Mozambique: De politieke economie van 30 jaar burgeroorlog. (Maarten Van den Eynde)

 

home lijst scripties inhoud  

 

1. Inleiding

 

            De oorlog in Mozambique is een vrij onbekende oorlog. Mozambique is immers een ex-Portugese kolonie, met als gevolg dat de berichtgeving over het land beperkt blijft tot natuurrampen of een escalatie tijdens de oorlogen die in het land woedden tussen 1964 en 1992. Tegelijkertijd is Mozambique ook een interessant conflictgebied, omdat het een gruwelijke oorlog heeft gekend. Het Gersony report van het US State Department concludeerde dat wat gebeurde in Mozambique één van de brutaalste holocausts was sinds WOII. UNICEF schatte in 1989 dat er alleen al in de jaren ’80 1 000 000 doden waren gevallen’. Desondanks heeft het vredesakkoord standgehouden, en is de VN-missie er na een aantal jaren met opgeheven hoofd terug vertrokken. Er kan gesproken worden van een zekere rust en vrede. Maar ook hier hoort een maar: ondanks het einde van de oorlog blijft Mozambique aan het staartje van de economische trein bengelen, en ook op ontwikkelingsvlak scoort het land niet goed, met een HDI van 0.320 in 2000 en de 170ste plaats in de ranking [1]. Zoals elk land zit ook dit vol met tegenstellingen, als gevolg van zijn verleden.

 

In dit werk proberen we een beknopt beeld te geven van de oorlogseconomie van het Oost-Afrikaanse land. In een eerste deel leggen we nadruk op de algemene context, maar met een economische klemtoon. Het eerste stuk geeft een korte historische inleiding, met een schematisch overzicht a.d.h.v. een eenvoudige tijdlijn. Het tweede stukje gaat kort in op de karakteristieken van het conflict. We zetten dus even de polemologische bril op. In het derde stuk van het eerste hoofdstuk schetsen we het economisch beleid van Mozambique, beginnend in de vroeg-koloniale tijd en sterk uitwijdend over de laatste 30 jaar beleid.

Het tweede hoofdstuk gaat over het huishoudniveau in de Mozambikaanse economie. Welke factoren bepalen er mee de basisstructuur van deze micro-economie, en hoe heeft de kolonisering en de burgeroorlog daarop ingespeeld.

Het derde hoofdstuk geeft een beeld van de macro-economische realiteit in Mozambique, tussen 1980 en 1992, de hevigste oorlogsjaren dus, en de periode waarin de problemen dramatische proporties aannamen. Aan de hand van een empirisch onderzoek worden de belangrijke grootheden onder de loep genomen.

 

 

2.Politiek-economisch kader

 

2.1. Historische context

 

Mozambique kent een lange traditie van geweld: eerst van het Portugees koloniaal regime om de onafhankelijkheidsstrijd te vernietigen, vervolgens van het Rhodesisch regime om zijn macht te behouden en uiteindelijk van de Zuid-Afrikaanse regering om de nieuwe staten in zuidelijk Afrika te destabiliseren en ondergeschikt te maken aan zijn eigen politieke en economische hegemonie.

 

Mozambique kwam officieel onder het Portugese bewind na de Conferentie van Berlijn in 1885. Portugal investeerde weinig in zijn kolonie omdat het land geen kostbare grondstoffen bezat. Na een militaire staatsgreep in Portugal in 1926 veranderde dit en werden er tienduizenden Portugezen, voornamelijk boeren, naar de kolonies gezonden. De kolonialisten bekleedden de belangrijkste functies en hadden weinig oog voor de noden van de Mozambikaanse bevolking.

 

De golf van nationalisme die eind jaren ’50, begin jaren ’60 over het Afrikaanse continent spoelde,  was de prikkel die de Mozambikanen tot het begin van een onafhankelijkheidsstrijd dreef. In 1962 werd het Frelimo (Frente de Libertação de Moçambique) opgericht, onder presidentschap van Eduardo Mondlano. Initieel was het constitutioneel en geweldloos, maar in 1964 koos het met steun van Rusland en Oost-Europa voor de gewapende strijd.[2] Deze beweging werd voornamelijk gevormd door intellectuelen uit het zuiden van het land, maar de oorlog moest beginnen in het noorden, aan de grens met het onafhankelijke Tanzania en Zambia. In 1969 werd Mondlane vermoord en opgevolgd door Samora Moises Machel. Na enkele successen van de onafhankelijkheidsbeweging konden de Portugezen het financiële en menselijke kapitaal niet meer opbrengen om de oorlog te financieren. In 1975 werd Mozambique onafhankelijk.[3]

 

