| De Mudawwana: het Marokkaanse familierecht in beweging. (Anoniem) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Comment espérer atteindre le progrès et la prospérité alors que les femmes, qui constituent la moitié de la société, voient leurs intérêts bafoués[1].
Deze woorden, uitgesproken door koning MohammedVI tijdens zijn toespraak op 20augustus1999 geven aan dat voor hem de discriminatie tussen man en vrouw moet eindigen omdat anders vooruitgang niet mogelijk is.
De Mudawwana, het Marokkaanse Wetboek inzake personen-, familie-, en erfrecht, wordt in deze thesis behandeld. Het is in dit rechtsdomein dat de grootste ongelijkheid tussen man en vrouw is terug te vinden. De bespreking begint na de onafhankelijkheid van Marokko in 1956 wat ongeveer samenvalt met het ontstaan van de Mudawwana in 1957‑1958. Ze eindigt met de behandeling van de hervormingen van de Mudawwana in 2004. In Marokko is de discussie over hervormingen in het familierecht fel aanwezig, hetgeen de keuze voor dit land verantwoordt. Het interessante aan dit onderzoek is dat het beschrijft hoe Marokko als islamitisch land, enerzijds niet zo extreem islamitisch als Iran en anderzijds niet zo seculier als Turkije, omgaat met een discussie die zeer gevoelig ligt bij de bevolking. Het familierecht is namelijk één van de laatste rechtsgebieden dat volledig gebaseerd is op de heilige geschriften van de islam. Dit heeft als gevolg dat het symbool staat voor de plaats van de islam in de Marokkaanse samenleving. Daarom worden hervormingen op dit vlak niet gemakkelijk aanvaard door meer conservatieve delen van de samenleving.
Verscheidene invalshoeken worden gebruikt bij de bestudering van de Mudawwana. Er wordt wel eens beweerd dat de Mudawwana het kruispunt is waar het politieke, het religieuze, het sociale en het juridische elkaar tegenkomen[2]. Daarnaast is er ook aandacht besteed aan de geschiedenis van de Mudawwana en van Marokko. Dit werk is een thesis voor politieke wetenschappen, maar dit impliceert niet dat een analyse van de wettekst zelf weggelaten kon worden. Ze is noodzakelijk voor een beter begrip van de eisen gesteld door de voorstanders van de hervormingen en de reactie hierop door de tegenstanders ervan.
Er wordt in deze thesis getracht te verklaren waarom een diepgaande hervorming van de Mudawwana pas mogelijk was in 2004. In deze probleemstelling vragen we ons ook af waarom de koning net in oktober 2003 de kans ziet om succesvolle hervormingen aan te kondigen. De onderliggende hypothese die gebruikt wordt, is dat de aanslagen van 16 mei 2003 een grote rol hebben gespeeld omdat hierna de islamitische groeperingen zich moesten matigen. Dit was het moment voor de koning om hervormingen aan te kondigen. Om de onderzoeksvraag te beantwoorden wordt er ten eerste via een beschrijvende, historische analyse gekeken naar de evolutie van de Mudawwana en de Marokkaanse samenleving. Een achtergrond van de geschiedenis van de Mudawwana is immers nodig om te begrijpen wat er zich in het heden afspeelt. Op de tweede plaats worden de actoren die een invloed op dit proces hebben, besproken. Een verklarende analyse van de twee delen van dit werk kan inzicht geven in de redenen voor de hervorming van de Mudawwana in 2004. De vraag naar hoe de maatschappelijke actoren de verschillende fasen in het proces evalueren, wordt eveneens in de loop van dit onderzoek behandeld. Hoe deze actoren de veranderingen beoordelen is één deel van de evaluatieve analyse. Daarnaast worden de hervormingen ook getoetst aan een vooropgesteld evaluatiecriterium, waarover meer hieronder. Vervolgens is er een analyse van de argumenten van voor- en tegenstanders van de hervormingen en de bestudering van de inhoudelijke bepalingen van de Mudawwana. Inzake de inhoud wordt de hypothese gehanteerd dat er een vooruitgang heeft plaatsgevonden met de hervormingen van 2004.
Een bijkomende beweegreden voor dit onderzoek is na te gaan hoe een land als Marokko zijn weg probeert te vinden tussen modernisering en traditionalisme. De modernisering van Marokko is na de onafhankelijkheid in 1956 sterk doorgedrongen en kwam onder andere tot uiting in de toenemende urbanisatie en de sterkere bevolkingsgroei. De Mudawwana daarentegen is een uiting van een traditionalisme dat nog sterk aanwezig is in de Marokkaanse samenleving. Na de onafhankelijkheid wilde men door de codificatie van het familierecht terugkeren naar de islamitische wortels en de eigen Marokkaanse cultuur om zich af te zetten tegen de overheersing onder het Franse protectoraat. Met het verstrijken van de jaren en de toenemende modernisering van het land, bleek de patriarchale opvatting van de familie uit de Mudawwana niet meer overeen te komen met de sociale realiteit en de internationale verdragen ondertekend door Marokko. Volgens auteur Julie Combe is de houding van Marokko ten aanzien van de Mudawwana de ultieme test voor de opening of weigering van het land voor modernisering[3].
De gebruikte methode is een literatuurstudie gebaseerd op zowel primaire als secundaire bronnen. Als primaire bronnen heb ik gebruik gemaakt van de tekst van de Mudawwana (de Nederlandse vertalingen door M.S.Berger en J.HKaldenhoven uit 1989 en 1997 en deze van M.S. Berger van 2004), de tekst van de Marokkaanse grondwet en verscheidene internationale verdragen, de toespraken van koning MohammedVI en de tekst van het Nationaal Actieplan voor de Integratie van de Vrouw in de Ontwikkeling. Daarnaast zijn ook diverse rapporten van internationale organisaties zoals Freedom House rechtstreeks geraadpleegd. Voor de secundaire bronnen heb ik mij voornamelijk gebaseerd op boeken en artikelen uit tijdschriften. Door een verblijf in Parijs in het kader van het Erasmus-programma, heb ik het geluk gehad de zeer goede bibliotheken van het Institut d’Etudes Politiques de Paris en het Institut du Monde Arabe te kunnen raadplegen. Het merendeel van mijn informatie is dan ook vergaard in Frankrijk dat als oud-kolonisator van Marokko over veel informatie beschikt betreffende dit land.
Toch heb ik enkele problemen ervaren in dit onderzoek. Een eerste beperking is het niet kennen van de Arabische taal. Veel lectuur is enkel in het Arabisch geschreven. De Franse versie van het Marokkaanse staatsblad met de nieuwe wettekst van de Mudawwana erin, liet op zich wachten. Van de nieuwe Mudawwana verscheen gelukkig in 2004 een Nederlandse vertaling. Het niet machtig zijn van de Arabische taal gaf verder problemen voor het bestuderen van de argumentatie van de islamitische beweging. Hun websites en artikelen zijn hoofdzakelijk geschreven in het Arabisch. Als gevolg hiervan zijn de redeneringen van de islamitische beweging vooral afkomstig uit secundaire bronnen. Als laatste punt is het moeilijk te weten hoe Arabische termen in een Nederlandstalige tekst moeten worden geschreven als men de taal niet kent. Ik heb dit opgelost door de meest voorkomende schrijfwijze van een bepaalde term te gebruiken.
Het Westerse denkkader van waaruit er geredeneerd wordt, is een tweede beperking. Dikwijls wordt er verondersteld dat de positie van de vrouw in een islamitisch land zoals Marokko niet zo rooskleurig is. Bij een bespreking hiervan moet er op gelet worden dat het niet éénduidig is om hierover in termen van juist of fout te spreken. Of iets al dan niet ‘goed’ is, hangt af vanuit welke positie, cultuur, godsdienstige overtuiging, politieke structuur, etc. men kijkt en onderzoekt. Er moet worden stilgestaan bij het feit dat Westerse vrouwen in een heel andere samenleving zijn opgegroeid dan Marokkaanse vrouwen en dat er op die manier vele veronderstellingen in onze maatschappij leven over wat wel en niet kan. Deze veronderstellingen komen zeker niet overeen met wat Marokkaanse vrouwen als ‘juist’ beschouwen.
Omdat er in deze thesis van een vooruitgang wordt gesproken op vlak van vrouwenrechten, is het noodzakelijk een evaluatiecriterium te bepalen. Hiervoor wordt er, in navolging van Marokkaanse vrouwenbewegingen, teruggegrepen naar de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens[4] (UVRM) en het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen[5] (CEDAW-Verdrag). De UVRM stelt in artikel1 dat alle menselijke wezens vrij en gelijk worden geboren. In artikel 16UVRM worden gelijke rechten ten opzichte van het huwelijk, tijdens het huwelijk en bij de ontbinding ervan gewaarborgd. Het CEDAW-Verdrag ijvert voor de afschaffing van elke vorm van discriminatie van vrouwen. Eveneens in artikel16CEDAW worden de staten, partij bij het verdrag, aangemaand om discriminatie jegens de vrouw in alle aangelegenheden betreffende het huwelijk en familiebetrekkingen uit te bannen (zie bijlage 1 voor de volledige tekst van dit artikel). Kort gesteld is het evaluatiecriterium dat hier gebruikt wordt het non-discriminatie principe wat de gelijkheid tussen beide geslachten inhoudt.
