Studie van de structuren en het aardewerk van Site ‘De Noker’ (werkput 2) te Mechelen. Het Godshuis van de Heilige Drievuldigheid: de kapel en haar directe omgeving. (Dries Paumen)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

4 HET AARDEWERK

 

4.1 Methodiek van het keramiekonderzoek

 

Tijdens het onderzoek dat het schrijven van mijn thesis voorafging heb ik het geluk gehad dat ik het aardewerk uit de opgraving van Noker in bruikleen heb gekregen van het voormalige Instituut voor het Archeologisch Patrimonium. Hierdoor had ik de mogelijkheid om het aardewerk op mijn kot te bestuderen. Het aardewerk was dus al verzameld en gewassen terwijl het ook al was gesorteerd per aardewerksoort en context. Hierbij werden de rand-, wand- en bodemscherven steeds apart gehouden.

Het eerste stadium was het puzzelen en het plakken van de stukken. Hierna ging ik over op het tekenen van de diagnostische stukken. Eenmaal deze waren afgewerkt legde ik me enerzijds toe op het opstellen van een typologie anderzijds op het zoeken van vergelijkingsmateriaal. Vervolgens voerde ik de informatie van ieder diagnostisch stuk in in een database in Acces. Bij het ontwerp van deze database baseerde ik me op het database systeem van Koen de Grootte van het voormalige IAP in Ename.

 

4.1.1 Het beschrijvende niveau

 

4.1.1.1 Puzzelen en lijmen van de stukken

 

Bij het puzzelen van de stukken heb ik getracht om systematisch te werk te gaan. De stukken waren al per spoornummer gegroepeerd. Per spoornummer waren de wandscherven, de bodemscherven, de randscherven en al de andere additieven uitgesorteerd. Dit vergemakkelijkte het werk enigszins. In eerste instantie probeerde ik de stukken uit dezelfde zak aan elkaar te puzzelen. Daarna probeerde ik per spoor de wand-, bodem- en randscherven en andere additieven samen te brengen. Bij het grijsbakkende aardewerk was dit niet echt eenvoudig maar bij het steengoed en het roodbakkende aardewerk verliep dit iets vlotter. Hier kon ik de stukken met een gelijkaardige decoratie, oppervlaktebehandeling en afwerking samenleggen. Dan plakte ik de passende stukken aan elkaar met papiertape. Aanvankelijk probeerde ik de stukken per spoor te puzzelen. In tweede instantie begon ik dan te puzzelen tussen de verschillende sporen. Eenmaal al de stukken voorlopig waren geplakt bracht ik ze dan terug naar de hoofdzetel van het voormalige IAP. Hier werden de stukken gelijmd door professionele keramiekrestaurateurs. Bij het tekenen van de stukken kwamen nog een aantal van deze fittings tussen verschillende sporen aan het licht. Deze verbindingen tussen verschillende sporen zijn van groot belang bij het bestuderen van de contexten: zowel voor hun datering als voor hun ontstaansgeschiedenis.

 

4.1.1.2. Tekenen van de gelijmde stukken

 

Bij het tekenen van de stukken gebruikte ik de conventies van het voormalige IAP (momenteel Monumenten en Landschappen) die ik hier kort uiteen zal zetten.

 

Wanneer de diameter van een stuk niet of moeilijk te reconstrueren is worden enkel het vooraanzicht en de doorsnede van de scherf getekend. Betreft het hier een rand -of bodemfragment dan wordt de boven- of onderzijde weergegeven met een fijn lijntje zodat de oriëntatie van de scherf duidelijk wordt.

 

Kan de rand of bodemdiameter wel gereconstrueerd worden dan wordt er eerst een denkbeeldige middenlijn (lijndikte 0.2 mm)getekend met links de gereconstrueerde doorsnede (lijndikte 0.5 mm)en rechts het gereconstrueerde aanzicht (omtrek lijndikte 0.5 mm.- verdere details lijndikte 0.2 mm). Dan worden de boven- en onderkant van het stuk getekend (de lengte komt overeen met de diameter ) Meestal is er slechts een rand- of bodemfragment aanwezig waarbij het volledige profiel en diameter te reconstrueren zijn. In dit geval wordt de basis of bodemlijn links (lijndikte 0.2 mm) helemaal doorgetrokken tot aan de denkbeeldige middenlijn. Aan de rechterkant wordt deze basis- of bodemlijn (lijndikte 0.5 mm.) tot op een halve centimeter van de middenlijn doorgetrokken. Dit wordt ook toegepast bij de onderzijde van de rand. Meestal is het profiel niet volledig: het verdere, hypothetische verloop van het profiel wordt dan weergegeven met vier streepjes van 0.8 cm lang. Twee voor de doorsnede, één voor de middenlijn en één voor het aanzicht.

Bij volledige stukken wordt de basis -en bodemlijn zowel links als rechts volledig doorgetrokken tot aan de middenlijn.

Vervolgens worden de oren en stelen getekend. Heeft een individu twee symmetrisch geschikte oren of is dit duidelijk door analogie met gelijkaardige stukken dan wordt het oor links in doorsnede (lijndikte 0.5 mm.) en rechts in aanzicht getekend (lijndikte 0.5mm.) . Heeft een individu slechts een oor of steel dan wordt dit rechts in aanzicht getekend. Op het aanzicht aan de rechterzijde wordt ook steeds de detaillering van de aansluiting van het oor aan het lichaam weergegeven. Met twee streepjes aan weerszijden van het oor wordt de plaats van de doorsnede aangegeven. De doorsnede komt dan rechts naast het oor.

Dan is de bodem aan de beurt. Pootjes en standvinnen worden links in doorsnede en rechts in aanzicht getekend. Hierbij moet men wel oppassen: er wordt telkens slechts één vin of poot in doorsnede getekend. Alle andere standvinnen en poten worden in aanzicht getekend, ook aan de kant van de doorsnede!

Dan worden de verdere details ingetekend. De draairillen en knikken (lijndikte 0.2 mm) worden telkens weergegeven door een dun lijntje te trekken vanaf de doorsnede van omtrek van het aanzicht. Meer uitgesproken draairillen worden iets dikker aangezet. Vervolgens worden gietsnebben, gietkanalen en giettuiten ingetekend indien aanwezig. Deze worden centraal in aanzicht getekend zodat de middenlijn niet volledig kan weergegeven worden. Naast de teut wordt er dan een diagonale lijn onder 45° (lijndikte 0.2 mm.) getrokken om rechtstreeks of via een evenwijdige aan de rand uit te komen op de middenlijn. Tenslotte wordt de detaillering van de bodem (lijndikte 0.2 mm) verder uitgewerkt. De gegolfde voet, de uitgeknepen voet en de standvinnen (de duimindrukken worden weergegeven) worden verder uitgewerkt (de omtrek is al vroeger ingetekend) en tenslotte wordt de schaduwwerking weergegeven met puntjes (hoe donkerder de schaduw hoe groter de dichtheid aan puntjes). Volgens de conventie komt het licht van linksboven bij het weergeven van de schaduwwerking (lijndikte 0.2 mm. ). Soms wordt de scherf in het midden ingetekend om zo bepaalde details zoals decoratieve patronen, ea. te verduidelijken (omtrek lijndikte 0.2 mm).

