Het aidsbeleid van de Zuid-Afrikaanse regering Mbeki. (Daan Sanders)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

3. HIV/AIDS in Zuid-Afrika: ernst van de pandemie en haar socio-economische gevolgen.

 

3.1. Inleiding: Enkele medische aspecten m.b.t. HIV/AIDS.

 

AIDS staat voor ‘Acquired Immune Deficientie Syndrom’. Alhoewel het technisch gezien geen echte ziekte is, wordt dit wel aangenomen als een ziekte. AIDS is echter eerder een overkoepelende term voor vele medische condities die zich voordoen als gevolg van een verzwakt immuunsysteem dat niet langer de infecties kan afweren[2].

 

Volgens het overgrote deel van de wetenschappers wordt deze ziekte veroorzaakt door HIV of het ‘Humaan Immuundeficiëntie Virus’. Dit is een ingewikkeld retrovirus waar de wetenschap nog steeds niet alles over weet. HIV wil, net zoals elk ander organisme, eigenlijk alleen maar overleven in zijn gastheer. Om dit doel te verwezenlijken, zal het zich vermenigvuldigen met behulp van zogenaamde T4-helpercellen (een bepaald type witte bloedcel) die een belangrijke rol spelen in het menselijk cellulair afweersysteem. Op die manier wordt ons immuunsysteem stap voor stap ontmanteld, met als gevolg dat de mens vatbaarder wordt voor opportunistische infecties en zo AIDS ontwikkelt. Uiteindelijk leidt deze ziekte en de hierbij aansluitende opportunistische infecties (zoals TBC, meningitis, een vorm van longontsteking en andere bacteriële infecties) tot de dood.

AIDS wordt daarenboven niet door slechts 1 virus veroorzaakt maar door een hele familie van HIV-typen, -subtypen en –stammen. Het meest bekende en ook het meest voorkomende type is HIV-1 met 9 verschillende subtypes. Het komt voornamelijk voor in Noord-Amerika, Europa, Azië en het grootste deel van Afrika. HIV-1 is een erg virulent type en de ziekte ten gevolge van de besmetting verloopt heel wat sneller en minder mild dan die van het tweede type virus, HIV-2. Dit type virus is voornamelijk gelokaliseerd in West-Afrika en in Angola en Mozambique. HIV-2 zou een beschermend vermogen hebben tegen HIV-1, in die zin dat personen die besmet zouden zijn met HIV-2, minder kans zouden hebben op een HIV-1-besmetting. Niettemin is het duidelijk dat ook HIV-2 uiteindelijk AIDS teweeg zal brengen en dus even dodelijk is als HIV-1. Een derde type werd pas in 1990 ontdekt, nl. het HIV-0 en komt relatief weinig voor[3].

 

Iemand die besmet is met het HIV-virus, ontwikkelt niet meteen AIDS. Er zijn immers 4 verschillende stadia die men kan onderscheiden vanaf het moment van de HIV-infectie tot en met het overlijden van de met HIV besmette persoon (1ste stadium: acute HIV-infectie; 2de stadium: seroconversie; 3de stadium: asymptomatische fase; 4de stadium: AIDS). Afhankelijk van de individuele gesteldheid, levensomstandigheden, eetgewoonten en nog vele andere factoren kan een geïnfecteerd persoon nog een aantal jaren gezond leven. Men schat dat mensen in ontwikkelingslanden nog gemiddeld 5 tot 8 jaar ‘normaal’ kunnen leven en in de geïndustrialiseerde wereld nog veel langer. Uiteindelijk zal de persoon ziekteperiodes kennen die toenemen in frequentie, in lengte en in zwaarte en die tenslotte tot de dood leiden.

 

Waar het HIV-virus uiteindelijk vandaan komt, is nog altijd niet 100 procent duidelijk. De apentheorie lijkt de meest logische uitleg. Naast HIV bestaat er immers bij apen reeds jaren een virus, het SIV-virus (Simian Immuundeficiëntie Virus) dat verschilt van het HIV-virus bij de mens in die mate dat het geen ziekte teweegbrengt bij zijn natuurlijke gastheer. Reeds meerdere malen werd echter een overdracht vastgesteld van SIV naar HIV zodra het op de mens werd overgedragen. Men neemt aan dat deze overdracht tot stand kwam door contact tussen een open vleeswond bij de mens en geïnfecteerd bloed van een chimpansee. Er wordt algemeen verondersteld dat het HIV-virus ontstaan is in Afrika. Het virus zou zich nadien verspreid hebben door talrijke migraties binnen Afrika. Nadien verspreidde het zich onder meer door kolonisatie en toerisme over de rest van de wereld. Het was echter pas in 1981 dat AIDS voor het eerst echt in de schijnwerpers kwam te staan en als nieuwe ziekte werd erkend[4].

Het virus kan zich op verschillende manieren verspreiden. AIDS is ten eerste een SOA (seksueel overdraagbare aandoening). Dit houdt in dat HIV zowel via hetero- als homoseksueel geslachtsverkeer kan overgedragen worden. Een tweede besmettingsmethode is intraveneus druggebruik, hetgeen nauw samenhangt met een derde methode, nl. besmet bloed en bloedproducten. De laatste belangrijke wijze van besmetting is de overdracht van moeder op kind tijdens de zwangerschap of bij de geboorte (de zogenaamde ‘mother-to-child-transmission’). De kans op HIV-besmetting van moeder op foetus of kind bedraagt 15 tot 25% in de geïndustrialiseerde landen en 25 tot 45% in de ontwikkelingslanden. Men heeft tevens aangetoond dat HIV ook via de moedermelk kan worden overgedragen[5].

 

 

3.2. Demografische aspecten en gevolgen van AIDS in Zuid-Afrika.

 

3.2.1. Enkele cijfers.

 

Vooraleer we overgaan tot Zuid-Afrika zelf, willen wij toch eventjes stilstaan bij de cijfers van AIDS in de wereld en in het ergst getroffen deel van de wereld, nl. Subsahara Afrika.

Op globaal niveau werden sinds het uitbreken van de aidsepidemie al ruim 60 miljoen mensen met het HIV-virus besmet. Van die ruim 60 miljoen mensen zijn er meer dan 20 miljoen reeds aan AIDS gestorven. Bijgevolg zijn volgens schattingen van UNAIDS en de Wereldgezondheidsorganisatie van december 2002 42 miljoen mensen wereldwijd besmet met HIV. Van die 42 miljoen zijn er 38,6 miljoen volwassenen (19,4 miljoen mannen en 19,2 miljoen vrouwen) en 3,2 miljoen kinderen (onder 15 jaar) HIV-positief. De aidsepidemie blijft uitbreiden (alhoewel het aantal HIV-besmette personen per jaar iets afneemt) en het aantal doden t.g.v. AIDS blijft groeien. In 2002 werden 5 miljoen mensen besmet met het HIV-virus (waaronder 4,2 miljoen volwassenen en 800000 kinderen), terwijl dit in 1999 5,6 miljoen was. 3,1 miljoen mensen stierven in 2002 aan AIDS (waaronder 2,5 miljoen volwassenen en 610000 kinderen), terwijl het dodenaantal in 2001 2,9 miljoen bedroeg (zie bijlage nr. 1 en 2). UNAIDS en de WHO voorspellen tevens dat indien er geen uitgebreide, globale inspanning komt m.b.t. preventie, er tussen 2002 en 2010 nog eens 45 miljoen mensen met HIV besmet zullen worden in 126 landen (in zogenaamde low- en middle-income countries). Deze uitbreiding van de aidsepidemie kan voorkomen worden indien een globale preventiecampagne tegen 2005 op gang komt. Een dergelijke campagne zou tegen 2010 29 miljoen mensen redden van HIV-infectie. UNAIDS en de WHO waarschuwen tevens in hun rapport van december 2002 voor de sterke toename van AIDS in Oost-Europa, Centraal-Azië en China (zie bijlage nr. 2)[6].

Het continent dat echter torenhoog boven alle andere werelddelen uitsteekt wat betreft het aantal HIV-besmette mensen, is Afrika en meer specifiek Subsahara Afrika. In 1991 beweerden epidemiologen dat tegen het einde van het millenium 9 miljoen personen in Subsahara Afrika zouden besmet zijn met HIV. Zij hadden echter de mogelijke omvang van de epidemie onderschat, want tegen het einde van de 20ste eeuw waren er ruim 2,5 keer zoveel HIV-besmette Afrikanen. Volgens het rapport van UNAIDS van december 2002 zijn er 29,4 miljoen mensen besmet met HIV, waaronder 10 miljoen jonge mensen (tussen 15 en 24) en bijna 3 miljoen kinderen (in het rapport van december 1999 waren dit er nog ‘maar’ 23,3 miljoen). Bijgevolg is 8,8 % van de bevolking besmet met HIV (in 1999 was dit 8,0 %). Niet alleen is AIDS waarschijnlijk afkomstig uit deze regio, maar bovendien blijft ze er zich het sterkst manifesteren. Bijna 70% van de geïnfecteerden bevindt zich immers in Subsahara Afrika. Tevens vindt men 20 van de landen met de hoogste HIV-besmettingsgraad terug in dit deel van Afrika. 2,4 miljoen Afrikanen stierven aan AIDS in 2002, terwijl in het laatste decennium ruim 12 miljoen mensen in Afrika, waaronder 3,7 miljoen kinderen, t.g.v. AIDS de dood ingejaagd werden. Daarenboven moet het ergste nog komen. Het dodental zal indien er geen grote stappen worden gezet in de behandeling van mensen met HIV en AIDS, blijven oplopen en vermoedelijk zijn piek bereiken op het einde van dit decennium. Niettemin zijn wel enkele kleine lichtpunten merkbaar. In 2002 zijn 3,5 miljoen nieuwe HIV-gevallen vastgesteld, wat een vermindering is in vergelijking met het rapport van 1999 waarin 3,8 miljoen nieuwe HIV-geïnfecteerde personen werden vastgesteld (zie bijlage nr. 2). In bepaalde Afrikaanse landen is een daling van de HIV-besmettingsgraad vastgesteld van jonge vrouwen onder de 20 t.g.v. verhoogde preventie. Tevens hebben bepaalde landen zoals Oeganda een zeer goed aidsbeleid wat tot hoopvolle resultaten leidt[7]. Tenslotte moet nog vermeld worden dat er binnen Subsahara Afrika grote regionale verschillen zijn m.b.t. de HIV-besmettingsgraad. Zo hebben landen in het zuidelijke deel van Afrika een zeer hoog percentage van HIV-besmetting in vergelijking met de totale bevolking van het land in kwestie (Zimbabwe: 25,8%, Botswana: 25,1%, Namibië: 19,9%, Zambië: 19,0%, Swaziland: 18,5% en Zuid-Afrika: 11,4%). De redenen hiervoor komen verderop aan bod wanneer we het hebben over Zuid-Afrika. Landen als Gabon (4,3%), Nigeria (4,1%), Kameroen (4,9%) hebben daarentegen een voor Afrika relatief lage besmettingsgraad[8].