De indeling van de thesis is zo opgesteld dat in het eerste deel de chronologische evolutie van de Mudawwana wordt behandeld. Hierbij is er aandacht besteed aan de inhoud van deze wet, de standpunten van de maatschappelijke actoren en de evaluatie van de samenleving. Daarna volgt in deelII een uiteenzetting over de invloed van de verschillende sleutelactoren op de Mudawwana. Achtereenvolgens komen de koning, de verenigingen voor de verbetering van de positie van de Marokkaanse vrouw, de politieke actoren en de islamitische beweging aan bod.
DEEL I : EVOLUTIE VAN DE MUDAWWANA
In dit eerste deel wordt een chronologische evolutie van de Mudawwana gegeven. Dit houdt ten eerste in dat er aandacht wordt besteed aan de gebeurtenissen die een bepaalde versnelling in dit proces op gang brengen. In deze evolutie zit bovendien per tijdskader een beschrijving van de inhoudelijke bepalingen van de Mudawwana. Daarnaast worden de standpunten en argumentering van de maatschappelijke actoren in deze bespreking verwerkt. Als laatste wordt er gekeken naar de evaluatie van de Marokkaanse samenleving van een bepaalde fase in deze evolutie.
Het beginpunt is de totstandkoming van de Mudawwana na de Marokkaanse onafhankelijkheid. Daarna volgt een theoretisch gedeelte dat handelt over de kloof tussen enerzijds de juridische realiteit, de Mudawwana, en anderzijds de sociale realiteit, internationale verdragen en de Marokkaanse grondwet. Uiteindelijk volgt een uiteenzetting van de ontwikkeling van de Mudawwana in de jaren ’90 die heeft geleid tot de hervorming van 2004.
1. Totstandkoming van de Mudawwana
In het eerste deel van het chronologische overzicht wordt er ingegaan op de mogelijkheden tot verbetering van de positie van de vrouw voor de onafhankelijkheid van Marokko in 1956. Vervolgens volgt een bespreking van de Mudawwana bij zijn ontstaan in 1957-1958.
1.1. Potentiële opening op het gebied van vrouwenrechten tijdens het Franse protectoraat (1912-1956)
Voor en tijdens het Franse protectoraat werden Marokkaanse families gekenmerkt door een sterke hiërarchie naar sekse en leeftijd. Deze patriarchale orde werd onder andere gekenmerkt door een sterke scheiding van ruimtes waarbij de vrouwen behoorden tot de familiale privé-ruimtes zonder toegang tot de publieke ruimte. Door de kolonisatie werd deze patriarchale orde voor de eerste keer verstoord en kregen vrouwen in beperkte mate toegang tot werk buitenshuis en het onderwijs. Deze tendens werd na de onafhankelijkheid van Marokko nog versterkt[6].
Vanaf 1940 werden vanuit de kringen van het oplevende nationalisme aanzetten gedaan tot hervormingen. De nationalistische leider Allal al Fassi schreef in 1952 een boek ‘De Zelfkritiek’, waarin hij de Marokkaanse samenleving kritisch analyseerde. Hij hield onder andere een pleidooi voor de verbetering van de positie van de vrouw binnen de grenzen van de islamitische Sharia[7]. De bevrijding van de vrouw was een ideaal dat binnen een vrij en onafhankelijk Marokko gestalte zou moeten krijgen. De gedachten van Allal al Fassi reiken zeer ver. Volgens hem zou de positie van de vrouw beheerst worden door achterlijke gewoonten en onjuiste interpretaties van de Sharia. Hij pleit ondermeer voor de afschaffing van polygamie, een maatregel die zelfs in de huidige vorm van de Mudawwana niet mogelijk is.
Soortgelijke gedachten over hervormingen zijn ook terug te vinden bij een andere leider voor de strijd voor onafhankelijkheid, koning Mohammed V. Vanaf eind jaren ‘40 bepleitte hij met woord en daad de verbetering van de positie van de Marokkaanse vrouw. In 1947 liet hij bijvoorbeeld zijn dochter Lalla Aicha in het openbaar ongesluierd een politieke redevoering houden. In 1948 viel de beslissing van de progressieve ulama[8] en de koning om de Quaraouine Universiteit in Fez open te stellen voor jonge vrouwen[9].
De groep die ijverde voor emancipatie van de vrouw bleef echter klein, stedelijk en beperkt tot de bovenlaag van de bevolking. De plattelandsbevolking stond aanvankelijk niet open voor deze ideeën. De bevrijding van de vrouw kan eveneens slechts als gematigd worden beschouwd. Ze voorzag o.a. in het verschaffen van onderwijs en professionele vorming van de vrouw, maar niet in een gelijkheid tussen beide geslachten.
De toegang tot onderwijs en werk in combinatie met het discours van de nationalistische beweging deed vermoeden dat de positie van de Marokkaanse vrouw na de onafhankelijkheid versterkt zou worden. Dit enthousiasme werd na de onafhankelijkheid echter getemperd met de invoering van de Mudawwana[10].
1.2. De Mudawwana
In dit eerste onderdeel wordt achtereenvolgens het islamitische karakter en het ontstaan van de Mudawwana besproken. Vervolgens wordt een overzicht gegeven van de inhoud waarna een bespreking volgt van de evaluatie door de toenmalige samenleving en de eerste pogingen tot hervormingen van de Mudawwana.
1.2.1. Islamitisch karakter van de Mudawwana
In het oorspronkelijke recht van de islam is het begrip wetgeving onbekend. Dit recht is niet neergelegd in wetten of codes maar moet worden gevonden in de rechtsboeken en beschouwingen van rechtsgeleerden (fiqh), waarin het generatie na generatie is uitgewerkt. Deze rechtsgeleerden leidden het recht af uit een aantal bronnen. De belangrijkste bronnen van het islamitische recht zijn de Koran, de Sunnah[11], de Qijas of analogieredenering en de Imja of consensus tussen juristen. Hierdoor heeft dit recht een goddelijke oorsprong omdat het in laatste instantie te herleiden is tot de wil van God[12]. De inspanning door rechtsgeleerden om rechtsbronnen af te leiden wordt Ijtihad genoemd. Tijdens de eerste eeuwen van het islamitische tijdsperk kende deze Ijtihad een enorme bloei en vond de ontwikkeling plaats van vier rechtsscholen. De vorming van het recht heeft plaatsgevonden tot de tiende eeuw. Vanaf dan was men ervan overtuigd dat Ijtihad niet meer nodig was omdat een staat van perfectie in de interpretatie van de bronnen was bereikt. Er kwam een verbod van vrije interpretatie van de heilige geschriften, wat symbolisch ‘de sluiting van de poorten van de Ijtihad’ wordt genoemd. Latere rechtsliteratuur wordt door vele islamitische geleerden enkel beschouwd als commentaar op het werk van de grondleggers.
Steeds meer denkers begonnen in de loop van de tijd te ijveren voor een heropening van de poorten van de Ijtihad. Hierin kunnen twee groepen worden onderscheiden. Ten eerste de hervormers, die pleiten voor een terugkeer naar de ‘zuivere islam’ en daarnaast de modernisten die Ijtihad aanhalen voor een herlezing van de religieuze teksten in het licht van de maatschappelijke evoluties[13]. In het debat over de hervorming van de Mudawwana verwijzen zowel de conservatieven als de modernisten naar het principe van de Ijtihad om hun argumenten te staven.
Wetgeving is nu een meer aanvaard begrip in de islamitische wereld. Op vele gebieden zijn er de laatste eeuw wetten gepubliceerd, soms zelfs buiten het klassieke islamitische recht om. Maar op het gebied van het familie- en erfrecht is altijd een grotere terughoudendheid behouden en deze onderdelen zijn lange tijd ontzien van wetgeving. Dit heeft te maken met de essentiële plaats van dit recht in de islamitische samenleving[14]. Tijdens het Franse protectoraat werd het bestaande familierecht zoveel mogelijk behouden uit angst dat een codificatie niet door de Marokkanen zou worden aanvaard. Eenmaal hebben de Fransen zich bemoeid met het familierecht door de afkondiging van de Berber-dahir die een formalisering inhield van het gewoonterecht van de Berbers. Deze dahir onttrok een deel van de bevolking aan het algemeen geldende Malikitische[15] recht en was op het vlak van vrouwenrechten in een aantal gevallen sterk tegenstrijdig met de Sharia. Deze situatie leidde bij de Marokkaanse intellectuelen tot felle protesten omdat ze in de legalisering van het Berberrecht een poging zagen om de Berbers te deïslamitiseren en vervolgens te kerstenen[16].
Het merendeel van de afgekondigde wetgeving in Marokko is niet gebaseerd op de islam. Het Wetboek van Strafrecht (1962) en het Wetboek van Strafvordering (1959) kwamen kort na de onafhankelijkheid tot stand, maar vertonen nauwelijks verwijzingen naar de islam. Dit geldt eveneens voor het Wetboek van Verbintenissenrecht uit 1913. Enkel delen van het bewijsrecht en het recht op onroerend goed bevatten islamitische elementen. De Mudawwana is echter rechtstreeks geïnspireerd op de heilige geschriften. Voor deze codificatie werd het klassieke Malikitische recht toegepast zoals het terug te vinden is in de fiqh-boeken. Het islamitische karakter van het familierecht heeft als gevolg dat dit recht lange tijd als sacraal en met gevolg onaanraakbaar werd beschouwd. Raken aan de Mudawwana werd gelijk gesteld met het aanvallen van de islam en het in vraag stellen van de Sharia. Het islamitische karakter van deze tekst verklaart dus ten dele de terughoudendheid voor hervormingen[17].