Voor zover gebruikte ik de conventies van het voormalige IAP. Het loodglazuur heb ik echter weergegeven met een eigen conventie. Het met loodglazuur overtrokken gedeelte van de scherf overplakte ik met een raster (zie legende catalogus). Als het glazuur rechtstreeks op de scherf was aangebracht heb ik een fijn raster gebruikt, als het op een witte sliblaag is aangebracht een grover raster. Dit raster bracht ik enkel aan indien het glazuur gedeeltelijk of weinig dekkend was.

Bij het tekenen van de scherf wordt het stuk eerst in grote lijnen op millimeterpapier gezet: dus zonder detaillering, behalve dan de draairillen. Nadat de tekeningen in potlood op millimeterpapier zijn afgewerkt worden deze in zwarte tekenpen overgekalkeerd op kalkpapier. Dan worden ook alle details ingetekend.

 

4.1.1.3. Zoeken van vergelijkingsmateriaal

 

Dit is een essentieel onderdeel van mijn onderzoek. Op basis van het vergelijkingsmateriaal kunnen de stukken en dus ook de contexten immers gedateerd worden Bij het zoeken van vergelijkingsmateriaal ging ik uit van mijn originele tekeningen op kalk. Dit deed ik vooral uit praktische overwegingen. Het vergelijkingsmateriaal vond ik hoofdzakelijk terug in tijdschriften van locale heemkundige en archeologische verenigingen. Deze zijn meestal niet uit te lenen en moeten dus op locatie geraadpleegd worden. Daardoor was ik dus aangewezen op de tekeningen van het aardewerk van de Noker. Zo kon ik mijn eigen tekeningen naast die van de publicaties leggen en de afmetingen en verhoudingen vergelijken. Op mijn originele tekeningen kon ik deze afmetingen rechtstreeks meten: al de originele tekeningen zijn op schaal 1:1 getekend.

 

Steengoed

Het vinden van vergelijkingsmateriaal bleek geen probleem te zijn voor het steengoed van de Noker. Steengoed kent immers een internationale verspreiding en is al uitvoerig bestudeerd door tal van keramiekspecialisten. Toch stootte ik op een tweetal beperkingen. Ten eerste bevinden zich onder de steengoedfragmenten van de Noker heel wat bodemfragmenten. Het is moeilijk om deze toe te wijzen aan een specifiek type. Hoewel ik enkel de uitwerking van de bodem heb kunnen onderscheiden, bleek het toch mogelijk om deze bodems chronologisch toe te wijzen. Ten tweede bevatten heel wat steengoedcatalogi hoofdzakelijk steengoed met sterk uitgewerkte decoratie. Dergelijk gedecoreerd steengoed komt echter niet voor in het ensemble van de Noker.

Voor de steengoed randfragmenten heb ik dan wel heel wat vergelijkingsmateriaal gevonden. Steengoed randfragmenten zijn immers sterk bepalend bij het onderscheiden van steengoedtypes. Het bepalen van de productiecentra stelde weinig problemen. De stukken uit Langerwehe kon ik onderscheiden aan de hand van hun oppervlakteafwerking in paars slib dat nogal eens de neiging heeft om af te schilferen. De stukken uit Siegburg herkende ik aan hun crèmekleurig baksel.

 

Locaal geproduceerd aardewerk

Voor het locaal geproduceerd aardewerk heb ik heel wat minder vergelijkingsmateriaal gevonden. Een aantal studenten archeologie en archeologen die enigszins vertrouwd waren met het rood- en grijsbakkend aardewerk in het Mechelse raadden me aan de Handelingen van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen te raadplegen. Hieruit kwam slechts een beperkt aantal gelijkaardige stukken. Een tweede beperking van de dit tijdschrift is het veelvuldig ontbreken van dateringen. Daarnaast raadpleegde ik het Tijdschrift van de Mechelse vereniging voor archeologie. Ook hieruit kon ik slechts weinig vergelijkingsmateriaal halen. De meest essentiële publicatie bleek het jaarboek van de Mechelse vereniging voor archeologie[102] te zijn. Hierin hebben Wouter de Maeyer en Maarten Smeets, twee archeologen die ruime ervaring hebben met het Mechelse aardewerk, een overzicht gegeven van het grijsbakkende aardewerk uit het Mechelse.

Daarnaast raadpleegde ik de twee andere thesissen over de Noker. Een van deze thesissen behandelde de grote beerput in de hoek van de site.[103] Voor de datering baseerden ze zich echter op vergelijkingsmateriaal buiten het Hertogdom Brabant. Dergelijk vergelijkingsmateriaal gaf weinig betrouwbare dateringen. Toen al deze bronnen waren uitgeput ging ik op zoek naar vergelijkingsmateriaal uit het voormalige Hertogdom Barabant. Een aantal publicaties uit Archeologie in Vlaanderen bleken zeer waardevol. Vooral de publicatie van Dirk Van Eenhooge over het Hof van Hoogstraten-Lalaing te Brussel[104] en Koen de Groote over de abdij Beaulieu te Petegem[105] leverden heel wat vergelijkingsmateriaal op. Dit werd tenslotte aangevuld een publicatie van H.L. Janssen over keramiek aangetroffen tijdens opgravingen te ’s Hertogenbosch[106].

 

4.1.1.4 Onderverdeling vormcategorieën

 

Om in het aardewerk van de Noker verschillende types te onderscheiden heb ik eerst de verschillende vormcategorieën omschreven. Ik gebruikte de vormcategorieën zoals die voorkomen in Steden in Scherven[107] hierbij als leidraad. Deze publicatie geeft een volledig overzicht van de vormcategorieën van het middeleeuwse aardewerk. En hoewel dit werk een overzicht wil geven van aardewerk uit een aantal steden in het noorden van Nederland kunnen deze vormcategorieën ook op Vlaamse contexten worden toegepast. De vormcategorieën in SIS paste ik naar eigen inzichten aan met relatieve verhoudingen en andere elementen noodzakelijk voor een goede vormelijke beschrijving. Eerst beschreef ik de algemene vorm met de verhouding tussen breedte of randdiameter en totale hoogte. Dan beschreef ik de rand indien deze op een bijzondere wijze was uitgewerkt en vervolgens kwam de uitwerking en aantal oren of stelen aan bod. Daarna kwam het standwerk aan bod en tenslotte de additieven. Het viel mij niet moeilijk om deze vormcategorieën te onderscheiden in het ensemble van de Noker. De meeste middeleeuwse aardewerkvormen zijn immers gekend. Toch kan de vorm slechts met zekerheid worden vastgesteld als de stukken niet te fragmentair zijn of als er overduidelijke gebruiksporen aanwezig zijn. Want de vorm van de pot hangt meestal samen met zijn functie hoewel potten al eens voor een andere toepassing gebruikt dan waarvoor oorspronkelijk bestemd. Daarom zal ik gebruikssporen enkel gebruiken als extra argument bij het toewijzen van een vormcategorie. Bij heel wat scherven zijn er te weinig vormelijke en andere attributen te onderscheiden om de vormcategorie met zekerheid vast te stellen. Daarom zal ik een onderscheid maken tussen stukken waarvan vormcategorie met zekerheid te bepalen is en die waarvoor dat niet het geval is. Bij die laatste stukken zal ik een vraagtekentje plaatsen achter de vormcategorie. Nu volgt een overzicht van de verschillende vormcategorieën:

 

4.1.1.5 Opstellen van een typologie

 

In dit onderdeel baseerde ik mij op Pottery in Archaeology[108]. Daarnaast gebruikte ik een aantal concepten uit Analytical Archaeology.[109]

 

Met dit begin van een typologie wil ik een aanzet geven tot een meer doorgedreven typologisch onderzoek van het Mechelse aardewerk. Toen ik me verdiepte in een aantal publicaties over middeleeuwse keramiek in Vlaanderen en Mechelen bemerkte ik immers een belangrijke tekortkoming. In deze publicaties ontbrak in heel wat gevallen een typologische onderverdeling. Heel wat auteurs beperkten zich tot het bepalen van de vormcategorie zonder een verder typologisch onderscheid te maken. Daarom leek het mij opportuun om de vormcategorieën in types onder te delen. Ik heb geopteerd voor een aanzet tot een open typologie. Deze kan dan later worden aangevuld met bijkomende types uit andere Mechelse contexten. Tegenwoordig wordt er immers intensief opgegraven in Mechelen en er staan nog heel wat projecten op stapel.[110] Bovendien is de eerste Mechelse productiecontext nog niet teruggevonden. Het is dus vrijwel zeker dat er zich heel wat niet-gekende types in de Mechelse magazijnen en bodemarchief bevinden. Daarom is het zinvol dat deze typologie open staat voor verdere aanvullingen.

 

Binnen iedere vormcategorie trachtte ik types te onderscheiden. Aanvankelijk wou ik types onderscheiden op basis van meetgegevens: namelijk de verhouding hoogte op breedte. Maar ik merkte al snel dat het erg moeilijk is om middeleeuws aardewerk in absolute verhoudingen te beschrijven.Ten eerste is het aardewerk uit deze periode een ambachtelijk, handgevormd product. Voor het maken van een pot nam de pottenbakker waarschijnlijk een hoeveelheid klei die volgens zijn inzicht voltstond om de beoogde vorm te verkrijgen.[111] De ene keer was deze iets groter, de andere keer iets kleiner. Hierdoor werd de ene pot wat lager en breder, de andere wat hoger en smaller hoewel die met hetzelfde vormelijk concept in het achterhoofd werd gedraaid. Bij het draaien van een pot is het bovendien zo dat een iets andere positie van de hand van de pottenbakker tot een andere uitwerking bodem, hals of rand kan leiden. Regionaal geproduceerd aardewerk in Vlaanderen is dus een artisanaal product dat ver verwijderd is van de uniformiteit van de industriële productie: in feite is iedere middeleeuwse pot dus uniek! Bij het indelen van een scherf in een bepaald type moet er rekening gehouden worden met deze variatie. Ook kan men zich de vraag stellen in hoeverre dit onderscheid in vormcategorieën en types objectief is. In hoeverre komen deze overeen met de vormen en types die de pottenbakker voor ogen had. Dit is natuurlijk moeilijk te bewijzen zolang er niet meer productiecontexten worden gevonden.

Ik opteerde dus voor een open typologische indeling op basis van puur vormelijke attributen. Ik ging uit van het concept ‘polythetisch type’. Om tot een dergelijk type te behoren moet een pot de belangrijkste (vormelijke) attributen van dat type hebben. Maar als bij deze pot een minder belangrijk attribuut van dat type afwezig is wil dit niet zeggen dat de pot niet tot dat type behoort. Bij een polythetisch type is er dus een hiërarchie in de attributen. Meestal was deze hiërarchie als volgt: algemene vorm, uitwerking hals (indien aanwezig bij deze vormcategorie), uitwerking rand, uitwerking bodem en tenslotte aanwezigheid van additieven.

Bijvoorbeeld: Binnen de kommen bevindt zich een geknikt type met een bandvormige rand.Dit type kan een handvat hebben maar dit is niet noodzakelijk. Om een kom bij dit type te rekenen moet deze dus minimaal geknikt zijn en een bandvormige rand hebben.

De grenzen tussen dergelijke polythetische types zijn daardoor niet altijd even duidelijk . Er zullen dus altijd scherven zijn die zowel bij het ene als bij het andere type kunnen worden ondergebracht. Dit is niet noodzakelijk een probleem, het houdt zelfs meer rekening met de morfologische variatie. Binnen een type zijn er immers individuen die volledig voldoen aan de omschrijving van het type maar er zijn er ook die zich slechts een beperkt aantal van de attributen bezitten en evengoed tot een ander type kunnen behoren. Bij het invoeren van mijn gegevens in de database zal ik hiermee rekening houden. Indien er twijfel bestaat over de typologische indeling van een individu zal ik de 2 mogelijke types waartoe het behoort vermelden.

Concreet deelde ik het schervenmateriaal eerst in volgens vormcategorie (zie boven). Dan trachtte ik binnen iedere vormcategorie groepen van gelijkaardige types te bepalen (of typegroepen). Daartoe vertrok ik steeds bij de typevoorbeelden. Deze typevoorbeelden zijn de volledigste potten uit het ensemble van de Noker, andere ensembles uit het Mechelse en contexten in het voormalige Hertogdom Brabant. Met deze voorbeelden definieerde ik de typegroep. Op basis van deze definitie deelde ik de reconstructietekeningen dan typologisch in. Deze tekeningen bevatten immers meer informatie over de vorm en het type van de oorspronkelijke pot dan de scherf zelf, tenminste als de diameter gekend is. Zo bekwam ik een overzichtelijk systeem ter indeling van de typegroepen. Ieder typegroep kreeg een code van het model gra-10, gra-20. De drie letters zijn een afkorting van de vormcategorie, de 10 tallen in de cijfercode geven weer om welke typologische groep het gaat. Hierdoor kunnen er steeds bijkomende typegroepen worden onderscheiden: het systeem staat dus open voor aanvullingen. In dit open systeem zijn er overlappingen mogelijk tussen twee verschillende typegroepen. Er zullen met andere woorden altijd scherven zijn die zowel bij groep 010 als bij groep 020 kunnen ingedeeld worden. Daarnaast wou ik de variatie in de uitwerkingen van de rand beschrijven. De verschillende randuitwerkingen gaf ik dan een cijfer van de eenheden. Op die manier verkreeg dan bijvoorbeeld grape 21, 22,…. Deze varianten zijn ondertypes binnen deze typegroepen.

