| Van Concept tot Werkelijkheid . Conceptuele Analyse van ‘Multiculturalisme’. (Marijn Straetemans) |
| home | lijst scripties | inhoud |
“Stel je het leven voor als een immens probleem, een vergelijking, of beter nog, een familie van vergelijkingen, deels afhankelijk, deels onafhankelijk van elkaar… met dien verstande dat al die vergelijkingen zeer complex zijn, dat ze vol verrassingen zitten en dat we vaak niet in staat zijn om hun ‘wortels’ te vinden.”[1]
Fernand Braudel
Onze maatschappij wordt gekenmerkt door talrijke problemen. De oorzaken hiervan vinden is moeilijk. Toch proberen we dit, keer op keer. De sociale wetenschappen probeert op zijn eigen manier oplossingen te formuleren op maatschappelijke problemen en de oorzaken te achterhalen. Zoals Fernand Braudel het voorstelt, zijn veel problemen verwikkeld met andere. Dus eenduidige oplossingen zijn niet vanzelfsprekend. Ze zijn domeinoverschrijdend. Een politiek antwoord op een maatschappelijk probleem is niet voldoende. Een wisselwerking met verschillende domeinen brengt andere oorzaken aan het licht.
In mijn eindverhandeling van de opleiding Wijsbegeerte concludeerde ik de oorzaken van maatschappelijk onbehagen te wijten zijn aan verwarring. Deze verwarring wordt veroorzaakt doordat specifieke termen niet adequaat geconceptualiseerd worden. Er is een gebrek aan uniforme definities en er kan een onderscheid gemaakt worden tussen perceptie en realiteit. Er is ook een onderscheid tussen het wetenschappelijke discours en het discours van de gemiddelde bevolking. Er heerst verwarring over talrijke concepten. Die verwarring gaat over de vraag wat bijvoorbeeld globalisering juist inhoudt of multiculturalisme. Men hanteert veel containerbegrippen om maatschappelijke problemen aan te duiden, maar deze zijn zo breed dat men niet meer inziet wat er precies bedoeld wordt.[2]
In het wetenschappelijke discours zijn er ontelbaar veel definities. Over multiculturalisme en haar aanpak is er geen eensgezindheid. Wat moet de burger doen met de stelling van ‘het onvermijdelijke falen van de multiculturele samenleving’? Moeten zij hier geloof aan hechten of langs zich neer leggen? Om de oorzaken van het onbehagen moet deze verwarring tegengegaan worden. Bijgevolg pleit ik voor een realistische en duidelijke benadering.
Dit academiejaar ben ik bijgevolg de queeste gestart naar de verschillende mogelijke invullingen van het concept multiculturalisme op talrijke onderzoeksdomeinen. De centrale vraag in deze verhandeling luidt bijgevolg:
Wat zijn de verschillende invullingen van het concept multiculturalisme?
Om deze vraag te kunnen beantwoorden is een afbakening noodzakelijk. De sociale wetenschappen zijn omvangrijk. Om mijn onderzoek realistisch te houden, beperk ik mij tot een drieledige afbakening. Enerzijds spits ik mij toe op de politiek-filosofische literatuur. Anderzijds bekijk ik de politieke zijde. Deze politieke invulling wordt op zijn beurt weer opgedeeld: als eerste de invullingen van de politieke ideologieën en vervolgens worden de debatten in het Vlaams parlement geanalyseerd met als doel de perceptie van de politieke partijen te kennen. Hieruit kan ik drie onderzoeksvragen afleiden.
Wat is de invulling van multiculturalisme door de politieke filosofie?
Wat is de invulling van multiculturalisme door de verschillende ideologieën?
Wat is de invulling van multiculturalisme in het Vlaams politieke landschap?
Daarbij wordt er rekening gehouden met de relatie tussen de verschillende onderzoeksdomeinen. Bijkomende onderzoeksvragen zijn: Volgen de politieke partijen nauw de invulling van de ideologieën? Heeft de politieke filosofie invloed op de politieke partijen? Is er een duidelijk onderscheid te maken?
De onderzoeksmethode bepaalt steeds in zekere mate de resultaten van een onderzoek. Een methodologische noot is dan ook van belang om resultaten te interpreteren. Zoals al duidelijk is gemaakt werd er gekozen voor een kwalitatief onderzoek, omdat er met een beschrijvende probleemstelling wordt gewerkt. Ik werk op basis van een documenten- en literatuuranalyse. Naar aanleiding van de drie onderzoeksdomeinen (politieke filosofie, ideologie, politieke partijen) wordt het geheel van documentatie erg groot.
Voor het onderzoeksdomein politieke filosofie zal ik de politiek-filosofische literatuur doornemen. De eerste afbakening die gemaakt wordt, is dat enkel hedendaagse auteurs besproken worden, aangevuld met secundaire literatuur. Hier worden de ‘groten’ besproken, dit zijn Will Kymlicka, Charles Taylor en Bhikhu Parekh.
Voor het tweede onderzoeksniveau, de ideologie, zullen allerhande ideologische teksten geraadpleegd worden. Hier ligt de nadruk op ideologieën die een sterke navolging hebben in Vlaanderen. De reden hiervoor is om de overgang naar het derde onderzoeksdomein, de politieke partijen, te vereenvoudigen. Hier worden christendemocratie, socialisme, nationalisme en het liberalisme besproken.
Voor het onderzoek naar de politieke partijen worden de talrijke documenten van politieke partijen geanalyseerd, zoals standpunten, congresteksten, verslagen van de debatten in het Vlaams parlement, reflectienota’s, opinieteksten, positiebepalingen, interviews in kranten, e.d. De afbakening die hier gemaakt wordt is tijdsgebonden: vanaf 2004 tot heden. De reden hiervoor is dat er sinds 2004 er een nieuwe wind waait in het Vlaamse politieke landschap m.b.t. inburgering. Een nieuwe ministerpost werd gecreëerd, gekoppeld aan een nieuwe commissie binnen het Vlaamse parlement. Het discours hieromtrent is interessant om te analyseren in verband met deze conceptuele analyse.
Één beslissende fase in deze eindverhandeling wordt verkregen doordat de teksten gereduceerd worden tot een aantal beheersbare inhoudelijke categorieën, die we in deze context kernlabels zullen noemen.
