| De positie en functie van de Nachtopvang in het netwerk van de thuislozenzorg in Gent. (Karel Thys) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
November 2003 organiseerde Centrum Algemeen Welzijnswerk Artevelde (CAW Artevelde) voor de eerste maal haar bed-, bad- en brood- initiatief voor thuislozen, “De Nachtopvang”[1] in Gent, als een antwoord op een aantal signalen uit het straathoekwerk, Algemeen Welzijnswerk en het overlegorgaan Thuislozen Overleg Regio Gent (TORG )[2]. Gefinancierd door het stedenfonds (en een aantal andere bronnen waarover het CAW beschikt) en gepland om slechts een aantal maanden per jaar te worden georganiseerd (november tot maart), werd “De Nachtopvang” initieel aangeduid als een experiment.
CAW Artevelde wil de discussie over het nut en de functie van de Nachtopvang voeren, zeker nu dit initiatief langzaam een vaste vorm heeft gekregen in 2006, met een werking het hele jaar door.
Hiervoor werd de vakgroep Sociale Agogiek van de Gentse Universiteit aangesproken en deze scriptie wil vertrekken van de vraag van CAW Artevelde.
Deze vraag van het CAW naar het (on)nut van de Nachtopvang kan op verschillende manieren benaderd worden.
Binnen een eerste, technische piste zou men bijvoorbeeld de vraag kunnen pogen te beantwoorden door te meten hoeveel mensen buiten sliepen voor en hoeveel mensen er buiten slapen na het opstarten van de Nachtopvang. Als het verschil opweegt tegen de kosten, zou men kunnen besluiten dat de Nachtopvang nuttig (effectief) is.
We stuiten echter zowel op enige methodologische als theoretische problemen met deze benadering.
Methodologisch stuiten we op het feit dat het thuislozenprobleem, en zeker wat betreft de groep thuislozen die buiten slaapt, zeer moeilijk te meten is. Vrijwel elke auteur die zich waagt aan een schatting, stelt dat dit zeer moeilijk na te gaan is en er op zijn best een schatting mogelijk is (Dowding & King, 2000; Third, 2000; Van Menxel, Lescrauwaet & Parys, 2004; Anderson, 2003; O’Connell, 2003; Williams & Cheal, 2002). Deze meetmoeilijkheden komen voort uit (Williams & Cheal, 2002; Third, 2000):
-definiëringsproblemen (Wat is nu precies thuisloosheid? Wie is nu precies thuisloos? Zijn mensen die met verschillende families samenwonen in een huis ook thuisloos? Zijn mensen die in een krot wonen ook thuisloos? Vanaf wanneer is men niet meer thuisloos?)
-ethische problemen (de Nachtopvang is anoniem, wat het verzamelen van informatie bemoeilijkt, de situatie waarin thuislozen zich bevinden is vaak erg problematisch)
-praktische problemen (bijvoorbeeld de mobiliteit van de populatie, thuislozen blijven vaak graag verborgen (Third, 2000)). De problemen met definities en cijfers werden ook vermeld in het “Global report on Human Settlements” van de VN in 1996 (Springer, 2000).
Men zou meer complexe onderzoeksopzetten kunnen bedenken om het nut van de Nachtopvang na te gaan, zo zou men in plaats van ad-hoc de thuislozen te tellen de capture-recapture[3] methode kunnen gebruiken (Williams & Cheal, 2002), indirect de (verminderde) druk op andere delen van het thuislozennetwerk kunnen nagaan, de lange-termijn effecten proberen te meten of met een kleinere steekproef of zelfs case-studies kunnen werken. Maar daarmee zouden de theoretische problemen niet opgelost zijn.
De theoretische problemen binnen een louter technische benadering van het probleem onstaan omdat er wordt voorbijgegaan aan het feit dat het om een geconstrueerd sociaal probleem gaat en men het probleem van thuisloosheid gaat benaderen als een probleem van sociale veranderkunde zonder aan te geven binnen welke uitgangspunten de sociale probleemdefinitie tot stand kwam (Bouverne-De Bie, 2004).
Er is voldaan aan alle voorwaarden om thuisloosheid een sociaal probleem te noemen: het is een probleem met een sociale oorsprong, een deel van de samenleving is zich bewust van de situatie, beoordeelt deze als onwenselijk en is van opvatting dat er iets kan aan gedaan worden (Rubington & Weinberg, 1995).
Dat er verschillende manieren zijn om het probleem te definiëren wordt geïllustreerd door de verschillende termen die doorheen de geschiedenis, en in andere landen, gebruikt werden en worden om de probleemgroep mee aan te duiden: hobo’s, landlopers, yoseba, daklozen, thuislozen, zwervers, clochards. Bovendien komt de gebruikte definitie niet zomaar uit de lucht vallen maar past ze in een bepaalde tijdsgeest, verwijst naar een bepaalde manier waarop de maatschappij naar de thuislozen kijkt (Springer, 2000; Arapoglou, 2004). Er is zelfs sprake van een ware definitieslag rond thuisloosheid, omdat deze definitie ook impliceert welke categorieën welke soort hulp mogen verwachten (Third, 2000; O’Connell, 2003; Pleace, 1998). Een voorbeeld hiervan is de situatie in het Verenigd Koninkrijk, waar personen die buiten slapen niet als “homeless” worden gecatalogeerd maar als “rough-sleepers”. “Homeless” zou impliceren dat de lokale autoriteiten wettelijk verplicht zijn onderdak te verlenen (Dowding & King, 2000). Het onderzoek naar thuisloosheid is sterk gepolitiseerd, en “Thuisloosheid onderzoeken is niet voor zij die de controversie willen vermijden” (eigen vertaling, Shlay & Rossi, 1992).
Een technische benadering brengt een bepaalde invulling met zich mee van de professionele sociale werker, waarbij de legitimering van zijn ingreep buiten de interventie wordt gelegd, door bijvoorbeeld te verwijzen naar de opdrachtgever, het wettelijk kader of door te verwijzen naar het sociale probleem, zonder aan te geven binnen welke uitgangspunten de probleemdefinitie plaats vond. Wij gaan uit van een missie voor het sociaal werk die niet enkel bestaat uit het professioneel uitvoeren van richtlijnen. Het sociaal werk heeft ook een reflectiefunctie, waarin men moet blijven kritisch nadenken over het hele proces van sociale probleemdefiniëring en de functie van het welzijnswerk hierin. Deze keuze voor een normatieve professionaliteitsopvatting bepaalt ook wat een professionele kracht moet zijn in het welzijnswerk. Deze moet zijn ingrijpen niet enkel verantwoorden door naar zijn technische kennis, positie of opleiding te verwijzen (en dus bijvoorbeeld naar een effectenanalyse) maar door zijn ingrijpen af te wegen aan de bijdrage die het levert aan het in staat stellen van individuen een menswaardig bestaan op te bouwen.
In dit onderzoek werd gekozen voor een tweede piste: contextualiserend onderzoek. Een contextualiserend onderzoek leunt meer aan bij een normatieve invulling van de professionele sociaal werker. Binnen een technische benadering wordt theorie beschouwd als kennis die iets vertelt over de reële wereld, waarbij men er aan voorbijgaat dat ook wetenschap, hoe methodologisch inventief ook, met macht omgeven is. De theorie loopt dan het risico om niet verder te komen dan een bevestiging en bestendiging te zijn van de huidige ordening en reactie. Het is niet voldoende te bewijzen dat de Nachtopvang een bepaald aantal mensen op een bepaalde manier (niet) helpt om het organiseren ervan te legitimeren.
Dit onderzoek wil zich engageren in de discussie rond de Nachtopvang.
De relevantie van deze tekst ligt dan ook niet in het geven van antwoorden op vragen naar het nut of effect van de Nachtopvang. De Nachtopvang is een relatief nieuw initiatief van het welzijnswerk in de regio Gent. Dit feit gecombineerd met het in de regio relatief unieke karakter van de Nachtopvang en de bereidheid van CAW Artevelde om de discussie erover open te houden creëren de mogelijkheid tot een discussie, een mogelijkheid die hier aangegrepen wordt.
De te beantwoorden vraag kunnen we als volgt formuleren : “Hoe kunnen we begrijpen dat een initiatief als de Nachtopvang wordt georganiseerd?”. Onze vraag wordt verder uitgewerkt in de bespreking van de gebruikte methodologie.
2006 is reeds het derde jaar dat CAW Artevelde de Nachtopvang organiseert. Het team van de Nachtopvang zorgt zeven dagen op zeven voor een bed, een douche, een boterham, soep en koffie aan ieder die zich er komt aanmelden. Men kan er terecht vanaf 21.00u en men moet terug buiten zijn om ten laatste 9.00u de volgende morgen.
De Nachtopvang is een specifieke invulling van het internationaal gebruikte concept van de “homeless shelter”[5], waarmee een voorziening wordt aangeduid waar thuislozen terecht kunnen voor een korte of langere maar beperkte tijd en waar meer of minder voorwaarden kunnen aan verbonden worden (zoals het volgen van begeleiding of therapie, geen drugs, het niet overtreden van bepaalde reglementen…). Het concept ”shelter” is, net als “thuislozen” een containerbegrip en varieert qua invulling enorm zowel in de tijd als van plaats tot plaats. In België bijvoorbeeld is er een groot verschil met de “werken der daklozen” van in het begin van de vorige eeuw en de “moderne” opvangcentra van tegenwoordig, en de opvangtehuizen voor thuislozen in Japan zijn bijvoorbeeld niet te vergelijken met de mega-shelters in Los Angeles.
Vanaf 20 december 2005 wordt de Nachtopvang georganiseerd in een pand op het Rerum Novarum plein te Gent. Het was de eerste maal dat dit op die locatie gebeurde en de eerste maal dat de Nachtopvang het hele jaar door georganiseerd werd.