 

Wat Zuid-Afrika betreft, is de aidsepidemie net zoals in andere zuidelijke Afrikaanse landen ernstig. Voor het cijfermateriaal baseerden we ons hoofdzakelijk op twee studies. Een eerste is die van de UNAIDS en de WHO van eind 2002. Een tweede, veel volledigere studie, die verscheen in december 2002, is deze van de Nelson Mandelastichting en het Nelson Mandela kinderenfonds gevoerd door de onderzoeksraad voor humane wetenschappen (‘human sciences research council’ of HSRC), in samenwerking met de medische onderzoeksraad (‘medical research council’ of MRC) en het centrum voor ontwikkeling, onderzoek en evaluatie m.b.t. AIDS (CADRE). Het is de eerste, echt onafhankelijke representatieve studie over HIV/AIDS in Zuid-Afrika en werd uitgevoerd op 9863 over het land verspreide mensen, inclusief 8840 anonieme deelnemers die een HIV-test lieten doen[9].

Algemeen stelde UNAIDS in zijn rapport van 2002 vast dat circa 5 miljoen van de 43,7 miljoen Zuid-Afrikanen besmet zijn met het HIV-virus (11,4%), waarmee Zuid-Afrika het land is met in absolute cijfers het hoogste aantal HIV-besmette personen in de wereld. In de Nelson Mandela/HSRC studie houdt men het op 4,5 miljoen seropositieven maar blijft het percentage van 11,4 vreemd genoeg gehandhaafd. De verschillen m.b.t. de sexe op nationaal niveau zijn duidelijk: bij de mannen is 9,5% besmet met het HIV-virus, terwijl dit percentage bij de vrouwen 12,8 bedraagt. Dagelijks komen er daarenboven 1500-1700 nieuwe HIV-geïnfecteerden bij, wat het aantal Zuid-Afrikanen met het HIV-virus volgens het US Bureau of the Census en volgens het rapport van de medische onderzoeksraad (MRC) in 2010 op ruim 6 miljoen zou brengen[10].

Wat de leeftijd betreft, zijn binnen de leeftijdsgroep 15-49 jaar volgens UNAIDS 4,7 miljoen mensen oftewel 20,1% van deze groep seropositief. 2,7 miljoen van die 4,7 miljoen (55,1%) zijn vrouwen. De Nelson Mandela/HSRC studie houdt het bij 15,6% van de mensen binnen de leeftijdsgroep 15-49 jaar die HIV-positief zijn (17,7% van de vrouwen en 12,8% van de mannen). Deze groep wordt verder ingedeeld in een groep met mensen van 15 tot 24 jaar en een groep van mensen van 25 en ouder. In de eerste categorie bedraagt het percentage HIV-geïnfecteerden 9,3% (6,1% bij de mannen en 12% bij de vrouwen). Dit is een vrij positieve zaak mede het gevolg van betere bewustmakings- en preventiecampagnes. Hetzelfde kan gezegd worden van het percentage met HIV-besmette zwangere vrouwen onder de 20. Dit daalde van 1998 tot 2001 van 21 naar 15,4%. Bij zwangere vrouwen ouder dan 20 blijft de HIV-besmettingsgraad echter stijgen. De tweede categorie (vanaf 25 jaar) heeft duidelijk een hoger percentage van HIV-besmette personen, nl. 15,5% (14,4% bij de mannen en 16,2% bij de vrouwen). Bij de leeftijdsgroep onder de 15 jaar zijn er ongeveer 250000 kinderen drager van het HIV-virus. In percentages uitgedrukt zijn ongeveer 5,6% van deze leeftijdsgroep seropositief. Daarenboven worden elk jaar zowat 50000 tot 60000 kinderen geboren met het HIV-virus. De oorzaken van deze vrij hoge cijfers en percentages zijn volgens de Nelson Mandela/HSRC studie niet alleen te zoeken bij de overdracht van het HIV-virus van zwangere vrouwen naar hun kinderen (alhoewel dit wel het merendeel betreft), maar ook bij seksueel misbruik en bij het gebruik van onsteriele naalden[11].

De Zuid-Afrikaanse bevolking werd in de Mandela/HSRC studie niet alleen ingedeeld in leeftijdsgroepen maar ook op vlak van ras. Bij de zwarte bevolking en tevens de grootste groep in Zuid-Afrika ligt het percentage HIV-besmette mensen duidelijk het hoogst, nl. 12,9%. Daarna komen de blanke Zuid-Afrikanen met 6,2% wat behoorlijk hoog is vergeleken met de percentages van de blanke bevolking in het westen. Vervolgens zijn er de kleurlingen met 6,1% en tenslotte de bevolking van Indische oorsprong met een laag percentage van 1,6%[12].

Vervolgens werd in de resultaten van de Mandela/HSRC studie ook de HIV-besmettingsgraad van de 9 provincies van Zuid-Afrika in percentages berekend:

 - Vrijstaat: 14,9%

- Gauteng: 14,7%

- Mpumulanga: 14,1%

- KwaZulu-Natal: 11,7%

- Westelijke Kaap: 10,7%

- Noord-West: 10,3%

- Limpopo: 9,8%

- Noordelijke Kaap: 8,4%

- Oostelijke Kaap: 6,6%

Deze resultaten zijn toch vrij opvallend, vergeleken met vorige studies. Zo kwam KwaZulu-Natal slechts op de 4de plaats, in tegenstelling tot onderzoeken van bepaalde geboorteklinieken die deze provincie als de provincie vooruitschoven met de hoogste HIV-besmettingsgraad. Een mogelijke verklaring voor deze discrepantie wordt door de Mandela/HSRC studie gezien in het feit dat vele plaatsen in KwaZulu-Natal die onderzocht werden door dergelijke instituten, locaties waren langs grote transportroutes. Deze transportroutes staan immers bekend voor hun hoge besmettingsgraad. Tevens leven slechts een klein percentage van de bevolking in KwaZulu-Natal in informele stedelijke woonplaatsen of slums, waar de HIV-besmettingsgraad veel hoger ligt. Niettemin is KwaZulu-Natal een heel dichtbevolkte provincie waardoor het nog steeds het 2de hoogste aantal met HIV-geïnfecteerde personen heeft na Gauteng. Ook de resultaten van de Westelijke Kaap zijn enigszins verrassend. Vroegere onderzoeken toonden aan dat deze provincie het laagste percentage van HIV-besmette mensen had (8,6%). Het Mandela/HSRC rapport kwam tot de vaststelling dat dit percentage toch iets hoger lag, nl. 10,7%[13].

Tenslotte willen wij ook wijzen op het door het Mandela/HSRC onderzoek gemaakte onderscheid tussen stad en platteland. De stedelijke gebieden werden nog eens onderverdeeld in formele stedelijke gebieden waar het percentage HIV-besmette mensen 11,4 bedroeg, en de stedelijke informele gebieden (de zogenaamde sloppenwijken, slums of townships) waar de besmettingsgraad gemiddeld veel hoger ligt, nl. 21,3%[14]. In sommige informele stedelijke gebieden stijgt dit zelfs tot 25%. Wat het platteland betreft, werd een bijkomend onderscheid gemaakt tussen tribale gebieden, waar 8,7% van de mensen drager is van het HIV-virus, en de agrarische gebieden met boerderijen waar de HIV-prevalentiegraad 7,9% is (zie bijlage nr. 3)[15].

Rekening houdende met vele van deze factoren kunnen we besluiten dat de aidspandemie zeer ernstige vormen aanneemt. Alhoewel op vlak van ras, geslacht, leeftijd, woonplaats, inkomen, enz. de omvang van de epidemie vaak erg verschilt, zijn er gemiddeld wel 1 op 9 Zuid-Afrikanen drager van het HIV-virus, wat een enorme impact heeft op de demografische factoren en het sociaal-economische leven van de Zuid-Afrikaanse samenleving.

 

3.2.2 Enkele redenen voor de hoge HIV-besmettingsgraad.

 

In 1990 bedroeg de HIV-besmettingsgraad in Zuid-Afrika slechts 1%. Heden ten dage is dit gemiddeld 11% en in sommige regio’s of in sommige leeftijdsgroepen stijgt dit zelfs uit boven de 20%. Vergeleken met b.v. Thailand is dit een wereld van verschil waar net als in Zuid-Afrika in 1990 de HIV-prevalentiegraad slechts 1% bedroeg en dit vandaag iets boven de 2% uitkomt[16]. Opmerkelijk hierbij is de snelheid waarmee AIDS zich verspreidt heeft over Zuid-Afrika. Verschillende redenen moeten hiervoor aan de basis liggen. We raken er hier kort enkele aan die wel van belang zijn voor Zuid-Afrika.