 

Maar gezien de fragmentarische toestand van het aardewerk van de Noker is de vormcategorie en de typegroep niet voor iedere scherf te bepalen. Het diagnostische materiaal bestaat immers vooral uit schervenmateriaal. Meestal is dus slechts een klein gedeelte van het oorspronkelijke profiel te reconstrueren; het verdere verloop van het profiel is immers niet gekend. Het is hierbij mogelijk dat een fragment in verschillende types of zelfs verschillende vormcategorieën onder te delen is. Enkel als een significant deel van het profiel kan gereconstrueerd worden kunnen er immers voldoende vormelijke attributen van een bepaald type onderscheiden worden. Pas dan zal ik een individu met zekerheid kunnen toewijzen aan een bepaald type.

 

4.1.1.6 Input gegevens in database

 

Om zoveel mogelijk informatie te kunnen halen uit de scherven van de Noker heb ik een database in Access ontworpen. Ik kwam op dit idee nadat ik om raad ging bij Koen de Grootte. Deze is werkzaam bij de buitendienst van het voormalige IAP in Ename en heeft al ruime ervaring met keramiekonderzoek. Ik inspireerde me gedeeltelijk op het ontwerp van zijn database. Hierin heb ik zoveel mogelijk relevante criteria opgenomen die ik dan vervolgens per item heb onderverdeeld.

Dit verdient een woordje uitleg. Het recordnummer heb ik de volgende structuur gegeven voor het regionaal geproduceerd aardewerk: Vormcategorie – typenummer – volgnummer. Als de vormcategorie niet vast te stellen was dan benoemde ik de scherf volgens haar plaats in de oorspronkelijke pot: rand/ hals/ buik/ oor / bodem - 00 – volgnummer. Liet de scherf toe om een groot deel van het profiel te reconstrueren en was de vormcatgorie niet te achterhalen dan werd het: pot – 00 – volgnummer. Dan liet ik de mogelijkheid open om een tweede spoornummer in te voeren. Soms passen scherven uit verschillende contexten: dergelijke fittings geven immers heel wat informatie over de relatie tussen beide contexten. Tenslotte is het in deze database mogelijk om een tweede type in te geven. Dit tweede type heb ik geïntroduceerd indien er twijfel rijst over de typologische indeling van een individu (zie later). Op deze manier tracht ik rekening te houden met het polythetisch karakter van een type (zie supra).[112]

 

Hoewel het ontwerpen van een dergelijke database een tijdrovend karwei is loont het op termijn de moeite. De gegevens per individu kunnen immers gemakkelijk worden ingevoerd: ik maakte immers gebruik van heel wat keuzelijsten waarin ik enkel hoefde aanklikken wat voor het betreffende individu van toepassing was. Bovendien kunnen er op ieder moment data worden toegevoegd aan deze database: iedere record kan tijdens de invoer steeds worden bijgewerkt. Eenmaal alle data ingevoerd kunnen deze records dan vergrendeld worden. Eenmaal de gegevens ingevoerd heeft Access heel wat mogelijkheden. Er kunnen tabellen worden gemaakt die geëxporteerd kunnen worden naar Excell: op basis van statistieken kunnen zo interpretatiegegevens worden bekomen. Voorts kunnen de gegevens die relevant zijn voor de catalogus in formulieren worden gegoten die rechtstreeks als catalogus kunnen worden afgedrukt. Ook kan op basis van een of meerdere criteria een selectie worden uitgevoerd om zo de data beter te kunnen groeperen. Deze criteria zijn hierboven vetgedrukt.

 

4.1.1.7. Is pastaonderzoek wenselijk ?

 

In eerste instantie stond een pastaonderzoek op het studieprogramma. Maar in Vlaanderen bijna geen fundamenteel onderzoek naar de pasta van middeleeuws aardewerk is gedaan. Er is dus geen referentiekader voor regionaal onderzoek naar pasta van middeleeuws aardewerk. Het opstellen van een eigen referentiekader ligt echter niet binnen de doelstellingen van mijn onderzoek. Bovendien is er nog geen productiecontext van middeleeuws aardewerk gevonden in Mechelen. Bijgevolg kan de pasta van het aardewerk uit de Noker niet worden vergeleken met al onderzochte pasta’s: noch uit Vlaanderen, noch uit Mechelen.

 

Om een beter begrip te krijgen van middeleeuws aardewerk is het echter noodzakelijk dat dergelijk onderzoek gebeurt. Eenmaal dan een basis is gelegd kan deze dan gebruikt worden om onder andere het aardewerk van de Noker opnieuw te onderzoeken op pasta. Men kan hieruit bijvoorbeeld de verschillende ateliers gaan onderscheiden. Bovendien kunnen de distributiepatronen van het regionaal geproduceerd aardewerk onderzocht worden: dit is momenteel nog een van de grote onzekerheden binnen het aardewerkonderzoek in Vlaanderen. Tenslotte kan men ook meer te weten komen over het productieproces. De natuurlijke en kunstmatig bekomen samenstelling van de klei heeft immers een grote invloed op het vormingsproces van de pot. Zo bevat aardewerk, dat tijdens zijn gebruik voortdurend onderhevig is aan opwarming en afkoeling, een kalkmagering om de krimp die daarmee gepaard gaat te beperken.

 

Tijdens het bakken zullen de kleideeltjes chemisch verbonden worden waarbij het gebonden water ( water dat nog in de klei aanwezig is na het drogen) verdwijnt: de klei gaat dus over in pasta. In een later stadium kunnen deze resultaten dan vergeleken worden met locale kleisoorten om zo een hypothese te ontwikkelen naar de ontginningslocatie van de klei.

 

4.1.2 Het interpretatie niveau

 

4.1.2.1 Kwantificatie

 

Onder kwantificatie wordt het bepalen van de hoeveelheid aardewerk verstaan. Hierbij is niet louter de hoeveelheid van belang maar vooral de hoeveelheid per aardewerksoort, vormcategorie, typegroep en tijdseenheid. De kwantificatie heeft dus als doel een morfologische en chronologische orde aan te brengen: niet enkel binnen het volledige ensemble maar ook per context (op deze site werd de keramiek per archeologische context ingezameld). Aangezien aardewerk veelal in fragmentaire toestand voorkomt moet er gespecificeerd worden welke variabelen je specifiek wilt gebruiken.[113] Ik heb ervoor geopteerd het aantal individuen (potten) te kwantificeren.

