De houding van de middeleeuwse mens tegenover ziekte, lijden en dood van kinderen op basis van Middelnederlandse mirakelboeken. (Karen Dochez)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

HOOFDSTUK 3. ZIEKE EN OVERLEDEN KINDEREN. DE REACTIE VAN OUDERS EN ANDERE VOLWASSENEN.

 

In dit hoofdstuk zal gepeild worden naar de reacties van volwassenen – die van de ouders in het bijzonder – op een ernstige ziekte of een fataal ongeval van een kind. Daarnaast zal de relatie tot buren en anderen in het licht gesteld worden. Vanuit het standpunt dat de middeleeuwse maatschappij minder individualistisch was dan de dag van vandaag het geval is, is het immers mogelijk dat kinderen in hogere mate op buren en volslagen vreemdelingen konden rekenen in geval van nood. 

 

Vooreerst zal in dit hoofdstuk een onderdeel gewijd worden aan een aparte categorie, met name aan problemen die zich voordeden rond de geboorte. Zwangerschap en bevalling gingen in de Middeleeuwen immers met heel wat meer gevaren gepaard dan nu het geval is. In een tweede deel zal dan worden overgegaan op de andere kinderen in de mirakelverhalen.

 

 

ARTIKEL 1. PERINATALE PROBLEMEN

 

In dit eerste artikel zal worden ingegaan op de perinatale gevallen: problemen die zich manifesteerden net vóór of net na de geboorte. Omwille van de beperkte medische kennis in de Middeleeuwen (cf. supra), konden zwangerschap en bevalling erg gevaarlijk zijn. Vanaf het moment dat er iets verkeerd liep, betekende dat vaak een fatale afloop voor zowel moeder als kind. Als er immers al enige gynaecologische kennis bestond, bleef die beperkt tot de theoretische middens in plaats van door te breken tot de eigenlijke practici op dit vlak, de vroedvrouwen. Een vrouw was tijdens de bevalling namelijk uitsluitend omringd door vrouwen, een arts was niet aanwezig.[202] Hoe vaak er ook werkelijk iets fundamenteel mis ging, wordt duidelijk geïllustreerd door het volgende voorbeeld uit het Bossche mirakelboek:

 

“Int jaer ons Heren MCCCLXXXIII 13 daghe in mey quamen van Haerlem Jan Heinricssoen ende Rijckelijn, sijn wijf, ende brachten Dirc, haren soen, die 17 weken out was, wolc Rijckelijn, die tien doder kinder hadde. Ende vanden tienen doden kinderen nie en gheen haer kerstenheit ontfinghen ende aldoet op eertrike quamen. Daernae waert si mit enen kinde bevaen. Doen gheloefde Jan ende sijn wijf voersc.: woude hen God ende Onse Suete Vrouwe van Tsertoghenbosch een levende kint verlenen, si wouden dat kint ende die moeder voersc. doen weghen met wijn en met weit, met gout ende met , opdat hen God ende Ons Suete Vrou van Tsertoghenbosch een levend kint verlenen woude. Ende doe si die bevaert gheloeft hadden ende dat kint voldraghen was, doe verleende hen God ende Onse Suete Vrouwe een levende kint, enen sconen jonghen soen. (…)”.[203]

 

Dit mirakelverhaal handelt over een vrouw die reeds tien kinderen gebaard had, die echter allemaal dood geboren waren. Het elfde kind werd na de smeekbeden van diens moeder bij Onze-Lieve-Vrouw van ’s-Hertogenbosch gezond en wel ter wereld gebracht. Van groot belang blijkt bovendien de doop van het kind in kwestie te zijn geweest. Hier wordt later nog op teruggekomen.

 

Dit artikel wordt verder onderverdeeld in twee categorieën. Vooreerst is er de groep van ongeborenen. Het gaat hierbij dan om zwangere vrouwen die om verscheidene redenen vrezen voor het leven van hun ongeboren kind. De tweede categorie wordt gevormd door doodgeboren baby’s.

 

1.1.  Ongeboren kinderen

 

In de bestudeerde mirakelboeken is er zeven maal sprake van problemen tijdens de zwangerschap waarbij gebeden werd voor de geboorte van een levend, gezond kind. De verdeling over de verschillende collecties mirakelen wordt weergegeven in tabel 3:

 

Tabel 4: Aantal mirakelverhalen met betrekking tot zwangerschapsproblemen in de verschillende mirakelboeken

 

 

 

 

 

 

OLV van 's-Hertogenbosch

1

 

 

 

 

OLV van Amersfoort

1

 

 

 

 

OLV Maria Jesse van Delft

0

 

 

 

 

H. Kruis van Delft

4

 

 

 

 

OLV ter Nood Gods van Delft

0

 

 

 

 

H. Hout van Dordrecht

1

 

 

 

 

OLV van Gullegem

0

 

 

 

 

 

Van deze zeven mirakelverhalen zijn er vijf die zich kort voor de bevalling afspelen. Het wonderverhaal uit Dordrecht daarentegen situeert zich op het moment dat de vrouw in kwestie zo’n zeven maanden zwanger was:

 

“Item. Brons die glaesmaker ende sijn wijff sijn ghereyst van Utrecht, ende wilden thuys wesen. Ende onder weghe van reysen wertet wijff all syeckelick, ende quamen in Papendrechse veer.[204] Overmits onweer ende storme mosten sij die nacht daer beynen[205], ende vercreghen dair herberghe in een huys, dair een vrouwe uuyt ghestorven was vander Gods ghave[206] – want sij selver ghevlucht waren voer die sterft – daer sij all qualijck in te vreden waren, ende waren seer vervaert, dat sij niet bet en conden doen, ende scroomde seer, want Brons huysvrou ghinkc swair mit kinde, ende hadde noch twee maenden te gaen. Men ginck daer te bedde. Inder nacht wert Brons wijff claghende, karmende ende seer steenende, ende en wist anders niet dan den arbeyt ghinck haer an ghelijckerwijf als hair gewoente was, ende hoopten dair tkint te ghenesen. Ende weder om sorghende dair mitten vrucht ofte kint te verswelten[207], want daer en waren gheen vrouwen te crijghen, die haer inden arbeyt te hulpe mochten coomen. Ende sij dochte altijt: ‘O Heeren, hoe sal icket maken?’. Sij stont up vant bedde, ende ghinck sitten bijden vier, ende en conde haer nerghens ghelijden vanden stupen, die sij had. Ende sij ghinck weder te bedden, ende wert denckende upt heylich Hout te versoecken, ende te doen up weghen met wijn, weyt, gout ende sulver, also tijde als zij thuys quamen, mocht alst gheschiede, ende lovede theylich Hout. Ende docht haer man goet te wesen, ende wilde wel dat zij thuys gheweest waren, ende dattet groot goet ghecost hadde. Terstont cesseerden die stupen ende die weedom ende die pijne, die sij gheleden hadde, ende altemets off zijt kint ter werlt ghebracht ofte ghenesen soude hebben. Ende doen zij vier off vijff weken was thuys ghecomen, doen wert sij weder te pas als zij gheweest hadde, ende ghenas tkint tot haren tijde.