Een eerste factor die van groot belang is geweest m.b.t. de verspreiding van AIDS is de apartheid. Zuid-Afrika werd immers zeer lang gekenmerkt door scheiding van de bevolking op basis van ras. Het einde van de apartheid betekent echter niet dat de sociale en economische situatie in Zuid-Afrika een complete transformatie ondergaat. Alhoewel een zwarte elite zich nu meer en meer nestelt naast de blanken, blijft de meerderheid van de zwarten en kleurlingen grotendeels door die discriminatie op basis van ras ver achter op de blanke bevolking wat betreft economische zekerheid, levensomstandigheden en educatie. Dit maakt de zwarte bevolking in het bijzonder bijzonder kwetsbaar voor HIV en AIDS.

Hieraan kunnen we bijgevolg de factor armoede linken. Ook deze speelt een rol bij de verspreiding van HIV en AIDS. We komen hier echter uitvoeriger op terug verderop in dit hoofdstuk en in het hoofdstuk over het aidsbeleid[17].

Een derde, belangrijke reden voor de grootte en verspreiding van de aidsepidemie is de hoge arbeidsmobiliteit en –migratie in het zuidelijk deel Afrika. Reeds tijdens de segregatie –en apartheidsperiode was er een grote arbeidsmigratie te merken bij grote delen van de bevolking. Vele arme zwarten (meestal mannen) uit vnl. de ‘homelands’ en het platteland, werden ertoe gedwongen om werk te gaan zoeken in de geïndustrialiseerde stedelijke zones van Zuid-Afrika of in de verschillende mijnen, waardoor de zwarte arbeidersbevolking zeer mobiel was. Na het einde van de apartheid veranderde dit niet echt, integendeel het verergerde zelfs. Grotere bewegingen van arme vnl. mannelijke zwarte arbeiders trokken naar de zones waar werk werd aangeboden (geïndustrialiseerde en stedelijke zones) waardoor ze vaak voor korte tot langere periodes verwijderd zijn van hun familie. Door deze hoge mobiliteit van vele zwarte arbeiders heeft AIDS zich snel kunnen verspreiden en is er een duidelijke relatie tussen het hoge aantal HIV-geïnfecteerden en werkenden in bepaalde economische sectoren waar mobiliteit belangrijk is. Er zijn twee groepen arbeiders in Zuid-Afrika die een zeer hoog risico lopen om geïnfecteerd te geraken. Ten eerste zijn er de arbeidsmigranten (waaronder een grote groep mijnarbeiders), tevens de grootste groep. Arbeidsmigratie verhoogt immers over het algemeen de frequentie van seksueel contact met verschillende partners of prostituees omdat de man verwijderd is van zijn vrouw en familie, wat het risico op besmetting hoog maakt. Wanneer de arbeidsmigrant besmet is en in vakanties weer naar zijn familie gaat, kan hij het HIV-virus overdragen, zonder dat hij er zich vaak van bewust is. Een tweede groep zijn de vrachtwagenchauffeurs die net als de arbeidsmigranten vaak voor langere periodes verwijderd zijn van hun familie en een verhoogde kans op HIV-besmetting hebben. Uit een studie van het MRC van mei 2001 kwam het schokkende resultaat naar boven dat 56% van de 320 truckers die voor de studie ondervraagd werden door prostituees in het oostelijke deel van KwaZulu-Natal, drager waren van het HIV-virus. Tevens verklaarden 34% van deze vrachtwagenchauffeurs dat zij stopten voor seks tijdens hun reizen en 29% zeiden dat zij nooit een condoom gebruikten bij seks met een prostituee. Het is overigens uit verschillende andere onderzoeken gebleken dat langs belangrijke transportroutes in Zuid-Afrika het percentage HIV-geïnfecteerden duidelijk hoger ligt dan het gemiddelde[18].

Vervolgens speelt ook seksueel geweld in Zuid-Afrika zijn rol in de verspreiding van HIV en AIDS. Alhoewel het geweld in zijn politieke vorm na het einde van de apartheid gestopt is, is dit niet het geval voor vele andere vormen van geweld. Een van die vormen is seksueel geweld in vele gevallen tegenover vrouwen[19].

Tenslotte is een andere belangrijke reden voor de grote aidsverspreiding in Zuid-Afrika het falen van het beleid m.b.t. publieke gezondheidszorg, niet alleen onder Mbeki maar zeker en vast ook daarvoor. Maar hierover komen we in het hoofdstuk over het aidsbeleid zeer uitvoerig op terug.

 

3.2.3. De demografische impact van AIDS

 

3.2.3.1. De mortaliteit van de volwassenen.

 

De meest directe demografische impact van AIDS is een verhoging van de mortaliteit, vooral bij de bevolkingsgroep tussen de 20 en de 40 jaar, die over het algemeen het gezondst zijn, het meest productief en het minst getroffen worden door dodelijke ziektes. Het is echter bij deze groep dat AIDS het sterkst vertegenwoordigd is. 15 tot 20% van de volwassenen tussen 15 en 45 zijn in Zuid-Afrika besmet met het HIV-virus. AIDS is in de meeste regio’s van Zuid-Afrika de belangrijkste doodsoorzaak geworden onder deze groep. Ongeveer 40% van alle gestorven volwassenen tussen de 15 en de 40 zijn gestorven t.g.v. AIDS (in 1999 was dit 30% en in 1997 17%).

De gehele groep volwassenen beschouwd (alle personen ouder dan 18) overlijden 20% aan de gevolgen van AIDS. Gecombineerd met de aidssterfte onder de kinderen die we hierna bespreken, leidt dit tot de conclusie dat 1 op de 4 sterfgevallen in Zuid-Afrika door AIDS veroorzaakt wordt.

In 2001 zijn zo’n 360000 Zuid-Afrikanen overleden t.g.v. AIDS In 1999 waren dit er nog ‘maar’ tussen de 180000 en de 250000. Men meent tevens dat tussen 2000 en 2010 ongeveer 5 tot 7 miljoen mensen zullen sterven aan AIDS en dat er tegen 2010 zo’n 700000 aidsdoden per jaar zullen vallen. Er werd tevens in 2000 geschat dat de mortaliteitsgraad dubbel zo hoog was dan wanneer AIDS er niet zou zijn[20].

 

3.2.3.2. De kindersterfte.

 

Tijdens de bevalling of via de borstvoeding kan een HIV-besmette vrouw het virus doorgeven aan haar kind (de zogenaamde ‘mother-to-child-transmission’). Ongeveer 15 tot 45% van de kinderen met een besmette moeder raakt zo ook besmet. Het grootste deel van die kinderen sterft voor ze 5 jaar zijn, waardoor de kindersterfte aanzienlijk toeneemt. Voor Zuid-Afrika werd berekend dat de kindersterfte ten gevolge van AIDS in het jaar 2000 119,6 per 1000 kinderen bedraagt. Slechts 65,6 per 1000 kinderen zouden sterven zonder AIDS. In 2010 zou dit percentage aan AIDS gestorven kinderen nog stijgen en zelfs verdubbelen, wat niet erg hoopgevend is: 146,6 per 1000 kinderen zouden sterven met AIDS, waarbij er slechts 47,6 per 1000 zouden doodgaan zonder AIDS.

Daarenboven stelde de Mandela/HSRC studie dat de reden voor de hoge HIV-besmettingsgraad bij kinderen onder de 15 niet alleen moet gezocht worden bij de zogenaamde ‘mother-to-child-transmission’ (alhoewel dit het overgrote deel van de jonge kinderen met het HIV-virus besmet en bijgevolg de kindersterfte, uitmaakt), maar ook bij seksueel misbruik en het gebruik van onsteriele naalden. Deze groep kinderen zorgt voor een nog hoger aantal kinderen gestorven t.g.v. AIDS.

Dit heeft uiteraard allemaal een enorme impact op het functioneren van de maatschappij aangezien mortaliteit bij kinderen meestal wordt gezien als één van de belangrijkste indicatoren voor de ontwikkeling van een land[21].

 

3.2.3.3. De bevolkingsgroei.

 

Verschillende studies hebben zich toegelegd op het verband tussen bevolkingsgroei en AIDS in Zuid-Afrika. Allemaal kwamen ze tot verschillende resultaten maar waren het wel over één zaak eens, nl. dat aidsepidemie wel degelijk een invloed heeft op de bevolkingsgroei in Zuid-Afrika.

Zo voorspelde US Census Bureau in 2001 dat o.a. Zuid-Afrika in 2003 een negatieve bevolkingsgroei zullen hebben van –0,1% tot zelfs –0,3%. Niet enkel de groei zal stoppen maar ook het aantal mensen zal werkelijk afnemen. De oorzaak van deze negatieve groei is duidelijk de hoge HIV-besmettingsgraad en de relatief lage vruchtbaarheidsfactor. Het was de eerste keer dat dit bureau een negatieve bevolkingsgroei voorspelde voor een aantal landen omwille van AIDS[22].

Het Bureau van Marktonderzoek van de universiteit van Zuid-Afrika in Pretoria is iets behoedzamer. Zij berekenden in 2001 dat indien er geen oplossing komt voor het AIDS-vraagstuk, de bevolking binnen afzienbare tijd zal teruglopen. Voorlopig is er volgens hen nog een lichte groei met een gemiddelde tussen 1996 en 2006 van 1,35% per jaar. Bij een gelijkblijvend of hoger niveau van HIV-infectie zal de bevolking volgens dit bureau na 2006 met ongeveer 0,16% afnemen[23].

