieke affiniteit met de Fransen spreken. Ze stonden er evenwel niet bij stil dat deze keuze België van de rest van Europa afsloot. Vlaanderen koos ervoor om vrij te zijn, om ‘niet slaaf te worden van de Franse industrie, geen kolonie van Parijs [te zijn]’ (Boon, 1962, p. 8). Ondanks deze keuze ontstond er een belangrijkste kloof tussen Vlaanderen en Nederland. Terwijl Nederland enkel in 625 lijnen uitzond, diende Vlaanderen zich nu immers te behelpen met toestellen met een dubbele standaard, die zowel de uitzendingen in 625 lijnen als in 819 lijnen konden weergeven en die meteen een kwart duurder waren dan in het buitenland (Bal, 1985, p. 154). De NIR (Nationaal Instituut voor Radio en televisie) en de INR (Institut National Radio) begonnen aan hun uitzendingen met een verschillende definitie voor hun beelden.
Als we abstractie maken van deze lijnenslag, zagen we dat de openbare televisie in deze beginperiode ook intern niet gekenmerkt werd door eensgezindheid. De politieke machtsverdeling in de raad van beheer zorgde regelmatig voor conflicten. Deze raad van beheer werd steeds samengesteld op basis van de politieke machtsverdeling op het moment. Aanvaringen tussen bijvoorbeeld de socialistische en de katholieke fractie bleven in deze omstandigheden niet lang uit. Dit zorgde ervoor dat in deze eerste periode van de openbare omroep meer energie werd gestoken in politiek opportunisme dan in de specifieke opdracht van de openbare omroep. Televisie werd vooral gezien als een instrument om politieke communicatie te controleren, en niet om de democratie te ondersteunen, of om de culturele of taalkundige eigenheid van het land uit te drukken (Burgelman & Perceval, 1996, pp. 91-93).
2.2.1 Het programmabeleid
Elke openbare omroep trok in zijn beginjaren een duidelijke lijn in zijn aanbod van cultuur en ontspanning: hoge cultuur was goed, terwijl lichte ontspanning als slecht werd gezien, aldus Tracey (1998, p. 67). Ook in Vlaanderen was dit zo: hoge cultuur moest worden gedemocratiseerd, moest op alle mogelijke manieren tot bij het publiek gebracht worden, tot in de parochiezalen toe, terwijl de lage cultuur, de populaire cultuur, de ontspanning, werd gezien als een noodzakelijk kwaad. Toch ging de omroep niet aan dit ‘kwaad’ voorbij zonder te proberen om het ook te verheffen, door er ook hoge standaarden aan op te leggen. Zo werd van de nood een deugd gemaakt, en werd ontspanning geherdefinieerd als ‘rationele recreatie’ (Murdock, 1992, gec. in. Van den Bulck, 2000, p. 56). Het publiek moest aangenaam worden beziggehouden, maar dit stond niet gelijk aan platvloersheid: het volk moest bevrijd worden van z’n vulgaire plezier, oude gewoonten en slechte smaak, en moest in plaats daarvan ‘gezonde’ ontspanning krijgen, ontspanning waardoor de burgerlijke moraal weerspiegeld werd (Van den Bulck, 2000, p. 56).
Dat er met ontspanning niet te lachen viel, bleek ook uit de duidelijke scheiding en hiërarchisering van de rollen van communicator en publiek, die de openbare omroep er op nahield. De communicator bepaalde wat er zou gebeuren, sprak de kijker aan als dit nodig was, en wist alles beter. Vandaar de vergelijking die Murdock (1992, p. 27) maakte met de klassieke bourgeois familie, waar er werd uitgegaan van een ‘vader weet het beter’ houding.
2.2.2 Het paternalisme
In deze eerste periode, de beginperiode van het medium televisie in ons land, beschouwde de openbare omroep het als haar belangrijkste taak om de Vlamingen te onderwijzen, te verheffen naar een hoger niveau van kennis en cultuur. De TV werd omschreven als ‘een medium van volksopleiding van onvergelijkbare waarde’ (Boon, 1962, p. 172). Deze opleiding gebeurde evenwel op een manier die bij het publiek eerder overkwam als belerend, dan als verheffend.
Steiner (gec. in Tracey, 1998, p. 24) maakt hier de vergelijking met de manier waarop eerder in de moderniteit de literatuur werd gepromoot: in een sfeer van moreel optimisme en een groot positivisme ging men ervan uit dat literatuur een soort morele kracht had, en dat het bestuderen van bekende schrijvers een verrijking zou betekenen voor de ‘gewone’ mens, en een verbetering van de smaak en van het morele bewustzijn. De elite dacht immers dat er aan elke mens wel een duistere kant was, en wilde Verlichting brengen. Het medium televisie was daar een nieuw instrument voor. Deze culturele verrijking van de moderne individuen zou zelfs kunnen leiden tot een grotere sociale eenheid (Scannell & Cardiff, 1991, p.12). Op deze manier kon de openbare omroep dus bijdragen tot de vorming van de moderne gemeenschap.
Naast de vorming van een nationale eenheid, wilde de openbare omroep, als educatieve, culturele en morele kracht, ook de kennis, de smaak en de ‘manieren’ van het publiek verbeteren. Daarom werd er meer dan gewone aandacht besteed aan de taak van onderwijs: de uitzendingen van schoolradio en –televisie, de volkshogeschool, de open universiteit en dergelijke mochten gezien worden als de exponenten daarvan (Van den Bulck, 2001, p. 54). Ook contacten met grote opvoedkundige bewegingen en instituties werden gelegd opdat de televisie zou kunnen helpen in de verspreiding van kennis (Scannel & Cardiff, 1991, gec. in Van den Bulck, 2001, p. 54) (cf. infra).
Op die manier volbracht de openbare omroep haar cultureel-educatieve taak, een taak die kon worden bestempeld als de culturele kruistocht van de moderne intellectuelen (Van den Bulck, 2000, p.54). Een kruistocht die ook in Vlaanderen werd gevoerd. Het was immers de ‘culturele’ groep van germanisten, bijvoorbeeld Bert Leysen, die aan het hoofd stonden van de omroep in haar beginjaren (cf. supra). Zij promootten de standaardtaal, en waren de ‘viewer’s guide to whatever was culturally worthwile’ (Blumler, 1992, p. 11). In haar cultureel-educatieve taak verwees de omroep naar het Reiths manifest uit de jaren ’20. Dit kon worden beschouwd als het manifest van alle publieke omroepen in de georganiseerde moderniteit, vandaar dat men sprak over het Reithiaans ethos (cf. 3.2.2) van de publieke omroepen. Dit Reithiaans ethos wordt door Van den Bulck (2001, p. 6) gezien als ‘a benign paternalism aimed at giving the public a little more than it wants’. Van den Bulck verwijst hier naar het feit dat de openbare omroep in de beginjaren geen oog had voor de echte noden van het publiek, en dat er in het Reiths manifest allereerst een grote bezorgdheid werd uitgesproken om het garanderen van ‘hoge standaarden’ en een ‘uniform beleid’ voor het hele omroepgebeuren. De verantwoordelijkheid van de publieke omroep lag er, volgens Reith (geciteerd in Scannell, 1990, p.13), in om ‘in zo veel mogelijk huiskamers zoveel mogelijk al het beste van alle sectoren van menselijke kennis, menselijk streven en verwezenlijkingen te brengen’. Het aanhouden van een hoge morele toon, het vermijden van het vulgaire en het kwetsende, was hierbij van primair belang (Van den Bulck, 2000, p.54).
Op die manier werd, naast de waarden ‘hoge cultuur’ en ‘kennisverruiming’, urbaniteit nagestreefd. Voornaamheid, goede manieren en burgerlijke, morele standaarden waren de codewoorden in deze zoektocht naar urbaniteit, die zou moeten leiden tot de ‘morele verheffing van het Vlaamse volk’ (Van den Bulck, 2000, p. 180). Iets wat dan ook hoog in het vaandel gehouden werd door de directeur-generaal van de openbare omroep. Zo beschrijft Bal (1985, p. 264) hoe Bert Leysen ‘tot doel had de moraliteit te vrijwaren en de “Vlaamse huiskamer” tegen de smetten van sommige programma’s te beschermen’. Een film die het predikaat ‘enkel voor volwassenen’ had, werd al bij voorbaat afgevoerd. Bal stelt nog dat, dankzij de evolutie van de zeden, deze ‘potsierlijke kleinzieligheid’ verdwenen is (Bal, 1985, p. 265).
