| Nationalisme in sport: Kim versus Justine in de media. (Nathalie Rombouts) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Het Belang van Limburg trok in 2001 n.a.v. de eerste Belgische halve finale in Roland Garros met 100 taarten (‘Limburgse vlaaien’) naar Parijs om Kim op haar verjaardag aan te moedigen voor die halve finale. In die halve finale waar ze het dus opnam tegen Justine Henin-Hardenne, die het de week daarvoor op haar verjaardag moest stellen zonder taarten…
Op de Diamond Games van dit jaar wordt Kim Clijsters door Carl Huybreghs als volgt aangekondigd: “Hier is de nummer 2 van de wereld, maar in ons hart blijf je de nummer 1.” En dit terwijl Justine Henin-Hardenne, de échte nummer 1 op dat ogenblik, ook deelnam aan dat tornooi…
In ’92 schreef Erwin Listhaeghe een eindverhandeling over “Sport, nationalisme en de rol van de media”. Uit zijn werk en gesprekken met sportjournalisten van BRTN en RTBF kwam naar voor dat er geen sprake was van nationalisme in sport en de media. In België werd volgens hem sport niet verbonden met politiek en nationalisme in het bijzonder. Het mediabeleid werd daarentegen enkel bepaald door kijkcijfers en reclame. Er was sprake van een matig chauvinisme bij sportjournalisten, maar dat werd niet meer dan een gezonde portie enthousiasme genoemd. Het nationalisme werd zeer goed onder controle gehouden in ons land en het had toen absoluut geen politieke connotatie. Er waren bijgevolg ook Waalse supporters van Vlaamse clubs en omgekeerd. De reden van dit gematigd nationalisme moest volgens Listhaeghe gezocht worden in de Belgische volksaard die veel nuchterder is dan die van andere volkeren (Listhaeghe, 1992, p.80-84).
Dit was misschien het geval in 1992, maar de anekdotes aan het begin van deze inleiding wekken al een vermoeden dat het nu wel eens anders zou kunnen zijn. We zijn nu toch meer dan tien jaar verder, tijd m.a.w. om na te gaan of er wat veranderd is op dit gebied. Zijn sportjournalisten m.a.w. nog steeds zo neutraal als ze toen zelf beweerden, of is er sindsdien nationalisme in hun werk geslopen?
In Hoofdstuk 1 geven we een theoretisch kader voor nationalisme in sportverslaggeving. We beginnen met nationalisme in sport en gaan stap voor stap verder in de richting van nationalisme in de verslaggeving van sport door een derde begrip in onze bespreking te betrekken, namelijk de media. Er wordt bondig uitgelegd wat de relatie is tussen nationalisme en sport, nationalisme en de media, sport en de media en tenslotte nationalisme, sport én de media.
In hoofdstuk 2 nemen we het nationalisme in België onder de loep. Belgen hebben naast hun Belgische identiteit, nog een tweede nationale identiteit, namelijk een Vlaamse of een Waalse. We bespreken hoe die identiteiten in de loop van de geschiedenis tot stand zijn gekomen en met welke de inwoners van ons land zich in de eerste plaats identificeren.
In deze verhandeling worden Kim Clijsters en Justine Henin-Hardenne als het ware ‘gebruikt’ om na te gaan of de Belgische pers nationalistisch is of niet. Om toch wat achtergrondinformatie te hebben over deze twee tennissters, vertellen we in hoofdstuk 3 kort iets over hun leven en carrière.
In hoofdstuk 4 wordt de methode van onderzoek, de inhoudsanalyse, uitgelegd en worden alle keuzes die tijdens het onderzoek werden gemaakt verantwoord. Dit is eigenlijk de inleiding op het volgende hoofdstuk.
In hoofdstuk 5 trachten we een antwoord te geven op de onderzoeksvraag: “Is de Belgische pers nationalistisch of niet?” We kunnen dit heel goed onderzoeken door de verslaggeving over onze twee Belgische tennissters, Kim Clijsters en Justine Henin-Hardenne, te analyseren. Kim is Vlaams, Justine Waals. Dit is een ideaal vertrekpunt om na te gaan of de journalisten hun voorkeur voor de speelster uit hun eigen taalgebied al dan niet laten blijken. M.a.w. wordt Kim positiever voorgesteld in de Vlaamse dagbladpers dan Justine? En is het omgekeerde waar in Wallonië? In dit hoofdstuk geven we dus de resultaten van de inhoudsanalyse weer, die een antwoord bieden op boven gestelde vragen.
Het zesde en laatste hoofdstuk bevat een casestudy van de Australian Open 2004. We gaan op dezelfde manier te werk, het grote verschil ligt erin dat het in het hoofdonderzoek om een inhoudsanalyse van kranten gaat, terwijl we hier kiezen voor een analyse van het televisiejournaal. Dit onderzoek probeert de conclusies die getrokken werden in hoofdstuk 5 te versterken.
Hoofdstuk 1: Nationalisme in sport en in de verslaggeving van sport
1.0 Inleiding
Het doel van deze verhandeling is na te gaan of Belgen, en Belgische pers in het bijzonder, nationalistisch zijn of niet. Om te beginnen zullen we de grote hoeveelheid litteratuur over nationalisme, sport en de media, en tevens hun onderlinge relaties, bespreken.
Dit hoofdstuk bestaat uit twee grote delen. Eerst wordt nationalisme in sport behandeld (1.1). Na de definitie van nationalisme (1.1.1), wordt besproken hoe nationalistische gevoelens d.m.v. sport uitgedrukt worden (1.1.2). Niet enkel nationalisme, maar ook politiek in het algemeen komt aan de orde (1.1.3). Vervolgens worden de Olympische Spelen bondig besproken (1.1.4). Als afsluiting van dit eerste deel wordt de theorie dan in praktijk gebracht m.b.v. twee voorbeelden (1.1.5).
In het tweede deel van dit hoofdstuk wordt naast nationalisme en sport nog een derde element in de bespreking betrokken, namelijk de media (1.2). We beginnen met de band tussen nationalisme en de massamedia (1.2.1). Dit doen we voor België aan de hand van de oorspronkelijke doelstellingen van de openbare omroep. Daarna komt de symbiotische relatie tussen sport en de massamedia aan bod (1.2.2). Hieruit volgt automatisch een korte bespreking van het werk van de sportjournalist en de sportjournalistiek in het algemeen (1.2.3). Vervolgens hebben we het over nationalisme in de sportverslaggeving (1.2.4). Net zoals in het eerste deel, wordt ook hier de theorie beschreven aan de hand van een voorbeeld, namelijk Wimbledon ’91 (1.2.4.1).
1.1 Nationalisme in sport
1.1.1 Nationalisme, chauvinisme, paternalisme, patriottisme: situering van de termen volgens Van Dale
Vooraleer we dieper ingaan op nationalistische gevoelens die kunnen gepaard gaan met sportbeoefening, geven we een verklaring van een aantal termen die nogal sterk op elkaar gelijken. Op deze manier wordt ‘nationalisme’ duidelijk afgelijnd tegenover aanleunende begrippen. Ik maak hiervoor gebruik van het Van Dale woordenboek.
Paternalisme: het optreden van de overheid tegenover het volk, of van en overheersend volk in vreemd gebied (kolonie of vroegere kolonie) of van een gezaghebber als een vader of voogd die het goede met het volk, zijn kinderen of pupillen voorheeft, maar hun geen invloed van belang geeft op hun eigen aangelegenheden, synoniem: bevoogding.
Patriottisme: vaderlandsliefde, burgerzin.
Chauvinisme: 1 overdreven vaderlandsliefde; 2 blinde ingenomenheid met alles wat tot de eigen kring, omgeving behoort.
Nationalisme: 1 voorliefde voor het nationale, het eigen volk, het eigen land e.d.; (in het bijzonder) streven om al wat als nationaal beschouwd wordt te bevorderen en te accentueren, gepaard met een zekere afkeer voor het vreemde; 2 streven naar nationale zelfstandigheid; in extreme vorm de verabsolutering van de eigen natie, het eigen volk.
(Geerts & Heestermans, 1993).
1.1.2 De expressie van nationalisme in sport
Sport reproduceert ideologie. Bepaalde normen en waarden worden overgedragen of gereproduceerd via de sport en haar rituelen. Onder deze waarden bevindt zich ook nationalisme (De Knop e.a., 2002, p.90).
“Seul le sport est capable de transcender l’esprit patriotique, de susciter une telle émotion collective.” (Stéphane De Groodt in La Dernière Heure, 06-06-03).
Maar waarom is sport eigenlijk geschikt om nationalistische gevoelens te uiten. Boyle en Haynes geven de volgende reden: “With its visibility and focus on symbols, winning, competition, partisan fans – and in team the necessity of collective struggle – few other cultural forms lend themselves as easily as sport to being used as an indicator of certain national characteristics and, by extension, of being representative of a national identity” (Boyle & Haynes, 2000, p.143).
Hier komt nog bij dat sport als culturele activiteit over de hele wereld voorkomt. Door dit globale aspect wordt sport ge(mis)bruikt voor andere doeleinden, namelijk het voortbrengen van ideologieën. Er ontstaat in de competitie van sport een competitie van ideologieën (Dennis, 2003, p.2). Ook De Knop (e.a., 2002, p.89) beweren dat internationale sport gericht is op prestaties om zo andere doelen te bereiken, o.a. prestige en aanzien voor de staat. Sport is dus een statussymbool voor landen, waarmee prestige en nationale identiteit kunnen worden verworven. De rivaliteit tussen landen kan d.m.v. een symbolische representatie van competitie worden beslist. Claeys (1986, p. 98) ondervond ook dat sport bijdraagt tot het aanscherpen van een nationaal gevoel juist door dat element dat topsport meer bezit dan bijvoorbeeld sporten op school, namelijk competitie.
De relatie tussen sport en nationalisme kan op twee manieren bekeken worden: vanuit het oogpunt van de sporter zelf, maar ook vanuit het oogpunt van de natie waaruit die sporter komt. In het eerste geval betekent nationalisme het gevoel van nationale fierheid bij een internationale sportprestatie. Op niveau van de natie bestaat de relatie tussen sport en nationalisme eruit dat landen zich via sport willen doen gelden op internationaal niveau. Landen willen zich op deze manier op de voorgrond plaatsen en een positieve indruk bij andere landen nalaten. Hoe meer prestaties of hoe knapper/beter ze zijn, hoe hoger het aanzien dat men krijgt van andere landen (Claeys, 1986, p. 98).