Een documenten- en literatuuranalyse heeft een aantal voordelen. Ten eerste is de methode discreet. Het object van onderzoek reageert niet op de onderzoeker. Ten tweede kan men relatief snel een inzicht verwerven. Men heeft de voortgang van het onderzoek volledig in eigen handen. Ten derde laat de methode toe om verschillende onderzoeksdomeinen te vergelijken. De verschillende domeinen die behandeld worden, hebben immers een vergelijkbaar gebruik van het concept multiculturalisme.
Een documentenanalyse kent ook echter ook nadelen in vergelijking met andere methoden zoals survey-onderzoeken en interviews. Het inzicht beperkt zich tot wat geschreven staat. De verschillende documenten geven een bepaalde realiteit weer, maar geen volledig inzicht. Sommige elementen staan niet in de teksten. Soms stelt men de situatie te rooskleurig of te zwartgallig voor. De documentanalyse laat ook minder een zicht in de diepte toe, in vergelijking met andere methoden zoals interviews. Om hieraan tegemoet te komen, heb ik ieder betrokken parlementslid gevraagd om een korte positiebepaling te geven van multiculturalisme.
De verschillende fases in het onderzoek:[3]
Informatie selecteren op relevantie
De relevante teksten opsplitsen in fragmenten
Vaststellen van labels
Ordenen en reduceren van labels: gebruik van de hiërarchische methode: alle labels even belangrijk voor de onderzoeksvraag?
Vaststellen van de geldigheid van de labeling
Definiëren van de kernlabels
Informatie vinden, vormt geen probleem. Relevante informatie is al wat moeilijker. Tijdens de selectie op relevantie en bij de opsplitsing in fragmenten moet er gelet worden op de opmerkingen van Sartori. Een probleem dat kan ontstaan in deze fase is het gebrek aan duidelijkheid waardoor conceptual stretching[4] kan ontstaan.
Het vaststellen van labels is cruciaal. Het gevaar van misclassification[5] bestaat. Om dit te vermijden is de toetsing belangrijk door te zoeken naar meer informatie. Bij het ordenen en reduceren van labels wordt gebruik gemaakt van de hiërarchische methode. Een bijkomende vraag is: “Zijn alle labels belangrijk voor de onderzoeksvraag?”
Het vaststellen van de geldigheid van de labeling. Komen de verschillende labels overeen met de verschillende behandelde onderzoeksdomeinen? Worden dezelfde labels gehanteerd bij de studie van de politieke filosofie, de ideologie en de politieke partijen?
Het definiëren van de kernlabels vormt de laatste fase. Elke kernlabel staat in verhouding met een aantal andere labels, die op hun beurt de kernlabel verder verfijnen. Hierdoor wordt het analyse-instrument bruikbaar voor de analyse. We bewaken op deze manier tevens de homogeniteit tussen verschillende labels. Aan iedere kernlabel werd een dimensie en lading gegeven. Een overlapping van kernlabels met dezelfde dimensie is mogelijk.
“ 2.Was der Fall ist, die Tatsache, ist das Betehen von Sachverhalten.”[6]
1.1 Inleiding
Merton stelde in zijn boek Social Theory and Social Structure in 1958 dat een groot deel van het theoretiserende werk de verklaring van concepten is.[7] Om te begrijpen wat er precies bedoeld wordt met concepten, ga ik terug naar Wittgenstein en zijn Tractatus Logico-Philosophicus. In dit uitzonderlijk werk stelt hij dat een zinvolle uitspraak over de werkelijkheid pas mogelijk is als de objecten in de zin qua logische samenhang overeenkomen met de logische samenhang in de werkelijkheid.
Concepten zijn de instrumenten waarmee we denken, kritiek uiten, argumenteren, uitleggen en analyseren. Meer nog, de externe wereld geeft ons niet automatisch de kennis. “2.1 Wir machen uns Bilder der Tatsachen.”[8] Om de wereld te kunnen begrijpen, moeten we er betekenis aan geven en dit doen we door de constructie van concepten.[9] Op deze manier fungeert taal als een afbeelding van de werkelijkheid. Een zin bezit een logische vorm (het is niet zomaar een opeenvolging van woorden) en kan een bepaald feit uit de werkelijkheid omschrijven. “2.0124 Sind alle Gegenstände gegeben, so sind damit auch alle möglichen Sachverhalte gegeben.”[10]
Dit kan samengevat worden als contextualisme. Dit stelt dat je de betekenis van iets niet mag gelijkstellen over de verschillende contexten. Er is meer dan meer dan één betekenis. Om de betekenis van een woord duidelijk te maken moeten we de context bekijken, met name het taalspel waartoe het woord behoort, bestaande uit woorden en handelingen. “2.14 Das Bild besteht darin, daß sich seine Elemente in bestimmter Art und Weise zu einander verhalten.”[11]
Er is ook sprake van politieke concepten. Hieronder vallen bv. vrijheid, democratie, multiculturalisme, rechten, politieke verplichting, … Deze concepten zijn ‘essentially contested’. Deze term, geïntroduceerd door W.B. Gallie,[12] houdt in dat er nooit een gevestigde definitie over gevormd kan worden. Dit is een problematische situatie.
“Speaking a language involves taking on a world, and altering the concepts constitutive of that language involves nothing less than remaking the world. Insofar as the political world is linguistically and communicatively constituted, then, conceptual change must be understood politically, and political change conceptually.”[13]
1.2 Conceptuele analyse
“… concepts constitutive of political beliefs and behaviour have historically mutable meanings.”[14]
Goed gedefinieerde concepten zijn onmisbare instrumenten voor analytische kaders, verklaringsmodellen en theorieën. Het concept moet echter voorzichtig gebruikt worden, want ze kan grote verschillen bevatten, die uiteindelijk grote gevolgen kunnen hebben op vlak van beleid. Om niet in de valkuilen te trappen van de conceptuele analyse moet de onderzoeker zich bewust zijn van de eventuele fouten die hij kan maken. Deze werden mooi uitgestippeld door Sartori in het boek Social science Concepts, a Systematic Analysis.[15] en in Compare why and how.[16]
1.2.1 Concept unraveling
Een concept is een ‘basic unit of thinking’[17] volgens Sartori. Dit is een thin discription. Deze definitie maakt onderzoek naar concepten eenvoudig, omdat er een hele brede invulling kan gegeven worden.

Om aan ‘concept unraveling’[18] te doen, hertekent Sartori de driehoek van Ogden & Richards. Deze driehoek deelt kennis drieledig op. Het kennen kan men afleiden uit woorden, betekenissen en referents. Deze kunnen op hun beurt onderscheiden worden door twee vragen.