Anno Domini LVIII, vier off vijff daghen voer sinte Dyonisius, inden winter lestleden”. [208]

 

Deze vrouw kreeg twee maanden te vroeg haar weeën. Er waren geen vrouwen in de buurt om haar bij te staan tijdens de bevalling. Bovendien was een zeven maanden oude foetus in die tijd zeker niet levensvatbaar. Een bevalling op dat moment zou dus zeker fataal zijn geweest voor het kind, en naar alle waarschijnlijkheid ook voor de moeder. Deze complicatie maakt het uiteraard moeilijker om uit te maken in welke mate de vrouw eerder vreesde voor haar eigen leven, dan wel voor dat van haar kind. Uitstel van de bevalling was immers in het voordeel van zowel moeder als kind. Wanneer de vrouw in nood dus bidt tot het Heilig Hout, is het niet volkomen duidelijk of ze voornamelijk zelf gered wil worden, of dat ze integendeel eerder bezorgd is om haar vrucht.

 

Een in hedendaagse ogen vreemd overkomend mirakelverhaal betreft het Bossche verhaal met zwangerschapsproblemen, dat zich afspeelde in het prille begin van de zwangerschap. Het brengt het verhaal van een vrouw die bij een aderlating wegens pest verneemt dat ze zwanger is. Hoewel ze nog maar een kleine week in verwachting was, en er zelf niet eens iets van wist, zijn zowel zij als haar man onmiddellijk bezorgd om de gezondheid van de baby. De vader van het kind belooft om gekleed in wol en op blote voeten een bedevaart te maken naar ’s-Hertogenbosch, opdat zijn kind levend ter wereld zou komen. Bovendien droeg hij het kind op aan Maria van ’s-Hertogenbosch. Wanneer het kind dan uiteindelijk geboren wordt, blijkt het voldoende te zijn voor de ouders dat het gedoopt wordt voor het sterft. Wanneer Bate, het kind in kwestie, immers drie dagen na haar geboorte overlijdt, is het mirakel in de ogen van de ouders en die van hun omgeving geslaagd.

 

“Int jaer ons Heren MCCCLXXXIIII opten ersten dach in februario quam van Bruesel ter Overmaelen, daer die volren[209] woenen, Jan die Smit, welc Jan een wijf heeft ende heet Katherine, welc Katherine over 10daghe eens kinds ghenas[210], dat voldraghen was ende dat een dochter was ende kersten ghedaen wart[211] ende wart Bate gheheeten. Welc Katheline over 37 weken siec wart van der epydinne[212] , datmen heet die druesen of die godsgaven. Ende men haelde enen, diese liet metter vliemen.[213] Ende doesi ghelaten was, doe seide dieghene, die se ghelaten hadde, datsi een kint droeghe, want hi saecht wel aen haren bloede. Ende datsi kind droech, dies en wist si selve niet, want dat kint was ghewonnen[214] in 5 daghen of in 6 tevoren. Ende doe waren si sere vervaert[215] om die vrucht ende duchten, dat si mochte verloren bliven. Ende Jan die Smit ghelovede sijn bedevaerd tot Onser Soeter Vrouwen Tshertogenbosch; hi woudse versoeken met sire offerande wollen ende baervoet ende offeren een beelde van wasse, opdat hi vertroest mochte werden met diere vrucht, die Katherine, sijn wijf, ontvangen heeft. Entie vrucht droech hi Onser Vrouwen ten Bosch op ende gafse Onser Vrouwen. Ende doe hi die gheloeft van der vrucht entie bedevaert gheloeft hadde, doe ghenas Katherine, sijn wijf, gans ende gesont ende bleef een kint draghende, totdat voldragen was ende dat over 10 daghe gheboren wart. Ende doe dat kint gheboren wart, doe bracht een godsgave[216] ter werelt ende was also groet als een groet ey ende stont[217] , ghelijc als der moeder stont, met eenre vliemenslach[218] ende met enen lopende gate ende draghende, gelijc als der moeder dede, doe si ghelaten hadde over 37 weken tevoren. Ende alle, die dit kint saghen, mer dan hare driehondert, verwonderden hem sere van dien mirakel ende dat wonder, datsi aen dat kint saghen. Ende dese dochter, die dit mirakel ter werelt bracht, wort Bate gheheiten. Ende doesi meer dan 3 daghe hout was, doe sterf si ende voer in die Gods ghenaden[219].

Ende Jan die Smit is comen opten vors. dach Tshertogenbosch wollen ende baervoet vorden beelde Marien ende heeft sijn bedevaert ende offerande gedaen, ghelijc als hi gheloeft hadde. Ende hi heeft Gode ghedanct ende sire lieve Moeder van der gracien ende ghenaden, die hem ghesciet is. (…)”.[220]

 

Het Amersfoortse verhaal dat hieronder geciteerd wordt, handelt over een vrouw die zwanger was van een tweeling. Op een bepaald moment tijdens haar zwangerschap kreeg ze een niet nader omschreven ziekte, waardoor haar hele lichaam begon op te zwellen. De mensen die haar zagen, inclusief een arts, vreesden voor het ergste:

 

“Item het was een vrou bij Leijden in Hollant ende ghijnck groff van ij kijnder.[221]Dese vrouwe heeft gechregen in haer lijff venijnt, dat zij also dicke begost te swellen, dat alle die geenen die haer saghen, die seijden, zij most barsten. Soe sijnt haer vrienden gelopen totten Doctoren der medicinen om raedt aen hem te nemen. Die seijde: “Men weet haer niet te helpen, zij moet barsten”. Ende als zij geen troost en vonden aen die menschen, soe heeft zij aengeroepen God ende Onse L. Vrouwe ende heeft geloeft dat beeldt van Onse L. Vrouwe t’Amersfoert te versuecken ende daer haer laten te weghen. Ende terstont soe is zij verlost van dat venijnt ende heeft gechregen twe kijnderen. Ende zij is gecomen in die vaert tot Amersfoert[222] ende heeft haer bevaert gedaen Anno M.D ende iiij”.[223]

 

Het is hierbij niet duidelijk of de moeder zich zorgen maakt om haar ongeboren tweeling, of eerder om zichzelf. Er wordt immers niet expliciet aangegeven wat de moeder precies verlangde van Onze-Lieve-Vrouw in Amersfoort. Wilde ze vooral zelf genezen, lag haar prioriteit eerder bij het krijgen van gezonde kinderen, of waren beide gebeurtenissen noodzakelijk om in haar ogen voor een mirakel te zorgen? Het mirakelverhaal is te beknopt weergegeven om hieromtrent uitsluitsel te geven. Dit zal in de Amersfoortse mirakelverhalen wel meer het geval blijken te zijn, zoals reeds aangestipt werd in het inleidend hoofdstuk (cf. supra).