Er is plaats voor 15 mensen (desnoods enkele meer, als het gaat om kinderen of koppels), waarvan het grootste deel op éénpersoonskamers kan slapen. Er is steeds één medewerker van het CAW aanwezig en één vrijwilliger.
De Nachtopvang is natuurlijk niet de enige actie die wordt ondernomen in de Gentse regio ten overstaan van thuislozen. Toch onderscheidt de Nachtopvang zich vrij duidelijk van andere initiatieven die ook een dak aanbieden aan thuislozen.
Het unieke van de Nachtopvang, waarmee het zich onderscheidt van andere opvangmogelijkheden, ook van crisisopvang, is het vermijden van vragen, hulpverlening en het beperken van huisregels. Dit is slechts relatief uniek (op dit moment, in Gent): we zullen nog zien dat op andere momenten van de vorige eeuw en op andere plaatsen gelijkaardige initiatieven opdoken.
Er worden geen vragen gesteld, geen identiteitskaart of geld gevraagd. Er wordt hoogstens een niet gecontroleerde naam voor de registratie gevraagd. Het codewoord is “onvoorwaardelijk”.
De regels zijn minimaal: respect voor de anderen, drugs moeten worden afgegeven, maar krijgt men 's morgens terug, huisdieren zijn toegelaten. Er bestaat wel een regel die het aantal nachten beperkt (men mag slechts 5 nachten in een periode van 14 dagen blijven) om de tijdelijke opvangfunctie van de Nachtopvang te beschermen.
Er wordt enkel aan dienstverlening gedaan, geen goede raad of advies gegeven.
Er zijn afspraken gemaakt met de belangrijkste doorverwijzers: de politie, crisisopvang en de inloopteams en met een wijkgezondheidscentrum. Andere belangrijke doorverwijzers zijn vrienden, Oikonde opvangtehuis, Straathoekwerk. Opvallend zijn de verwijzingen van buiten de regio Gent (Brugge, Aalst).
De Nachtopvang wordt omkaderd door een stuurgroep met medewerkers van Politie, OCMW, ambulante opvang (begeleid wonen) en residentiële opvang (de opvangcentra).
Om de lezer in staat te stellen zich te oriënteren in het thuislozenprobleem geven we hier een aantal bevindingen uit het recente werk van Van Menxel et al. “Verbinding Verbroken” (2004). We kiezen het onderzoek van Van Menxel et al. omdat het gaat om een recent Vlaams onderzoek en omdat de erin gebruikte definitie typerend lijkt voor de huidige opvattingen over thuisloosheid in het welzijnswerk: er is aandacht voor individuele én structurele factoren.
De volgende definitie is, de definitieslag in gedachte, hoogstens een illustratie en geen uitgangspunt van deze scriptie:
Van Menxel et al. gebruiken deze definitie voor thuisloosheid: “Thuisloosheid is een proces van ontankering, waarmee een verlies of afwezigheid van sociale netwerken wordt bedoeld. Deze ontankering situeert zich zowel op het macroniveau (de samenleving met haar structuren, sociale bescherming, waarden, normen), het mesoniveau (met allerhande instituties, informele en formele sociale netwerken) en het microniveau (de individuele problematiek en/of de relationele problematiek met naasten)”.
Deze definitie heeft de voordelen dat ze de “schuld” niet bij de thuisloze zelf legt, maar bij structurele factoren, dat ze thuisloosheid niet isoleert als (individueel) probleem, maar laat aansluiten bij armoede en dat ze naast de sociale uitsluiting ook aandacht heeft voor de individuele isolatie (de ontankering) waarmee deze mensen worden geconfronteerd. Hoe moeilijk thuisloosheid dan weer theoretisch te vatten is blijkt uit de honderd verschillende definities die Van Menxel et al. verzamelden bij sociale werkers.
Wat de oorzaken betreft kiezen Van Menxel et al. ervoor thuisloosheid te zien als een gevolg, net als armoede, van sociale uitsluiting op het macro niveau (de samenleving en haar structuren), het meso-niveau (instituties, formele en informele netwerken) en het micro-niveau ( de individuele problematiek).
Wat de prevalentie betreft moeten Van Menxel et al. ook verwijzen naar Feantsa[6], die het aantal “thuislozen” in België schat op 17.000 (het is echter niet duidelijk op welke definitie deze schatting gebaseerd is), en waar de waarschuwing bij komt dat het onmogelijk te weten is hoeveel mensen precies thuisloos zijn omdat geen enkele overheid in België een methode voor het verzamelen van gegevens over thuislozen heeft.
De hulpverlening naar thuislozen kunnen we opsplitsen in twee brede categorieën volgens Van Menxel et al.: opvangcentra (in alle soorten en maten: crisisopvang, bed-, bad- en brood-opvangcentra, vluchthuizen, algemene opvangcentra, opvangcentra voor mannen,...) en begeleid wonen in al zijn soorten .
Buiten deze twee categorieën zijn er ook nog de inloopcentra, sociale verhuurkantoren, straathoekwerk en vindplaatsgericht werken. In 2002 waren er 97 initiatieven van het opvangcentrum-type (goed voor 69,8% van het volledige aanbod) en 32 van het begeleid wonen type (23,0% van het totaal).
Van Menxel et al.[7] brachten de thuislozenpopulatie in kaart door middel van vragenlijstenonderzoek bij 273 bezoekers van initiatieven van het Algemeen Welzijnswerk.
In 2002 zijn 42% van de thuislozen jonger dan 30 jaar en 17% ouder dan 50 jaar. Eén op drie thuislozen is een vrouw, en de vrouwelijke thuisloze is gemiddeld jonger dan de mannelijke. Thuisloosheid lijkt zich vooral te concentreren in de grote steden. Het aandeel niet-Belgen is aanzienlijk groter dan het aandeel Belgen. Thuislozen zijn zeer laag geschoold in vergelijking met de rest van de bevolking. Bijna 75% van de thuislozen kampt met gezondheidsproblemen.
De methodologie van deze scriptie wordt gekozen met het oog op het beantwoorden van de onderzoeksvraag: “Hoe kunnen we begrijpen dat de Nachtopvang wordt georganiseerd?”. We richten ons dus expliciet op begrijpen, niet op het testen van een hypothese uit een model afkomstig van een bepaalde theorie of op het vellen van een technisch oordeel over de effecten van de Nachtopvang.
De op te lossen vraag voor de methodologie wordt dan “Hoe kunnen we komen tot een begrijpen van de organisatie van de Nachtopvang?”.
We gaan ervan uit dat een vraag naar het begrijpen moet kijken naar hoe er op een probleem wordt gereageerd en hoe deze reactie past binnen een maatschappelijke context. Dit leidt dan naar het bestuderen van de reacties op de probleemgroep “thuislozen” binnen een maatschappelijke context. Het is dit plaatsen binnen een maatschappelijke context die het begrijpen mogelijk maakt door wat “contextualisering” heet, waardoor de reactie van haar absolute waarheid wordt ontdaan en kan worden gezien als één mogelijke reactie, die er niet toevallig is gekomen maar die te begrijpen is binnen een bepaalde maatschappelijke ordening. Een voorbeeld van zulk een onderzoek vindt men in het boek van Michel Vandenbroeck, dat als inspiratiebron fungeerde voor dit onderzoek : “In verzekerde bewaring, honderdvijftig jaar kinderen, ouders en kinderopvang” (2004) over kinderzorg. Dit deel van deze scriptie, die contextualisering, beschouwen we als het actuele luik van ons onderzoek.
We zouden hier genoegen mee kunnen nemen en ons naast dit actuele luik kunnen beperken tot een summiere historische schets van de reacties op thuislozen, maar het belang van een historisch perspectief is groot genoeg om hier voldoende aandacht aan te besteden. We citeren hiervoor Abrams (1982) in DePreeuw (1988) ”Try asking serious questions about the contemporary world and see if you can do without historical answers ”.
Deze invalshoek vormt dan ook het historische luik van het onderzoek.
2.1 Actueel én Historisch
We willen de Nachtopvang in haar context begrijpen. Daarvoor zullen we op zoek gaan naar een actuele component van die context en een historische component.
De actuele component van deze studie zoekt naar een begrijpen van een reactie op een probleemsituatie door de reactie te contextualiseren, te begrijpen als het plaatsen van de reactie in een bepaalde wereld.
Er zullen keuzes moeten gemaakt worden over uit wat die context precies bestaat. Meestal wordt er in zulke studies vooral aandacht geschonken aan de sociaal-economische situatie en de invloedrijke wetenschappelijke inzichten. Ook deze studie zal zich daarop concentreren.
Het is niet correct te stellen dat de reactie op de thuislozen een
massief blok is. Ook hier moeten keuzes gemaakt worden. Zo stelt DePreeuw (1988)
dat er actueel en historisch twee structuren zijn die op het thuislozenprobleem
reageren, namelijk vanuit een juridisch of vanuit een hulpverlenend perspectief.
Hoewel de groepen waar beide systemen (juridisch en hulpverlenend) zich op
richten niet volledig hoeven samen te vallen, kunnen we toch ook niet spreken
van duidelijk afgebakende groepen en gaat het dus over twee trajecten tegenover
hetzelfde probleem.
Aangezien het in deze studie de bedoeling is de Nachtopvang in
haar context te begrijpen, zullen we het vooral hebben over de context van het
hulpverlenende perspectief, zonder echter het juridische volkomen te
verwaarlozen aangezien ze beiden niet los van elkaar te beschouwen zijn en een
zekere onderlinge dynamiek hebben.
Het valt te verwachten dat wanneer men de reactie op een bepaalde probleemgroep wil gaan contextualiseren er ook een korte historische schets wordt gepresenteerd.
In dit onderzoek wordt echter een even grote nadruk gelegd op de actuele horizontale lijn als op de historische verticale lijn.