Het was Frelimo die de macht overnam, en een sterk gecentraliseerd bestuurssysteem uitbouwde (zie verder). In een (overigens goed gedocumenteerd) rapport van het International Food Policy Research Institute wordt gesteld dat de periode na de onafhankelijkheid een aantal jaren van hoop en nationale verzoening betekenden.[4] Andere auteurs stellen dat Frelimo in die jaren alle macht naar zich toe trok, en daarvoor alle middelen gebruikte. Immers, nu de gemeenschappelijke vijand was verslagen, kwamen de interne verschillen terug meer bovendrijven. Versnippering en fragmentatie dreigde. Frelimo zou daarop gereageerd hebben door een eigen visie van nationale eenheid te propaganderen en te praktiseren. Er werd een éénpartijsysteem geïnstalleerd, er werden een aantal regels afgekondigd die oppositiekrachten het leven zuur moesten maken en moesten onderdrukken door middel van een sterke repressie, strafkampen in het noorden van het land en folteringen. Er werden Dynamising Committees opgezet die de lokale autoriteiten moesten vervangen. Een Nationale veiligheidsdienst moest voor de interne veiligheid zorgen. Tenslotte was er ook een terugslag van de Roomse Kerk die werd beschuldigd met verregaande verbondenheid met het koloniale Portugese bewind.[5]

 

Enkele onpopulaire maatregelen genomen door de nieuwe regering, stootten heel wat mensen tegen de borst. Vooreerst waren er Frelimo dissidenten die in diskrediet waren geraakt of die niet akkoord gingen met bepaalde standpunten van de nieuwe regering. Voorts waren er ook de blanke Mozambikanen die niet tevreden waren met de nieuwe zwarte regering. De Mozambikaanse regering joeg ook het buurland Rhodesië tegen zich in het harnas door de inperking van de handel met Rhodesië en de stationering van de verbannen Zimbabwese African National Union (Zanu) in Mozambique. De misnoegden verenigden zich tot Renamo. De aanvallen van de rebellen concentreerden zich voornamelijk in het westen van het land, aan de grens met Rhodesië. In deze periode was het rebellenleger nog heel klein en van weinig betekenis. Na de onafhankelijkheid van Rhodesië in 1980, werd Renamo overgeheveld naar Zuid-Afrika.[6]

 

Wat waren de redenen van Zuid-Afrika om het Renamo te steunen? De blanke regering van Zuid-Afrika verdedigde de ideologische basis van apartheid, waarin men stelt dat verschillende rassen niet harmonieus kunnen samenleven of werken. Verder was er de internationale context van de Koude Oorlog, waardoor Zuid-Afrika moest reageren tegen de marxistisch-lenistische éénpartij staat. De vijandige houding van Frelimo en het feit dat het ANC Zuid-Afrika aanviel vanuit basissen in Mozambique, zorgde verder voor de steun van Zuid-Afrika aan Renamo. Met Zuid-Afrikaanse steun groeide Renamo uit tot een grote en goed uitgebouwde beweging. De rebellenbeweging voerde succesvolle raids uit vanuit het zuiden van het land. Om de aanvallen van Renamo vanuit Zuid-Afrika te stoppen werden de onsuccesvolle ‘Nkomati’-akkoorden afgesloten tussen Mozambique en Zuid-Afrika: ‘…to respect each other’s sovereignty and independence and in fulfillment of this fundamental obligation, to refrain from interfering in the internal affairs of the other.’[7] 

 

Dit alles verklaart wel niet waarom er zoveel Mozambikanen meevochten in deze ‘burgeroorlog’. Het grootste deel van de Mozambikaanse Renamo-rebellen werden gedwongen gerekruteerd. [8] Anderen steunden het Renamo uit onvrede met de politieke en economische hervormingen van de nieuwe regering.

 

Vanaf het einde van de jaren ’80 kregen beide partijen het moeilijk. Frelimo verloor heel wat steun van de Sovjet-Unie en Oost-Duitsland, na onrust in de Sovjet-Unie in ’88. Tanzania maakte hiervan gebruik om ook zijn troepen uit Mozambique terug te trekken. De steun van Zuid-Afrika en conservatieve organisaties uit West-Europa en de V.S. aan Renamo werden internationaal sterk bekritiseerd, waardoor de rebellenbeweging zijn steun verloor. Beide partijen begrepen dat ze enkel via diplomatieke weg een einde konden maken aan de oorlog. In 1988 begon het vredesoverleg en in 1992 werd de vrede ondertekend.

 

Tijdslijn Mozambique: 1973-1992

 

 

73

74

75

76

77

78

79

80

81

82

83

84

85

86

87

88

89

90

91

92

 

Lusaka-

akkoord

Onafhankelijkheid onder Frelimo-regime

 

Samora Machel

Joaquin Chissano

Frelimo: verzet

Centrale planning model

Mentaliteits-

verandering

Structurele aanpassing onder
toezicht van IMF en WB

Dictatoriaal kol. regime

Centraal beleid, nationaliseringen, 3de partijcongres, Centralisering,

De eerste slechte cijfers

4de partijcongres

° ESRP, Washigtonconcensus

Socialere programma’s

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Portugezen,

Frelimostrijders

Rhodesisch Renamo

Zuid-Afrikaans Renamo

Zelfstandig Renamo
® afhankelijk van de inlandse bevolking

demobi-lisatie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2.2. Het gewapende conflict in Mozambique: 1961-75 en 1976-92: Burgeroorlog?