Nationalisme in sport komt op verschillende manieren tot uiting. De atleten dragen sportkledij met nationale kleuren zodat er een duidelijk visueel onderscheid kan gemaakt worden tussen deelnemers van verschillende landen. Bij een overwinning in de internationale competitie weerklinkt steevast de nationale hymne en ook vlaggen zijn alomtegenwoordig op sportwedstrijden. In België is dit nog wat ingewikkelder want buiten de Belgische driekleur is er nog eens een onderverdeling tussen Wallonië en Vlaanderen, elk voorgesteld door hun eigen symbool. We hebben het hier over de Waalse haan en de Vlaamse leeuw maar hierover meer in hoofdstuk 2 (Claeys, 1986, p. 98).
Sport biedt de mogelijkheid om zich te identificeren met een groep en met de prestaties van sportlui uit eigen land. Op deze manier wordt er een wij-gevoel gecreëerd. Naties willen zichzelf betekenis geven door te verwijzen naar de kwaliteiten van ‘hun’ atleten (De Knop e.a., 2002, p.83-84). Dit is vaak heel ironisch als je weet dat er veel mensen zijn die met de monarchie lachen, maar zich tegelijkertijd identificeren met de nationale ploeg. Sport zorgt ervoor dat mensen het gevoel krijgen dat ze ergens bijhoren en dat vinden mensen belangrijk (Blain, Boyle & O’Donnell, 1993, p.15).
Sport splitst leden van een gemeenschap, maar brengt ze aan de andere kant ook bijeen. Ze voorziet in gemeenschappelijke symbolen, een collectieve identiteit en een reden voor solidariteit. Sportevenementen kunnen fungeren als elementen van nationale trots en kracht waardoor de inwoners van een land zich meer één voelen. (De Knop e.a., 2002, p.84)
De mogelijkheid om zich te identificeren met sporters uit eigen land kan bemoeilijkt worden door de huidige globaliseringtrend. Spelers van allerlei nationaliteiten worden gekocht en verkocht. Dit heeft tot gevolg dat er op het nationaal niveau en zeker op het clubniveau sprake is van een grote heterogeniteit in de teams. Sporters kiezen de club waar ze zelf het meeste profijt kunnen uithalen. Hun beslissing wordt dus niet bepaald door nationale voorkeur, wel persoonlijk winst. Hier is een rol voor de media weggelegd. Zij kunnen namelijk het publiek aanmanen om voor verschillende naties te supporteren op verschillende tijdstippen. De nationale identiteit kan gebaseerd zijn op huidige woonplaats, geboorteplaats of de nationaliteit van de ouders. Trouw aan de natie is dus zeer flexibel. Bijvoorbeeld: de spelers van voetbalclub Real Madrid komen van overal ter wereld, maar wonen wel in Spanje. De media kan dan een identiteitsgevoel aanmoedigen dat gebaseerd is op huidige woonplaats (Brookes, 2002, p.84-85).
1.1.3 Versmelting van sport en politiek?
Uit het bovenstaande zou men kunnen afleiden dat het uiten van nationalistische gevoelens in sport niet meer is dan de politiek die ook op dit maatschappelijk vlak doordringt. Maar dit is toch niet helemaal waar.
Sport heeft verschillende politieke functies:
- sport als diplomatiek instrument
- sport als middel voor propaganda en ideologie
- sport als mogelijkheid tot verkrijgen van prestige
- sport als instrument voor buitenlandse politiek
- sport als medium voor politieke protesten
- sport als katalysator voor (internationale) conflicten
(Blanchard en Cheska in De Knop e.a., 2002, p.87-89)
Er is echter wel een verschil tussen nationalisme in sport en de samensmelting van sport en politiek als dusdanig. Segrave en Chu (1988, p.331) definiëren nationalisme in sport als volgt: “the attitude that the total reputation of a country can be enhanced through sport success because the citizens’ pride is heightened and the world ’s respect is promoted”. Politiek in sport is daarentegen “[the] magnification of a nation’s international power and influence particularly in non-sport activities by the manipulation of the sporting event.”
Politiek in sport is negatiever getint dan nationalisme in sport omdat de overheid van een land uit is op een machtspositie. Sportevenementen worden in deze betekenis gemanipuleerd om invloed te verwerven. Nationalisme in sport wil zeggen dat de sport een middel wordt om respect te krijgen van andere landen. Doordat burgers goede sportprestaties neerzetten, bouwt de natie een goede reputatie op. Sportprestaties zijn m.a.w. evenredig aan het imago van het betreffende land. Hargreaves (1982, p.65) drukt dit als volgt uit: “Atleten zijn het uithangbord van een natie”.
Er zijn twee soorten van nationalisme in de sport. Vooreerst is er het populair nationalisme. Dit houdt in dat mensen zich identificeren met de sportkampioenen van hun land. Maar er is ook nog politiek nationalisme. Sport biedt de mogelijkheid om een wij-gevoel binnen de natie te creëren, welke verschillen er binnen die natie ook bestaan (Hargreaves, 1982, p.65-68). Op internationaal niveau vallen de tegenstellingen tussen de inwoners van een land weg en worden ze één collectieve identiteit. Dit komt onder meer tot uiting in het Nederlandse kleurrijke elftal. Op nationaal gebied worden er vaak racistische opmerkingen gemaakt over de zwarte spelers. Bij internationale wedstrijden daarentegen wordt naar alle leden van de ploeg verwezen als ‘onze jongens’. Of ze nu zwart of blank zijn, maakt op dat ogenblik niets uit (Siekmann, 2000, p.2). In multiculturele samenlevingen is nationale samenhorigheid vaak ver te zoeken. Maar grote sportevenementen blijken over potentieel te beschikken om als sociaal bindmiddel te werken.
Er is natuurlijk ook nationalisme dat niets met sport zelf te maken heeft maar dat het gevolg is van conflicten tussen landen uit het verleden of het heden. Die landen willen dan via de sport bewijzen dat ze beter, sterker, … zijn dan hun ‘vijand’ (Hargreaves, 1982, p.65-68).
Sportprestaties worden vaak gelinkt aan het welvaren van een land. Als een land een goede economie heeft, weerspiegelt zich dat in de sport. Langs de andere kant proberen minder welvarende landen via sport in de kijker te lopen. Sport is op deze manier een vorm van culturele strijd (Boyle & Haynes, 2000, p.145-146). Een voorbeeld hiervan is de herintreding van Zuid-Afrika in de wereld-sportgemeenschap begin jaren ’90. Dit werd zeer duidelijk tijdens de ‘Rugby World Cup’ in 1995. Doorheen heel het tornooi beweerde toenmalig president Nelson Mandela dat het succes van ‘zijn jongens’ een indicatie was van de politieke veranderingen in het land en het nieuw democratisch klimaat. Hij wilde via de internationale media zijn land een positief imago bezorgen en creëerde een wij-gevoel onder de Zuid-Afrikanen (Boyle & Haynes, 2000, p.150).
1.1.4 De Olympische Spelen
De Olympische Spelen is een grootschalig sportevenement dat om de vier jaar wordt georganiseerd in een gastland. De Spelen lenen zich uitermate goed voor het verkondigen van nationalistisch gedachtegoed. Dit komt in de onderstaande definitie van Claeys duidelijk naar voor.
Op de Olympische Spelen komt het competitie-element sterk tot uiting. De resultaten, uitgedrukt in het aantal medailles, worden beschouwd als een weerspiegeling van de kwaliteit van het politiek systeem. Hoe meer gouden medailles, des te sportiever en gezonder het volk, des te beter het sportbeleid, het algemeen beleid en het politiek systeem. Sportresultaten verlenen prestige, niet alleen aan de atleet, maar ook aan het land. De grote machtsblokken treden hier niet alleen sportief maar ook politiek in competitie (Claeys, 1986, p. 98).
Er komt nog bij dat het een internationaal evenement is dat over de hele wereld aandacht krijgt (Segrave & Chu, 1988, p.341).
De stichter van de Olympische Spelen had echter andere doelen voor ogen. Eén van die doelen was dat de sport de relatie tussen naties en samenlevingen positief zou kunnen beïnvloeden. Sociale, economische, nationale en culturele grenzen worden opgeheven. Naties zouden met elkaar communiceren en dit zou internationale solidariteit bevorderen (Claeys, 1986, p.199).
Heel de set-up van de Olympische Spelen promoot en versterkt de idee van competitief nationalisme. Het bejubelen van nationale prestaties wordt zelfs aangemoedigd. Denk maar aan de nationale hymnen die worden gespeeld bij een overwinning en de vlaggen die alomtegenwoordig zijn. De Spelen staan in het teken van competitie en dit werkt loyaliteit enkel in de hand. Het ontstaan van een nationale identiteit vloeit hier dan ook uit voort (Dennis, 2003, p.1).
De atleet die deelneemt aan de Olympische Spelen representeert de natie in die bepaalde sporttak, maar is ook representatief voor zijn natie in het algemeen. M.a.w. de waarden, overtuigingen en het gedrag van de desbetreffende atleet worden gezien als de heersende waarden en overtuigingen van alle inwoners van dat land. Op deze manier ontstaan er nationale stereotypen.
De invloed van politiek in sport bestaat eigenlijk vanaf de eerste Olympische Spelen. Want toen werd reeds beslist om de nationale vlag en hymne boven te halen bij een overwinning. Hiermee werd het nationalisme in de Spelen gepromoot. Het feit dat sport te maken heeft met competitie en prestaties die kwantitatief gemeten kunnen worden, maakt het zeer geschikt om de sterkte en het succes van een natie symbolisch weer te geven. Hoewel de Spelen oorspronkelijk bedoeld waren als ‘een festival van universele vrede’, is het uitgedraaid als een internationaal politiek machtsspel. Het meest opvallend zijn natuurlijk de Nazi Spelen in 1936, maar er zijn nog talrijke andere voorbeelden: de intrede van de communistische landen in 1952, het salueren van ‘Black Power’ in 1968, het verbod tot deelname van Zuid-Afrika, enzovoort (Goldlust, 1987, p.117-118).
Politiek en sport zijn eveneens met elkaar verweven op basis van een aantal kenmerken. Zowel fysieke kracht, viriliteit, agressie en dominantie als teken van superioriteit komen zowel voor in de sport als in de politiek (Goldlust, 1987, p.124).
Nationalisme in de Olympische spelen heeft ook positieve gevolgen. Het creëert namelijk een gevoel van éénheid in een land. Bijvoorbeeld Canada, dat normaal gezien is opgesplitst in een Franstalig en een Engelstalig gedeelte, staat op het moment van de Spelen als één blok, één natie achter zijn atleten. Maar nationalistische gevoelens mogen niet de bovenhand nemen in de sport. Spijtig genoeg gebruiken regeringen hun atleten vaak om internationale macht te verkrijgen (Segrave & Chu, 1988, p.333-335).