1.2.2. De totstandkoming van de Mudawwana in 1957-1958[18]
Na de onafhankelijkheid van Marokko in 1956 kwam er veel wetgeving tot stand. De rechtsontwikkeling was verbonden met het streven naar natievorming na het protectoraat van de Fransen. Eén van de eerste daden van de nieuwe regering was dan ook het afschaffen van de Berber-dahir. Vanaf dit moment gold voor alle moslims in Marokko hetzelfde recht.
Een belangrijke gebeurtenis in deze legislatieve ontwikkeling was de codificatie van het familie- en erfrecht. Koning Mohammed V besloot op 19 augustus 1957 een commissie te vormen met als opdracht een codificatie uit te werken inzake het familie- en erfrecht. Deze commissie bestond uit tien mannen, allen ulama, en de koning nam zelf het voorzitterschap op zich[19]. Allal al Fassi werd rapporteur van de commissie waardoor hij een grote invloed had op de inhoud van de Mudawwana. Het verloop van het wetgevend werk verliep vlot. De voorbereidingen opgesteld door het ministerie van Justitie zorgden voor een basistekst. Deze werd daarna geamendeerd door de commissie en al Fassi. De uiteindelijke wettekst werd vervolgens per decreet afgekondigd door de koning. Er waren maar een zeer beperkt aantal bijeenkomsten van de commissie en het wetgevende werk vorderderde enorm snel. Reeds op 22 november werden de eerste twee boeken van de Mudawwana afgekondigd[20].
Buskens merkt op dat de volgende aspecten van belang zijn: op de eerste plaats hebben een klein aantal actoren een grote invloed gehad op de ontwikkeling van de Mudawwana, met name de koning, de minister van Justitie aangesteld door deze koning en enkele vooraanstaande geleerden en politici. Een parlementaire behandeling heeft niet plaatsgevonden omdat de boeken werden afgekondigd per dahir. Ook koning Hassan II liet de hervormingen van de Mudawwana in 1993 niet door de volksvertegenwoordigers goedkeuren. In deel II wordt er dieper ingegaan op de invloed van de koning op het hervormingsproces van de Mudawwana.
Ten tweede was er een aanzienlijke invloed van de fiqh-boeken op de inhoud van de bepalingen van het nieuwe familierecht. De vorm van het wetboek komt echter overeen met westerse wetten. Het was de bedoeling van de makers van de Mudawwana om nauw aan te sluiten bij het klassieke islamitische recht van de Malikitische school. Dit blijkt uit het laatste artikel van elk boek waarin wordt bepaald dat in de gevallen die niet in de code zijn opgenomen, moet worden teruggegrepen op de heersende leermening van de Malikitische rechtsschool. Eveneens staat in artikel 4 van de dahir die de eerste twee boeken van de Mudawwana afkondigt, dat alle bepalingen in strijd met de bepalingen van de desbetreffende boeken, opgeheven worden bij de inwerkingtreding van de Mudawwana[21]. De inhoud van het nieuwe recht was dan ook conservatief. Er is niet veel terug te vinden van de vooruitstrevende ideeën uit de ‘Zelfkritiek’ van Allal al Fassi of van de kleine feministische groep die voor de Marokkaanse onafhankelijkheid ijverde voor betere vrouwenrechten.
Als laatste kan men vaststellen dat de in 1958 ingevoerde codificatie lange tijd onveranderd is gebleven. Zoals in hoofdstuk 3 wordt aangetoond zijn de hervormingen van 1993 niet diepgaand geweest en sloten ze aan bij de oriëntatie van de wet van 1958. Pas in 2004 worden er meer ingrijpende hervormingen voorgesteld. Als gedeeltelijke verklaring hiervoor werd in deel 1.2.1. het islamitische karakter van de tekst gegeven.
1.2.3. Inhoud[22]
De Mudawwana zelf bestaat uit zes boeken die elk een afzonderlijk onderwerp behandelen:
1) Het eerste boek handelt over het huwelijk en draagt de titel: “Het huwelijk”.
2) Het tweede boek handelt over de echtscheiding en draagt de titel: “De ontbinding van het huwelijksverbond en haar rechtsgevolgen”.
3) Het derde handelt over de geboorte en draagt de titel: “De geboorte en haar gevolgen”.
4) Het vierde boek gaat over handelingsbekwaamheid, wettelijke vertegenwoordiging en aanverwante zaken en draagt de titel “De handelingsbekwaamheid en de wettelijke vertegenwoordiging”.
5) Het vijfde boek gaat over het testament en draagt de titel “Het testament”.
6) Het zesde en laatste boek van de Mudawwana gaat over het erfrecht en draagt de titel “De erfopvolging”.
Het valt buiten het bestek van deze thesis om een volledig overzicht van de inhoud van de Mudawwana te geven. Er wordt enkel ingegaan op de elementen die in een latere fase het onderwerp worden van hervormingen en die in discussie worden gesteld omdat ze een discriminatie zouden vormen ten opzichte van de vrouw.
1.2.3.1. Het huwelijk en polygamie
De Mudawwana vertrekt vanuit een patriarchale opvatting van het huwelijk met een klassieke taakverdeling tussen man en vrouw. De echtgenoot is het hoofd van de familie (artikel 1 en 36 Mud), moet een bruidsprijs betalen en is verantwoordelijk voor het onderhoud van de vrouw en het gezin. De vrouw daartegenover hoort gehoorzaam te zijn aan haar echtgenoot en is verantwoordelijk voor het huishouden (artikel 35 en 36 Mud).
Reeds uit het eerste artikel van de Mudawwana die de definitie van het huwelijk weergeeft, blijkt dat de vrouw in het huwelijk onder toezicht staat van de man.
Het huwelijk is een verbond, inhoudende een wettige wederzijdse vereniging en verbinding van blijvend karakter tussen een man en een vrouw. Het doel ervan is eerbaarheid en kuisheid en tevens vergroting van de vruchtbaarheid van de gemeenschap door het stichten van een gezin onder toezicht van de echtgenoot op hechte fundamenten, die aan beide partijen het dragen van haar lasten garanderen in geborgenheid, vrede, liefde en respect[23].
Er is een verschil in minimum huwelijksleeftijd tussen de man en vrouw. Artikel 8 Mud stelt deze voor de man op 18 en voor de vrouw op 15 jaar. De instelling van een minimum leeftijd is een afwijking van de fiqh-boeken en werd in 1957 als een grote vooruitgang beschouwd. Later zou het verschil tussen de minimum leeftijd bij mannen en vrouwen gecontesteerd worden.
De vrouw kan, in tegenstelling tot de man, niet in het huwelijk treden zonder een door de wet aangewezen mannelijke huwelijksvoogd die een huwelijksaanbod doet of aanvaardt (artikel 12-15 Mud). Een vooruitgang van de Mudawwana t.o.v. de fiqh is het feit dat een vader zijn dochter niet meer tot een huwelijk kan dwingen (huwelijksdwang of jabr). Dit recht wordt in bepaalde omstandigheden naar de rechter overgeheveld. Het wordt echter als problematisch beschouwd dat de vrouw niet zonder deze toestemming kan huwen en dus eigenlijk niet haar eigen echtgenoot kan kiezen.
Volgens artikel 29.5 Mud is het huwelijk van een moslimvrouw met een niet-moslim verboden. Een gelijkaardige regel geldt niet voor mannelijke moslims.
Een volgende tegenstelling is te vinden in de verschillende echtelijke rechten en plichten die man en vrouw hebben in het huwelijk. In artikel 35 Mud vindt een opsomming plaats van de rechten van de vrouw jegens haar echtgenoot. Ze heeft het recht op onderhoud bestaande uit voeding, kleding, verpleging en huisvesting, op een gelijke behandeling indien de man meerdere echtgenotes heeft, op het naar billijkheid krijgen van toestemming om haar familie te bezoeken en te ontvangen en het recht op volledige vrijheid om over haar vermogen te beschikken. De rechten van een man jegens de vrouw zijn volgens artikel 36 Mud kuisheid en eerbaarheid van de echtgenote, gehoorzaamheid, zoging van haar kinderen, toezicht op het huishouden en respect voor de familie van de echtgenoot. De taken van de vrouw beperken zich tot de huishoudelijke levenssfeer terwijl die van de man zich op het publieke domein bevinden. Men kan afleiden dat vrouw en man niet dezelfde rechten hebben. De vrouw is gehoorzaamheid verschuldigd aan de man en moet toestemming vragen om naar haar familie te gaan. Daartegenover staat dat de man in het onderhoud moet voorzien. Verder zal duidelijk worden dat deze situatie niet meer overeenstemt met de werkelijkheid[24].
Inzake polygamie volgt de Mudawwana eveneens het recht van de fiqh-boeken. Dit houdt in dat de man het recht heeft om met maximaal vier vrouwen tegelijkertijd getrouwd te zijn. Een vrouw kan slechts één echtgenoot hebben. Polygamie wordt terloops behandeld in het kader van de relatieve huwelijksbeletselen. Zo stelt artikel 29 lid 2 Mud dat het niet toegestaan is om het aantal wettig toegestane echtgenotes te overschrijden[25]. In een polygaam huishouden moet de man billijk zijn tegenover al zijn vrouwen (artikel 35 Mud) en als onrechtvaardigheid te vrezen valt, is polygamie verboden (artikel 30 Mud). Tevens moet de tweede echtgenote op de hoogte gebracht worden als de kandidaat al getrouwd is. De man is echter niet verplicht zijn eerste echtgenote op de hoogte te brengen van een tweede huwelijk. Een vrouw kan in haar huwelijkscontract laten vastleggen dat haar echtgenoot geen andere echtgenote mag nemen tijdens de duur van hun wettelijke verbintenis, maar weinig vrouwen kennen deze regel[26].