 

Het mirakelboek van het Heilig Kruis te Delft tenslotte bevat vier verhalen over prenatale problemen. In het eerste geval gaat het om een vrouw die de laatste sacramenten toegediend kreeg toen ze haar spraakvermogen verloor. De vroedvrouw en andere aanwezigen meenden dat niet alleen de vrouw het leven zou laten, maar ook dat het kind dood ter wereld zou komen. De zwangere vrouw in kwestie aanriep in gedachten het heilige Kruis te Delft, om zowel voor zichzelf als voor haar ongeboren kind een mirakel af te dwingen:

 

“Item te Sceveninghe was een vrouwe die in aerbeide ginc van kinde ende lach altemael mistroestet van den kinde ende van haer selven. Ende die vroede vrouwe ende ghemeenlike die ander goede vrouwe die bi haer waren meenden dattet kint doot gheweest hadde, ende aldus wort die vrouwe overmits der groter siecten gheolijt. Ende si en mochte niet spreken, mer in haer harte docht si opt heylige Cruus voirseit ende loofde mit goeder begheerten ende mit ynnicheden haers harten, als si best mochte, den heyligen Cruce  te offeren een wassen vrou ende een wassen kint, waert sake dat si een levende kint creghe. Ende binnen een half ure daerna wert si verlost van enen levenden [kinde], ende dede mit blijscap haer offerande”.[224]

 

In dit mirakelverhaal komt – in tegenstelling tot het voorgaande wonder - sterk naar voren dat de vrouw zich voornamelijk zorgen maakte om haar vrucht. Ze belooft immers een bedevaart te zullen ondernemen en een offerande te doen als ze een levend kind zou baren. Hoewel in het begin van het mirakelverhaal wordt weergegeven dat ze zich ook zorgen maakte om haar eigen gezondheid – “mistroestet van den kinde ende van haer selven” [225] - komt dit aan het einde niet meer terug, en maakt ze duidelijk dat haar hoogste prioriteit bij de gezondheid van haar foetus ligt.

 

De twee volgende verhalen die hier besproken worden, hebben betrekking op zwangere vrouwen die niet verlost konden worden. In het eerste geval is het één van de aanwezige vrouwen die zonder medeweten van de anderen een offerande belooft aan het heilige Kruis, indien de zwangere vrouw van een levend kind zou bevallen.

 

“Item hier binnen der stede ginc een vrouwe in arbeide van kinde ende en konde niet verlost worden, also datter groot jammer was. Ende een goede vrouwe loofde van der sieker vrouwen wegen al heymeliken waert sake datter een levende kint gheboren worde, men soude dat kint opweghen tegen den heyligen Cruce voirseit mit tarwe, mit wijn ende mit was alst ghesciede. Ende asser een kint gheboren wort so woech men dat heilige Cruce voirs. op mit brode, mit wijn, mit was, mit selver ende mit gout”.[226]

 

Ook het geval van tweede vrouw zijn het in eerste instantie anderen die zich uit medelijden tot het heilige Kruis richten.  Hierbij bleek het gebed van de zieke vrouw echter ook noodzakelijk te zijn, want het was immers pas nadat deze een zilveren kruis beloofde, dat het kind ter wereld kwam.

 

“Item hier in der stede was een vrouwe die in arbeide ginc, die niet verlost en conde worden, also dat die vroede vrou mitten anderen goeden vrouwen alle jammer an haer saghen. Oec soe wilde die vroede vrou dat si vandaen mit eeren hadde gheweest, ende dat overmits grote ellende die daer was. Also dat si tot menighen steden haer bevaert loofden om ghetroost te werden, mer si en creghen nerghent ghetroost. Mer ten laetsten soe loofde die sieke vrouwe dat heylighen Cruce voirseit te versoeken mit enen selveren cruce, waert sake dat si een kersten siele mochte crighen. Ende thants bi der ghenaden Gods ende des heylighen Cruce so wort si verlost van enen levenden kinde, ende dede haer offerhande mit blijscappen ende mit groter waerdicheit”.[227]

 

In beide voorbeelden gaat het om verlossingsproblemen, waarbij onderstreept moet worden dat dit niet alleen gevolgen heeft voor het kind, maar evenzeer voor de moeder. Als het kind niet verlost kan worden, sterven immers zowel moeder als kind. Toch wordt de nadruk in beide mirakelverhalen opnieuw gelegd op het ongeboren kind. Er zijn geen aanwijzingen in de wonderverhalen die erop duiden dat de vrouwen in eerste instantie aan hun eigen leven dachten. 

 

Het laatste mirakel dat in deze paragraaf besproken wordt, betreft een vrouw die tijdens de zwangerschap vaak ziek was geweest en erg zwak was, zodat ze voor haar eigen leven én dat van haar vrucht vreesde. Haar gebed wordt echter niet verhoord, want ze bevalt van een dood kind, dat daarenboven “deels verrot” [228] bleek te zijn. Daarop paste de moeder haar wens aan, en gaf ze te kennen dat ze zich zou neerleggen wanneer het kind even tot leven kwam zodat het gedoopt kon worden:

 

“Item het was een eerbaer vrou in der stede van Delf die mit kine gheworden was, ende nadat si dat kint begort hadde altijt temalen syec ende teer was, ende seer voer haer selven ende voer die vruchte besorghet was, sodat si dicwijl Gode haer ghebet voer den Cruce offerde mit devocien. Ende loefde: creech si een levendich kint dat sijt op soude weghen mit wijn ende weit, ende hadde gans betrouwen dat God van hemelrike haer doer ghenaden des Cruces dat niet en soude weygheren. Mar doe si tkint creech ende sijt niet en hoerde screyen was si mistroest ende vraghede hoet daerbi waer, sodat men haer onder ander woerden seide dattet doot was ende een deels verrot, sodat si seer tonvreden was ende seide dat, sijt Gode niet en verliet, dat kint en soude noch doer ghenaden des Cruces leven ende ghedopet worden. Onder menighe deser ende ander woerden die si mitten vrouwen had so was daer een van den vrouwen ende sach dat des kints hert begonde te roeren ende riep dattet levede , ende die vroede moer sach omme ende sach dat hart roeren, ende si nam water ende gaedoeptet, ende daerna sloech sijn herte twee of drie slaghe, ende het vertoech sijn lippe. Dit ghesciede int jaer M CCCC ende XXXI”.[229]

 

Net zoals het eerste verhaal uit Delft dat hierboven besproken werd, lijkt de moeder zich enkel in het begin zorgen gemaakt te hebben over zichzelf. Na de eerste zin ligt het accent volledig op het kind, en wordt er niet meer over de zwakke gezondheid van de moeder gesproken. De moeder tracht alles te doen om een levend kind te krijgen, maar wanneer dit niet het geval blijkt te zijn na de bevalling, lijkt ze zich neer te leggen bij het “kleiner” mirakel dat zich dan afspeelt. Wanneer ze beseft dat ze een dood kind ter wereld gebracht heeft, wil ze het enkel nog dopen. Deze handeling is uiteraard volledig in het belang van het kind; voor de moeder levert het geen enkel voordeel op.

 

Besluit

 

Ondanks de hoge mortaliteitsgraad van ongeboren kinderen in de Late Middeleeuwen, lijken moeders toch vanaf het prille begin van hun zwangerschap van hun kinderen te gaan houden, in tegenstelling met wat Philippe Ariès beweerde in zijn studie. Met uitzondering van de twee verhalen uit Amersfoort en Dordrecht, waar het niet eenduidig uit te maken is, wijzen de bronnen er immers op dat moeders meer belang hechtten aan de gezondheid van hun ongeboren kind dan aan hun eigen gezondheid. Zelfs hun eigen leven lijkt regelmatig van ondergeschikt belang te zijn geweest. Bovendien blijkt uit het verhaal dat zich afspeelde in het vroegste begin van de zwangerschap, dat niet alleen de moeder, maar ook de vader zich al zeer snel verbonden voelde met zijn kroost.