 

Een archeologische context is per definitie een steekproef van de oorspronkelijke gebruikscontext. Na het gebruik werden de gebroken potten voor een eerste maal weggeworpen of gewoon bij elkaar geveegd in de hoek van de kamer: dit is een eerste selectie. Vervolgens werden die scherven in een afvalkuil gedeponeerd: dit is een tweede steekproef op oorspronkelijke populatie. Deze kuil werd vervolgens het onderwerp van vergravingen en tenslotte van een onbekend aantal postdepositionele processen: dit is de derde selectie. Je kunt je dan afvragen in hoeverre de archeologisch vastgestelde populatie nog representatief is voor de oorspronkelijke populatie (de gebruikscontext). In het geval van de Noker is bovendien slechts het onderste deel van de oorspronkelijke afvalkuilen overgeleverd: zo zitten we dus al bij de vierde staalname van de oorspronkelijke populatie. Om vanuit dit staal uitspraken te kunnen doen over de oorspronkelijke populatie moet ik dus veronderstellen dat dit nog representatief is voor de oorspronkelijke populatie.[114] Wat is nu de waarde van dit staal (het aardewerk van de Noker, werkput 2)? Het gaat in totaal over een tweeduizendtal scherven waarvan slechts een beperkt deel diagnostisch is. Bovendien zijn al deze scherven afkomstig uit afvalcontexten. De keramiek kan dus ook afkomstig zijn van andere locaties dan het godshuis zelf. Daarbovenop komt het fragmentair karakter van het ensemble. Hieruit kan besloten worden dat ik geen absolute uitspraken kan doen over de oorspronkelijke populatie. Ik zal me dus moeten beperken tot de grote lijnen.

Als belangrijkste variabelen heb ik het aantal scherven en het minimum aantal individuen gekozen. Het minimum aantal individuen geeft een beter beeld van de populatie dan het aantal scherven. Het aantal scherven zal eerder iets zeggen over de fragmentatiegraad van de stukken. Aangezien heel wat wandscherven niet aan één bepaalde pot kunnen toegewezen worden zal ik het aantal individuen slechts bij benadering kunnen bepalen. Het aantal individuen zal ik dus schatten met de methode van ‘minimum aantal individuen’. Onder één individu versta ik: Alle volledige stukken en alle elementen die karakteristiek zijn voor een bepaalde vormcategorie (zoals randen, bodems, oren), en dus oorspronkelijk minstens tot één pot behoorden, tel ik als één individu. Dit vergt dus een gedetailleerde beschrijving van iedere vormcategorie die vermeldt welke morfologische elementen kenmerkend zijn voor de betreffende vormcategorie.[115] Toch kan deze benadering problemen stellen. Stel dat een zeer specifieke aardewerksoort enkel door wandscherven vertegenwoordigd is. Dan lijkt het bij de telling alsof er geen pot van deze soort in het oorspronkelijke ensemble zat terwijl dit toch het geval is.[116] Ik zal dit oplossen door dit te beschouwen als één individu. De wandscherven van de courante aardewerksoorten die niet tot een bepaald individu kunnen gerekend worden zal ik buiten beschouwing laten.

Daarnaast heb ik telkens de rand- en bodempercentages gemeten met behulp van een diameterblad.

 

Aan de hand van dit vergelijkingsmateriaal tracht ik twee vragen te beantwoorden. Ten eerste wil ik nagaan of dit ensemble in te passen is binnen de trends en ontwikkelingen van het aardewerk uit het Hertogdom Brabant. Ik ga bijvoorbeeld nagaan welke importproducten vooral voorkomen op de site en dit dan vergelijken met het importmateriaal van andere vergelijkbare sites uit het voormalige Hertogdom. Vervolgens zal ik aan de hand van de keramiek de afvalcontexten en vooral de structuurresten van het godshuis trachten te dateren. Vanuit deze dateringen kan ik dan tot een werkhypothese komen over de bouwfasen van het godshuis. Deze hypothese kan dan later geconfronteerd worden met de archiefstukken. Een archiefstudie over het godshuis zou me te ver drijven. Het is zo uitgebreid dat er een aparte thesis over geschreven kan worden.

Aanvankelijk wou ik nagaan of het mogelijk is vanuit dit aardewerkensemble iets te zeggen over de levensstandaard van de bewoners van het godshuis en in een latere fase de cellenbroeders. Maar enkel het aardewerk is overgeleverd. Als ik dit nu kon combineren met metalen, houten en glazen vaatwerk en gebruiksgoed zou dat mogelijk zijn. Deze zijn helaas niet overgeleverd. Bovendien is het aantal hoogversierde stukken in roodbakkend aardewerk en steengoed beperkt. De enige stukken die mogelijk gebruikt zijn voor sociaal vertoon zijn de borden met slibdecoratie.

Om toch een zo volledig mogelijk beeld te bekomen van fasering en de socio-economische betekenis van het godshuis zal ik de keramiek, de contextinformatie en de archiefstukken met elkaar confronteren. Vooraleer ik hieraan toe ben zal ik niet alleen de scherven maar ook de volledige archeologische context uitvoerig beschrijven.

 

4.1.2.3 Datering van de stukken

 

Tijdens de zoektocht naar vergelijkingsmateriaal merkte ik dat in heel wat publicaties en thesissen werd gedateerd op vergelijkingsmateriaal uit eerder verafgelegen regio’s tot diep in Nederland. Hoewel het middeleeuwse aardewerk in Vlaanderen een homogene groep is het gevaarlijk om aardewerk uit het Mechelse zomaar te vergelijken met aardewerk uit Brugge of Oostende, althans op het vlak van datering. Het is immers goed mogelijk dat bepaalde types overeen komen maar dit wil nog niet zeggen dat ze in dezelfde periode zijn geproduceerd. Zo zijn er wel degelijk regionale verschillen: in bepaalde delen van het Hertogdom Brabant leefde het grijze aardewerk bijvoorbeeld door tot het begin van de 16de eeuw.[117] Daarom verwees ik enkel naar de exemplaren gedateerd op basis van vergelijkingsmateriaal uit het Mechelse en uit het voormalige Hertogdom Brabant. Op die manier wou ik de datering van de structuurresten zo scherp mogelijk stellen opdat ik deze contextinformatie zou kunnen linken aan archiefstukken en datering van andere elementen.

 

4.1.2.4 Glossarium

De gebruikte terminologie vraagt een woordje uitleg. Alle gebruikte termen komen courant voor bij de beschrijving van middeleeuws aardewerk. Deze courante terminologie is al zodanig ingeburgerd dat een eigen terminologie weinig zinvol zou zijn.

Toch gaan heel wat auteurs achteloos om met de terminologie. In publicaties en bij het beschrijven van de vormcategorieën van aardewerk verwachten ze van de lezer dat deze hiermee vertrouwd is en doen dan geen moeite om deze te beschrijven. Bovendien gebruiken zij heel wat termen die op verschillende manieren kunnen worden uitgelegd en geïnterpreteerd. Daarom zal ik de gebruikte terminologie steeds verklaren zodat er hierover geen twijfel kan bestaan.

 

4.2 Middeleeuws aardewerk: algemene inleiding

 

Doorheen de geschiedenis van het middeleeuwse aardewerk in Vlaanderen loopt een rode draad Enerzijds is er het lokaal geproduceerde aardewerk dat bestaat uit het grijsbakkende en roodbakkende aardewerk. Anderzijds is er de importkeramiek uit het Rijnland die bestaat uit steengoed. Het Rijnland kan buigen over een zeer rijke en hoogstaande keramiektraditie. Over dit Rijnlandse steengoed zijn er al duizenden pagina’s gepubliceerd terwijl het onderzoek naar het regionaal geproduceerd aardewerk nog in zijn kinderschoenen staat.

