Het Mexicaanse avontuur van Maximiliaan en Charlotte door Belgische ogen. Het Mexicaanse keizerrijk in de dagbladpers ( 1864-1867). (Wim Bouw)

 

home

lijst scripties

inhoud

vorige

volgende

 

 

Inleiding

 

In oktober 1861 werd tussen de Spaanse, de Franse en de Britse regering de conventie van Londen gesloten. De landen zouden Mexico er militair toe dwingen om zijn schulden terug te betalen.[1] Troepen werden gestuurd naar de Mexicaanse stad Veracruz. De Franse samenwerking met Groot-Brittannië en Spanje liep op een sisser uit. Juarez, de president van Mexico, wist deze landen tevreden te stellen. Napoleon III, de Franse keizer, had echter grotere ambities dan enkel maar een terugbetaling van de schulden. Hij wilde in Mexico een Latijns keizerrijk vestigen. Dit moest dan een tegenwicht vormen voor de Verenigde Staten, de Angelsaksische kolos in het noorden. In 1862 stuurde Napoleon III, zijn troepen op verovering uit. Ze vielen de Mexicaanse republiek binnen.

Een geschikte keizer voor Mexico werd gevonden in Maximiliaan, een Oostenrijkse aartshertog. Deze was gehuwd met een zekere Charlotte, dochter van de Belgische koning Leopold I. In 1864 werd hij door de Fransen de kroon cadeau gedaan en vertrok hij met zijn vrouw naar de andere kant van de Atlantische oceaan.[2] Aangezien Maximiliaan zijn nieuwe onderdanen toch niet voor de volle honderd procent vertrouwde, richtte hij zich tot zijn broer, de keizer van Oostenrijk en tot zijn schoonvader, de koning van België. Konden zij hem niet van een legertje voorzien? Dit zou dan moeten instaan voor de verdediging van het keizerlijke paar.[3] De “Mexicaanse kwestie” in de Belgische politiek was geboren.

 

Maximilaan en Charlotte

 

Hoe stond de Belgische opinie nu tegenover dit legioen van vrijwilligers voor Mexico en in ruimere zin tegenover Maximiliaans keizerrijk zelf? Hoe zagen ze de rol van Napoleon? En wat werd er gedacht over de houding van de Verenigde Staten tegenover zijn zuiderbuur Mexico? Wat waren de politieke consequenties die aan de expeditie verbonden waren? België was ten slotte een neutraal land. Ik beperk me tot de opinie rond de politieke machinaties van de affaire. Naast de politiek kwam de Belg gedurende deze expeditie natuurlijk ook nauwer in contact met Mexico zelf, de Mexicaanse cultuur en bevolking. Dit contact wordt uitgebreid behandeld in de bijdrage van Philippe Marechal en Patricia Van Schuylenbergh-Marchand, de Belgische vrijwilligers in Mexico (1864-1867): indrukken en beelden van de Nieuwe Wereld in de bundel de Belgen en Mexico.

Dit alles probeer ik te achterhalen door de Belgische dagbladpers te raadplegen, of liever een selectie hieruit. Deze selectie moet natuurlijk de uiteenlopende standpunten van de politiek actieve elite weerspiegelen. Langs katholieke zijde koos ik voor Le Bien Public, het leidende persorgaan van het Ultramontanisme in België.[4] De liberaal katholieke strekking wordt vertegenwoordigd door Le Journal de Bruxelles.[5] Aan de liberale zijde is er de spreekbuis van de regering, L’ Echo du Parlement en het onafhankelijke L’ Indépendance Belge.[6] Om de groep volledig te maken werd Het Handelsblad erbij genomen. Deze krant vertegenwoordigt de Meeting, de Antwerpse partij die in het begin van de jaren 1860 serieus wat stof deed opwaaien.[7] Hierbij moet er natuurlijk wel rekening gehouden worden met het feit dat de dagbladen niet enkel de opinie van de bevolking weergeven. Zij spelen ook een belangrijke rol bij de vorming van de opinie van haar lezers. Deze vormen hun opinie immers rond het materiaal dat de krant hen ter beschikking stelde. Maar de krant werd hierin beperkt door haar lezers. Om voldoende exemplaren te kunnen verkopen moest de krant, min of meer, de mening van haar doelgroep volgen. Op deze manier kan ze toch beschouwd worden als representatief voor de publieke opinie.[8]

Ook enkele debatten in het parlement zullen bekeken worden, want de Mexicaanse kwestie resulteerde in enkele verhitte debatten in de kamer.

 

De afbakening voor een periode van mijn onderzoek was niet moeilijk te vinden. Ik heb gekozen voor de periode van maart 1864 tot maart 1867. In maart 1864 verschijnen de eerste berichten over het Belgische legioen in de pers. Bovendien valt dit ook samen met de troonsbestijging van Maximiliaan en dus de eigenlijke geboorte van het keizerrijk Mexico. Het eindpunt is de terugkeer van de Belgische vrijwilligers in maart van 1867. Om de cirkel volledig te sluiten neem ik ook juni en juli van 1867 er nog bij. Toen kwam het Mexicaanse keizerrijk ten einde met de executie van Maximiliaan bij Queretaro.

 

Het werk zelf is onderverdeeld in twee delen. Het eerste deel geeft een raamwerk voor het lezen van het tweede. Ik geef een kort overzicht van de Belgische politieke situatie rond de jaren 1860. De ervaringen in eigen land kleuren immers hoe het buitenland gezien wordt. Ik zal ook ingaan op de Mexicaanse geschiedenis. Dit land was tenslotte het toneel waar dit hele schouwspel zich afspeelde. Enig inzicht in de ontwikkeling van het land is dan ook noodzakelijk. Ook een kort overzicht van de Belgische pers is gewenst. Het waren haar reporters die bepaalden hoe de Belgen Mexico zagen. Het tweede deel is dan de persanalyse zelf. Hier zal ik de visie van de Belgen op Maximiliaans keizerrijk en zijn Belgische verdedigers proberen weer te geven.

 

 

Deel 1: Het raamwerk

 

Hoofdstuk I: Mexico, van de onafhankelijkheid tot de val van het keizerrijk

 

Elementen van een revolutie

 

De ontvoogdingsstrijd van de Latijns-Amerikaanse naties moet gezien worden in een internationaal kader. Er waren immers zowel regionale als internationale aanleidingen voor het uitbreken van de onafhankelijkheidsstrijd.[9]

 

Bij de internationale elementen kan gemakkelijk gezien worden hoe de grotere autonomie die de regio verwierf gedurende de Franse bezetting van Spanje een grote invloed heeft uitgeoefend. De Latijns-Amerikaanse staten weigerden met de steun van Groot-Brittannië om de door de Fransen aangeduide Spaanse regering te erkennen. Nadat de napoleontische oorlogen afgelopen waren, en het koningshuis van voor de oorlog terug op de troon zat, waren de lokale elites niet geneigd hun autonomie zomaar op te geven.[10] Er brak dan ook verzet uit tegen de Spaanse overheersing. De opstandelingen kregen steun van de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. De motieven van deze landen waren natuurlijk niet altruïstisch. De Britten zagen in Latijns Amerika een grote markt, die bevrijd uit het koloniale monopoliesysteem belangrijke exportmogelijkheden bood aan haar industrie. Latijns-Amerikaanse naties kwamen na hun politieke ontvoogding dan ook vaak onder de economische knoert van Groot-Brittannië te liggen.[11]

De Verenigde Staten wensten een koers te varen los van de Europese politiek. Om dit te verwezenlijken moest de Europese invloed in de westelijke hemisfeer zo veel mogelijk beperkt worden. Met dit doel werd in 1823 de Monroe doctrine uitgevaardigd. Deze verkondigde dat de Europese naties zich niet verder moesten inmengen in de politiek van de westelijke hemisfeer[12] Ze kwam tot stand vanuit een dubbele dreiging. Enerzijds waren er de territoriale ambities van Alexander I, de Russische tsaar, aan de westkust. Anderzijds was er de dreiging van de Heilige Alliantie: de Verenigde Staten wenste deze niet te zien interveniëren in de Latijns-Amerikaanse landen die zij als onafhankelijk hadden erkend. Als reden voerden ze aan dat zij ook niet in de Napoleontische oorlogen in Europa hadden ingegrepen.[13] De Monroe doctrine kon echter als een papieren tijger worden beschouwd aangezien het vooral de Britse vloot was die de dekolonisatie van Latijns-Amerika mogelijk maakte.[14]

 

De doodssteek voor de koloniale overheersing was echter de liberale revolutie van 1820 in Spanje. Deze voerde een verdere centralisatie van het bestuur door, ten voordele van het moederland. Bovendien vreesde men dat de slavernij afgeschaft zou worden, die een belangrijke bron van rijkdom voor de lokale elite was. Tenslotte werd een antiklerikale politiek gevoerd, wat de Kerk natuurlijk vijandig maakte tegenover het moederland.[15]

 

De specifiek regionale en in het bijzonder Mexicaanse grieven konden onderverdeeld worden in verschillende categorieën: politieke, economische en sociale.