In realiteit heeft polygamie echter de tendens om te verdwijnen. Zo zouden in 1999 nog maar 1,5 % van de mannen polygaam zijn. De bepalingen over polygamie worden als problematisch opgevat omdat het bestaan van de clausule zelf een discriminatie is en de stabiliteit van een relatie onder druk zet[27].
1.2.3.2. Ontbinding van het huwelijksverbond en haar rechtsgevolgen[28]
Betreffende de ontbinding van het huwelijk zijn er eveneens ongelijkheden die later gecontesteerd worden. Er zijn drie manieren om een huwelijk te beëindigen: de verstoting, ontbinding van het huwelijk door de rechter of een scheiding met wederzijdse instemming.
De verstoting is een quasi exclusief recht voor de man. Artikel 44 Mud omschrijft verstoting als het ontbinden van het huwelijk door toedoen van de echtgenoot, door zijn vertegenwoordiger of door degene die door hem daartoe gemachtigd is of door de echtgenote[29], mits zij het recht daartoe heeft, of door de rechter. De verstoting geschiedt door bewoordingen van die strekking of door geschrift, en bij degene die noch tot het één noch tot het ander in staat is geschiedt zij door een onmiskenbaar gebaar (artikel 46 Mud). De man kan zijn vrouw dus verstoten zonder veel formaliteiten en zelfs zonder haar medeweten.
Een vrouw kan een echtscheiding aan de rechter aanvragen als ze daarvoor een geldige reden heeft. Er zijn vijf geldige redenen (artikel 53-58 Mud): het niet vervullen van de onderhoudsplicht door de echtgenoot, afwezigheid van de echtgenoot met een ongeldige reden en langer dan een jaar, onthouding of weigeren van omgang door de man, echtscheiding wegens schade (bijvoorbeeld mishandeling) of echtscheiding wegens een gebrek (bijvoorbeeld een ziekte). In de praktijk kost het de vrouw echter meer moeite om echtscheiding te verkrijgen dan de wetsvoorschriften doen vermoeden. Ten eerste kennen de vrouwen hun elementaire rechten zeer slecht en kan de man zich altijd verzetten tegen het verzoek van echtscheiding door de vrouw. Bovendien ontmoedigen de moeilijkheid tot het verzamelen van de nodige bewijslast en de traagheid van de juridische procedure de vrouwen nog meer.
Als een vrouw wil scheiden, zal dit in de meeste gevallen gebeuren door een scheiding met wederzijdse instemming, ook verstoting tegen compensatie genoemd. Hierbij krijgt de vrouw haar man zo ver haar te verstoten door hem daarvoor een compensatie aan te bieden in de vorm van geld of door af te zien van haar rechten. De uiteindelijke beslissing voor verstoting ligt bij de man.
Verstoting is de meest voorkomende vorm van scheiding en de niveaus ervan lopen in sommige delen van Marokko hoog op (tot 30 % van de huwelijken die zo worden ontbonden). Het is duidelijk dat de man op een gemakkelijke wijze een einde kan maken aan een huwelijk zonder tussenkomst van een rechterlijke instantie. Voor de vrouw is het bekomen van een echtscheiding veel moeilijker, vooral als er tegenstand is van de echtgenoot.
1.2.3.3. Afstamming, verzorging, onderhoud en wettelijke vertegenwoordiging van een kind
Er is sprake van legitieme afstamming als een kind geboren wordt uit een rechtsgeldige verbintenis tussen echtgenoten. Met legitieme afstamming bedoelt men de patrilineaire afstamming van een kind met de vader en diens familie. De rechtsgevolgen hiervan zijn te vinden in o.a. de erfopvolging, overname van de godsdienst van de vader en de regels over huwelijksbeletselen. Wanneer de verwantschap met de vader onwettig is, blijft een wettige verwantschap met de moeder bestaan. Over de rechtsgevolgen van deze matrilineaire afstamming is er onduidelijkheid.
De verzorging van of het toezicht op een kind, geregeld in artikelen 97-111 Mud van boek III, mag niet worden verward met de wettelijke vertegenwoordiging die in boek IV staat. De verzorging houdt het lichamelijke en geestelijke welzijn van een kind in terwijl de wettelijke vertegenwoordiging vooral betrekking heeft op het vermogen. Daarnaast moet de verzorging onderscheiden worden van het onderhoud, het voorzien in materiële behoeften van een kind. Terwijl de verzorging een taak is die de moeder vervult na een echtscheiding, valt het onderhoud en de wettelijke vertegenwoordiging aan de vader toe tijdens en na een huwelijk.
De verzorging (hadana) is de taak van beide ouders tijdens een huwelijk. In het geval van een echtscheiding komt deze taak in de eerste plaats aan de moeder of aan haar vrouwelijke bloedverwanten toe. Pas in latere instantie kan het kind toegewezen worden aan de vrouwelijke bloedverwanten van de vader, maar niet aan de vader zelf. De vader heeft naast een bezoekrecht, recht op toezicht betreffende onderwijs en opvoeding van het kind, domeinen die volgens de wetgever behoren tot de vaderlijke macht. Als de verzorgster hertrouwt of zich in een andere plaats vestigt, dan vervalt haar recht tot verzorging en wordt de man verantwoordelijk. De termijn van verzorging duurt voor een meisje totdat ze trouwt, terwijl deze voor een jongen eindigt als hij geslachtsrijp is. Dezelfde regels gelden voor de termijn van het onderhoud.
Volgens artikelen 124 en 126 lid 1 Mud is het onderhoud (nafaqa) van een kind de taak van de vader. De verzorgster van het kind kan een vergoeding krijgen voor haar verzorgingswerk. Dit past in de klassieke conceptie van de taken van de man. Artikel 129 Mud bevat echter één van de belangrijkste vernieuwingen van de Mudawwana t.o.v. de fiqh. Het artikel stelt namelijk dat een rijke moeder onderhoudsplichtig is als de vader niet tot het onderhoud van zijn kind in staat is. Deze regel geldt enkel als bescherming voor de kinderen. Een gehuwde vrouw moet nooit in haar eigen onderhoud voorzien[30].
De wettelijke vertegenwoordiging of voogdijschap (wilaya) wordt in boek VI behandeld. Uit dit boek volgt dat de vader op de eerste plaats de wettelijke vertegenwoordiger van zijn kinderen is, totdat zij door het bereiken van de meerderjarigheid handelingsbekwaam worden. Dit is zo tijdens het huwelijk en na de ontbinding ervan, ook in het geval waar de moeder het verzorgingsrecht heeft. Zelfs bij de dood van de vader of bij zijn onvermogen de minderjarige te vertegenwoordigen, krijgt de vrouw volgens artikel 148 Mud geen kans om deze taak te vervullen[31].
In de regels voor afstamming, verzorging, onderhoud en wettelijke vertegenwoordiging komt de klassieke taakverdeling tussen man en vrouw sterk tot uiting. Terwijl de vrouw na een scheiding instaat voor de verzorging van het kind, blijft de man verantwoordelijk voor wereldse zaken zoals onderwijs en de wettelijke vertegenwoordiging. Deze opgesplitste verantwoordelijkheid tussen man en vrouw kan in realiteit zorgen voor contradicties waar uiteindelijk de vrouw en kinderen het slachtoffer van worden.
1.2.3.4. Erfrecht[32]
Het islamitische erfrecht is een zeer complex systeem dat gedetailleerd omschreven staat in de fiqh. Omdat het Marokkaanse erfrecht rechtstreeks wordt afgeleid uit de Koran en de klassieke rechtsboeken, zijn er maar weinig vrouwengroeperingen en intellectuelen die gelijkheid in deze materie durven te eisen. Ingaan tegen het erfrecht wordt beschouwd als ingaan tegen de islam. Omwille van de oorsprong van het erfrecht is het een domein dat gevoelig ligt bij moslims en daarom zeer moeilijk hervormbaar is. Dit geldt niet enkel voor Marokko, maar voor de hele Arabische wereld.
Er zijn twee soorten erfgenamen, de agnaten en de koranische erfgenamen[33]. Ze kunnen dezelfde personen zijn of elkaar juist uitsluiten. In de Mudawwana worden alle erfgenamen één voor één benoemd, te beginnen bij de koranische erfgenamen.
Een regel die op alle niveaus van de erfopvolging geldt, is dat het gedeelte voor vrouwelijke erfgenamen maar de helft is van het gedeelte van hun mannelijke lotgenoten. Een dochter erft dus de helft van wat haar broer krijgt. Deze regel heeft twee fundamenten. Ten eerste een religieus fundament omdat de bepalingen inzake erfrecht rechtstreeks uit de Koran komen. Ten tweede een juridische basis omdat de man voor het onderhoud van de familie zorgt en hiervoor meer geld nodig heeft. Deze redenering past weer in de klassieke opvatting over de familie die we kunnen terugvinden in de Mudawwana.