Voor het lokale aardewerk gaat men er vanuit dat in ieder stedelijk centrum van een zekere omvang pottenbakkersateliers aanwezig waren. In Vlaanderen was pottenbakken immers een typisch stedelijke activiteit gedurende de Middeleeuwen. In feite zijn er slechts een beperkt aantal stedelijke productiecentra gekend: hier werden resten van ovens en, of grote hoeveelheden misbaksels aangetroffen. De sites Brugge- Potterielei, Sint-Kwintens Lennik- Kroonstraat en F. Vandersteenstraat zijn zeker productiecontexten: hier werden naast grote hoeveelheden misbaksels ook resten van ovens aangetroffen. Te Aardenburg- Heerendreef en Mechelen- Egmontstraat werden grote hoeveelheden misbaksels gevonden, ovens werden echter niet aangetroffen. Toch was Mechelen, als een van de belangrijkste steden van het toenmalige Hertogdom Brabant, waarschijnlijk een productiecentrum van rood- en grijsbakkend aardewerk. Deze stelling wordt ook bevestigd door 13de en 14de eeuwse teksten.[121]

 

4.2.1 Locaal geproduceerd aardewerk

 

4.2.1.1 Het roodbakkende aardewerk

 

Deze aardewerksoort is, net zoals het grijsbakkende aardewerk vervaardigd uit een jonge, ijzerhoudende tertiaire rivierklei. Het roodbakkende aardewerk bekomt haar kleur door het oxiderende bakproces op een temperatuur tussen 950 en 1100 °C. Dit houdt in dat tijdens het bakproces lucht wordt toegevoerd in het bakgedeelte van de oven.[122] Hierdoor wordt het ijzer, dat van nature aanwezig is in de klei, omgezet in ijzeroxide: dit verklaart de rode kleur.[123] Deze manier van bakken werd systematisch toegepast vanaf de late 12de en vroege 13de eeuw onder meer om de bekleding met loodglazuur toe te laten.

Toch was dit oxiderende bakproces al veel vroeger bekend. Dit werd immers ingevoerd door de Romeinen. Vervolgens namen de galloromeinse pottenbakkers deze kennis over.[124] Hiervoor was een horizontaal oventype vereist. Bij dergelijke oven vormen de stookkuil en de stookruimte één geheel, in de vorm van een schoenzool. De bakruimte bevond zich boven de stookruimte en werd hiervan gescheiden door een doorboorde bakplaat. Op deze plaat werden de potten gestapeld. Bovendien was deze oven gedeeltelijk ingegraven zodat een hogere baktemperatuur kon bekomen worden.[125] Deze technische kennis ging grotendeels verloren bij de instorting van het Romeinse Rijk. Enkel in het Rijnland en het Maasland bleef deze kennis voortleven.

In Vlaanderen werd van de 5de tot de 12de eeuw enkel reducerend gebakken aardewerk geproduceerd. De kogelvormige bouwpotten in de koepel van de Sint-Donaaskerk in Brugge (late 10de eeuw) vormen hierop een uitzondering. Deze potten zijn overwegend grijsbakkend maar er komen ook een aantal oxiderend gebakken potten voor.[126] Dit kan echter toevallig gebeurd zijn! In de Maaslandse productiecentra van het Andenne-aardewerk werd het oxiderende bakproces al bewust toegepast van de 10de tot de 12de eeuw. Bovendien kende men hier ook al het gebruik van loodglazuur. Mogelijk hielden de pottenbakkers uit deze centra hun techniek geheim uit concurrentiele overwegingen.[127] Het is opvallend dat het roodbakkende aardewerk pas opkwam in de late 12de en begin 13de eeuw:[128] dus na het verdwijnen van de productie van het Andenne-aardewerk. Mogelijk werd de technische kennis uit het Maasland toen gemeengoed!

De herintroductie van het oxiderende bakproces is onlosmakelijk verbonden met een betere controle van de ovenatmosfeer. Deze kon beter gecontroleerd worden daar men gebruik maakte van het horizontale oventype (cf infra). Bovendien werd het hierdoor mogelijk om de pot met loodglazuur te overtrekken.[129] Dit verkleinde niet alleen de porositeit van de pot maar vergrootte ook de decoratieve mogelijkheden. De bereiding van het loodglazuur was een erg complex proces. Het werd in ieder geval bereid op basis van loodwit[130]. Het is onbekend hoe dit in de hoge en late middeleeuwen werd geproduceerd maar het is wel geweten hoe dit in de 18de en 19de eeuw gebeurde! Loden platen werden hiertoe opgerold tot spiralen en in zogenaamde ‘loodwitpotten’ gestoken. In deze potten werd vervolgens azijnzuur gegoten. De potten werden in verschillende lagen gestapeld en hiertussen kwam stro gedrenkt in paardenurine. Hierdoor ontstond er een gistings- en oxidatieproces zodat er na acht weken een azijnzuur loodoxide ontstond. Dit werd fijngemaakt tot een wit poeder dat vervolgens gezeefd werd. Er zijn echter 14de en 15de eeuwse maal- en zeefinstallaties aangetroffen die mogelijk voor dit proces gebruikt zijn.[131] Dit loodoxide werd toegevoegd aan een soort van kleipapje zodat de smelttemperatuur van het daarin aanwezige siliciumdioxide verlaagd werd. Hierdoor kon dit glazuur al verglazen op 900 à 1000°C. in plaats van op 1710°C.

De toepassing van loodglazuur was in de 12de eeuw nog erg duur. Daarom werd het aanvankelijk enkel toegepast op het hoogversierde luxeaardewerk.[132] Dit hoogversierd aardewerk werd tweemaal gebakken: een eerste maal zonder glazuur en een tweede maal met glazuur. Als de eerst bakking dan een misbaksel opleverde dan was er tenminste geen kostbaar loodglazuur verspild![133] Maar vanaf het moment dat het loodglazuur goedkoper werd de tweede bakking overbodig. Het tweemaal opstoken van de oven is immers ook een hele investering!