 

Op het politieke vlak was er de rivaliteit tussen de plaatselijke elite, die zelfbestuur wilde, en de Spaanse ambtenaren. De Spaanse regeringen stonden immers erg weigerachtig tegenover creoolse ambtenaren; zelfs voor de laagste ambten stelde zij Spanjaarden aan. De creoolse eis om zelf bestuurlijke posities te mogen uitoefenen werd ondersteund door het feit dat er ook creolen in Europa hoger onderwijs gingen volgen.

 

De sociale tegenstellingen tussen de creolen en de Spanjaarden waren al bij al nog redelijk gering, beide bevolkingsgroepen begaven zich immers in dezelfde sociale cirkels en hielden er een gelijkaardige levensstijl op na, kinderen werden zelfs onder elkaar uitgehuwelijkt. Het verschil was dat de creolen een overwicht hadden in de geestelijkheid. Vooral onder deze creolen bevonden zich de onruststokers. Belangrijker was echter de aanwezigheid van de kleine burgers en het stedelijke proletariaat. Door een dalende mortaliteit, mogelijk gemaakt door een verbeterende hygiënische toestand en een redelijke economische groei, was hun aantal stevig toegenomen. Hoewel er in het land meer dan genoeg plaats was om deze groei op te vangen, ontstond er een ongezonde concentratie in centraal Mexico. Dit leidde tot marginalisatie van de bevolking daar, wat zichtbaar was in de opkomst van banditisme en alcoholisme. Bovendien brak er in de jaren 1808-1811 een subsistentiecrisis uit. Voedselgebrek voor de lastdieren leidde tot een algemene productiviteitsdaling en dus tot een grotere werkloosheid. Dit alles maakt van de lagere bevolkingslagen een revolutionaire klasse.[16]

 

Bovendien waren de lagere klassen verarmd doordat Spanje, wanneer het in 1804 aan Franse zijde in de Napoleontische oorlog trad, een gedwongen lening aan zijn kolonies oplegde. Deze bestond uit een terugbetaling aan de staat van alle geldelijke rechten op de grond die de Kerk had. Het was in die gebieden immers de gewoonte om, in ruil voor missen die opgedragen werden ter nagedachtenis van een overledene, een gedeelte van de opbrengst van het land aan de Kerk te doen toekomen. De gedwongen betaling van deze lening, op 40 miljoen peso’s geschat, bracht vooral de kleinere boeren in de problemen. Wanneer de grotere landeigenaars in de problemen kwamen, konden zij dikwijls onderhandelen. De grond van de kleinere eigenaars werd echter vaak openbaar verkocht om het vereiste bedrag bij elkaar te brengen. De onvrede over deze situatie werd nog verergerd door het wijd verspreide geloof dat het geld niet gebruikt werd voor de oorlog tegen Engeland, maar integraal naar Frankrijk ging. Dit land werd in het katholieke Mexico gezien als een vijand van het geloof.[17]

 

Hildalgo en Morelos: de gefaalde revolutie

 

De eerste revolutionaire daden van de onafhankelijkheidsstrijd gingen dan ook uit van de lagere sociale klassen. Na een mislukte Creoolse samenzwering in september 1810 tegen de pro-Spaanse regering in Mexico-Stad, riep Hildalgo, een priester, op 16 september 1810 in zijn parochie Dolores de revolutie uit. Duizenden armen verzamelden zich rondom hem en de revolutie verspreidde zich door heel de Bajiovallei, de rijkste regio van Mexico, die zich uitstrekte tussen Queretaro en Dolores. Aanvankelijke successen gingen verloren nadat de rijke creolen zich onder de Spaanse vlag verzamelden. Plunderingen door de arme revolutionairen beperkten zich namelijk niet tot de landgoederen van de Spanjaarden. De Kerk excommuniceerde de leiders van de revolutie.

Hildalgo verzaakte aan de mogelijkheid om Mexico-Stad in te nemen maar veroverde wel Guadelajara. De drukpersen in deze stad werden gebruikt om zijn programma te verspreiden. De onafhankelijkheid werd uitgeroepen en agrarische hervormingen ten voordele van de kleine boeren aangekondigd. Hildalgo’s rebellen werden echter verslagen door een beter georganiseerd Spaans-Creools leger en aan de droom van onafhankelijkheid kwam een einde op 16 januari 1811. Hildalgo en zijn luitenants werden geëxecuteerd.[18]

 

Het revolutionaire gedachtegoed was echter niet dood. In 1813 nam de mesties José Maria Morelos de taak van Hildalgo over. Zijn revolutionair programma riep om de afschaffing van de slavernij en kastenverschillen. Bovendien eisten ze het afschaffen van de staatsmonopolies, verkoopsbelastingen en tributen. Tenslotte wilde Morelos een hoger loon voor de armen en een inkomensbelasting afdwingen.[19] In tegenstelling tot Hildalgo slaagde Morelos erin om een klein maar efficiënt leger op te richten, dat vocht in de zuidelijke gebieden van Mexico. Uiteindelijk volgde Morelos het voorbeeld van Hildalgo en riep de onafhankelijkheid uit. Hij vreesde vooral dat na een Franse nederlaag in Europa het Spaanse gezag stevig hersteld zou worden. Hij beging echter een vergissing door Valladolid aan te vallen in september 1813. Hij werd er verslagen door Augustin de Iturbide en zijn macht begon te dalen. Na zijn nederlaag werd hij achtervolgd en uiteindelijk in november 1815 gevangen genomen om in december terechtgesteld te worden.[20]

 

In 1820 leek het land grotendeels onder controle, slechts in een klein deel van de tierra calliente weigerde Vincente Guerrero, een luitenant van Morelos de strijd op te geven.[21]

Deze situatie veranderde radicaal met de liberale staatsgreep in Spanje van 1820. Toen de liberale regering een antiklerikale politiek begon te voeren, veranderden de Kerk en creolen hun positie in Mexico. De creolen, die nu bang waren voor een alliantie tussen de lagere bevolkingsgroepen en de Kerk, gaven hun steun aan Spanje op. Ze kwamen zelf tot een overeenkomst met de Kerk en deden een greep naar de onafhankelijkheid.[22]

 

Augustin de Iturbide en de onafhankelijkheid

 

De Kerk en de creolen beseften dat ze de steun van het leger nodig hadden om succesvol de onafhankelijkheid uit te roepen. In Augustin de Iturbide vonden ze een brugfiguur. Deze besefte dat de onafhankelijkheid het beste gegarandeerd kon worden door een zo breed mogelijke coalitie. Hij zocht dus toenadering tot de rebellen die nog steeds delen van het land onveilig maakten. Guerrero, de belangrijkste rebel, was zeer achterdochtig. Hij had al jaren strijd tegen Augustin de Iturbide achter de rug. Guerrero werd overtuigd door Augustins afkondiging van het plan van Iguala op 24 februari 1821. De onafhankelijkheid werd uitgeroepen en alle inwoners van Amerika waren uitgenodigd om er aan mee te werken, Mexicanen, Spanjaarden, Afrikanen en Aziaten. Alle inwoners van Mexico zouden gelijk zijn. Het katholieke geloof werd gezien als een basiselement om de voornoemde verzoening te verwezenlijken, het vormde immers de band tussen de Mexicanen en de Spanjaarden, die de belangrijkste bevolkingsgroepen waren. Tenslotte werden er in het plan garanties gegeven aan de Spanjaarden die vreesden voor hun bezittingen en hun leven.