1.2.4. Evaluatie door de toenmalige samenleving
Naar aanleiding van de codificatie van de Mudawwana lieten Mohammed V, kroonprins Hassan II, Allal al Fassi en de minister van Justitie zich uit over de uitgangspunten en het doel van de Mudawwana. In hun ogen waren de veranderende maatschappelijke omstandigheden en verkeerde interpretaties van de Sharia de voornaamste redenen voor de codificatie. De zuiverheid van de principes van het islamitische recht moest geherwaardeerd worden door trouw te blijven aan de fundamentele regels. Een bundeling zou het recht eveneens toegankelijker maken voor de rechters en studenten en de rechtseenheid bevorderen[34]. Ze zou ook de waardigheid van de vrouw behouden. Een citaat uit de toespraak van minister Benjelloun tijdens de persconferentie waarop de eerste twee boeken werden voorgesteld illustreert deze visie:
Pour la première fois dans l’histoire de ce pays, en effet, on y réalise la codification du droit musulman en la forme d’une loi qui répond à toutes les exigences des temps modernes tout en sauvegardant les fondements de la religion et de l’esprit de l’Islam. La réforme profonde que cette loi apporte au régime de la famille et la promotion qu’elle assure à la condition féminine permettent de garantir à cette nation un progrès social dans le cadre de l’Islam ainsi que dans celui de la dignité et de la fierté qu’il a toujours assurées à la femme[35].
In vergelijking met de situatie voor de onafhankelijkheid kan de Mudawwana als een lichte vooruitgang worden beschouwd wat betreft de positie van de vrouw[36]. Hoewel er sterk werd vastgehouden aan de interpretatie van de Malikitische school, is er op sommige plaatsen afgeweken van deze visie zoals bijvoorbeeld bij de instelling van een minimumhuwelijksleeftijd. Wanneer dit voorkwam werd er geredeneerd in het voordeel van de vrouw en kinderen.
In het algemeen waren er vlak na de codificatie van het familierecht voornamelijk positieve reacties. In de euforie van de onafhankelijkheid werd er niet stilgestaan bij de inhoud van de bepalingen en stond het bevestigen van de islamitische identiteit voorop om zich af te zetten tegen het Westen. De Mudawwana was aan de vrouwen gegeven door de koning, ze was opgesteld door gerespecteerde rechtsspecialisten en was geen kopie van Westerse wetgeving. Bovendien was er vooruitgang geboekt op andere vlakken zoals alfabetisering en onderwijs waardoor de Mudawwana als minder belangrijk werd beschouwd[37].
Duidelijk is echter dat er sterk werd vastgehouden aan de conservatieve interpretatie van de Malikitische school. De codificatie van het familierecht doorstaat niet de toets met het non-discriminatie principe. Op vele vlakken zijn er ongelijkheden tussen beide geslachten. De hervormingen t.o.v. het klassieke recht zijn bescheiden en betekenen geen radicale verbetering van de positie van de vrouw. De wetgevers hielden geen rekening met de vooruitstrevende ideeën van de feministische avant-garde of de ‘De Zelfkritiek’ van Allal al Fassi.
In de jaren die volgden kwamen deze ongelijkheden naar voren en begon een lange strijd voor een hervorming van de Mudawwana. Reeds in 1965 was er de eerste officiële poging tot hervorming. Een officiële Commissie ter Herziening van de Mudawwana hield in juli 1965 haar eerste zitting. Deze commissie zou volgens de minister van Justitie moeten bijdragen tot het oplossen van een aantal gebreken in de wet. Deze gebreken waren terug te vinden in de regels over de verloving, de huwelijksvoogdij en het onderhoud. Van deze commissie is nadien niets meer vernomen. In 1970, 1974, 1979, 1980 en 1986 bestonden opnieuw officiële plannen tot hervorming, maar deze werden wederom niet uitgevoerd[38].
In 1979 was de Mudawwana het onderwerp van een herziening door de Koninklijke Commissie der Codificatie[39]. Toen het project op 5 mei 1981 af was, wist de commissie niet aan wie ze het plan moesten voorleggen; het secretariaat van de regering of aan de Hoge Raad van Ulama. Door de toenmalige slechte politieke situatie in Marokko, gekenmerkt door bloedige opstanden, kwam het project in de vergetelheid[40].
2. Kloofhypothese: een moderne samenleving met een verouderd familierecht
Door verscheidene auteurs is er een kloof vastgesteld tussen enerzijds de sociale en economische situatie van de vrouw, de grondwet en internationale normen en anderzijds de Mudawwana. De spanning tussen de Mudawwana en deze andere feiten is gegroeid naarmate de modernisering sterker doordrong en werd één van de belangrijkste argumenten om een hervorming te eisen. Hieronder een citaat van Julie Combe dat deze kloofhypothese illustreert:
La femme marocaine souffre d’une réelle dualité qu’on peut définir comme une véritable “schizophrène”. Juridiquement tout d’abord, ses droits civils ne sont pas en accord avec les autres droits qui lui sont reconnus: elle a désormais le droit de travailler sans aucune autorisation, mais reste placée, au sein du couple, sous l’autorité de son mari. Elle peut être investie de responsabilité dans son entreprise, signer des documents, elle peut être doyenne de Faculté ou encore juge, et rester de toute façon mineure à vie et soumise à la tutelle matrimoniale. Economiquement, elle travaille, perçoit un salaire et participe aux frais du ménage sans que son rôle ne soit reconnu socialement. Autrement dit, il y a deux images, deux histoires qui cohabitent dans la femme contemporaine[41].
2.1. Kloof tussen de samenleving en de Mudawwana
De modernisering dringt ook tot in Marokko door. Ze treedt in conflict met het benadrukken van de Marokkaanse nationaliteit na de onafhankelijkheid en een terugkeer naar de religieuze wortels van de Marokkaanse samenleving waarvan de Mudawwana een uitdrukking is. Modernisering komt op het economische vlak tot uiting in privatiseringen en liberaliseringen en op het sociale domein in verscheidene maatschappelijke tendensen zoals de demografische evolutie, urbanisatie en de vooruitgang van de vrouw op vlak van werk en scholing. Het patriarchale model van de Mudawwana blijkt niet aangepast te zijn aan de nieuwe rol die vrouwen in een moderne samenleving spelen.
De Marokkaanse demografische druk blijkt na de onafhankelijkheid één van de sterkste ter wereld te zijn. De bevolking wordt in deze periode op ongeveer 11 à 12 miljoen geschat, een verdubbeling sinds de jaren’40. Uit de volkstelling van 1971 blijkt dat het inwonersaantal is opgelopen tot meer dan 15miljoen, een verhoging van 32,2% sinds 1960[42]. In 2002 werd de Marokkaanse bevolking op 29631000 mensen geschat waarvan 52% jonger is dan 25jaar. De enorme aangroei van de bevolking vooral vlak na de onafhankelijkheid bracht verscheidene problemen met zich mee. Eén van de gevolgen was de uittocht van het platteland naar de steden.
Deze urbanisatie heeft zich sterk doorgezet. Terwijl in 1960 nog maar 29% van de bevolking in steden woonden, is dit aantal in 2002 gestegen tot 56.5%. Een evolutie die nog niet gestopt is. Eén van de fundamentele tegenstellingen in Marokko is deze tussen steden en het platteland. In de landelijke gebieden is de situatie van de vrouwen er slechter aan toe dan in de steden. Het analfabetisme is lager in de steden, er gaan meer meisjes naar school en meer vrouwen hebben vaker een betaalde betrekking. Patriarchale opvattingen over de familie zijn veel sterker op het platteland. Het is handig dit onderscheid in het achterhoofd te houden[43].
Daarnaast gaan ook steeds meer meisjes naar school. Het recht om naar school te gaan staat in de nieuwe grondwet van 1962 en wordt in 1963 zelfs verplicht voor de 7 tot 13 jarigen. In 1955 gaat 23% van de meisjes naar de basisschool tegenover 6% in 1949. In 1962 lopen deze cijfers al op tot 28,5% en gaat 3,25% naar de middelbare school[44]. In 2001 gaat 49,4% van de meisjes tussen 6 en 23jaar naar school tegenover 58,8% van de jongens. Deze goede cijfers inzake gelijkheid tussen jongens en meisjes is te wijten aan de mobilisatie van de overheid eind jaren’90 om deze kloof kleiner te maken. Eind jaren’90 ijverde de regering Youssoufi voor betere vrouwenrechten in het algemeen, inclusief een hervorming van de Mudawwana. Er wordt later teruggekomen op deze ontwikkeling.
Door scholing is er een evolutie naar een vrouw die zich buitenshuis gaat bewegen en zich op die manier begeeft op het traditionele domein van de mannen. Deze evolutie versterkt naarmate de vrouw buitenshuis een betaalde betrekking gaat uitvoeren. De werkende vrouw arbeidt niet langer alleen op het platteland of in familieverband. Een van de redenen hiervoor is het grote aantal alleenstaande vrouwen die een gezin moeten onderhouden[45]. Volgens de Mudawwana is de man verantwoordelijk voor het economisch onderhoud van het gezin (artikel35lid1 en artikel115en verderMud.). In een gemoderniseerde samenleving zijn de inkomsten van een man echter dikwijls onvoldoende om een gezin te onderhouden. Dit leidt tot een situatie waarin de vrouw mee de economische verantwoordelijkheid draagt, in tegenstelling tot hetgeen dat terug te vinden is in de Mudawwana[46]. Cijfers uit 2002 vertellen dat 24,9% van de vrouwen werkt tegenover 77,3% van de mannen. Er blijven grote verschillen bestaan tussen beide geslachten, maar er kan niet langer worden beweerd dat de vrouw afwezig is op de arbeidsmarkt[47]. Het is wel zo dat de vrouw meestal oververtegenwoordigd is in laagbetaalde betrekkingen en banen met weinig aanzien.