- “Hoe relateren betekenissen tot woorden?” [19]
- “Hoe relateren betekenissen tot referents?” [20]
Woorden komen overeen met termen. Een referent is “whatever is out there, (…) before or beyond mental and linguistic apprehension” [21] De betekenis komt overeen met de connotatie.
Er zijn 2 elementen van een concept, namelijk de intension en de extension, of de intensiteit en de omvang. De intensiteit van een term bevat al de karakteristieken of eigenschappen van die term. De omvang bestaat uit de groep van alle objecten waartoe dit woord correct betrekking op heeft. [22]
Om woorden, betekenissen en referents te kunnen onderscheiden, werden 2 vragen gesteld. De antwoorden hierop zijn van cruciaal belang. Het antwoord op de eerste vraag kan enerzijds ambigu of duidelijk zijn en anderzijds dubbelzinnig of univocal, (slechts één betekenis.) De antwoorden op de tweede vraag kunnen enerzijds vaag of niet vaag zijn en anderzijds impliciet of adequaat.
Wanneer de relatie tussen de drie elementen niet in evenwicht is, treden er zich onduidelijkheden op. Een onevenwichtige relatie tussen betekenis en woord levert dubbelzinnigheid en ambiguïteit op. Dit kan gebeuren wanneer een term meerdere betekenissen heeft en daardoor verward wordt met andere termen met gelijkaardige betekenis. Synoniemen dienen dus vermeden te worden, aldus Sartori.
Bij een gebrekkige relatie tussen betekenis en referent treedt er vaagheid op. Deze vaagheid is afhankelijk van de intensiteit en treedt op wanneer het concept er niet in slaagt te bepalen welke referents van toepassing zijn. Deze vaagheid kan tegengegaan worden door extra eigenschappen, toe te kennen aan het concept zodat het aantal betekenissen beperkt wordt.
1.2.2 Niveaus van conceptuele analyse

Er zijn verschillende niveaus van conceptuele analyse.[23] Dit kan visueel voorgesteld worden, zie figuur 2. Bovenaan de trap is het niveau van het concept. Een algemeen idee over iets, uitgedrukt in één woord. Dit is heel abstract. Op zich heeft dit concept geen duidelijke definitie en is de reikwijdte zeer beperkt. Het concept in deze eindverhandeling is multiculturalisme.
Een duidelijke afbakening kan echter op twee manieren gebeuren. Enerzijds kan ik figuur twee interpreteren naargelang de reikwijdte van het begrip, anderzijds in welke mate het betrekking heeft op de maatschappij en individu. De invulling van microtheorie en macrotheorie verschilt naargelang mijn keuze.
Sartori hanteert in Social science concepts: a systematic analysis, vooral de reikwijdte van het begrip. Hij introduceerde de abstractieladder. De analyse van een concept houdt dus verschillende niveaus in: van heel abstract tot heel concreet. De abstractieladder geeft aan op welke manier de relatie tussen de intensiteit en omvang van het concept kan aangepast worden om meer abstracte of meer specifieke concepten te verkrijgen.[24]
Volgens Sartori is het noodzakelijk om zich aan deze methode te houden anders vervalt men in conceptual stretching.[25] Het is duidelijk dat dit onderscheid niet makkelijk te maken is. Toch is het van belang dat er een lijn getrokken wordt, anders vervalt men in degreeism.[26]
Met betrekking tot multiculturalisme zullen we ook aandacht besteden aan de verschillende niveaus. Met de theorie van de abstractieladder van Sartori en de piramide van Heywood in het achterhoofd, maak ik zelf een synthese.

Op de hoogste trap staat het concept, multiculturalisme. Dit is de hoogste graad van abstractie.
Op de tweede trap staan wat Heywood de microtheorieën of modellen noemt. Ik omkader ze eerder als de politieke filosofie. Deze algemene theorieën, zoals communitarisme, liberalisme[27], … hebben ook geen uitgesproken invulling van dit concept. Dit zijn theoretische voorstellingen van empirische data. Zij moeten ook geïnterpreteerd worden. Het is duidelijk dat de communitaristische invulling van het multiculturalisme verschilt van de liberale invulling.
De derde trap wordt ingevuld door de politieke ideologieën. Deze theorieën hebben een nog uitgebreidere invulling van het concept. Politieke concepten zijn vaak het onderwerp van ideologische discussies.[28] Ideologieën hebben geen onmiddellijke invulling van concepten, zij moeten zo geïnterpreteerd worden. Hieronder vallen het socialisme, conservatisme, liberalisme, nationalisme.
Het verschil tussen de tweede trap (politieke filosofie) en derde trap (politieke ideologie) is niet zo duidelijk.[29] Het verschil ertussen ligt vooral in het feit dat de ideologie eerder dan een intellectueel avontuur, een politiek werktuig is,. Filosofen willen overtuigend zijn t.o.v. hun collega’s, ideologen willen een grote politieke groep overtuigen.
Tenslotte bereiken we de politieke partijen. De politieke partijen hebben heel concrete voorstellen m.b.t multiculturalisme. Dit is de invulling van het concept multiculturalisme op een heel concreet niveau. Hieronder vallen de beleidsvoorstellen, de wetten en decreten.
1.2.3 Wat er kan mislopen?
In een conceptuele analyse schuilen vele addertjes onder het gras. Sartori heeft ons de abstractieladder aangereikt als methode om een conceptuele analyse te maken. Daarbij is kennis van wat er mis kan lopen onmisbaar. Hij heeft ons gewezen op het gevaar van dubbelzinnigheid en vaagheid. Maar hier blijft het niet bij. Bij onderzoek is een cruciale vraag: “Wat is vergelijkbaar?” Om hier een antwoord op te kunnen geven, is het van belang om een goede classificatie te maken. Hier kunnen echter ook veel zaken mislopen. Sartori spreekt van een catdog.[30] Wat is dit? Een catdog is een typisch verkeerde classificatie. Een verkeerde classificatie in functie van de vraagstelling. Kortom een foute redenering. Sartori vermeldt vier mogelijkheden om tot een catdog te komen. .
Een eerste bron voor de productie van een catdog is parochialism.[31] Dit betekent dat men zijn onderzoek te beperkt houdt. De onderzoeker vertrekt vanuit een welbepaalde specifieke context en zal zijn bevindingen ergens anders ook gebruiken. Bijvoorbeeld een single-country studie houden en daaruit veralgemeningen trekken.