 

Wil een wetenschapper een fenomeen uit de werkelijkheid proberen te beschrijven, dan zal hij trachten dit op een zo adequaat mogelijke wijze te doen. Theorieën zijn hier zoals bekend het geëigende middel voor. Wij hebben geprobeerd om een theorie (de Protracted Social Conflict-theorie (PSC) van Azar) toe te passen op de Mozambique-case maar kwamen bedrogen uit. Hoe meer we ons inwerkten in het verloop van de oorlog, het ontstaan, de voedingsbronnen, hoe meer het duidelijk werd dat het geen PSC was, hoewel Azar lijkt te beweren dat bijna alle (tot alle?) oorlogen na WOII in de derde wereld tot dit type behoren.[9] Doorheen een gesprek met professor Luc Reychler over dit theoretisch dilemma werd nog maar eens duidelijk dat het vredesonderzoek nog een recente wetenschap is die worstelt met haar ‘pubertijd’: een twijfelachtige zelfbeeld in de zin van conceptuele verwarring.  Mozambique lijkt immers een atypisch conflict. Het is geen klassieke interstatelijke oorlog, nog een klassieke burgeroorlog. Laat staan een PSC. Sommige auteurs maken gewag van een destabilisatieoorlog, maar dat is een concept waar zover wij ontdekt hebben nog maar weinig conceptualisering rond gebeurd is.

Misschien is het nog het beste te vergelijken met het actuele terrorisme dat sinds eind jaren ’90 en zeker sinds 09/11 plots onder de aandacht van het Westen is gekomen. Het grote verschil met het Al Qaeda-terrorisme is dat het doelwit van de terreur (Mozambique) niet een land in het centrum is, maar in de periferie, en dat de terroristen gesteund werden door een land dat meer naar het centrum leunde dan het doelwitland (Zuid-Afrika). Maar de manier van oorlogsvoeren lijkt vergelijkbaar: een willekeurige terreur, tegen de meest kwetsbaren: de burgers op het platteland. Grote steden waren zelden het voorwerp van militaire actie door het Renamo. Het Frelimoregime reageerde op een manier die schijnbaar Bush junior geïnspireerd heeft: een hoogtechnologische antiterrorismestrijd die veel geld heeft gekost, zodat het aandeel van de defensie-uitgaven ten nadele van sociale programma’s toenam. In feite is de terreur van Renamo te vergelijken met de acties van de VS in Latijns-Amerika in de jaren ’70 en ’80. Via de CIA werden er gerichte acties ondernomen, met als doel de doelwitstaat omver te werpen. Bekend voorbeeld is uiteraard de coup van Augusto Pinochet op 11/09/1973 en het Varkensbaaifiasco, twee acties met onweerlegbare Amerikaanse betrokkenheid. Doordat het telkens regimes betreft die erkend werden door de internationale gemeenschap, moesten de acties in het geheim gebeuren. Dit geldt ook voor de acties van het Renamo. Officieel opereerden ze zelfstandig, maar in wezen werden ze gestuurd en gesteund door het buurland Zuid-Afrika, dat als de VS van Afrika zou beschouwd kunnen worden (als regionale hegemoniale macht), en was er ook heel wat sympathie vanuit de Reagan-administratie.

In de loop van de jaren ’80 treedt er echter een belangrijke verandering op in het beeld van het conflict. Het Renamo begint zich een primaire politieke doctrine toe te eigenen. Als we de verklaring hiervan proberen te achterhalen, wordt duidelijk waarom het zinvol is in een artikel over de politieke economie een bladzijde te wijden aan de conflicteigenschappen. Deze zijn immers inherent verbonden met elkaar. Door het Leninistisch centralisme van de Frelimo-regering, werden steeds meer boeren in Centraal- en Noord-Mozambique getroffen door het beleid. De groeiende ontevredenheid kon uitgebuit worden door het Renamo in die zin dat ze gemakkelijker jonge soldaten konden ronselen voor hun zaak. Dit effect lijkt nog versterkt te worden door de grote droogte van 1985. Een bepaalde groep agrarische jongeren werd bijzonder gevoelig voor de argumenten van het Renamo, en sloot zich er bij aan. De opflakkering van het conflict lijkt daar een rechtstreeks gevolg van te zijn.

We zouden hier nog een theoretische boom kunnen opzetten over het einde van het gewapende conflict in Mozambique. Was dat in 1992, bij het vredesakkoord, of loopt de oorlog nog steeds, doorheen de armoede die blijft verder duren en vermoedelijk door de oorlog werd versterkt? We gaan er van uit dat de oorlog eindigde in 1992 en we noemen het een oorlog, in de zin van de klassieke definitie van minimum 1000 doden per jaar, hoewel ik bij deze veel vraagtekens heb.