 

1.2.  Doodgeboren kinderen

 

In deze paragraaf zal worden ingegaan op de mirakelverhalen waarbij een kind dood geboren werd. Het gaat om dertien verhalen uit ’s-Hertogenbosch en één uit Amersfoort. Zoals in het voorgaande onderdeel reeds werd opgemerkt met betrekking tot de Amersfoortse mirakelverhalen (cf. supra), hebben we hier opnieuw te maken met een te beknopt weergegeven verhaal. Het zal hier derhalve niet besproken worden; alle aandacht gaat uit naar de Bossche wonderverhalen. Het eerste wonderverhaal dat hier geciteerd wordt, bevat quasi dezelfde gegevens als de meeste andere protocollen uit deze categorie. Het bevat het verhaal van een vrouw die bevallen was van een dode zoon. Een uur na de bevalling beloofde de moeder een bedevaart en offerande aan Onze-Lieve-Vrouw van ’s-Hertogenbosch indien haar zoon tot leven zou komen:

 

“Int jaer ons Heren MCCCLXXXIIII 28 daghe in mey quam van Hekehusen Kathelijn, Boudewijn Ruters wijf, ende bracht Boudewijn Ruters, haren soen, die binnen sinen jaer was[230], wolc Boudewijn doet gheboren waert ende lach doet meer dan een groet ure. Ende doe gheloefde si haer bevaert tot Onser Sueter Vrouwen van Tsertoghenbosch ende dat kint te weghen met wijn ende met weyte. Ende doe si die bevaert gheloeft hadden, doe waert dat kint tericht levende ende si worden alle seer verblijt.

Ende si sijn comen opten voersc. dach met haren gheboren ende met Boudewijn, haren soen, tot Tsertoghenbosch voerden beelde Marien ende [hebben: ontbreekt in het ms.] haer bevaert, weghen ende offerande ghedaen, ghelijc alsi gheloeft hadden. Ende si hebben Gode gedanct ende sijnre liever Moeder Maria vander gracien ende vander ghenaden, die hen ghesciet is. Ende dit is wael bewarijt met vele goeder lude”.[231]

 

Zoals hierboven reeds aangehaald werd, komen de gegevens die in bovenstaand wonder werden overgeleverd in tien van de twaalf andere verhalen steeds terug. Een enkele keer wordt benadrukt dat de ouders en omstaanders “uutermate sere verblijt” [232] zijn, maar voor de rest liggen deze verslagen van de gebeurtenissen erg in dezelfde lijn. Wat wel opvalt, is dat de verhalen naar het einde van het mirakelboek toe korter en minder gedetailleerd worden. Het mirakel dat zich afspeelde op 20 juli 1386 getuigt hiervan:

 

“Int jare van (MCCC)LXXXVI 20 daghe in julio quam hier Ane, Willem Crunen wijf, uutten Goeye met Jan, haren zoen, welc Jan was doet gheboren 3 ure lanc. Daer ghelovede die moeder tot Onser Vrouwen ten Bosch te weghen met wine ende met weyte, opdat Onse Vrouwe haer miraclen daeraen doen wilde ende dat hi levende worde. Ende onlanghe daernae soe wart dat dode kint levende, daer si Gode ende Onser Vrouwen sere af dancten.

Ende die moeder is comen metten kinde opten vorsc. dach ende heeft bedevart, weghen ende offerande ghedaen, ghelijc alsi gheloeft hadde”.[233]

 

Afgezien van deze elf mirakelverhalen komen er in het Bossche mirakelboek nog twee wonderen voor met betrekking tot doodgeboren kinderen. In het eerste verhaal blijkt opnieuw duidelijk het belang dat gehecht werd aan de doop van een kind voor het stierf. De vader bidt tot Onze-Lieve-Vrouw van ’s-Hertogenbosch opdat zijn kind zou leven, zodat het gedoopt kon worden, wat ook gebeurt. De volgende dag sterft de baby echter al. Desondanks lijken de ouders tevreden te zijn omdat ze hun kind tenminste hebben kunnen dopen. Ze zien de gebeurtenis als miraculeus, doen hun bedevaart en offerande, en danken God en Maria:

 

“Int jare ons Heren MCCCLXXXIII 23 daghe in julio quam van Mechelen Jorijs van Campen, welc Jorijs vor Pinxten lestvorleden ene doden zoen gheboren waert, welc zoen meer dan 2 uren doet lach vor haren oghen. Ende doen hi meer dan 2 uren doet gheleghen hadde, doen ghelovede Jorijs, die vader vanden doden kinde, sijn bedevaert tot Onser Sueter Vrouwen Tsertoghenbosch; hi woudse versueken met borne ende met brode, een kint [234] te offeren van 2 loet s ende een wassen beelt ende een kersse te offeren, opdat hi vertroest mocht werden met sinen doden kinde ende sijn doet kint levende mocht werden, alsoe dat sijn korstenheit ghecreghe. Ende doen hi die bedevart gheloeft hadde, doen waert dat doet kint tericht levende ende ghecreech sijn corstenheyt ende waert Jan gheheyten ende bleef daernae levende want ten anderen dach [235].

Ende dese vorsc. Jorijs is comen opten voersc. dach tot Tsertoghenbosch vorden beelt Marien ende heeft sijn bedevart ende offerande ghedaen, ghelijc als hi gheloeft hadde. Ende hi heeft Gode ghedanct ende sijnre liever Moeder vander gracien ende ghenaden, die hem ghesciet es. Ende dit heeft hi wael bewarheyt; daerbi waren her Aert, persoen van Hoesden ende capellaen ten Bosch, her Heynric Berwout, prioere ter Baseldonc, her Peter van Woeswijc vander Baseldonc, Korstiane van Rijswijc, Goeswijn vanden Steenweghe, Rover van Lyt, Roelof van Bredaa, Jelijs van Andwerpen, Goden van Dessterloe ende vele goeder lude”.[236]

 

Het laatste wonderverhaal dat in deze paragraaf besproken wordt, bevat meer gedetailleerde informatie dan de rest. Uit dit protocol blijkt dat na de bevalling een dubbel wonder nodig was: niet alleen was het kind dood geboren, de moeder was daarenboven zo ziek dat men vreesde voor haar leven. De vader – die in dit geval degene was die beroep deed op de hogere krachten – lijkt evenveel te lijden om zijn doodgeboren dochter als om zijn stervende vrouw. Desondanks is het opnieuw opvallend dat enkel het tot leven komen van het kind wordt vermeld, en niet de genezing van de moeder. Deze laatste nam echter evenzeer deel aan de bedevaart – zeven weken na de geboorte – zodat mag geconcludeerd worden dat de genezing van de moeder wel degelijk plaats gevonden heeft.

 

“Int jaer ons Heren MCCCLXXXIII neghen daghe in wedemaent quamen van Leyden Jan vander Heyden ende Gheertruut, sijn wijf, ende brochten haer kint, dat seven weken out was ende hiet Gheertruut. Ende doe dit kint Gheertruut gheboren waert ende die moeder in arbeide ginc, doe was daer soe groet liden te sien, dat [niet/met ….] vander moeder, eer sijs kins ghenesen const [237]. Ende doe si des kins ghenesen was, doe was die moeder also cranc, dat niemant haers lives en weende der moeder noch den kinde; ende dat kint lach alversvert ende doet. Ende doet verswert hadde gheleghen meer dan twe uren, doe gheloefde die vader sijn bevaert tot Onser Sueter Vrouwe tot Tsertoghenbosch; hi woudse versoeken met sijnre offerande, opdat si hem vertroesten woude met sinen kinde ende met sinen wive, daer hi groten rouwe om hadde. Ende doe hi die bevaert gheloeft hadde, doe ghevoelde men aen tkint tericht lijf ende men deet tericht korsten [238].