Een tweede bron vormt de misclassification[32] of pseudoklassen. Bij een onderzoek is het noodzakelijk om je concepten heel duidelijk te classificeren. De ladder van abstractie is heel belangrijk, maar als je op voorhand al een foute classificatie maakt, is je onderzoek overbodig.
Als derde bron poneert Sartori, degreeism.[33] Dit is de angst om te klasseren, neiging om dingen toch in een kwantitatieve logica te plaatsen. Je moet een lijn durven trekken.
Als laatste bron is er conceptual stretching.[34] Dit wil zeggen dat men een concept gebruikt, maar zo ver uitrekt en op andere cases zal toepassen zodat het geen betekenis meer heeft. Wanneer er nieuwe fenomenen dienen te verklaard worden, valt men bij de vorming van een nieuw concept regelmatig terug op reeds bestaande concepten die gelijkaardige fenomenen trachten te verklaren. De omvang van dergelijke concepten worden bijgevolg uitgebreid, het aantal eigenschappen (intension) blijven onveranderd. Conceptual stretching kan volgens Sartori vermeden worden door de abstractieladder te beklimmen en op die manier algemene concepten te bekomen.
Deel 2: Politiek-filosofische literatuur
“Het begin der wijsbegeerte is verwondering.”[35]
In mijn eindwerk voor mijn opleiding Licentiaat in de Wijsbegeerte heb ik trachten een antwoord te formuleren op de vraag: “Wat is multiculturalisme?”[36] Dit behelsde een moeilijke opgave. Een getrokken conclusie bestond erin dat er een onderscheid gemaakt kan worden tussen het wetenschappelijke, academische discours en het politieke discours. Er heerst verwarring over de talrijke concepten. In het wetenschappelijke discours cirkelen er ontelbaar veel definities van multiculturalisme, integratie, cultuur, burgerschap. Daarom pleit ik voor een realistische en duidelijke benadering om zo het maatschappelijk onbehagen geen voedingsbodem te geven. [37]
In dit deel reik ik een aantal invullingen van het concept multiculturalisme aan. Eerst wordt er een grondige weergave van het denken van de politieke filosofen gegegeven, vervolgens wordt dit samengevat in een ‘conceptueel kader.’ In dit deel over multiculturalisme staan vooral Bhikhu Parekh, Charles Taylor en Will Kymlicka centraal. Deze drie auteurs zijn autoriteiten op het vlak van het denken over multiculturalisme en ze zijn geïnspireerd door het werk van Rawls. Ook zij hechten belang aan de normatieve dimensie, maar leggen ook steeds de link met de praktijk. Ik heb bewust gekozen om het werk van Rawls niet te behandelen omdat dit een zware, normatieve brok is en die dimensie niet van belang is bij deze conceptuele analyse.
2.1 Politieke filosofie en politieke ideologie
Seperate but equal agendas?[38]

Er kan een onderscheid gemaakt worden in het denken tussen politieke filosofen en politieke ideologen. Dit onderscheid maakt Michael Freeden duidelijk. De resultaten die uit dit denken voortvloeien, zijn bijgevolg ver-schillend. Een verklaring die eraan gegeven kan worden, is dat ze verschillende doelen vooropstellen.[39] Welk doel stellen politieke filosofen zich? Het doel is de kwaliteit en de subtiliteit te controleren van de argumenten die ze volgen. Waarin verschilt dat van politieke ideologen? De filosofen zien zich zelf niet als ideologen, hun ideologieën gaan gepaard met iets extra, namelijk ‘een surplus van betekenis en intentie.’ Met andere woorden: ze zien de ideologie als iets arms ‘poor-quality thinking’ en zij vullen dat extra aan. Ideologie is bestemd voor het grote publiek, de filosofie heeft die intentie niet.
Politieke filosofen houden zich bezig met het denken over politiek. Zij zoeken naar de juiste antwoorden op vragen zoals bv. “Wat is rechtvaardigheid?” Bij hun zoektocht naar deze antwoorden, worden deze politieke filosofen geacht aandacht te besteden aan het reflectieve en zelfkritische denkproces. Deze analyse van Freeden is nogal beperkt. Het ivoren toren-argument schrijft men zo gemakkelijk aan de filosofen toe. Toch mogen we een onderscheid niet ontkennen. Er is een belangrijke rol weggelegd voor de politieke filosofie, één die voorafgaat aan het denken van de politieke ideologen.
Het verschil tussen politieke filosofen en politieke ideologen ligt vooral in de manier waarop beiden hun succes meten. Ideologieën zijn in hun voortbestaan afhankelijk van de interesse van politieke groepen. Politieke filosofen daarentegen moeten allereerst hun collega’s overtuigen. Hun succes wordt gemeten aan de hand van de rationele overtuigingskracht/overredingskracht van hun publiek – nl. andere politieke filosofen. Politieke ideologen meten hun succes aan de hand van de grote groep mensen die zij om zich heen weten te verzamelen en die hen steunt in het grijpen van de controle over politiek taalgebruik en collectieve besluitvorming. Politieke ideologen spelen in op de emoties van groepen van mensen.
2.2 Wat is multiculturalisme?
Multiculturalisme is een term met pejoratieve connotaties. Een negatief effect van het multiculturalisme is dat het blijkbaar gepaard gaat met vormen van xenofobie, gevoelens van angst, onzekerheid, onveiligheid, maar tegelijkertijd roept het ook idealen op van samenhorigheid en verdraagzaamheid. Het vormt met andere woorden een zeer complexe problematiek. Vooreerst is het onduidelijk wat er precies onder de term ‘multiculturalisme’ wordt verstaan en ten tweede is niet duidelijk welke problemen met het multiculturalisme samenhangen.[40]
Steven Vertovec stelt in zijn artikel ‘multi-multiculturalisms’ dat ‘multicultureel’ een alomtegenwoordige term is, het gebruik ervan is enorm gestegen, maar eigenlijk betekent het niets. [41]
“(it is) polysemetically open, it represents no single view of, or strategy for, contemporary complex societies.”[42]
Omdatmulticulturalisme een brede term is, die vaak op verschillende manieren wordt ingevuld, moet men duidelijk omschrijven wat men eronder verstaat. Er zijn verschillende termen, die gebruikt worden in het discours. Zo spreekt men bijvoorbeeld over ‘de politiek van het verschil’, ‘identiteitspolitiek’, ‘de politiek van de erkenning’, ‘multiculturalisme’. Maar eigenlijk steunen ze allemaal op hetzelfde onderliggende idee, namelijk dat de moderne maatschappijen gekenmerkt worden door een diversiteit. Deze diversiteit wordt door de modellen voor de ‘normale’ burger genegeerd. [43]
Vertovec[44] stelt zich ook de vraag of er een overeengekomen gebruik is. Zo vormt etnisch pluralisme volgen hem de norm doorheen de geschiedenis van de civilisatie. Hij maakt een onderscheid tussen heterophilia en heterophobia. Heterophilia omvat een multipliciteit van verschillende culturen die in één maatschappij positief onthaald worden. Men spreekt hier van tolerantie. Bij heterophobia daarentegen bestaat er een gevaar voor harde idealen zoals burgerschap, destructie van de nationale identiteit, het ineenstorten van de sociale cohesie.