 

 

2.3. De crisis: een erfenis van 30 jaar economisch wanbeleid

 

2.3.1. Het koloniale beleid

 

De Portugese staat kent een lange koloniale traditie. Toen haar ontdekkingsreizigers in 1505 voet aan land zetten in Sofala, een stad aan de kust van de Grote Oceaan, vonden ze een gebied dat stevig verankerd zat in het handelsnetwerk dat over de Indische oceaan was uitgebouwd. De Mozambikanen verhandelden o.a. goud, ivoor, andere metalen. De Portugezen begonnen aan hun expansie, en ontwikkelden een koloniaal systeem dat gebaseerd was op enerzijds de goudhandel, en anderzijds het prazo-systeem. Dit hield in dat de settlers land in beslag namen en autoriteit en absolute macht kregen over de autochtone bevolking. Inlands verzet dreef de Portugezen aanvankelijk uit de agrarische gebieden, maar de opkomst van de slavenhandel en slavenarbeid verstevigde de positie van de kolonisator. Na de afschaffing van de slavenhandel, rond 1850, intensifieerde het kolonialisme, en steeds meer gebied kwam in de handen van de Portugezen. De kolonisten kregen hierdoor de maken met overstretching (wereldsysteemtheoretici zouden zeggen dat dit typisch was voor een ex-hegemoniale of ex-semihegemoniale macht, en zouden de vergelijking maken met de Amerikanen in Irak): ze hadden niet genoeg kapitaal en macht om de overheersing af te dwingen. Buitenlands kapitaal uit Zuid-Afrika en Rhodesië vormde de oplossing, met als gevolg dat tegen 1917, het eindpunt van de koloniale expansie, Mozambique voor een groot deel afhankelijk was van buitenlands kapitaal, wiens eigenaars veel concessies en speciale administratieve behandelingen kregen. De Portugezen voerden een systeem door van geforceerde arbeid en belastingen, zodat de Mozambikanen gedwongen waren de productie van cashcrops te verhogen, of in loonarbeid te gaan werken op een plantage of in de mijnbouw in Zuid-Afrika.

Na het aantreden van Salazar in Portugal (1926) werden er veel Portugezen naar Mozambique gestuurd, zodat er een sterke toename was van de import van consumptiegoederen en werden er een aantal nijverheidsbedrijven opgezet. De groei die hierdoor gecreëerd werd, kwam de lokale bevolking echter niet ten goede. Maar bijna alle Mozambikaanse mannen moesten minstens 6 maanden per jaar ongeschoolde loonarbeid doen, en de resterende tijd ging in het algemeen naar het teelten cashcrops. Het gevolg was dat de vrouwen en kinderen in hoofdzaak verantwoordelijk waren voor voedselzekerheid. Deze sector was echter niet ontwikkeld en zeer arbeidsintensief. Het onderwijs werd daardoor niet ontwikkeld bij de inheemse bevolking. Gedurende de koloniale periode lag het analfabetisme ongeveer 90%. Het technisch en secondair onderwijs werd ontwikkeld vanaf de jaren ’60, evenals een universiteit, maar die laatste kwam alleen de settler-populatie ten goede, die was aangegroeid tot 200 000 individuen. Bij de onafhankelijkheid lag het aantal Mozambikanen met universitair diploma op ongeveer 40, aldus schattingen van de FAO van 1982. De fysische infrastructuur was uitgebouwd in functie van de koloniale belangen, en bijgevolg vooral van haven naar interland gebouwd. Er was geen noord-zuidverbinding, hoewel het noorden traditioneel met een voedseloverschot zat, en het zuiden met een tekort. Verklaring is dat de steden in het zuiden voorzien werden van geïmporteerde tarwe. Hoewel het land zelfvoorzienend was voor rijst en maïs, was er een tekort aan calorieaanbod, aldus de FAO in 1982.  Zoals boven werd beschreven, startte de Mozambikaanse bevolking in 1962 haar onafhankelijkheidsstrijd, die tegen 1974 het dictatoriale regime in Lissabon economisch zodanig verzwakte (door de dure oorlog), dat de Anjerrevolutie plaatsvond. Mozambique werd onafhankelijk onder Frelimobestuur van Machel.

 

2.3.2.Het Frelimo-bewind

 

De onafhankelijkheid van Mozambique was geen vloek, maar ook geen zegen. Nu werd pas duidelijk hoe kwetsbaar de economie was. Bijna alle mensen die iets opleiding hadden genoten en capaciteiten hadden om een land als Mozambique te besturen (dat ongeveer even groot is als Frankrijk en het UK samen, aldus het CIA-handboek), behoorden tot de settlers, die samen met het koloniale regime het land verlieten, nadat wat niet verscheept kon worden, vernield was. Het ging om zo’n 200 000 mensen, of iets meer dan 90% van de totale koloniale bevolking. Een deel van de groep die achterbleef zou een gevaar op lange termijn betekenen, want zij waren medeconstitutief voor het Renamo. Maar ook de oude bondgenoot van de Portugese kolonialen, het Zuid-Afrikaanse Apartheidsregime, kondigde desastreuze maatregelen af. Het oude systeem van het uitbetalen van de lonen van de mijnwerkers in goud aan de Portugese overheid werd stopgezet, evenals de pendelarbeid zelf. Het gevolg was dat in de zuidelijke provincies het merendeel van de huishoudens zonder monetair inkomen kwamen. Ook de massale import van tarwe voor de steden in het zuiden viel stil, en het noorden was nauwelijks in staat hen te voorzien van voedsel. Kers op de taart waren de internationale sancties van de UNO tegen Zuid-Rhodesië, waardoor de havenactiviteiten in Beira bijna volledig stagneerden. Kortom, de Frelimo-administratie stond voor een gigantische uitdaging.