2.3 Het taalbeleid van de openbare omroep en daarbuiten
2.3.1 De functionele implementatie van het Standaardnederlands
Het Standaardnederlands dat de openbare omroep in deze beginperiode hanteerde, was geen echt Vlaamse taal. Door de Franstalige dominantie in Vlaanderen, hadden de Vlamingen nog geen eigen standaardvariant van het Nederlands kunnen ontwikkelen, en behielpen ze zich voornamelijk met allerlei verschillende dialecten. Opdat in Vlaanderen toch een eigen taal ontwikkeld zou kunnen worden, was het cruciaal dat officiële instanties als rechtspraak en onderwijs op een standaardtaal zouden overschakelen. De omroep zou deze taal dan overnemen (Van den Bulck, 1989, p. 92). Bij gebrek aan een echt Vlaamse standaardtaal of een autoriteit die een standaardtaal gebruikte, werd de norm voor de standaardtaal ontleend aan Nederland. De Vlaamse instanties gingen zich richten op de taal, die standaard was in de belangrijkste economische, militaire en religieuze streek: Noord- en Zuid-Holland. Daar waar ‘het geld en de brains’ zat dus. Het ging om de steden Haarlem, Amsterdam, Rotterdam, Leiden en ’t Gooi, de regio waarin o.a. Hilversum ligt, en die dus bekend zou worden voor radio en tv (Fons Fraeters, 03.08.2004). De Vlamingen wilden dus Algemeen Nederlands leren spreken, maar dit leek meer op het aanleren van een compleet vreemde taal, dan op het licht bijsturen van een tussentaal. De instantie die de norm stelde, Nederland, lag buiten de grenzen, dus zij gingen niet voorzien in taalopvoeding. In Vlaanderen werd de openbare omroep nu de eerste autoriteit op het gebied van taal.
Door het Nederlands van onze noorderburen te gebruiken als omroeptaal, kwam de NIR tegemoet aan een socio-linguïstische en een culturele eis. De keuze van een taalvariëteit lag immers niet enkel in de handen van de omroep, zo benadrukt Leitner (1980, 1983, 1985, gec. in Van Poecke, Van den Bulck, 1991, p.2). Eerst en vooral was er het socio-linguïstische uitgangspunt. De openbare omroep was, en is nog steeds, een openbare instelling. Als orgaan van de overheid was zij dan ook verplicht om voor een overkoepelende variant te kiezen. Een standaardvariëteit is, volgens Fishman (1970, gec. in Van den Bulck, 1989, p. 46) ‘het meest geschikt voor communicaties doorheen grote maar referentiële (niet-interactionele) netwerken zoals deze in verband met massamedia’.
Tegelijkertijd moest de omroeptaal tegemoet komen aan het culturele lappendeken van streken en dialecten. De supra-regionale taalvariëteit die de omroep koos, kwam de burger ook tegen in het onderwijs, de kerk en dergelijke, die zich ook gingen opwerken tot autoriteiten op het gebied van taal (Van den Bulck, 1989, pp. 45-46). Doordat de standaardtaal van de Nederlanders gekozen werd als omroeptaal, droeg de NIR ook bij tot de internationale aanvaarding van de Vlamingen. De omroep kon het Vlaamse volk ‘verheffen tot een internationaal niveau’ (Van den Bulck & Van Poecke, 1993, p. 8). Het overnemen van een ‘vreemde’ taal houdt echter zijn risico’s in, stipt Fishman (1975, p. 43) aan. Hij stelt dat moderne gemeenschappen zich best identificeren met een taal die voor hen uniek is en die niet overeenkomt met andere talen, om zo de sentimentele band tussen de huidige generatie en de vroegere generatie niet te doorbreken. Doordat er geen echte Vlaamse taal voorhanden was, was dit dus moeilijk voor de openbare omroep. Tegen al te ‘gemaakt’ Nederlands taalgebruik zou er na verloop van tijd wel protest komen vanuit het Vlaamse publiek.
Een derde reden waarom de openbare omroep zich richtte op Nederland voor haar standaardtaal was geen zichtbare doelstelling, maar eerder een onderhuidse consensus die leefde binnen de germanistische opperlaag van de omroep waarnaar we al verwezen. Bert Leysen was de voortrekker van deze groep, en hechtte erg veel belang aan een vlot en foutloos gebruik van het Standaardnederlands. Deze opperlaag, als professional middle class, koloniseerden de omroep en wilden als een soort moderne kruisvaarders ten strijde trekken tegen de dialectspraak in Vlaanderen (Van Poecke, 1993, p. 5).
2.3.2 Urbaniteit en voornaamheid
Ook in dit taalbeleid werd de urbaniteit en de voornaamheid, die de omroep eigen was, nagestreefd (cf. supra). Daarom diende elk programma nauwkeurig gecontroleerd te worden op het al dan niet onrecht aandoen van de standaardtaal. In het bijzonder gold dit voor de ontspanningsprogramma’s, aangezien daar het ‘gevaar voor overtreding’ het sterkst was (Anthierens, 1965, gec. in Van den Bulck, 2000, p. 180). Zo werd de presentator van het quizprogramma Hebt ge ze alle vijf?, Sus Van den Eynde, vervangen omdat hij ‘te volks’ was. In zijn plaats kwam de voornamere, beheerste en (stijf)deftige Paul Van de Velde, omdat zijn taal ‘gouden appelen in zilveren schalen [waren]’ (Bal, 1985, p. 248). Deze twee heerschappen waren eerder al tegen elkaar uitgespeeld, in het programma Wat een stiel, waarin ze beiden aan het hoofd van een panel stonden, en waarin ze voortdurend met elkaar in de clinch gingen. Deze (gespeelde) rivaliteit was de succesformule van het programma: Paul Van de Velde maakte smalende opmerkingen over de Antwerpse komaf van Sus van den Eynde, en deze laatste zinspeelde dan weer voortdurend op Gent, de geboortestad van Van de Velde. Paul Van de Velde liet daarnaast geen kans voorbijgaan om woorden of uitdrukkingen te weigeren, ‘omdat ze geen Algemeen Nederlands maar Antwerps dialect [zouden zijn]’ (Bal, 1985, p. 215). De Vlaamse televisie had toen over het algemeen een erg Antwerpse inslag, en het Antwerps was de taal waarmee iedereen, die zich niet kon uitdrukken in het Algemeen Beschaafd Nederlands, zich behielp (Anthierens, 1965, p. 93). Zelfs in spelprogramma’s werd dus de aandacht gevestigd op het belang van een degelijke hantering van het Nederlands. Van de Velde’s aanduiding als quizmaster in Hebt ge ze alle vijf? was vooral bedoeld om aan de kijkers te laten zien dat vlot taalgebruik niet noodzakelijk gelijkstaat aan dialect. Over Van de Velde zegt Anthierens (1965, pp. 93-94) immers: ‘hij heeft ons bewezen – tegen de algemeen heersende overtuiging in - dat Algemeen Beschaafd Nederlands een snedig, vlot en soepel instrument kan zijn, in de mond van die (…) er zich weet van te bedienen’.
De openbare omroep wilde dus op alle mogelijke manieren laten zien hoe belangrijk taal wel was. Haar taalbeleid werd een ‘actief standaardtaalbeleid’ genoemd, ‘dat gericht was op de aanvaarding en implementatie van het Standaardnederlands’, en dit had eveneens te maken met de veronderstelling dat de Vlaming op taalkundig gebied een behoorlijke achterstand goed te maken had ten opzichte van de Franstaligen. De verspreiding van de hoge taalvariëteit zou de Vlaming dus helpen om de standaardtaal te leren, opdat hij zo ook mondiger zou worden (Van den Bulck, 2000, p. 183).