Op het roodbakkende gebruiksgoed werd het glazuur aanvankelijk slechts zeer spaarzaam gebruikt. In eerste instantie werd een glazuurvlek aangebracht op de schouder. Geleidelijk aan werd dan eerst de binnenzijde van de pot met glazuur bedekt: eerst gedeeltelijk, later volledig. Tenslotte werden zowel binnen- als buitenzijde geglazuurd. Deze evolutie verliep parallel met de verbeterde en daardoor goedkopere glazuurproductie.[134]

4.2.1.2 Het grijsbakkende aardewerk

 

Zoals al eerder vermeld is ook dit aardewerk gevormd uit een jonge tertiare ijzerhoudende klei. Tijdens het bakproces werd de zuurstoftoevoer afgesloten: dit noemt men reducerend bakken. Het oppervlak werd soms gesmoord. Dit betekent dat er jong hout en groene bladeren in het vuur werd geworpen op het einde van het bakproces. Dit veroorzaakt een dikke zwarte rook die neersloeg op het oppervlak van de pot.[135] De koolstofdeeltjes uit deze roetneerslag kwamen dan in de poriën terecht zodat de porositeit kon worden teruggedrongen.[136] Dit procédé veroorzaakt een gelaagde breuk. Het oppervlak is zwart van kleur terwijl de kern van de scherf grijs is.[137]

 

Evolutie van het locaal geproduceerd aardewerk

In de 10de eeuw was de ronde kookpot met ronde of bolle bodem met ingesnoerde hals de meeste voorkomende vormcategorie (deze wordt ook wel kogelpot genoemd). Deze potten werden reducerend gebakken en kenden een geleidelijke vormelijke uniformisering door de geleidelijke introductie van de draaischijf. Deze kogelpotten werden nogal eens gedecoreerd met radstempels of gewone stempels.[138] In de 12de en 13de eeuw vond een technologische omwenteling plaats in het locaal geproduceerd aardewerk. Deze komt in feite neer op een doorgedreven specialisatie en uniformisering.

De herintroductie van het oxiderende bakproces, dat glazuren toeliet, gaf aanleiding tot de ontwikkeling van nieuwe vormen van kookgerei en het ontstaan van de hoogversierde tafelwaar. Tot de eerste categorie behoren de grapen[139] en de braadpannen met geglazuurde binnenzijde.[140]

Het hoogversierde aardewerk werd hoofdzakelijk in westelijk Vlaanderen geproduceerd. Bij deze categorie werd het loodglazuur puur decoratief gebruikt in combinatie met witte pijpaarde. De producenten van deze hoogversierde waar ontdekten bovendien hoe ze het loodglazuur een bepaalde kleur konden meegeven; onder andere door de toevoeging van koper. Daarnaast werd in deze categorie de schenkkan met ovaal, rond, of peervormig lichaam, schenktuit en massief oor geïntroduceerd. Dit luxeaardewerk ontstond vanuit de vraag van de burgerij naar een luxewaar die bruikbaar was in hun nieuwe tafelgebruiken met een belangrijk accent op de wijnconsumptie.[141]

Terwijl er rond 1300 ongeveer evenveel rood- als grijsbakkend aardewerk werd geproduceerd, werd het grijze aardewerk vanaf 1400 voorbijgestoken door het roodbakkende aardewerk. Algemeen gezien zal het grijsbakkende aardewerk volledig verdwenen zijn tegen het begin van de 16de eeuw terwijl het iets langer zal voortleven in het Hertogdom Brabant.[142]

Gedurende de 13de en begin 14de eeuw was er nog een overwicht aan grijsbakkend aardewerk. Deze soort omvatte vooral ronde kookpotten met halsinsnoering en lensbodem, voorraadpotten, kannen en kruiken met cilindervormige hals en kommen. Later in de volle 14de eeuw werden de kommen breder en werd de breedgeschouderde waterkruik geïntroduceerd. Geleidelijk aan werd de lensbodem bij deze vormen gecombineerd met drie tot vier standvinnen of een standring. In de loop van de 15de eeuw werd het aantal vormen in grijs aardewerk, althans in Vlaanderen, steeds beperkter om plaats te maken voor het roodbakkende aardewerk.

Bij dit aardewerk verdween het drink- en schenkgerei: dit marktsegment werd ingenomen door het steengoed. Deze importwaar nam immers sterk toe in belang!

 

4.2.2 Importaardewerk

 

Volgens Hans-Georg Stephan is steengoed als volgt te omschrijven: ”Steengoed is een keramisch product met versinterde, bontgekleurde scherven, dat geen water doorlaat. Het heeft een schelpvormige, waterafstotende breuk en geeft een heldere klank. Het is zo hard dat het niet met staal kan gekrast worden en het is de meest schokbestendige aardewerksoort. Meestal heeft het een zoutglazuur. Opdat de klei zou versinteren, moet een oventemperatuur tussen de 1200 en 1400°C. bereikt worden.”[143] Deze geringe porositeit verklaart het succes van steengoed. Door de nieuwe drankgebruiken ontstond dus een behoefte aan aardewerk met een geringe porositeit. Zo kan verklaard waarom de middeleeuwse pottenbakkers de porositeit van het aardewerk steeds trachtten te beperken. Dit was waarschijnlijk een van de drijfveren achter de opkomst van het geglazuurde roodbakkende aardewerk.[144] Algauw kregen deze regionale pottenbakkers concurrentie uit het Rijnland zodat het hoogversierd aardewerk - dat in Oost -en West-Vlaanderen werd geproduceerd – in de loop van de 14de eeuw geleidelijk werd voorbijgestoken door het steengoed.[145] In het Rijnland werd het recept voor het waterondoorlatende steengoed geperfectioneerd. Bovendien had steengoed het bijkomende voordeel dat het chemisch inert was. Hierdoor konden er ook vloeistoffen met een hoge zuurtegraad, zoals azijn, in bewaard worden.[146]

Daarnaast werd er ook steengoed geproduceerd in Noord-Frankrijk, namelijk in Beauvais.[147] De steengoedproductie kwam hier op gang vanaf het einde van de 13de eeuw en liet zich sterk inspireren door het Rijnland. Heel wat Rijnlandse en in het bijzonder Keulse types werden zelfs gekopieerd in Beauvais.[148]

 

4.2.2.1 Het Steengoed: de ontwikkeling van pingsdorfaardewerk tot echt steengoed

 

De productie van steengoed is niet toevallig op gang in het Rijnland tot stand gekomen. De rijke aardewerktraditie van deze streek gaat al terug op de Romeinse aanwezigheid. Vanuit deze traditie is een steeds betere controle van de ovenatmosfeer tot stand gekomen: voor de productie van volledig versinterd steengoed is een oventemperatuur tussen de 1200 en 1400°C noodzakelijk.[149] De ovens worden steeds verder geperfectioneerd om in de 18de eeuw op de perfecte steengoedoven uit te komen. Deze oven is in grondplan rechthoekig en de vuur- en bakkamer hebben een lichte helling.[150]

Deze rijke traditie is te verklaren door de aanwezigheid van de vereiste grondstoffen in het Rijnland. De ijzerarme, tertiaire klei die noodzakelijk is voor de productie van steengoed komt hier immers van nature voor.[151] Deze klei wordt ontgonnen in de onmiddellijke nabijheid van de productiecentra. In Siegburg en Westerwald wordt deze ontgonnen in ondiepe putten terwijl in Langerwehe diepe schachten van 15 tot 20 m diep zijn uitgehaald om de kleilagen te bereiken.[152] De belangrijkste eigenschap van deze klei is het grote verschil tussen de sinterings- en de smelttemperatuur. Dit vraagt een woordje uitleg: de sinteringstemperatuur is de temperatuur waarop het in de klei aanwezige veldspaat begint te smelten (deze ligt op 1200 °C). Op deze temperatuur blijft de vorm van de pot behouden. Het smeltpunt van deze klei ligt echter veel hoger, namelijk op 1500°C.[153] Om de ovens tot 1200°C te stoken, zijn dus enorme houtvoorraden nodig. Vanaf de introductie van het zoutglazuur is dan een grote vraag naar zout ontstaan. Dit kon gemakkelijk geïmporteerd worden via het wijdvertakte en sterk uitgebouwd netwerk van land- en waterwegen in het Rijnland.[154]