Een andere sociale evolutie die niet strookt met de Mudawwana is deze van de alleenstaande moeders. In 1999 werd 16,7% van de huishoudens door een vrouw geleid waarvan het grootste gedeelte weduwen zijn. Dit terwijl vrouwen volgens de Mudawwana eigenlijk geen hoofd van het gezin kunnen zijn en hun kinderen ook niet wettelijk kunnen vertegenwoordigen[48].
Naast deze sociale contradicties zijn er eveneens juridische tegenstellingen op diverse niveaus. Hierna worden de conflicten met internationale rechtsbronnen en de grondwet tegenover de Mudawwana besproken.
2.2. Conflicten op het gebied van internationale rechtsbronnen [49]
In zijn streven naar een grotere internationale zichtbaarheid en toenadering naar het Westen, heeft Marokko ook vooruitgang geboekt op het vlak van de mensenrechten. Marokko is partij bij de belangrijkste internationale conventies inzake mensenrechten en heeft concrete stappen ondernomen zoals de creatie van l’Organisation Marocaine des Droits de l’Homme (OMDH) in 1988, de instelling van een Conseil Consultative des Droits de l’Homme (CCDH) in 1990 en de creatie van het ministerie van Mensenrechten in 1993[50]. Daarnaast vinden ook verscheidene conferenties en seminaries van zowel regionaal als internationaal niveau plaats in Marokko. Men kan echter de vraag stellen of deze vooruitgang werkelijk een invloed heeft en of deze invloed ook gevoeld wordt op het vlak van de Mudawwana. Hiervoor kijken we eerst naar de plaats van het internationale recht in de hiërarchie der normen. Vervolgens wordt de Marokkaanse en islamitische opvatting van het concept mensenrechten tegenover de universele opvatting van de Verenigde Naties geplaatst.
De preambule van de grondwet proclameert ‘son attachement aux Droits de l’Homme tels qu’ils sont universellement reconnus’. Dit komt echter niet tot uiting in de plaats van het internationale recht in de hiërarchie der normen. In artikel 31GW staat: ‘les traités engageant les finances de l’Etat ne peuvent être ratifiés sans avoir été préalablement approuvés par la loi. Les traités susceptibles de remettre en cause les dispositions de la constitution sont approuvés selon les procédures prévues pour la réforme de la constitution’. Artikel 39 GW vermeldt dat ‘la forme monarchique de l’Etat ainsi que les dispositions relatives à la religion musulmane ne peuvent faire l’objet d’une révision constitutionnelle’. Hieruit valt te concluderen dat het internationale recht niet boven de interne rechtsorde staat en dat de fundamentele islamitische principes niet het onderwerp mogen zijn van een herziening, ook niet wanneer deze een contradictie vormen met de ondertekende conventies[51].
Als tweede punt wordt het universele model van de Verenigde Naties tegenover het islamitische concept van mensenrechten geplaatst. Het fundamentele principe inzake mensenrechten voorgesteld door de VN is het niet-discriminatie principe. De vrouw mag op geen enkele wijze gediscrimineerd worden ten opzichte van de man. Tevens wordt voorzien dat iedereen over zijn vrijheid kan beschikken zonder onderscheid naar ras, huidskleur, taal, nationaliteit of godsdienst. Het recht op huwelijk, vrije instemming van de echtgenoten, gelijkheid in het huwelijk en zijn ontbinding worden eveneens gewaarborgd[52]. Diverse verklaringen die het doel nastreven om meer gelijkheid tussen de mensen te creëren, zijn aangenomen in het kader van de VN. Tevens was 1976-1985 het decennium van de VN voor de vrouw met als thema’s gelijkheid, ontwikkeling en vrede[53]. Marokko is lid van de VN en heeft deelgenomen aan de conferenties van Mexico (1975), Kopenhagen (1980), Nairobi (1985) en Beijing (1995). Het land is partij bij de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, het Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele rechten en het Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke rechten (BUPO-Verdrag). Deze twee laatste verdragen stellen in hun derde artikel ‘De Staten die partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich het gelijke recht van mannen en vrouwen op het genot van de in dit Verdrag genoemde rechten te verzekeren’. Het BUPO-Verdrag verklaart in artikel23lid 4 bovendien de gelijkheid van de echtgenoten in het huwelijk en bij de ontbinding ervan. Het is interessant te constateren dat Marokko geen reserves of verklaringen tijdens de ratificatie van dit verdrag heeft afgekondigd, terwijl het dit wel doet bij gelijkaardige bepalingen in het CEDAW-Verdrag.
Tevens heeft Marokko in 1993 het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie van vrouwen geratificeerd (CEDAW-Verdrag). Hier hadden vrouwenorganisaties lang voor geijverd en dit wordt voor hen als een essentiële stap naar meer gelijkheid tussen man en vrouw beschouwd. Dit positieve punt wordt echter overschaduwd door de reserves en verklaringen die Marokko heeft geuit en die de reikwijdte van het verdrag serieus inperken. Zo onthield Marokko zich van artikel 16CEDAW, waarin de discriminatie op vlak van huwelijk en familiebetrekkingen wordt uitgebannen, omdat ‘une égalité de ce genre est contraire à la chariah islamique qui garantit à chacun des époux des droits et responsabilités dans un cadre d’équilibre et de complémentarité afin de préserver les liens sacrés du mariage’. Meerdere moslimstaten hebben gelijkaardige reserves geuit en roepen hierbij de religie als argument in[54].
Bovendien is Marokko eveneens lid van diverse organisaties die een islamitisch karakter benadrukken. Enkele voorbeelden zijn de UMA (l’Union du Maghreb Arabe), de Arabische Liga en het OIC (Organization of Islamic Conferences). Er zijn verscheidene initiatieven om de universeel erkende mensenrechten te herdefiniëren met als basis de goddelijke oorsprong van deze rechten. Zo verwijzen de Universele Islamitische Verklaring van de Rechten van de Mens van 1981 en de Verklaring van Cairo inzake Mensenrechten in de Islam van 1990 naar de Sharia als basis voor mensenrechten. Dit heeft gevolgen voor de interpretatie van de bepalingen wat betreft het familierecht[55]. De gelijkheid die in de universele verdragen wordt gewaarborgd, is hier vervangen door de klassieke taakverdeling tussen man en vrouw binnen een huwelijk zoals in de Sharia beschreven staat.
Er kan geconcludeerd worden dat er diverse contradicties en inconsistenties zijn op te merken in de houding van Marokko ten aanzien van internationale verdragen. Ten eerste is er een tegenstelling tussen de preambule van de grondwet die het navolgen van de universele mensenrechten vooropstelt en de inhoud van de grondwet waar er geen duidelijke hiërarchie der normen is terug te vinden die deze superioriteit van mensenrechtenverdragen bevestigt. Vervolgens is er een contradictie in de aanname van verschillende universele mensenrechtenverdragen waar Marokko het bij sommige wel en bij andere niet noodzakelijk vindt om reserves te uiten. Ten derde is er een tegenstelling tussen de inhoud van de universeel gerichte verdragen van de VN en deze met een meer islamitisch gedachtegoed.
Marokko wenst een toenadering tot het Westen zonder echter zijn Arabische islamitische identiteit te verliezen. Dit leidt echter tot een zeer ambigue situatie. Het gevolg is dat Marokko op de internationale scène steeds moet wisselen tussen twee rollen: degene van partizaan van een universele orde en deze als lid van de Arabische islamitische gemeenschap. De Mudawwana valt in dit kader samen met het islamitische concept van denken en is dus in tegenstelling met internationale universele verdragen.
De legitimiteit van het cultureel referentiekader, namelijk de Sharia versus universele mensenrechtenverdragen, is een voortdurend strijdpunt tussen de verschillende maatschappelijke actoren die deelnemen aan het debat rond de hervormingen van de Mudawwana. Hier zal dan ook verscheidene keren op worden teruggekomen in deze tekst.
2.3. Kloof tussen de grondwet en de Mudawwana [56]
In de Marokkaanse grondwet worden de internationale principes van vrijheid, gelijkheid en niet-discriminatie weerspiegeld. Zoals reeds vermeld staat in de preambule van de grondwet dat Marokko vasthoudt aan de universeel erkende mensenrechten. Artikel5GW stelt dat alle Marokkanen gelijk zijn voor de wet. Daarnaast garandeert de grondwet eveneens dat man en vrouw van gelijke politieke rechten genieten (artikel 8 GW) en een gelijk recht op werk en scholing hebben (artikel13GW). Onder Titel I van de grondwet worden de principes van gelijkheid en niet-discriminatie in het politieke, culturele en sociaal-economische domein aan alle Marokkaanse burgers toegekend[57]. Tegenover deze gelijkheid in de grondwet kan de ongelijkheid van rechten en plichten binnen het huwelijk, zoals beschreven in de artikelen 35 en 36 van de Mudawwana, gezet worden.
Dezelfde conclusie als bij internationale verdragen geldt ook hier. Theoretisch zijn in de grondwet alle burgers gelijk op de vernoemde domeinen maar op het vlak van familie verkeert de vrouw nog steeds in een minderwaardige positie.
2.4. Conclusie
In het debat over de hervorming van de Mudawwana wordt de universele opvatting van mensenrechten geconfronteerd met de culturele specificiteit, staat traditie tegenover moderniteit en moet Marokko de toenadering tot het Westen afwegen tegen het behoud van voldoende affiniteit met de islamitische wereld. De Mudawwana is één van de laatste bastions van de islam gebaseerd op de Sharia terwijl de rest van de rechtsorde voornamelijk gebaseerd is op Westerse principes. Er is al aangegeven dat dit het debat over hervormingen des te moeilijker maakt.