Met dit programma wist Augustin het land achter zich te verenigen. Guerrero schaarde zich achter hem en andere rebellenleiders volgden zijn voorbeeld. Royalistische legerofficieren verzamelden zich eveneens onder Iturbides vlag. De macht van de vicekoning desintegreerde en hij was verplicht om af te treden. De Spaanse generaal, Juan O’Donojù zag in dat pogingen om zich te verzetten tegen de onafhankelijkheid nutteloos waren. Op 24 augustus, na onderhandelingen met Iturbide, ondertekende hij het, lichtjes aangepaste, plan van Iguala te Cordoba. De belangrijkste aanpassing was het feit dat de regering een constitutionele monarchie zou zijn, onder Ferdinand VII, de koning van Spanje. Indien deze weigerde kon het Mexicaanse congres zelf een kandidaat aanduiden. Op 27 september reed Augustin de Iturbide als bevrijder de hoofdstad in. Enigszins geholpen door de gunstige omstandigheden had hij de onafhankelijkheid van Mexico tot stand gebracht.[23]

 

Na de onafhankelijkheid werd de macht in Mexico gedeeld door het leger, met republikeinse en royalistische eenheden, en de Kerk. Sociale veranderingen kwamen er niet. Bovendien bevond het land zich in een economische recessie.[24] Verscheidene Spanjaarden probeerden hun kapitaal naar het vaderland te repatriëren. Hoewel dit vanuit een economisch standpunt begrijpelijk was, werd het door Iturbide gezien als een opzettelijke poging om de economie van de nieuwe staat te ondermijnen. Zijn relaties met zijn Spaanse onderdanen verslechterden snel.[25] 

Iturbide was dan ook kwaad toen bleek dat het verzamelde constitutionele congres voor een groot deel uit pro-Spaanse royalisten en republikeinen bestond. Vanaf de eerste vergadering waren de relaties tussen Augustin en het congres slecht. Toen het bekend werd dat Spanje de overeenkomst van Cordoba weigerde te erkennen, en dus Mexico haar onafhankelijkheid weigerde, werd de sterke band die de bevolking voordien nog met Spanje voelde, verbroken. Ferdinand nam de Mexicaanse troon dus niet aan. Waarom zou Mexico dan niet zijn eigen soeverein kiezen? In de nacht van 18 mei 1822 riep het garnizoen van Mexico stad Augustin de Iturbide uit tot keizer. Op 21 juli werd hij gekroond door de president van het congres, de aartsbisschop weigerde.[26]

 

Een republiek ontstaat uit het keizerrijk

 

De Mexicaanse onafhankelijkheid werd van in den beginne bedreigd, zowel door interne als externe factoren. Spanje weigerde aanvankelijk de onafhankelijkheid te erkennen. Mexico verwierf al snel een buitenlandse schuld en er waren verscheidene interventies en invasies. In het binnenland waren er spanningen tussen de verschillende politieke strekkingen.[27]

 

Iturbides keizerrijk hield het niet lang vol. Royalistische Mexicaanse adel nam het Iturbide kwalijk dat hij geen Europese vorst aanstelde, bovendien keken zij neer op zijn lage afkomst. De republikeinen, paradoxaal genoeg aangemoedigd door Iturbides politiek, waren hem ook vijandig gezind. Het congres bleef oppositie voeren en verscheidene samenzweringen werden ontdekt. Op 31 oktober 1822 werd het congres volledig ontbonden door Iturbide.

De stad Veracruz, met in de haven het fort San Juan de Ulúa dat nog in Spaanse handen was, was van vitaal belang voor de veiligheid van het keizerrijk. Maar Augustin wantrouwde Antonio López de Santa Anna, de commandant van het Mexicaanse garnizoen. De keizer riep hem bij zich te Jalapa en onthief hem van zijn commando. Santa Anna gehoorzaamde echter niet. Hij reed terug naar Veracruz, verklaarde Iturbide tot tiran en riep op 2 december 1822 de republiek uit. Zijn opstand kreeg al snel steun van andere belangrijke generaals, onder andere Morelos, en op 19 maart 1823 deed Iturbide troonsafstand. Bij een poging om terug te keren een jaar later werd hij gearresteerd en geëxecuteerd.[28]

 

Na de val van Iturbide kwam het congres opnieuw bij elkaar. In oktober 1824 werd de nieuwe grondwet uitgevaardigd. Na het gefaalde monarchale experiment werd voor een republiek gekozen.[29]

De schijnbare stabiliteit maakte het voor de regering mogelijk om leningen in het buitenland aan te gaan in een poging om de financiële toestand van het land te saneren. Hoewel het geld naar langetermijninvesteringen had moeten gaan werd het al snel opgeslorpt door het leger. Mexico werd op deze manier opgezadeld met een grote buitenlandse schuld. Maar aangezien de Britten veel interesse toonden in de Mexicaanse minerale grondstoffen en veel in het land investeerden leek de toestand nog niet hopeloos.[30]

Op het vlak van de binnenlandse politiek kwamen federalisten en centralisten tegenover elkaar te staan. Deze laatste bestonden voor een groot deel uit voormalige aanhangers van een Europese prins. In de grondwet van 1824 behaalden de federalisten het overwicht en het land werd onderverdeeld in verschillende staten naar het voorbeeld van de Verenigde Staten. Van het manifest van Iguala bleef enkel nog de onafhankelijkheid en de gehechtheid aan het katholieke geloof over. De band met Spanje werd volledig doorgeknipt.[31]

 

Een verdeelde republiek

 

De eerste president van de republiek was een federalist, Victoria. Hij regeerde samen met Bravo, de vertegenwoordiger van de hogere klassen en een conservatieve centralist. Het was een poging om tot een vergelijk te komen. De spanningen tussen beide partijen namen echter al snel toe en ze begonnen elkaar in de pers te bestrijden. Het was de vice-president die naar de wapens greep in een poging om zich van het presidentschap meester te maken. Hij werd echter verslagen door Guerrero.[32] Deze laatste had de kant van de federalisten gekozen, in de hoop enige controle over zijn thuisstaat te kunnen behouden.

Met de gefaalde staatsgreep van Bravo hadden de centralisten hun kans in de verkiezingen van 1828 verspeeld. Dit leidde tot een splitsing van de federalisten in een radicale en gematigde tak. Deze laatste kreeg de conservatieve steun. De gematigden wonnen de verkiezing, maar Guerrero, de kandidaat van de radicalen weigerde dit te erkennen. Met de steun van Lorenzo Zavala uit Yucatan organiseerde hij een succesvolle machtsgreep. Zavala werd minister van financiën. Om de lege schatkist wat te vullen verkocht hij kerkelijke goederen en voerde hij een inkomensbelasting in. Dit maakte hem natuurlijk niet populair bij de Kerk en de bezittende klasse, die al snel weerwerk begonnen te bieden. Uitstel van executie werd verkregen door de inval van de Spanjaarden in Tampico. Deze volgde op de uitwijzing van de nog aanwezige Spanjaarden door Guerrero, die zijn imago als held van de vrijheidsstrijd wilde hooghouden. De invasie bracht een kortstondig nationalistisch eenheidsgevoel tot stand. Nadien kreeg de verdeeldheid echter terug de bovenhand en werd Zavala tot aftreden gedwongen.[33]

 

De conservatieven grepen hun kans. Gesteund door Bravo, lanceerde vice-president Bustamante een succesvolle revolutie. Guerrero trok zich terug op zijn haciënda. De conservatieve regering voerde een politiek die de industrie en de Kerk begunstigde. Nadat een poging van Guerrero om het presidentschap te heroveren, verhinderd werd door Bravo, werd Guerrero geëxecuteerd. Al snel dook er echter een nieuwe splijtzwam op. Bustamante wilde het land centraliseren, maar stootte op Francisco García, de gouverneur van Zacatecas, die met het zilver van zijn staat een sterke militie uitgebouwd had waartegen de regering het niet durfde opnemen.[34]

 

López de Santa Anna, maakte van de verdeeldheid van de politieke kaders gebruik om zich als scheidsrechter op te werpen. Santa Anna had een groot prestige door het verslaan van een Spaanse invasiemacht te Tampico in 1829. Zijn belangrijkste doel was echter om persoonlijke macht te verwerven. Hij speelde beide partijen tegen elkaar uit en varieerde regelmatig de partij die hij steunde.[35]

Hij kwam voor het eerst aan de macht nadat hij steun verleende aan de liberale machtsovername, die Bustamante verdreef in 1833. De progressieve liberalen mochten dan wel beschikken over de sterke militie van Zacatecas en de steun van de antiklerikale beweging, om succesvol te zijn hadden ze ook de steun van het leger nodig. Santa Anna, die al sinds 1832 in opstand was, wou deze steun wel leveren. Bustamante werd verdreven, op 1 april werd Santa Anna tot president verkozen. Hij verkoos echter het bestuur van de natie over te laten aan zijn vice-president, de liberaal Gómez Farías.

