Een vergelijkende studie van de muziekinstrumenten uit Klein-Azië in de Grieks-Romeinse periode en de hedendaagse muziekinstrumenten in Turkije. (Pakize Ercoskun)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

I. INLEIDING

 

Klein-Azië is doorheen de geschiedenis het theater geweest van achtereenvolgens de Griekse, Hellenistische en Romeinse cultuur. Tegenwoordig heerst er een totaal verschillende culturele sfeer met een totaal andere maatschappelijke structuur. Toch kan de vraag gesteld worden, of er geen sporen aan te treffen zijn in de huidige materiële cultuur van deze hoge beschavingen uit het verleden in Klein-Azië. Een sterk cultuurgebonden aspect in elke maatschappij is muziek. Daarom kan het nuttig zijn om de materiële getuigenissen van dit aspect nader te bekijken om dergelijke eventuele sporen te achterhalen. Hiermee bedoel ik meer bepaald de muziekinstrumenten die in beide, zowel de antieke Griekse, Hellenistische en Romeinse als in de huidige Turkse cultuur werden (en worden) bespeeld. Deze vergelijkende studie kan een mogelijkheid bieden om ogenschijnlijke verbanden te benadrukken en een eventuele vorm van cultuuroverdracht in de muziekwereld aan het licht te brengen. Dit kan een direct of indirect verband zijn, dat tijdens de uiteenzetting tot duidelijkheid zal komen.

Dit proefschrift wil zo een beeld geven van de muziekinstrumenten die in hetzelfde gebied, maar in twee totaal verschillende perioden en culturele omstandigheden bespeeld werden (en worden).

 

 

I.1 Status quaestionis

 

De instrumenten die in de Oudheid bespeeld werden, zijn over het algemeen gekend. De werken over Griekse en Romeinse muziek zijn onder andere:

In dit proefschrift zal worden nagegaan welke van deze instrumenten specifiek in Klein-Azië voorkwamen. Hieronder worden zowel de snaarinstrumenten, de ritme-instrumenten als de blaasinstrumenten gerekend.

Mijn bronnen bestaan uit voorbeelden van reliëfs, sculptuur, numismatiek en terracotta. De reden is de grotere kans dat de instrumenten die hierop voorkomen representatief zijn voor het daadwerkelijke voorkomen van deze instrumenten in Klein-Azië. De instrumenten die aan de hand van deze bronnen voor Klein-Azië geattesteerd worden, zullen, waar mogelijk, vergeleken worden met de muziekinstrumenten in het hedendaagse Turkije, op zoek naar eventuele parallellen. Mijn bedoeling is mogelijke verbanden aan te tonen tussen de gebruikte instrumenten in de Griekse, de Hellenistische en de Romeinse periode in Klein-Azië en nu.

De vergelijking tussen de antieke en huidige muziekinstrumenten, zal enkel op morfologische gelijkenissen steunen. De instrumenten die in een bepaald opzicht als gelijkend kunnen beschouwd worden, zullen qua soort en uitzicht besproken worden met eventuele parallellen. Er zal niet ingegaan worden op de technische details van de muziekinstrumenten, enkel waar nodig zullen grote verschillen of technische aspecten belicht worden om enig inzicht te geven.

 

Mijn verwachting is dat er enkele instrumenten sterk gelijkend zijn, wat een vorm van overdracht zou kunnen bewijzen. Er zal getracht worden een indirect of direct verband te zoeken door de oorsprong en geschiedenis van de instrumenten uit beide culturen na te trekken. Het standpunt waaruit dit proefschrift vertrekt is het feit dat muziek een door ethniciteit ingekleurd sociaal gegeven is. Geldt hetzelfde ook voor de muziekinstrumenten die bespeeld worden? Tegenwoordig is er ook een gelijkenis tussen de instrumenten (en muziek) die in Griekenland en in Turkije bespeeld worden. Uiteraard worden muziekinstrumenten in elke samenleving bepaald door de technische mogelijkheden, maar indien er een directe relatie kan aangetoond worden, zal dat een brug betekenen tussen twee culturen die op dezelfde bodem hebben gebloeid, zij het met een hiaat van millennia ertussen.

 

 

I.2 Chronologisch kader

 

De bronnen waar dit proefschrift op gebaseerd is, zullen hoofdzakelijk uit de Grieks-Romeinse periode dateren. Er is geen strikte aflijning voorzien qua datering maar de bronnen zijn tussen de 5e eeuw v. Chr. en de 3 eeuw n. Chr. te situeren. Met het oog op het doel van dit proefschrift zullen hoofdzakelijk archeologische resten, die als betrouwbare getuigenissen kunnen gezien worden van de Grieks-Romeinse muziekbeleving, als volwaardige bronnen in beschouwing genomen worden. Muziekinstrumenten uit een andere culturele sfeer zullen uitzonderlijk en enkel als vergelijkingsmateriaal of ter illustratie aangehaald worden.

 

 

I.3 Geografisch kader

 

De gebieden waaruit de bronnen afkomstig zijn en waarover de uiteenzetting zal handelen, zijn de Troas, Aeolië, Lydië, Ionië (Oost-Ionië), Karië, Lykië, Mysië, Phrygië, Pisidië en Pamphylië (figuur 1). Deze maken een aaneensluitend beeld mogelijk in verband met de instrumenten die in de Oudheid bespeeld werden in het westen van Klein-Azië. Dit komt in huidig Turkije overeen met het gebied gelegen aan de Egeïsche kust (Ege Bölgesi), het gebied gelegen aan de Middellandse kust (Akdeniz Bölgesi) en het binnenland dat door deze twee kuststroken geflankeerd wordt (Iç Anadolu Bölgesi).

Voor de muziekinstrumenten uit het huidige Turkije is het niet mogelijk noch zinvol regionale beperkingen op te leggen. Deze geografische omlijning is daarom irrelevant in het tweede luik van de vergelijking. Hierop zal verder ingegaan worden tijdens de vergelijking van de antieke en hedendaagse instrumenten.

 

figuur 1: kaart van West-Klein-Azië met de aanduiding van de verschillende gebieden

 

 

I.4 Werkwijze

 

Zoals boven al vermeld gebruik ik reliëfs, sculptuur, munten en terracotta figuren als bron. De werken die ik geraadpleegd heb zijn hoofdzakelijk afkomstig uit de faculteitsbibliotheek van de K.U.Leuven, afdelingen LOKO, LMUZ, LGEO en LKLS.

De geraadpleegde publicaties zijn de volgende:

 

Encyclopedieën:

 

Reeksen:

 

Tijdschriften:

Belangrijke werken:

 

 

II. DE MUZIEKINSTRUMENTEN

 

Alvorens de verschillende muziekinstrumenten uit de Grieks-Romeinse cultuur te bespreken, volgt er een korte inleiding over Grieks-Romeinse muziek.