Wanneer men wil discussiëren over sociale probleemdefinities kan men deze enkel kritisch bespreken en begrijpen wanneer men kan vatten hoe deze in hun economische-sociale geschiedenis vorm hebben gekregen.
Als we de verticale lijn zouden verwaarlozen lopen we het risico niet in staat te zijn de huidige situatie kritisch te benaderen. Dit historisch onderzoek moet ons in staat stellen de verschillende probleemdefiniëringen, ook de huidige, van thuisloosheid te deconstrueren en te begrijpen in hun sociaal-politieke en wetenschappelijke context. Daarvoor zal men verder moeten gaan dan een zuivere historische opsomming van regelgeving en instellingen, maar ook aandacht moeten hebben voor de gebruikte probleemdefinities in hun context. In deze beweging zal het onderzoeksveld de sociale reactie zijn op deze probleemgroepen in een historisch perspectief.
Het contextualiserend onderzoek moet in elke studie worden opgebouwd en gelegitimeerd, zonder te kunnen verwijzen naar een standaard aanpak (DePreeuw, 1988). Bovendien eist de doelstelling van deze scriptie (het contextualiseren van de organisatie van de Nachtopvang) dat men voldoende aandacht besteedt aan het verantwoorden van het onderzoek en zijn opzet omdat men niet zomaar kan verwijzen naar een bepaalde, wetenschappelijk aanvaarde traditie om zich te legitimeren maar men zich moet hoeden voor “vanzelfsprekendheden”, die men door deze contextualisering net wil afbreken.
Het is natuurlijk niet zo dat er totaal geen vaste regels zijn binnen dit type onderzoek, of dat er geen sprake is van enige conventies. Er bestaat een traditie van dergelijk onderzoek: bijvoorbeeld het al vermelde boek van Vandenbroeck (2004) over kinderzorg, of de historisch-sociologische studie over daklozen van DePreeuw (1988). Als niet-historicus en niet-socioloog kunnen deze onderzoeken op zijn minst enige inspiratie bieden aan de leek om aan te tonen aan welke elementen aandacht moet geschonken worden in het opbouwen van het onderzoeksopzet.
2.2.1 Het herformuleren van het onderzoeksprobleem teneinde het te operationaliseren
Ons probleem is : “Hoe kunnen we het organiseren van de Nachtopvang begrijpen?”. Dit gaan we operationaliseren als “Het plaatsen van het sociale probleem thuisloosheid in een historische context gevormd door de evolutie van de verzorgingsstaat, wetenschappelijke inzichten en de reacties tegenover het probleem met als doel het gecontextualiseerd begrijpen van de actuele organisatie van de Nachtopvang”.
De belangrijkste delen van de geoperationaliseerde probleemstelling dienen nog verder uitgewerkt te worden:
2.2.2 Het expliciteren van wat we verstaan onder een probleemgroep en een sociaal probleem
Binnen het hier gebruikte paradigma wordt ervan uitgegaan dat een sociaal probleem (bijvoorbeeld armoede of thuisloosheid) niet iets neutraals is, maar wordt geconstrueerd door middel van een sociale probleemdefinitie. Het is pas wanneer een sociaal probleem een geconstrueerd sociaal probleem is geworden via een sociale probleemdefinitie dat er ook een vorm van maatschappelijke reactie mogelijk is. Dit verloopt volgens een aantal fasen (Rubington & Weinberg, 1995):
het sociale probleem wordt zichtbaar doordat men de geobserveerde situatie gaat duiden als in strijd met de wenselijk geachte situatie.
de legitimatie van de actie gebeurd door de duiding van de discrepantie tussen de huidige en de gewenste situatie als strijdig met belangrijke waarden.
het mobiliseren tot sociale actie
de uitvoering van het actieplan en de evaluatie ervan.
Belangrijk is dat het sociale probleem dat van een probleem wordt gemaakt niet neutraal is of gebaseerd op een neutrale wetenschap maar met macht omgeven is en dus steeds gerelateerd zal zijn aan de vigerende macht in een samenleving en het waarden- en belangenpatroon. Deze abstracte materie is gemakkelijker te begrijpen aan de hand van een voorbeeld. Michel Vandenbroeck (2004) toont aan in zijn boek over kinderopvang dat de maatschappelijke bezorgdheid en aandacht naar de opvang van kinderen, terwijl hun ouders gaan werken, gerelateerd is aan de sociaal-economische situatie. Kinderopvang heeft een belangrijke functie voor het reguleren van de arbeidsmarkt. Bij hoge werkloosheid is het onnodig dat vrouwen gaan werken en kunnen ze thuis blijven om voor de kinderen te zorgen. In deze periodes gaat er niet veel geld en aandacht naar kinderopvang. Is er echter een tekort aan arbeiders, dan kan de kinderopvang ervoor zorgen dat meer mensen kunnen gaan werken en zullen er meer middelen en aandacht ter beschikking worden gesteld van kinderopvang.
Wat betreft thuisloosheid ziet men ook dat een verandering in de reactie ertegen niet zozeer een gevolg hoeft te zijn van een objectief toenemen van een probleem, maar van het meer zichtbaar worden van de thuislozen of van een grotere maatschappelijke gevoeligheid (Shlay & Rossi, 1992).
Een probleemgroep definiëren we als diegenen die worden gezien als de dragers van het sociaal geconstrueerde probleem (Bouverne-De Bie, 2004).
2.2.3 Verder expliciteren van de methodologie van het onderzoek
Vertrekkend van de operationele onderzoeksvraag moeten ook nog enkele andere elementen worden geëxpliciteerd om een onderzoeksopzet op te kunnen bouwen, namelijk wat men verstaat onder de context en wat men zal bekijken als de reactie op het sociale probleem.
Wanneer we een reactie in een context willen plaatsen, wat verstaan we dan onder context?
Aangezien er hier niet geambieerd wordt om een theorie van alles te schrijven, moeten we hier ook de voor het onderwerp relevante elementen uitkiezen. Opnieuw wordt hiervoor niet verwezen naar een beschikbaar theoretisch model met bijpassende onderzoeksmethode, maar naar de noodzaak een contextualiserend onderzoek steeds opnieuw op te bouwen (DePreeuw, 1988).
Als we in de literatuur die elementen opzoeken die als relevant worden beschouwd zien we in gelijkaardig onderzoek (DePreeuw, 1988; Vandenbroeck, 2004) dat de keuze nogal eens niet expliciet verantwoord wordt maar dat men meestal toch dezelfde factoren in rekening brengt, waar dit onderzoek zich bij aansluit, namelijk:
- de reacties tegenover het sociale probleem
Wat we willen kaderen in de hieronder beschreven context zijn de reacties tegen het sociale probleem thuisloosheid. Ook hierin moeten we een keuze maken.
DePreeuw (1988) onderscheidt in zijn studie twee trajecten in de reacties op thuisloosheid: een hulpverlenend en een justitieel traject. Beide trajecten hebben doorheen de geschiedenis een complementair en wisselend belang (DePreeuw, 1988), maar na WOII is er geen sprake meer van vergelding tegen daklozen of landlopers omdat ze dakloos zijn (Nuy, 1998). Het justitiële traject, via de landloperskolonies, blijft echter wel nog tot 1993 bestaan en bovendien krijgt dit traject nog via andere wegen toegang tot de thuislozenpopulatie (bijvoorbeeld door op te treden tegen bedelaars). In deze studie wordt vooral aandacht besteed aan het hulpverlenende traject, het justitiële traject komt aan bod in functie van het contextualiseren van het hulpverlenende en wordt niet op zich bekeken.
Niet enkel de reactie in termen van opvangplaatsen en opvangvormen zijn belangrijk, maar ook het beleid gevoerd door de overheid ten aanzien van de thuislozen (en dan vooral zijn implicaties naar de thuislozenzorg in het Algemeen Welzijnswerk) en de vigerende probleemdefinities zijn belangrijk. Voor deze informatie gaan we vooral op zoek in de literatuur uit het Algemeen Welzijnswerk.
De gebruikte zoektermen zijn voor dit onderdeel: thuisloosheid, thuislozen, daklozen, landlopers, opvangcentra uitgebreid met beleid en welzijnswerk.
Bovendien werd in de internationale literatuur gezocht naar onderzoek over “shelters”.
Zoals DeVerteuil (2006) zelf mocht ondervinden in zijn onderzoek naar shelters in Los Angeles kan men gemakkelijk tot al te simpele verklaringen komen voor het organiseren van shelters als men zich zuiver op literatuur baseert. De motieven om shelters op te richten lijken immers sterk af te hangen van de specifieke lokale context. Daarom wordt dit deel aangevuld met behulp van een semi-gestructureerd interview met de coördinator van het CAW verantwoordelijk voor het oprichten van de Nachtopvang (zie Bijlage 1).
- de sociaal- economische context
Men gaat ervan uit dat de sociaal-economische context een belangrijke invloed heeft op de sociale probleemdefiniëring. Dat er sprake is van verschillende definities en sociale reacties ten opzichte van thuislozen die samenhangen met de sociaal-economische context en dat die in een historische context kunnen geplaatst worden leest men onder andere in de historisch-sociologische studie van DePreeuw (1988) over thuislozen en landlopers.
Als we dus de opeenvolgende definities van thuisloosheid en de reacties ertegen willen contextualiseren, om diegene die aan de grond van de Nachtopvang liggen te begrijpen moeten we zeker aandacht voor de sociaal-economische situatie hebben.
Het begrip sociaal-economische context is echter veel te breed om werkbaar te kunnen zijn. Het economische luik op zich is niet het grote probleem, aangezien vrij gemakkelijk in de literatuur kan nagegaan worden of het economisch goed gaat/ging of slecht.
Het sociale luik is echter problematisch: zonder dit te specificeren moet men op zoek gaan naar iets wat men misschien nog het beste kan omschrijven als “tijdsgeest”.