De eerste jaren na de onafhankelijkheid werden gekenmerkt door crisismanagement, in een poging de economie wat zuurstof te geven, voordat het eigenlijke ‘eerste hulpprogramma’ kon beginnen. In 1975 werd er een halt toegeroepen aan de vallende economie, en dankzij de input van buitenlands kapitaal was er sprake van een heropleving van de economie in de periode 1977-‘81. De keuze van het Frelimoregime voor een socialistisch beleid was niet vreemd, gezien het in haar strijd tegen de Portugezen gesteund was door landen uit het Warschaupact. Kernpunt van dit beleid was dat de industrie het zwaartepunt moest worden van de economie, en dat de landbouw een ondersteunende rol moest spelen.

Bij de onafhankelijk werd bij grondwet een parlement van 230 leden aangesteld, maar het zwaartepunt van de macht lag bij de regering en vooral het hoogste partijorgaan, het Permanent Politiek Comitée. Er werd gekozen voor een sterk gecentraliseerd beleid. Hierdoor moesten Machel en zijn ministers niet veel wezenlijke veranderingen doorvoeren, omdat de Portugezen ook op een centralistische wijze hadden bestuurd. Zo lagen bijvoorbeeld in de koloniale tijd de producenten- en consumentenprijzen vast, waren er vermarktingsgrenzen per product en per regio etc. Deze oude regels werden verder ontwikkeld of herbevestigd in een aantal Nationale Plannen op het derde partijcongres van Frelimo in 1977. De strategie die daar ontwikkeld werd, hield onder andere de creatie en ontwikkeling in van zware industrie, ontwikkeling van een staatsgeleide landbouwsector, verregaande veranderingen van het platteland en de massale ontwikkeling van human resources. In het 10-jarenplan van 1980 werd een groei van 17% tegen 1990 vooropgesteld, en een vervijfvoudiging van de agrarische productie. De investeringen van de overheid waren dan ook fenomenaal, zoals onderstaande grafiek aantoont. De piek begin jaren ’80 is duidelijk te zien. Ook in de landbouwsector poogde de overheid haar plannen door te voeren.

 

Grafiek 1: Publieke (versus private) investeringen in Mozambique[10]

 

 

Eén van de maatregelen in het landbouwbeleid was het creëren van de gemeenschapsdorpen of aldeamentos.[11] In een verdere paragraaf gaan we dieper in op dit beleid en zal het duidelijk worden dat het nefaste gevolgen had voor de gemeenschapsstructuur van de kleine boeren en bijgevolg ook voor het economisch functioneren op huishoudniveau. De nadruk binnen het landbouwbeleid lag echter niet op de kleine bedrijven. Het beleid was hoofdzakelijk gericht op de 2000 grote staatsboerderijen. Dit waren ex-koloniale bedrijven (plantages)die tijdens de exodus door de Portugezen waren achtergelaten. De bedoeling was het kapitaal dat er nog in aanwezig was terug in de economie in te schakelen, en ze tevens verder uit te bouwen. Indirect doel van de staatsboerderijen was de controle (afhankelijk van de auteur, in positieve al dan niet in negatieve zin) over de huishoudboerderijen van de regio waar de plantage gevestigd waren. Hiervoor moesten er aan het hoofd van deze plantages mensen komen waarop het regime kon vertrouwen. Zoals in zovele ontwikkelingslanden[12] begon er zich hierdoor een cliëntelistische verhouding tussen staat en plantage te ontwikkelen. Ondanks alle goede voornemens faalde het economisch beleid: de vele investeringen in industrie en transportinfrastructuur waren disproportioneel hoog in verhouding met de groeicijfers. Ook het landbouwbeleid bleek te falen, met als gevolg dat het vertrouwen in de overheid (en in Frelimo) afnam, ten voordele van het Renamo.

Het Frelimo-regime raakte echter vooral in de problemen door een totale misconceptie van het platteland, aldus Marc Wuyts[13]. Het beleid dat het uitstippelde ging uit van een massa kleine boeren, maar zag over het hoofd dat deze boeren vanuit de koloniale periode afhankelijk waren van de eerder vermelde loonarbeid in Zuid-Afrika of op de plantages. Het gevoerde beleid hield geen rekening met het feit dat de meeste huishoudgezinnen voor hun inkomen niet alleen afhankelijk waren van hun landbouwactiviteiten, maar (voor een niet onbelangrijk deel) ook van die loonarbeid. Het gevolg was een groeiend verzet op het platteland, temeer dat het regime in zijn beleid duidelijk de voorkeur gaf aan de ontwikkeling van de steden. Dit gegeven werd problematischer naarmate de oorlog vorderde. Frelimo verloor steeds meer greep op de agrarische maatschappij en Renamo rukte steeds verder op. Hoe deze twee feiten zich causaal verhouden is ons niet duidelijk geworden. Was het het onaangepaste beleid van de regering dat Renamo populair maakte in de agrarische gebieden? Of was het feit dat Renamo steeds meer aanhang kreeg oorzaak voor een terugtrekking van de overheid? Het is in elk geval zo dat Renamo zich met haar blinde geweld richtte op overheidsambtenaren en hun gezinnen, op overheidsgebouwen en transportwegen. In die zin is het verklaarbaar dat de administratie in Maputo weinig aandacht had voor het platteland, en zich noodgedwongen moest terugtrekken.