Farías begon met een antiklerikaal programma, dat de Kerk woest maakte. Toen hij ook het leger wilde verkleinen en het privileges afnemen, sloegen deze twee organisaties de handen in elkaar. In mei kwamen verscheidene legereenheden in opstand en Santa Anna maakte van de gelegenheid gebruik om zelf het presidentschap op te nemen. Zijn verraad aan de liberale partij zette het progressieve programma jaren terug.[36]

 

In oktober 1835 werd een nieuwe, meer centralistische grondwet goedgekeurd. De Mexicaanse provincie Texas, waar vele Amerikaanse settlers woonden, wilde deze echter niet erkennen. De staat kwam in opstand en verklaarde zich onafhankelijk. Santa Anna leidde een militaire expeditie om de provincie terug in de Mexicaanse staat te brengen, maar hij werd verslagen en gevangen gezet. In gevangenschap moest hij de onafhankelijkheid van Texas erkennen. De grens werd vastgesteld bij de Rio Grande. Santa Anna werd tot aftreden gedwongen.[37]

Aangemoedigd door het Texaanse succes kwam ook Yucatan in opstand. De rijke creoolse elite leefde van de export en wilde, om deze te bevorderen los van het politiek onstabiele Mexico. Door de belofte om de lasten op de indianen te verminderen verwierven ze hun steun. Ook Yucatan werd defacto onafhankelijk.[38]

Hoewel de onafhankelijkheid van Texas en Yucatan defacto aanvaard moest worden, kende het presidentschap van Bustamante toch successen, op het vlak van de buitenlandse politiek werd de onafhankelijkheid van Mexico in 1836 erkend door Spanje en de paus.[39]

 

Oorlog met de Verenigde Staten

 

Britse en Franse bemiddeling had in 1843 geleid tot een wapenstilstand tussen Mexico en Texas, al weigerde Mexico nog steeds de onafhankelijkheid te erkennen. Texas werd nog steeds beschouwd als een deel van Mexico. De Verenigde Staten werden gewaarschuwd dat annexatie als een oorlogsdaad gezien zou worden.[40] Niettemin liet de Verenigde Staten in 1845 Texas toch toe als staat. Ze zagen het als hun ‘manifest destiny’ om naar het westen te expanderen. De Amerikaanse president Polk lokte een oorlog uit met Mexico. De invloed van de zuidelijke (slaven) staten werd gevoelig uitgebreid. De militaire campagne verliep vlot voor de Amerikanen en Mexico-Stad werd bezet.[41]

 

Na een kortstondige en mislukte comeback van Santa Anna moest een liberale regering de nederlaag aanvaarden. Op 2 februari 1848 ondertekende ze het verdrag van Guadaloupe-Hildalgo. Mexico aanvaarde de annexatie van Texas en deed afstand van Californië en Nieuw-Mexico, alles samen ongeveer de helft van het Mexicaanse grondgebied, al was het dun bevolkt en bezat het geen bekende grondstoffen. De economie van Mexico werd dus nauwelijks getroffen. Bovendien zou de Verengde Staten een schadeloosstelling van 15 miljoen dollar betalen. Ondanks verzet van enkele Mexicaanse radicalen werd het verdrag op 30 mei door het congres goedgekeurd.[42]

 

In 1852 kwam het leger opnieuw in opstand en vroeg om terugkeer van Santa Anna. Deze koos om de conservatieven te steunen en werd in april 1853 opnieuw president. Al snel vestigde hij een dictatoriaal regime. De druppel die de emmer deed overlopen, was de verkoop van een deel van het Mexicaanse grondgebied aan de Verenigde Staten, de Gadsden-purchase in 1853. De opstand brak uit in februari 1854 en in augustus 1855 verliet Santa Anna opnieuw het land.[43]

 

Liberaal overwicht

 

Na de val van Santa Anna kwam de macht opnieuw in de handen van de liberalen. Uit hun midden verkozen de revolutionairen Juan Alvarez tot president. Deze stelde zijn regering vooral samen uit radicalen. Slechts één gematigd liberaal, Ignacio Comonfort, werd erin opgenomen. Hij moest het leger onder controle houden. Justitie ging naar Benedito Juarez. Na het extreem rechtse regime van Santa Anna dat zwaar op de Kerk had gesteund, sloeg de nieuwe regering een totaal andere koers in. Ze legde de schuld van alles wat er in Mexico fout was gegaan, bij de Kerk en het leger. Het was dan ook tegen deze organisaties dat de liberalen in de aanval ging.[44]

Nog in 1855 vaardigde Juarez een wet uit waarmee de privileges van de clerus en het leger werden opgezegd. Corporaties zoals de Kerk werd het recht ontzegd om grond te bezitten. Aanvankelijk waren de gemeenschappelijke gronden van de, hoofdzakelijk Indiaanse, boerengemeenschappen hiervan uitgezonderd. Onder druk van de grootgrondbezitters, die deze gronden maar al te graag wilden inpikken, werden ook deze op de markt gebracht. De regering beloofde de Kerk dat zij voor haar bezittingen vergoed zou worden. Om aan het geld te komen dat de regering hard nodig had werd 5 procent van de opbrengst van de verkoop als belasting achterhouden.[45] In 1857 werden deze beide wetten opgenomen in de nieuwe grondwet van Mexico. De regering ging zich hierna minder radicaal opstellen en er werden zelfs afgevaardigden naar Rome gestuurd om met de paus te onderhandelen.[46]

Een conservatieve tegenreactie was echter reeds op gang gekomen. In een laatste poging om de verdeeldheid van het land te keren werd in september 1857 de gematigde Comonfort president. Hij was echter voor beide partijen onaanvaardbaar. In december 1857 sloegen conservatieve legereenheden toe in Mexico stad en greep generaal Zuloaga de macht. Alvorens af te treden zorgde Comonfort er echter voor dat Juarez, die door het leger was opgesloten, werd vrijgelaten. Deze zette een liberale regering op met zich zelf als president. Een nieuwe burgeroorlog brak uit.[47]

 

Territoriaal stonden beide partijen ongeveer even sterk. De staten rond de golf van Mexico waren liberaal, enkel het oorlogsmoede Yucatan bleef neutraal. De staten in het centrum van het land waren conservatief, met de uitzondering van de liberale bolwerken Michoacan en Zacatecas. Ondanks het feit dat het leger de conservatieven steunde, slaagden de liberalen erin, dankzij hun steun in de steden, weerstand te bieden en geleidelijk een eigen leger op te bouwen.[48]

De oorlog woedde tot het einde van 1860. Op kerstdag 1860 trokken liberale troepen de hoofdstad binnen en hoewel conservatieve guerrilla hier en daar bleef bestaan, controleerden de liberalen het land.[49] Uit de 4 mogelijke presidentskandidaten, Melchor Ocampo, Miguel Lerdo, Benito Juárez en González Ortega werd Juárez, dankzij de steun van Ocampo, die geen president wenste te worden, verkozen.[50]

 

De liberalen maakten van de oorlog gebruik om eindelijk met de Kerk af te rekenen. In juli 1859 legde de liberale regering de schuld van de oorlog bij de Kerk. Scheiding van Kerk en staat werd afgekondigd, abdijen werden afgeschaft, de paters geseculariseerd. Nonnenkloosters bleven bestaan, maar er mochten geen nieuwe nonnen meer bijkomen.[51] Pas naar het einde van de oorlog toe, toen de steun van de door de priesters geleide indianen niet meer zo essentieel was, werd er tot het verklaren van de volledige godsdienstvrijheid over gegaan.[52]

 

Napoleon en Maximiliaan, een Europese monarchie;

 