Als kader voor dit onderdeel, om de “tijdsgeest” dus een richting te kunnen geven, wordt de opbouw en de afbouw van de verzorgingsstaat gebruikt (“een staatsvorm waarbij de staat verder zal gaan dan enkel de individuele rechten en vrijheid te beschermen, maar ook actief ingrijpt in de vormgeving aan het maatschappelijke leven, met het oog op een vermindering van de marktafhankelijkheid” (Bouverne-De Bie, 2004)), een evolutie die verschillende auteurs (Lis, Soly en Van Damme, 1985; Bouverne-De Bie, 2004) als bepalend voor het sociale landschap in de afgelopen 100 jaar zien.
Wat betreft het historische luik van de sociaal-economische context wordt er Belgische en Nederlandse literatuur gebruikt die de ontwikkeling van het welzijnswerk binnen de verzorgingsstaat beschrijft en specifieker de ontwikkeling van de thuislozenzorg in België in de context van de verzorgingsstaat. Dat vooral literatuur over het Belgische welzijnswerk wordt opgezocht is te verwachten aangezien er wordt geprobeerd de organisatie van de Nachtopvang, een initiatief van het welzijnswerk, te begrijpen.
Het contemporaire deel van deze studie gaat op zoek naar de actuele ontwikkelingen in de verzorgingsstaat die een invloed hebben op de reacties naar thuislozen toe (en dan dus reacties binnen het hulpverlenende traject, nog specifieker: het welzijnswerk).
De zoektermen die hier werden gebruikt zijn verzorgingsstaat uitgebreid met geschiedenis, sociaal-economische context, thuisloosheid, sociale politiek, thuislozen en daklozen.
Aangezien thuisloosheid een probleem is dat overal in de ontwikkelde wereld voorkomt (Dowding & King, 2000), mag men veronderstellen dat er ook in andere landen een verband is tussen de sociale probleemdefinitie en de sociaal-economische context.
Er ontstond in de laatste decennia een traditie van literatuur over thuisloosheid, en dan vooral over beleid en de evaluatie ervan, die verder gaat dan een eenzijdige medische of psychologische benadering (Shlay & Rossi, 1992) en dus is er ook in de internationale literatuur waardevolle informatie te halen om te vergelijken met de Nederlandstalige literatuur.
Hierbij werden de zoektermen welfare(-state), homeless(ness), policy en history gebruikt waarbij de zuiver medische en psychologische artikels niet werden weerhouden.
- de wetenschap
Wetenschappelijke inzichten werden steeds belangrijker in de opvang van thuislozen door het welzijnswerk naarmate er meer professionals bij betrokken werden (volgens Fret (2006) vanaf 1965). De wetenschappelijke inzichten moeten dus een onderdeel zijn van de context. In deze scriptie wil er aan de aangehaalde inzichten, modellen enzovoort echter geen absolute waarde gehecht worden, en moeten we ons er steeds van bewust blijven dat ook wetenschap op een bepaalde manier met macht omgeven is. Hoewel de wetenschappelijke inzichten belangrijk kunnen zijn voor de opvang en de theorievorming rond thuislozen moet er dus steeds in het achterhoofd worden gehouden dat ze binnen een bepaalde discipline en een bepaalde sociale context en discours zijn uitgevoerd.
In deze scriptie wordt op zoek gegaan naar hoe deze wetenschappelijke modellen passen binnen een bepaalde context en een invloed daarop uitoefenen.
De impact van de wetenschap zal niet overgeaccentueerd worden alsof zij het uitzicht van de thuislozenzorg volledig bepaalt of ooit volledig heeft bepaald
Iets wat het belang en noodzaak van de wetenschap kan relativeren is de uitbouw van wat Van Menxel, Lescrauwaet & Parys (2004) een dynamische thuislozenzorg noemen in het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw, zonder veel aandacht uit academische kringen.
Een kritisch overzicht opstellen van de wetenschappelijke literatuur rond thuislozenzorg is niet eenvoudig.
Ten eerste is de meeste literatuur, op enkele kostbare uitzonderingen na (bijvoorbeeld de studie van DePreeuw (1988), en deels die van Nuy (1998)), geschreven vanuit een medisch of psychologisch kader waarin men vaak eenzijdig thuisloosheid zal attribueren aan individuele kenmerken. Deze teksten hebben geen contextualiserende inslag en gaan vaak uit van veel vanzelfsprekendheden. Ze moeten dan ook geïnterpreteerd en gekaderd worden.
Ten tweede bestaan er slechts beperkt studies van de literatuur rond thuisloosheid waarin men enig houvast zou kunnen vinden voor de interpretatie en contextualisering van de vakliteratuur.
Ten derde wordt de Belgische “kennis” in grote mate bepaald door het Nederlandse thuisloosheidsonderzoek (Van de Ven, 1996a). Dit maakt een contextualiserende benadering, die het leggen van verbanden met een breder maatschappelijk kader inhoudt, er niet gemakkelijker op aangezien er toch een verschil is tussen de thuislozenzorg in België en Nederland, alhoewel de thuisloosheid in beide landen toch een erg gelijklopend sociaal fenomeen blijkt te zijn (Van Menxel, 2002).
Het historische overzicht van de wetenschappelijke inzichten baseert zich op het overzicht van Nuy uit 1998, de studie van DePreeuw uit 1988, op Nederlandstalige literatuur over thuislozenzorg en op de internationale literatuur die de wetenschappelijke inzichten aangaande thuisloosheid behandelt.
Het overzicht van Nuy uit 1998 is in het bijzonder interessant omdat het materiaal overzichtelijk is gepresenteerd en omdat de onderzoeksvragen die Nuy bij het construeren van zijn “kathedraal van kennis” hanteert van betekenis zijn voor dit onderzoek. Het gaat om een overzicht gemaakt vanuit de situatie in Nederland. Dit is een noodzakelijk kwaad. Mochten we ons enkel baseren op Vlaamse literatuur, dan kwamen we niet bij een Kathedraal maar bij een Kapelleke, stelt Van Menxel (2002). De vragen die Nuy probeert te beantwoorden zijn: “Is er altijd evenveel aandacht geweest voor de thuislozen?”; “Zijn het bepaalde disciplines die onderzoek doen?”; “Ligt het accent op persoonlijkheidskenmerken of kijkt men ook breder?”. Vragen die dus ook relevant zijn voor de onderzoeksvraag van deze scriptie.
Naast de kritieken die Nuy zelf formuleert op zijn literatuurstudie, namelijk: geen aandacht voor onderzoek over sociale financiering, een beperkte bespreking van de grijze literatuur en het vroege einde van het onderzoek (bij 1997), moeten we er zelf ook bij vermelden dat de antwoorden op de onderzoeksvragen die Nuy stelt niet gemakkelijk kunnen worden geïnterpreteerd voor Vlaanderen. Er is toch sprake van een andere context, en Nuy heeft ook maar beperkt aandacht voor de context waarin het onderzoek gebeurde. Hij probeert een coherente samenvatting van de belangrijkste onderzoeksresultaten te construeren. De context en de gevolgen voor de praktijk van het onderzoek komen pas op de tweede plaats.
Waar we voor het historische overzicht van de literatuur nog sterk leunen op Nederlandstalige literatuur en minder op Engelstalige, zou dit een fout zijn wat het actuele luik betreft. Waar tot aan de jaren zestig van vorige eeuw de internationale literatuur zich beperkte, net zoals in het Nederlandse taalgebied, tot medische en psychologische studies die vaak op hun eilandje blijven (Shlay & Rossi, 1992), zien we in de laatste decennia (vooral vanaf de explosie van thuisloosheid in de VS vanaf 1980) andersoortig onderzoek naar boven komen dat zeker inzichten kan bijdragen bij de analyse van de Nachtopvang. We zien bovendien in het laatste decennium ook enkele onderzoeken opduiken die de wetenschappelijke studie van thuisloosheid kritisch benaderen (zoals: Shlay & Rossi, 1992; Anderson, 2003; Neale, 1997)
Deze literatuur werd gezocht met de termen homeless(ness) uitgebreid met (homeless) shelter, welfare, local governement, social policy. De overlap met de zoektermen uit de vorige sectie (“de sociaal economische context”) is te begrijpen omdat de laatste decennia uit andere disciplines (bijvoorbeeld sociologie en economie) aandacht is ontstaan voor het thuislozen probleem. Het gaat vaak om onderzoek met een breder perspectief onder andere naar de sociaal-economische context of het beleid en de reacties naar thuislozen toe.
In deze studie kan onmogelijk de hele wereld of de hele geschiedenis behandeld worden. Vandaar dat het onderzoeksterrein (de sociale reactie op de probleemgroep in een historisch perspectief) afgebakend wordt, zowel geografisch als in de tijd.
Thuisloosheid lijkt een probleem van alle tijden te zijn (hoewel de sociale probleemdefinitie wel kan ontbreken in bepaalde periodes (DePreeuw, 1988)). In deze tekst wordt de geschiedenis echter na WO II gestart. Dit is net voor het ontstaan van een groot aantal verschillende kritisch geïnspireerde initiatieven, als reactie op de grote verzuilde caritas trajecten voor thuislozen en op het justitiële traject. Er wordt gekozen voor dit beginpunt omdat nog even de naoorlogse context wordt meegeven waaruit in de jaren zestig van vorige eeuw de voor de thuislozenzorg, en breder voor de verzorgingsstaat en voor het welzijnswerk, zo belangrijke evoluties uit voortkwamen. Bovendien wordt de consolidatie van de verzorgingsstaat als kader voor onze sociaal-economische context genomen en die kunnen we historisch laten aanvangen na WOII. Het historisch overzicht eindigt met wat als het voorlopige eindpunt van een evolutie kan beschouwd worden: de organisatie van de Nachtopvang.