Andrew Heywood definieert multiculturalisme als volgt:
“as a descriptive term it refers to cultural diversity arising from the existence within a society of two or more groups whose beliefs and practices generate a distinctive sense of collective identity. (…)
As a normative term, multiculturalism implies a positive endorsement of communal diversity, based either on the right of different cultural groups to respect and recognition, or on the alleged benefits to the larger society of moral and cultural diversity.”[45]
Vaak wordt ook het naast mekaar bestaan van zogenaamde subculturen, zoals de culturele eigenheid van bijvoorbeeld vrouwen, homoseksuelen, jongeren, als multiculturalisme omschreven. Zoals Heywood doet in zijn normatieve definitie. Will Kymlicka volgt echter een engere definitie en verstaat er de culturele diversiteit binnen één staat onder.[46]
Wat opmerkelijk is dat Heywood een onderscheid maakt tussen het normatief en descriptief gebruik. Hier valt op dat er een onderscheid gemaakt kan worden tussen theorie en realiteit. Dit onderscheid zal vaak naar boven komen. Het gaat gepaard met vormen van xenofobie, maar tegelijk ook met idealen van samenhorigheid.
Multiculturalisme is een term met een Janus-gezicht.[47] Hiermee bedoelt men dat de term een etnische en een civieke invulling heeft. Dit wordt ook omschreven als ‘backwardlooking’ versus ‘forwardlooking’, een conservatieve versus progressieve invulling. Het onderscheid tussen liberaal en illiberaal.
Multiculturalism is best understood neither as a political doctrine with a programmatic content nor a philosophical school with a distinct theory of man’s place in the world but as a perspective on or a way of viewing human life.” [48]
2.3 Evolutie van het concept multiculturalisme
Will Kymlicka stelt vast dat, de laatste jaren een verandering heeft plaatsgevonden in het filosofische debat m.b.t. multiculturalisme. Hij heeft dit samengevat in drie stadia.[49] Dit is nu naar het voorfront van de politieke theorie gesprongen. De redenen hiervoor zijn onder andere, het ineenstorten van het communisme, de inheemse weerstand tegen immigranten en vluchtelingen in vele westerse landen, de heropleving en het gevaar van secessie in vele westerse democratieën.
Multiculturalisme als communitarisme (voor 1989)
Het debat over multiculturalisme komt overeen met het debat tussen de individualisten en collectivisten of met ander woorden tussen de liberalen en communitaristen. Er wordt beweerd dat het multiculturalisme een communitaristische connotatie heeft. Liberale individualisten argumenteren dat het individu belangrijker is dan de gemeenschap. De gemeenschap is enkel van belang in de mate dat het bijdraagt tot het welzijn van de individuen die deze gemeenschap samenstellen. Deze visie staat haaks op deze van de communitaristen. Zij stellen dat de mensen stevig verankerd zijn in hun sociale rollen en relaties. Ze zien individuen als het product van de sociale praktijk.
In het eerste stadium van het debat over multiculturalisme ging men er vooral van uit dat iemands positie op het liberaal-communitaristisch debat ook uitsluiting gaf voor de positie op het multiculturalisme debat. Concreet, het standpunt van het liberalisme kwam overeen met de gedachte dat multiculturalisme niet noodzakelijk was. Voor het communitarisme is multiculturalisme een aangepaste weg om gemeenschappen te beschermen tegen de effecten van de individuele autonomie en om de aard van de gemeenschap te bevestigen. Het was dus een debat over het relatieve belang van individuen en groepen. De verdedigers van de rechten van minderheden en multiculturalisme komen dan ook vooral uit de communitaristische hoek, zoals bijvoorbeeld Charles Taylor. [50]
Multiculturalisme in een liberaal kader
Een meerderheid van de etnoculturele groepen, binnen de westerse democratieën, wil niet ‘beschermd’ worden. In tegendeel, ze willen als volledige en gelijke participanten beschouwd worden, m.a.w. ze opteren voor inclusie. Kymlicka stelt vast dat het zwaartepunt van het debat over multiculturalisme niet tussen een liberale minderheid en een communitaristische minderheid gaat, maar dat het debat zich onder liberalen zelf afspeelt. Het gaat over de betekenis van het liberalisme en dit is dan wat hij het tweede stadium noemt in het debat van het multiculturalisme. De discussie vindt plaats tussen individuen, maar ook tussen groepen. Er zijn groepen die de algemene basis van het democratisch liberaal gedachtegoed volgen, maar minder gelukkig zijn over de interpretatie daarvan in de multi-etnische maatschappijen. Deze onderlinge discussie van de liberalen veranderde de voor-waarden van het debat. De vraag wordt verschoven, we zullen ons niet meer moeten afvragen hoe we de communitaristische minderheden gaan beschermen van het liberalisme. De vraag wordt eerder: “Hoe de minderheden, die ook de liberale basiswaarden nodig hebben, minderheidsrechten toekennen?” [51]
De vraag die hieruit vervolgens vloeit is : “Waarom heeft een liberale groep minderheidsrechten nodig voor haar leden?” Joseph Raz[52] beweert dat de autonomie van het individu verbonden is met de voorspoed van de cultuur. Ook Kymlicka benadrukt het belang van de ‘identiteit’. Multiculturalisme wordt in dit stadium opnieuw geformuleerd binnen de liberale theorie. De minderheidsrechten zullen de liberale waarden vergroten.