 

Het steengoed heeft zich geleidelijk ontwikkeld uit het Pingsdorf aardewerk. Terwijl het Pingsdorf-aardewerk aanvankelijk eerder zacht werd gebakken bekwam men geleidelijk aan een betere controle van de ovenatmosfeer. Hierdoor werd het mogelijk om de potten harder te bakken.[155] In deze technologische ontwikkeling werden de granulometrische samenstelling en de graad van versintering steeds verder verfijnd.

De productie van steengoed kwam voor het eerst tot ontwikkeling in Siegburg. De verschillende ontwikkelingsstadia van steengoed zijn bepaald door petrografische analyse van steengoed uit Siegburg.[156] Het eerste stadium van het protosteengoed, waarbij de zandmagering nog duidelijk zichtbaar is , is het oppervlak al gedeeltelijk versinterd .[157] Het werd geproduceerd tussen 1200 en 1280 BC. Het volgende stadium is het bijna steengoed of vroege steengoed. Dit werd geproduceerd tussen 1250 en 1310 en de zandmagering is hier al gedeeltelijk versmolten met de scherf.[158] De structuur van de pasta is al heel wat dichter maar het oppervlak voelt nog ruw aan (te vergelijken met fijn schuurpapier).[159] Vanaf 1280 werd er dan voor het eerst volledig versinterd steengoed geproduceerd. Hierbij is de magering volledig versmolten met de scherf.[160] Om deze versintering te verkrijgen moesten de steengoedovens opgestookt worden tot 1250°C. De pasta heeft een zeer lage porositeit en de klei bevatte – zo bleek uit mineralogisch onderzoek – praktisch geen bewust toegevoegde magering. De pottenbakkers in Siegburg perfectioneerden de oxiderende ovenatmosfeer zodat men hier een crèmekleurig tot wit baksel verkreeg.[161]

Met deze onderverdeling tussen proto-, bijna- en echt steengoed moet men echter oppassen, vooral bij het 13de eeuwse steengoed. Aangezien men de ovenatmosfeer nog niet volledig onder controle had, zeker in het beginstadium, kwam het voor dat de drie ontwikkelingsstadia samen voorkwamen in dezelfde oven. Dit werd veroorzaakt door schommelingen in de ovenatmosfeer.[162] De ovens werden echter geleidelijk aan geperfectioneerd (zie boven).

 

4.2.2.2 Oppervlaktebehandeling en oppervlakteafwerking van steengoed

 

In het Rijnland kende men heel wat technieken om het oppervlak van de pot te laten verkleuren. Terwijl protosteengoed en bijnasteengoed werden overdekt met een ijzerhoudend slib om de porositeit te verminderen werd dit bij het echte steengoed enkel toegepast om cosmetische redenen.[163]

Het eerste steengoed werd nog niet geglazuurd maar in de loop van de 15de eeuw werd de praktijk van het glazuren geleidelijk ingevoerd om tijdens de 16de eeuw in alle steengoedproductiecentra te worden toegepast. Op het einde van het bakproces, dat gemiddeld een 50 tal uur in beslag nam, werd gewoon keukenzout (natriumchloride) in de oven gebracht via openingen in het dak. In contact met de gloeiend hete ovenatmosfeer verdampte het zout in sodiumoxide en waterstofchloride. Dit uiterst giftige waterstofchloride verdampte in wolken uit de oven. Ondertussen sloeg het sodiumoxide neer op de gloeiende potten en op de wanden van de oven.[164] In de 15de en 16de eeuw werd de kleur van steengoed te Langerwehe en Raeren bepaald door bewuste variaties in de ovenatmosfeer. Het steengoed werd hier reducerend gebakken maar op het einde van het bakproces liet men lucht in de oven zodat het oppervlak heroxideerde. Hierdoor kreeg de pot een gevlekt uitzicht. Tegen het einde van de 16de eeuw werd in Raeren en Westerwald overgeschakeld op een puur reducerend bakproces. Hierdoor verkregen de potten een egaal grijs oppervlak dat zich beter leende voor het aanbrengen van de blauwe kobaltverf. Tijdens het bakproces versmelt het kobalt dan met de silicaten in de klei.[165]

 

De plastische decoratie is ook een belangrijk element bij steengoed, zeker vanaf de 15de eeuw. Deze decoratie werd in de eerste helft van de 15de eeuw geïntroduceerd in Siegburg maar kende zijn grootste bloei in de Keulse ateliers vanaf de vroege 16de eeuw. Erg karakteristiek is het gebruik van mallen voor de toepassing van plastische decoratie. In Raeren ontstond vanaf de 15de eeuw de zogenaamde baardmantraditie. Hierbij werden groteske gezichtsmaskers met baarden in appliqué opgelegd. Voor de productie van de gebruikte mallen werd het ontwerp eerst in steen uitgesneden, vervolgens werd dit in klei gedrukt voor een positief origineel dat vervolgens gebakken werd. Van dit positief origineel werd dan weer een negatieve mal gemaakt en gebakken in witbakkende klei. Uiteindelijk werd dan een weinig klei in de mal aangebracht en er vervolgens uitgehaald om met een slib op de pot te worden gekleefd.[166]

Daarnaast werd het steengoed gedecoreerd met rolstempels, incisies en gewone stempels, vooral in de 13de tot begin 15de eeuw. De werktuigen hiervoor zijn niet overgeleverd wat doet vermoeden dat deze uit organisch materiaal bestonden, waarschijnlijk been of hout.[167]

4.2.2.3 De verschillende productiecentra van steengoed

 

Siegburg

Siegburg ligt aan de Sieg, een bijriviertje van de Rijn 12 km ten oosten van Bonn. De keramiekproductie concentreert zich over drie centra: de Aulgasse, de Lendersberg en de Galgenberg. De productie was massaal en werd rond heel de Noordzee gedistribueerd.[168] In Siegburg kwam men voor het eerst tot volledige versintering omstreeks 1325. De ovens waren zodanig opgebouwd dat de vlammen nog rechtstreeks in contact konden komen met de potten. Hierdoor zweefden er tal van onzuiverheden en assen in de bakruimte.[169] De klei die in Siegburg ontgonnen werd was zeer zuiver zodat een lichtgrijs crèmekleurig baksel werd bekomen.[170] Daarom achtten de siegburger pottenbakkers het niet nodig om de pot te overtrekken met een ijzerhoudend slib.