Aangezien de onderzoeksvraag over de Nachtopvang handelt, een initiatief in Gent, wordt het onderzoeksterrein afgegrensd aan de factoren die daar een invloed op hebben. Dit betekent voor het historisch luik: de sociaal-economische context in Vlaanderen. Dit betekent natuurlijk niet dat er nooit over de grenzen wordt gekeken. Zeker in de contemporaire analyse is een internationale blik nuttig, zowel omwille van de interessante recente kritische literatuur als omwille van een aantal parallellen die kunnen getrokken worden tussen de situatie in België en die in andere landen. Sommige contextfactoren hebben bovendien een internationaal karakter (bijvoorbeeld een economische crisis), of zijn per definitie internationaal (bijvoorbeeld de globalisering).
Er wordt gebleven bij de typische onderverdeling in decennia die vaak wordt gebruikt in historisch onderzoek dat de twintigste eeuw behandelt, zoals bijvoorbeeld bij Vandenbroeck (2004).
Idealiter zou de fasering van het onderzoek gebaseerd zijn op de continuïteit en discontinuïteit van belangrijke evoluties. Er moet echter ook rekening worden gehouden met de leesbaarheid en verstaanbaarheid van de tekst. Er moet dus wel artificieel worden onderverdeeld in periodes. Artificieel omdat verschillende belangrijke evoluties (bijvoorbeeld de invloed van de wetenschap en het al dan niet bloeien van de economie) niet volledig gelijklopen en zich niet houden aan een indeling in decennia.
3.1 Na WOII: “Enkel daklozen en landlopers” Fret (2002)
3.1.1 Sociaal-economische context
De schok van de wreedheden en de vernietiging van de Tweede Wereldoorlog zorgde ervoor dat bij de wederopbouw niet zoals na WOI werd teruggegrepen naar de voorspoedige vooroorlogse toestand, maar dat het besef ontstond dat, om een verschijnsel zoals het fascisme of het communisme te vermijden, een nieuwe maatschappijordening noodzakelijk was (Lis, Soly, & Van Damme, 1985).
Men wenste de heropbouw te laten gebeuren onder leiding van de Staat (DePreeuw, 1988). Dat betekent echter niet dat iedereen het eens was over de juiste invulling van deze verantwoordelijkheid voor de Staat. De meest invloedrijke groep (die we kunnen plaatsen binnen de liberale traditie) vond dat de Staat enkel direct mocht ingrijpen bij problemen die de Staat bedreigden (l’état gendarme) en voor de rest enkel de middelen mocht ter beschikking stellen aan de burgers om hen in staat te stellen zich te organiseren en vorm te geven aan de maatschappij. Er ontstond een soort van verstandhouding tussen de liberale zuil die de rol van de Staat wou beperken en de christelijke zuil die de subsidies van overheidswege gebruikte om een aanbod te verzorgen zonder veel verantwoording te moeten afleggen aan de overheid (DePreeuw, 1988). Het moet in deze periode geweest zijn dat het idee van de verzorgingsstaat werd geboren, zij het dan een residuele[8].
In deze periode vinden we nog geen aandacht uit de medische of psychologische sector voor de thuislozen die enige invloed heeft op het nog niet-geprofessionaliseerde liefdadigheidswerk (Nuy, 1998). We kunnen, net zoals Marius Nuy, de geschiedenis van de literatuur over thuislozen laten beginnen met het rapport van de Nederlandse Vereniging voor Maatschappelijk Werk waarin men, als reactie op een aantal mistoestanden, gaat pleiten om een zorgsysteem uit te bouwen. Het gaat hier echter over een moreel oordeel, niet zozeer over wetenschappelijke argumenten gebaseerd op onderzoek. Men wou meer zorg zien in beide trajecten.
3.1.3 De reacties tegen thuislozen
De vergeldende reactie tegen thuislozen die we vonden voor WOII verdwijnt in deze periode (Nuy, 1998). Zo zien we bijvoorbeeld dat een wet uit 1891 wordt bekritiseerd omdat ze geen onderscheid maakt tussen “occasionele” en “corrupte” landloperij en omdat ze ervan uitgaat dat landlopers individueel sowieso schuldig zijn aan hun eigen toestand (DePreeuw, 1988).
Toch blijft het justitiële traject, met de landloperskolonies, nog lange tijd bestaan. Landlopers kunnen nog steeds voor een bepaalde periode naar een kolonie worden gestuurd, maar daar komen nu embryonaal preventieve, behandelende en geïndividualiseerde maatregelen bij (DePreeuw, 1988).
Hoewel de Staat na WOII een verantwoordelijkheid krijgt in het vormgeven van de maatschappij (bijvoorbeeld door het installeren van een “bijzonder bijstandsfonds” voor behoeftigen), zien we dat doorheen de geschiedenis van het liefdadigheidswerk de zorg voor thuislozen vooral een zaak van privé initiatief blijft, aangemoedigd door de overheid. De overheid kan zich wel bemoeien met de economie of met preventie, maar niet met de opvangtehuizen en ze hoeft ook niet in een publiek alternatief te voorzien (naast het overblijvende minder vergeldende publieke traject van de landloperskolonies). Dit gebeurt in de praktijk via het principe van de gesubsidieerde vrijheid: de overheid voorziet middelen voor particuliere initiatieven, die dit dan mogen gebruiken zonder veel controle. Dé motieven om als christen in actie te schieten, stelt DePreeuw, zijn het heil van de (eigen) ziel en de wens de thuislozen te verbeteren.
Hoewel er niet meer vergeldend wordt gereageerd op thuisloosheid zelf, blijft thuisloosheid een zaak van individuele verantwoordelijkheid en gedefinieerd als een louter materieel gemis, de thuislozen worden gelabeld als “daklozen en landlopers” (Fret, 2002).
3.2 De jaren zestig van vorige eeuw: “De thuislozen van het heden ontlenen hun status vooral aan de eigenaardigheden van hun persoonlijkheidsstructuur”, Horst (1962), in Nuy (1998)
3.2.1 Sociaal-economische context
De jaren ‘60 zijn, ondanks de koude oorlog, een periode van optimisme. De economie trekt aan, de koopkracht stijgt en de wetenschap, of toch tenminste het vertrouwen in de wetenschap, gaat met grote sprongen vooruit. De economische boom is zo groot dat ook vrouwen nu (opnieuw) kunnen gaan werken en dat er arbeiders worden “ingevoerd” (bijvoorbeeld Italianen voor de kolenmijnen (Vandenbroeck, 2004)).
Waar we in de jaren ‘50 nog spraken van een sociale welvaartsstaat, zien we nu ook aandacht voor welzijn naast welvaart.
De functie van de overheid wordt in de jaren zestig van de vorige eeuw verder uitgebreid tot meer dan enkel ingrijpen om de welvaart (een materiële zaak) te beschermen via de sociale zekerheid. De integratie- en herverdelingsfunctie van de overheid wordt uitgeoefend door respectievelijk de sociale voorzieningen (voorkomen van uitsluiting) en de sociale zekerheid (als een herverdelingsmechanisme, alternatief van de markt) uit te bouwen (Bouverne-De Bie, 2004). Dit uitbouwen van de sociale voorzieningen gebeurt aan de hand van het principe van de gesubsidieerde vrijheid. Dit particulier initiatief was in handen van de zuilen, en zij bepaalden dan ook, vanuit hun eigen aanbod, hoe de hulpverlening er uit zag. Het was voor de overheid dan ook niet mogelijk een echt gepland beleid te voeren (Fret, 2006).
Aan het einde van deze periode duikt de beruchte mei ’68-beweging op. Een kritische golf, met slogans zoals “De verbeelding aan de macht” .
3.2.2 De wetenschap
Naast een optimisme naar de economie en naar de maakbaarheid van de samenleving is er ook optimisme naar de wetenschap toe. Wetenschap kan de wereld redden, ondanks de dreiging van de atoombom.
De wetenschappelijke interesse voor de thuislozen in deze periode wordt, zo stelt Nuy (1998) in haar studie van de Nederlandstalige literatuur gekenmerkt door een zoektocht naar de intrapersoonlijke factoren die van thuislozen een aparte categorie maken. Belangrijk is dan ook dat het gaat over een categorie die wordt gekenmerkt door eigenaardigheden (zoals in de onderzoeken van Horst), door problemen met aanpassing (zoals in de onderzoeken van Mullink) of met waarneming (zoals in de onderzoeken van Heydendael) en niet over een sociologische categorie.
Als vertegenwoordiger van het wetenschappelijke discours over thuislozen in deze periode wordt even stilgestaan bij het onderzoek van Horst uit 1962. Een citaat van Horst in Nuy (1998) maakt veel duidelijk: “De thuislozen van heden ontlenen hun status vooral aan de eigenaardigheden van hun persoonlijkheidsstructuur en niet aan een bepaalde sociologische groep zoals ongeschoolde arbeiders. Hun buitenmaatschappelijke status leent zich daarom meer voor een psychiatrische benadering.”
Het is dus niet zo dat Horst niet ziet dat thuislozen uitgesloten zijn uit de maatschappij, het lijkt echter vanzelfsprekend de oorzaken en de oplossing te zoeken bij de daklozen zelf en niet in uitsluitingsmechanismen. Daarnaast is het ook van belang dat Horst de oorzaken van hun eigenaardigheden, waardoor ze zich onderscheiden van de rest, niet uitsluitend legt bij de opvoeding of het gezinsklimaat, maar de maatschappelijke factoren noemt hij verder wel “moeilijk te beïnvloeden” (Nuy, 1998). Wat de verantwoordelijkheid betreft, aanvaardt Horst geen luiheid of een niet-werkwilligheid die bij de persoon zelf ligt als verklaring, ook de gezinssituatie (de ouders dus) is niet alleen verantwoordelijk. Het is een erg complexe zaak, stelt Horst, en sommige mensen verschijnen onvoorbereid aan de start van het leven. Als Horst zich dan de vraag stelt waar het probleem vandaan komt, en hij vindt geen voldoende verklaring in de opvoedingssituatie of in luiheid, stelt hij dat arbeidsschuwheid een symptoom is van een vorm van schizofrenie.