1.1.5 Voorbeelden
Een portie gezond nationalisme mag aanwezig zijn bij sportevenementen. Want het is toch normaal dat je voor je eigen land supportert. Maar men mag hierin niet overdrijven. (Segrave & Chu, 1988, p.331).
Hieronder geef ik twee voorbeelden van hoe nationalisme in sport tot uiting kan komen. Eerst ga ik in op het ‘Oranjegevoel’ van onze Noorderburen (1.1.6.1). Vervolgens licht ik de Olympische Spelen van Berlijn ’36 kort toe (1.1.6.2).
1.1.5.1 Het Oranjegevoel
Dat sportprestaties het zelfbeeld van een natie beïnvloeden en er zelf door beïnvloed worden, is heel frappant in Nederland. Er is zelfs sprake van een Oranjegevoel. Hier wordt het meerderwaardigheidscomplex van onze Noorderburen mee bedoeld. Alhoewel men op andere gebieden nationalisme weert, is het in de sport toch duidelijk aanwezig. Sport is als het ware een uitlaatklep voor nationalistische gevoelens. Op deze manier kunnen naties hun superioriteit tegenover andere landen bewijzen. Er is zelfs een algehele tolerantie in de wereld voor partij kiezen in de sport want dat maakt het allemaal veel spannender. De Nederlanders laten dit uitblijken door massaal naar sportevenementen af te zakken in fel oranje outfit en andere toebehoren zoals vlaggen, muziek etc. Ze slagen er dan ook in om goede sportprestaties neer te zetten, die ten dele het gevolg zijn van dat oranjegevoel. Dit geldt voornamelijk voor het voetbal. Weken op voorhand kondigen ze aan dat ze de beker zullen winnen, er worden al overwinningsfeestjes gepland en heel Nederland wordt gehuld in een oranje schijn. De Hollanders voelen zich duidelijk superieur t.a.v. andere landen en dat werpt uiteindelijk zijn vruchten af. Dit wordt de self-fulfilling prophecy genoemd. Belgen zijn veeleer bescheiden en stellen zich daarentegen zo nederig op dat ze al verloren zijn voor ze beginnen. Maar die hoogmoed van de Nederlanders wordt dan natuurlijk dubbel afgestraft bij verlies, zeker door de Belgen.
De eer van de natie staat of valt met de sportprestaties van haar landgenoten. Dit was onder meer duidelijk te merken tijdens de uitschakeling van Nederland tijdens Euro 2000, het landenkampioenschap in het voetbal. Heel Nederland was dagenlang in de rouw, het werd echt als een catastrofe ervaren. Toen de Rode Duivels werden uitgeschakeld, was iedereen even teleurgesteld, maar dat ging snel over. Nederland is ook met veel minder tevreden dan België. Na de halve finale van de Rode Duivels in Mexico, was het één groot feest in ons land. De Nederlanders nemen echter geen genoegen met minder dan goud. Ze meten zich met grote sportnaties zoals Italië, Duitsland, Frankrijk of Groot-Brittannië. Het land weigert zichzelf als klein te zien en is dus niet tevreden met een tweede of een derde plaats (De Knop e.a., 2002, p.261-265).
1.1.5.2 Olympische Spelen in Berlijn in 1936
In de bespreking van de Olympische Spelen kwam al naar voor dat het een bron was en nog steeds is van nationalisme. Er zijn wel een aantal ‘afleveringen’ waar het verkondigen van nationalisme er vingerdik oplag. Dan denken we meteen aan de Nazi Spelen in 1936 in Berlijn. Het IOC (International Olympic Committee) onder leiding van Baillet-Latour wilde politiek uit de Olympische Spelen houden, maar Hitler gebruikte de Spelen voor zijn nazi-propaganda (Segrave & Chu, 1988, p.336).
Op het moment dat het IOC besliste dat de volgende Spelen in Berlijn zouden worden gehouden, was Adolf Hitler nog niet aan de macht, op het ogenblik dat het sportevenement plaatsvond echter wel. In het toenmalige Duitsland werd sport onlosmakelijk verbonden met politieke ideologie. Dit kunnen we terugvinden in de 3 fundamentele kenmerken van het Nazisme (Duitse Turner (Sport) Beweging):
- gevoel van raciale superioriteit
- belang van een goede gezondheid van het volk
- militaire opleiding (Goldlust, 1987, p.115).
Sport wordt hier dus niet gezien als het leveren van prestaties, maar het wordt in een politieke context begrepen als “het creëren van kracht door training om zo een collectief gevoel van politieke macht, psychologische éénheid en nationalisme te bereiken.” Door iedereen aan dezelfde fysieke routine te onderwerpen, spoort het de deelnemers aan hun individualiteit te overstijgen en op te gaan in de groep. Op deze manier is er dus een duidelijk gevoel van behoren tot een ras en natie. Autoriteiten moedigden hun landgenoten dan ook aan om aan sport te doen vanuit die gedachte om van een heterogene populatie een sterke en verenigde natie te maken (Goldlust, 1987, p.115-117).
Oorspronkelijk moesten de Nazi’s eigenlijk niets hebben van sport in het algemeen en de Olympische Spelen in het bijzonder. Maar hier kwam al snel verandering in. Minister van Propaganda Goebbels zag namelijk in dat dit evenement kon gebruikt worden om het organisatietalent en de fysieke kracht van hun volk te promoten. Ze wilden de wereld imponeren met hun discipline en de grootsheid van de Spelen en zijn daar in geslaagd ook. Maar het Olympisch Comité was argwanend ten opzichte van de ware bedoelingen van Hitler. Er mocht geen uitsluiting zijn op basis van rassenverschillen en ze wilden er tevens zeker van zijn dat de Joden ook zouden mogen deelnemen. Hitler heeft zich alsnog neergelegd bij de Olympische idealen. De antisemitische boodschappen die op straat hingen werden weggehaald, racistische uitspraken werden uit kranten geband etc. Maar uiteindelijk hebben de Nazi’s met hun organisatie van de Spelen een grote indruk nagelaten (Segrave & Chu, 1988, p.201-216).
1.2 Nationalisme in de verslaggeving
van sport
1.2.1 Nationalisme en de massamedia
Een nationale identiteit staat voor éénheid en homogeniteit. Overheden willen een nationaal bewustzijn nastreven en doen hiervoor beroep op de media. De media zijn geschikte instrumenten om van kleine groeperingen één collectief geheel te maken. Er is nood aan gemeenschappelijke waarden en één cultuur, waar de inwoners van een land zich mee kunnen identificeren. Die nationale cultuur moet niet enkel bestaan uit nationale instituties, maar ook uit symbolen (Van den Bulck, 2001, p.54-56). Nu nog wordt de Vlaamse televisie gezien als “een publieke dienst aan de Vlaamse gemeenschap, gericht op de creatie en verspreiding van een Vlaamse hoge cultuur (...).” (Van den Bulck, 2003, p.2).
De oprichting van de openbare omroep werd heel belangrijk geacht door de Vlamingen. Ze werd het symbool van de ‘Vlaamse ontvoogdingsstrijd’. De omroep had dan ook vanaf het begin een expliciet Vlaams karakter. Dat het NIR zich inzette voor het Vlaamse emancipatiestreven, bleek uit haar doelstellingen.
Ten eerste wilde de Vlaamse televisie de spreekbuis van de natie zijn. Het is een medium van Vlamingen over Vlamingen. Op deze manier wil men Vlaanderen identificeren met televisie. De televisie is “het eerste Vlaamse venster op de wereld” (Vandenbussche in Van den Bulck, 2003, p.6-7).
Ten tweede wil de Vlaame televisie meewerken aan de creatie van een Vlaamse imaginaire gemeenschap en op die manier een Vlaams wij-gevoel tot leven brengen. Concreet wilden ze verschillende lagen van de bevolking, op sociaal en geografisch vlak, met elkaar in contact brengen via het medium. En dus de leefwereld van verschillende Vlamingen aan de rest van Vlaanderen kenbaar maken. De herkenbaarheid van de eigen leefwereld is heel belangrijk om een wij-gevoel tot stand te brengen. Deze identificatie met de Vlaamse gemeenschap wordt in de beginjaren gesitueerd tegenover de Waalse gemeenschap. In de jaren ’60 echter gaat de Vlaamse televisie meer en meer aanleunen bij Nederland om cultureel particularisme te vermijden.
Ten derde wil de televisie bijdragen aan de creatie en het behoud van een Vlaamse nationale cultuur en identiteit. Ze promoten de Vlaamse cultuur door het publiek de Vlaamse kunst en kunstenaars te leren kennen. Daarnaast wordt uitdrukking gegeven aan de Vlaamse ziel, namelijk de typische Vlaamse gewoonten en karaktereigenschappen. In de Vlaamse televisie wordt de Vlaamse volksaard gekoesterd, ook de minder positieve kantjes van de gemiddelde Vlaming komen aan bod (Van den Bulck, 2003, p.8-11, 21).
Om het gemeenschapsgevoel in Vlaanderen te creëren, maakt de Vlaamse televisie ook gebruik van de standaardtaal. De gedachte hierachter is dat taaleenheid culturele en mentale eenheid voortbrengt. Het algemeen Nederlands werd het symbool van de Vlaamse gemeenschap. Door het gebruik van het Standaardnederlands kon men de talrijke dialecten die Vlaanderen rijk was overbruggen. Het was eveneens de bedoeling om “via de televisietaal het Nederlands [te] propageren als algemene en cultuurtaal ter vervanging van het Frans”. Men wilde via deze weg de positie van de Nederlandse taal versterken (Van den Bulck, 2003, p.16-17).
De televisie ziet zich (...) als een belangrijk instrument in de cultivering van een nationale identiteit en eenheid, en dus in natievorming. Maar ze wil dat deze natievorming zich baseert op een hoge taal en cultuur. De Vlaamse kijker moet zich dus leren herkennen in een Standaardnederlands spreker. (Van den Bulck, 2003, p.30).
1.2.2 Verbondenheid van sport en de massamedia
“Sport is both represented, constructed and transformed through its contact with the various forms of media” (Boyle & Haynes, 2000, p.144).