Om het goede voorbeeld te geven in deze taalpolitiek, nam de openbare omroep in deze beginperiode strenge maatregelen opdat haar eigen personeel de standaardtaal wel goed hanteerde. Er werd een beleid van repressieve controle gevoerd, waarbij programma’s werden beluisterd en bekeken, en indien nodig, werd er achteraf ingegrepen door een nota met, in fonetisch schrift, de correctie op te sturen. Deze taak was toevertrouwd aan iemand buiten de omroep, E. Blanquaert, die zich hiervoor baseerde op het eigen werk De praktische uitspraakleer van de Nederlandse taal (Beheydt, 1991, p. 9). Hij werd later afgelost door Pee, wiens controle evenwel onvoldoende werd geacht. Pee controleerde niet systematisch genoeg, en was minder streng dan Blanquaert. Voor een hardere en meer bestendige aanpak van de interne controle zou later beroep gedaan worden op Hemmerechts (cf. infra) (Van den Bulck, 1989, p. 62).
Ook buiten de omroep leefde het bewustzijn dat taal, en vooral het gebruik ervan door de bevolking, belangrijk was, en daarom ontstonden er ook heel wat initiatieven om het taalbewustzijn enigszins op te schroeven en om de Vlaamse achterstand weg te werken. Eén daarvan was de rubriek ‘Taaltips’, die in 1958 z’n intrede deed in De Standaard. J. Grauls kwam hierin op geregelde tijdstippen met nuttige informatie over het gebruik van taal (Deprez, 1985, p. 106).
2.4 De relatie met de buurlanden
In hun zoektocht naar een standaard voor hun eigen standaardtaal, trokken de Vlaamse en de Waalse openbare omroep de relaties met de omroepen van de buurlanden in deze periode vrij stevig aan. Zo vertelt Bal (1985) hoe hij de Franse televisie mocht bezoeken, en hoe de relatie met Nederland verliep. Ondanks de kloof die er was door het verschil in beelddefinitie, stond vooral de Nederlandse Televisiestichting, de NTS, model voor hoe het er in Vlaanderen aan toe zou moeten gaan. De NTS was immers al in 1951 begonnen met uitzendingen, op een moment dat er in Vlaanderen nog slechts geëxperimenteerd en voorbereid werd. Dit betekende dat niet alleen de Vlaamse televisiemakers, maar ook veel Vlaamse kijkers in die beginperiode op Nederland gericht waren (Bal, 1985, pp.184-186). Een groot deel van de tv-programma’s op de Vlaamse openbare omroep in de beginjaren kwam vanuit Nederland: een kwart van de zendtijd op een week. Toch waren de meningen over deze programma’s niet eensluidend positief. Boon zei hierover: ‘De esthetische opvatting van TV in Nederland is zeer verschillend gebleken van de onze, ook wat betreft de technische presentatie’, en van de 26 Nederlandse programma’s die de omroep in november en december 1953 had opgevoerd, waren ‘maar een achttal (…) van voldoende boeiend gehalte’ (Anthierens, 1965, p. 109).
Sommige programma’s geraakten zelfs niet op de Vlaamse televisie, omdat bepaalde verhoudingen erg stroef verliepen. De opgezette Vlaams-Nederlandse samenwerking bleef bijvoorbeeld beperkt tot af en toe een overname omdat de tarieven van Nederlandse kunstenaars niet betaald kon worden (Bal, 1985, pp. 216-217). In juni 1954 was er zelfs sprake van een echte Nederlandse cultuurbreuk, toen de NTS (Nederlandse Televisiestichting) -overnamen volledig van het scherm verdwenen, en er nauwelijks moeite werd gedaan om de breuk te herstellen (Anthierens, 1965, p. 115).
Deze eerder stroeve verhoudingen tussen Nederland en Vlaanderen kwamen ook voort uit de houding die de Vlaming in deze beginperiode aannam ten opzichte van Nederland. Hij wilde eigenlijk niet spreken zoals de Nederlanders, en wilde een eigen, Vlaamse standaardtaal. Geerts (1980, gec. in Beheydt, 1991, p. 86) noemt dit ‘schizoglossie’: ‘de behoefte aan een standaardtaal die evenwel niet hetzelfde is als het Nederlands van onze noorderburen, een soort “Vlaanderlands”’. Aan zo’n eigen, Vlaamse taal was steeds meer behoefte, stelt Geerts (1980), maar het was voorlopig geen optie.
De afgesprongen contacten met Nederland en met de Engelsen veranderden niets aan de objectieven van toenmalig directeur-generaal Bert Leysen: hij wilde evenveel zendtijd bieden als de Waalse openbare omroep (Anthierens, 1965, p.122). Deze vijandige houding illustreerde de relaties tussen de Vlaamse en de Waalse openbare omroep. De kloof die er al was tussen beide omroepen vanaf het begin, werd nog vergroot doordat de Franstaligen zich niet richtten naar het noorden, maar, integendeel, afhankelijk werden van het zuiden. De Franse invloed op de INR, bijvoorbeeld, werd zelfs zo groot dat er met de Franse RTF een akkoord voor overname werd bereikt. Vanaf oktober 1955 werd maar liefst 52% van de programma’s op de Waalse omroep rechtstreeks overgenomen vanuit Parijs (Anthierens, 1965, p. 140). Hierdoor kon Parijs haar culturele expansie in België nog opvoeren (Bal, 1985, p. 216). De Vlaamse openbare omroep stond er daarentegen helemaal alleen voor.
Om weerstand te bieden tegen de Waals-Franse invloed uit het zuiden, en bij gebrek aan steun uit het noorden, zocht de Vlaamse omroep in 1954 zijn heil over het kanaal. Ook de ‘gloeiende anglofilie van het moment’ werkte dit in de hand. Het resultaat van deze samenwerking was dat vanaf eind 1955 elke maandag een hele avond lang programma’s van de BBC werden overgenomen. Maar ondanks deze succesvolle samenwerking was de conclusie dat de Nederlandse programma’s aantrekkelijker waren voor de Vlaamse kijker (Anthierens, 1965, pp. 109-110).
Aan deze impliciete vraag werd dan ook, na een tijd van koude oorlog tussen de Vlaamse en de Nederlandse omroep, toegegeven: in het seizoen 1956-1957 werden opnieuw 52 programma’s van de NTS overgenomen (Anthierens, 1965, p. 149). De vorming van de Benelux en de Europese Unie was hier ook niet vreemd aan, aldus Fons Fraeters (03.08.2004).
2.5 Taalprogramma’s
De openbare omroep werd in 1953 opgericht, nam haar opvoedende taak meteen zeer serieus en wilde de Vlaming ‘verheffen’ op het gebied van taal. Toch duurde het tot het seizoen 1959-1960 vooraleer er rond taal een programma werd gemaakt.
De Quiz der Nederlandse Taal was het eerste programma waarin taal centraal stond. De NIR had ontdekt dat het produceren van quizprogramma’s in een studio goedkoop was, en zag haar educatieve taak vervuld aangezien het onderwerp taal was. Dit programma was echter geen lang leven beschoren, en, mede omdat in dat jaar maar liefst acht quizprogramma’s werden uitgezonden, werd het na één seizoen weer afgevoerd (Beheydt, 1991, p. 53).
Hoofdstuk 3: De strijd tegen het paternalisme: de periode 1960 - 1972
3.1 De sociale, politieke en economische omstandigheden
Met de ingang van de jaren ’60 begon een periode waarin Vlaanderen en Wallonië enerzijds zachtjesaan van elkaar werden weggedreven, door bijvoorbeeld de scheiding van de NIR in BRT (Belgische Radio en Televisie) en RTB (Radio et Télévision Belgique), en tegelijkertijd bikkelhard van elkaar werden gescheiden, door de vastlegging van de taalgrens in de taalwetten van 1962-1963. Deze grens werd daarbij ook een quasi-politieke grens (Ruys, 1973, p. 174). Daarbij betekende ze het einde van de Franstalige onderdrukking in Vlaanderen: iedereen werd voortaan als Nederlandstalig beschouwd. Op die manier werd de ‘sociale taalgrens’ die bestond tussen de betere Franstalige klasse en de gewone mensen langzaamaan uitgewist (Van Istendael, 1989, p. 107).