Multiculturalisme als een antwoord op nation-building
De hieruit vertrekkende veronderstelling, is dat de liberale staat, in haar normale doen, zich houdt aan het principe van benign neglect (zachte verwaarlozing) t.a.v. een etnoculturele diversiteit. M.a.w. de staat is onverschillig ten aanzien van de etnoculturele identiteiten van haar burgers en met betrekking tot de mogelijkheid van de etnoculturele groepen om zichzelf te reproduceren in enkele tijd. Dit betekent dat de liberale staten culturen op eenzelfde manier behandelen als religies. Men is vrij om zijn religie te belijden in zijn privé-leven. Dit wordt niet als een staatsaangelegenheid beschouwd. [53]
Er wordt door Kymlicka een onderscheid gemaakt tussen ‘benign neglect’ en liberale neutraliteit. Liberale neutraliteit betekent dat de staat de intrinsieke verdiensten van verschillende concepties van het goede leven niet kan ordenen. Men mag bijvoorbeeld niet zeggen dat het beter is om Engels te spreken dan Frans. Maar een taal promoten mag dan weer wel aangezien men kan argumenteren dat het de meest voorkomende taal is. Hetzelfde geldt voor religie. Een staat kan een nationale religie promoten, niet omdat het de enige ware religie is, maar wel omdat de maatschappij harmonieuzer is als iedereen hetzelfde gelooft. Dit is een idee die bij Rousseau verdedigd wordt. ‘Benign neglect’, daarentegen, omvat de idee dat liberalen niet geloven in een neutraliteit en men dus kiest voor een strenger idee. Dit omvat een strikte scheiding.
Een duidelijk voorbeeld van zo een strikte scheiding is de scheiding tussen Kerk en staat in vele westerse democratieën. Velen[54] veronderstellen dat ze dit idee ook moeten toepassen op de etnoculturele diversiteit. Kymlicka vindt dat dit model van strikte scheiding goed gewerkt heeft bij religie, maar stelt zich vragen bij een scheiding van de etnoculturele diversiteit. Hij haalt er Michael Walzer[55] bij om dit te verduidelijken. Walzer argumenteert dat het liberalisme gepaard gaat met een scheiding tussen staat en etniciteit. Hij beweert dat de liberale staat boven de verscheidene groepen in een land staat. De staat is neutraal. Er is een referentie naar taal, geschiedenis, literatuur, … van deze groepen. Het duidelijkste voorbeeld is dat van de Verenigde Staten. In de VS komt ‘benign neglect’ van etnoculturele diversiteit tot uiting in het feit dat er grondwettelijk geen officiële taal wordt erkend. Voor immigranten die Amerikaan willen worden, geldt de voorwaarde dat ze de verbintenis bevestigen met de principes van de democratie en individuele vrijheid zoals deze gedefinieerd zijn in de grondwet van de VS. Hieruit kan er nog een verschil gedistilleerd worden.
2.4 De verschillende invullingen van het concept

In dit onderdeel tracht ik conceptuele kaders op te stellen en zo de verbanden te visualiseren met het concept multiculturalisme. Telkens wordt aangegeven welke begrippen hierbij opgeroepen worden en welke connecties er zijn met andere labels.
Eerst werden de kernlabels opgesteld. In figuur 6 wordt voorgesteld welke de zes kernlabels zijn die met het concept multiculturalisme in verband worden gebracht. Deze labels zijn cultuur, identiteit, burgerschap, groepsrechten, religie en taal. Vervolgens werden de teksten van de behandelde filosofen gescreend naar aanleiding van deze labels en werd hieraan een invulling gegeven.
2.4.1 Will Kymlicka
Will Kymlicka is een hedendaagse Canadese filosoof. Volgens Favell is hij één van de belangrijkste denkers op vlak van toegepaste filosofie en multiculturalisme in pluralistische liberale maatschappijen.[56] Hij heeft twee grote standaardwerken geschreven, Contemporary political philosophy en multicultural citizinship waardoor hij wereldwijde faam geniet. Kymlicka bouwt hierin een theoretisch kader waarbinnen hij een verdediging levert voor een rechtvaardiging voor groepsrechten van nationale of etnische minderheidsgroepen binnen een liberale maatschappij dat als gastheer functioneert.
Kymlicka’s analyse is geworteld in de hedendaagse sociale en politieke analyse van het denken over diversiteit. Zijn analyse is vooral theoretisch, aangezien hij de natuur van het individu, cultuur, de betekenis van vrijheid, het goede leven analyseert, maar ook de verbanden hiertussen. Zijn analyse situeert zich in de liberale traditie. Dit heeft niets te maken met de partijpolitieke invulling van de term liberalisme.
De liberale traditie begrijpen is cruciaal om te begrijpen hoe vernieuwend het werk van Kymlicka is. Dit is min of meer duidelijk gemaakt in de evolutie van het concept multiculturalisme, waar het onderscheid tussen liberale neutraliteit en benign neglect benadrukt werd. Het normatieve belang van culturele diversiteit werd lang genegeerd door de liberalen, maar niet omdat ze cultuur op zichzelf onbelangrijk vinden. Een mogelijke verklaring voor deze verwaarlozing is dat cultuur beschouwd wordt als een publiek goed. Belangrijk maar beschikbaar voor iedereen en daarom onproblematisch vanuit een liberaal standpunt.[57] Kort samengevat: de liberale traditie wil geen dikke invulling geven van cultuur. Het liberalisme kijkt naar het individu dat autonoom en bekwaam handelt. De nadruk wordt gelegd op individuele vrijheid, hetzij die als vrijheid van dwang, als morele zelfbeschikking, of als recht op individueel geluk.
Het concept ‘multiculturalisme’ wordt gebruikt op verschillende manieren. Will Kymlicka gebruikt het vooral in de betekenis van etnoculturele groepen: etnische groepen, nationale minderheden, naties. Hij schrijft dit met de situatie van Canada in het achterhoofd.
Onderscheid tussen staten en groepen
Will Kymlicka maakt een nieuw onderscheid in het denken over natiestaten. Hij onderscheidt multi-natie staten van poly-etnische staten.[58] Dit onderscheid is gebaseerd op twee brede patronen van diversiteit. Diversiteit kan veroorzaakt worden door nationale minderheden en als gevolg van een immigratieproces.
Multi-natie staten zijn staten die verschillende naties incorporeren, waarbij naties historische gemeenschappen zijn, territoriaal verenigd en institutioneel min of meer compleet. Bovendien delen ze éénzelfde cultuur. Inwoners van multi-natie staten kunnen zichzelf, over culturele grenzen heen, zien als één volk. Dit neemt niet weg dat het multi-natie staten blijven. Patriottisme, zo stelt Kymlicka, kan worden onderscheiden van nationale identiteit. Dit is dankzij de mogelijkheid van het bestaan van verschillende naties binnen één staat. Men kan een samenhorigheid gevoel creëren binnen het land, zonder de eigen identiteit weg te cijferen. Dit is vergelijkbaar met België. Het Belgisch patriottisme moet niet ten koste gaan van de Vlaamse identiteit. Een land dat meer dan één natie bevat is dan geen natiestaat meer, maar een multi-natie staat. De kleinere culturen vormen dan nationale minderheden.