In het onderzoek, gepubliceerd in juli 2002 door CADRE (centrum voor ontwikkeling onderzoek en evalutatie m.b.t. AIDS) is men nog iets voorzichtiger. Hierin stelt men dat de aidsepidemie in geen geval de bevolkingsgroei volledig zal doen stoppen. De bevolkingsgroei zal volgens CADRE wel vertragen. Maar een negatieve bevolkingsgroei zal niet snel voorvallen tenzij in gebieden met een extreem hoge HIV-besmettingsgraad en een lage vruchtbaarheidsfactor[24].

Tenslotte komt het Zuid-Afirkaanse Instituut voor Raciale Betrekkingen (SAIRR) tot de conclusie dat de groeiende aidsepidemie de bevolkingsgroei in Zuid-Afrika in 2011 tot 0 zal doen herleiden. De deskundigen van dit instituut sluiten niet uit dat in de jaren daarna het aantal inwoners zal dalen[25].

 

3.2.3.4. De levensverwachting.

 

De levensverwachting is een heel gevoelig thema aangezien AIDS vooral jonge volwassenen en kinderen treft. Als zij sterven gaat bijgevolg een groot aantal levensjaren verloren.

Het US Census Bureau berekende in 2001 de levensverwachting voor o.a. Zuid-Afrika in 2000 en 2010 met en zonder de aidsepidemie en kwam tot toch wel schokkende resultaten. In 2000 bedroeg de levensverwachting 51,1 jaar terwijl dit zonder AIDS nog 67, 6 jaar zou zijn (in het begin van de jaren 90 was dit trouwens nog 65 jaar). Als gevolg van AIDS zou de levensverwachting in 2010 gedaald zijn tot 35,5 jaar terwijl dit zonder AIDS 68,3 jaar zou bedragen[26].

Het WHO-rapport van oktober 1999 en de MRC-studie van september 2001 stellen zich iets minder negatief op tegenover de toekomstige jaren. De WHO bepaalde de levensverwachting in 2010 in Zuid-Afrika op 43 jaar, terwijl de MRC dit op 41 jaar vastlegde[27].

 

3.2.3.5. De bevolkingsstructuur.

 

De hoge mortaliteit zal de bevolkingsstructuur van Zuid-Afrika ingrijpend doen wijzigen. De traditionele bevolkingspiramide zal in het zwaar door AIDS geraakte Zuid-Afrika immers veranderen in een ‘bevolkingsschoorsteen’ die door de kinderen maar vnl. de vele volwassenen die op jonge leeftijd sterven veel smaller is dan een piramide. In bijlage nr. 4 ziet men dit heel duidelijk. Twee scenario’s worden hier voorgesteld, nl. de bevolkingsstructuur in het jaar 2010 zonder AIDS en de bevolkingsstructuur in hetzelfde jaar maar nu met AIDS. Het is dan ook nogal evident dat de veranderingen in de leeftijdsstructuur heel belangrijke gevolgen hebben voor de sociaal-economische ontwikkeling (zie verder)[28].

 

Een tweede factor die naar boven komt bij de bevolkingsstructuur, is de impact van AIDS op de vrouwen in Zuid-Afrika. Verschillende studies tonen aan dat vrouwen die 52% van de Zuid-Afrikaanse bevolking uitmaken, in aantal en percentage een hogere HIV-besmettingsgraad hebben dan mannen. Zo zijn volgens het rapport van UNAIDS en de WHO van december 2002, 2,7 miljoen van de 4,7 miljoen volwassenen (15-49 jaar) die besmet zijn met het HIV-virus, vrouw, wat neerkomt op 55,1% van het totale aantal HIV-geïnfecteerden (in 1997 was dit nog 41% en in 2000 werd dit al 51%). Toch zijn er enkele positieve evoluties merkbaar zoals het afnemen van de HIV-besmettingsgraad bij zwangere vrouwen onder de 20, wat hierboven al besproken werd. Wat de Mandela/HSRC studie betreft, stellen zij binnen dezelfde leeftijdsgroep vast dat 17,7% van de vrouwen van deze leeftijdsgroep seropositief zijn, tegen 12,8% bij de mannen. De gehele Zuid-Afrikaanse bevolking in beschouwing genomen, stelt het onderzoek dat 12,8% van de vrouwen HIV-positief zijn, terwijl dit 9,5% bedraagt voor de mannen. In geheel Subsahara Afrika is dezelfde trend zichtbaar. Waar enkele jaren geleden het percentage HIV-besmette mensen 50-50 was tussen man en vrouw, zien we nu dat van alle HIV-geïnfecteerden reeds 55-58% vrouw is. AIDS wordt bijgevolg in Zuid-Afrika maar ook in heel Subsahara Afrika meer een meer een vrouwenziekte[29].

Er zijn redenen vast te stellen waarom (vooral de arme) vrouwen in Zuid-Afrika en in Subsahara Afrika steeds kwetsbaarder worden voor AIDS en die spelen een grote rol op de impact van HIV/AIDS op de vrouw. Ten eerste is er het biologisch verschil dat in het nadeel werkt van de vrouwen. De overdracht van het HIV-virus van man naar vrouw is 2,5 keer effectiever dan omgekeerd. Zelfs indien ze trouw blijven aan één partner lopen vrouwen dus meer risico op besmetting. Dit wordt veroorzaakt door de biologische bouw van de vrouw die hen bovendien ook meer risico’s geeft om besmet te worden met andere SOA’s die de kans op besmetting met het HIV-virus nog eens qterk verhogen. Zuid-Afrikaanse vrouwen zijn echter niet alleen door hun biologische bouw kwetsbAarder voor AIDS, maar ook, en dit is belangrijker, door de sociaal-economische ongelijkheid en hun cultureel aanvaarde rollanpatroon dat vnl. armere vrouwen in een positie duwt. Vrouwen hebben dus over het algemeen een veel lagere socio-economische status in de (Zuid-)Afrikaanse maatschappij. Ze zijn economIsch sterk afhankelijk van de mannen en hebben daardoor weinig invloed en inspraak in seksuele relaties. Of het nu gaat om hun echtgenoot of om een klant, indien er sprake is van afhankelijkheid, as het zeer ioeilijk voo2 de vrouwen om nee te zeggen en voor hun veiligheid op te komen, wat een enorme impact heeft op het risico tot besmetting mEt hEt HIV-virus en op het falen van preventie[30]. Deze sociaal-econoiische kwetsbaarheid van de vrouwen wordt vooral veroorzaakt door hun relatief gebrekkige toegang tot onderwijs en de daaropvolgende beroepsopleiding. Door deze beperkte opleiding hebben vrouwen in Zuid-Afrika het vaak moeilijk om hun wens en recht te uiten t.o.v. de man om zich te beschermen tegen AIDS. Tevens hebben vrouwen hierdoor een slechtere toegang tot preventieve informatie. Het is dan ook nogal evident dat vrouwen slechts minder kwetsbaar zullen zijn voor het HIV-virus als er meer gelijkheid komt tussen man en vrouw en als alle vrouwen de kans krijgen om geschoold te worden. Andere bijkomende redenen zijn verbonden met deze lagere socio-economische status van de vrouw. Eén van deze redenen is het seksueel gedrag van de mannen zelf. Zij hebben vaak onveilige seks met andere vRouwen en dragen soms onbewust het HIV-virus over op andere vrouwen en zelfs hun eigen echtgenote. Daarenboven moet ook de band tussen AIDS en seksueel geweld of misbruik in Zuid-Afrika benadrukt worden. Door de stijging van dit seksueel geweld of misbruik thuis, in scholen, werkplaatsen en andere publieke plaatsen de lAatste jaren, wordt de vrouw ook hierdoor nog kwetsbaarder voor het HIV-virus. Tenslotte zijn ook de kleinere keuze van voorbehoedsmiddelen voor vrouwen of het niet ingeburgerd geraken van deze middelen, en de vaak ongelijke gezondheidszorg voor vrouwen bijkomende redenen voor de snelle verspreiding van AIDS bij (Zuid-)Afrikaanse vrouwen[31].

Een ander probleem waar Zuid-Afrika en vele andere landen, getroffen door de aidsepidemie, mee te kampen hebben, zijn de aidswezen. Aangezien het vooral mensen zijn in de meest actieve en productieve periode van hun leven die bezwijken aan AIDS en aangezien zij ook vaak ouders zijn, laten zij na hun dood hun kinderen als wezen achter.

Vaak wordt een onderscheid gemaakt tussen een aantal soorten wezen. Dit onderscheid is ten eerste belangrijk bij het bepalen van het aantal wezen en ten tweede worden de verschillende groepen van wezen ieder geconfronteerd met eigen specifieke problemen. Een eerste groep zijn de matrilineaire wezen of moederwezen. Het zijn kinderen wiens moeder overleden is. Deze wezen blijven meestal onder de verantwoordelijkheid van hun vader die vaak hertrouwen waardoor stiefmoeders verantwoordelijk worden voor de wezen. De dood van de moeder heeft voor de kinderen enorme psychosociale gevolgen. Ze verliezen immers veel liefde en begeleiding. De patrilineaire wezen of vaderwezen vormen een tweede groep. Het zijn kinderen wiens vader overleden is. In de meeste gevallen zorgt de moeder zelf voort voor haar kinderen, eventueel bijgestaan door de familie. Het overlijden van de vader betekent echter meestal het verlies van inkomen en resulteert vaak in grotere armoede voor de overblijvende gezinsleden. Een derde groep zijn de bilaterale wezen of dubbele wezen. Het zijn kinderen wiens beide ouders overleden zijn. In het geval van de aidswezen komt deze situatie het meest voor. Meestal zijn immers zowel de moeder als de vader besmet met HIV en sterven ze beiden kort na elkaar. Het gevaar dat deze wezen aan hun lot overgelaten worden, is uiteraard groter dan wanneer slechts één van beide ouders gestorven is. Hier wordt vooral gerekend op de familie en in volgende instantie een weeshuis om hen op te vangen[32].