Ook op economisch vlak kwamen beide regio’s niet dichter tot elkaar. De evolutie die al in de jaren ’50 op gang was gekomen, naar massaproductie en massaconsumptie van gestandaardiseerde goederen, speelde in de kaart van Vlaanderen. De industriële sectoren waarin de Vlamingen zich specialiseerden, zoals metaalverwerking en chemische industrie, bleken nu winstgevender dan bijvoorbeeld de staalindustrie in Wallonië. Bovendien veranderde het hele economische landschap: in plaats van de agrarisch-primaire en ook de industrieel-secundaire sector, begon de tertiaire dienstensector steeds meer te domineren en voor banen te zorgen. Vlaanderen werd op deze manier een corporatistische welvaartstaat, die gekenmerkt werd door een sterke differentiatie op basis van religieuze en ideologische gronden, en door een verregaande verzuiling (Van den Bulck, 2000, pp. 127-129). In deze gemeenschap kon de openbare omroep een belangrijke functie uitoefenen door al deze verschillende onderverdelingen aan te spreken, op elkaar te betrekken, en toch nog een gemeenschap te vormen.
De Vlaamse Beweging trok in deze periode nog steeds de lijn door van actievoering en protest. Dit kwam tot uiting in de Marsen op Brussel, georganiseerd door het Vlaams Aktiekomitee in 1961 en 1962, en kende zijn hoogtepunt met de studentenprotesten van mei ’68. De Vlaamse Beweging was dus geen louter politiek feit meer. Deze sociale beweging zorgde door haar acties, door het mobiliseren van een groot deel van de bevolking, voor een vervaging tussen de grenzen van de politiek en de cultuur. Taal was immers iets wat iedere burger aanbelangde.
Op politiek vlak werd er, onder impuls van de Volksunie, verder werk gemaakt van een grotere zelfstandigheid voor Vlaanderen en Wallonië, aldus Deprez (1985). In 1970 werd de eerste fase van de federalisering doorgevoerd. Vanaf dan bestond België uit vier taalgebieden, en waren de Vlaamse en de Franse cultuurgemeenschap autonoom. Voortaan behoorde de culturele materie van de omroep exclusief toe aan de gemeenschap. In 1980 zou deze wet wel nog gewijzigd worden (Boon, 1984, p. 23).
Buiten de politiek en het Vlaams-nationalisme, ontstonden er ook sociale groeperingen die zich bezig hielden met de Nederlandse taal. De meest in het oog springende van deze bewegingen waren de ABN-kernen. Dit waren groepen jongeren die zich afzetten tegen het dialect als omgangstaal, en zich eraan hielden om ABN (Algemeen Beschaafd Nederlands) te spreken. Grondlegger was Cyriel Moeyaert, die al op het Sint Jozefcollege in Izegem studenten aanspoorde om op hun taal te letten, maar al gauw ook naar buiten trad met zijn ABN-kernen. Binnen de katholieke zuil waren er steeds meer scholen waarbinnen ABN-kernen actief waren. Er werden ABN-weken en ABN-veertiendaagse georganiseerd, en competities zoals ABN-tornooien en declamatiewedstrijden om onder elkaar uit te maken wie het beste het ABN beheerste. Deze ABN-weken en –tornooien groeiden uit tot provinciale evenementen, stond te lezen in De Standaard (X., 17.02.1965), en droegen zo erg veel bij tot de verspreiding van het Standaardnederlands in Vlaanderen. Ook zorgden de ABN-kernen voor eigen publicaties, zoals het tijdschrift ‘Bouw’, en verschenen er regelmatig teksten, zoals bijvoorbeeld ‘Middernacht en meer’ van Clem Schouwenaars. Hierin werden kritische beschouwingen gemaakt over de maatschappij of bepaalde domeinen daarbinnen. Deze beschouwingen besteedden aandacht aan de cultuur die aan de basis lag van elke gemeenschap, zonder evenwel de vroegere generaties al te zeer te verheerlijken, of zonder te vervallen in reactionair geleuter. Toch was idealisme hen ook niet vreemd, aangezien ze zich afzetten tegen het materialisme. De ABN-kernen waren geen al te lang leven beschoren. Na 1968 vielen de groepen, en heel de werking er rond, langzaamaan weg (Maertens, M. & Dubois, B., 17.04.2002).
Tegenover de katholieke ABN-kernen stond de organisatie ‘Algemeen Nederlands’, die zich vooral manifesteerde in de gemeenschapsscholen. Ook zij waren zeer actief in het organiseren van acties. Dit waren avonden met lezingen, of quizzen, en ook het ‘Groot dictee’ komt voort uit deze activiteiten (Annie Van Avermaet, 09.04.2004).
Het Nederlands als algemene, supra-regionale taalvariant werd dus meer en meer beschouwd als iets dat nodig was, geeft Annie Van Avermaet (09.04.2004) nog aan. Het was een pragmatische reflex om meer standaardtaal te gebruiken, het was niet zozeer uit liefde voor de taal zelf. De taalprogramma’s van de openbare omroep konden in dit licht gezien worden: het aanleren van taal omdat het nodig was.
3.2 De openbare omroep
In België was 8 augustus 1960 een keerpunt in de geschiedenis van de openbare omroep. Vanaf toen waren de Franstalige en de Nederlandstalige delen van de openbare omroep op het gebied van programma’s wettelijk autonoom, met elk een eigen raad van beheer (Jaarverslag BRT, 1970, p. II). NIR was voortaan BRT en RTB. Van den Bulck (2000, p. 183) noemt dit een cruciale overwinning in het Vlaamse emancipatiestreven. De openbare omroep was nu nog meer het symbool geworden van de Vlaamse gemeenschap en het streven naar autonomie (Van Poecke & Van den Bulck, 1991, p. 10). Vanuit de politiek kreeg de openbare omroep ook meer autonomie: ze stond vanaf nu niet meer onder het rechtstreeks gezag van de minister van telecommunicatie. De verandering van de houding die tegenover de regering werd aangenomen, speelde in de Vlaamse kaart: de televisie was voortaan geen kanaal meer waarlangs politieke informatie de bevolking bereikte, maar was nu een middel om vrij informatie door te spelen naar de burger, en dus ook om de Vlaamse culturele gemeenschap vrijuit te promoten. De overheid was vanaf nu verplicht neutraal (Burgelman & Perceval, 1994, p. 93). Gelukkig voor de werking van de openbare omroep bleef het financiële aspect onveranderd. Dit was zeker niet onbelangrijk, aangezien het het meest welvarende Vlaamse instituut was, en dus veel meer mogelijkheden had dan andere Vlaamse instellingen. De televisie wilde deze mogelijkheden dan ook expliciet ten dienste stellen van de Vlaamse emancipatie (Hemmerechts, 1999, gec. in Van den Bulck, 2000, p. 183).
Op het einde van onze tweede periode, in 1970, werd de organisatie van de openbare omroep in België nogmaals herbekeken. Met de eerste staatshervorming werd er een Vlaamse en een Waalse culturele raad ingesteld, die voortaan het gezag zouden hebben over de respectievelijk Vlaamse en Waalse openbare omroep. De gemeenschappen waren nog niet volledig bevoegd voor de culturele materie, maar voor het eerst werd op het institutionele niveau een inspanning gedaan om taal- en gemeenschapsproblemen op te lossen (Govaert, 1989, p. 57).
3.2.1 Het programmabeleid
De grotere onafhankelijkheid was het signaal voor de openbare omroep om te gaan bezinnen, en om na te gaan of de eigen taak al of niet herbekeken diende te worden. In Engeland, met de BBC nog steeds de bakermat van de televisie, kwam deze tendens eveneens in de jaren zestig op gang. Daar stelde directeur-generaal Hugh Greene dat de tv niet zo nodig moest hervormen en veranderingen aanvoeren, maar dat de openbare omroep vooral moest passen bij de gemeenschap, en indien mogelijk moest anticiperen op tendensen. Het was dus niet meer de bedoeling om een eigen koers, of die van een controlerende staat, te varen, en zoveel mogelijk publiek mee aan boord te nemen. De openbare omroep diende vanaf nu vooral te registreren: vaststellen wat er in de gemeenschap gebeurt, welke verschillende stemmen er opgaan, welke smaken en meningen er zijn. Hij moest een spiegel zijn van de gemeenschap (Price, 1995, pp. 30-31).