 

2.3.3. Barsten in het Leninistisch model:

 

In veel publicaties over Afrika, waar Mozambique vaak relatief kort wordt behandeld (in de Portugese literatuur zal dit uiteraard niet zo zijn, maar wij zijn die taal niet machtig), krijg je het beeld dat Frelimo halverwege jaren ’80 een vrij abrupte interne revolutie heeft doorgemaakt naar aanleiding van de interne economische malaise. Dit zou volgens ons echter een misvatting zijn. Immers, in de aanloop naar het Vierde Partijcongres in 1984 was de partijtop al bezig met het evalueren van oudere beleidsplannen, en werd duidelijk dat er een aantal dingen drastisch bijgesteld moesten worden. Het ging o.a. over de kleine boeren, het foute beleid van de staatsbedrijven, het probleem van de centrale planning, namelijk inflexibiliteit en extreme kwetsbaarheid voor exogene schokken en het gebruik van de grondstoffen. Er werd opgeroepen voor een actieprogramma voor de periode 1984-1986, dat onder meer volgende punten bevatte: grotere economische flexibiliteit en decentralisatie, groter vertrouwen in de marktkrachten, het belang van de kleine boeren, de publieke financiën te verstevigen en een hervorming van de exportverantwoordelijkheden (die lagen bij het staatsbedrijf ENACOMO, en zouden meer verspreid worden over bedrijven die cashcrops verwerkten), meer privaat ondernemerschap toelaten, en de prijzen liberaliseren (beperkt weliswaar). Toch waren de maatregelen niet afdoende, omdat ze niet snel genoeg geïmplementeerd geraakten. Ook het Nkomati-akkoord met Zuid-Afrika, een poging om de oorlog te beëindigen, opdat de economie een kans zou krijgen, mislukte, omdat Zuid-Afrika Renamo bleef steunen, en Mozambique het ANC op haar grondgebied bleef tolereren. Van vredesproces was er dus geen sprake (zoals verder opgemerkt zal worden, stopte Zuid-Afrika wel met de voedselbevoorrading van Renamo. Het gevolg was dat de rebellen steeds zwaarder gingen wegen op de boeren, en hen steeds meer gingen beschouwen als voedselleveranciers. Zuid-Afrika bleef Renamo echter wel financieel en militair steunen.) De zware koloniale erfenis, de kosten van de oorlog, zowel direct (overheidsuitgaven, zie verder) als indirect (schade en vernietiging, zie verder), het foute economische beleid (centraal geleid, ideologisch) en de natuurrampen die Mozambique in de jaren ’80 troffen (droogtes, overstromingen en tyfoons)[14], maakten de ineenstorting van het Leninistisch geïnspireerde Frelimo-beleid mogelijk. Het overheidsbudget zou ongeziene proporties aannemen (voor de macro-economische cijfers verwijs ik naar hoofdstuk 4) zodat het publieke deficit steeds groter werd. Op monetair vlak liep het ook helemaal fout. De ruilvoet van de metrical werd vastgehouden door de munt te koppelen aan de US dollar. Het gevolg was dat er parallelle zwarte markten ontstonden voor goederen, waardoor de belastingsinkomsten daalden. Het belang van buitenlandse munten nam toe door een combinatie van de vaste prijzen, verlies van monetaire controle en een verhoogde vraag voor consumptiegoederen en marktgewassen. Dit alles had zware gevolgen voor de export, wat de havens van Maputo en Beira sterk aantastten. Ook de import werd zwaar geraakt, maar minder erg dan de export. In 1981 bedroeg de export 50% van de import, in 1986 was dat minder dan 25%. Daardoor groeide de afhankelijkheid van buitenlandse hulp en leningen.