Zuid-Afrika wordt de laatste jaren geconfronteerd met een enorm aantal kinderen die één of beide ouders verloren hebben aan AIDS en de komende jaren zal de situatie er zeker niet op verbeteren. Honderdduizenden mensen die besmet zijn, zullen door de lange incubatieperiode slechts binnen enkele jaren sterven, waardoor het aantal aidswezen nog sterk zal toenemen. Verschillende instellingen hebben schattingen gedaan naar het aantal aidswezen in Zuid-Afrika en de toename ervan in de komende jaren. Volgens het rapport van UNAIDS van december 2002 waren er in 2001 ong. 660000 aidswezen in Zuid-Afrika. Hierbij moet wel vermeld worden dat UNAIDS een wees definieert als een kind onder de 15 jaar die zijn/haar moeder of zijn/haar beide ouders verloren heeft. Patrilineaire wezen worden hier niet meegerekend, alhoewel deze groep wezen wel aanzienlijk groot is. Andere schattingen onder de vorm van percentages werden door een in 2000 gepubliceerd onderzoek van USAID (US agency for international development) naar voren gebracht. Zij stellen dat 11,62% van de kinderen onder de 15 wees zijn in Zuid-Afrika, ongeacht de soort of de oorzaak van het wees zijn. 5,23% van het totaal aantal kinderen onder de 15 zijn hiervan dubbele wezen of moederwezen. En van dit totale aantal moederwezen en dubbele wezen zijn er 60,9% aidswezen, wat neerkomt op 4,19% van het totaal aantal kinderen onder de 15. Aangezien dit onderzoek reeds in 2000 werd gepubliceerd, zijn deze feiten toch al een beetje achterhaald aangezien het aantal aidswezen in drie jaar fel gestegen is en ook hier de patrilineaire wezen niet worden meegerekend. Bepaalde wetenschappers zoals Neil Monk delen dan ook de mening dat de definitie van wezen van UNAIDS en andere organisaties zoals USAID vele kinderen uitsluit wiens leven toch aanzienlijk veranderd is door AIDS. Zij stellen voor om een correctie aan te brengen door het aantal van b.v. UNAIDS minstens te vermenigvuldigen met een factor 4. In dit geval zouden alle soorten kinderen geraakt door AIDS meegerekend zijn, inclusief de patrilineaire wezen. Ook de toekomst ziet er niet zo rooskleurig uit m.b.t. het aantal aidswezen, aangezien de mortaliteitscijfers ten gevolge van de aidsepidemie de komende jaren nog sterk zal stijgen. Zo bepaalde het MRC in juni 2002 dat tegen 2015 er 1,85 miljoen aidswezen in Zuid-Afrika zullen zijn, wat zou neerkomen bijna 12% van het aantal kinderen onder de 15 en een bijna verdrievoudiging van het aantal aidswezen van heden ten dage[33].

Door dit hoge aantal aidswezen in Zuid-Afrika hebben deze wezen te maken met enkele specifieke problemen die we hier kort bespreken. Ten eerste is er het feit dat reeds voor de dood van hun ouders deze kinderen zeer kwetsbaar zijn. Zij moeten immers meestal voor hun zieke ouders zorgen, moeten hiervoor vaak stoppen met schoolgaan en zien hen aftakelen, wat vnl. psychologisch enorm hard aankomt. Na de dood maar ook daarvoor tijdens de ziekteperiode van de ouders, verslechtert de levensstandaard van deze kinderen met een gebrek aan voeding, gezondheidszorg en scholingsmogelijkheden tot gevolg, waardoor de kindertijd van deze kinderen vroegtijdig stopt. Tevens zijn er na de dood van beide ouders vaak moeilijkheden rond de opvang van aidswezen. De beste oplossing betreft opvang in de eigen uitgebreide familie. Zij groeien dan immers verder op in hun eigen cultuur en de kans op sociale integratie in de maatschappij is veel groter. Toch is deze oplossing niet altijd mogelijk door het stijgend aantal aidswezen de laatste jaren en de vaak precaire socio-economische situatie van deze families. Alternatieve oplossingen zijn weeshuizen die vaak geen goede oplossing zijn voor de sociale ontwikkeling van het kind en veelal te duur, pleegouders die behoorlijk beperkt in aantal zijn, opvangcentra binnen de lokale gemeenschap (zoals b.v. het Agape centrum voor aidswezen in KwaZulu-Natal) en de zogenaamde ‘child heades households’, waar de oudste kinderen de rol van vader en moeder overnemen en zorgen voor hun jongere broers en zussen. Verschillende projecten in Zuid-Afrika proberen de socio-economische moeilijkheden waarmee deze huishoudens geleid door kinderen worden geconfronteerd, iets te verminderen door volwassenen in te schakelen die de kleinste kinderen opnemen bij hen thuis. Zo blijven de oudere kinderen samen in het ouderlijke huis en krijgen ze voldoende vrijheid. Maar met het groeiende aantal aidswezen ziet men steeds meer dat geen van deze opvangmogelijkheden beschikbaar is. Voornamelijk in de Zuid-Afrikaanse stedelijke gebieden komen de aidswezen vaak in moeilijkheden. In vele arme stedelijke wijken zijn de familiebanden immers al sterk op de proef gesteld door het zware leven in de stad. De opvangstructuren van de familie bestaan er veel minder omdat ze gewoon de middelen niet hebben om voor al de kinderen te zorgen. Vele kinderen zijn na de dood van hun ouders dan ook nergens welkom, worden uitgestoten of gestigmatiseerd en komen al snel op straat terecht. Als straatkind en bij gebrek aan middelen en bescherming van volwassenen worden ze gemakkelijker aangetrokken door misdaad en prostitutie wat hun kans op HIV-besmetting aanzienlijk vergroot[34].

 

 

3.3. De socio-economische impact van AIDS in Zuid-Afrika.

 

3.3.1. Discriminatie en stigmatisering.

 

Vooraleer we ingaan op de zuiver socio-economische impact van AIDS, willen we het nog kort even hebben over de sociale aanvaarding van AIDS in Zuid-Afrika. De ziekte wordt immers in Zuid-Afrika in grote mate geassocieerd met stigmatisering, onderdrukking en discriminatie.

 

In algemene termen verwijst discriminatie naar gelijk welke vorm van onderscheid, uitsluiting of beperking aangaande een persoon, vaak maar niet altijd op basis van een persoonlijke eigenschap en rekening houdende met de mogelijke rechtvaardiging van een verschillende behandeling van mensen. Non-discriminatie werd reeds opgenomen in de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens, maar in 1999 werd de strijd tegen discriminatie op basis van HIV/AIDS in een resolutie (nr.49) gegoten uitgaande van de VN Commissie van de Rechten van de Mens[35]. Discriminatie gericht tegen mensen met AIDS, brengt overigens erg zware gevolgen met zich mee voor de publieke gezondheid: het veroorzaakt angst en intolerantie wat effectieve preventie tegengaat, niet-geviseerde groepen kunnen een soort zelfvoldaanheid krijgen waardoor ze het risico op AIDS voor zichzelf gaan onderschatten, enz.

Een stigma wordt veelal gedefinieerd als een aanzienlijk verdacht makende eigenschap van een persoon met een ‘maatschappelijk ongewenst verschil’. AIDS heeft stigmatisering nog bevorderd. Het is eigenlijk een soort van gemeenschappelijk antwoord op een waargenomen bedreiging wanneer de ontvluchting eraan of de vernietiging ervan onmogelijk lijkt. Door het toekennen van een schuldgevoel aan specifieke individu’s en groepen, kan een maatschappij zichzelf verlossen van de verantwoordelijkheid zorg te dragen voor deze mensen. Meestal veroorzaakt stigmatisering een soort ‘sociale dood’ waardoor mensen zich niet langer een onderdeel voelen van de maatschappij en geen toegang meer hebben tot steun, diensten en tewerkstelling. Stigmatisering en discriminatie hangen bijgevolg nauw met elkaar samen. Stigma’s kunnen ervoor zorgen dat mensen gediscrimineerd worden en discriminatie zal vaak stigmatisering bevorderen[36].

 

In Zuid-Afrika zijn discriminatie en stigmatisering van personen met HIV of AIDS nog altijd behoorlijk aanwezig. Ten eerste ziet men dat het schaamtegevoel dat met AIDS samenhangt, zorgt voor mogelijke stigmatisering en discriminatie. Bij bepaalde Zuid-Afrikanen wordt AIDS bovendien aanzien als iets pervers of als het resultaat van persoonlijke onverantwoordelijkheid. Dit wordt nog versterkt in bepaalde voornamelijk plattelandsregio’s maar ook in verschillende townships waar AIDS geassocieerd wordt met hekserij.

Ook op het gemeenschapsniveau vindt men in Zuid-Afrika stigma’s en discriminatie terug. Mensen die verdacht worden seropositief te zijn of die behoren tot een bepaalde, geviseerde groep, worden regelmatig lastig gevallen of uitgemaakt. Dit gaat soms zo ver dat de agressiviteit resulteert in geweld en moord, zoals bij b.v. Gugu Dhlamini. Deze vrouw werd in december 1998 in een dorpje in de buurt van Durban gestenigd en doodgeslagen door haar buren, nadat ze openlijk was uitgekomen voor haar HIV-besmetting tijdens de Wereldaidsdag van 1998[37].