De koersverandering van de openbare omroep wilde niet zeggen dat hij het publiek niet meer mee wilde hebben. Integendeel, de drang naar culturele eigenheid en de nood aan volksopvoeding bleven overheersend (Van den Bulck, 1989, p. 57). Maar in tegenstelling tot de jaren ’50, toen de presentator als een schoolmeester of pater familias, de kijkers toesprak, werd de periode vanaf begin jaren ’60 in Vlaanderen gekenmerkt door een geest van ‘samen vooruitgaan’. Het pessimisme van Reith en zijn tijdgenoten diende plaats te maken voor een licht optimisme (Van den Bulck, 2000, p. 187). De imaginaire gemeenschap werd nog steeds gepromoot, en er werd meer in de capaciteiten van de individuele kijker zelf geloofd. Daarenboven ging de openbare omroep nu ook zelf inzien dat de ‘arrogantie’ en de ‘zelfoverschatting’ die haar cultureel-educatief beleid tot dan toe hadden gekenmerkt, als paternalisme bestempeld kon worden. Men geraakte meer overtuigd van de capaciteiten van het publiek om zelf te kiezen (Tracey, 1998, p. 75), en begon in te zien dat die keuze vooral in de richting van ontspanningsprogramma’s zou gaan. Toch had dit niet meteen een invloed op het uitzendschema. In het Jaarverslag van 1964 moet programmadirecteur Bert Janssens toegeven dat het aandeel van fictie en ontspanning ten opzichte van 1963 gedaald is. Hij geeft wel aan dat de BRT beseft ‘dat het inderdaad dit soort programma’s is dat het algemene publiek aantrekt en waarin tevens, naar buiten, op de meest markante wijze ons eigen gelaat naar voren komt’, maar dat het ‘tevens ook de moeilijkste en duurste programma’s om te realiseren zijn’ (Jaarverslag BRT, 1964, p. 111).
3.2.2 ‘Samen vooruitgaan’ in de Volksuniversiteit
Ondanks het besef dat het publiek meer werd aangesproken door ontspanning dan door hoge cultuur of educatie, gaf de openbare omroep nooit de indruk dat hij zijn opvoedkundige taak zou opgeven. In oktober 1962 werd gestart met schooltelevisie, waarmee op dat terrein ‘een aanzienlijke voorsprong [werd] genomen op Nederland’, aldus toenmalig directeur-generaal Paul Vandenbussche (Jaarverslag BRT, 1962, p.II).
De opvoedkundige televisie bleef evenwel niet beperkt tot schooltelevisie. Er was ook opvoedende televisie die niet meer uitging van het verplichte ‘leren’, maar wel van het principe dat kijkers voortaan zelf wilden leren. De openbare omroep pretendeerde daarmee aan te sluiten bij de geest van de tijd: samen vooruitgaan, maar ook een algemene openheid en leergierigheid (Van den Bulck, 2000, p. 187). De werkgroep Educatieve programma’s ging zich nu meer toeleggen op dit vormingswerk, en startte in 1964 met het project van de ‘Volksuniversiteit’. De Volksuniversiteit was een Vlaamse versie van de ‘Open universiteit’, die overgewaaid was vanuit Groot-Brittannië, en waardoor de kijker een tweede kans kreeg om ‘zichzelf op te voeden’. Dit nieuwe project speelde al gauw een voortrekkersrol in de evolutie naar de ‘autodidactische kijker’. De omroep wilde een tweede kans geven aan hen die niet konden genieten van hoger onderwijs. Hij wilde hen helpen bij hun zelfstudie en bij het vermeerderen van hun kennis in het algemeen, in samenwerking met de universiteiten. De openbare omroep stapte dus af van het idee dat hij alles wel alleen aankon, en ging ook nauwer samenwerken met de sector van het vormingswerk. Hieruit ontstonden verschillende educatieve reeksen. De verschillende instituten van volksverheffing functioneerden dus niet meer, zoals in het verleden, naast elkaar, maar sloegen de handen in elkaar (Bal, 1985, pp. 317-318). Van Poecke (1993, p. 3) stelt dat dit bijdroeg tot de imaginaire gemeenschap, wanneer omroep en onderwijsinstellingen aan één zeel trokken.
De Volksuniversiteit startte met programma’s op zaterdagnamiddag (16-17u30). Later werd ook op woensdag uitgezonden. Er was een zeer uitgebreid repertoire aan programma’s voorhanden: lessen scheikunde, wiskunde en film, en opvallend veel opvoeding tot kunstbeleving (Jaarverslag BRT, 1965, p. 178).
De meest opvallende programma’s waren evenwel de taalprogramma’s. Deze verschilden van de taallessen van de schooltelevisie, omdat die taallessen specifiek instructief-educatieve programma’s waren. Met deze nieuwe soort taalprogramma’s wilde de omroep aansluiten bij de echte behoeften en noden van de Vlaamse moderne maatschappij, en zo een noodzakelijke aanvulling bieden voor zijn specifieke doelstellingen. Aan het groeiende belang van de Engelse taal werd tegemoetgekomen met de taallessen Praktisch en technisch Engels (bv. Teletaalles Engels in 1965, Technisch en Wetenschappelijk Engels in 1969). En ondanks de afkeer voor alles wat Frans was, ging de omroep ook de noodzakelijke tweetaligheid van de Vlaming bevorderen met een cursus Keurig Frans (1969) (Van den Bulck, 2000, p. 262).
De meest geliefde programma’s in dit repertoire waren de Nederlandse taalprogramma’s. Ook Teletaalles en later Hier spreekt men Nederlands vielen dus onder de noemer ‘Volksuniversiteit’. Ondanks deze ‘universiteit’, en ondanks de term ‘les’ in de titel (van Teletaalles), waren dit zeker geen louter instructieve of educatieve programma’s. Deze nieuwe programma’s waren eerder gericht op het actief promoten van de ‘liefde voor de Nederlandse taal’, aldus Van den Bulck (1989, p. 66). De aanpak, met meer nadruk op het zelf gebruiken van de taal door de kijker, illustreerde het best de nieuwe programmapolitiek van de BRT: de programma’s werden meer op het publiek gericht (Van den Bulck, 1989, p. 65).
Om dit publiek nog beter te dienen, werd telkens gezocht naar het moment waarop het meeste publiek bereikt kon worden, om de programma’s zo optimaal te laten renderen. Zo bijvoorbeeld was de zaterdagochtend een geliefkoosd uitzenduur, aangezien dan zowel kinderen als volwassenen bereikt konden worden (Jaarverslag BRT, 1963, p. V). Doordat de openbare omroep in 1965 op zoek moest naar een nieuw financieel evenwicht, dienden enkele programma’s van de Volksuniversiteit verschoven te worden, en diende de totale uitzendtijd verkort te worden, maar hierbij was ‘het zaak de kijker zo weinig mogelijk te treffen’, geeft programmadirecteur Bert Janssens aan (Jaarverslag BRT, 1965, p. 107). De Volksuniversiteit zou voortaan beperkt blijven tot twee reeksen van dertien weken in de zes wintermaanden, op zaterdagnamiddag. Slechts precaire omstandigheden als een financiële crisis konden er dus voor zorgen dat er enigszins in de opvoedende televisie werd gesnoeid. Ondanks heel wat beloften werd er dus nog steeds nauwelijks rekening gehouden met de kijker.
In 1968 zou de Volksuniversiteit zelfs weer verder uitgebouwd worden, en zou de dienst artistieke en educatieve uitzendingen meer dan ooit geproduceerd en uitgezonden hebben. Ook Hier spreekt men Nederlands viel hier nog steeds onder, maar had, doordat het telkens slechts korte afleveringen waren, geen al te groot aandeel in de totale tijdsduur (Jaarverslag BRT, 1968, p. 146).
Ondanks de goede bedoelingen van de openbare omroep, en ondanks de gepersonaliseerde en publiekgerichte aanpak, beschouwt Van den Bulck (2000, p. 190) de omroep van de jaren ‘60 nog steeds als sterk paternalistisch. Vooral het feit dat de opvoedende taak van de televisie nog steeds gezien werd als een zending, en dat de educatieve programma’s niet in vraag werden gesteld, zorgde ervoor dat het publiek zich steeds meer van de BRT afkeerde (cf. infra).