Waar ligt de verantwoordelijkheid dan? Niet bij de maatschappij, niet enkel bij de persoon, niet bij de ouders, maar misschien wel bij een “ziekte”.
Hoewel de voor deze periode belangrijke studies van Horst en Mullink in respectievelijk 1962 en 1963 verschenen, mag het niet verwonderen dat Van Menxel et al. (2004) het hebben over een erg schrale aandacht van de wetenschap voor de thuislozen in de jaren ‘60. Dit is zeker het geval voor België, en ook voor Nederland kunnen we ons afvragen of de drie studies (Horst, Mullink en Heydendael) die Nuy aanhaalt kunnen aangezien worden als veel of net als weinig wetenschappelijke aandacht voor de thuislozen.
Wat betreft de internationale literatuur rapporteren Shlay & Rossi (1992) een kleine wetenschappelijke interesse voor thuislozen in de jaren ‘50 en ‘60, die vooral aandacht heeft voor de (problemen in) interpersoonlijke relaties van de “hobo’s” en “tramps”, die als een vrij homogene groep werden behandeld.
3.2.3 De reacties tegen thuislozen
In het begin van de jaren ‘60 zijn de (publieke) landloperskolonies nog erg belangrijk binnen de reactie tegen thuislozen (DePreeuw, 1988).
De private voorzieningen zijn in handen van de zuilen (de katholieke zuil) die worden gefinancierd volgens het principe van de gesubsidieerde vrijheid en de legitimiteit van de besteding van het overheidsgeld wordt niet in vraag gesteld. De werken der daklozen functioneren volgens het principe van de caritas: de finaliteit ligt in het zieleheil van wie de thuisloze helpt en de zorg is een gunst, geen recht.
In het verlengde van andere sectoren zien we op het einde van de jaren ‘60 ook in de thuislozenzorg allerlei kleinschalige, vaak kritische initiatieven ontstaan die drijven op de hoopvolle, kritische sfeer van ‘68 (Van Menxel et al., 2004).
De verzuilde voorzieningen (de opvangtehuizen van de “werken der daklozen”) worden gecomplementeerd, of gecounterd, door een hele rits kleinschaligere initiatieven, bemand door geëngageerde burgers in de kritische tijdsgeest van de jaren zestig (voorbeelden zijn: vluchthuizen voor vrouwen, opvangcentra voor jongeren). Er wordt vooral gerekruteerd onder de studenten en de daaruit komende nieuwe intellectuele middenklasse. Initieel werken deze initiatieven niet-professioneel.
Vanaf 1965 laat Fret (2006) zijn periode “van caritas naar professionalisering” beginnen, een periode die zal duren tot het einde van de jaren ‘80: in eerste instantie steunen deze kleinschalige initiatieven op vrijwilligers met een uiterst beperkt aantal professionele krachten (er zijn dan ook slechts zeer beperkte middelen voor (Serrien, 2000)), een aantal dat echter steeds zal toenemen.
De thuisloze wordt nog steeds overwegend individueel verantwoordelijk gesteld (toch zeker in het eerste deel van dit decennium), maar dakloosheid is nu meer dan enkel geen dak hebben: daklozen hebben een aantal eigenschappen die hen onderscheiden van de niet-daklozen.
Het ontstaan van een dynamische, niet professionele private thuislozenzorg naast de verzuilde “werken der daklozen” op het einde van de jaren ‘60 is een in de geschiedenis van de thuislozenzorg niet te onderschatten ontwikkeling geweest. Het uitzicht van de thuislozenzorg, later geprofessionaliseerd en strikter gereglementeerd, tot aan het ontstaan van de CAW’s (die al deze initiatieven zullen overkoepelen), zou daardoor blijvend worden bepaald.
Het ontstaan van de verzorgingsstaat en het ingrijpen van de Staat in de vormgeving van het maatschappelijke leven betekent dat er een spanningsveld ontstaat tussen de door de overheid opgenomen zorgarrangementen, zelfzorg en de zorg door particuliere initiatieven (Bouverne-De Bie, 2004). Deze dynamiek zal nog vaak terugkomen in deze analyse omdat ze grote gevolgen heeft gehad op de vorming van de thuislozenzorg. In België wordt de dynamiek tussen privaat en publiek initiatief in deze periode bepaald door de gesubsidieerde vrijheid.
3.3 De jaren zeventig van vorige eeuw: “Thuisloos worden is een proces waarin stelselmatig op elk domein minder gunstige posities worden bezet en meer gunstige posities worden verloren”, DePreeuw (1978) in Nuy (1998)
3.3.1 Sociaal- economische context
In de eerste helft van de jaren ‘70 wordt het optimisme uit de jaren ‘60 bruusk geremd door de oliecrisis en de economische crisis in het algemeen. De koopkracht daalt, de crisis slaat toe, zij het vooral bij de laaggeschoolde arbeider. De tertiaire sector blijft immers groeien (Vandenbroeck, 2004).
De verzorgingsstaat zoals die in de jaren ‘60 werd bedacht komt al gauw onder vuur te liggen van zodra het economisch minder fantastisch gaat (Kristensen, 1992).
Maar toch ziet men, zeker in het begin van deze periode, nog steeds een incrementele beleidsvoering die, vertrekkend vanuit het bestaande aanbod in handen van de zuilen, de voorzieningen steeds verder zal uitbouwen. Iets wat Huysse (1986) een gezamenlijke hold-up van de zuilen op het overheidsbudget noemt. De crisis resulteert dus nog niet direct in een inkrimping van de overheidsuitgaven.
Vanuit verschillende ideologische hoeken wordt gepleit voor een “herrijking” van het concept van de verzorgingsstaat. Langs de ene kant klinkt de roep om de verzorgingsstaat in staat te stellen om te gaan met Rosanvallon’s[9] nieuwe sociale kwestie. Langs de andere kant heeft men vooral afkeer van de vermeende hangmatfunctie van de sociale zekerheid, schrik van een dreigende onderklasse en wil men de impact van de Staat op het samenleven beperken of wil men besparen.
Nuy stelt in zijn overzicht dat het onderzoek in deze periode “schaars en veelal exploratief van aard” is en methodologisch niet steeds even sterk (Nuy, 1998). Er worden drie studies besproken die allen gemeen hebben dat ze een bepaalde psychologische theorie zullen toetsen op de toepasbaarheid op het thuislozenprobleem.
Een eerste studie, die van Binnendijk uit 1972, baseert zich op de theorie van de psycholoog Kelly. Zijn “personal constructs”-theorie gaat de mens beschouwen als een wetenschapper die vat probeert te krijgen op de wereld door middel van theorieën en modellen die via hypotheses worden getoetst op hun geldigheid. Op die manier bouwt iedereen een soort van theorie (een constructensysteem) op. Het interpreteren van situaties, evenals het anticiperen op situaties is voor iedere persoon uniek en is gebaseerd op dit constructensysteem. Thuislozen blijken over een erg beperkt instrumentarium van deze “constructen” te beschikken.
Boekhorst (1976) vertrekt in zijn doctoraalstudie dan weer van de theorieën van Riesman en Rotter en van zijn morele verontwaardiging “dat ze [de thuislozen] er het nut niet van inzien zich in te spannen hun levenswijze te veranderen” (Nuy, 1998). Beide theorieën (die van Riesman en die van Rotter) hebben met elkaar gemeen dat ze hun aandacht richten naar “de locus of control” van een persoon. Dit betekent dat men een belangrijke rol gaat wegleggen in de psychologie van een persoon voor het feit of hij denkt zelf de controle te hebben over wat er met hem gebeurt (interne locus of control) of dat hij ervan uitgaat dat de buitenwereld bepaalt wat er met hem gebeurt (externe locus of control). Thuislozen hebben vaker een externe locus of control en dus het gevoel dat ze een speelbal zijn van het lot.
De studie van Knippenberg uit 1978 ten slotte baseert zich op de theorie van Leary. Volgens Leary is de angst verlaten te worden (fear of abandonment) bepalend voor de mens. Interpersoonlijk gedrag heeft als doel deze angst te reduceren. Men ontwikkelt dan ook een repertorium van gedrag om niet verlaten te worden. Thuislozen lijken “zowel gretig als onverschillig te zijn naar contact”, of anders uitgedrukt: thuislozen zijn mensen met een contactstoornis (Nuy, 1998).
Het onderzoek in de jaren ‘70 is van dezelfde aard als dat in de jaren ‘60 en bouwt er logisch op voort. In de studies van Binnendijk, Boekhorst en Knippenberg lezen we enkel meer van hetzelfde: meer eigenaardigheden in de persoon van de dakloze, wat extra uitgebreid met interpersoonlijk gedrag, locus of control en fear of abandonment en gebaseerd op modernere psychologische theorieën.
Nuy (1998) komt ook tot de conclusie dat er geen sprake is van een breuklijn, maar van een logische doortrekking van de onderzoeksresultaten.
Toch zien we in deze periode ook een heel andere vorm van onderzoek de kop op steken, in Vlaanderen nota bene. Depreeuw publiceert in 1978 een uitvoerige populatiestudie (Nuy, 1998) en een verslag van een actief participerend verblijf in een tehuis. Nuy ziet hier een bevestiging in van het tot dan toe gebeurde onderzoek, vooral de herkomst uit problematische gezinnen ziet hij bevestigd. Men kan hier echter ook iets helemaal anders in zien: dit onderzoek vertrekt niet van een te testen hypothese die bekomen is uit een of andere psychologische theorie. Bovendien zal deze studie ook kritisch kijken naar de resocialisatiepogingen die worden ondernomen: zo bemerkt DePreeuw dat de drang van thuislozen om te zwerven wel eens eerder dwang vanuit de voorzieningen zou kunnen zijn dan een persoonlijkheidskwestie. Voor het eerst wordt de verantwoordelijkheid voor de symptomen van thuisloosheid niet enkel in de persoonlijkheid gezocht, maar als veroorzaakt door een combinatie van een aantal individuele en niet-individuele factoren, vandaar dat we DePreeuw’s citaat als titel kozen voor dit hoofdstuk.