Er bestaat een hechte relatie tussen (top)sport en de media. Er is zelfs sprake van een driehoeksverhouding tussen de media, topsport en reclame. Dit leidt tot een gemedieerde vorm van sport: mediasport (Claeys, 1986, p.164). Sportorganisaties verkopen de uitzendrechten van wedstrijden, tornooien,… aan de massamedia, die het evenement in een nieuw kleedje steken om zoveel mogelijk kijkers/ luisteraars aan te trekken, wat dan weer adverteerders aanspreekt. Uiteindelijk draait het allemaal om geld en de massamedia spelen hier de tussenpersoon tussen sponsors en sportploegen (Wenner, 1989, p.22). De belangrijkheid van een wedstrijd bepaalt bijvoorbeeld het aantal camera’s dat wordt gebruikt om de wedstrijd in beeld te brengen (Brookes, 2002, p.26).
Er is eerder sprake van een wederkerige afhankelijkheid tussen de media en sport. Het is niet zo dat alle sporten afhankelijk zijn van de media. Er bestonden immers al talrijke sporttakken vooraleer er sprake was van krant of tv. Maar wanneer een bepaalde sport massa-entertainment wordt, wordt die sport afhankelijk van de media. Die sporten worden ‘commerciële sporten’ genoemd. Door de tussenkomst van de media zijn veel meer mensen geïnteresseerd in bepaalde sporten, wat meer toeschouwers trekt en dus meer geld oplevert.
Ook atleten hebben de media nodig om beroemd te worden. Vooral via het medium televisie verwerven zij nationale en internationale roem. De media hadden in het verleden zelfs inspraak in de wijze van sportbeoefening. Ze hebben dan ook een aantal veranderingen aangebracht in sommige sporten, in functie van de kijkers. Bijvoorbeeld: het inlassen van pauzes om ruimte te creëren voor een commerciële onderbreking.
De media hebben dus een invloed op de sport, maar de sport heeft de media op haar beurt ook veranderd. Dankzij sport zijn er talrijke sportprogramma’s en sportmagazines ontstaan (Claeys, 1986, p.158-159). Kranten blijven bestaan omwille van de sportsectie, die enorm veel adverteerders aantrekt. Ook voor televisie is sport een bron van inkomsten (Coakley, 1986, p.91-97). Van Pelt (2002, p.73-74) vraagt zich zelfs af wat er van televisie zou overblijven wanneer de sport zou wegvallen. Het aantal kijkcijfers dat een zender behaalt in een week, is volledig afhankelijk van het aantal sportevenementen dat is uitgezonden op die zender gedurende die week.
Vooral sport en televisie zijn twee handen op één buik. Sportwedstrijden bevatten een aantal elementen waardoor ze zo’n groot publiek aantrekken. Ze gaan meestal live in uitzending en er is sprake van een combinatie van spektakel, spanning en mogelijkheid tot identificatie (Hargreaves, 1982, p.71-73). Van Pelt (2002, p.75) voegt hier nog de volgende elementen aan toe: actie, competitie en sensatie.
1.2.3 De sportjournalistiek
Zoals journalistiek in het algemeen, is ook sportjournalistiek een product. Journalisten werken onder druk om een bericht tegen een bepaalde deadline af te werken. Iedereen heeft zijn eigen taak op de redactie en men probeert die zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. Er is sprake van een zekere routine op sportredacties en dus van een vrij stabiele organisationele structuur. Voor hun informatie moeten sportjournalisten in grote mate beroep doen op sportorganisaties, die op hun beurt positief in het nieuws willen komen. Er is een wederkerige afhankelijkheid tussen sportjournalisten en sportorganisaties.
Op de redactie zelf bestaat er ambivalentie t.a.v. sportjournalisten. Langs de ene kant worden sportjournalisten ruim beloond omdat ze met hun berichten een groot publiek bereiken, wat adverteerders aantrekt. Ze zijn m.a.w. van cruciaal belang voor het economisch succes van nieuwsorganisaties. Maar langs de andere kant worden sportjournalisten als minderwaardig beschouwd tegenover bijvoorbeeld politieke journalisten, die veel meer aanzien krijgen. Er wordt hen verweten dat ze over minder kwaliteiten hoeven te beschikken voor deze ‘gemakkelijkere’ vorm van journalistiek. Ze krijgen geen erkenning buiten de deuren de sportredactie (Brookes, 2002, p.36-39).
Sportjournalisten hebben te kampen met een aantal conflicten. Vooreerst trachten ze een evenwicht te vinden tussen realiteit en entertainment. Het moet lijken alsof de kijker zelf aanwezig is bij de sportwedstrijd. De kijker mag niet merken dat het om mediasport gaat. Maar de journalist zorgt ook voor wat sensatie door nieuwtjes over het privé-leven van de sporters mee te delen en op die manier identificatiemogelijkheden met de sportsterren mogelijk te maken. De spektakelwaarde mag dus zeker niet uit het oog verloren worden. De journalist moet eveneens rekening houden met de toegankelijkheid. Hij moet het midden vinden tussen verslag geven voor een groot publiek aan de ene kant en voor de echte sportkenner aan de andere kant. Deze spanning kan worden opgelost door de verslaggeving van een wedstrijd te laten doen door een commentator, die spreekt voor de algemene kijker en een specialist ter zake (vaak een ex-sporter uit die bepaalde discipline), die zijn expertvisie op de match geeft (Brookes, 2002, p.22-27).
Wat de televisie ons laat zien is niet het sportevenement zelf maar wel een ‘media-event’. Berichtgeving is m.a.w. nooit objectief, maar altijd in zekere mate selectief (Hargreaves, 1982, p.69-70). Dit wil zeggen dat wat we zien, horen of lezen in de media niet volledig in overeenstemming is met de realiteit. Dit geldt ook voor de sportmedia. De media bepalen wat we zien en hoe we het zien. Dit is het gevolg van de selecties die de media maken om een sportwedstrijd weer te geven. Er wordt met name bepaald welke sportevenementen we te zien krijgen, hoeveel aandacht er aan elke sporter wordt besteed, welke acties er in beeld worden gebracht en welke achterwege worden gelaten, en waar de nadruk op zal liggen. Er wordt ook wel gesproken van de re-presentatie van sport door de media (Claeys, 1986, p.157-158).
De keuze van sportjournalisten om bepaalde sportevenementen te laten zien en andere niet, kan verklaard worden door het belang van de creatie van een nationale identiteit. De media selecteren bepaalde sporten die symbool staan voor de nationale identiteit. Hetzelfde gebeurt met sportsterren. Sommigen worden naar voor geschoven als representatief voor de hele natie. Die sportlui belichten het nationale karakter beter dan andere atleten, die bijgevolg minder aan bod komen in de pers (Brookes, 2002, p.89).
1.2.4 Nationalisme in de verslaggeving van sport
Mede door hun alomtegenwoordigheid oefenen de media een grote invloed uit op onze gedachten, meningen en acties. Want de media blijven voor publieke aangelegenheden een zeer belangrijke informatiebron. Ze bekleden dan ook een machtige positie waarin ze bij het publiek bepaalde opinies kunnen creëren of versterken. De media hebben dus ook een groot aandeel in het opwekken van nationalistische gevoelens bij de bevolking (Dennis, 2003, p.1). Hier komt dan bij dat vandaag de dag veel mensen met topsport in contact komen louter en alleen door de media en dan voornamelijk door sportverslaggeving op televisie (Blain, Boyle & O’Donnell, 1993, p.3-4).
Volgens Anderson creëren de media op deze wijze ‘imagined communities’. De belangrijkste oorzaak hiervan is dat de media aan grote aantallen mensen tegelijkertijd hetzelfde bericht tonen. Ook sportverslaggeving heeft bijgedragen tot de vorming van een nationale identiteit door het dagelijks leven van individuen te verbinden met een abstracter begrip: de natie. Berichten over sport wekken een wij-gevoel op, een samen-behoren-tot.
Nationale identiteit wordt weergegeven op basis van noties van consensus, een gemeenschappelijk belang voor alle leden van de natie, een zelfde culturele erfenis en een gezamenlijk verleden. Deze kenmerken worden in duidelijk contrast gesteld tegenover andere naties. Sport heeft een belangrijke rol gespeeld in deze creatie van traditie. Sommige sporten zijn namelijk al zeer oud en niemand kent hun echte oorsprong meer. De mythe die rond die oorsprong hangt, wordt dan vertaald naar het typisch zijn voor een bepaalde natie (Brookes, 2002, p.86-89).
Het wordt als vanzelfsprekend gezien dat in de verslaggeving van internationale wedstrijden, meer aandacht uitgaat naar deelnemers of teams uit het eigen land. Het publiek is dan ook vooral geïnteresseerd in de prestaties van sportlui van eigen bodem. Deze uiting van nationalisme gaat gepaard met het stereotyperen van atleten van een andere nationaliteit. Dit kan gaan om het toekennen van een bepaalde kenmerkende speelstijl of houding die dan wordt geëxtrapoleerd naar alle leden van die natie. In enkele gevallen kan men spreken van xenofobie wanneer de cultuur (kledij, eetgewoonten etc) van een natie rechtstreeks wordt aangevallen (Brookes, 2002, p.83-84).
Waarom hebben uitzendingen van bepaalde sportwedstrijden zoveel succes? Eén van de belangrijkste redenen hiervoor is dat die wedstrijden een aanvaardbare vorm van ritueel representeren die de collectieve identiteit versterkt. Vroeger was die rol weggelegd voor het geloof en de religieuze rituelen. Maar in deze moderne wereld hechten de mensen daar veel minder belang aan en het wordt dus moeilijk om het evenwicht te bewaren tussen individualisme en collectivisme. We neigen door waarden zoals rationaliteit, positivisme en professionalisme te vervallen in een individualistische wereld. Men heeft dus publieke rituelen in het leven geroepen om het collectief bewustzijn op te wakkeren. Die rituelen worden gevierd met grootschalige ceremonieën of evenementen om de nationale identiteit nog meer te versterken. Voorbeelden hiervan zijn de nationale feestdag en de nagedachtenis van oud-strijders. Televisie heeft hier nog een heleboel belangrijke sportevenementen aan toegevoegd. Want mediasport is immers de belangrijkste culturele sleutel om een imaginaire nationale eenheid tot stand te brengen. Omdat televisie een groot publiek bereikt, kan het nationaal gevoel versterkt worden. Dit is vooral zo bij teamsporten omdat het team het ideaalbeeld schetst van hoe de gemeenschap er zou moeten uitzien (Goldlust, 1987, p.129-131).