Na de burgeroorlog werd Mexico geconfronteerd met een enorme buitenlandse schuld gegarandeerd door kerkelijke goederen. Bovendien waren sommige bezittingen van de Kerk dubbel beleend, zowel door de conservatieve als de liberale regering. Juarez weigerde in te staan voor de leningen van het conservatieve regime. In zijn pragmatisme sloot hij met grote buitenlandse organisaties zoals de Rotschilds overeenkomsten. Vooral in de steden gingen grote hoeveelheden land over in vreemde handen. Een belangrijk teleurgesteld figuur was de Zwitserse bankier Jecker. Hij had voor anderhalf miljoen peso’s geïnvesteerd in de conservatieve regering. Belangrijk was het feit dat verscheidene Franse politici bij zijn onderneming betrokken waren. Dit zou later voor de Franse regering een voorwendsel worden om Mexico binnen te vallen.[53]

In juli 1861 viel de regering van Juarez zonder geld; er zat voor hen dan ook niets anders op dan de betalingen van leningen stop te zetten. Europese schuldeisers voelden zich bedrogen en zetten hun regeringen onder druk om in actie te komen.[54]

 

Na overleg sloten Spanje, Groot-Brittannië en Frankrijk op 31 oktober 1861, een militaire alliantie om een terugbetaling van de leningen door Juarez af te dwingen. Spaanse troepen kwamen het eerste aan en bezetten Veracruz. In januari 1862 volgden de Franse en Britse troepen.[55] Al snel kwamen meningsverschillen tussen de drie deelnemende partijen bovendrijven. De Britse en de Spaanse afgevaardigde, deze laatste tegen de wil van zijn regering in, zagen niets in een ingrijpend hervormen van de Mexicaanse staat. Frankrijk daarentegen wou een diepgaande hervorming uitvoeren.[56] De Engelse en Spaanse afgevaardigde sloten een akkoord met Juarez over de leningen en hun troepen trokken terug. Frankrijk weigerde dit en verklaarde Mexico de oorlog.[57]

 

Napoleon had vanaf het begin van de expeditie een hoger doel. Hij wilde in Mexico een monarchistisch Latijns keizerrijk vestigen. Dit moest dan dienen als tegenwicht voor het groeiende Angelsaksische en democratische overwicht in de wereld.[58] Napoleon gaf zijn troepen het bevel om zo snel mogelijk op te rukken, de kolos in het noorden was immers in een burgeroorlog verwikkeld en kon nog niet ingrijpen.[59] Deze haast leidde tot de onvoorziene nederlaag van de Franse troepen bij Puebla op 5 mei 1862. Frankrijk kon nu onmogelijk zijn troepen eervol terugtrekken vooraleer de nederlaag gewroken was. Bovendien werd de overwinning uitgesteld, wat kostbare tijd kostte. Het Franse leger moest immers wachten op versterkingen uit het moederland.[60]

In 1863 lanceerden de Fransen een nieuwe campagne, Puebla viel in mei na een belegering van 2 maanden. De weg naar de hoofdstad en in theorie de controle over het land lag open. Op 7 juni marcheerden de Franse troepen de hoofdstad binnen.[61]

 

De Franse invasie bracht in Mexico een patriottische reactie op gang. Vele conservatieven schaarden zich aan de zijde van Juarez om het land te verdedigen tegen de aanvaller.[62] Mexicaanse monarchisten, die in Europa in ballingschap leefden, zagen echter de mogelijkheid om hun droom, de vestiging van een Mexicaanse monarchie onder een Europese vorst zoals voorzien in het plan van Iguala, te verwezenlijken en steunden Frankrijk. Bovendien zagen vele conservatieven de Franse invasie als een laatste kans om het liberale juk af te werpen.[63]

 

De conservatieven zouden echter teleurgesteld worden. De Franse bezetter nam immers het liberale programma over. Ze hoopten zo het liberale verzet, onder leiding van Juarez, die naar het Noorden gevlucht was, te verzwakken. De conservatieven vestigden vervolgens hun hoop op aartshertog Maximiliaan.[64] Napoleon zag in deze Habsburger, de broer van de Oostenrijkse keizer, een geschikte kandidaat. De Franse troepen in Mexico organiseerden een plebisciet, waarin Maximiliaan gevraagd werd keizer van Mexico te worden.[65]

Na het tekenen van de conventie van Miramar met Frankrijk in maart 1864 en het familiepact met zijn broer aanvaardde Maximiliaan de troon. Het eerste voorzag in een militaire bescherming van het keizerrijk door Frankrijk voor minstens 8 jaar, dit zou door Mexico betaald worden. Bovendien werd een lening van 200 miljoen frank toegekend. In het tweede, dat voor Maximiliaan veel moeilijker te aanvaarden was, deed hij afstand van zijn opvolgingsrechten op de Oostenrijkse troon. Hij kreeg echter wel het recht om een vrijwilligerseenheid van 6000 man te rekruteren.[66] Ook in België werd een vrijwilligerskorps georganiseerd.[67]

De conservatieven werden echter opnieuw teleurgesteld. Maximiliaan zette de Franse politiek gewoon verder. Hij koos zijn ministers zelfs uit liberale kringen. Maximiliaan voerde een aantal sociale hervormingen door. Zo werd het verboden om schuldenaars verplicht te werk te stellen. Haciënda’s werden opengesteld voor handelaars zodat het monopolie van de eigen winkel van de grootgrondbezitter gebroken werd. De naasting van de gemeenschappelijke gronden van de Indiaanse dorpen werd ongedaan gemaakt. Op deze manier verloor hij de steun van de conservatieven, terwijl hij de steun van de Kerk reeds verloren had door zijn onwil om de antiklerikale wetten van Juarez en Lerdo af te schaffen.[68]

 

Het is mogelijk dat de bedoeling van deze politiek was om de steun van de armen voor het keizerrijk te winnen. Voor velen bleef het feit dat hij op de troon was gezet en werd gehouden door een vreemd leger van overweldigend belang. Het was geen strijd tussen conservatieven en liberalen, het was een gevecht voor de onafhankelijkheid. Het regime van Juarez werd hiermee geassocieerd, het keizerrijk symboliseerde de bezetter.[69]

Desondanks kwam het keizerrijk dicht bij een permanente vestiging. De Franse troepen dreven Juarez tot in de stad Paso del Norte, aan de Rio Grande. Bovendien liep op 1 december 1865 de termijn van Juarez presidentschap af. Het was onmogelijk om verkiezingen te organiseren nu de Fransen het grootste deel van het land controleerden. Hij verlengde zijn presidentschap op basis van de speciale bevoegdheden die hij van het congres voor de verdediging van het land had gekregen.[70]

 

In 1866 keerde de militaire situatie in het voordeel van de liberalen. Napoleon III besloot immers om zijn troepen terug te trekken.[71] De burgeroorlog in de Verenigde Staten was afgelopen en het land oefende nu druk uit op Frankrijk om zijn troepen terug te trekken.[72] Daarnaast rees er ook in Frankrijk zelf steeds meer protest tegen de operaties in Mexico.[73]

Geconfronteerd met terugtrekkende Fransen, en de oprukkende liberalen in hun zog moest Maximiliaan Mexicanen vinden die bereid waren om voor hem te vechten. Zijn liberale bondgenoten weigerden, waarop de keizer uiteindelijk toch nog een pact met de conservatieven sloot. Het werd opnieuw een Mexicaanse oorlog van conservatief tegen liberaal. De conservatieven bleken echter opnieuw niet tegen de liberalen opgewassen. Maximiliaan werd met zijn conservatief leger verslagen bij Queretaro en bovendien gevangengenomen. Hij werd door een Mexicaanse krijgsraad ter dood veroordeeld en op 19 juni 1867 geëxecuteerd.[74]

De executie lokte protest uit van Europa en de Europese landen trokken hun vertegenwoordigers in Mexico terug. Enkel de Verenigde Staten behielden hun diplomatieke contacten met Juarez. Ook zij hadden geprotesteerd tegen de executie van Maximiliaan.