Groepen van immigranten kunnen niet als naties beschouwd worden. Poly-etnische staten zijn staten waar de diversiteit het gevolg is van migratie. De minderheden in dergelijke staten vormen dan geen natie.
Will Kymlicka opteert voor een staat die niet neutraal kan zijn. Ze doet immers altijd aan nation-building, m.a.w. ze probeert een ‘maatschappelijke cultuur’ te bouwen.[59] Maatschappelijke culturen zijn onvermijdelijk pluralistisch op vele vlakken, zoals bv. godsdienst. De verscheidenheid wordt echter in evenwicht gehouden door een linguïstische en institutionele cohesie. Dit is het resultaat van een welbepaald staatsbeleid. De rol van de staat ligt in de erkenning van natievorming en de erkenning van verscheidene etnische groepen.
Kymlicka onderscheidt in zijn werk twee types van etnoculturele groepen. Hij maakt het onderscheid tussen etnische minderheden (afkomstig uit immigratie en verlangend naar integratie) en nationale of historische minderheden (territoriaal aanwezig voor de actuele staatsvorming en verlangend naar erkenning en autonomie). Een staat kan bestaan uit een combinatie van deze elementen,zoals bv. Canada, maar ook België.
Cultuur
Kymlicka spitst zich vooral toe op ‘maatschappelijke culturen’ om zo de nadruk te kunnen leggen op het feit dat ze niet enkel waarden en herinneringen delen, maar ook gemeenschappelijke instituties en gebruiken. Hier valt op dat Kymlicka zich bevindt binnen de liberale traditie. Hij wil geen dikke invulling geven van het concept cultuur. De individu moet zijn vrijheid en autonomie kunnen behouden.
“(A societal culture) that is a culture which provides its members with meaningful ways of life across the full range of human activities, including social, educational, religious recreational, and economic life, encompassing both public and private spheres. These cultures tend to be territorially concentrated, and based on a shared language.”[60]
De laatste zin van Kymlicka maakt eigenlijk de problematiek duidelijk. ‘Culturen neigen tot territoriale concentratie.’ Het ideaaltype van de natiestaat van Gellner komt hier naar boven, één gedeelde cultuur, binnen één staat.
Vrijheid en cultuur
Kymlicka heeft het over de connectie tussen vrijheid en cultuur.[61] Het doel van Kymlicka is de ontwikkeling van een liberale aanpak van minderheidsrechten. Dit is vernieuwend binnen het liberalisme. Kymlicka verdedigt het idee dat ‘de oorzaak van vrijheid’ zijn basis vindt in de autonomie van de nationale groep. Toch merkt Kymlicka op dat er groepen zijn die niet ‘liberaal’ zijn. De andere groepen, die de liberale waarden wel volgen, vergroten de minderheidsrechten zoals de vrijheid voor het individu.
Vrijheid is onlosmakelijk verbonden met dependentie en cultuur. Kymlicka wil vooral uitleggen hoe individuele vrijheid verbonden is met lidmaatschap in een cultuur. Daarbij focust hij vooral op ‘maatschappelijke culturen’. Culturen die voorzien in een betekenisvolle manier van leven op sociaal, opvoedkundig, religieus en economisch vlak. Het gaat hier niet alleen om gedeelde herinneringen en waarden, maar ook om alledaagse zaken. Ook wat betreft het behoud of de recreatie van de ‘maatschappelijke culturen’ is de situatie duidelijk verschillend voor nationale minderheden vergeleken met migranten. Nationale minderheden hebben minder moeite hun eisen als gegrond te doen aanvaarden en bereiken dan ook vaker resultaten. Migranten hebben het veel moeilijker om vragen om zelfbestuur in concrete verwezenlijkingen om te zetten, ook omdat de legitimiteit van een dergelijk verregaande eis minder vanzelfsprekend is.
Het bestaan van een ‘maatschappelijke cultuur’ is een noodzakelijke voorwaarde voor het realiseren van de liberale notie van vrijheid voor elk individu. Vrijheid staat de mens toe eeneigen voorstelling van ‘een goed leven’ na te streven en om over deze opvatting te reflecteren en ze eventueel aan te passen. Dat mensen in staat zijn vergissingen te maken, pleit niet voor paternalisme, maar is integendeel een argument voor deze opvatting. Het concept vrijheid valt dus uiteen in twee essentiële elementen namelijk: keuzevrijheid en vrijheid om over de gemaakte keuzes na te denken. Maatschappelijke culturen zorgen immers voor de verschillende opties waartussen het individu kan kiezen in zijn zoektocht naar ‘het goede leven’. Ze zijn dus een noodzakelijke voorwaarde om de liberale vrijheid te realiseren. Deze band roept vraag op of er een eigen ‘maatschappelijk cultuur’ moet zijn of is het bestaan van een cultuur voldoende? Het antwoord van Kymlicka is duidelijk.
De reden waarom de band tussen mensen en hun cultuur zo sterk is, heeft twee verklaringen. Ten eerste omdat cultuur de keuzemogelijkheden verschaft waarop de liberale vrijheid steunt. En ten tweede omdat cultuur een rol speelt in de ‘self-identity’ van de mens. Cultuur verschaft meerwaarde aan acties, door ze in te schakelen in het ruimer perspectief van creatie en recreatie. Cultuur vergemakkelijkt de deelname aan het openbare leven door de instellingen transparant te maken en door het faciliteren vanrelaties van wederzijds vertrouwen en solidariteit. De intieme band tussen mens en eigen cultuur blijkt dus een feit. Maar ze roept wel een bijkomende vraag op: “Moet men migranten de mogelijkheid geven de eigen ‘maatschappelijke cultuur’ in het gastland te reconstrueren?”. Hier is Kymlicka erg duidelijk. Alhoewel er geen bezwaren zijn tegen die aanpak, is het ook verantwoordbaar dit niet te doen. In dit verband wordt vaak een parallel getrokken met kolonisatie. Daar hebben ‘migranten’ immers wel hun maatschappelijke cultuur in het nieuwe land ingeplant. De achterliggende ideologie is evenwel verschillend van wat vandaag de dag onder migratie wordt verstaan. Kolonisatie was een geplande poging in een nieuw gebied de ‘maatschappelijke cultuur’ over te planten. Migratie is een meer persoonlijk, familiaal en minder gestuurd proces. Migratie gebeurt op vrijwillige basis en om deze reden verliezen migranten het recht op reconstructie van de eigen ‘maatschappelijke cultuur’. Dit wil echter niet zeggen dat Kymlicka beweert dat migranten geen recht hebben op een bepaalde vorm van culturele eigenheid.