Er is een verschil tussen landelijke televisie en satelliet televisie. Met deze laatste organisatievorm van tv kunnen uitzendingen door heel de wereld ontvangen worden. Men zou verwachten dat bij multinationale televisie de stijl eerder internationaal dan nationaal getint is. Toch worden nationalistische uitingen hier niet achterwege gelaten. Want de programma’s die worden uitgezonden en de ideologieën die daarin verkondigd worden, zijn natuurlijk afkomstig van één bepaald land en daarom leent ook deze vorm van televisie zich voor het produceren van nationalistische gevoelens (Blain, Boyle & O’Donnell, 1993, p.28-29).
Theoretisch gezien kan het mondiale bereik van satelliettelevisie het internationalisme en begrip voor internationale verschillen in de hand werken. Maar dit ideaal is geen werkelijkheid, integendeel. Bij belangrijke sportevenementen is er des te meer sprake van chauvinisme en nationalisme. Op dat moment komt de sport zelfs op de tweede plaats te staan, de eigen natie is belangrijker. Verslaggevers proberen dan ook om van hun publiek één sportfamilie van dezelfde natie te maken. De organisatorische en sportieve samenwerking van sportorganisaties wordt verwaarloosd door de verslaggevers. Zij concentreren zich meer op de wedstrijd zelf omdat sensatie op tv verkoopt (Listhaeghe, 1992, p.58-60). Sportjournalisten focussen zich vaak op het apolitieke aspect van sport. Zo worden sportevenementen getoond alsof het gelegenheden zijn waar verschillende landen in vriendschap aan deelnemen. Maar niets is minder waar. Sportwedstrijden zijn politieke en ideologische spanningsvelden (Blain, Boyle & O’Donnell, 1993, p.13).
Regeringen van alle politieke strekkingen zien sport en dan vooral de evenementen op internationaal niveau als zeer belangrijk in het stimuleren van een nationale identiteit. Vaak streven ze via deze weg andere, politieke, doeleinden na (Blain, Boyle & O’Donnell, 1993, p.13).
Grote sportevenementen zetten bepaalde naties in de kijker. Dit kan gaan om het gastland of een land waarvan de sporters grote prestaties neerzetten. Met al die (media)aandacht maken die landen natuurlijk van de gelegenheid gebruik om hun identiteit in een positief daglicht te stellen. Dit kunnen ze op drie verschillende manieren doen:
Ze kunnen de waarden en idealen van hun natie verkondigen. Dit gaat gepaard met een gevoel van nationale superioriteit.
Een kleine groep kan zich proberen boven de rest van het land te stellen. De Olympische Spelen van Barcelona in 1992 dreigden bijvoorbeeld Catalaanse Spelen te worden. Er was in dit geval een gevaar voor de nationale eenheid.
Onderdrukte groepen zien die media-aandacht als een springplank naar raciale gelijkheid (Dennis, 2003, p.2).
In de internationale sportcompetitie is sport het symbool van een collectieve nationale identiteit. Dit wordt versterkt doordat de media de sport transformeert. Eén van de redenen hiervoor is dat de media zelf ook onderhevig is aan economische, politieke en culturele druk. Verschillende media geven dan ook hetzelfde evenement op een totaal andere manier weer. Het gevaar is reëel dat bepaalde landen zich superieur gaan voelen t.a.v. andere landen omwille van de goede prestaties van hun landgenoten. We moeten de media natuurlijk ook niet zien als de enige bron die een nationaal identiteitsgevoel creëert. Dat gevoel is altijd aanwezig, de media speelt enkel een grote rol in het versterken van dat gevoel (Boyle & Haynes, 2000, p.147-150).
Men moet de geteleviseerde sport zien in het kader van de economische, politieke en historische achtergrond van een bepaald land. De representatie van de sport is eigenlijk een weergave van, en versterkt en normaliseert de heersende waarden en houdingen die ook in de andere maatschappelijke sferen (politiek en cultuur) voorkomen.
Blain en O’Donnell beweerden dat gemedieerde sporten (vb voetbal) drie verschillende banden kunnen hebben met de gemeenschap:
sport als aanwijzing van een gemeenschap: het winnen of verliezen van een wedstrijd is een deel van de nationale identiteit van een land
sport als aanvulling van een gemeenschap: mislukking in de sport wordt hier gezien als mislukking van de gemeenschap
sport als voorstelling van een gemeenschap: sport wordt gelijkgesteld aan de gemeenschap en de resultaten van het nationale team worden slechts voor een klein deel toegeschreven aan het team zelf, maar bijna volledig aan de gemeenschap (Blain en O’Donnell in Boyle & Haynes, 2000, p.153).
Deze drie categoriën weerspiegelen de graad van moderniteit van een land. Spanje en Duitsland zien de voetbalprestaties van hun nationale ploeg als een weergave van het identiteitsgevoel. In minder moderne landen zoals Groot-Brittannië worden slechte sportprestaties daarentegen voorgesteld in de media als een indicator van nationale achteruitgang. De media gebruiken sport m.a.w. voor verschillende commerciële en/of ideologische doeleinden. Ook het verleden, heden en de verwachte toekomst van een natie spelen een rol in de mediatie van sport. Bij bepaalde politieke, economische en culturele gebeurtenissen willen de media via een sport of sportevenement het nationalisme aanwakkeren. Op andere momenten is dit minder opvallend (Boyle & Haynes, 2000, p.153-154).
Journalisten van verschillende landen schrijven vaak vanuit bepaalde belangen en machtsverhoudingen. Dit heeft tot gevolg dat er meerdere versies bestaan van de verslaggeving van een match of een tornooi. Dit is ook afhankelijk van de sport in kwestie. De aard van elke nationale pers komt voort uit de sociale en politieke structuur van de natie, maar ook uit de culture elementen en het verleden van dat land. Bijvoorbeeld: het duidelijke onderscheid in Groot-Brittannië van kwaliteitskranten en tabloids is het gevolg van de klassenmaatschappij (Blain, Boyle & O’Donnell, 1993, p.3-5).
1.2.4.1 Voorbeeld: Wimbledon 1991
Hierboven heb ik reeds vermeld dat mensen meer geneigd zijn zich te identificeren met teamsporten omdat de teams een ideaalbeeld vormen van hoe de samenleving er zou moeten uitzien. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat er geen identificatiemogelijkheid is bij individuele sporten, zoals bijvoorbeeld tennis. Dit wordt duidelijk geïllustreerd door de verslaggeving in de media van het Grand Slam tornooi in Wimbledon in 1991.
In tegenstelling tot evenementen zoals Davis Cup waar je als afgevaardigde van een bepaalde natie speelt, treden de spelers in Wimbledon als individuen naar voor. Het verschil ligt erin dat de tennissers niet voor hun land spelen maar voor zichzelf. Anders dan op de Olympische Spelen mogen de outfits van de deelnemers geen nationale kleuren bevatten (iedereen moet in het wit tennissen), er zijn geen vlaggen aanwezig en er worden ook geen nationale hymnen gespeeld (Blain, Boyle & O’Donnell, 1993, p.120-122).
De opzet van Wimbledon geeft m.a.w. geen directe aanleiding tot nationalisme. Maar het is en blijft wel een internationaal tornooi, dat uitgezonden wordt in meer dan 100 landen en enorm veel kijkers trekt. En daarom wekt het nationalistische gevoelens op. Dit werd overduidelijk in de verslaggeving van dit tornooi in de nationale kranten van elk deelnemend land. Toen in 1991 de twee laatste Belgen uitgeschakeld waren, schreef La Libre Belgique:
‘Never in the history of modern tennis, that since the advent of professional tennis, had our country been so well represented on…London soil.” Er werd dus naar de spelers verwezen als representatief voor hun natie, niet naar de spelers op zich. En als er meerdere spelers van hetzelfde land deelnamen, werd er door de kranten zelfs de idee van een nationaal team opgehangen. Als gevolg hiervan werd er in de dagbladen dan ook verwezen naar de meer traditionele symbolen van nationalisme, zoals bijvoorbeeld de vlag (Blain, Boyle & O’Donnell, 1993, p.122-123).
Het tennistornooi in Wimbledon bestaat al sinds 1922 en heeft steeds veel toeschouwers aangetrokken. Engeland heeft er dan ook goed gebruik van gemaakt om de zijn tradities uit te spelen tijdens het tornooi. Dit is een belangrijke vorm van nationalisme. Wimbledon bestaat uit een heleboel tradities, ze maken echt deel uit van het evenement. In de pers wordt er veelvuldig verwezen naar die Britse tradities. Zo stond er in El Mundo Deportivo het volgende:
Strawberries and cream, the Duke and Duchess of Kent chatting with the ball boys, the white clothes, Sunday off… Wimbledon is more than a competition, it sums up the English love for tradition. If, instead of a young man wearing a white shirt and shorts and holding a racket, it was an elderly man dressed in black, wearing a bowler and holding an umbrella who came out on to the centre court, the spectators would not be surprised: this person would be part of a typically British setting.
In dit artikel komt zeer goed naar voor hoe heel het tornooi van Wimbledon in het teken staat van het verkondigen van de Britse levensstijl en tradities. Wimbledon zelf wordt vaak door de pers gehuld in religieuze metaforen en beschouwd als een tempel of een kathedraal. De pers verwijst ook veelvuldig naar de klassenmaatschappij die Engeland nog steeds is. De toeschouwers komen uit de hoge klasse en er zijn bij elke wedstrijd een aantal belangrijke figuren uit de aristocratie aanwezig. In de kranten wordt er verwezen naar de aardbeien met slagroom die verkocht worden tijdens de matchen. Dit chic hapje staat symbool voor de levensstijl van de aristocratie (Blain, Boyle & O’Donnell, 1993, p.123-126).
Een andere opmerkelijke traditie is de verplichte witte klederdracht. 1991 was het jaar waarin Andre Agassi, die om deze reden al twee maal had geweigerd deel te nemen, voor het eerst van de partij was. De kranten stonden dagenlang vol met voorspellingen en opmerkingen over de outfit die Agassi zou aantrekken. Maar de anders zo kleurrijke Amerikaan brak niet met de Britse traditie en verscheen mooi in het wit. Natuurlijk was ook dit goed voer voor alle kranten; Agassi werd positief geassocieerd met ‘de witte ridder’, ‘een eerste communicant’ en talrijke merken van waspoeder omdat hij aldus de traditie in ere had gehouden (Blain, Boyle & O’Donnell, 1993, p.127-129).