Ende si sijn comen opten voersc. dach tot Tsertoghenbosch voerden beelde Marien ende hebben haer bevaert ende offerande ghedaen, ghelijc alsi gheloeft hadden. Ende si hebben Gode ghedanct ende sijnre liever Moder Maria vander gracien ende vader ghenaden, die hen ghesciet is. Ende dit hebben si wael bewarijt met haren ghebueren. Daerby waren her Peter Lebbens, canonike ten Bosch, her Goedaert vander Brugghen, priester, Rover van Lit, Willem van Campen, Lang Gheen, Steven van Beers ende vele goeder lude”. [239]

 

 

Besluit

 

Net zoals bij de prenatale problemen, komt de wens van ouders om een gezond kind te hebben hier weer duidelijk naar voor. Uit de bronteksten blijkt dat ouders zich niet zo gauw neerlegden bij de dood van hun pasgeboren kind. Wanneer de baby in kwestie tot leven komt, brengt dit veel vreugde met zich mee, en wordt de bedevaart in grote dankbaarheid ondernomen.  Daarnaast komt opnieuw het belang van de doop naar voren. Ook hier blijkt tenslotte, naast de moederliefde, ook weer de vaderlijke bezorgdheid.

 

 

ARTIKEL 2. PROBLEMEN BIJ OUDERE KINDEREN

 

In dit artikel zullen de reacties op ongevallen, ziekte en dood van kinderen besproken worden, de perinatale gevallen – die in het vorige artikel aan bod kwamen – uitgezonderd. Een verdere onderverdeling zal gebeuren op basis van de kwalen, te beginnen met de meest voorkomende, en zo afzakkend tot de minst frequente ongevallen en ziekten. Deze werkwijze zal de mogelijkheid tot vergelijking bevorderen tussen de verschillende reacties op gelijkaardige situaties. Er zal in het bijzonder worden nagegaan welke de belangrijkste factoren waren die invloed hadden op de heftigheid van de reacties. Tabel 5 geeft het voorkomen van elke categorie nogmaals weer; de perinatale problemen worden hier buiten beschouwing gelaten:

 

Tabel 5: Voorkomen van de verschillende ziekten en kwalen

 

 

aandoening

aantal kinderen

verdronken

129

ongedefinieerde ziekte

49

stom/blind/doof

28

kreupel/lam/breuk

26

lies- en waterbreuk

15

stenen

16

vallende ziekte

15

gestikt

12

verkeersongeval

10

van zolder gevallen

4

verbrand

2

allerlei

35

 

De 35 alleenstaande gevallen die de restcategorie vormen, zullen – samen met de kinderen die van zolder waren gevallen en de verbrandingen – als tiende paragraaf pas aan het einde van dit artikel besproken worden. 

 

2.1. Verdronken kinderen

 

Uit grafiek 4 – in het vierde artikel van het vorige hoofdstuk (cf. supra) – bleek reeds dat verdrinking een veel voorkomende overlijdensoorzaak vormde bij kinderen in de Late Middeleeuwen. Er waren immers oneindig veel waterputten, vijvers, meren en rivieren, die zonder afsluiting een groot gevaar betekenen voor kleine kinderen.

In het mirakelboek van ’s-Hertogenbosch wordt 51 maal melding gemaakt van verdronken kinderen, in dat van Amersfoort 58 maal, Maria Jesse werd op dit vlak 4 maal aanroepen en in het mirakelboek ter ere van Maria ter Nood Gods in Delft tenslotte is 16 keer sprake van een verdronken kind.

 

Mirakelen van Onze-Lieve-Vrouw te ‘s-Hertogenbosch

 

In het mirakelboek van ’s-Hertogenbosch zijn de meeste verhalen over verdrinkingen heel gelijkaardig. Van dit grootste deel worden twee voorbeelden gegeven, daarna wordt ingegaan op een aantal wonderen waarin meer of andere details worden vermeld. Jan, het hoofdfiguur uit het eerste mirakelverhaal, werd na een dik uur door andere kinderen teruggevonden. De ouders, die onmiddellijk gewaarschuwd werden, zijn erg bedroefd om de dood van hun zoon, en na drie uur besluiten ze hun heil te zoeken bij Onze-Lieve-Vrouw van ’s-Hertogenbosch, die ‘zo veel bedroefde mensen getroost heeft’. Daarop komt het jongetje tot ieders blijdschap terug tot leven:

 

“Int jaer ons Heren MCCCLXXXIII 16 daghe in april quam Aernt Heynricssoen, wonende tot Tuul, ende quam Thertoghebossche ende bracht sijn kijnt, ende hiet Jan, welc kijnt 8 daghe tevoren verdronken lach in enen voulen[240] water ende was onder dwater meer dan een groet ure. Ende die kijnder wordes ghewaer ende die ghebuer, ende quamen tot die vaeder ende moeder. Ende men toech dat doet kijnt uut den water. Ende doe dat kijnt uut den water was, doe waest stijf ende caut, ende vaeder ende moeder hadden groten rouwe. Ende doe dit kijnt wael drie uren doet gheweest had, doe worden si denckenden op die mirakel, die Ons Vrouwen tot Thertoghebossche duet ende soe menneghen verdroefden mensche vertroest heet. Doe ghelovede si hoer bedevart tot Onser Vrouwen tot Thertoghebossche ende dat kijnt te weghen, dat daer doet lach, met wijn, met weyt binnen 8 daghe, opdat hen Onse Vrouwe vertroesten woude met horen doden kijnde. Ende doe si die bedevart gheloeft hadden, wart dat doet kijnt levende ende doe werden si allen verblijd.

Ende si sijn comen opten voers. dach tot Thertoghebossche voer den beelde Marien ende hebben hoer bedevart ende weghen ende offerhande wael ghedaen, ghelijc als si gheloeft hadden. Ende si hebben Gode ghedanct ende sijnre ghebenedider, ghenedicher, liever Moeder van der gracien ende der ghenaden, die hen ghesciet is. Ende dit is wael bewarit met horen ghebueren voer her Aernt van Holt, knoec ende cappelaen te Bossche, her Mattijs Scilder, priester, her Coel, persoen van Ghemonden, Vranc van Ghestel, Goedevart Sceyvel, kerkemeester tot Thertoghebossche, Jannes Sceyvel, Bouken van den Heylighengheest, Rover van Lit, Mercelijs van den Werf ende vele ander goeder lude”.[241]

 

Dit eerste voorbeeld is representatief voor de meeste mirakelverhalen uit deze categorie. Er verdrinkt een kind, men bidt tot Maria, waarna het kind terug levend wordt, “ende doe werden si allen verblijd”.[242]

In tegenstelling tot dit eerste mirakel, waarbij het de ouders waren die het initiatief namen om het kind te redden, representeert het tweede voorbeeld dat hieronder besproken wordt de verhalen waarbij het vreemdelingen betrof die ervoor zorgden dat het kind in kwestie terug tot leven kwam. In dit geval wordt de kleine Boudewijn na twee uur dood te zijn geweest gered door het optreden van een toevallig passerende jonkheer, Willem van Drimmelen[243]. Toen deze laatste het kind zag liggen temidden van een toegelopen menigte, droeg hij de omstaanders op om ten gunste van de jongen te bidden tot Maria van Den Bosch. De beloofde bedevaart en offerande werden vervuld door het slachtoffertje en diens vader:

 

“Int jaer ons Heren MCCCLXXXIII 5 daghe in september quam van Driemilenreveen bi Sente-Ghertrudenberghe Bueydewijn Boet met Bueydewijn, sinen soen, welc Bueydewijn over drie weken viel in enen water ende verdranc ende was ghesonken te gronde ende het was meer dan 2 uren doet. Ende doe ment uten water toech, doe waest doet, caut ende stijf ende alverstorven. Doe quamen daer vele lude toeghelopen ende saghen dit dode kint daer alverstorven licghen. Ende doe quam daer een jonchere ghereden, heit Willem van Driemilen, ende sach dit dode kint licghen, daer also vele luden bi waren. Ende hiet [244] hen, datsi up haren knien vielen ende gheloefden hare bedevaerd t’Onser Soeter Vrouwen Shertoghenbosch ende dat kint te weghen met wine ende met weyte, opdat si vertroest mochten wesen metten doden kinde, dat daer stijf ende caut ende alverstorven vor hen lach. Ende doe si die bedevaert gheloeft hadden, doe wart dat dode kint terechte levende ende si worden alle sere verblijt. Ende doe sloecht sijn oghen op ende wort levende.

Ende si sijn comen opten vorscreven dach Shertoghenbosch vorden beelde Marien ende hebben haer bedevaert, weghen ende offerande ghedaen, ghelijc alsi gheloveden. Ende si hebben Gode ghedanct ende sire liever Moeder van der gracien ende ghenaden, die hem ghesciet is. Dit hebben si wel bewarijt. Daerbi waren her Arnt, persoen van Huesden ende capellaen ten Bossche, her Gheraerd de Wilde, canonic ten Bossche ende ten Berghe ende persoen van Roesmale, her Reyner Eelkens, canonic ten Bossche, her Henric Boc, her Lonis van Scijndel, her Arnt van den Hout, her Tielman van Mulsen, canoniken ten Bossche, Franke van Ghestel, Godevaert Sceyvel, kercmeesters ten Bossche, Rover van Lit, Godevaerd van Rode, Bertholomeus de Ridder, Gillis van Antwerpen, Arnt Hoppenbrouwer, Jan van Os, Jan van Hinen ende vele goeder luden”.[245]

 

Na deze twee voorbeelden van het merendeel der mirakelverhalen, wordt hierna ingegaan op een enkele afzonderlijke mirakelverhalen, waarin sterker gereageerd wordt op de verdrinkingsdood van kinderen. Het is echter belangrijk voor ogen te houden dat het hierbij om particuliere gevallen gaat: de meeste protocollen van het mirakelboek van ’s-Hertogenbosch volgen het eerste voorbeeld dat gegeven werd. We zetten een aantal van deze sterke reacties op een rij.

 

Het eerste wonderverhaal dat in dit verband geciteerd wordt, handelt over een schipper wiens zoon overboord gevallen was. Samen met zijn andere zoon sprong hij in een roeibootje om zijn kind te redden. Wanneer ze bij het lichaam aankwamen, was de jongen reeds overleden. Vreemd is hierbij wel dat de vader op dat ogenblik zijn zoon niet herkent; het is de broer van het slachtoffer die moet bevestigen dat het wel degelijk om zijn kind gaat. Volgens de auteur van het protocol is dit te wijten aan het feit dat het gezicht van de jongen er anders uitzag ten gevolge van de verdrinking. Ongetwijfeld zag zijn aangezicht er inderdaad vreemd uit, doch het blijft merkwaardig dat zijn eigen vader hem niet zou herkennen. Desalniettemin lijkt dit aspect niet te getuigen van gebrek aan liefde: verschillende elementen in de tekst duiden op het oprechte verdriet van de man. Een voorbeeld hiervan wordt gevormd door de terugkerende benaming voor zijn zoon als zijn “lief kind”:

 

“(…) Ende daer viel die scipheer met sinen anderen soen inden boet ende daer was hem dat kijnt ontdreven metten sterken stroem meer dan 3 pylscoet wegs ende doe sach hi, dat sijn kijnt oec onderghinc. Doe was hi een bedroeft man ende riep Onse Zoeten Vrouwe aen tot Thertogebossche, datsi hem vertroesten moest met sinnen lieve kijnde. Ende doe hi quam op die stat, daer hem docht, dat sijn kijnt onderghinc, ende daer sach hi, dat dat water omliep als een eder ende sode als een pot, ende daer stac hi sijn erme in alsoe diep als hi cost ende greep sijn kijnt metten erme. Ende doe hijt metten erme had, doe sach hi, dat een vingherlinc aen sijn hant had, ende hien wist niet, dat vingherlinc had ghedraghen, ende doe sede hi: “Acharme, dit en is mijn lief kijnde niet”, want doet was ende onghedaen, so en kende hijs niet. Ende doe seden sijn ander soen: “Vaeder, het is mi broeder ende u kijnt”. Ende doe toech hi sijn doet kijnt in den boet, ende doe was dat doet kijnt alverstorven ende stijf als een hout ende caut als een steen. (…)”.[246]

 

Dit is niet het enige geval waarbij vader en/of moeder ten einde raad is; vaak is het nog explicieter dan in het hierboven weergegeven wonder. Deze radeloosheid wordt in de verschillende protocollen op verschillende wijze uitgedrukt, zoals zal blijken uit de voorbeelden die hierna geselecteerd werden.

 

Het eerste voorbeeld handelt over een meisje dat tijdens de afwezigheid van haar ouders in de rivier de Waal beland was. Toen haar vader en moeder met de boot terug huiswaarts keerden, zagen ze het lichaam van hun dochter drijven op het water. Daarop begonnen ze zonder ophouden te roepen op Onze-Lieve-Vrouw van ’s-Hertogenbosch. Twee uur nadat ze het meisje op het droge hadden getrokken werd hun gebed verhoord.

 

“(…) Ende doen voerden si dat kint op te lande ende si riepen sonder onderlaet[247] op Onse Zuete Vrouwe van Tsertoghenbosch, dat si hen vertroesten moest van haren doden kinde (…)”.[248]

 

Dit is niet het enige geval waarbij de ouders zonder ophouden om genade smeken bij Maria nadat ze hun kind verdronken teruggevonden hebben, zoals blijkt uit het volgende wonder:

 

“(…) Daer riepen si op Onse Vrouwe van Den Bosch, oft si craft oft macht hadde, dat sise toghen[249] moest aen haer kint. Ende alst quam omtrent middernacht ende si sonder onderlaet[250] riepen op Onse Zuete Vrouwe van Den Bosch, doe worden hem sine lippen roet. Ende si gheloveden dat kint Onser Vrouwen te weghen met wine ende met weyte. Ende doent quam biden daghe, soe rueret sine lippen ende wart sprekende (…)”.[251]

 

In het volgende mirakel wordt het verdriet van de moeder erg sterk belicht. Het slachtoffertje, haar dochter, was in een diepe waterput gevallen en pas na een half uur gevonden. Hoewel ze reeds overleden was, trachtte men het lichaam nog terug op te warmen door het bij het vuur te houden en erover te wrijven. Toen dat niet hielp, kon de moeder in haar radeloosheid niets anders bedenken, en nam ze het dood kind op haar schoot. Na een uur werd ze door haar buren aangemaand om haar heil te zoeken bij Maria van ’s-Hertogenbosch:

 

“(…) Ende doement uten putte creech, doe waest caut ende stijf ende alverstorven ende men waremdet biden viere ende wreeft; maer het bleef even caut ende even stijf. Ende daer quamen vele gheburen in ende die moeder hadde haer doet kint op haren scoet ende was in groten rouwe. Ende doesi haer doet kint hadde op haren scoet meer dan een groet hure, doe riepen al die gebure overeen, datsi soude aenroepen der Moeder Gods van Shertogenbosch ende beloven haer bedevaert te doene. Ende doe seide die moeder van den doden kinde: “Ic draecht Onser Vrouwen Tshertoghenbosch temale [252] op”(…)”.[253]

 

In tegenstelling tot het vorige voorbeeld zijn het hierna wel de ouders die zelf het initiatief nemen tot het beloven van een bedevaart. Hun radeloosheid lijkt dus beperkt te zijn – ze weten wat hun te doen staat – hoewel hun enorme verdriet ontegensprekelijk vast staat. De bedevaart wordt immers beloofd “met weennenden oghen, met droever herten” [254].