Burgerschap
Kymlicka stelt dat het multiculturalisme een toevoeging is aan het burgerschap en geen vervanging van dat burgerschap. Kymlicka beschrijft twee modellen. Er is het gedifferentieerd burgerschap en het gewoon gemeenschappelijk burgerschap.[62] Het traditioneel model: ‘citizenship-as-rights’ heeft als doel een gemeenschappelijke nationale identiteit onder de burgers te promoten.
T.H. Marshall verwoordt het als volgt:
“Citizenship is not just a certain legal status, defined by a set of rights and responsibilities. Its also an identity, an expression of one’s membership in a political community”[63]
Dit model is nauw verbonden met de ideeën van nationale integratie, maar deze link ligt nu vooral onder aanval. Kymlicka focust er vooral op dat het traditionele model van het gewone burgerschap faalt omdat het cultureel verschil geassimileerd wordt.
Kymlicka meent dat er groepen zijn die zich gemarginaliseerd en gestigmatiseerd zullen blijven voelen ondanks het feit dat ze het gemeenschappelijke recht van het burgerschap bezitten. Dit komt door hun socio-culturele identiteit. Daarom is er nood aan een gedifferentieerd burgerschap. Kymlicka verwijst naar Iris Marion Young.[64] Volgens haar kunnen verschillende groepen zich integreren in de politieke gemeenschap, niet als individu, maar als groep. In deze visie zouden rechten afhangen van groeplidmaatschap. Het idee van één enkele gemeenschap met een nationale cultuur wordt verworpen. De groepen besturen zichzelf, de officiële taalstatus wordt erkend, etc.
Kymlicka beweert dat het idee van gedifferentieerd burgerschap een radicale ontwikkeling is in de burgerschapstheorie. Er zijn twee belangrijke kenmerken:
a) Het gaat verder dan de gekende set van gewone burger- en politieke rechten van individueel burgerschap, die beschermd zijn in liberale democratieën
b) Het is verwant met de intentie van herkenning en assimilatie van de onderscheidende identiteiten en noden van etnoculturele groepen
Maar er kan niet ontkend worden dat er een vraag blijft bestaan naar andere vormen van gedifferentieerd burgerschap, zegt Kymlicka. Hij wijst op twee krachtige hiërarchieën die er in een westerse democratie zijn. Dit zijn de economische hiërarchie en de statushiërarchie. [65]
De economische hiërarchie: Het komt hier vooral op neer dat de hiërarchie bepaald en gebaseerd wordt op de plaats van de persoon op de economische ladder. Zo staat een directeur van een groot bedrijf boven een ongeschoolde arbeider.
De statushiërarchie: Het zinnetje ‘Beter … dan …’ komt hier vaak voor. De statushiërarchie weerspiegelt een geschiedenis van discriminerende wetten tegen lage-status-groepen. Zo wordt er bijvoorbeeld algemeen gezegd dat een Antwerpenaar beter is dan een Limburger.
Om het verschil te verduidelijken citeert Kymlicka Nancy Fraser.[66] Zij wil de groepverschillen verminderen door een ‘politics of redistribution’ in te voeren. Dit is het organiseren van economisch herstructureringen voor de arbeidsverdeling. Dit slaat vooral op de economische hiërarchie. Vervolgens stelt zij een ‘politics of recognition’ voor. Dit slaat vooral op de statushiërarchie. Het doel is hier om de groepsverschillen te bevestigen. Dit door de culturele of symbolische verandering op te waarderen van niet-geëerbiedigde identiteiten. De politics of redistribution en recognition zijn beide vaak gecombineerd in de echte wereld.
Met dit in het achterhoofd formuleert Kymlicka een kritiek op het marxisme. Marxisten beweren dat de statushiërarchie louter van secundair belang is. Ze beweren dat iemands plaats in de economie ook rechtstreeks zijn plaats in de statushiërarchie bepaalt. Daaruit volgt dat alle krachten moeten gefocust worden op de ‘politics of redistribution’.
Er bestaat echter, meent Kymlicka, geen eenvoudige correlatie tussen de economische en statushiërarchie. Er zijn inderdaad groepen die én in een lage economische hiërarchie zitten én tevens in een lage statushiërarchie (arbeidsters bijvoorbeeld) Ook bestaan er groepen die een hoge economische status hebben, maar op cultureel vlak gestigmatiseerd zijn (homoseksuele mannen in belangrijke functies. Economische gelijkheid bereiken heeft de ongelijkheid in status niet geëlimineerd, vandaar dat de nood voor een politiek van erkenning nog steeds actueel is. Er zijn ook mannen die een geprivilegieerde status hebben, maar op economisch vlak zeer zwak staan. (Vb. de traditionele mannelijke werkende klasse in de meeste westerse landen) De blanke gelovige heteroseksuele man vormt aldus een superieure klasse.
Kymlicka besluit:
“(…) the evidence suggest that the status hierarchy is not reducible to the economic hierarchy”[67]
Vandaar dat er een behoefte blijft aan een ‘politics of recognition’
Groepsrechten binnen het liberalisme
De originaliteit van Kymlicka ligt erin dat hij wil aantonen dat men niet uit het liberale kader hoeft te treden om tegemoet te komen aan de ‘politics of recognition’ Individualisme en individuele rechten worden vaak gezien al de karakteristieken van het liberalisme. Hieruit volgt dat een theorie van groepsrechten niet thuishoort binnen het liberalisme. Kymlicka is het hier niet helemaal mee eens. Hij wil de culturele bescherming verdedigen volgens de liberale lijnen.
Kymlicka maakt een onderscheid tussen groepsrechten en individuele rechten die eigen zijn aan het toebehoren tot een groep. Hij geeft mogelijkheden aan voor het voeren van een minderhedenbeleid binnen een liberaal kader, naargelang het type minderheid (zelfbeschikking, bestuurlijke autonomie, gewaarborgde vertegen-woordiging, affirmatieve actie …).
2.4.2 Charles Taylor
Charles Taylor is net als Kymlicka een Canadese filosoof. Taylor wordt door Richard Rorty