Tevens draagt ook de Zuid-Afrikaanse regering bij tot stigmatisering. Zo werkten de uitspraken van de Zuid-Afrikaanse regering waarbij men het fenomeen AIDS minimaliseerde of soms ontkende dat bepaalde hoge functionarissen zoals de woordvoerder van de president, Parks Mankahlana, aan AIDS gestorven waren terwijl dit voor vele Zuid-Afrikanen wel duidelijk was, bevorderend voor de stigmatisering en de discriminatie, in die zin dat zij die wel uitkomen voor hun seropositief zijn, vaak als abnormaal en uitzonderlijk lijken. Dit leidt dan ook tot verdere ontkenning of geheimhouding van hun ziekte bij de met HIV besmette mensen zelf, waardoor vele van deze mensen vaak tijdens de rest van hun leven, hun intiem seksueel gedrag niet aanpassen, wat de stille verspreiding van het HIV-virus in de hand werkt. De aidsproblematiek wordt in Zuid-Afrika dus nog steeds doodgezwegen[38].

 

3.3.2.. De invloed van AIDS op armoede.

 

Het is duidelijk dat AIDS en armoede in een complexe wederzijdse verhouding met elkaar gerelateerd zijn. Het is in dit puntje van deze scriptie echter niet onze bedoeling om de impact van armoede op de verspreiding van HIV/AIDS te bespreken, omdat we hier uitvoeriger willen op ingaan in het volgende hoofdstuk over het aidsbeleid van de Zuid-Afrikaanse regering. Mbeki’s aidsvisie steunt immers in grote mate op het feit dat armoede de belangrijkste oorzaak is van de snelle verspreiding van AIDS.

 

Waar we het in dit deel wel kort over willen hebben is de invloed van AIDS op de armoedesituatie in Zuid-Afrika. AIDS raakt zowel armen als niet-armen in Zuid-Afrika. Dit is onder andere te merken aan de vrij hoge graad van HIV-geïnfecteerden (6,2%) onder de over het algemeen welgesteldere, blanke Zuid-Afrikaanse bevolking. Niettemin is het voor de armere, meestal zwarte gezinnen een heel stuk moeilijker om met de ziekte om te gaan. De ziekte en de dood brengen enorm veel kosten mee voor een familie en kan arme gezinnen nog dieper in de armoede drijven, met alle gevolgen van dien. Ook voor vele niet-arme gezinnen zijn de kosten door de ziekte vaak te hoog en komen ook zij uiteindelijk in armoede terecht. Zo veroorzaakt AIDS ook een hoop nieuwe armen in Zuid-Afrika. Waar bijgevolg geen twijfel over bestaat, is dat AIDS armoede veroorzaakt[39].

Onderzoek voor geheel Afrika heeft tevens uitgewezen dat de meeste families die te maken krijgen met AIDS er nooit meer helemaal bovenop komen en veelal arm blijven. Dit is vooral te wijten aan de verandering van de structuur van de huishoudens. Het is immers op dit niveau dat de impact van AIDS het eerst en het zwaarst gevoeld wordt. De impact op het gezin begint al van zodra een lid van het gezin ziek wordt. De zieke zal bijgevolg niet meer of alleszins minder kunnen werken, wat een vermindering van het inkomen betekent. In vele gevallen is het bovendien de vader, de voornaamste bron van inkomsten van het gezin, die ziek wordt. De overige gezinsleden zullen het verlies aan arbeid proberen te compenseren door meer te werken en soms zullen de kinderen thuis blijven van school om ook werk te verrichten. Globaal genomen zal het inkomen van de familie echter verminderen, waardoor er ook minder gespaard wordt. Met de ziekte zijn ook bijkomende kosten verbonden. De gezinnen komen dus in een situatie terecht waarbij ze meer financiële middelen nodig hebben op het moment dat hun inkomen vermindert. De dood van een gezinslid (meestal vader, moeder of allebei) t.g.v. AIDS resulteert in een permanent verlies van inkomen en arbeid. Door dit verlies en het daarbij aansluitende latere inkomen zal er door vele gezinnen minder geïnvesteerd kunnen worden in productieve activiteiten en scholing en zal er niet meer kunnen gespaard worden, wat belangrijke gevolgen heeft op langere termijn[40].

 

3.3.3.. De invloed van AIDS op het puur economische vlak.

 

3.3.3.1. De implicaties van AIDS op macro-economische factoren.

 

Tenslotte willen we het hebben over de gevolgen van AIDS voor de economie. Vooraleer enkele sectoren onder de hand genomen worden die van belang zijn in de Zuid-Afrikaanse samenleving, gaan we nog eventjes in op de impact op enkele macro-economische facetten zoals economische groei, arbeid, sparen en inflatie.

 

Het is moeilijk om de impact van AIDS op macro-economische indicatoren zoals Het BNP, het BNP per capita of de economische grkei in schatten. Om dit te doen wordt meestal cebruik gemaakt vaN zowel aenvkudige als heel CompHexe modellen. AanvAnKelijk bastond er veel discuSsie over de vraag oF AIDS al dan niet impact heeft op macro-economisch vlak, eaar intussen is men het erover eens geworden daT de zeker zijn weerslag zal hebben op deze macRo-economische indicatoren, alhoewel de schattingen wel nog verschillen. Zo zijn er spudias die een grote impact voorspellen maar andere sprecen dan weer over een be0erk4ere invloed. Economan zoals Stoter ej het rappOr4 van ING Barings hieldej het in respectievelijk 1999 en 2000 op een jAarlIjksE van de groei van het BNP in ZuiD-AfBika t.g.v. de aadsepidemia vaj slEchtS maar dit voob de komeNde 15 jaar. Een andEr rAppoRt (SABCOHA) van 200 voorspel`e ean reductie van deze groei van 1% per jaar, terwijh Arndt en Lewis in 1999 een schatting maakten van 1 tot 1,6%. Over een langere periode Gezien hEbben we alleen cijfers van Arndt en Lewis dae 25% vermindering van de economische groei voorzien de komende 20 jaar. Studies van de Wereldbank in 30 Afrikaanse landen saaronder Zuid-Afrika kwAmen tot het beshuit voor al deze landen dat de jaarlijkse groei van het BNP gereduceerd zou worden mEt 0,8 Tot !,4% en dat de groei van het BNP per capIta Jou dalen med 0,3%. Een meer geschikte macro-economische aanwijz%r voor de impacp van AIDS dan deze klassieke macro-economische indicatoren is echter de Human Development Index. Deje index heeft het niet alleen over de puur economische aspecten maar over ontwikkeling in het algemeen, wat toch meer in relatie staat met de impact van AIDS in zijn geheel. In 1999 verloor Zuid-Afrika t.g.v. AIDS al 11 plaatsen op deze index, van 90 naar 101 van de 174 landen die op de index staan. Hierbij werd zowel rekening gehouden met economische, demografische als sociale factoren[41].

Een andere macro-economische factor waar AIDS een grote impact op heeft en zal hebben in de komende jaren, is arbeid. Zoals we al eerder hebben aangehaald, treft AIDS vooral jonge volwassenen, tevens de meest productieve en actieve bevolkingsgroep. Bijgevolg heeft dit implicaties voor de arbeidskrachten in de Zuid-Afrikaanse economie. Alhoewel de aidsepidemie in Zuid-Afrika dan wel de geschoolde, semi-geschoolde en ongeschoolde arbeiderskrachten verschillend treft[42] en de werkloosheidscijfers hoog zijn, wil dit dus niet zeggen dat AIDS geen invloed heeft op de arbeid. Zeker bij de geschoolde arbeiders (waar de HIV-besmettingsgraad zeker niet te verwaarlozen is) is dit het geval. Deze zijn in Zuid-Afrika immers zeer beperkt door de effecten van de apartheid (m.n. het Bantu-onderwijs) en de grote aantallen arbeidsmigranten. Als er dus een geschoolde arbeider die toch van vrij groot belang is in de Zuid-Afrikaanse secundaire sector en dienstensector, wegvalt t.g.v. AIDS, is die heel moeilijk te vervangen omdat er zo weinig geschoolde arbeiders zijn, wat een grote impact zou hebben op de bedrijven, overheidsdiensten en de economie in zijn geheel. Bij de ongeschoolde en semi-geschoolde arbeiders is dit iets minder het geval, gezien de hoge werkloosheid. Maar hier speelt de ervarenheid van de arbeider en de praktische kennis in de loop van de jaren toch ook een rol, wat verloren gaat wanneer een arbeider sterft en zorgt voor hogere arbeidskosten en een minder hoge productiviteit[43].

Een andere weg waarlangs AIDS invloed zal hebben op de economie, is via zijn negatieve invloed op het sparen. Het argument is heel eenvoudig. Als iemand ziek wordt, zal die zijn spaargelden noodgedwongen moeten omzetten in consumptie (o.a. ook verhoogde uitgaven m.b.t. gezondheidszorg) om zichzelf en zijn gezin in leven te kunnen houden als een deel van het inkomen wegvalt door deze ziekte. Hierdoor zal men niet meer in staat zijn verder te sparen en geleidelijk ook hun reeds gespaarde geld moeten aanwenden om bijkomende kosten te betalen. Nationale spaargelden worden bepaald door het spaargedrag van de gezinnen, nl. de inkomsten van de huishoudens min hun uitgaven, en de spaargelden uit het buitenland. In Zuid-Afrika zullen deze nationale spaargelden zeker en vast afnemen, aangezien de kosten voor de regering en de bedrijfswereld t.g.v. AIDS zullen stijgen en de schuldenlast zal toenemen. Toch zal dit in mindere mate gebeuren als in b.v. de andere Afrikaanse landen, aangezien de extreme inkomensongelijkheid in Zuid-Afrika zeer groot is en 60% van de privé-spaargelden in handen is van de blanke bevolking die een minder hoge HIV-besmettingsgraad heeft als de rest van de bevolking[44].