De conservatieven waren nu definitief verslagen, net zoals eventuele Europese veroveringspogingen. Het regime van Juarez was nu sterk genoeg om de schuldbetalingen van de leningen die de oorzaak van de interventie waren af te lasten. Bovendien weigerde hij om de schulden van het keizerrijk af te betalen. Britse investeerders werden echter met rust gelaten en de spoorwegmaatschappij werd gratie verleend om de Mexicaanse economie ademruimte te geven.[75] 

 

In 1867 werden reeds verkiezingen uitgeschreven, Juarez won overtuigend. Hij begon met de pacificatie van het land en in 1870 werd amnestie afgekondigd voor diegenen die het keizerrijk gesteund hadden. In 1871 won Juarez nipt zijn  herverkiezing van Sebastian Lerdo, die president werd na de dood van Juarez in 1872. Lerdo verloor echter in 1876 het presidentschap aan Porfirio Diaz, die een militaire opstand leidde. Het was opnieuw afgelopen met de burgerlijke regeringen in Mexico.[76]

 

 

Hoofdstuk II: De Belgische politiek in het midden van de 19de eeuw

 

De Belgische revolutie

 

In de jaren voor de revolutie kwam in België het monsterverbond tot stand. Dit was een alliantie van liberalen en katholieken, de politieke stroming van het unionisme was geboren. Het was vooral een vereniging van de middenklasse, de clerus en de grootgrondbezitters. Deze waren benadeeld door de Nederlandse politiek. De middenklasse was uitgesloten van de politieke besluitvorming, de clerus was ontevreden over de kerkpolitiek van de protestantse Willem en de grootgrondbezitters over zijn gebrek aan aandacht voor de landbouw. De rijkere commerciële burgerij was eerder oranjegezind.[77]

Het unionisme zou de eerste jaren van de Belgische staat het politieke toneel domineren. Door Nederland bedreigd, werkten katholieken en liberalen samen aan de uitbouw van de Belgische staat. Er moest een eenheidsfront naar het buitenland toe gevormd worden. De belangrijkste tegenstellingen waren tussen gematigden en vooruitstrevenden in beide partijen. Nadat Nederland in 1839 de Belgische onafhankelijkheid erkende, viel dit bindende element weg en kwamen de binnenlandse tegenstellingen tussen katholieken en liberalen bovendrijven. Tot 1847 waren er twee homogeen liberale en twee homogeen katholieke regeringen aan de macht, deze regeerden echter nog in de unionistische traditie.[78]

Ook in de internationale politiek deed de Belgische revolutie stof opwaaien. De Belgische revolutie was op dubbele wijze een breuk met de orde van het congres van Wenen. Een legitieme vorst werd afgezet.[79] Bovendien viel een van de bufferstaten, opgericht om eventuele Franse expansie tegen te gaan, uit elkaar: het Koninkrijk der Nederlanden, dat bestond uit de huidige Benelux.[80] Om het machtsevenwicht te bewaren, beslisten de grootmachten dat België neutraal moest worden.[81]  Nederland weigerde het verdrag van de achttien artikelen dat door de grootmachten opgesteld werd te aanvaarden en lanceerde een aanval op België, die afgeslagen werd door Franse troepen.[82] De grootmachten vreesden dat België een Franse vazalstaat zou worden en dus nutteloos als bufferstaat. Dit leidde ertoe dat het verdrag der achttien artikelen in een voor Nederland gunstige zin herzien werden, in een poging om het land de Belgische onafhankelijkheid te doen erkennen. Dit leidde tot het verdrag der 24 artikelen, waarin eveneens de neutraliteit opgenomen zat. België aanvaardde het verdrag op 1 november 1831.[83] Pas in 1838 was Nederland eindelijk bereid om het verdrag te tekenen en op 19 april 1839 werd het verdrag definitief ondertekend.[84]

 

Het ontstaan van de politieke partijen

 

In 1846 gingen de liberalen over tot de uitbouw van een partij met een eigen politiek programma. De nationale partij overkoepelde de lokale kieskringen. Er slopen in het programma verscheidene antiklerikale elementen. Deze organisatie leverde een behoorlijke stemmenwinst op. Het liberalisme was nu immers beter georganiseerd dan de verdeelde katholieken en bovendien kregen ze een duidelijk omschreven politiek programma. Daar kwam bovenop dat de katholieken bleven vasthouden aan het voorbijgestreefde unionisme.[85] De periode tot 1857 kan als een overgangsfase beschouwd worden. De liberale regeringen voerden een gematigde politiek en van 1855 tot 1857 was er zelfs nog even een unionistisch kabinet.[86] Na de val van het laatste unionistische kabinet veroveren de liberalen de macht, bovendien wonnen de radicalen binnen de partij aan macht.[87]

Na de nederlaag in de verkiezingen van 1857 begonnen ook de katholieken zich te organiseren. Dit gebeurde onder de vorm van regionale kiesverenigingen. Deze waren slechts actief in periodes van verkiezingen en daarna viel hun activiteit stil. Pas in 1864, gesteund door de congressen van Mechelen, werd er een aanvang gemaakt met de centralisatie. Uiteindelijk werd in 1885 de centralisatie vervolledigd.[88] De organisatie van een katholieke partij werd in België ernstig bemoeilijkt door interne tegenstellingen. Binnen de katholieke strekking was er de tegenstelling tussen de liberaal-katholieken en de ultramontanen. De liberaal-katholieken zagen het als hun taak om de godsdienst en het politiek liberalisme te verzoenen. Zij erkenden de liberale grondwet en zagen in de liberale vrijheden de beste garantie waren voor de toekomst van de Kerk. Zij moest immers evenzeer van de totale vrijheid van organisatie kunnen profiteren, zonder inmenging van de staat. De ultramontanen daarentegen weigerden de veranderde politieke situatie voluit te erkennen, hun droom was de katholieke staat. Ze hoopten bij de verwezenlijking hiervan op steun van de paus. Op deze manier brachten zij de toekomst van katholieke politici binnen het Belgische grondwettelijke kader in gevaar.[89] Volgens de ultramontanen moest de Kerk een voorrangspositie krijgen. Zij stond boven de staat al moest ze er nauw mee samenwerken en had zelfs het recht om in de politiek in te grijpen.[90]

Aanvankelijk hadden de katholieken eendrachtig achter de Belgische grondwet gestaan. Met Mirari Vos in 1832 veroordeelde de paus echter de liberale beginselen. De encycliek bracht twijfel bij de katholieken. De liberale strekking voerde aan dat de meerderheid van de bevolking katholiek was en dat de liberale democratie dus enkel maar goed kon zijn voor de Kerk. De ultramontanen vreesden dat de liberale maatschappij tot ontkerstening zou leidden. Beide stromingen verdedigden hetzelfde, de macht en de invloed van de Kerk, ze waren het enkel oneens over de manier waarop dat moest gebeuren.[91] Vanaf het einde van de jaren 1840 wonnen de ultramontanen aan slagkracht. Rome benoemde immers vele ultramontaanse bisschoppen. Zij voerden tijdens de laatste unionistische regering een hevig offensief om de macht van de Kerk in de samenleving te vestigen en de invloed van de staat terug te drijven. De regering zou hierdoor ten val komen.[92] De ultramontanen kregen nog meer steun uit Rome in de vorm van de encycliek Quanta Cura, waarin de liberale beginselen krachtig veroordeeld werden. De liberaal katholieken wonnen aan slagkracht op de congressen van Mechelen in 1863, 1864 en 1867.[93] Bovendien bleven de liberaal-katholieken het parlement domineren, hun anti-constitutionalisme kwam de ultramontanen hier niet goed uit.[94] De ultramontanen moesten dus een andere weg zoeken om hun ideaal te verwezenlijken. Dit zou dan moeten gebeuren door de heroprichting van de christelijke volksmaatschappij. Door hun grote energie konden de ultramontanen als kleine groep een relatief grote invloed uitoefenen op de latere katholieke partij.[95]

 

De derde weg, de meetingpartij

 

Door de grote voorsprong in het aantal parlementsleden zagen de radicale liberalen er geen graten in om oppositie te voeren tegen hun meer gematigde doctrinaire collega’s. Radicale liberalen hamerden vooral op een aantal punten. Ze waren antiklerikaal, soms zelfs antigodsdienstig, tegen staatsinmenging in de economie en voor de vrijhandel. Vaak waren ze ook republikeins, democratisch, sociaal voelend en soms Vlaamsgezind. Bovendien waren ze tegen een centralistische politiek en antimilitaristisch.[96] Tenslotte had de beweging sympathie voor buitenlandse bevrijdingsbewegingen.[97]