 

“(…) Doe geloefden si hoer bedevart t’Onser Zoeter Vrouwen Tsertogenbossche; si woudense versoeken met hoere offeranden, opdat si vertroest mochten werden. Ende si seden: “zoete Vrouwe, [of ghi ye [255] macht oft cracht gecreecht], soe moetti ons vertroesten met desen doden kijnde. Wy willen tkijnt ten Bossche voir uwen beelt doen weghen met wijn ende met weyt, opdat wi met onsen kijnde vertroest mochten werden”. Ende doe si die bedevaert geloeft hadden met weennenden oghen, met droever herten, met gaynsen betrouwen, doe waert dat dode kijnt tericht levenden (…)”.[256]

 

Ook in het laatste Bossche wonderverhaal dat hier geciteerd wordt zijn de ouders erg ontdaan over de dood van hun dochtertje. Op innige wijze beloven ze een offerande naar Den Bosch te zullen brengen indien hun kind terug tot leven zou komen. Op de bedevaart zelf zouden ze bovendien vergezeld worden van “een groet deel van haren ghebueren” [257], die getuige waren van het plaatsgevonden mirakel:

 

“(…) Vader ende moeder vorsc. waren in groter noet, dat haer dochter aldus vor haren oghen verdronken lach. Ende riepen innentliken[258] op Onse Zuete Vrouwe van Den Bosch, dat sise vertroesten wilde van haren doder verdronkenre dochter; si woudense besueken met haren offeranden (…)”.[259]

 

De hierboven aangestipte voorbeelden maken duidelijk dat regelmatig veel sterker werd gereageerd dan blijkt uit het standaardvoorbeeld dat aan het begin van deze eerste paragraaf werd gegeven. Verscheidene keren komen ook de buren aan bod, ofwel als raadgevers voor de radeloze ouders, ofwel als reisgezellen tijdens de pelgrimstocht. Ouders toonden hun emoties op verschillende wijzen zoals aanhoudend bidden of huilen. Eénmaal zagen we dat de moeder dermate wanhopig was, dat ze in volkomen onmacht met haar overleden kind op schoot bleef zitten.

 

Mirakelen van Onze-Lieve-Vrouw te Amersfoort

 

Zoals reeds vermeld, bevatten de meeste verhalen in het Amersfoortse mirakelboek weinig of geen details. Over het algemeen wordt een korte, zakelijke beschrijving gegeven van de gebeurtenissen, waardoor de terloopse opmerkingen, die van het hoogste belang zijn voor ons onderzoek, vaak ontbreken. Om die reden werd ervoor gekozen ons te beperken tot die mirakelverhalen waarin dergelijke zijdelingse opmerkingen wél aanwezig zijn.

 

In het eerste mirakelverhaal dat volgt treft de moeder bij haar thuiskomst haar kind verdronken aan. Ze barst onmiddellijk in tranen uit, en trekt haar kind uit het water. De auteur van het protocol maakt duidelijk dat de vrouw erg overstuur was: al huilend en met pijn in het hart belooft ze een bedevaart te maken naar Amersfoort:

 

“Item het was een vrou van Kenen in die Betouwe, ende was vuijt spielen gegaen, vuijt haeren huijs. Als zij t’huijs quam, soe vandt zij haer kijndt in een tobbe waters, staende op zijn hoeft. Zij nam dat kijndt met tranen vuijt den water: cout, stijff ende als doot. Zij loeffde haer bedevaert mit groeten tranen ende pijn haers harten, dat kijndt te laten weghen. Een halff ure daer nae ontwerpt dat kijndt ende zij quamen mit groeter blijschappen en deden haer bevaert mit schoene offerhanden”.[260]

 

Ook in het volgende wonderverhaal is het de moeder die haar verdronken kind als eerste aantreft. Net als bij het vorige mirakel had deze haar kind alleen thuis gelaten. Toen de moeder thuiskwam en haar kind nergens zag, ging ze het zoeken. Na een lange speurtocht vond ze haar kind verdronken terug in een sloot. Samen met haar echtgenoot en haar buren viel ze – op aanraden van de omstaanders – terstond op haar knieën om genade af te smeken:

 

“Item het geschiedde te Bambrug in die parochie van Apcou, dat die moeder van een kijnde ghijnck vuijt den huijs en liet dat kijndt alleen int huijs. En te hant is dat kijndt vuijt gegaen ende viel in een sloet. Als d’moeder thuijs quam, vandt zij dat kijndt nijet. Ende nae dat zij het veel ende lange gesocht had, soe vandt  zijt leggen in een sloet. Ende zij haeldent vuijt, ende vandt het doot. Ende zij seer qualicken te vreeden en clagende seer iamerlicken, soe dat geen, die daer bij waren, seijden haer, dat zij haer bevaert loven soude tot Ons L. Vrou t’Amersfoert. Ende zij zijnt op haer knijen gevallen en hebben haer bevaert geloeft. En rechtevoert soe roerde hem dat kijnt. Ende die moeder, vader ende buerluijden, die dat geloeft hadden, zijnt gecomen mitten kijnde en hebben haer bevaert gedaen”.[261]

 

Ook in het volgende verhaal was het slachtoffertje in kwestie eerst vermist. Pas na een tijd zoeken werd het verdronken teruggevonden door de ouders. Na anderhalf uur besloten vader en moeder troost te zoeken bij Onze-Lieve-Vrouw van Amersfoort, waarna het kind begon te huilen:

 

“Item bij Gorkum was een kijndt verloren van zijn ouders wel ij uren lanck, dattet die ouders sochten, soe dat zijt ten lesten vonden liggen in die Ghijsel, ende was geheel gedrenct. Ende als mijn die vader vanden kijnde selffs seijde, doe wast all stijff ende was soe well anderhalff ure. Ende alsoe als die vader ende moeder seer rouwich waren, soe hebben zij die troesterinne Mariam aengeroepen ende hebben haer bevaert geloeft tot Onse L. Vrou t’Amersfoert. En rechtevoert wert dat kijndt schreijende en levende. Ende die ouders hebben haer bevaert mitten kijnde gedaen ende hebben dit selver tot Onser L. Vrouwen eere vertelt”.[262]