 

Muziek werd in de antieke Griekse maatschappij vanaf de Archaïsche periode bespeeld tijdens festivals en sociale instellingen. Zowel in de cultus als publiek, had muziek welbepaalde functies. De Spartanen beschouwden het enkel van belang bij de educatie van de jeugd, terwijl in Athene muziek een grote populariteit genoot in alle aspecten van het leven.[1] Het zingen speelde ook een zeer belangrijke rol bij de Grieken. Dichters en zangers waren zeer sterk verbonden met elkaar. De meeste dichters komponeerden ook hun eigen werk.[2] Zang, dans en instrumentaal muziek vergezelden elk publiek evenement zoals banketten, religieuze bijeenkomsten en cultuspraktijken, sportwedstrijden en dergelijke.[3]

Bij de Romeinen was de maatschappij militair georiënteerd. De culturele en literaire vorderingen van de Griekse maatschappij werden als het ware geabsorbeerd door de uitbreidende Romeinse natie. De Etrusken die een rijke muziekcultuur hadden, zouden een grote bijdrage leveren aan de Romeinen na de verovering van de Apennijnse peninsula. Etruskische elementen speelden een grote rol in de religieuze en militaire instellingen van de Romeinse maatschappij. Na de consolidatie van haar politieke ontwikkeling, bleef Rome meer onder de invloed van Griekse dan van Etruskische muziek. De Griekse muziek drong zo ver door in de Romeinse cultuur, dat men kan spreken van een continuatie of zelfs adoptie van de Griekse muziek door de Romeinen.[4]

 

 

II.1 De instrumenten uit de Grieks-Romeinse muziekwereld die volgens de bronnen ook in Klein-Azië voorkomen

 

De indeling die het meest geschikt is om de muziekinstrumenten uit de Oudheid te bespreken, is de indeling in de drie verschillende soorten, nl snaarinstrumenten, blaasinstrumenten en slaginstrumenten. Dit is de breedst mogelijke organologische categorie om de instrumenten te onderverdelen.

Aangezien archeologische resten van de instrumenten zelf eerder schaars zijn ten opzichte van de iconografische bronnen, zijn de laatstgenoemden ook de meest geschikte informatiebronnen voor het onderwerp. Hierbij kan ook een beroep gedaan worden op de gegevens die de antieke auteurs in hun werken verstrekken over talrijke muziekinstrumenten.[5] In wat volgt zal de informatie over de instrumenten gebaseerd zijn op eerst en vooral de algemene kennis die voorhanden is over elk specifiek instrument, samen met de gegevens uit werken van antieke auteurs. Voor elk instrument zal er een beschrijving gegeven worden zodat de werking duidelijk wordt. Enkel de instrumenten die ook effectief voorkomen in de bronnen voor Klein-Azië zullen hierbij van pas komen.

 

II.1.1 De snaarinstrumenten

 

De reliëfs, sculpturen, munten en terracotta beelden beelden vaak snaarinstrumenten af. De hierna volgende uiteenzetting geeft een overzicht van de verschillende soorten van snaarinstrumenten die door bovengenoemde bronnen voor Klein-Azië geattesteerd zijn.

Deze instrumenten zullen het uitgangspunt vormen van de vergelijking tussen de antieke Griekse en de hedendaagse Turkse muziekinstrumenten, wat het deel snaarinstrumenten betreft. Een kwantitatieve en geografische evaluatie van het bronnenmateriaal zal volgen nadat voor elke groep (snaar-, blaas- en slaginstrumenten) de in Klein-Azië voorkomende instrumenten zullen vastgesteld worden.

 

Alvorens een overzicht te geven van de verschillende snaarinstrumenten uit de Grieks-Romeinse wereld is het best om eerst de lierfamilie uiteen te zetten.

Deze bestaat uit een groep van instrumenten met verschillende benamingen die toch met elkaar verwant zijn. De iconografische bronnen zijn niet altijd even duidelijk over het soort instrument dat afgebeeld wordt, zodat het kan voorvallen dat een gelijkaardig uitziend instrument telkens een andere benaming krijgt. Dit is vooral het geval voor de instrumenten uit de lierfamilie, nl de lier, de kithara (figuur 2a en 2b), de chelys (afbeelding 1), de barbitos (figuur 4) en de phorminx (figuur 5). De harp hoort ook bij deze familie maar onderscheidt zich doordat zij snaren van verschillende lengtes heeft. De lier en de kithara waren instrumenten met snaren van dezelfde lengte. De chelys en de barbitos zijn ook in deze groep onder te brengen.[6]

Bij de antieke auteurs bestaat er nogal onenigheid over het gebruik van de benamingen. Het is opmerkelijk en tevens verwarrend dat de Griekse woorden phorminx, citharis of kithara, lyra, chelys en barbitos door elkaar worden gebruikt. Vaak is er ook een onderscheid bij de dichters of epische schrijvers in de termen die ze gebruiken voor een bepaald instrument. Zo gebruikt Homeros enkel de benamingen phorminx en citharis, beide voor hetzelfde instrument, nl een lier met ronde basis (de beneden afgebeelde phorminx in figuur 5).

Het woord ‘lyra’ verschijnt al vanaf Archilochos, een dichter uit de 7e eeuw v. Chr. en de dichter van de Homerische hymnen gebruikt zowel de termen phorminx, citharis en lyra als chelys voor de lier die Hermes maakte van een schildpad.

Bij Pindaros, een Thebaanse dichter uit de 5e-6e eeuw v. Chr., wordt zowel phorminx als lyra gebruikt voor zijn eigen instrument, dat vermoedelijk ook het standaard type van de lier was. Andere dichters schijnen de termen door elkaar te gebruiken. Enkel de schrijvers uit de 4e eeuw maken een onderscheid tussen kithara, lyra en barbitos als verschillende instrumenten. Ze vermelden niet het woord phorminx, wat blijkbaar geruime tijd een strikt poëtische betekenis had.[7]

Vanaf het einde van de 7e eeuw v. Chr. komen er ook harpen voor in de lierfamilie.

Een ander snaarinstrument buiten de lierfamilie, is de luit die een enkele greepplank heeft. Ze komen vanaf de tweede helft van de 4e eeuw v. Chr. voor.[8] De luit wordt buiten beschouwing gelaten aangezien zij in onze bronnen niet voorkomt.

 

 

Figuur 2a: lier

 

Figuur 2b: Etruskische lier

 

 Figuur 3: kithara

 

Afbeelding 1: chelys

 

Figuur 4: barbitos

 

 Figuur 5: phorminx

 

De belangrijkste snaarinstrumenten van de Grieken waren de lyra en de kithara. Beide hadden een vlakke romp en een juk dat kenmerkend is voor de familie waartoe deze instrumenten behoren. De vroegste vormen hadden nog geen sleutels of schroeven om de snaren te spannen. De snaren werden bevestigd tussen het ondereinde van de romp en het dwarshout van het juk. Het stemmen ging met behulp van een runderhuid, die om het dwarshout gewikkeld was. De schaalvormige lier werd vooral door leerlingen gebruikt terwijl de kithara, zwaarder van kast, meer het instrument van de grote artiesten was.[9] De lieren hadden een geluidskast die gewoonlijk uit het rugschild van een schildpad bestond en moeten een niet zo krachtig geluid gehad hebben. Deze werden dan ook meer in huiselijke context bespeeld bij symposia. De kithara was ook veel zorgvuldiger uitgewerkt en duidelijk waardevoller. Het waren de instrumenten die door professionele musici bij publieke optredens werden bespeeld.[10] In principe hadden beide instrumenten zeven snaren maar er waren ongetwijfeld ook exemplaren met elf en meer (catalogus nr.22).[11] De lyra was kleiner dan de kithara maar werd op dezelfde manier bespeeld, alleen werd zij lager op de schoot van de speler gehouden als hij gezeten was.[12]

 

II.1.1.1 De kithara en phorminx

 

De phorminx is het oudste snaarinstrument in het antieke Griekenland. Vanuit de halve maanvormige romp vertrekken twee armen. Oorspronkelijk had het vier of vijf snaren, wat later oploopt tot zeven. Een verdere ontwikkeling van de phorminx is de wiegkithara. Deze zou eerder een huiselijk instrument voor vrouwen geweest zijn.[13] De phorminx met ronde basis met enkel vier snaren zou in de 8e eeuw algemeen gebruikt zijn.[14] Het is dus de voorloper van de kithara, gelijkaardig in functie en klank, maar wat kleiner.[15]

De kithara is in de 7e eeuw v. Chr. uit de phorminx ontwikkeld. Ondanks het feit dat zij ingewikkelder in elkaar zat dan de lier, was zij praktischer en bood ze meer klanken dan de lier. Het aantal snaren schommelde tussen zeven en acht.[16]