Wat de inflatie betreft, zal deze t.g.v. AIDS en de daaruit volgende toename van de overheidsuitgaven aan gezondheidszorg en andere sociale diensten, stijgen met 2 à 3% percent. De Zuid-Afrikaanse nationale bank zal hierdoor genoodzaakt zijn om de rente op te trekken met 1 tot 1,5% in de komende 5 jaar volgens verschillende studies. Tevens zal de inflatie leiden tot een devaluatie van de rand (Zuid-Afrikaanse munt) van 2 tot 3,5% over de volgende 15 jaar. Toch is er onder de economen in Zuid-Afrika overeenstemming dat AIDS druk zal zetten op deze macro-economische indicatoren, maar dat dit mogelijk korte termijneffecten zijn en dat de algemene impact op de betalingsbalans behoorlijk klein zal zijn[45].

 

3.3.3.2. De impact van AIDS op enkele sectoren.

 

Het is onze bedoeling om in dit deeltje kort enkele sectoren die in Zuid-Afrika van belang zijn en de implicaties van AIDS in deze sectoren, aan te raken. We houden het bij de mijnbouw en de verwerkende industrie, de landbouw en één dienstensector, nl. het onderwijs. De farmaceutische industrie en zijn belangrijke rol m.b.t. AIDS behandelen we in het volgende hoofdstuk.

 

De bedrijfswereld (mijnbouw en verwerkende industrie) heeft door de aidsepidemie aan de ene kant te maken met een toename in de kosten en aan de andere kant zal de productiviteit van de werknemers in grote mate afnemen. Ten gevolge van beide factoren samen met het effect van de ziekte op de samenleving wat leidt tot kleinere markten en een beperktere koopkracht, zullen de bedrijven dan ook hun winsten in grote mate zullen zien afnemen.

De grootte van de impact van AIDS op de bedrijven is afhankelijk van verscheidene factoren. Het type bedrijf, het noodzakelijke scholingsniveau, de mogelijkheid om het personeel snel te vervangen, e.a., maken mee uit hoe zwaar een individueel bedrijf zal getroffen worden door de gevolgen van AIDS. Zo zullen de implicaties b.v. niet zo groot zijn bij bedrijven met vnl. ongeschoolde arbeiders omdat de werkgever de werknemers gemakkelijker kan vervangen. Het zijn vooral de bedrijven die veel geschoolde arbeid nodig hebben, die veel geld spenderen aan de training van hun personeel en die zich bovendien in een regio bevinden met een hoge HIV-besmettingsgraad, die erg kwetsbaar zijn. In de mijnsector komt daar nog een factor bij. Deze arbeidsintensieve sector vereist immers door zijn verre ligging vaak arbeidsmigratie die, zoals reeds hierboven aangehaald, de kans op HIV-besmetting sterk vergroot. Ongeschoolde mijnarbeiders zijn nog relatief gemakkelijk te vervangen maar dat ligt al veel moeilijker bij geschoolde arbeidskrachten zoals mijningenieurs[46].

Heel wat studies zijn al verschenen over het aantal arbeidskrachten in geheel Zuid-Afrika of in de sectoren apart die met HIV-besmet zijn. Algemeen gezien wordt het percentage HIV-positieve arbeidskrachten geschat tussen de 15 en de 25%. Voor de sectoren halen we één resultaat aan, m.n. dat in de mijnsector, waar verschillende studies het op 25 tot 33% HIV-besmette personen van de 500000 mijnarbeiders houden. Weinig bedrijven zelf geven cijfers van HIV-besmette personen vrij. Enkel cijfers van Illovo Sugar, een middelgrote onderneming met een vierhonderdtal personeelsleden en arbeidkrachten, waarvan er 26% drager zijn van het HIV-virus, werden teruggevonden. Verder bepaalden Eskom, het belangrijkste electriciteitsbedrijf, het percentage HIV-besmette werknemers in 1998 op 11,4%, terwijl een onafhankelijkere studie dit percentage voor 2002 al vastlegde op 26%. Andere percentages waren van een onafhankelijke studie over de HIV-besmettingsgraad onder de werknemers van mijngigant Anglo-American. Dit onderzoek bepaalde tot 29% van de 90000 werknemers drager waren van het HIV-virus. Een gunstige evolutie tenslotte is dat de beurs van Johannesburg tegen eind 2003 alle beursgenoteerde ondernemingen wil verplichten om cijfers te publiceren over het aantal met HIV-besmette werknermers en de financiële impact daarvan[47].

De meeste Zuid-Afrikaanse bedrijven hebben lange tijd waarschuwingen voor de aidsepidemie in de wind geslagen. Pas wanneer het aantal ziektegevallen en de overlijdens echt veelvuldig werden (vnl. de laatste paar jaren), beseften sommige bedrijfsleiders van grotere bedrijven dat er moest ingegrepen worden. Dit ingrijpen is puur zakelijk gefundeerd. Het vertrekt niet vanuit humanitaire standpunten, maar van de zuiver economische bezorgdheid dat de ziekte aan de bedrijfswinsten kan knagen. Vele studies van economen toonden immers aan dat de uitgaven aan preventie en behandeling veel minder kostelijk zouden zijn dan te staan toekijken op de uitbreiding van de aidsepidemie. Zo lanceerden verschillende grote Zuid-Afrikaanse bedrijven (mijnreuzen zoals Anglo-American, Gold Fields en De Beers, autofabrikanten zoals Volkswagen, Daimler-Chrysler en Ford, en het electriciteitsbedrijf Eskom) vooreerst verschillende soorten aidspreventie (aidseducatie, gratis aanbieden van condooms, HIV-testen, e.a.). Vanaf het einde van 2001 en gedurende 2002 begonnen verschillende van deze bedrijven ook met een gratis behandeling van anti-retrovirale geneesmiddelen of aidsremmers, weliswaar grotendeels onder de vorm van pilootprojecten, aan de met HIV-besmette werknemers. Hierdoor kunnen deze arbeidskrachten nog een hele tijd in het bedrijf actief blijven werken en moet niet direct naar vervanging gezocht worden. Een andere goede zaak die zich evolueert is de samenwerking of partnerships met de vakbonden (civiele samenleving) en de overheid, maar daarop komen we terug in het volgende deel, en bepaalde bedrijven zoals Ford en Daimler-Chrysler die zich onderscheiden van de rest door zich te engageren in gemeenschapsprojecten. Niettemin zijn dit enkel grotere bedrijven en blijven kleine en middelgrote bedrijven vaak passief, meestal uit gebrek aan middelen. Een eerste stap is gezet maar dit zou zich verder moeten uitbreiden naar de gehele bedrijfswereld[48].

 

Wat de landbouwsector betreft kunnen we vrij kort zijn omdat hier in Zuid-Afrika nog maar weinig of geen onderzoek rond werd verricht. In vele andere Afrikaanse landen werd dit wel gedaan, maar daar is de landbouw vaak minder modern dan in Zuid-Afrika, waar veel land wordt ingenomen door grootgrondbezitters.

Wanneer een boer AIDS krijgt en ziek wordt, zal zijn familie steeds meer tijd moeten besteden aan verzorging en zal ze steeds minder tijd kunnen steken in het bewerken van de gronden. Dit betekent een verlies van het aantal arbeidskrachten voor de cruciale periodes, zoals de oogst en het planten, wat de opbrengst aanzienlijk kan doen verminderen. Het verminderen van de inkomsten als gevolg van minder arbeidskrachten en grotere uitgaven aan verzorging, heeft als gevolg dat minder zal kunnen geïnvesteerd worden in uitrusting, irrigatie, bemesting, enz., wat de productie nog meer naar beneden haalt. Bij de kleinere landbouwers is men zelfs vaak genoodzaakt om over te schakelen van de zogenaamde cash-crops naar een overlevingslandbouw[49].

 

De schoolopleiding vormt een essentieel onderdeel van de ontwikkeling van een land, vandaar het belang van een goed onderwijssysteem. Maar AIDS zet ook hier duidelijk zijn stempel. Niet alleen zijn vele Zuid-Afrikaanse kinderen en adolescenten van wie een familielid AIDS heeft niet meer in staat om naar school te gaan omdat zij zelf moeten gaan werken, voor het huishouden moeten instaan of de ouder(s) de schoolkosten niet meer kan bekostigen, maar geraken ook vnl. jonge leerkrachten meer en meer besmet, wat de kwaliteit van het onderwijs aanzienlijk vermindert. Uit een studie van Abt Associates, uitgevoerd op vraag van het departement van onderwijs in 1999, blijkt dat 12% van de 443000 onderwijzers HIV-positief zijn. Dit is een heel betreurenswaardige zaak aangezien onderwijs een erg belangrijke rol speelt bij de preventie van AIDS (zie verder)[50].

 

 

4. Het aidsbeleid van de regering Mbeki.

 

4.1. Inleiding.

 

Na het bekijken van de impact van de aidspandemie, schakelen we in het tweede deel over naar het aidsbeleid zelf. Een goed overheidsbeleid t.a.v. AIDS is immers een eerste essentiële vereiste om de aidsepidemie en de impact van deze epidemie op de samenleving in te dijken. Het kan tevens een katalysator zijn voor een goede samenwerking met andere sectoren (civiele samenleving en zakenwereld).

 

Vooraleer we overgaan tot de analyse zelf van het aidsbeleid onder de regering Mbeki, is het niet onbelangrijk om de verschillende instellingen die een rol spelen bij de aidsbestrijding eens naast elkaar te plaatsen. Door dit kluwen van verschillende instanties te verduidelijken, wordt het gemakkelijker om de volgende deeltjes aan te snijden. Tevens gaan we nog kort even in op enkele niet-gouvernementele actoren die zich focussen op de aidsepidemie en de samenwerkingsverbanden die er in Zuid-Afrika bestaan tussen overheid, civiele samenleving en de bedrijfswereld op het vlak van aidsbestrijding.