Ook in de internationale literatuur zien we een voortzetting van het (beperkte) onderzoek uit de jaren ‘60 (Shlay & Rossi, 1992).
3.3.3 De reacties tegen thuislozen
In de jaren zeventig van de vorige eeuw zien we dat zowel de oudere vormen van opvang (de kolonies en de werken der daklozen) als de nieuwere (in de jaren zestig ontstane kleinschalige opvangvormen) verder gaan met professionalisering.
Zo ziet men bij de oude opvangvormen dat bij kolonies voor landlopers en de opvangtehuizen meer psychologen en maatschappelijk werkers in dienst worden genomen om aan meer geïndividualiseerde hulp te kunnen doen en de zorg rationeler aan te pakken. Dit zien we ook, zij het dan langzamer, gebeuren bij de meer kleinschalige initiatieven die werden opgericht als reactie tegen het falen van de grote institutionele zorgsectoren (Van Menxel et al., 2004).
Het is zo dat het wetenschappelijke discours in dit decennium, en het voorafgaande, vooral op zoek gaat naar de intrapersoonlijke kenmerken van thuislozen. Men gaat op zoek naar datgene wat hen anders maakt dan de mensen die wel in de maatschappij kunnen functioneren. Bovendien lijkt men weinig aandacht te hebben voor mogelijkheden om hier iets aan te doen. Als men dan toch probeert conclusies voor een behandeling te trekken is men daar erg pessimistisch in (Nuy,1998). Het onderzoek in deze periode ondersteunt de aanpak in de opvang dus slechts ten dele: waar men zal proberen deze mensen op te voeden tot goede burgers (bijvoorbeeld in de kolonies of de opvangtehuizen) of kansen proberen te geven op reïntegratie (bijvoorbeeld met beschut wonen), trekken de onderzoekers de kansen op slagen in twijfel. Er is een tegenstelling tussen de wetenschap die stelt dat thuislozen specifieke eigenschappen hebben die niet zomaar ongedaan kunnen worden gemaakt en de reactie erop in de praktijk.
Men moet er wel op wijzen dat “de wetenschap” natuurlijk niet bestaat. Hoewel er vaak sprake is van een dominant paradigma (Kuhn, 1962), is de studie van DePreeuw (1978) het bewijs dat er ook binnen de wetenschap afwijkende stemmen zijn.
3.4 De jaren tachtig van vorige eeuw: “Nederland werd wakker geschud en ontdekt een nieuwe doelgroep”, Nuy (1998)
3.4.1 Sociaal- economische context
De economische crisis die midden jaren ‘70 begon werkt nog door tot het begin van de jaren ‘90, waardoor de werkloosheidscijfers in deze periode hun tot dan toe hoogste niveau bereiken. De inkomsten van de overheid dalen en de nodige uitgaven voor het sociale beleid stijgen. Hierdoor stijgt het begrotingstekort (Vandenbroeck, 2004).
Vandenbroeck haalt nog twee andere belangrijke factoren aan die het discours in de jaren ‘80 zullen bepalen: de ineenstorting van de USSR en daarmee het verdwijnen van het reëel bestaande socialisme alsook een aantal ecologische rampen. Deze rampen tonen de onmacht van nationale staten aan en hoe afhankelijk men is van experts voor de bescherming tegen zulke rampen.
De overname van Belgische bedrijven door buitenlandse groepen, het belang van de Belgische concurrentiekracht in vergelijking met het buitenland en het internationale karakter van rampen als Tsjernobyl of de opwarming van de aarde illustreren ook de introductie van de globalisering[10] [11](Vandenbroeck, 2004).
De discussie over de herijking van de verzorgingsstaat, begonnen midden de jaren ‘70, wordt nu verder gevoerd: de klassieke verzorgingsstaat blijft vanuit verschillende kanten onder vuur liggen. De nieuwe sociale kwestie[12], de overgang van een industriële naar een postindustriële risicomaatschappij (Beck, 1998)[13], de afkeer van een hangmat-effect, de volgens sommigen te grote invloed van de Staat op het maatschappelijke leven, schrik voor het onbetaalbaar worden van de verzorgingsstaat, het overbevragen van een staatsapparaat met steeds minder middelen, en de nieuwe uitdagingen aan de overheid door globalisering zijn slechts de belangrijkste kritieken (Van Damme, 1994). De socioloog Rosanvallon[14] en zijn antwoord op de problemen van de klassieke verzorgingsstaat waarbij de Staat niet enkel mag compenseren maar moet instaan voor integratie spreken alle partijen min of meer aan. Deze herwerking van de verzorgingsstaat, vanuit zoveel verschillende kritieken, noemt men “de activerende verzorgingsstaat” (Bouverne-De Bie, 2004). Deze activerende verzorgingsstaat kan worden verdedigd en bekritiseerd vanuit een aantal invalshoeken. In de praktijk wordt het nieuwe model gekenmerkt door minder Staat en meer markt en een contractualisering[15] van de relaties tussen de burgers en de Staat (Vranken, Geldof & Van Menxel, 1997).
Er komt dus een hele hoop kritiek op de Staat. De sociaal-democratische traditie - het denken dat de Staat in de overheid een middel ziet om sturend op te treden in een samenleving, in functie van rechtvaardigheid en gelijkheid - die mee de grondslag heeft gelegd van de verzorgingsstaat, wordt aangetast (Van Damme, 1994).
Volgens Van Damme gaat het niet om een oppervlakkige teruggang, maar om een diepgaande crisis. De Staat is niet meer de emanatie van de democratie of van de gemeenschap. Zijn rol wordt de discussie van de volgende jaren, zo stelt Van Damme in 1994. Hoewel hij duidelijk geen voorstander is van een liberaal of zacht anarchistisch discours dat de Staat vooral als een repressief machtsinstrument ziet, gaat ook Van Damme er wel van uit dat er een discussie nodig is over de vorm en opdrachten van de Staat, omdat ze zich momenteel zelf uitholt. In de huidige toestand, zo stelt Van Damme, is de Staat niet in staat om de grote sociale problemen op te lossen.
Hoe komt dit? De overbelasting komt langs de ene kant door het opnemen van een heel aantal extra functies door de Staat, vooral op het vlak van de gezondheidszorg, de welzijnssector en het milieu. Daarbovenop komen de claims waarvan het niet altijd duidelijk is of de algemene belangen worden gediend of de belangen van de individuele burgers, sociale groeperingen en drukkingsgroepen. Veel conflicten tussen werkgevers en werknemers draaien niet meer om onderlinge tegenstelling, maar om “het manna dat van de overheid moet komen” (Van Damme, 1994). Op nogal wat terreinen kan dan ook nog eens worden gesproken van de wilde gesubsidieerde vrijheid.
De oorzaken van die overbegrazing zoekt Van Damme (1994) in 6 factoren: economische factoren, het falen van de markt als verdelingsmechanisme, falen van de lokale gemeenschap en de privé sfeer om bepaalde sociale opdrachten te vervullen, de elasticiteit van de claims (eenmaal dat een claim wordt ingewilligd wordt hij steeds breder) en een aantal nieuwe probleemdomeinen : de internationalisering en het milieuvraagstuk bijvoorbeeld.
En de Staat wordt niet enkel overvraagd, het interventiepotentieel van de overheid is ook afgenomen. Als oorzaken hiervan duidt Van Damme vooreerst de budgettaire crisis aan, die zich in België bijzonder zwaar manifesteert. Als tweede oorzaak duidt hij de inefficiëntie van het staatsapparaat aan. Dit hangt echter van het referentiepunt af, zo merkt hij op: vanuit een economisch perspectief kunnen sociale voorzieningen contraproductief lijken, maar vanuit moreel of sociaal oogpunt kunnen ze wel productief zijn (zo bijvoorbeeld kan men verlies maken, maar wel bijdragen tot de mogelijkheid om een menswaardig bestaan op te bouwen).
Als derde oorzaak duidt Van Damme de vergedreven professionalisering en bureaucratisering aan, waardoor er een van de Staat afhankelijke klasse van professionals in het leven is geroepen, die te veel energie steekt in het behouden van een status –quo.
En er is ook de crisis in de publieke legitimiteit van het overheidsingrijpen. Er heerst op zijn minst een ambivalentie tegen het ingrijpen van de Staat. De identificatie van de meeste mensen met de overheid is gering. Volgens Van Damme heeft dit geen morele oorzaak maar een structurele, met andere woorden : we voelen ons niet minder solidair, maar we hebben het moeilijker met anonieme, gebureaucratiseerde ingrepen.
Ook het sociale weefsel blijft niet hetzelfde. De jaren tachtig kunnen niet meer omschreven worden met wat Beck (1998) een traditionele maatschappij noemt.
De post-traditionele maatschappij wordt gekenmerkt door individualisering en de-traditionalisering (Van Hoof & Van Hootegem, 1995). De grote verhalen verdwijnen samen met de verzuiling en de mensen moeten/mogen meer zelf hun levenspad bepalen. Op arbeid, familie en ideologie kan niet meer zo gemakkelijk teruggevallen worden om richting te geven. Individuen maken zich meer en meer los uit de traditionele banden van de industriële samenleving. De individuele keuzevrijheid die men wint komt samen in een pakket met individuele verantwoordelijkheid (Beck, 1998).