De kithara was een houten instrument dat met een plectrum bespeeld werd. De staande speler ondersteunde het met zijn linkerhand (figuur 3).[17] Dit instrument was immers nogal groot, vaak groot genoeg om van de speler’s middel tot zijn hoofd te reiken. In de 7e eeuw schijnt de kithara met zeven snaren gebruikelijk geweest te zijn. Voor de Griekse muziek is het belangrijk of er een fase was in de ontwikkeling, waarbij het instrument slechts vier snaren had. Het probleem is dat de vroegste voorstellingen vier snaren afbeelden, maar het is niet duidelijk of dit een werkelijkheidsgetrouwe weergave is of het gevolg van de kunstenaarsmogelijkheden of techniek.[18] Het merendeel van de voorstellingen stellen de kithara enkel frontaal of volledig dorsaal voor, zodat men zich geen idee kan vormen over de diepte van de geluidskast. Deze blijkt zoals de borst van een roeiboot gevormd te zijn.[19] Er zijn twee basisvormen van de kithara te onderscheiden, waarvan de oudere versie een ronde basis had. De Thrakische kithara is de versie met een ronde basis en een ovale omtrek. Deze type wordt afgebeeld op een aantal vijfde eeuwse vazen, meestal in de handen van de beroemdste Thrakische zangers. Dit type blijkt een vroege verwant te hebben, afgebeeld op een scherf uit Oud-Smyrna uit de eerste helft van de 7e eeuw v. Chr., hoewel de geluidskast hier erg smal lijkt.[20] Een tweede type is een latere ontwikkeling, voornamelijk vanaf 360 v. Chr. op Zuid-Italische vaasschilderingen afgebeeld. Deze type wordt de ‘Italische kithara’ genoemd en verschilt van alle voorafgaande Griekse snaarinstrumenten wegens zijn rechthoekige geluidskast en de armen die deze rechthoekige vorm volgen.[21]

Homeros gebruikt twee woorden met betrekking tot de kithara, nl kitharis, een ouder woord voor kithara en phorminx. Het criterium om dit onderscheid te maken blijkt enkel het ritme van de verzen te zijn.[22]

 

II.1.1.2 De lier

 

De lyra was dominant in het Klassieke Griekenland en wordt enkel door de dubbelaulos qua belang benaderd. Toch genoot de lyra het grootste prestige in vergelijking met de dubbelaulos. De overige instrumenten hadden eerder een marginale betekenis.

Een mogelijke verklaring is het mythische belang verbonden aan de lyra. Het was immers het enige instrument dat geregeld door een Olympische god, Apollo, werd bespeeld en dat door de andere goden werd geapprecieerd. Volgens de mythologie was de god Hermes de uitvinder van de lier met drie snaren. Het instrument zou vervolgens geschonken zijn aan de god Apollo, die er vier snaren aan toegevoegd zou hebben (catalogus nr.90, 103-118, 125, 166 en 169). Een voorbeeld van een lier met drie snaren wordt aangetoond in catalogus nr.100 en een lier met vier snaren is te zien in catalogus nr. 95.

In de antieke muziekleer stond de muziek van de lier, sololyriek of koorlyriek ook centraal bij Aristoxenos (4e eeuw v. Chr.) en andere schrijvers van harmonie.[23]

De onderdelen van de lyra zijn de geluidskast (echeion), de twee armen aan de romp (kerata), het juk tussen de armen (zygon), waarover de snaren spannen en dan over een brug (magas) aan de voorkant van de geluidskast naar een vaste basis geleid worden (catalogus nrs 95 en 101).[24]

De eerste lier had vier snaren hoewel de mythologische verhalen drie snaren vermelden . Men kon het instrument bespelen met de vingers of met een plectrum dat uit hout, ivoor of hoorn gemaakt was. Het aantal snaren liep op van vijf (catalogus nr.101) tot acht (catalogus nr.96) en zelfs tot elf of twaalf. In 500 v. Chr. werden lieren met acht à negen snaren bespeeld en omstreeks 450 v. Chr. werden lieren met elf à twaalf snaren vervaardigd. Volgens literaire overleveringen luidde elke toegevoegde snaar een nieuwe episode in de Griekse muziekwereld in, doordat er meerdere klankmogelijkheden ontstonden, wat leidde tot eindeloze musicologische discussies.[25]

Het geheel van deze kenmerken komt voor bij de lieren uit de Archaïsche periode en toont een continuïteit in de traditie aan. Artistieke voorstellingen verschijnen vanaf het einde van de 8e eeuw v. Chr. en worden frequenter vanaf de 6e eeuw v. Chr.

Bij de Griekse lieren zijn de snaren van gelijke lengte. De Romeinse versie van de lyra is qua vorm lichtjes anders dan wat gewoonlijk in Griekse voorstellingen voorkomt. De Etruskische lier (figuur 2b) is een vroeger exemplaar uit het Italische schiereiland maar vertoont ook duidelijk verschillen met de Griekse lier. De armen schijnen op dezelfde manier van de voorkant van de geluidskast te komen maar ze zijn exact rond zonder tekens van schouders, zoals te zien is bij de Griekse versies (figuur 2a).[26] Vooral in het bovendeel van het instrument ziet men verschillen tussen Romeinse en Griekse voorstellingen uit eenzelfde periode. In plaats van over het juk tussen de twee armen, blijken de snaren bevestigd te zijn aan een houten staafje dat omhoog krult aan elke uiteinde en lichtjes daalt in het midden. Zo wordt enkele eeuwen vroeger de lier uit het Midden-Oosten ook afgebeeld.[27]

 

II.1.1.3 De barbitos

 

De barbitos was een instrument met een kleine geluidskast en lange gebogen armen (catalogus nr.21 en nr. 23). Dit instrument was populair in de cultus van Dionysos en was geassocieerd met krotala of castagnetten.[28] Barbitos (in het late Grieks ook barbiton) staat apart: de term komt zelden voor en wanneer hij gebruikt wordt in de Klassieke periode lijkt hij specifiek te refereren naar de lier met de langere armen. Het instrument leek enorm op de lier behalve dat de armen verschillend gevormd waren (geen uniforme curve) en dat de snaren amper half zo lang als die van de lier waren. De armen waren echter veel langer en in plaats van een lichte inwaarts bocht zijn ze vanaf de geluidskast recht, waarbij ze uiteenwijken tot een bepaald punt, om erna naar elkaar toe buigen, en vervolgens nog eens opwaarts te draaien waarbij ze een rechte hoek met het juk bovenaan vormen (figuur 4). De romp bestond uit het rugschild van een schildpad van dezelfde grootte als bij een lier.[29] De lengte van de snaren zou aanduiden dat het instrument een diepere klank en een zachtere toon dan de lier had. Hoewel zeven het meest gebruikelijke aantal snaren was, zijn er ook exemplaren met vijf of zes snaren, wat suggereert dat de barbitos soms krachtig van klank kon zijn.[30]

 

Voor de groep snaarinstrumenten kan men het volgende besluiten.

Aan de hand van de bronnen, besproken en afgebeeld in catalogus nrs 1-34 (reliëfs), nrs 75-77 (sculptuur), nrs 85-119 (numismatiek) en nrs 165-173 (terracotta) werden de volgende snaarinstrumenten voor Klein-Azië betuigd: de lier, de kithara, de phorminx en de barbitos.

[Er kunnen eventueel instrumenten uit deze groep vertegenwoordigd zijn door bronnen in catalogus nrs 64-74 en nr.84 (combinaties van instrumenten).]