Deze radicalen hadden op verschillende punten banden met de progressief katholieken. Ook zij waren voor vrijhandel, antimilitaristisch en tegen centralisatie. Bovendien was de katholieke partij traditioneel Vlaamsgezind. De katholieke oppositie lonkte dan ook naar die radicale elementen in de liberale partij waar samenwerking mee mogelijk was.[98]

 

De voorsprong van de liberalen in het parlement was echter niet zo groot als hij leek. Door het meerderheidssysteem waren verscheidene liberale afgevaardigden maar nipt verkozen. Een alliantie van enige radicalen met de katholieken zou het liberale overwicht in gevaar kunnen brengen. Vandaar dat de doctrinair liberale regering toegevingen deed aan de radicalen en bovendien actief poogde om zo een alliantie te verhinderen. Zo voerden ze bijvoorbeeld een antiklerikale politiek en erkenden ze het koninkrijk Italië. Dit ging duidelijk tegen de katholieke opinie in, maar het was wel positief in de ogen van de radicale liberalen. Bovendien werd de Vlaamsgezinde Alphonse van den Peereboom tot minister van binnenlandse zaken benoemd: hij wist de Vlaamse agitatie enigszins te sussen. Een katholiek-radicale coalitie kon echter niet helemaal vermeden worden. In Antwerpen kwam het tot de vestiging van de meetingpartij.[99]

 

In Antwerpen kwam een uniek regionaal element bij de nationale overeenkomsten tussen radicale liberalen en progressieve katholieken, namelijk de fortenkwestie.

De dreiging van Frankrijk lokte defensiemaatregelen uit.[100] Er werd besloten over te gaan tot de constructie van een nationale vesting. Het Belgische leger zou zich in geval van een inval dan hier kunnen terugtrekken om buitenlandse hulp af te wachten. Er werd gekozen voor Antwerpen. Haar ligging aan de Schelde garandeerde de toegang voor de buitenlandse hulp.

De Antwerpenaren waren hier allesbehalve enthousiast over. De forten belemmerden de groei van de stad. Rond de vestingwerken, die een vrij schootsveld nodig hadden om effectief te zijn, mocht immers niet gebouwd worden. Op economisch vlak werd ook de groei van de haven bedreigd en vreesde men dat schepen de zwaar verdedigde stad liever zouden mijden.[101]    

Wat de vorming van de coalitie nog vergemakkelijkte, was dat de stad een traditie van samenwerking onder de flaminganten van beide partijen bezat. Dit leidde in maart 1861 tot de oprichting van de Nederduitsche Bond, een vereniging die liberale en katholieke Vlaamsgezinden samenbracht.[102]

 

In 1862 kwamen de spanningen tot een hoogtepunt toen bouwwerken in de militaire zones rond de forten werden afgebroken. De commissie van krijgsdienstbaarheden werd, vanuit de gemeenteraad, opgericht om de klachten van de Antwerpenaren te onderzoeken.[103]

Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1862 kwam het tot een breuk tussen de doctrinair liberalen en de commissie voor krijgsdienstbaarheden. Deze laatste ging samen met de Nederduitsche Bond en enkele andere organisaties als de meetingpartij naar de verkiezingen die ze wonnen.[104] Antwerpen, traditioneel gezien een doctrinair liberale stad, keerde zich door de fortenkwestie van de nationale liberale regeringspartij af. Bovendien eisten de Antwerpenaren vrijhandel, hun haven verloor immers aan terrein tegenover Rotterdam. Ten slotte werd Antwerpen steeds meer Vlaamsgezind, iets wat de regering beslist niet was.[105]

Op nationaal vlak bleef de invloed van de meeting beperkt. In de verkiezingen van 1863 verloren de liberalen weliswaar zetels, onder andere de Antwerpse aan de meetingpartij. De resulterende regeringscrisis leidde echter bij de verkiezingen in 1864 tot een verkiezingsoverwinning van de liberalen, mede dankzij de obstructiepolitiek die de katholieken hadden gevoerd en die een deel van de radicalen opnieuw in de armen van de liberalen dreef.[106] 

Vanuit de meetingpartij zelf stapten vele ex-liberalen opnieuw naar de liberale partij naarmate de meeting steeds meer vergroeide met de katholieke partij. In 1872 kreeg Antwerpen opnieuw een liberaal schepencollege, al bleven de afvaardigingen naar het parlement nog lang in de handen van de meetingpartij. Na 1872 werd de meetingpartij steeds meer een regionale afdeling van de katholieke partij.[107]

Door de elementen van antimilitarisme en de bewondering voor nationale bevrijdingsbewegingen die de partij vanuit haar radicale en liberaal-katholieke achtergrond meekreeg, werd de meeting de meest uitgesproken tegenstander van de regering betreffende de kwestie Mexico.

 

De gespannen politieke situatie in het midden van de jaren 1860

 

Gedurende de jaren ‘50 van de negentiende eeuw veroverden de radicalen steeds meer invloed in de liberale partij. Het antiklerikale element dat protesteerde tegen de invloed van de Kerk in de maatschappij won veld. Voor het eerst ontstond er een antigodsdienstige stroming in de Belgische politiek. Toen de unionistische regering in 1857 de kloosterwet probeerde te laten goedkeuren, viel de regering. Deze wet verhoogde de macht van de Kerk in de liefdadigheid. Ze bracht een antiklerikale reactie met zich mee en de liberalen wonnen de verkiezingen. Een homogeen liberaal ministerie werd geïnstalleerd.[108]

Die liberale regering ging over tot het uitvoeren van het programma van de liberale partij. Op internationaal vlak erkende de regering het koninkrijk Italië. Dit land werd door de katholieken gezien als een bedreiging voor de paus. De regering ging over tot de secularisatie van de kerkhoven in 1859. Sinds het midden van de negentiende eeuw moesten er immers ook ongelovigen begraven worden. Gewoonlijk werden zij afzonderlijk op het kerkhof begraven. Nu onttrok de regering echter de bevoegdheid om grond voor kerkhoven te kopen aan de Kerk en gaf deze aan de gemeenten. De grond werd dan ook niet meer gewijd. Dit leidde tot een langdurig conflict met de Kerk, dat slechts in 1891 werd opgelost. Toen werd er besloten de grond voor het graf van een katholiek per perceel te wijden. In 1861 verklaarde de regering dat de domeinen van de kerk onder toezicht stonden van de staat. De Kerk was immers een publieke instelling en als dusdanig aan controle van de staat onderworpen. Ook de studiebeurzen kwamen ter sprake. Rijke figuren verbonden, vaak bij erfenis, studiebeurzen aan een katholieke onderwijsinstelling. In 1862-63 begon de regering met de secularisatie van deze beurzen. Het doel was vooral het praktische monopolie van de katholieke universiteit van Leuven op studiebeurzen voor hoger onderwijs te breken.[109]

Deze politiek bracht de regering natuurlijk in conflict met de katholieke oppositie. De liberaal katholieken vonden dat de liberale regering de beginselen van de liberale theorie schonden. Moest de Kerk immers niet in totale vrijheid kunnen handelen? De liberalen brachten daar dan tegen in dat het instituut van de Kerk de vrijheid van het individu aan banden legde.[110] De politiek van de regering werd door de ultramontanen beschouwd als een aanval op de traditionele rechten van de Kerk. Het ultramontanisme verhardde zijn verzet tegen de liberale staat. De Kerk keerde zich af van de politieke instellingen en trachtte haar greep op de gelovigen te versterken door de gemeenschap te groeperen in katholieke organisaties. Zij werden hierbij gesteund vanuit Rome.[111] Bovendien werd het katholieke verzet efficiënter. Na hun verkiezingsnederlaag in 1857 waren ook de katholieken overgegaan tot het organiseren van kiesverenigingen. Deze waren echter regionaal en er was geen overkoepelende organisatie. Hiertoe zouden er vanaf de congressen van Mechelen pogingen ondernomen worden. Er was dus nog geen echte katholiek partij.[112] De confrontatie met een antiklerikale politiek in het binnenland zou natuurlijk ook de opinie van de katholieken op eventuele antiklerikale maatregelen in het buitenland beïnvloeden.