De jaren ‘80 blijken een periode te zijn waarin groot belang wordt gehecht aan het gebruik van wetenschap in sociale vraagstukken (Vandenbroeck, 2004). Beck (1998) gaat zelfs nog verder en spreekt van een afhankelijkheid van de professional, in dit geval nog de hoog opgeleide wetenschapper, later de manager, om sociale problemen aan te pakken. Ook Nuy (1998) heeft het over een overvloed aan onderzoek dat vooral vanuit de lokale besturen wordt besteld.
De vraag naar de verhouding van de samenleving naar de kwetsbaren toe wordt belangrijk, zo stelt Nuy bij zijn bespreking van deze periode. En inderdaad, men ziet in deze periode een aantal onderzoeken die zich vragen stellen bij de werking van instellingen en opvangtehuizen. Zo haalt Nuy een onderzoek aan (dat van Heydendael, Nuy, Boersma en Vissers uit 1981) dat vertrekt van de vaststelling dat de thuislozen zich niet lijken te houden aan de onderverdeling in categorieën die in het aanbod terug te vinden zijn. “Waarom zitten ze niet in de categoriale zorg?” vraagt men zich af en “Kunnen we de thuislozen wel nog zo gemakkelijk onderverdelen en beperken tot de categorieën: “zwakbegaafden, alcoholici, psychisch gestoorde bejaarden, psychiatrische patiënten?””. Men komt in het onderzoek tot de conclusie dat het om één grote cluster van misfits gaat.
Het is dus misschien wat te sterk te stellen dat men in deze periode veel wetenschappelijke aandacht heeft voor de structurele verhouding van de maatschappij naar de kwetsbaren toe, maar het is wel zo dat men de interventie- en opvangmethodes wil verfijnen. Even later lezen we bij Nuy trouwens dat het in deze periode toch vooral gaat om epidemiologisch onderzoek naar subcategorieën binnen de thuislozenpopulatie naast onderzoek dat op zoek gaat naar de eigenaardigheden van thuislozen, maar dan nu met modernere technieken en een grondigere methodologie dan in de jaren ‘70.
Vier categorieën komen in het vizier in deze periode.
Een eerste categorie zijn de jongeren. Er begint een bewustzijn van en aandacht voor jongeren te groeien en hun plek in het thuislozencircuit. Langs de ene kant staat men wat afwijzend voor hun toegang tot dit specifieke circuit, maar in vele gevallen hebben de voorzieningen naar jongeren toe gefaald en komen ze automatisch bij het laatste echelon van de zorg terecht. Als typerend voor het onderzoek hierover wordt kort de studie van Verblakt (1983) in Nuy (1998) aangehaald. Deze onderzoeker ging via interviews thuisloze jongeren bestuderen vanuit de theorie van Schaeffer, een theorie over de socialisatie van kinderen via opvoeding en school. Hij komt tot de conclusie dat er niet zo veel verschillen lijken te zijn met volwassen thuislozen: ze zijn niet opgewassen tegen situaties waarin een eigen inzet wordt verwacht en kunnen geen keuzes maken.
Een tweede categorie die extra aandacht krijgt zijn de passanten[16], waarover Nuy zelf het eerste verkennende onderzoek doet in “het labyrint van zwervers”. Het onderzoek gebeurt als reactie op een signaal dat deze subgroep zou toenemen in aantal. “Zij gaan van plaats tot plaats, zonder enige zin en zonder dat iemand er iets aan heeft” besluit Nuy (1998). De thuislozenzorg reageert hierop met het bieden van bed-, brood- en bad- oplossingen. Uit de resultaten blijken het normaal begaafde mannen te zijn, redelijk gezond, nauwelijks gestoord en ze veroorzaken zelden last in het nachtasiel, dat door het merendeel ook enkel als nachtasiel wordt gebruikt. In participatief onderzoek van H. De Bie (1989) in Nuy (1998), waarin er op zoek wordt gegaan naar de leefwijze van zwervers, wordt voor het eerst (Nuy, 1998) aandacht geschonken aan een ethisch aspect: de beslissingsvrijheid en onafhankelijkheid van deze mensen.
Een derde categorie zijn de thuislozen met een psychiatrische geschiedenis. Blom (1987) in Nuy (1998) vraagt zich af hoe het mogelijk is dat “deze spectaculaire deelwereld buiten de belangstelling van de wetenschap is gebleven”. De diagnose is voornamelijk schizofrenie, de combinatie met een verslavingsproblematiek is eerder de regel dan de uitzondering. De sporen leiden meestal terug naar traumatische ervaringen zoals mishandeling, verwaarlozing en het verlies van een ouderfiguur op jonge leeftijd.
De vierde categorie die aandacht krijgt in deze periode zijn de vrouwelijke thuislozen. Alhoewel deze in de officiële cijfers een klein aandeel hebben, worden ze in deze periode meer en meer gesignaleerd. Mogelijke verklaringen die worden gegeven voor hun ontbreken uit de cijfers zijn: ze vinden vaker onderdak bij kennissen, ze blijven vaker in de stad van herkomst, ze vertonen minder vaak een ernstige alcoholproblematiek en ze hebben vaker een lange en complexe hulpverleningsgeschiedenis. In een aantal andere onderzoeken, die volgens de regels van de kunst weer vooral de persoonlijkheid van de thuislozen lijken na te gaan, bijvoorbeeld in het onderzoek van Kraft (Nuy, 1998), blijkt dat ze moeilijk te activeren zijn, erg met zichzelf bezig zijn en vaak een psychiatrische stoornis hebben.
Ook ziet men in deze tijdsperiode uitgebreide aandacht voor de lichamelijke problemen van thuislozen, iets waar eigenlijk ook in de vorige perioden aandacht voor was maar dan meestal als bijkomende doelstelling in onderzoek. Over het algemeen, wat niet verwonderlijk is, is de gezondheidstoestand slecht, zo blijkt uit de onderzoeken (Nuy, 1998).
In de onderzochte internationale literatuur zijn geen directe gegevens gevonden over de opsplitsing in categorieën. Anderson (2003) heeft het in haar overzichtsartikel wel over het ontstaan van aandacht vanuit een veelvoud aan disciplines voor de thuisloze in de jaren ‘80, zonder dat er sprake was van multidisciplinair werk (maar wel van multipele disciplines). Shlay & Rossi (1992) hebben het in deze tijdsperiode over het verdwijnen van de homogene “old homeless” naar een (niet gespecificeerde) veel diversere groep.
In het Nederlandstalige taalgebied stijgt de wetenschappelijke aandacht voor de thuislozen in de jaren tachtig dus fors. Men gaat er van uit dat er in deze periode een sterke stijging is van het aantal thuislozen in Nederland (Deben & Greshof, 1997). In de VS, Japan en het Verenigd Koninkrijk is er ook sprake van een grotere aandacht, en zijn er cijfers beschikbaar die wijzen op een explosie van het probleem (Shlay & Rossi, 1992; Aoki, 2003; Dowding & King, 2000). De urgentie van het probleem lijkt vooral te leiden tot ééndimensionaal onderzoek naar met hoeveel en wie die thuislozen zijn (Van de Ven, 1996a) om het gevoerde beleid te sturen. We kunnen tot dezelfde conclusie komen als Van de Ven en een parallel onderscheiden tussen de ontwikkeling van de wetenschappelijk benadering van thuisloosheid in België & Nederland en de VS: onder druk van het probleem wordt vooral op zoek gegaan naar wie en hoeveel, en beperkter naar hoe de opvang efficiënter kan georganiseerd worden. Een analyse gebaseerd op meer dan een eendimensionale definitie is niet (of erg beperkt zoals DePreeuw’s historisch-sociologische studie uit 1988) aan de orde.
3.4.3 De reacties tegen thuislozen
Met de staatshervorming worden de gemeenschappen bevoegd voor de bijstand aan personen. De aandacht van de beleidsmakers gaat vooral uit naar het wettelijk regelen van deze overgang en de verdere uitbouw van het aanbod in de welzijnssector (bijvoorbeeld met de oprichting van het Vlaams Fonds) (Serrien, 2000).
De Vlaamse gemeenschap heeft de opdracht het voorzieningsbeleid verder uit te bouwen. We krijgen initieel een disparate verzameling van welzijnsvoorzieningen[17] op de eerste lijn waarvoor een ad-hoc subsidie en erkenningsreglement wordt ontworpen (Van Menxel et al., 2004). Het uitbouwen en de sturing van het beleid gebeurt nog steeds door overlegrondes tussen de overheid en het aanwezige aanbod van verzuilde welzijnsvoorzieningen. Dit overleg wordt gedomineerd door een weerkerende vraag van de reeds bestaande initiatieven naar meer geld, en door discussies die meer gingen over de arbeidsvoorwaarden in de sector dan over het uitbouwen van een aangepast aanbod van voorzieningen (Fret, 2006).
In het tweede deel van de jaren ‘80 komen de eerste oproepen tot coördinatie en integratie vanuit de sector welzijnswerk, hoewel er ook weerstand tegen organisatievergroting te horen is (Serrien, 2000). Door ad-hoc erkenning en subsidiëringsregels in de disparate groep eerstelijnsinitiatieven kan men door het bos de bomen niet meer zien. Er moet worden gewerkt aan harmonisering en aan een herstructurering. Er wordt een eerste kaderreglement uitgewerkt voor de thuislozenzorg dat geldt voor de algemene opvangcentra, de opvangcentra voor vrouwen en kinderen, de crisisopvang en het beschut wonen (Van Menxel et al.,2004). In 1990 worden de erkennings- en subsidiëringsvoorwaarden van deze sectoren op elkaar afgestemd (Serrien, 2000).
Na de toch wel ingrijpende uitbreiding van het welzijnswerk en de thuislozenzorg in de jaren ‘60 en ‘70 met een groot aantal nieuwe kleinschalige werkvormen, zien we dus dat in de jaren ‘80 deze uitbreiding een kritiek punt lijkt te bereiken waarna er eerder wordt geconsolideerd en geharmoniseerd dan nog verder uitgebreid.