 

II.1.2 De blaasinstrumenten

 

Na de snaarinstrumenten vormen de blaasinstrumenten ongetwijfeld een tweede grote groep onder de muziekinstrumenten. De volgende blaasinstrumenten werden in Klein-Azië geattesteerd door de bronnen, besproken en afgebeeld in catalogus nrs 35-54 (reliëfs), nrs 78-83 (sculptuur), nrs 120-121 (numismatiek) en nr.174 (terracotta). [Er kunnen eventueel instrumenten uit deze groep vertegenwoordigd zijn door bronnen in catalogus nrs 64-74 en nr.84 (combinaties van instrumenten).]

Na de instrumenten uit eerste groep (snaarinstrumenten), nl. de lier, de kithara, de phorminx en de barbitos zullen deze instrumenten in de vergelijking opgenomen worden.

 

II.1.2.1 De monaulos, dubbelaulos en plagiaulos

 

De aulos (Lat. tibia) kan gezien worden als het tweede belangrijkste instrument in de Griekse muziekwereld na de lier. Een aulos bestaat uit een pijp met vingergaten en een rieten mondstuk. Men bespeelde het meestal per paar, één in elk hand, zodat men meestal met de term ‘auloi’ in het meervoud verwijst naar het instrument.[31] Hoewel de algemeen gangbare term aulos is voor het instrument, bestaande uit dubbele buizen, zal tijdens de uiteenzetting ter verduidelijking de termen dubbelaulos en monaulos gebruikt worden. Beide types van auloi leken niet op de fluit en klonken ook niet zoals de fluit.[32] De dubbelaulos bestond uit een paar buizen met een trillend riet in het mondstuk dat voor de speler uit gehouden werd (figuur 7) (catalogus nr.51).[33] Wegens zijn dubbel rietblad was de dubbelaulos eerder een hobo of liever een hobopaar. Vermoedelijk werd op de ene buis de melodie geblazen en op de tweede een hoge, onveranderlijke toon als begeleiding. Een monaulos, dat bestond uit één buis kwam zelden voor (catalogus nr.49).[34] Het bespelen van een enkele buis was een zeldzame praktijk en is vanaf de Archaïsche periode gekend.[35] Kunstvoorstellingen tonen aan dat er een eindgeblazen en zijdelings geblazen versies van bestonden. Een exemplaar van de laatstgenoemde is gevonden in Halikarnassos en wordt bewaard in het British Museum. Het heeft een mondstuk dat lichtjes naar boven toe gebogen is aan de zijkant van de buis.[36]

Het is niet gemakkelijk noch juist om de termen ‘aulos’ als fluit te vertalen. Er is geen goed alternatief bekend, omdat er geen modern instrument is dat de drie kenmerken van deze antieke instrumenten vertoont, nl bestaand uit riet, dubbele buizen en cilindrisch gevormd.[37] Zoals de moderne hobo in het westen en de zurna uit Turkije was het een instrument met een dubbel riet. De aulos had een schelle klank en werd hierdoor tijdens riten van Dionysos gebruikt om de massa in beweging te brengen.[38]

Het is niet geweten wanneer dit instrument zich precies in Griekenland zelf heeft verspreid, maar de vroegste sporen dateren uit het einde van de 8e eeuw v. Chr.[39] Een aanwijzing van de eerste Griekse aulosspeler is afkomstig van het eiland Keros uit de Vroeg-Cycladische periode(3200-2000 v. Chr.). Het betreft een marmeren beeld van een staande man, die twee pijpen vasthoudt (figuur 6a).[40] Maar de vroegste afbeelding van een dubbelaulos dat significant is, verschijnt op een Proto-Korinthische vaas uit 640-630 v. Chr. Hij loopt vooraan een infanterie en heeft een phorbeia om zijn hoofd. De tas voor de aulos draagt hij aan zijn rechterarm (figuur 6b).[41]

De Romeinen kenden vooral metalen blaasinstrumenten zoals de tuba, lituus, buccina en cornu (afbeelding 2). Dit houdt verband met de militaire aard van de Romeinse cultuur. Hier sluit ook de karnyx of korno, een oorlogstrompet met een breed uiteinde, vaak in de vorm van een dierenhoofd, bij aan.[42] De Phrygische dubbelaulos heeft één rechte buis terwijl de andere iets langer is met een opwaarts draaiende uiteinde (figuur 8).[43]

De buizen van de Etruskische en later ook van de Romeinse dubbelaulos zijn korter en dikker dan deze van de gebruikelijke Griekse dubbelaulos en ze hebben een uitgesproken breed uiteenlopende uiteinde (figuur 8). Ze zien er eigenlijk als korte klarinetten uit. Ze vertonen op één punt echter wel gelijkenis met de Griekse dubbelauloi, nl de buizen hebben gelijke lengtes.[44]

 

Figuur 6: marmeren beeld van een staande auleet uit Keros(3200-200 v. Chr.)(links)

(rechts) vaasschildering met militaire auleet, Proto-Korinthisch(640-630 v. Chr.), gevonden in Veii, Italië

 

Figuur 7: dubbelaulos

 

 

Afbeelding 2: lituus (boven) en buccina (uit de Heyer collectie, Leipzig te Rome)

 

Figuur 8: Phrygische dubbelaulos

 

Figuur 9: Etruskische dubbelaulos

 

De klassieke auloi hadden normaal gezien vijf gaten. De locatie van het gat voor de duim in de tweede positie in plaats van in de eerste is algemeen kenmerkend voor blaasinstrumenten in het hedendaagse Nabije Oosten en Azië.[45]

De aulosblazer droeg soms een speciale soort van bandje, phorbeia genoemd, dat van de mond langs achter rond het hoofd liep, met openingen voor de dubbelaulos. Gewoonlijk was er een tweede bandje dat boven over het hoofd werd gedragen om te verhinderen dat het eerste bandje ging glijden (afbeelding 3). Het diende om de mond luchtdicht af te sluiten, daar het bespelen van een dubbelhobo zonder dit hulpmiddel moeilijk was.[46] Dit verschijnt in de ikonografische bronnen zoals beschilderd aardewerk, voor het eerst in de Zuid-Anatolische kunst rond 700 v. Chr. en niet langer daarna ook in Griekenland.

De auloi konden onderscheiden worden aan de hand van de toonhoogte van de klank die ze produceerden. Al deze verschillende soorten auloi verschilden enkel in de stand van de gaten en bijgevolg in de afstemming. Qua vorm en structuur waren ze zeer gelijkend op elkaar. Pollux beschreef andere auloi die ook in vorm verschilden.

Deze bestonden eerder uit een enkele pijp dan uit dubbele buizen en werden uit vreemde landen geïmporteerd.[47]

Aristoxenos vermeldt in een monografie over het boren van auloi dat er vijf soorten te onderscheiden zijn: parthenoi, paidikoi, kitharisteroi, teleioi en hyperteleioi in overeenstemming met met sopraan, treble, tenor, bariton en bas. De gesuggereerde lengte bedraagt respectievelijk 20-25cm. Twee Archaïsche auloi van Ephesos hadden in hun geheel ongeveer deze grootte (afbeelding 4).[48] Het is duidelijk te zien op vaasschilderingen dat de buizen van auloi dezelfde lengte hebben met gaten in dezelfde positie.