Op intern vlak blijft er een enorme kloof tussen het juridische systeem en de sociale vooruitgang die de Marokkaanse samenleving heeft doorgemaakt na de onafhankelijkheid. Dit hangt samen met de kloof tussen het recht van de publieke sfeer en die van de privé-sfeer. Binnen de interne ruimtes geldt de Mudawwana en is de vrouw ondergeschikt aan de man. Daartegenover geldt in de publieke ruimtes het interne Marokkaanse recht gebaseerd op de grondwet waarbij de vrouw op politiek en economisch vlak gelijk is aan de man. In Marokko is lange tijd de enige vooruitgang in de rechten van de vrouw gezien op het publieke domein gebaseerd op de moderniteit en democratie, zonder te raken aan het personenrecht dat gebaseerd is op de Sharia[58]. Deze laatste tendens maakte de kloof nog groter omdat de vrouw steeds meer rechten kreeg op verschillende domeinen buitenshuis, terwijl de Mudawwana onveranderd bleef.
Op extern vlak zijn er diverse tegenstellingen tussen de internationale verdragen ondertekend door Marokko en de Mudawwana. Dit debat verweeft zich in bredere zin met de problematiek over de opvatting van mensenrechten. Hierbij bestaat er een tendens van bepaalde islamitische landen en organisaties om de islamitische culturele specificiteit boven de universele mensenrechten te plaatsen. Marokko probeert hiertussen een gulden middenweg te vinden.
Deze spanning tussen de Mudawwana en de andere aangehaalde feiten werd steeds sterker naarmate de modernisering verder de samenleving doordrong. Dit heeft ertoe geleid dat de tegenstellingen één van de voornaamste argumenten vormden voor intellectuelen en vrouwenorganisaties voor een aanpassing van de Mudawwana.
3. De Marokkaanse samenleving gemobiliseerd: de Mudawwana in de jaren’90
Na de codificatie van de Mudawwana in 1957-1958 waren er geen grote contestaties meer voor hervormingen van de Mudawwana. Hierboven is echter al aangetoond dat de Marokkaanse samenleving in deze periode wel drastisch veranderde. De maatschappelijke evolutie impliceerde de opkomst van diverse groeperingen die ijverden voor betere vrouwenrechten, inclusief een hervorming van de Mudawwana. Deze evolutie komt begin jaren ’90 voor het eerst tot uiting in de campagne van één miljoen handtekeningen voor een hervorming van de Mudawwana, de eerste etappe die hier wordt besproken. Tijdens 1999-2000 staat de Marokkaanse maatschappij weer in rep en roep, deze keer draait het debat rond het Nationaal Actieplan voor de Integratie van de Vrouw in de Ontwikkeling. In 2004 worden uiteindelijk de langverwachte hervormingen verwezenlijkt.
3.1. 1992-1993: Contestatie leidt tot hervorming
In dit deel worden de gebeurtenissen besproken die hebben geleid tot een eerste hervorming van de Mudawwana. Daarna volgt een uiteenzetting over de inhoud van deze hervormingen gevolgd door een evaluatie ervan.
3.1.1. Eén miljoen handtekeningen
Op 7 maart 1992 lanceerde l’Union de l’Action Féminine[59] (UAF) een petitie om één miljoen handtekeningen te verzamelen op het Marokkaanse territorium ten voordele van een hervorming van de Mudawwana. Dit om aan de machthebbers te laten zien dat deze hervorming de wil is van een brede laag van de bevolking en niet enkel van een feministische avant-garde. De vrouwenorganisaties profiteerden mee van het debat rond de democratisering van de instituties en de hervorming van de grondwet om hun ideeën te benadrukken. Ze argumenteerden dat een echte democratisering enkel mogelijk is als man en vrouw op alle vlakken gelijke rechten bezitten.
De petitie had als uitgangspunt de erkenning van de familie als een verbond gebaseerd op de gelijkheid en solidariteit van de echtgenoten. De eisen tot hervorming waren:
- de afschaffing van de huwelijksvoogdij
- de aanvaarding van de wettelijke competentie voor meerderjarige vrouwen
- de verwerping van de superioriteit van de man in het huwelijk door de toekenning van gelijke rechten en plichten
- de afschaffing van polygamie
- de mogelijkheid van echtscheiding enkel via de juridische weg
- hetzelfde recht op voogdij over de kinderen
- de erkenning van het recht op onderwijs en werk als een onafneembaar recht
Omwille van de islamitische gevoeligheid op het vlak van erfrecht, werd het principe van gelijkheid op dat gebied in een vroeg stadium uit het eisenpakket geschrapt.
De argumentatie voor deze eisen was ten eerste gebaseerd op de contradicties tussen de verschillende wetteksten en op het feit dat de Mudawwana niet meer aan de realiteit beantwoordde zoals besproken in hoofdstuk 2. Daarnaast beweerden de voorstanders van de petitie dat de Mudawwana een factor was voor sociale drama’s. Dit omdat vele kinderen niet wettig erkend zijn en omdat ze de reden is voor het uiteenvallen van gezinnen wegens de eenvoudige manier van echtscheiding via verstoting[60].
De scherpe veroordeling van de petitie door de islamitische gemeenschap liet niet lang op zich wachten. De eerste reactie komt van de Beweging van de Hervorming en Vernieuwing[61] in hun krant al-Raya. In 14 punten veroordeelden zij de eisen als tegenstrijdig met de islam en riepen ze op om de petitie te boycotten. In hetzelfde nummer van al-Raya was een fatwa terug te vinden van Mohammed al‑Habibal‑Tujkati, theologieprofessor aan de universiteit van Tétouan en Quaraouine, waarin hij de feministische organisaties als tegenstrijdig beschouwde met de islam. De meest heftige reactie kwam echter van een groep onafhankelijke ulama. In een open brief gericht aan o.a. de eerste minister en de voorzitter van het parlement riepen zij op om al degenen te sanctioneren die het islamitische geloof aantasten. In deze brief uitten zij op de eerste plaats hun teleurstelling in de linkse beweging die volgens hen te marxistisch is geworden. Vervolgens kwam de complottheorie tegen de islam en de Arabische wereld aan bod: de campagne voor de hervorming van de Mudawwana werd vergeleken met de kruistochten tegen de islam. Men probeerde de islam te verslaan op het terrein dat de godsdienst het meest dierbaar is, namelijk de familie. Daarnaast werd er de vrouwenorganisaties verweten het Westen blindelings te imiteren. Het uiteindelijke verdict was dat de gevraagde hervormingen de Koran en Sunnah tegenspreken en daarom werden de auteurs van de petitie beschuldigd van afvalligheid (ridda) van de islam. De straf voor deze zonde is de terdoodveroordeling. De vrouwenorganisaties waren volgens deze ulama eveneens schuldig aan het afwenden van moslims van hun geloof.
De campagne bereikte niet enkel de groep van geschoolde vrouwen en had op die manier een brede steun bij de bevolking waardoor vele duizenden handtekeningen werden verzameld. Het UAF organiseerde talrijke ontmoetingen, congressen en debatten in Marokkaanse steden. Daartegenover stonden de steeds feller wordende reacties van de islamieten. Dit kan worden geïllustreerd met de titel van een artikel in de krant Asrar dat als volgt luidde: ‘Changement de la Mudawwana ou suppression de l’islam? Les gauchistes pour une seule épouse et cent amantes, mille bâtards et un million de prostituées’. De politieke partijen onthielden zich in de mate van het mogelijke van het debat. Dit uit angst voor het uiteenvallen van het front voor de gewenste hervormingen en de grondwetsherziening.
Het debat werd gevaarlijk voor de staat en zijn ideologisch fundament. Op 20augustus1992 kwam koning Hassan II tussenbeide om er een einde aan te maken. Hij richtte zich tot het volk en in het bijzonder tot de vrouwen met deze woorden[62]:
J’ai entendu et écouté tes plaintes au sujet de la Mudawwana ou de l’application de la Mudawwana. Sache, Ma Chère Fille, femme marocaine, que la Mudawwana est d’abord une affaire qui relève de Mon ressort. C’est Moi qui porte la responsabilité de la Mudawwana ou de sa non application. Réfère-toi à Moi. Garde-toi de mêler, lors de la campagne référendaire et des campagnes électorales qui la suivront, ce qui est du domaine de ta religion à ce qui relève du temporel et de la politique[63].
Vanaf dan lag het lot van de Mudawwana in handen van Hassan II. Na de goedkeuring van de grondwetsherziening per referendum door 99.98% van de bevolking ontving de koning op 29 september 1992 vertegenwoordigers van vrouwenorganisaties in het paleis. Bij deze gelegenheid verklaarde hij dat hij als Heerser der Gelovigen het recht op Ijtihad had. De koning wenste niet dat de hervorming het onderwerp werd van de komende verkiezingsstrijd. Als leidsman van de bevolking in islamitische aangelegenheden zou hij zelf de vorm van het nieuwe familierecht bepalen.
In oktober stelde hij een commissie van mannelijke ulama en hoge functionarissen aan ter voorbereiding van een hervorming met als voorzitter Abdelhadi Boutaleb. Ook deze keer waren er net als in 1957-1958 geen specialisten uit andere wetenschappen vertegenwoordigd en was er maar één vrouw in de commissie. De minister van Religieuze Stichtingen en Islamitische Zaken maakte in maart 1993 bekend dat de commissie klaar was met haar werk. Daarop ontving de koning opnieuw een delegatie van vertegenwoordigers van vrouwen in het paleis. Hij bood hen het voorstel ter hervorming aan en nodigde hen uit om hun mening over het voorstel kenbaar te maken. Het paleis had deze delegatie zorgvuldig geselecteerd uit conformistische vrouwenvertegenwoordigers waardoor er niet veel commentaar was op de voorgestelde hervormingen.