Bij de vernieuwing van de kamer in juni 1863 leed de liberale partij een verkiezingsnederlaag. Vooral het ontstaan van de meetingpartij in Antwerpen kostte de liberalen zetels. De liberalen behielden maar een meerderheid van twee zetels. De regering nam daarop ontslag in januari 1864. Pogingen om een nieuwe regering te vormen faalden en de regering trok haar ontslag in op 24 mei. De katholieken voerden een harde oppositie en door het geringe verschil in zetels en een ziek liberaal parlementslid, was het zeer moeilijk om het land te regeren. Wanneer het zieke parlementslid overleed, moesten er verkiezingen uitgeschreven worden. Hierbij veroverden de liberalen opnieuw een comfortabele voorsprong. Zij waren dan ook vastbesloten om, tegen de katholieke oppositie in, hun liberaal programma uit te voeren.[113]

De partijstrijd leverde ook spanningen op met de koning. Deze was immers zeer gehecht aan het unionisme. Bovendien was de vorming van partijen volgens Leopold ongrondwettelijk. De ministers waren verantwoording verschuldigd aan de koning en niet aan de partijen. Met andere woorden, de politieke partijen waren een bedreiging voor de macht die de koning had opgebouwd gedurende de periode van het unionisme.[114]

De buitenlandse politiek van de koning moest dan ook gezien worden in het kader van streven naar eenheid in de binnenlandse politiek. De koning, die een machtige positie had opgebouwd in de Belgische diplomatie gedurende het unionisme, rekende op zijn diplomaten om hem te steunen. De belangrijke leden van de laatste unionistische regeringen waren diplomaten. Met het dalen van zijn invloed in de binnenlandse politiek richtte Leopold zijn aandacht steeds meer op de internationale politiek. De jaren 1860 brachten echter ook de ondergang van de concertdiplomatie waar de koning mee vertrouwd was, zodoende boette hij ook hier aan invloed in.[115]

Het is ook in het licht van het streven naar nationale eenheid dat de koloniale politiek van Leopold gezien moet worden.[116] Bovendien was een kolonie een gegarandeerd afzetgebied voor de industrie en op die manier een bescherming tegen de economische malaise die het land bedreigde. Ook het imago van België op wereldniveau zou profiteren van een kolonie. De koning werd echter geconfronteerd met verscheidene problemen. Het belangrijkste was de onwil van de Belgische bevolking om te koloniseren. Het parlement stond onverschillig tegenover de initiatieven van de koning, zodat deze zonder steun van de Belgische staat moest opereren.[117] De eerste min of meer substantiële poging was de vestiging van een kolonie op het eilandje Santo Tomas de Guatemala. Om deze uit te baten werd de Compagnie Belge de Colonisation opgericht met steun van de koning. Deze stuurde in 1841 een expeditie om het geheel te onderzoeken. Ondanks de gemengde rapporten werd er toch besloten om tot de aankoop over te gaan. In 1842 werd er begonnen met de aanwerving van kolonisten en op 16 maart 1846 vertrokken de eerste schepen. De eerste berichten uit de kolonie waren hoopvol.[118] Toch liep het project slecht af. De kolonisten weigerden nog te werken omdat dit enkel de administratie ten goede kwam en er brak zelfs een opstand uit. Dit leidde tot een terugtrekking van de beperkte steun van de Belgische staat aan de compagnie. Een schip werd gestuurd om de kolonisten terug te halen.[119] In de volgende jaren toonde de koning nog interesse in projecten van Afrika tot Oceanië.[120] Ook de expeditie naar Mexico kan in een koloniaal kader gezien worden. Er was immers de hoop dat de vrijwilligers de voorhoede zouden zijn van een belangrijke Belgische kolonisatiegolf.[121] Geen enkele onderneming van de koning leidde echter tot resultaten. België zou nog tot Leopold II en Congo moeten wachten alvorens een succesvol koloniaal project verwezenlijkt werd.[122]

Ook de dynastie werd door Leopold als essentieel gezien voor de eenheid van de natie. Deze moest zich dan met de dynastie vereenzelvigen. Via zijn huwelijkspolitiek probeerde Leopold de Coburgdynastie van België zo veel mogelijk te vestigen. In dit kader kan de steun van Leopold aan de Mexicaanse keizerstroon gezien worden. De keizerin was tenslotte zijn dochter.[123] De huwelijkspolitiek van de koning was vrij succesvol. Hijzelf huwde met een dochter van de Franse koning Louis-Philippe. Zijn opvolger koppelde hij aan een Habsburgse aartshertogin.[124]

 

Vrede tussen de partijen van 1866 tot 1867

 

Door de slechte gezondheidstoestand van Leopold I werden de tegenstellingen tussen de partijen overstemd. De koning overleed op 10 december 1865 en werd opgevolgd door zijn zoon Leopold II. In zijn rede bij de aanvaarding van de troon riep hij op tot nationale eenheid. Hij wees een te scherpe partijstrijd af. Hoewel zijn toespraak indruk maakte, was het vooral de dreigende situatie in het buitenland die ervoor zorgde dat de binnenlandse tegenstellingen verzwakten.[125] In Frankrijk deden geruchten de ronde dat met de dood van de koning België uit elkaar zou vallen. Vlaanderen zou terug naar Nederland gaan. Wat moest er dan van de Waalse provincies worden? Hier komen de annexionistische ideeën van Napoleon tegenover België tot uiting.[126] In de aanloop naar de Pruisisch-Oostenrijkse oorlog en de nasleep hiervan werd de Franse dreiging alleen maar groter. Frankrijk was immers op zoek naar compensaties voor de groeiende macht van Pruisen en vond deze aan haar noordgrens, België en Luxemburg.[127] Napoleon vond na de gemakkelijke Pruisische overwinning echter helemaal geen toegeeflijke onderhandelingspartner in Bismarck. Zijn werk in Duitsland was veilig gesteld en het bleek helemaal niet nodig om Frankrijk compensaties te bieden. De vrees in België over een eventuele overeenkomst tussen Pruisen en Frankrijk over een annexatie van Belgisch gebied daalde dan ook.[128] Er was echter al snel een oorlogsdreiging tussen Frankrijk en Pruisen. Reeds in maart 1867 liepen de spanningen hoog op. De Fransen wilden Luxemburg annexeren. De Pruisen zagen dit als een directe belediging en een reden om de oorlog te verklaren. Zover kwam het echter niet.[129] Een dreigende oorlog tussen Pruisen en Frankrijk was ook een bedreiging voor België, net zoals een eventuele compensatieovereenkomst tussen beide landen. In geval van oorlog was het immers best mogelijk dat een van beide partijen België zou aanvallen.[130]

De vrede tussen de partijen was echter van korte duur en reeds aan het einde van 1867 laaide de partijstrijd opnieuw op.[131]

 

 

Hoofdstuk III: De Belgische pers

 

Geschiedenis van de pers

 

De Belgische journalisten speelden een belangrijke rol bij de revolutie.[132] De grondwet van het Koninkrijk der Nederlanden verzekerde de persvrijheid. Naar aanleiding van de wilde geruchten rond de terugkeer van Napoleon uit Elba werden echter beperkende maatregelen genomen. Deze kregen in 1818 kracht van wet. Er was geen preventieve censuur maar de regering kon overgaan tot het beboeten van de kranten, arresteren van journalisten en zelfs het sluiten van drukkerijen naar aanleiding van verschenen artikels. De Hollandse regering maakte dapper gebruik van deze wetgeving om de Belgische pers te onderdrukken. Er werden onder het Hollandse regime dan ook vele persprocessen gevoerd.[133] Dit alles werkte natuurlijk de onvrede bij de Belgische journalisten in de hand. Er werd een niet aflatende oppositie gevoerd en verscheidene journalisten werden verbannen. In het voorlopige bewind dat in België na de revolutie was opgezet zaten dan ook verscheidene journalisten. Deze ijverden voor een invoering van de volledige persvrijheid.[134]

 

In de Belgische grondwet werd inderdaad de volledige persvrijheid afgekondigd. De opiniepers werd door de grondwettelijke vergadering bovendien gezien als noodzakelijke aanvulling op het parlementaire forum. Met andere woorden persvrijheid was essentieel voor de democratie.[135] Bij eventuele persprocessen moest er steeds een jury aangesteld worden en meestal werd de journalist door hen v