De plagiaulos (Lat. tibia obliqua) is een gemodificeerde vorm van de syrinx, die later zal besproken worden.[49] Van buiten zag het er uit als een fluit maar van binnenin had het een dubbel riet. Hoewel het instrument zijdelings werd gehouden, aan de linkerkant van de speler, werd het aan het einde geblazen en niet aan de zijde (catalogus nr.36). Voor de vierde eeuw zijn er bewijzen voor een enkel buistype met het mondstuk aan de zijkant in plaats van aan het uiteinde. De plagiaulos verschijnt niet in de Griekse literatuur of kunst tot in de Hellenistische periode (vanaf de 3e eeuw v. Chr.).[50]

Dubbelauloi met verschillende lengte werden de Phrygische buizen genoemd of elymoi. Ze vormen een meer blijvende verschijning in de Griekse wereld. Hun typische kenmerk was dat één van de dubbele buizen, gewoonlijk de linker, een hoornpijp was die aan het uiteinde opkrulde. De Phrygische dubbele buizen speelden een belangrijke rol in de Romeinse periode en komen dan ook vaak voor in de Romeinse kunst.[51]


 Afbeelding 3: phorbeia                    Afbeelding 4: auloi uit Ephesos

 

II.1.2.2 De panfluit of syrinx

 

De panfluit was een klein blaasinstrument dat bestond uit naast elkaar vastgemaakte holle pijpjes die elk een ander klank voortbrachten. Ze bestonden uit riet (kalamos) of uit stelen van venkel of een ander plant met holle stengels. De gangbare term die gebruikt wordt voor de panfluit is de syrinx (Lat. fistulae).[52] De vroege Griekse panfluit had de Egeïsche rechthoekige vorm (catalogus nr.45 en figuur 10) en kreeg pas later de ‘Europese getrapte vorm (catalogus nr.35). [53] De buizen waren op de zelfde lengte gesneden, maar waren op de gewenste diepte met was dichtgestopt om de nodige klanken weer te geven. De Halstattcultuur en Etruskische voorstellingen vertonen de buizen gegradueerd in lengte en in de Laat-Hellenistische periode werd dit de gangbare vorm van de Griekse alsook van het Romeinse instrument. In de cultus van Artemis in Efeze was de panfluit ingeburgerd in de rituelen. De panfluit of syrinx heeft ook bij de Romeinen gegradueerde buizen. Het is niet mogelijk uit te maken of de buizen in de uiteinden open of gestopt waren. Er zijn echter enkele Laat-Romeinse voorstellingen, waarbij drie of meer veel langere buizen aan het langere uiteinde te zien zijn (catalogus nr.35). Een suggestie kan zijn dat het open buizen waren, die een klank van dezelfde toonhoogte konden voortbrengen als een dichtgestopte pijp van halve lengte, maar met een vollere en meer welluidende klank. Een moderne uitloper van het instrument is de Roemeense naiu met gegradueerde buizen waarvan de uiteinden gestopt zijn door gesmolten was erin te gieten. Zo werd de gewenste toon geregeld.[54]

Het aantal buizen voorgesteld in de kunst varieert tussen drie en negen in de Archaïsche periode, vier tot tien in de Klassieke periode en vier tot 18 in de Hellenistische periode.[55]

De syrinx monokalamos (Lat. fistulae obliqua) komt overeen met de moderne fluit en werd bespeeld bij pastorale muziek.

 

Figuur 10: Griekse panfluit

 

II.1.2.3 De trompet of salpinx

 

De Griekse trompet of salpinx (Lat. tuba) bestond uit een tamelijk lange, rechte en smalle cilindervormig geboorde buis die eindigde in een prominent tulpvormige uiteinde. Meestal was ze van brons vervaardigd met een mondstuk uit been. Op vaasafbeeldingen wordt een lengte van 80-120 cm gesuggereerd. De speler draagt geen phorbeia. De Griekse trompet lijkt meer op de Egyptische trompet die cilindrisch was met een konisch uiteinde. De Grieken zelf beschouwden het instrument als een Etruskische uitvinding.[56]

 

II.1.3 De slaginstrumenten

 

In tegenstelling tot andere antieke volkeren, kenden de Grieken geen wijde verspreiding van slaginstrumenten, die ook niet echt als belangrijk beschouwd werden. Het gebruik ervan was gewoonlijk beperkt tot rituelen in de cultus van Dionysos en Kybele. De slaginstrumenten werden steeds beschouwd als exotische instrumenten en waren dus niet verbonden aan de antieke en inheemse tradities van de Griekse beschaving.[57]

 

Dit is de laatste groep van muziekinstrumenten die zal besproken worden. Ondanks het feit dat de slaginstrumenten een kleinere groep zijn dan de snaar- en blaasinstrumenten omwille van het boven geschrevene, vormen zij in geen geval een minder belangrijke aspect in de vergelijking tussen de antieke Griekse en de hedendaagse Turkse instrumenten.

 

II.1.3.1 Het tympanon

 

De trommel van de Grieken was een omkaderde drom of tamboer van bescheiden grootte. Over de cirkelvormige open rand van 30 à 50cm diameter was er een huid gespannen, wellicht zowel aan de voor- als achterkant, hoewel slechts één zijde bespeeld werd. Het tympanon werd rechtop gehouden in de linkerhand en betokkeld met de vingertoppen of d kneukels van de rechterhand (catalogus nrs 190, 191 en 195). In voorstellingen uit de vierde eeuw is er een kort handvat bevestigd aan het kader. De trommel is niet met zekerheid geattesteerd in de Griekse literatuur of kunst vόόr de vijfde eeuw v. Chr. In Griekenland, zoals in het Oosten werd het instrument overwegend door vrouwen bespeeld. Het verschijnt bijna uitsluitend in de context van cultussen zoals die van Dionysos (Bacchus) en Sabazios.[58] Toch was het gebruik van het tympanon (Lat. tympanum) niet beperkt tot de Dionysische cultus.[59]

Tympana lijken op de tamboerijnen die gebruikt worden in modern volksdansen. Ze hadden echter geen belletjes en waren voorzien van handvaten. Een tympanon is te zien in handen van een danser, afgebeeld in het mozaïek van Dioskurides in het Nationaal Museum van Napels (afbeelding 5).[60]

 

Afbeelding 5: tympanon

 

II.1.3.2 De krotala

 

Dit instrument bestond uit twee stukken hout of metaal, verbonden aan één kant door een scharnier, zodat ze, zoals moderne castagnetten tegen elkaar geklapt konden worden met de vingers van één hand (catalogus nrs 58, 62 en 70).[61] Klappers of castagnetten (krotala of krembala Lat. crotala) zijn gemaakt van twee korte stukken hout, die bij elkaar gebonden zijn, en meestal door vrouwen gehanteerd. Ze werden gebruikt bij festiviteiten en niet in het theater, bij professionele muziekvoordrachten of in de cultus. Ze lijken zo een 12-15cm lang, iets langer dan de moderne castagnetten, wijder aan de uiteinden en soms met een rechthoekige projectie vanachter het beginstuk.[62]

II.1.3.3 De kymbala

Een ander slaginstrument dat gebruikt werd bij religieuze dansen of orgiastische riten zijn de kymbala (Lat. cymbala). Dit instrument bestaat uit twee metalen ronde bekkens, één voor elk hand, die men tegen elkaar sloeg (catalogus nr.62). Er bevond zich een ring op de bekkens waar men een vinger kon doorschuiven (afbeelding 6) of een handvat dat men vastgreep (afbeelding 7). Soms waren de twee bekkens verbonden met een touw of ketting (afbeelding 8). De diameter van het instrument kon variëren tussen 8 en 13cm. De kymbala zijn zoals de krotala eerder ritme-instrumenten ter begeleiding van dansactiviteiten.

 

Afbeelding 6: kymbala met vingergleuven (kopie van een beeld van Praxtiles in Florenz)

 

Afbeelding 7: kymbala met handgrepen

(mozaïek uit Antiochië, Archeologische Museum, eerste helft 3e eeuw n. Chr.)