De eerste week van het tornooi in ’91 werd de recordhoeveelheid neerslag verbroken. De organisatoren zagen zich dan ook genoodzaakt om de tennissers op ‘Middle Sunday’ te laten spelen: er werd een traditie gebroken omwille van een andere traditie, namelijk de regen. Maar de journalisten waren eigenlijk vooral bezig met de specifieke supporters die die zondag aantrok. Omdat de tickets niet op voorhand gekocht konden worden, stonden van zaterdag op zondag enorme rijen aan te schuiven voor de kassa’s. Het grote verschil lag hierin dat het serieuze aristocratische volk werd vervangen door gepeupel van de lagere klassen. Het publiek bestond voor die ene dag eens uit hoofdzakelijk jonge mensen die enorm enthousiast waren omdat ze nog nooit op Wimbledon waren geweest. Speciale gasten en de koninklijke familie waren die dag niet aanwezig. Er werden die zondag niet veel aardbeien geserveerd, er werd gezongen en iedereen deed mee aan de wave (Blain, Boyle & O’Donnell, 1993, p.130-136).
De rigiditeit van de Britten komt ook naar voor bij het volgende voorval. In 1992 won Andre Agassi het tornooi voor de mannen. In alle opwinding vergat hij zijn pet af te zetten toen de Graaf en de Gravin van Kent hem zijn trofee overhandigden. Dit werd hem meermaals verweten in de Britse pers, want de Britten waren er van overtuigd dat hij bewust het protocol niet wilde respecteren (Blain, Boyle & O’Donnell, 1993, p.136).
Alhoewel de Britten een zeer befaamd tornooi hebben, beschikken ze zelf niet over veel tennistalent. Omdat de Britten geen nationale held hadden om voor te supporteren, gingen ze buitenlanders die de Britse waarden en tradities respecteerden aanmoedigen. Boris Becker bijvoorbeeld verkondigde van in het begin hoe leuk hij het vond om in Wimbledon te tennissen en de Britten gingen hem beschouwen als één van hen.
Mislukken in sport wordt vaak geassocieerd met mislukken van de gehele natie. Het Britse tennis staat dan ook symbool voor het mislukken van het land in het algemeen. Vooral de Britse tabloids kregen veel kritiek van de Europese pers. Zij schreven niet meer over tennis maar zochten naar sensatie in het privé-leven van de tennissers en tennissters. Langs de ene kant had men in Engeland de aristocratie die zeer deftig en serieus waren. Langs de andere kant echter waren hun journalisten ongemanierd en was hun houding erg laag bij de grond (Blain, Boyle & O’Donnell, 1993, p.138-141).
Wat de spelers zelf betreft, waren er maar twee landen aanwezig die een nationaal discours uiteenzetten: Zweden en Duitsland.
a) Zweden
Het Zweedse volk, maar eigenlijk alle Scandinaviërs, zijn beheerst en koel. In kranten kregen tennissers zoals Björn Borg en Stefan Edberg dan ook de naam ‘ijsberg’ of iets in die aard.
b) Duitsland
De twee finalisten van ’91 bij de mannen waren afkomstig uit Duitsland en ook de winnares bij de vrouwen was een Duitse. Ze hadden dus reden genoeg om hun Duitse nationaliteit te vieren. Duitsland dankte de overwinningen van haar landgenoten aan de efficiëntie, de superioriteit en de militaire agressie van het Duitse volk.
Eerst en vooral worden de 3 Duitse finalisten (Michael Stich, Boris Becker en Steffi Graf) in de Europese pers ‘Teutons’ genoemd, verwijzend naar de Duitse helden in de mythologie. Ten tweede worden ze machines genoemd, waarbij de nadruk dan ligt op hun efficiëntie. Ten derde wordt hun krachtige tennis beschreven aan de hand van metaforen uit het leger. Er worden woorden gebruikt zoals kanonschot, bom, explosief, gevaarlijk, fataal, gewelddadig, vernietigen enzovoort om de opslag van Michael Stich te beschrijven. Tenslotte verschijnen er ook berichten in de krant die de Duitsers verheerlijken. Er wordt gesproken over de Duitse triomf en overwinning en over de superioriteit van de Duitsers, niet enkel op gebied van tennis maar ook in de economie en de politiek. Nochtans werd er in de Europese continentale berichtgeving slecht twee keer verwezen naar Wereld Oorlog II. Het zijn de Britten die veelvuldig terugkwamen op de twee wereldoorlogen. En dan vooral de tabloids die vele woordspelingen en anti-Duitse grappen maakten. De Britten konden het namelijk niet verkroppen dat zowel de vrouwenfinale als de mannenfinale werd gewonnen door Duitsland. Gedreven door hun jaloezie probeerden ze dan ook via hun berichtgeving de Duitse overwinning teniet te doen door te verwijzen naar de grote fouten van Duitsland tijdens WO II. Zulke uitlatingen zijn duidelijk politiek getint en zitten vol van ideologieën. De Britten konden er niet tegen dat Duitsland succes had op sportief vlak en ook nog eens dominant waren wat betreft politiek en economie in Europa. Er werd dan ook zowel door de kwaliteitskranten als door de populaire kranten gesuggereerd dat de Duitse overwinning te danken was aan hun brutaalheid en dus niet moreel aanvaardbaar en zelfs oneerlijk was (Blain, Boyle & O’Donnell, 1993, p.141-149).
In de bespreking van Wimbledon ’91 komt duidelijk naar voor dat ook in individualistische sporten nationalisme aanwezig is. De stoïcijnse Britten willen hun tradities en waarden verkondigen gedurende de wedstrijd en ook de Europese pers schrijft voluit over de Engelse tradities en idealen.
1.3 Besluit
Er bestaat geen twijfel meer over het feit dat sport de geschikte uitlaatklep is voor nationalistische gevoelens. Er zijn verschillende manieren om nationalisme in sport tot uitdrukking te brengen. Dit wordt zeer goed geïllustreerd door de Olympische Spelen (en dan voornamelijk die van Berlijn ’36) en het Oranjegevoel.
Wanneer we dan kijken naar de media, zien we dat die functioneren als versterker van de nationale identiteit. Media en sport zijn twee handen op één buik en de media hebben ook verschillende troeven in handen om een nationale identiteit tot stand te brengen. De verslaggeving van sport zit dan ook vol van nationalistische ideologieën. Denk maar aan Wimbledon ’91.
Hoofdstuk 2: Nationalisme in België: eenheid of niet?
2.0 Inleiding
Het is
onzin natuurlijk, want is het niet Justine Henins schuld of verdienste dat ze
als Waalse geboren is. Maar feit is dat met de rijzende ster van het frêle
meisje uit Han-sur-Lesse het Belgische tennis perfect communautair in evenwicht
is, samen met de al even succesvolle Limburgse Kim Clijsters. En zo hebben de
Belgen het graag. Zeker de overheden die in sportvedettes graag een voorbeeld
voor de bevolking en een exponent van een geslaagd sportbeleid zien
(Driessens in Gazet Van Antwerpen,2003) .
Ons land heeft heel veel geluk met twee tennissters die de nummer 1- en 2-posities bekleden op de wereldranglijst. Toeval wil dat beide meisjes uit verschillende uithoeken van het land komen: Kim is een Vlaamse, Justine een Waalse. Een ideale situatie waarin we kunnen nagaan of België één natie is en beide speelsters even veel steun krijgen van het publiek. Of wordt het publiek eveneens verdeeld in Vlaamse en Waalse fans die elk voor het meisje uit hun regio supporteren?
In dit hoofdstuk gaan we eens kijken hoe het gesteld is met de nationale identiteit van de Belg. Is er wel één? Of bestaat ons land echt uit twee verschillende volkeren met elk hun eigen identiteit? Voelen Belgen zich in de eerste plaats Belgisch of Vlaams/Waals? Voelen ze zich verbonden met de mensen die in het andere taalgebied leven?
2.1 Een klein stukje geschiedenis
Er heerst eensgezindheid over de twee eigenschappen die een nationaliteit moet bezitten om over een nationaliteit te kunnen spreken. Ten eerste is er een gemeenschappelijke taal nodig en ten tweede moet er sprake zijn van langdurige onafhankelijkheid. België voldoet echter niet aan beide noodzakelijke karakteristieken. Volgens de meeste historici zou België dan ook pas een nationaliteit ontwikkeld hebben in 1830. Dit komt mede tot uiting in de Brabaçonne: “Après des siècles d’esclavage, le Belge sortant du tombeau…” Stengers is hier echter niet mee akkoord. De Belgische identiteit heeft volgens hem altijd bestaan, maar werd steeds verschillend ingevuld.
Gedurende de 16e, 17e en 18e eeuw is België steeds onder buitenlands bewind geweest. Maar de Belgen hebben dit nooit aangevoeld als onderdrukking. Want hun administratie, politie en justitie bleef een nationaal karakter behouden. Deze instituties zorgden ervoor dat er een ‘virtuele staat’ was, waaruit een natie ontstond. De inwoners van eenzelfde staat ontwikkelden een wij-gevoel, ze maakten deel uit van dezelfde collectiviteit met eigen kenmerken.
In de 15e en 16e eeuw maakte België deel uit van de 17 Provinciën. Het nationaal bewustzijn dekte toen ook alle 17 provincies. Hier kwam een einde aan in de 17e eeuw toen de 17 Provinciën uiteenvielen in een noordelijk en een zuidelijk gedeelte. Uit deze twee nieuwe staten groeiden twee nieuwe nationaliteiten voort. De Belgische nationaliteit kwam uiteindelijk tot stand op het einde van de 18e eeuw tijdens de Brabant Revolutie, die een echte nationale revolutie was. Ze benadrukten met trots hun kracht en deugden.
Wanneer de Belgen in de 19e eeuw verenigd worden met Nederland, laaide het Belgisch nationaliteitsgevoel hoog op. België en Nederland waren veel te lang van elkaar gescheiden geweest, en ze zagen elkaar dan ook als anders en vreemd. Ze hadden elk een verschillende godsdienst en spraken een andere taal (de helft van de Belgen sprak in die tijd Frans). In dit geval slaagde de staat er niet in een natie te creëren omdat de Belgen de staat niet als de hunne beschouwden. Ze voelden zich gedomineerd door Nederland deels omdat alle hogere posities bekleed werden door Nederlanders. Dit gevoel heeft geleid tot de Belgische Revolutie van 1830. Deze nationale revolutie was niet meer dan de uiting van een nationaal bewustzijn dat sinds lange tijd ingeburgerd was bij de Belgen (Stengers, 1981, p.46-54). Wanneer België door deze revolutie onafhankelijkheid verwerft, zijn zowel de Walen als de Vlamingen onmiddellijk bereid om een natiestaat tot stand te brengen. Volgens Hroh gebeurt de vorming van kleine naties in drie fasen. De eerste fase bestaat uit de vorming van een culturele beweging die zich interesseert in de taal en cultuur van een bepaalde groep mensen. De volgende fase houdt in dat een minderheid actieve militanten hun politieke eisen bekend maken aan het volk. Het nationaal bewustzijn wordt in deze fase aangewakkerd. In de laatste fase wordt het nationalisme gesteund door de massa (Hroh in Deprez & Vos, p.94).