In bovenstaand mirakel valt weer duidelijk op dat de ouders uit zuivere wanhoop hun vertrouwen legden in de krachten van Maria van Amersfoort, de “troostende”. In tegenstelling tot de vorige verhalen, waarin het enkel de moeder was die de hoofdrol speelde als bedroefde ouder, zijn het hier beide ouders die rouwen om de dood van hun kind. Dit is ook het geval in het volgende mirakelverhaal, dat qua lengte en details atypisch is voor het Amersfoortse mirakelboek. Na de oorspronkelijke belofte van de vader, kwam het kind weer tot leven. De volgende dag lag het kind in bed, en vermits de moeder angstig was dat het ziek was, trok ze het kind een hemd aan.  Daarop begon het kind echter tekeer te gaan, en leek het bezeten te zijn door de duivel. Na een nieuwe belofte tot offerande door beide ouders – aangeraden door een buurvrouw – werd het kind weer gezond:

 

“Item het was een kijndt te Leent bij Nijmmeghen verdroncken des Dijnsdaechs nae midtvasten omtrint een ure. Doe d’vader dat kijndt vonde, loeffde hij dat kijnt tot Onse L. Vrou t’Amersfoert te weghen mit wijn ende mit weijt, mit gout ende mit in die naeste vaert.[263] Ende doe wert dat kijndt levende. Des anderen daghes nae die middach heeft dat kijndt in den bedde gelegen, vuijtsteeckende[264] hier en daer zijn armen, soe dat d’moeder anxt hadde, dat dat kijndt vervriesen soude, alst cranck was, hebben zij dat kijndt zijn hemde aengedaen. Doe dat kijndt dat hemde aen hadde, beerden[265] dat kijndt, oft beseten had geweest. Ende dat daerden van naer den middich tent[266] omtrent tien off elff uren inder nacht. Doe seijde een vroutgen van den naeburen, datmen dat hemde weder vuijt doen soude ende loven dat hemde mede te offeren. Ende in die processie mede te gaen in linnen clederen. Doe dat d’ouders dus deden, is dat kijndt terstont rustende geworden, ende heeft geslapen, gegeten ende gedroncken. Ende is geheelicken weder gesont geworden als het huden op den dach is. Ende heeft zijn bevaert gedaen. Ende zijn ouders, als zij geloeft hadden en schuldich waren, danckende God ende Maria”.[267]

 

In het volgende mirakelverhaal is het opvallend dat de moeder reeds wanhopig is op het moment dat ze nog niet weet dat haar dochter verdronken is. Het is immers al vanaf het moment dat ze het vijfjarig meisje nergens meer vindt, dat ze het ergste vreest en overal op haar dochter begint te roepen. Samen met de buren vindt ze haar dochtertje in het water, waar het was ingevallen tijdens het spelen met andere kinderen.

 

“Item het was een man van Campen, die een ionck maechdeken hadde van vijff jaeren, ende liep spielen mit die kijnderen ende viel int water, alzo dat die vader off moeder niet en wisten, hoe lange dattet int water geweest hadde. Die moeder mistet kijndt en riep ellendelick. Ende zij sochtet mit die buren int water. Ten laeststen saghen zij een handt vant kijndt. Doe toghen zijt vuijten water. Doe waren alle zijn leden all stijff. Die moeder loeffde dat kijndt te weghen voer Onse L. Vrou t’Amersfoert ende te hant wert dat kijndt schreijende ende weder levendich”.[268]

 

In het mirakelboek ter ere van Onze-Lieve-Vrouw te ’s-Hertogenbosch werd reeds duidelijk dat tranen als teken van verdriet niet ongewoon blijken te zijn geweest. Ook bij het volgende verdrinkingsverhaal begint de moeder te huilen wanneer ze haar driejarig kind terugvindt:

 

“Item het was een vrou in Langhebroeck, die in een water haer cleder soude wasschen. Ende zij had bij haer een kijndt van iij jaeren, dat in een diepe grave viel, daert wel een halff ure in verdroncken lach, eert die moeder vernam. Doe wert zij siende een stuck van zijn clede ende meenden dattet een laecken geweest hadde. Zij ghijnck daer bij en sach het, dattet haer kijnt was. Doe toech zijt vuijt mit schreijen ende brachtet te huijs. Doe quamen daer haer buren ende seijden, dat zij haer bedevaert tot Amersfoert loven soude mitten kijnde. Te hant over een lange wiele[269] wert dat kijndt schreijende ende wert gesont”.[270]

 

Opvallend is in dit wonderverhaal dat, wanneer de moeder ten einde raad was en niet meer wist wat te doen, het opnieuw haar buren waren die haar aanrieden te bidden tot Maria van Amersfoort. Ook op andere plaatsen lijken de ouders soms te overstuur te zijn om nog logisch te kunnen nadenken. Het enige waar ze nog aan kunnen denken is het verlies van hun zoon of dochter. Dit komt ook sterk naar voren in het volgende protocol. Een driejarig meisje was in een kuip gevallen en verdronken. Toen de vader van het kind zijn dochtertje zag, trok hij het eruit en bracht het naar zijn vrouw. De auteur legt de nadruk op het feit dat de vrouw extra verdrietig is omdat het kind gestorven is door nalatigheid. Het is echter niet geheel duidelijk of ze het zichzelf verwijt dat haar dochter verdronken is, dan wel dat ze iemand anders de schuld geeft. Het zijn opnieuw de buren die – in een poging om de ouders te troosten – de raad geven om een bedevaart te beloven:

 

“Item te Emmerick was een meisken van iij iaeren gevallen in een calck cuijp. Die vader heeft daer zijn kijndt vuijtgethogen voer doot ende brochtet die moeder op die schoert. Ende daer was groot iamer, dat haer kijndt soe verdrietelicken doot gebleven was ende versumet[271]. Die buren, troestende die ouders, seijden, dat zij haer bevaert loven souden Onse L. Vrou tot Amersfoert, het soude wel gesont werden. Ende zij loeffden haer bevaert t’Amersfoert Onse L. Vrou ende terstont ontspranck dat kijndt, maer het bleeff noch iij daghen blijnt. Ende op den vierden dach werdet weder siende. Ende dat geschiede des Saterdaechs voer Hemelvaerts dach Anno Mccc xc. Ende zij quamen en deden haer bevaert in die vaert”. [272]

 

We zagen reeds op verschillende plaatsen dat er gehuild werd als reactie op het overlijden van kinderen. Tot hiertoe betrof het telkens de moeder van het slachtoffer die in tranen uitbarstte, maar ook anderen zijn vaak zo verdrietig dat ze beginnen te wenen. In het volgende verhaal zien we het zusje en buurjongetje van het slachtoffer huilen en roepen wanneer deze laatste verdrinkt. Terwijl het meisje naar huis toe liep om haar moeder te waarschuwen, werd het jongetje door de buren – die gealarmeerd waren door het geschreeuw van de twee kinderen – uit het water gehaald en aan de kant gelegd. Toen de moeder op de plaats van het ongeluk kwam, aanriep ze Maria van Amersfoort, waarop haar zoontje terug levend werd:

 

“Item het was een knechtgen bij Amersfoert in die Hoeff, en was verdrenct in een kolck. Ende hij had bij hem zijn susterken en een buerknechtgen ende die riepen ende hueilden. Ende dat meisken liep te huijs en sout zijn moeder zeggen ende eer die moeder quam, overmits dat geruft[273], soe haddent die buren vuijtgetoghen ende lietent voor doot leggen mit die voet int water. Ende doe die moeder quam ende sach soe haer kijndt leggen doot also onversienlick[274], soe riep zij God aen ende On