 

Afbeelding 8: kymbala met handgrepen (National Museum, Napels)

 

Samengevat worden het tympanon, de krotala en de kymbala ondergebracht bij de slaginstrumenten, die in Klein-Azië bespeeld werden. Het bronnenmateriaal voor deze laatste groep is beschreven en afgebeeld in catalogus nrs 55-63 (reliëfs), nrs 122-164 (numismatiek) en nrs 175-199 (terracotta). [Er kunnen eventueel instrumenten uit deze groep vertegenwoordigd zijn door bronnen in catalogus nrs 64-74 en nr. 84 (combinaties van instrumenten).]

Tot dusver de antieke Griekse instrumenten die volgens de bronnen in Klein-Azië voorkomen (bijlage 1). Deze instrumenten vormen het eerse luik van de vergelijking tussen de antieke Griekse en de hedendaagse Turkse instrumenten.

 

 

II.2 Evaluatie van de bronnen. Hoe zijn de muziekinstrumenten vertegenwoordigd in de bronnen?

 

II.2.1 Kwantitatieve evaluatie

 

In totaal zijn er 199 stukken als bron betrokken bij dit onderzoek. De kwantitatieve evaluatie (bijlage 2) toont aan dat het grootste aandeel in het bronnenmateriaal afkomstig is van de numismatiek en van reliëfs. De verhouding tussen snaar-, blaas-, slaginstrumenten en de combinaties ervan word weergegeven door een cirkeldiagram (bijlage 3, 4, 5 en 6), en dit voor elke groep van bronnen (reliëfs, sculptuur, numismatiek en terracotta).

De snaar- en slaginstrumenten hebben ongeveer een gelijk aandeel in het bronnenmateriaal (81 en 77), terwijl de blaasinstrumenten door 29 bronnen vertegenwoordigd worden. Deze verdeling treft men ook aan bij de numismatische bronnen (bijlage 5), terwijl de blaasinstrumenten de meerderheid vormen bij de sculpturen (bijlage 4). De reliëfs stellen meestal snaarinstrumenten voor (bijlage 3).

Opvallend is het ontbreken van slaginstrumenten in sculptuur en het ontbreken van combinaties van muziekinstrumenten in de numismatiek en de terracottas (bijlage 2). Er zijn slechts een 12-tal bronnen, dat combinaties van verschillende muziekinstrumenten voorstellen

Bij de numismatiek kan dit gebrek verklaard worden door de beperkte ruimte die voor handen is voor de afbeelding.

In de numismatische bronnen valt ook op dat enkel het tympanon en de kithara vertegenwoordigd worden.

De kymbala zijn iconografisch vertegenwoordigd door één voorbeeld, nl een reliëf op aardewerk uit Pergamon, beschreven door G.Hübner (catalogus nr.62). Desondanks neem ik aan dat het instrument evenzeer als de krotala en tympana voorkwam in Klein-Azië. De zeldzaamheid van zijn voorkomen in de bronnen kan toegewezen worden aan het feit dat ritme-instrumenten over het algemeen niet populair waren in de antieke Griekse cultuur. Het zelfde zou ook voor het tympanon gelden, ware het niet dat dit instrument verbonden was aan een ingeburgerde cultus. Het grote aantal bronnen, dat het tympanon vertegenwoordigen, hoewel dit instrument even vreemd was aan de Griek-Romeinse muziekwereld als de kymbala en krotala, kan op deze manier verklaard worden.

 

II.2.2 Instrumenten als attributen

 

Het feit dat enkel het tympanon en de kithara op de munten worden afgebeeld, is te verklaren door de associatie van deze twee instrumenten met de goden, en de daaraan verbonden cultussen. Hoewel de god Apollo vaak met de lier wordt afgebeeld, is hij ook met de kithara te associëren. De afbeelding van de god Apollo met de kithara groeit in de Grieks-Hellenistische materiële cultuur zelfs uit tot een type, nl Apollo Kitharoidos (cfr. beeld uit Milete catalogus nr.77, munt uit Hydrela catalogus nr.107, terracotta figuur uit Myrina catalogus nr.166).[63]

Meestal worden de muziekinstrumenten als attributen van mythische figuren voorgesteld maar dit wil in geen geval zeggen dat deze instrumenten niet als representatief voor het dagelijkse leven kunnen beschouwd worden. Naast Pan, is Eros vaak met een panfluit in zijn handen afgebeeld (catalogus nr.43) of met een kithara (catalogus nr.27) of plagiaulos (catalogus nr.36). De god Apollo is verbonden met de kithara zoals Kybele met het tympanon. In de meeste gevallen helpt dit soort van associatie ook bij de identificatie bij onduidelijke afbeeldingen.

 

II.2.3 Geografische verspreiding van de instrumenten

 

Bijlage 7 toont de geografische verspreiding van enkele instrumenten. Hiervoor is het aantal bronnen, dat een bepaald instrument voorstelt per gebied in beschouwing genomen.

De lier wordt vooral door bronnen uit Phrygië en Lykië vertegenwoordigd (bijlage 7 punt 1). Op bronnen uit Troas, Ionië en Pamphylië wordt de lier ook vaak afgebeeld. Het is opmerkelijk dat de lier in elke gebied voorkomt, behalve in Lydië (volgens de bronnen).

De kithara wordt het meest afgebeeld in de bronnen uit Mysië en Ionië (bijlage 7 punt 2). De bronnen die als ‘vindplaats ongekend’ zijn aangegeven, hebben ook een groot aandeel in de afbeeldingen van de kithara. Deze zijn vooral reliëfs die door Pfühl-Möbius zijn beschreven en meestal een Oost-Ionische stijl hebben. Het tympanon is hoofdzakelijk en bijna uitsluitend door bronnen uit Phrygië en Mysië vertegenwoordigd (bijlage 7 punt 3). Voor de panfluit en de dubbelaulos hebben de bronnen uit Mysië en Ionië het grootste aandeel (bijlage 7 punt 4 en 5). De overige instrumenten, zoals de slaginstrumenten (het tympanon uitgesloten), de barbitos, de aulos en plagiaulos zijn te weinig vertegenwoordigd om een verspreiding per gebied weer te geven.

 

 

III. VERGELIJKING VAN DE ANTIEKE MUZIEKINSTRUMENTEN MET DE HUIDIGE INSTRUMENTEN IN TURKIJE

 

In dit hoofdstuk zullen de antieke Griekse instrumenten, die voor Klein-Azië geattesteerd zijn door het bronnenmateriaal (bijlage 1), waar mogelijk, vergeleken worden met instrumenten, die in hedendaags Turkije bespeeld worden.

Het is niet makkelijk om een brug te slaan tussen Klein-Azië in de Oudheid en het hedendaags Turkije, aangezien er nog andere culturele periodes tussen de twee inbegrepen zijn. Men zou voor de continuïteit van het gebruik van muziekinstrumenten de Byzantijnse periode ook moeten bespreken. Hierna zou men de Ottomaanse periode en de toen gangbare muziekinstrumenten moeten nagaan om de link met het hedendaags Turkije te leggen.

Deze laatstgenoemde periode zal tijdens de uiteenzetting bij enkele Turkse instrumenten aan bod komen. De Byzantijnse periode zal in dit proefschrift niet belicht worden.

 

Het gebied waaruit de gangbare instrumenten nagetrokken zijn aan de hand van de archeologische bronnen, komt overeen met het hedendaagse West-Turkije. Omdat Turkije een unitair geheel vormt op het gebied van het gebruik van muziekinstrumenten, kan er geen sprake zijn van een geografische scheiding voor de instrumenten. Er zijn echter wel specifieke instrumenten die kenmerkend zijn voor een welbepaalde regio. Dit is te verklaren doordat een bepaald instrument verbonden wordt met een volk dat in een specifiek gebied leeft en zijn karakteristieke muziekgenre heeft. Maar als het gebruik van het instrument nagegaan wordt, zal men snel tot de conclusie komen dat het overal in het land gekend is en gebruikt wordt, onder andere door interne migraties en het feit dat Turkije bestaat uit een ethnisch mozaïek. Bij sommige instrumenten kan echter vermeld worden in welke regio het instrument het meest voorkomt bij voorbeeld of niet meer in gebruik is.