Dat bij het Belgische volk het nationaal gevoelen duidelijk aan de oppervlakte komt, merken we aan de liederen en gedichten die in die periode werden geschreven:
«Flamands, Wallons,
Ce ne sont là que des prénoms;
Belge est notre nom de famille.»
(Kurth, 1930, p.1-5).
In de verdere 19e eeuw bleef het nationale identiteitsgevoel zeer sterk aanwezig. Dit kwam onder andere tot uiting in de ontwikkeling van een nationale mythologie waarin duidelijk werd gemaakt dat het ontstaan van het natiegevoel al zeer oud is. Vanaf dit ogenblik zijn de Belgen eveneens erg bereidwillig om hun nationale integriteit te bewaren. Ze duldden dan ook geen buitenlandse bemoeinissen meer. België trad in deze periode nog steeds op als één geheel. Het onderscheid tussen Vlamingen en Walen bestond al, maar dit ging niet gepaard met nationalistische gevoelens (Stengers, 1981, p.53-57).
2.1.1 De Vlaamse Beweging
De cultuur in België werd in de 19e eeuw hoofdzakelijk in het Frans beleefd. In alle instellingen in België was Frans de voertaal. Zelfs in Vlaanderen, ook al sprak 95% van de Vlamingen Nederlands. Een aantal Vlaamsgezinde intellectuelen wilde hier tegen ingaan en richtten de Vlaamse Beweging op. Deze beweging had in het begin als doel om bij te dragen aan de emancipatie van een nationaal bewustzijn en maakte die Vlaamse Beweging deel uit van het Belgisch patriottisme, maar al snel werd deze groepering onafhankelijk. In het begin wilde de Vlaamse Beweging enkel dat het Vlaams zou erkend worden als tweede landstaal, op gelijke voet met het Frans. Maar beetje bij beetje wilden ze de Vlamingen ook verheffen op politiek, sociaal en cultureel gebied.
Omdat ze katholiek gezind was, had de Vlaamse Beweging enorm veel aanhangers. Naast de Belgische natie ontstond op deze manier ook een Vlaamse natie. Dit kwam onder andere tot uiting in een aantal Vlaamse symbolen zoals de Vlaamse nationale feestdag op 11 juli en een eigen vlag (de Vlaamse Leeuw). Het Vlaams subnationalisme was nog toen nog steeds ingebed in een Belgisch nationaal gevoel. Er waren geen tegenstellingen tussen de Belgische en Vlaamse identiteit. De Vlamingen distantieerden zich wel van de Walen, maar voelden zich in de eerste plaats nog steeds Belgen.
Dit veranderde na Wereldoorlog I. De Vlaamse Beweging viel uiteen in twee aparte strekkingen: één die loyaal bleef tegenover België, een andere die anti-Belgisch was. Ze hadden wel gemeenschappelijk dat ze zich meer en meer Vlaams begonnen te voelen, en niet meer zozeer Belgisch. Terwijl de loyalen voorstanders bleven van de dubbele ééntaligheid in het openbare leven, het leger en de administratie, waren de eisen van de anti-Belgen veel radicaler en kregen fascistische trekjes. Ze zagen de Belgische natie als ‘verdrukker van het Vlaamse volk’ en wilden de Belgische staat vernietigen. Ze streefden daarbij naar een politiek onafhankelijk Vlaanderen.
Tijdens de tweede Wereldoorlog collaboreerden de radicalen met de Duitsers. De loyalen bleven trouw aan de Belgische natie omdat die Vlaanderen beschermde van algehele opslorping door Duitsland. Na 1945 was het even stil rond de Vlaamse Beweging. Maar het duurde niet lang vooraleer het antibelgicisme heropleefde in een Vlaams-nationalisme. De aanhangers wilden een gelijke behandeling op gebied van taal voor Franstaligen en Nederlandstaligen. De Vlaamse taal stond symbool voor de Vlaamse identiteit en het feit dat de Franstaligen de taalwetten van 1930 niet respecteerden, werd als beledigend ervaren. Volgens de Franstaligen vormde de Vlaamse taalstrijd een gevaar voor de democratie. De Belgische staat moest volgens hen neutraal blijven in culturele aangelegenheden.
De Vlaams nationalisten slaagden er uiteindelijk in om in 1993 het federalisme door te voeren. Zo ontstond de Vlaamse natiestaat. Het federalisme heeft wel de neiging om de loyaliteit van de burgers van de Vlaamse natie meer te richten op de Vlaamse staat dan op de Belgische staat.
Uiteindelijk moest de politiek inspelen op de groeiende tegenstellingen tussen Vlamingen en Walen en de Belgische staat aanpassen aan de nieuwe nationale realiteit. De Belgische nationale identiteit vervaagde, terwijl de gemeenschaps- en regionale identiteiten steeds sterker werden (Vos, 1999, p.91-102).
2.1.2 De Waalse Beweging
De Waalse Beweging kwam pas veel later tot stand, aan het
einde van de 19e eeuw. Ook hier werd deze beweging opgericht in
functie van taaleisen. De stroming groepeerde zich in Brussel en Vlaanderen
omdat daar de dominantie van het Frans in vraag werd gesteld door onder andere
de Vlaamse Beweging. In Wallonië werd het Frans niet bedreigd door het Vlaams en
dus was de beweging daar niet aanwezig. We kunnen dus beter spreken van een
francofone beweging. Want ook Franstalige Vlamingen maakten deel uit van de
Waalse Beweging.
De leden van de Waalse Beweging waren voorstanders van de
opheffing van dialecten en van het gebruik van het Frans als universele taal die
zou zorgen voor de eenheid in het land. Ze wilden m.a.w. een Belgische
nationaliteit tot stand brengen. De Walen hadden het Waals opgegeven, de
Vlamingen moesten langs hun kant dan ook vaarwel zeggen aan hun Vlaamse
dialecten (Kesteloot in Deprez & Vos, 1999, p.161-165).
In 1912 werd de Assemblée wallonne opgericht. Deze groepering richtte zich niet meer op de francofone Vlamingen en Brusselaars, maar op Wallonië zelf. Hun ideaal was een Belgische unionisme en de bewaring van de Belgische nationaliteit. Wallonië zou hierbij ééntalig zijn, Vlaanderen tweetalig. Om dit te realiseren moesten Vlamingen en Walen één geheel vormen. Na de eerste wereldoorlog groepeerden de Walen die kozen voor een autonoom Wallonië, en zich niet wilden inlaten met het Belgisch unionisme, zich onder de naam Ligue d’action wallonne. Deze beweging was in de eerste plaats Waals en niet Belgisch. Na Wereldoorlog II kende deze hernieuwde Waalse Beweging een sterke heropleving. Ze ijverde voor een Waalse natie. Pas in de jaren ’60 werd de Waalse Beweging een massabeweging. De hervorming van het unitaire België naar een federale staat kwam op gang (Kesteloot in Deprez & Vos, 1999, p.166-175).
2.2 Een Belgische nationaliteit?
Kurth houdt zich bezig met de vraag of er in de jaren vlak na de bevrijding al dan niet sprake was van een nationale identiteit. Langs de ene kant heeft ons land te kampen met een aantal hinderpalen. Ten eerste heeft België geen natuurlijke grenzen zoals zijn buurlanden (door rivieren of bergen) dat wel hebben. Ten tweede is er geen nationale taal. Ons land bestaat uit drie groepen die op linguïstiek vlak van elkaar verschillen. Maar langs de andere kant is het geen kwestie van dezelfde taal te spreken of dezelfde huidskleur te hebben. Het is wél een kwestie van idealen. « Ce qui constitue le lien le plus durable de toute vie nationale, c’est la jouissance commune d’un même régime de libertés et la fidélité aux mêmes institutions.» Kurth erkent wel dat wanneer alle Belgen zowel het Frans als het Nederlands zouden beheersen, de weg naar nationale eenheid gemakkelijker wordt (Kurth, 1930, p.12-20).
Belgen hebben meer dan één nationaliteit. Vooreerst heeft elke Belg een officiële nationaliteit, namelijk de Belgische. Maar daarnaast beschikken alle Belgen als gevolg van de staatshervormingen ook over een Waalse of Vlaamse (sub)nationaliteit. Vlamingen en Walen hechten hier echter een verschillende waarde aan. Voor de Walen blijft de Belgische nationaliteit het belangrijkste, Vlamingen associëren zich daarentegen meer met de Vlaanderen, ook al voelen ze zich in eerste instantie Belgen (Maddens, Billiet & Beerten, 1999, p.298).
In ’91 en ‘95 hebben ISPO (Interuniversitair Steunpunt Politieke-Opnieonderzoek) en PIOP (Point d’Appui Interuniversitaire sur l’Opinion Publique et la Politique) een onderzoek gevoerd naar het nationaal en subnationaal bewustzijn van de Waal en de Vlaming. Het is normaal dat de inwoners van België zich Belg voelen. We worden voortdurend geconfronteerd met onze Belgische nationaliteit: we hebben een Belgische identiteitskaart, we kleven een B op onze wagen enzovoort. Het is dus eerder eigenaardig dat sommige mensen zich meer identificeren met de Waalse of Vlaamse identiteit. Het natiebewustzijn is voor een stuk een keuze voor de handhaving van de eigen cultuur. Maar voor het grootste deel is natiebewustzijn het gevolg van gezinssocialisatie (Maddens, Billiet & Beerten, 1994, p.3-10).
Wanner we kijken naar de resultaten van de onderzoeken blijkt dat bijna de helft van de Vlamingen zich in de eerste plaats Belg voelt en 1/3 zich meer identificeert met Vlaanderen. De Vlamingen verkiezen eerder een dubbele identiteit. Want bijna niemand voelt zich uitsluitend Vlaming of Belg. 45% voelt zich evenveel Belg als Vlaming.
In Wallonië verkreeg men andere resultaten. Het gewicht van de Walen die zich in eerste instantie Belg voelen, is veel groter, namelijk 65%. Tegenover 1/5 van de Walen die zich in de eerste plaats Waal voelen. In Wallonië voelt 44% zich evenveel Waal als Vlaming (vergelijkbaar in Vlaanderen). Maar voor de rest is het gewicht veel groter aan de Belgische kant. Meer Walen dan Vlamingen voelen zich uitsluitend Belg en slechts 10% van de Walen voelt zich meer Waal dan Belg, tegenover 20% van de Vlamingen die zich meer Vlaming dan Belg voelt.