De vijftiende verjaardag van de Vlaamse televisie in 1968 werd aangegrepen om het vraagstuk van de educatief-instructieve televisie opnieuw te behandelen. In het colloquium dat hieraan werd gewijd, werd evenwel niet gedebatteerd over de vraag óf de kijker wel opgevoed en onderwezen diende te worden, maar wel over de methoden die aangewend moesten worden om de volwassen kijkers iets aan te leren. Het doel was ‘het uitzetten van een koers in de alsnog onbevaren wateren van de instructieve programma’s in dienst van bijscholing en permanente opvoeding’ (Jaarverslag BRT, 1968, p. II). Het besluit van deze discussie was opnieuw dat alle opvoedende instituten, samen met alle didactische middelen die voorhanden waren moesten zorgen voor een ‘permanent onderwijs’. Het betrof hier universitaire instellingen, ministeries en allerhande organisaties, die gebruik maakten van tv- en radio-uitzendingen, schriftelijke cursussen, grammofoonplaten, beeldbanden en dia’s, en ook op regelmatige basis ontmoetingen tussen studenten en leraars. Om dit project in goede banen te leiden, werd een commissie opgericht om concrete voorstellen uit te werken: de Commissie-Van Mechelen. Deze commissie vond het, na een eerste evaluatie van het ‘Volksuniversiteit’-project, opportuun om een Instituut voor Volksopleiding op te richten, bestaande uit zowel vertegenwoordigers van de officiële en de vrije sectoren van onderwijs als van de BRT. Voortaan zou er geen sprake meer zijn van enige bevoogding door de openbare omroep. Het conservatisme voerde evenwel de bovenhand op de hoogste niveaus van de staat, en de financiële prioriteit ging naar ‘meer gewichtige sectoren’, opdat de vormingssector haar macht toch maar niet zou uitbreiden, en de katholieke zuil haar dominante status op gebied van onderwijs niet diende af te staan (Bal, 1985, pp. 318-319). Het ambitieuze project naar een Instituut voor Voortdurende Vorming werd dus opgeborgen, maar de openbare omroep wilde wel een rol blijven spelen op het gebied van (volwassenen)onderwijs. Daartoe werd op 24 juni 1974 het licht op groen gezet voor een Instructieve Omroep, die onder meer zou bestaan uit de diensten volwassenenvorming en schooluitzendingen (Martel, 1995, pp. 9-10). Onder het bewind van Marcel Coole en Lea Martel werden deze diensten volwaardige afdelingen binnen de openbare omroep (Bal, 1985, pp. 318-320).
Het jaar 1969 werd een jaar van bezinning, aldus programmadirecteur Bert Janssens. Er werd zelfs een kijkonderzoek gehouden om te achterhalen wat de wensen en verlangens van de kijker waren tegenover de openbare omroep. Als gevolg hiervan werd er meer aandacht besteed aan het kijkgedrag van de kijker, door bijvoorbeeld tussen 19u en 20u meer algemene programma’s te vertonen (Jaarverslag BRT, 1969, p. 101).
3.3 Het taalbeleid van de openbare omroep en daarbuiten
De openbare omroep was sinds 1960 opgesplitst in een autonoom Vlaams en een autonoom Waals gedeelte, en dit beschouwden de omroepen als een signaal om nog een grotere nadruk te leggen op hun verbondenheid met hun respectievelijke gemeenschap. Aangezien de BRT, zoals eerder gezegd, de grootste Vlaamse institutie was, en aangezien ze nu autonoom was, ging ze haar rol van spreekbuis van de natie nog meer serieus nemen. En deze spreekbuis had een ‘officiële’ omroeptaal nodig, een niet-regionale taal waarmee heel de Vlaamse bevolking bereikt kon worden. Daarom werd het Standaardnederlands naar voor geschoven als dé nastrevenswaardige taal (Van den Bulck, 2000, p. 192).
Ook de toenadering tot Nederland (cf. infra) zorgde ervoor dat er meer nadruk werd gelegd op het Standaardnederlands. Door een goede beheersing en een goed gebruik van de taal op de BRT wilde de openbare omroep meer respect krijgen van de Nederlanders, en hoopte hij ook meer respect te krijgen voor de Vlaamse gemeenschap. Beheydt (1984, gec. in Van den Bulck, 2000, p. 28) spreekt van een ‘Anti-Vlaamse kramp’. Men wilde de Vlamingen het Nederlands van onze noorderburen doen spreken, om zo te komen tot één grote standaardvariëteit. Het Noordnederlands straalde, zoals in de vorige periode, nog steeds het gezag uit van een cultuurtaal die al eeuwen als standaardtaal fungeerde. De Vlamingen waren daarentegen nog steeds op zoek naar een eigen cultuurtaal (Beheydt, 1991, p. 39).
Dat Noordnederlands manifesteerde zich vooral in Vlaanderen in de strijd tegen de germanismen (cf. infra) en in de woordenschat. Hoewel de Vlamingen het Nederlands van boven de Moerdijk niet gingen praten, vond de standaardtaal uit Nederland zo geleidelijk aan een grote navolging in Vlaanderen. Personen die in het publiek en in de media verschenen, speelden hierbij een belangrijke rol. Ook van politici werd verwacht dat ze zich in degelijk ABN konden uitdrukken. Zij gingen hun taalgebruik beter verzorgen (Fons Fraeters, 03.08.2004). Ze kunnen zo beschouwd worden als de ‘invloedrijke personen’, die het Standaardnederlands moesten accepteren, en zo als voorbeeld functioneerden voor de Vlaming (cf. Deel I, Hoofdstuk 2).
Een belangrijk facet binnen het taalbeleid van de openbare omroep was de opvoedkundige imperatief. Ondanks het feit dat het Reithiaans ethos werd achtergelaten, en er een geest van ‘samen vooruitgaan’ heerste, zag de openbare omroep het als haar plicht om het Standaardnederlands hevig te blijven promoten. Directeur-generaal Vandenbussche gaf dit zelf ook aan in het Jaarverslag van 1966: dat de BRT ‘de liefde voor de Nederlandse taal’ actief wilde propageren. Niet enkel door erover te onderwijzen, maar ook door aan te tonen dat ‘ABN een vlot, soepel en snedig instrument is’ en dat ‘een grap even grappig klinkt in keurig Nederlands’. Ook wilde men duidelijk maken dat voor ‘gezelligheid en gemoedelijkheid’ niet noodzakelijk moest worden teruggegrepen naar het dialect, en daarom werd opnieuw gefocust op de ontspanningsprogramma’s. De bedoeling was om aan te tonen dat amusement ook kon samengaan met het Standaardnederlands. Tekenend was de ‘rel’ die uitbrak omtrent de successerie Wij Heren van Zichem. De raad van beheer besliste dat deze serie, oorspronkelijk opgenomen in een soort van tussentaal, moest worden nagesynchroniseerd in standaardtaal (Van den Bulck, 2000, pp. 192-193).
Naast deze impliciete promotie van de standaardtaal waren er ook programma’s die taalopvoeding expliciet als doel hadden. Deze programma’s bestonden vooral onder de overkoepelende afdeling Volksuniversiteit. De nadruk lag op het ‘zelf leren’ bij de kijker. Nu wilde men echter niet meer zomaar iets aanleren. Men wilde overgaan tot een feitelijk standaardtaalonderricht, waarbij de nadruk niet zozeer lag op de kennis, maar vooral op het gebruik van die standaardtaal. Een meer publiekgerichte benadering was de bedoeling, de omroep wilde de benadering van de taal ‘toegankelijk’ houden. Deze programma’s bleven uiteindelijk echter ingeklede taallessen, volgens het belerende ‘zeg niet - zeg wel’-principe (Van den Bulck, 2000, p. 193).
Hier spreekt men Nederlands was de vaandeldrager van deze nieuwe generatie taalprogramma’s. De bedoeling was een andere, populairdere benadering van de Nederlandse taal. Annie Van Avermaet (09.04.2004) gaf ook aan dat het programma de taal sympathiek moest maken, dat het een ‘levendig en plezierig’ programma diende te zijn. Daarom werden ook de verschillende Vlaamse dialecten aan bod gelaten.