Onderstaande tabel geeft een aantal cijfers weer, uit een rapport van Brück, maar een recenter dan dat waarop we onze analyse van hoofdstuk 4 o.a. op hebben gebaseerd. Als we ons concentreren op de crisisjaren, kunnen we een aantal merkwaardige vaststellingen doen. Zo heeft de voedselproductie per capita een daling gekend van 11.7 ten honderd, met 1980 als referentiejaar. Een ander bevestigend cijfer is de export, die in 1983 nog maar + ¼ is van de export in 1980. De druk van het handelsdeficit op het GDP neemt ook sterk toe midden jaren ’80, tot 51%. De fiscale balans en de schuldenkwestie komen in hoofdstuk 4 uitgebreider aan bod.[15]

 

Tabel : Economische indicatoren voor Mozambique: 1980-1997[16]

In % (unless otherwise indicated)

1980-82

1983-86

1987-92

1993-94

1995-97

Private sector production

 

Annual real GDP per capita growth1

-4.1

-6.8

4.2

6.8

6.0

Food production per capita index (1980=100)2

95.6

81.8

78.3

69.9

82.1

Private consumption per capita index (1980=100)

96.0

79.1

71.0

61.8

56.7

Foreign Trade

 

Annual exports per capita (1980 US$)

20.5

5.9

5.7

5.4

7.2

Trade deficit/GDP

23.0

14.8

51.1

59.5

30.4

Fiscal Balance

 

Total expenditure/GDP

35.0

36.0

47.0

44.8

36.7

Military expenditure/total expenditure

19.2

31.3

20.5

18.3

10.0

External interest expenditure/total expenditure

..

1.2

5.8

5.8

6.0

Social expenditure/totale expenditure

..

..

9.2

8.3

11.7

Foreign debt and foreign aid

 

Foreign debt/GDP4

..

73.8

344.1

361.8

320.8

Foreign aid/GDP

7.3

9.2

74.4

84.9

55.2

 

            Het is duidelijk dat de Mozambikaanse economie midden jaren ‘80 in zware problemen zat, en dat er dringend nood was aan sterke hervormingen om uit het moeras te geraken. Toenadering tot het Westen zette de deur open voor initiatief vanuit het IMF en de Wereldbank. De internationale donorgemeenschap volgde na de eerste ODA.

 

2.3.4. Structurele aanpassingen: sleutelen aan de economie

 

In 1987 introduceerde de Mozambikaanse overheid het Economisch Rehabilitatie Programma (ERP), waarvan het hervormingsprogramma werd afgeleid, het ESRP, waar de ‘s’ op Sociaal duidt. Het is een typisch  IMF-WB-plan, geschreven vanuit de kantoren in Washinton DC, met weinig multi-stakeholdersparticipatie of inbreng van specialisten uit het land zelf. De eerste jaren kunnen het IMF en de wereldbank ongestoord het plan uitwerken en uitvoeren. Het plan bevatte grosso modo een reeks standaardmaatregelen voor stabilisering, zoals fiscale aanpassingen, monetaire beperkingen en devaluatie van de ruilvoet. Op microniveau was het hoofdzakelijk gericht op de inefficiëntie van de productie, en daar zou iets aan gedaan worden door het private ondernemerschap te promoten en liberaliseringen door te voeren. Na enkele jaren groeit de kritiek op de orthodoxe leer van de Washington consensus, kritiek die ook de verhoudingen tussen het IMF en de WB zelf onder druk zet. Er ontstaan ernstige meningsverschillen tussen de Wereldbank en het IMF over hun respectievelijke ontwikkelingsvisie[17]. Dit alles culmineert in de veroordeling van de ‘onmenselijkheid van de SAF’s en SAP’s’ door de civil society, die in de internationale sfeer steeds meer als beleidsactor erkend wordt.

Een niet onbelangrijke opmerking die we willen maken, is over het landbouwbeleid tijdens de hervormingen. Bij de bespreking van de socialistische beleidsperiode hebben we gesproken over de misconceptie van de Mozambikaanse regering van de kleine boerengemeenschap. Zij zag de boerengemeenschap toen als een massa subsistente boerenfamilies. Dat was echter niet zo. De gezinnen waren zoals gezegd door het koloniale systeem uiterst afhankelijk geworden van loonarbeid in mijnen of op plantages. Bij de structurele aanpassingen maakte de Mozambikaanse overheid opnieuw een soortgelijke fout. Ze zag de boeren als een homogene massa kleine boeren. Het gevolg van het beleid gebaseerd op deze misconceptie was dat de sociale en regionale differentiatie van het platteland versterkt werd. Sommige agrarische huishoudens werden bijvoorbeeld minder getroffen door de oorlog en moesten minder bezittingen opofferen. De toegang tot land, materiaal en krediet bijvoorbeeld, is disproportioneel verdeeld in het voordeel van de grote ondernemingen (zie eerder) aan de ene kant en een snel ontwikkelende groep van nieuwe op kleine schaal werkende kapitalistische boeren. De arme kleine boer, keert zich echter niet in subsistentie, maar blijft voor een deel afhankelijk van loonarbeid met huishoudelijke productie om levensonderhoud veilig te stellen. Hij heeft cash geld nodig voor een deel van zijn voedselbehoeften en voor de aankoop van goedkope geïmporteerde bewerkte consumptiegoederen en basisinstrumenten.[18]