Ook al voelen meer Vlamingen zich in de eerste plaats Vlaams, voor volledige boedelscheiding zijn ze niet te vinden. 1/3 van de Vlamingen wil op een aantal vlakken wel autonomie, maar algehele autonomie blijft uit den boze.
In Wallonië is er een duidelijke Belgischgezinde evolutie waar te nemen tussen ’91 en ’95. Het merendeel van de Walen wil meer beslissingsmacht voor België en minder voor Wallonië en zijn tegen een onafhankelijk Wallonië. De Walen zijn tegenstanders van een verdere staatshervorming (Maddens, Billiet & Beerten, 1999, p.308-311).
Het is wel zo dat het overgrote deel van de Vlamingen en de Walen er geen moeite mee hebben om zich zowel met “nationale” als met de “subnationale” entiteit te identificeren. Maar als er een keuze gemaakt dient te worden – wat in realiteit constant het geval is -, lijken de Walen veel meer geneigd om voor het Belgisch referentiekader te kiezen. In Vlaanderen lijken de “nationale” en de “subnationale” identiteit “elkaar waard” te zijn; ook hier wordt uiteindelijk meer voor België dan voor Vlaanderen gekozen, maar de voorkeur voor België is geringer dan in Wallonië. (Maddens, Billiet & Beerten, 1999, p.311).
Aan het einde van het onderzoek kunnen we dus besluiten dat er zowel in Vlaanderen als in Wallonië een grote groep (ongeveer 30%) unitaristen of Belgisch nationalisten bestaan. Dit zijn mensen die Belgischgezind zijn, die de macht aan de Belgisch staat wil toekennen, die zich in de eerste plaats identificeren met de Belgische nationaliteit en die voorrang geven aan Belgische belangen. Ze zijn rondduit tegen separatisme.
Het verschil tussen Vlaanderen en Wallonië ligt in de (kleinere) groep die voor de deelstaten kiezen. De Waalsgezinde burgers zijn veel gematigder dan hun Vlaamse tegenhangers. De Vlamingen die de Vlaamse deelstaat belangrijker achten, typeren we als autonomisten. Ze zijn voorstanders van een onafhankelijk Vlaanderen en beschouwen de Belgische staat als overbodig. Ze identificeren zich in de eerste plaats met Vlaanderen en geven voorrang aan Vlaamse belangen.
In Wallonië zijn er geen autonomisten, wel regionalisten. Hun voorkeur voor macht op het niveau van de deelstaat en hun streven naar Waalse autonomie gaan niet gepaard met een wil om de Belgische staat op te doeken. Ze identificeren zich zelfs in de eerste instantie nog met België en verdedigen de Belgische belangen (wel minder dan de unitaristen). “De algemene trend in Wallonië om zich sterk met België te identificeren weerspiegelt zich met andere woorden ook bij de meest radicale regionalisten.” Vlaanderen telt 33% regionalisten, terwijl in Wallonië slechts 19% van de inwoners als regionalist beschouwd kan worden. Dus hoewel Vlaanderen en Wallonië evenveel unitaristen tellen, is Vlaanderen radicaler wat betreft Vlaamsgezindheid. De Walen neigen naar de neutrale positie (Maddens, Billiet & Beerten, 1994, p.27-28, 41-43, 107-108).
2.3 De subnationale identiteit
Nationalisme betekent naast de meer gebruikelijke betekenis ook dat etnische minderheden als natie erkend willen worden (cfr 1.1.1). Hiermee bedoelen we dat de culturele gemeenschap overeenstemt met de politieke organisatie. Men voelt zich verbonden met leden van de gemeenschap en dit wordt politiek bevestigd.
Het ontstaan van een nationale identiteit begint volgens Hegel met het bestaan van een volk. Een volk bestaat uit verschillende groepen van mensen die gemeenschappelijke kenmerken vertonen. Eén van deze kenmerken is een gemeenschappelijke taal. Er zijn in Hegels visie twee voorwaarden om van een volk te maken. Ten eerste is er nodig dat een volk zich bewust is van zijn identiteit, die verschillend is van de volkeren uit zijn omgeving. Ten tweede moet het de verschillen die het met andere volkeren heeft positief waarderen. Hiermee wordt bedoeld dat een volk een positieve houding moet aannemen van zijn unieke identiteit. Wanneer deze voorwaarden vervuld zijn, kan een volk uitgroeien tot een natie (Kruithof,1997).
2.3.1 DeVlaamse identiteit
De federalisering van België had tot gevolg dat de
Vlaamse regering en het Vlaams parlement streefden naar een grotere Vlaamse
autonomie. Vanaf dit moment konden de Vlaamse belangen verdedigd worden door een
eigen verkozen parlement (Bouveroux, 1999, p.242-243). Voordien waren het de
Waalse en Vlaamse Beweging die streefden naar een Waals respectievelijk Vlaams
bewustzijn. De Vlaamse regering neemt nu die rol op zich en richt zich op het
promoten van de Vlaamse identiteit (Maddens, Beerten & Billiet, 1994, p.3-4).
Vlamingen hebben gedurende lange tijd strijd moeten leveren. Een linguïstische strijd tegen de Franstalige heersende klasse om het Nederlands te erkennen en een economische strijd om de armoede te verdrijven. Door niet bij de pakken te blijven zitten, is het Vlaamse volk er uiteindelijk in geslaagd een eigen natie te stichten. De Vlamingen zijn fier op wat hun voorouders bereikt hebben en willen de strijd voor Vlaanderen verder zetten (Van Dam, 1998, p.158-163).
Het Vlaanderen met zijn huidige grenzen en structuren, is relatief jong. Er zijn in Vlaanderen zowel voor- als tegenstanders van een Vlaamse identiteit. Volgens de voorstanders bestaat er een Vlaamse groepsidentiteit. Dit ‘bewustzijn van iemand om tot een bepaalde groepering te behoren en als zodanig behandeld te worden’ is bij vele Vlamingen aanwezig (De Jager & Mok in De Roover & Ponette, 2000, p.10).
Mensen zijn van nature
groepswezens. Ze worden door elkaar beïnvloed in hun interacties. Dit gebeurt
meestal tussen mensen die geografisch dicht bij elkaar wonen. Op deze manier
ontstaan er verschillende volksgroepen met elk hun eigen typische kenmerken. Het
is pas als lid van een bepaalde groep dat mensen hun eigen identiteit
ontwikkelen.
De
politieke collectiviteit waarin men leeft, betekent zeer veel. Vaderlandsliefde
is geen kleinigheid. Het gaat bij het vaderland om de groep waarin men zich
thuis voelt, gemeenschappelijk met één taal, één geschiedenis, één bepaalde
wijze van leven (Röling in De Roover & Ponette, 2000,
p.12).
Volksgroepen hebben ook een eigen cultuur, gemeenschappelijke waarden en normen die het gedrag van de leden beïnvloeden. Die cultuur ligt aan de basis van een groepsidentiteit. Samenlevingen hebben verschillende culturen en dus kunnen er verschillende groepsidentiteiten van elkaar onderscheiden worden. Natuurlijk heeft elke mens ook universele kenmerken en het aanvaarden van een Vlaamse identiteit sluit m.a.w. geen universele identiteit uit.
Als een vrij grote groep mensen zich Vlaming voelt, dan bestaat de Vlaamse
identiteit. De basis voor dat gevoel ligt in een aantal objectieve kenmerken die
als Vlaams referentiekader dienen. Dit zijn de kenmerken van de gemiddelde
Vlaming. Nationaliteit is immers gebaseerd op verschillen. De eigenschappen
waarin Vlamingen verschillen van andere volkeren, vormen onze identiteit. Als je
afwijkt van die gemiddelde kenmerken, ben je niet minder Vlaming dan anderen,
enkel atypisch op die bepaalde eigenschappen.[1]
De persoonlijke identiteit van de Vlamingen steunt op die specifieke Vlaamse
kenmerken. Deze identiteit is mede het resultaat van historische, politieke,
culturele, sociologische en aardrijkskundige gebeurtenissen. Ze is m.a.w.
dynamisch, maar dit proces gaat zeer geleidelijk (De Roover & Ponette, 2000,
p.10-15).
Dat Vlamingen meer Vlaamsgezind zijn dan de Walen Waalsgezind, komt volgens
Bouveroux (1999, p.237-241) onder andere tot uiting in de nationalistische
partijen. Het Vlaams Blok trekt meer en meer kiezers aan in Vlaanderen. Bij de
oprichting nam het Blok duidelijk een Vlaams-nationalistisch standpunt in. Ze
wilden prioriteit voor Vlamingen. Maar vanaf eind jaren ’80 begon profileerde
het Vlaams Blok zich meer en meer als de anti-migrantenpartij. Ze verwaarloosden
hun Vlaams-nationalistische oorsprong niet. Ze bleven anti-Belgisch en waren
voorstanders van onafhankelijk Vlaanderen. Men zou kunnen zeggen dat ze
rechts-nationalistisch zijn waarbij het rechts gedachtegoed belangrijker wordt
dan het nationalistisch.
In Wallonië daarentegen is de nationalistische partij Front National eerder Belgischgezind.
2.3.2 De Waalse identiteit
Aanvankelijk zat de Waalse identiteit ingebed in de Belgische nationaliteit. Er werd geen onderscheid gemaakt tussen de Waalse en de Belgische identiteit. De Waalse identiteit werd miskend in de Belgische cultuur. De relatie van Wallonië tot hun geschiedenis en cultuur bleef onduidelijk. De Walen waren nochtans bezig met de creatie van een cultureel bewustzijn. Er heerste “(…) enerzijds een verlangen om het bestaan van Wallonië als natie te bekrachtigen en anderzijds de wil om (…) ook te bouwen aan een cultureel project voor allen die Wallonië als hun thuis wilden kiezen.” (Quévit in Destatte, 1999, p.257). Dat project kreeg de naam ‘La Wallonie au futur’. Eén van de doelstellingen was het versterken van de Waalse identiteit zonder te vervallen in een eng nationalisme. Tevens wilden ze culturele middelen creëren die zouden bijdragen aan de ontwikkeling van Wallonië. In de jaren ’90 gingen met de Waalse identiteit een aantal kenmerken gepaard: gemeenschappelijke trots, vreugde om op die bepaalde plaats in de wereld samen te wonen, dynamische projecten en openstaan voor iedereen (Destatte, 1999, p.253-261).
Officieel heeft Wallonië pas sinds de staatshervorming van 1971