Intern trachtte de openbare omroep de controle op het standaardtaalgebruik van zijn medewerkers nog enigszins uit te breiden. Er werd nu gestreefd naar een ‘meer rigide en bestendige aanpak van interne controle’. Het was de toenmalige secretaris van de directie, K. Hemmerechts, die zich hier in eerste instantie mee bezighield. Hij deelde zijn beruchte ‘blauwe brieven’ uit: een kattebelletje in een blauwe envelop, met daarop: ‘In die uitzending heeft u het volgende gezegd: … Mensen die het beter kunnen weten, zeggen dat dit de correcte vorm is: …’ Zo maakte Hemmerechts de vaste BRT-medewerkers attent op de verscherping en de systematisering van de repressieve controle, zoals die in de beginjaren bestond. Daarnaast gaf hij als eerste de aanzet tot een meer preventieve controle, doordat hij af en toe omroepteksten vooraf las. Pas in de jaren ’70 werd dit echter verder uitgewerkt, met de eerste voltijds taalraadsman, E. Berode (Van Poecke & Van den Bulck, 1991, p. 13).
Ook de openbare radio-omroep deed haar duit in het zakje wat betreft de taalopvoeding. Niet echt verwonderlijk, aangezien de radio het, nog meer dan de televisie, van haar taal moet hebben. Pas na 35 jaar radio, in 1965, kwam er een eerste ‘taalmeester’ op de proppen. Om half acht ’s morgens zou doctor Marc Galle voortaan Voor wie haar soms geweld aandoet – Taalwenken presenteren. De titel van het programma was, aldus Beheydt (1991, p. 37) ‘symptomatisch voor de stijl waarin de taalprogramma’s in de jaren ’60 werden opgevat’. De programmamakers gingen er van uit dat taal niet genoeg werd gerespecteerd, ‘geweld werd aangedaan’, en dat daartegen moest worden gereageerd. En net zoals op tv moest er gereageerd worden door iemand die ‘er wat van kende’, die met gezag kon spreken: een doctor. Deze doctor confronteerde de bevolking dus elke morgen om half acht, en in herhaling nog eens, ’s avonds om 18u55, met haar taalmankementen. Hij wees de luisteraars op de gallicismen, dialectismen en belgicismen die ze gebruikten, gaf goede raad, en kwam wat belerend en moraliserend over. Op die manier maakte hij zich niet populair bij de Vlaamse schrijvers, maar het publiek reageerde wel en vroeg al eens om taaladvies (Beheydt, 1991, p. 43).
In de geschreven pers, in De Standaard meerbepaald, was het niet langer J. Grauls die de ‘Taaltips’ gaf. Hij had de fakkel doorgegeven aan Maarten van Nierop, die ook al zijn opwachting maakte in Teletaalles.
Joos Florquin, Marc Galle en Maarten van Nierop maakten het ‘triumviraat’ van taalzuiveraars uit dat in deze periode de Vlaamse media domineerde. Alle drie wilden ze de Vlamingen laten spreken als ‘boven de Moerdijk’ (Beheydt, 1991, p. 39).
3.4 De relatie met Nederland
De gerichtheid op het Nederlands van onze noorderburen vertaalde zich vanaf het seizoen 1959-1960 in een relatie met Nederland die beduidend strakker werd aangehaald dan de jaren ervoor. Er werd steeds meer werk gemaakt van de ‘culturele integratie’ (Van Poecke & Van den Bulck, 1991, p. 11) onder het bewind van de nieuwe programmadirecteur Paul Vandenbussche. Hij maakte een prioriteit van ‘een weloverwogen, vastberaden politiek van uitwisseling en samenwerking met Nederland’. Hij wilde garanderen ‘dat de bloedsomloop van de Nederlandse taal en kultuur onbelemmerd zou functioneren’ (Anthierens, 1965, p. 175). Deze heroriëntering wierp al meteen zijn vruchten af. In het Jaarverslag van 1960 van wat herdoopt was tot BRT, meldt Vandenbussche eerst wel dat ‘de relayering van de Nederlandse Televisiestichting nagenoeg hetzelfde bleef: 5,46 % van onze totale zendtijd tegen 5,24% in 1958-1959’, maar vervolgens geeft hij aan dat ‘dank zij een nauwer contact, het aantal B.R.T.-programma’s overgenomen door de N.T.S. sedert mei 1960 aanzienlijk gestegen is’. Inhoudelijk gezien had de Belgisch-Nederlandse week, naar aanleiding van het bezoek van Koningin Juliana aan België, hiertoe bijgedragen. Nederlandse films werden vertoond, en Vlaamse en Nederlandse omroepsters verwisselden van plaats (Bal, 1985, p. 275). Dit was de aanzet voor een meer permanente samenwerking tot midden jaren ’60. Technisch gezien zouden ‘de kwaliteitsverbetering van de programma’s, en het feit dat er overgeschakeld werd op magnetische opname van beelden, een gezonder evenwicht in de TV-uitwisseling tussen Noord en Zuid bevorderen’ (Jaarverslag BRT, 1960, p. II). Deze toenadering tot Nederland kwam, volgens Van den Bulck (2000, p.28) voort uit een vernieuwd nationaal streven. De overtuiging dat de Vlaamse gemeenschap zich cultureel en taalkundig moest aansluiten bij Nederland, kreeg steeds meer aanhang.
Het ‘Vlaanderlands’ waarnaar eind jaren ’50 werd gestreefd, was dus verder weg dan ooit. Zeker de openbare omroep, met de germanistische ‘culturele groep’ (cf. Deel I, 2.1.3) die de Noordnederlandse norm nastreefde, zorgde voor toenadering met Nederland. De omroep wilde samen met de Nederlandse omroep werken aan een Vlaamse etnolinguïstische en etnoculturele identiteit. In dat licht konden ook de inspanningen gezien worden, die gedaan werden voor coprodukties met Nederland, vanuit de ‘Groot Nederlandse Gedachte’ en de benadrukking van de ‘Culturele Integratie’ (Van Poecke & Van den Bulck, 1991, p. 85). Hoe meer de germanistische top van de BRT in die periode, begin jaren ’60, echter probeerde om op het gebied van standaardtaal bij Nederland aan te sluiten, hoe meer ze beseften dat dit een ideaal was dat ze slechts konden benaderen. Dit werd na een tijd dan ook opgegeven.
Toch verdwenen niet alle invloeden uit Nederland van het Vlaamse scherm. Er werden regelmatig voorbeelden van woorden gehaald uit de Nederlandse woordenschat, die Vlamingen ook konden gebruiken. De reden hiervoor was dat de taal in Nederland een veel natuurlijkere ontwikkeling had doorgemaakt. Ook in de strijd tegen de alomtegenwoordige germanismen in de Vlaamse taal werd een beroep gedaan op de Nederlandse woordenschat. Deze strijd was ingezet in het begin van de 20ste eeuw, maar vergde vooral begin jaren ‘60 veel inspanningen. De Vlaamse taal zoals die tot dan toe voornamelijk werd gebruikt, bestond immers voor een groot deel uit letterlijke vertalingen uit het Frans, de vroegere standaardtaal in Vlaanderen.
Gedeeltelijk door financiële beperkingen, gedeeltelijk uit artistieke overwegingen, was de volgende stap in de Belgisch-Nederlandse verhouding een lange reeks van co-produkties (Jaarverslag BRT, 1965, p. 109). Vanaf midden jaren ’60 werden op regelmatige basis zulke projecten aangegaan, tot ieders voldoening en met relatief groot succes. In 1965 werd de eerste stap gezet, met de reeks Interland, een Nederlands-Belgische uitgave van het spelprogramma Eén tegen allen. Directeur-generaal Paul Vandenbussche bestempelt de reeks als ‘in een teken van het volkse vermaak’ en geeft zelfs in niet mis te verstane bewoordingen het doel van het programma aan: ‘gepaard met onopvallende belering op het stuk van de onderlinge betrekkingen’. Het jaar 1965 werd dan ook, volgens Vandenbussche, gekenmerkt door een verruiming en verdieping van de samenwerking tussen de BRT en de NTS (Jaarverslag BRT, 1965, p. V). Tot en met 1968 zou het aantal programma’s in co-produktie met de Nederlandse openbare omroep gevoelig toenemen (Jaarverslag BRT, 1968, p. IV). Zo bijvoorbeeld steeg het aantal uren aan programma’s dat samen met Nederland was geproduceerd van 16u14min in 1967 tot 41u35min in 1968. Daarmee wierp de permanente vertegenwoordiging die de BRT sinds 1964 in Nederland had, en die belast was met de samenwerking tussen de omroepsinstituten, al snel zijn vruchten af (Boon, 1984, p. 110). Al bleek in 1969 dat een verdere uitbouw van het aantal co-produkties in de weg werd gestaan door financiële beperkingen (Jaarverslag BRT, 1969, p. 105).