Op 10 september 1993 kondigde de koning per dahir de teksten van de wetswijzigingen af. De hervormingen waren hiermee een feit. Een parallel met de afkondiging van Mudawwana in 1957-1958 was dat er geen parlementaire behandeling van de wetsvoorstellen had plaatsgevonden. Vanwege de verkiezingen was het parlement immers ontbonden en in deze situatie heeft de koning de wettelijke macht[64].
3.1.2. De inhoud van de hervormingen
In dit gedeelte worden kort de doorgevoerde hervormingen en hun belang besproken. Hierbij zal dezelfde volgorde worden gehanteerd als in het eerste hoofdstuk. De hervormingen richten zich op de eerste vier boeken van de Mudawwana. Het testament en erfrecht blijven buiten beschouwing. Uiteindelijk worden er negen artikelen herzien, twee artikelen toegevoegd en één afgeschaft. De hervorming heeft eveneens in beperkte mate betrekking op het Wetboek van het Verbintenissenrecht (WvV) en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (WBR).
Nieuw artikel 156bis bepaalt de instelling van een familieraad die belast is met de hulp aan de rechter bij diens bevoegdheden in familieaangelegenheden. De taakomschrijving en samenstelling worden geregeld per decreet.
3.1.2.1. Het huwelijk en polygamie
De belangrijkste vernieuwing op het gebied van het huwelijk is de beperking van de huwelijksvoogdij. Volgens artikel 5 lid 1 Mud93 kan een huwelijk niet meer tot stand komen zonder de schriftelijke toestemming van de echtgenote. De huwelijksvoogd heeft in geen geval het recht tot dwang, ook niet meer via de rechter zoals in de versie van 1958. Volgens artikel 12 Mud93 kan een vaderloze meerderjarige vrouw vanaf nu zelf een huwelijk sluiten[65].
Kritiek op deze hervorming is dat er een discriminatie wordt gecreëerd tussen meerderjarige vrouwen. Sommigen zijn capabel om zelf over hun huwelijk te beslissen terwijl voor anderen dit lot in handen van hun voogd ligt. Er wordt dus niet aan de eis voldaan om het voogdijschap bij het huwelijk voor de vrouw af te schaffen[66].
De hervorming heeft polygamie moeilijker gemaakt door art 30 Mud aan te passen. Er geldt nu de verplichting voor de man om zijn eerste echtgenote in te lichten over de plannen van het nieuwe huwelijk. Hij moet ook de tweede echtgenote over het bestaan van een eerste echtgenote informeren. Lid 2 van artikel 30 Mud93 geeft de eerste vrouw het recht om in de huwelijksovereenkomst een voorwaarde op te nemen dat de man geen tweede echtgenote mag nemen. Het vernieuwende ligt in de regel dat aan het schenden van deze voorwaarde automatisch de sanctie is verbonden dat een vrouw zichzelf kan verstoten. De belangrijkste innovatie is echter dat voor polygamie nu in alle gevallen rechterlijke toestemming is vereist. De rechter mag deze toestemming niet geven als er gevreesd wordt voor een onbillijke behandeling van de echtgenotes (artikel 30 lid 4 en 41 lid 5 Mud93)[67].
Polygamie komt nog nauwelijks voor in de Marokkaanse samenleving. Daarom werd het behoud ervan, weliswaar onderhevig aan de toestemming van de rechter, zwaar bekritiseerd door de voorstanders van hervorming.
3.1.2.2. Ontbinding van het huwelijksverbond en haar rechtsgevolgen[68]
In het aangepaste artikel 48 Mud93 staat vermeld dat de vrouw aanwezig moet zijn bij de verstoting en dat deze enkel kan geschieden met toestemming van de rechter. Sinds deze hervorming is dus in alle gevallen van scheiding een rechter betrokken, behalve in het geval van verstoting tegen compensatie die plaatsvindt op verzoek van de vrouw. De nieuwe procedure van verstoting staat beschreven in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (artikel 179) en omvat een verzoeningspoging voordat de verstoting definitief wordt bevestigd. De rechter bepaalt een borgsom die de man moet betalen voordat de verstotingsakte wordt opgemaakt. Deze borgsom dient als garantie voor het voldoen van de financiële verplichtingen t.a.v. zijn gewezen echtgenote.
Een andere aanpassing is de afschaffing van artikel 60 Mud en de invoeging van het nieuwe artikel 52bis. De artikelen handelen over de schadeloosstelling van de man aan de vrouw na een verstoting. In combinatie met veranderingen in het WBR en het WvV wordt aan de verstoten vrouw meer zekerheid verleend voor het effectief verkrijgen van de schadeloosstelling.
3.1.2.3. Afstamming, verzorging, onderhoud en wettelijke vertegenwoordiging van een kind[69]
De eerste hervorming speelt zich af op het vlak van de verzorging. Volgens artikel99Mud93 staat nu ook de vader in het lijstje van mogelijke verzorgers en wel op de tweede plaats vlak na de moeder. Dit terwijl hij in de oude versie helemaal niet werd vernoemd. Ook de duur van de verzorging is aangepast. Een zoon staat onder verzorging tot zijn twaalfde jaar, een dochter tot haar vijftiende. Daarna mogen de kinderen zelf beslissen bij wie ze willen wonen. Deze leeftijden zeggen enkel iets over de rechtspositie van de verzorgers. Het betekent dus niet dat de verzorging ineens ophoudt.
Op het gebied van wettelijke vertegenwoordiging (artikel 148 Mud93) kan nu de moeder deze functie toegewezen krijgen als de vader wegvalt door overlijden of door eigen handelingsonbekwaamheid. Aan deze voogdij zijn voor de moeder echter beperkingen gesteld die voor de vader niet gelden. Zo moet de moeder meerderjarig zijn en kan ze slechts eigendommen vervreemden met toestemming van de rechter. Ze kan haar dochter ook niet uithuwelijken.
In artikel 119 Mud93 zijn er aanwijzingen toegevoegd voor de procedure die gevolgd moet worden wanneer een vrouw het onderhoud in rechte vordert. Deze procedurele bepalingen zijn verder uitgewerkt in de hervormde artikelen in het WBR en het WvV en hebben als doel het voor de vrouw gemakkelijker te maken om haar onderhoud voor de rechter af te dwingen.
3.1.3. Desacralisering van de Mudawwana
De hervormingen werden door de overheid voorgesteld als een grote stap vooruit op het vlak van mensenrechten en respect voor de familie. Er werden inderdaad voor de eerste keer in het bestaan van de Mudawwana veranderingen doorgevoerd, maar deze bleven inhoudelijk beperkt. De reacties in de maatschappij waren zeer uiteenlopend. Een deel van de vooruitstrevende intellectuelen begroetten de herzieningen met gematigd enthousiasme. De hervormingen werden door hen als een stap in de goede richting beschouwd. Anderen stelden zich zeer kritisch op. De vrouwengroeperingen en het OMDH waren ontgoocheld over de beperkte reikwijdte van de aanpassingen. De gebruikte methode, zonder raadpleging van de volksvertegenwoordiging, viel niet bij iedereen in goede aarde. Op het domein van polygamie, verstoting en huwelijksvoogdij bleef de fundamentele ongelijkheid bestaan in overeenstemming met het klassieke islamitische recht[70].
Ook aan de zijde van de islamieten werd er kritiek geuit. Zij vonden de hervormingen te vergaand en een inbreuk op het traditionele gezag van de man. Ze protesteerden eveneens tegen de administratieve rompslomp die de nieuwe regels met zich meebrachten. Men kan vaststellen dat de Marokkaanse samenleving niet klaar was voor een meer diepgaande hervorming. De conservatieve en islamitische delen van de bevolking zouden zich hard verzet hebben tegen een geheel nieuw wetboek op het terrein van het familierecht.
De auteur al-Ahnaf erkent drie gevolgen van de gebeurtenissen in 1992-1993. Een eerste verdienste van de campagne voor één miljoen handtekeningen was volgens hem dat het debat over de Mudawwana voor de eerste keer op de voorgrond was geplaatst. Het werd duidelijk dat de beleidsmakers van de jaren’90 vrouwenrechten en sociale vooruitgang van de vrouw niet naar de achtergrond konden blijven dringen. Het debat had ook aangetoond dat een referentie naar de islam noodzakelijk bleef, zowel voor de vrouwengroeperingen als voor de koning. Men keerde zich niet af van de islamitische referentie maar er was wel een discussie over hoe de heilige teksten moeten worden geïnterpreteerd. Als laatste punt had het debat nog eens de beperkingen van de Marokkaanse democratie aangetoond waarbij de koning in deze materie het laatste woord heeft[71].
Op langere termijn gezien waren de hervormingen van 1993 echter van groot belang. Niet omwille van inhoudelijke vooruitgang, maar omdat er voor de eerste keer geraakt was aan de Mudawwana. Ze betekenden een desacralisering van een tekst die tot dan toe als onaantastbaar werd aanzien, een breuk in de onschendbaarheid van deze heilige tekst. Als er éénmaal aan deze tekst geraakt was, zouden latere hervormingen gemakkelijker worden aanvaard[72]. We kunnen echter niet concluderen dat de Mudawwana door deze hervormingen voldeed aan het gelijkheidsbeginsel dat in de inleiding als evaluatiecriterium is vooropgesteld. De aanp