 

Tijdens de vergelijking zal steeds een antieke Griekse tegenover een moderne Turkse instrument geplaatst worden. Er zal telkens uitgeleg gegeven worden over het Turkse instrument en getracht worden enige gelijkenis met het antieke instrument te vinden.

 

 

III.1 De snaarinstrumenten

 

Het eerste wat opvalt als men de Turkse snaarinstrumenten bekijkt, is de afwezigheid van een instrument dat lijkt op de lier. De lierfamilie met de verschillende soorten van lier en kithara zijn verbonden met de muziekbeleving in de Oudheid. Het is zeer moeilijk om tussen de hedendaagse muziekinstrumenten equivalenten te vinden van deze antieke voorbeelden. Dit is ook niet anders wat betreft de instrumenten, die in Turkije in gebruik zijn. Hier hebben we echter wel een tegenhanger van de lierfamilie, nl de saz-familie.

Deze familie bestaat uit snaarinstrumenten, die één enkele greepplank hebben die verbonden is met de klankkast.

Beide families stellen een geheel van snaarinstrumenten voor dat bestaat uit verwante maar toch elk aparte en karakteristieke instrumenten. De lier, kithara en barbitos zijn de drie voornaamste leden in de lierfamilie en hebben elk een eigen verschijning en klankproductie.

Hetzelfde geldt voor de saz-familie. De drie belangrijkste instrumenten die men hier aantreft zijn de saz, de baglama en de tanbur. Er is geen verwantschap tussen de lier- en saz-familie, omdat de saz- familie bestaat uit snaarinstrumenten die een enkele klankgreep hebben die verbonden is met de geluidskast. Bij de lierfamilie echter is er sprake van twee armen waartussen het geluidskast zich bevindt. Het gaat dus om twee verschillende typen van snaarinstrumenten die daarom niet kunnen vergeleken worden. De snaarinstrumenten zullen dus niet opgenomen worden in de vergelijking.

 

Afbeelding 9: de saz-familie (boven) met de saz, de baglama en de tanbur

en de lier-familie (onder) met de lier, de kithara en de barbitos

 

 

III.2 De blaasinstrumenten

 

III.2.1 De dubbelaulos versus de çifte

 

Een instrument zoals de dubbelaulos komt niet vaak voor onder de moderne muziekinstrumenten. In Turkije kan de çifte vergeleken worden met de dubbelaulos.

In de publicatie van Gazımihâl ‘Türk nefesli çalgıları [De Turkse blaasinstrumenten]’ wordt dit instrument çifte kaval (dubbel kaval) genoemd. De kaval is een ander blaasinstrument dat later in deze hoofdstuk ook aan bod komt. Gazımihâl is de eerste die het instrument çifte kaval definieert en het voorkomen ervan in Turkije nagaat. Op de meeste plaatsen in Anatolië komen er resten van de çifte kaval voor. Dit in tegenstelling tot de streek rond Ankara, waar dit instrument nagenoeg verdwenen is. Het is een instrument dat de organografische wereld erg interesseert. Het heeft een rustieke aard en wordt vooral door herders bespeeld (net als de kaval). Het exemplaar dat Gazımihâl beschrijft, is vervaardigd uit vleugelbeenderen van arend. Het bestaat uit twee exemplaren van de kaval die naast elkaar gebonden zijn. Elk heeft zeven gaten en meet in zijn geheel 1m.[64] Voor de auloi wordt een lengte van 20-25cm gegeven, maar de dubbelauloi waren mogelijk veel langer zoals op verscheidene bronnen ook te zien is (catalogus nr.51). Aangezien de buizen van de Etruskische dubbelauloi korter en dikker waren, heeft de çifte meer gelijkenis met de Griekse dubbelaulos.

Het geluid is vooral zacht en melancholisch. De çifte kaval heeft aan het uiteinde van elk kaval een rieten mondstuk, waardoor het niet gepast is om de buizen kaval te noemen. Zo werd dit instrument kort çifte genoemd. De oudste benaming is echter niet gekend.[65]

In de publicatie van Özalp ‘Türk musikisi tarihi [De geschiedenis van de Turkse muziek]’ wordt een verschillende versie beschreven. Dit blaasinstrument lijkt op een smalle doos die plat is en naar het uiteinde toe verbreedt (figuur 11).[66]

De versies die vervaardigd zijn door twee naast elkaar geplaatste buizen (afbeelding 9) zijn beter vergelijkbaar met de dubbelaulos. Het geluid wordt voortgebracht door middel van een toegevoegd stukje rieten fluitje aan het bovenste uiteinde. Men kon de afzonderlijke buizen echter niet bewegen ten opzichte van elkaar, wat wel het geval was bij de dubbelaulos. De çifte wordt in de zuidelijke gebieden van Turkije (vooral in Hatay) argul genoemd of kargin. Er zijn twee soorten van de çifte, bij de ene soort heeft de tweede buis geen gaten. Deze buis dient om een ondertoon aan te houden als akkoord, zoals bij de dubbelaulos (zie punt II.1.2.1). De tweede soort vertoont vijf à zeven gaten.[67] Over het algemeen komen er aan één zijde zeven gaten en aan de andere zijde twee gaten voor.[68] De auloi hadden gewoonlijk vijf gaten.

 

Figuur 11: çifte die op een doosje lijkt

 

Afbeelding 9: çifte bestaande uit twee buizen naast elkaar

 

III.2.2 De monaulos versus de mey

 

De mey is een blaasinstrument dat gedurende eeuwen bespeeld wordt in de Turkse muziek. Het cilindervormige instrument bestaat uit een houten lichaam met zeven gaten aan de voorkant en één gat aan de achterkant (afbeelding 10). Aan het mondgedeelte van het lichaam bevindt zich een brede lange dubbelriet, dat zorgt voor het voortbrengen van geluid. Bovenop het dubbelriet wordt een klem voor de afstemming bevestigd. Dus de mey bestaat uit een lichaam, een dubbelriet en een klem.

Het lichaam wordt meestal uit hout van de pruimenboom vervaardigd, maar hiernaast kan ook hout van bomen zoals die van okkernoten, olijven en zelfs van rozelaars gebruikt worden. Het soort riet dat verkozen wordt, is riet van zoetwater en het is dit soort van riet dat de mey haar klankeigenschap geeft. De klem wordt gebogen uit dunne boomtakjes.

Tegenwoordig is de mey overal in Turkije verspreid, mede door de invloed van grootschalige communicatiemiddelen, de verspreiding van muziekacademiën en de hieraan verbonden zin voor professionele uitoefening. Buiten Turkije is de mey ook verspreid in het continent Azië en rond de Kaspische zee.[69] In Turkije wordt de mey oorspronkelijk vooral in de noordoostelijke regio’s bespeeld. Zij behoort tot de zurna-familie (zie verder punt III.2.4). De lengte bedraagt ongeveer 30cm. Net als bij de zurna is het mondstuk afgeplat en breed. Aan de voorkant bevinden zich acht vingergaten en aan de achterkant één vingergat.[70]

De mey werd in de uitzendingen van de Stichting Radio Turkije (Türkiye Radyo Kurumu) voor het eerst bespeeld in 1950 door Cevri Altıntaș. In de daarop volgende jaren werd de mey in drie verschillende grootten vervaardigd doordat een enkele mey met één toon niet voldoende werd geacht door de spelers. Hiervoor werd riet van verschillende afmetingen gebruikt en verkreeg men de hoofd-, midden en cura-mey. In de jaren 90 werd de mey door de producent Ayhan Kahraman in acht verschillende afmetingen vervaardigd (tegenover elke diatonische klank in een octaaf).[71]