Omdat het grootste gedeelte van het plan uitgewerkt wordt na het vredesakkoord van 1992, gaan we hier niet te uitvoerig in op het programma. Wat wel relevant is in het kader van deze paper is nog even iets te zeggen over het verband tussen de vredesbesprekingen en het programma. Ook hier is het moeilijk causaliteit vast te stellen: wat was er eerst, de kip of het ei? Wat wel zeker is, is dat de verschillende factoren wisselend op elkaar hebben ingespeeld. De verschrikkelijke economische toestand in het land, maakte beide partijen oorlogsmoe. Frelimo zat met een enorm fiscaal deficit opgezadeld, en het Renamo, dat door de hun strategie van absolute terreur op en destructie van het platteland de eigen voedsel- en kapitaalbevoorrading op lange termijn ondermijnde, raakte aan het einde van haar oorlogslatijn. Er was dus sprake van conflictrijpheid. In 1986 is er een nieuwe president, Joaquin Chissano, aan de macht gekomen, nadat Machel in een vliegtuigongeluk is omgekomen. De verandering van de macht maakte het voor de Frelimo-top gemakkelijker om de oorlogslogica achter zich te laten. Dit alles betekende niet dat het geweld stopte. Zo was er bijvoorbeeld  de opflakkering van het geweld in 1986-1987, met onder andere het grote offensief van Renamo, dat wordt teruggeslagen door een alliantie van Tanzaniaanse, Mozambikaanse en Zimbabwaanse soldaten. Opmerkelijk is dat op 20 juni 1987 Renamo ook de oorlog verklaard aan Zimbabwe, waar het ook sociale infrastructuur gaat vernielen.[19] Vermoedelijk begint het Renamo op haar beurt aan een ‘grand décar’ die ze niet aan kan: een te groot grondgebied voor een te klein leger. Ook dit zou een stimulans voor de vredesbesprekingen kunnen zijn geweest. Tenslotte is er ook het feit dat de VS lange tijd het Renamo heeft gesteund. De samenwerking tussen Frelimo en het IMF en de Wereldbank, heeft door de jaren heen voor een ontdooiing gezorgd van de relaties. Het verdwijnen van de Reagan-administratie uit het Witte Huis is ook niet te onderschatten, vermits zij gedurende de jaren ’80 de Renamo-rebellen had ondersteund. Het is ons inziens duidelijk dat het voor het Witte Huis niet meer opportuun was een rebellengroep te steunen, die door de internationale gemeenschap (terecht) sterk geassocieerd werd met het Zuid-Afrikaanse Apartheidsregime, dat steeds meer onder druk kwam te staan, waarvan de internationale boycot getuige was. Door de shift van Leninistisch naar IMF-WB-beleid verdween het Koude Oorlog aspect uit de positionering van de VS ten opzichte van de Mozambique. Zeker na de val van de Muur was het duidelijk dat Mozambique volledig afhankelijk van het Westen was geworden.

 

 

3. De analyse van de Mozambikaanse oorlogseconomie

 

3.1. De micro-economische realiteit

 

            In een poging een zekere eenheid te brengen in deze paper, hebben we getracht een schema op te stellen van het functioneren van een klein agrarisch bedrijf. Het ziet er als volgt uit:

 

 

De belangrijkste factoren die de productie van een boerengezin bepalen, zijn de arbeid, het beschikbare kapitaal, en het bruikbare land. Bijkomende bepalende factor is de (on)zekerheid. Gezinnen kunnen kiezen tussen foodcrops en cashcrops. Cashcrops worden vermarkt, meestal voor de export bedoeld. Ook een deel van de foodcrops kunnen op de markt worden gebracht. Dit zijn in het algemeen lokale markten. De mogelijkheden tot het vermarkten wordt bepaald door de instituties in het land en de regio. Vaak zijn de sociale netwerken belangrijk, de wegen, auto’s, andere transportmiddelen, de organisaties van de markt. In de meeste landen zijn de markten van de informele economie onderhevig aan zeer sterke niet geschreven regels. De opbrengsten van de lokale markt kunnen ruilproducten zijn voor voedselconsumptie, of geld. Ook uit de verkoop van cashcrops genereert het gezin geld. Dit geld kan gebruikt worden voor consumptie, maar kan ook geaccumuleerd worden en gespaard worden. In een jaar dat het slechter gaat, kan dit kapitaal aangesproken worden om doorheen de problemen te geraken.

            Uit onderzoek, hoofdzakelijk door Oxford University uitgevoerd, is gebleken dat deze cyclus zwaar onder druk is komen te staan onder de lange en gruwelijke oorlog in Mozambique. In elke fase van de cyclus zijn er diepgaande veranderingen opgetreden, die moeilijk omkeerbaar zijn. Dit merkt men in het ontwikkelingsprogramma dat sinds 1992 echt goed in werking is getreden. De poverty traps zorgen ervoor dat Mozambique nog steeds laag scoort in de HDI bijvoorbeeld, ondanks het feit dat de Vredesakkoorden van Rome al 13 jaar van kracht zijn. Nu is het zo dat deze transformatie van de micro-economie al onder druk stond van de nationalistische oorlog tegen de Portugezen. De wreedheden, gebruikt als oorlogstactiek door het Renamo, hebben dit proces echter versterkt. Maar ook de Frelimo-overheid gaat niet vrijuit.

 

3.1.1. Productiefactoren: kapitaal, arbeid, land, (on)zekereheid

 

3.1.1.1. Kapitaal

 

De eerste productiefacto