Het waarom van de doorgedreven samenwerking met Nederland wordt door directeur-generaal Paul Vandenbussche uitgelegd in de ‘Ten geleide’ van het Jaarverslag van 1970. Hij verdedigt de relaties met Nederland door aan te geven dat de BRT het eens is met hen die stellen dat culturele autonomie voor Vlaanderen slechts een halve maatregel is, zonder culturele integratie met Nederland. Hij looft het werk van de permanente vertegenwoordiger van de BRT in Nederland, en meent dat de ‘psychologische weerstanden’ bij de Vlaamse kijkers tegenover Noordnederlands tv-toneel geleidelijk konden worden overwonnen. Vandenbussche gelooft ook dat de voorbije tien jaar ervoor gezorgd hebben dat meer en meer Vlamingen beter vertrouwd zijn met ‘de tongval van boven de Moerdijk’ (Jaarverslag BRT, 1970, p. II). Meer nog, de samenwerking met Nederland zorgde er, volgens Vandenbussche, zelfs voor dat, temidden van toenemende internationale beïnvloeding, een ‘eigen geestesmerk’ bewaard kon worden, en het eigen erfgoed tot zijn recht kon komen (Jaarverslag BRT, 1970, p. IV).
Hoe dan ook, de eigen, typisch Vlaamse volksaard werd hoe langer hoe meer in de achtergrond gedrukt ten voordele van een zogenaamd ‘Grootnederlands volkseigen’ (Van den Bulck, 2000, p. 187).
3.4.1 Vertrossing
De openbare omroep lonkte als nooit tevoren naar het noorden, naar het taalgebruik van de Nederlanders. De aanleg van kabelnetten in België vanaf 1960 (De Bens, 1991, p. 108) zorgden er daarbij voor dat de Vlamingen nu veel gemakkelijker de buitenlandse omroepen konden ontvangen. Door de eigengereide, paternalistische aanpak van de BRT stond de Vlaamse kijker daarenboven veel meer open voor andere zenders, met andere, meer ontspannende programma’s. De groeiende populariteit van de Nederlandse zenders bleef echter niet zonder gevolgen: het verschijnsel ‘vertrossing’ overschreed de landsgrenzen. ‘Vertrossing’ hield in dat ‘de omroepen uitsluitend streven naar gemakkelijke populariteit’. In Van Dale staat het omschreven als: ‘zijn programma’s aanpassen aan de smaak van het grote publiek en derhalve slechts oppervlakkig, waardevrij amusement brengen, met weinig informatie en educatie’ (Beheydt, 1991, p. 15). Alle programma’s werden, door de uitzonderlijk hevige concurrentie tussen de Nederlandse omroepverenigingen, geschikt gemaakt voor massale consumptie, met als gevolg dat er grote ongerustheid ontstond over het cultureel peil dat de kijkers er op na zouden houden. Deze drastische wending in de programmapolitiek kwam er nooit uit eigen wil, maar door de moordende concurrentie. De meeste inspanning werd geleverd voor oppervlakkige ontspanning, zodat informatie en educatie erbij inschoten. Bal (1985, p. 330) citeert hierbij Kloos, de toenmalige voorzitter van de VARA, die programma’s afschafte ‘omdat we de mensen gewoon naar het andere net jagen’.
Zelfs de Vlaamse openbare omroep zat midden in deze concurrentiestrijd verwikkeld. De Vlaming maakte immers geen onderscheid tussen de NOS of de BRT, meent Bal (1985), en had er dus geen moeite mee om van een Vlaamse naar een Nederlandse omroep over te stappen. De redenen hiervoor waren steeds dezelfde, geeft Bal (1985) nog aan: ondanks de ommekeer in het cultureel-educatief beleid vanaf begin jaren ’60, vond de Vlaamse kijker dat er nog steeds te veel serieuze programma’s werden vertoond. Het publiek was de serieuze, opvoedende en informatieve tv beu, en verkoos grote quizprogramma’s en spelletjes. Ook de kranten spaarden de openbare omroep niet: ‘Onze ontspanningssector is kennelijk failliet’ en ‘De ernst druipt van onze televisie. (…) Er bestaat een soort kulturele impotentie die het niet meer klaarspeelt onze tv als ontspannings- en informatiemedium te gebruiken’ (Bal, 1985, p. 331).
De openbare omroep zelf was niet blind voor deze evolutie. Programmadirecteur van Televisie Bert Janssens gaf dit al aan in zijn inleiding van het jaarverslag van 1968. Hij was zich bewust van de ‘kritische geest waarop alles heden wordt onthaald’, en bespeurde na 15 jaar televisie de eerste tekenen van moeheid bij de kijker. Het besef drong dan ook tot hem door dat ‘de periode van het selectief kijken’ ingeluid was (Jaarverslag BRT, 1968, p. 111). Fons Fraeters geeft aan dat de Hier spreekt men Nederlands-ploeg dit ook aanvoelde. ‘Alles wat enig gezag of enige macht uitstraalde, werd in twijfel getrokken’, geeft Fraeters (03.08.2004) aan, en ook Hier spreekt men Nederlands werd niet meer sowieso aanvaard. Het programma kreeg een rechtse, katholieke stempel, omdat het gemaakt werd door ‘de drie van Leuven’, Paul Vandenbussche, Bert Leysen, en Joos Florquin. Vooral van de socialistische linkerkant, waarvan Johan Anthierens de spreekbuis was, kwam er kritiek. Het programma werd ten gevolge van die kritiek enigszins bijgesteld (Fons Fraeters, 03.08.2004).
In het jaarverslag van 1971 kwam Janssens nogmaals terug op die ‘kritische geest’ van de kijker . Hij kon zich, samen met anderen binnen de omroep, ‘niet van de indruk ontdoen dat de dagelijkse veelheid aan uitzendingen en rubrieken aan enige vernieuwing en een meer globale aanpak toe is’, en gaf aan dat de omroep zich er de komende jaren over zou bezinnen (Jaarverslag BRT, 1971, pp. 76-77).
3.4.2 De ommekeer in het programmabeleid
Het was Nic Bal, die de overleden Bert Janssens had opgevolgd, die als programmadirecteur deze evolutie in het televisieseizoen 1973-1974 wilde omkeren. Al had hij dan in het jaarverslag van 1972 de geschreven media lik op stuk gegeven, door te stellen dat 1972 niet echt slecht was, en alleszins ‘beter dan het beeld dat in een bepaalde weekbladpers van ons werd opgehangen’. Toch greep hij in. Door de omroep in twee grote sectoren op te delen, de ontspanning en de informatie, wilde hij het onevenwicht tussen beiden herstellen. Zonder de educatieve rol van de BRT te verwaarlozen, wilde hij de overdaad aan culturele programma’s tegengaan, en dit door het ‘locomotiefprincipe’ toe te passen: het nieuws als informatief programma werd niet langer gevolgd door ‘irriterende kleine ditjes en datjes’, maar door een speelfilm, een drama, een feuilleton of een ‘Beschuldigde, sta op’ (de ‘locomotief’) (Bal, 1985, pp. 345-346). De veelheid aan uitzendingen en rubriekjes, die Janssens al had aangehaald als reden voor verminderde interesse bij de kijker, werd voortaan achterwege gelaten. Ook het vier minuten durende Hier spreekt men Nederlands werd afgevoerd. Toch was niet alleen de duur of de plaatsing van het programma een reden voor de stopzetting, ook inhoudelijke zaken speelden mee. Volgens Bal (1985) werkten ‘flauwiteiten’ als de sprekende hond de kijkers op de zenuwen, en werden ze afgestoten door het taalpurisme van Joos Florquin, die hen ‘de ontmoedigende indruk [gaf] dat ze alles verkeerd zegden en uitspraken’. Ook de rellen rond taal die naar aanleiding van het programma waren ontstaan, speelden mee in deze beslissing. De pers reageerde positief en bemoedigend op het nieuwe beleid van Bal, en door een grotere wisselwerking tussen beide media, verbeterde de relatie zienderogen (Bal, 1985, p. 346).
De medewerkers van Hier s