In vergelijking met andere blaasinstrumenten vertoont de mey grote verschillen qua bouw. Het riet is dubbelzijdig en groot, wat voordelig is voor de klankproductie maar een nadeel vormt voor het gebruik. Er is een grote beheersing over de lippen vereist. De bespelers moeten zich voelen alsof ze zelf het muziekstuk aan het zingen zijn. Het voortbrengen van chromatische klanken kan niet enkel door de vingers bereikt worden. De druk van de lippen op het riet moet op dat moment ook veranderen. De methodologie voor de mey, dat als instrument is opgenomen in het Conservatorium voor Turkse Muziek, werd doorheen de jaren ontwikkeld en in 1996 beschreven.[72]

De mey is geen gestandaardiseerd instrument, de grootte varieert zoals boven al werd uitgelegd.[73] Dit instrument wordt vooral binnen bespeeld. De mey werd oorspronkelijk mayit genoemd en door de Eyptenaren werd het irakiye genoemd. R.Gazımihal definieerde de mey als de voorouder van de zurna. De mey met tien gaten wordt in Azerbeycan en Turkestan balaban genoemd.[74] [Turkestan is het gebied dat zich van Centraal-Azië uitstrekt tot in West-China. De meerderheid van de Turkistani zijn etnische Turken en zijn moslims. De voormalige republiek Turkestan (1918-1921) omvatte een groot deel van het huidige Turkmenistan.]

 

Afbeelding 10: mey

 

Onder de bronnen van dit proefschrift wordt er slechts eenmaal een monaulos voorgesteld, nl een reliëf op aardewerk uit Pergamon uit de publicatie van G.Hübner (Cat. Nr.49). De monaulos kon zijdelings geblazen worden maar werd hoofdzakelijk eindgeblazen zoals de mey.

 

III.2.3 De plagiaulos versus de kaval

 

De kaval is een eenvoudig houten blaasinstrument waar ook metalen exemplaren van bestaan (afbeelding 11). Men kan een onderscheid maken tussen twee soorten, nl. met en zonder rietblad. Meest voorkomend is de kaval zonder rietblad in tegenstelling tot de zurna en mey die een rietblad hebben. De kaval (met of zonder rietblad) wordt net als de mey en de çifte enkel bij volksmuziek bespeeld. Beide types hebben aan de voorkant zes en aan de achterkant één gat. De lengte varieert tussen 50cm en 70cm. Op de kaval met rietblad wordt net als op de fluit geblazen, terwijl de kaval zonder rietblad naar rechts of links toe gericht wordt.[75] De plagiaulos werd ook aan het einde geblazen en zijdelings gehouden (zie punt II.1.2.1) en bevat een dubbel rietblad binnenin.

De kaval is één van de oudste muziekinstrumenten in Turkije dat een rustieke aard heeft. Het bestaat uit één stuk met zeven gaten aan de voorkant en één gat aan de achterkant.[76]

Farmer schrijft dat het negen gaten heeft. Meninsky vertaalt de kaval als fistula, die zeer primitief is en een variërend aantal vingergaten heeft (zes en één voor de duim, of zeven). De kaval wordt in Anatolië door de herders bespeeld om de kudden te leiden.[77] Het artikel van Prof. B.Tarlabașı handelt over het probleem van standaardisatie van de kaval. Hij beschrijft de kaval als een instrument met vijf à acht gaten en een lengte tussen 50cm en 80cm. en twee soorten, nl. met en zonder rietblad. Bij de kaval met rietblad wordt er geluid voortgebracht door gewoonweg te blazen op de buis. Bij de kaval zonder rietblad spelen de speciale posities van de lippen en de mond een belangrijke rol. Het instrument heeft tegenwoordig geen bepaalde leermethode.[78]

Bij de kaval horen een koker die als tas dient en een reinigingsstaafje. Voor de kaval of kuval zelf wordt vaak hout van de perenboom en de pruimenboom gebruikt en soms hout van de kersenboom of de okkernotenboom. De beste productie vindt men in Maraș en Antep (zuidoost-Turkije). Bij exemplaren met zeven gaten is de eerste het hoofdgat. De twee gaten dicht bij het mondgedeelte worden bedekt met de wijsvinger en de middelvinger. De duim bedekt het hoofdgat aan de achterkant. Tijdens de vervaardiging maakt men een verdikking ter hoogte van de rand of men plaatst achteraf een houten ring ter bescherming. Het gat aan het uiteinde aan de voor en achterkant noemt men het duivelsgat of het gat genoemd naar de profeet Ali.[79]

Afbeelding 11: kaval (houten en metalen voorbeeld)

 

III.2.4 De salpinx versus de zurna

 

De salpinx kan vergeleken worden met de zurna omdat ze beide een gelijkaardige vorm hebben, nl een uitwaaierend uiteinde (afbeelding 12). De salpinx of de Griekse trompet is wel uit brons vervaardigd en heeft een benen mondstuk, terwijl de zurna uit hout bestaat. De salpinx komt niet voor in onze bronnen. De beeldengroep uit Mylasa, beschreven door Bloomington in de publicatie van F.Prayon kan bij deze vergelijking betrokken worden (figuur 15 en catalogus nr.80). De eerste muzikant blaast op een instrument dat op een salpinx lijkt maar omdat hij een phorbeia draagt, wat niet gebruikelijk is (zie supra) kan het niet gaan om een salpinx. De speler houdt het instrument maar met één hand vast, wat erop wijst dat er geen vingergaten zijn. In ieder geval heeft dit instrument de vorm van een salpinx.

De onderzoeker Meninsky vertaalt de zurna naar monaulos, lituus of scalmellum. Andere noemen het een soort obua met een houten buis in plaats van riet. Hoewel Perzische en Turkse woordenboeken de zurna als een lituus of een buis definiëren, is dat niet geschikt.[80] Het mondstuk bestaat uit een rietblad dat afgeplat wordt door middel van een schijfje.

De zurna is verankerd in de Turkse volksmuziek en wordt altijd bespeeld naast de grote Turkse trommel. Het instrument heeft een zeer schelle klank.[81] Deze twee instrumenten komen nagenoeg in elke dorp voor en worden bij elke soort van festiviteiten, feesten, huwelijksfeesten, worstelvoorstellingen, overwinningen en bij het uitzenden van een soldaat naar het leger naar boven gehaald. Het heeft dus een nationale betekenis en een zeer grote rol in de militaire muziek. Bij de Turkse Klassieke muziek werd het ook bespeeld maar weer opgegeven. Boven telt de zurna zeven gaten en beneden één. In Europa wordt dit instrument wel eens aangeduid met de term ‘Turkse hobo, de hobo is immers een verder ontwikkelde vorm van de zurna.[82]

De zurna is zeer belangrijk in de Turkse folklore, en wordt zowel bij volksmuziek als bij militaire muziek bespeeld. De zurna wordt vervaardigd uit pruimenhout. Er bevindt zich een mondstuk aan het uiteinde om te blazen. Dit wordt gemaakt uit hout en dient voor het voortbrengen van geluid. Er komen drie soorten zurna’s voor, nl in drie verschillende groottes. Deze worden kaba zurna, zurna en cura zurna genoemd.[83] De kaba zurna is meestal langer dan een halve meter en komt voor in Thracië en veel rond Sivas. In Oost-Anatolië noemt men het instrument boyzurna hoewel het aanzienlijk minder voorkomt dan de cura zurna.[84] De midden zurna komt overal in Turkije voor, terwijl de cura zurna enkel in het gebied van de Zwarte Zee voorkomt. Deze soort wordt altijd samen met de davul bespeeld. Dit instrument w