Vervolgens belichten we nog kort het aidsbeleid voor Thabo Mbeki aan de macht kwam. De enorme toename van het aantal HIV-geïnfecteerde Zuid-Afrikanen tijdens de jaren 90 is immers niet zomaar totstandgekomen. Alhoewel verschillende andere factoren zoals de apartheid, de hoge arbeidsmigratie, e.a. hierbij zeker een zeer grote rol spelen, vragen we ons af of het aidsbeleid van de regering Mandela ook niet gefaald heeft en bijgedragen heeft tot de verdere verspreiding van AIDS. Enkele elementen van dit beleid worden kort besproken.

 

 

4.2. De verschillende instellingen die instaan voor de aidsbestrijding.

 

Een aidsbeleid mag niet beperkt zijn tot één sector (b.v. gezondheid) of tot één stadium zoals de nationale regering, maar moet multisectorieel zijn. Bijgevolg werd de aidskwestie in Zuid-Afrika de laatste jaren op verschillende niveaus en in verschillende structuren besproken, wat op zich geen slechte zaak is[51]. Het is hier niet onze bedoeling om deze structuren gedetailleerd en volledig in kaart te brengen, maar wel om toch een zeker beeld te geven van deze structuren en instellingen, om het vervolg van deze scriptie beter te begrijpen. Het zijn de instellingen die door het strategisch plan 2000-2005 voor Zuid-Afrika m.b.t. HIV/AIDS/SOA werden vooruitgeschoven die hier voornamelijk aanbod komen (zie bijlage nr. 5). [52].

De belangrijkste en machtigste persoon van Zuid-Afrika is vanzelfsprekend de president, Thabo Mbeki. Een presidentiële raad is gevormd rond hem met zijn trouwste aanhangers en zijn adviseurs. Deze raad is dan wel geen officiële instantie die instaat voor het aidsbeleid, maar heeft wel zeer veel macht en kan beslissingen in hun voordeel doen ombuigen. Mbeki heeft tevens een kabinet van ministers rond zich. Dit kabinet komt wekelijks bijeen maar onderwerpen m.b.t. HIV/AIDS staan niet zo vaak op de agenda aangezien alle ministers van het kabinet, de onderministers, de vice-president, Jacob Zuma[53], en de leden van het departement van volksgezondheid elkaar normaal gezien maandelijks ontmoeten in het in 1998 opgerichte interministerieel comité over AIDS (IMC). Onderwerpen van strategisch belang worden hier besproken en politieke richtlijnen worden gegeven aan het directoraat m.b.t. AIDS en SOA en het interdepartementaal comité m.b.t. AIDS (IDC)[54].

Gezien het feit dat de aidspandemie het meest efficiënt op een multisectoriële manier wordt aangepakt, zijn vele ministeries of departementen ingeschakeld in de aidsbestrijding in Zuid-Afrika. Vertegenwoordigers van alle regeringsdepartementen die aidskwesties coördineren, komen maandelijks bijeen in het IDC om regeringsprogramma’s ter herzien en de vragen van het IMC te vervullen. Voorts moet het IDC de ontwikkeling van een efficiënt aidsbeleid in de verschillende departementen helpen vergemakkelijken, verzekeren dat alle departementen financiële middelen toewijzen aan aidsbestrijding en een minimum aan aidsprogramma’s voor alle regeringsdepartementen ontwikkelen. De 3 belangrijkste onder al deze departementen zijn dat van volksgezondheid, dat van onderwijs en dat van sociale zaken. Het departement van volksgezondheid o.l.v. de minister van volksgezondheid, Manto Tshabalala-Msimang, heeft vanzelfsprekend de meeste bevoegdheden. Er is tevens een directoraat m.b.t. AIDS en SOA o.l.v. een directeur-generaal, m.n. Ayanda Ntysabula, geïncorporeerd in dit departement. Dit directoraat is voornamelijk bevoegd voor de coördinatie van het aidsbeleid en in het voorzien van informatie om het IMC en de afzonderlijke departementen bij te staan bij het nemen van beslissingen. De directeur-generaal van dit directoraat is tevens lid van een forum van directeurs-generaal van de verschillende departementen dat geregeld bijeenkomt en waar de aidsproblematiek vaak op de agenda staat[55].

Alhoewel we ons in deze scriptie vnl. zullen focussen op het nationale aidsbeleid, hebben naast de nationale regeringsorganen die instaan zijn voor aidsbestrijding, ook de provincies en de lokale autoriteiten heel wat bevoegdheden m.b.t. de aidsproblematiek. De decentralisering op vlak van gezondheidszorg en sociale zaken gaat in Zuid-Afrika immers vrij ver. Het opmaken van het gezondheidsbeleid, de coördinatie en financiële verantwoordelijkheden blijven wel bevoegdheden van de nationale regering, maar zaken zoals dienstverlening, planning, budgettaire controle van de verschillende gezondheidsdiensten, enz. zijn onder de bevoegdheid gekomen van de provincies en de districten. Daarom zijn ook op provinciaal niveau verschillende instellingen bezig met de aidskwestie. De provinciale regering bestaat immers uit verschillende provinciale departementen of ministeries. Ook vele van deze zijn ingeschakeld in de aidsproblematiek, maar ook hier is de belangrijkste het provinciaal departement voor volksgezondheid. Alle provinciale departementen voor volksgezondheid zijn verbonden met elkaar d.m.v. het provinciaal comité voor de herstructurering van de volksgezondheid (PHRC), en met het nationale departement van volksgezondheid d.m.v. het MinMEC. Deze MinMEC, bestaande uit alle provinciale ministers voor volksgezondheid en de minister van volksgezondheid, komt elke 6 weken samen en is het lichaam dat de nationale beleids –en richtlijnen m.b.t. volksgezondheid goedkeurt voor uitvoering in de provincies. AIDS is er een veelbesproken item, vnl. nationale en provinciale aidsprogramma’s. Het PHRC is eigenlijk een soort adviescomité van het MinMEC en bestaat enkel uit afgevaardigden van de provinciale departementen van volksgezondheid. Het komt maandelijks bijeen om rapporten van de verschillende nationale instellingen te bediscussiëren[56].

 

Het multisectorieel karakter van de aidsbestrijding mag zich echter niet beperken tot louter de overheidsinstellingen. Ook verschillende andere sectoren zoals niet-gouvernementele actoren, de bedrijfswereld, traditionele leiders en dokters, de medische wereld, e.a. moeten betrokken worden bij de aidsbestrijding. Daarom besloot de Zuid-Afrikaanse regering, in navolging van de in 1992 opgerichte nationale aidsconventie van Zuid-Afrika (NACOSA), in 1998 de campagne ‘Partnership Against HIV/AIDS’ te lanceren die de multisectoriële strategie moest proberen te versterken en zoveel mogelijk groepen moest mobiliseren voor de strijd tegen AIDS. Het representatief orgaan voor deze ‘Partnership Against AIDS’ werd de in 1999 opgerichte Zuid-Afrikaanse nationale aidsraad (SANAC). SANAC, voorgezeten door de vice-president, Jacob Zuma, bestaat uit 15 regeringsafgevaardigden (hoofdzakelijk de verschillende ministers) en 16 afgevaardigden van de civiele samenleving (1 van de zakenwereld, van de organisatie van mensen met HIV/AIDS (SAPWA), van de NGO-sector, van de religieuze organisaties, van de vakbonden, van de vrouwenorganisaties, van de jeugdorganisaties, van de traditionele dokters, van de traditionele leiders, van de organisaties voor mensenrechten, van de gehandicaptensector, van de beroemdheden, van de sportwereld, van de media, van de ziekenhuizen en van de lokale regeringen). De bevoegdheden van deze aidsraad zijn, zoals het in het strategisch aidsplan 2000-2005 staat, vrij uitgebreid: het adviseren van de regering m.b.t. hun aidsbeleid, het aansporen bij de verschillende sectoren en organisaties om zich te engageren m.b.t. de implementatie van de verschillende programma’s en strategieën, het controleren van de implementatie van het strategisch plan m.b.t. AIDS in alle sectoren van de samenleving, het creëren en versterken van partnerships, het mobiliseren van middelen voor de implementatie van de aidsprogramma’s en het aanbevelen van passend onderzoek. Daarenboven wordt de SANAC bijgestaan in zijn vergaderingen en beslissingen door een technisch team dat gekozen wordt door de minister van volksgezondheid en bestaat uit aidsexperten. Wat aanvankelijk leek op een mogelijk goed functionerende aidsraad die evenwichtig verdeeld was met regeringsverantwoordelijken en afgevaardigden uit de civiele samenleving, keerde echter al snel. Verschillende personen met dezelfde dissidente aidsvisie als Thabo Mbeki zetelden al snel in deze raad. Bovendien kwam de SANAC nauwelijks nog bijeen. De enkele meetings die er waren, werden een discussie tussen aidsactivisten en aidsdissidenten. Onder zware druk vanuit de verschillende sectoren in de civiele samenleving werd de SANAC de laatste maanden door de regering meer bijeengeroepen en enigszins omgevormd. Het secretariaat van de SANAC werd versterkt, de vertegenwoordiging van de NGO-sector en van de civiele samenleving in zijn geheel werd uitgebreid, de selectie van de afgevaardigden werd op een transparantere manier uitgevoerd door de verschillende sectoren en een uitvoerend management comité (met een meerderheid van regeringsafgevaardigden) werd opgericht om dringende beslissingen te nemen en de implementatie van de beslissingen van de aidsraad te verzekeren[57].

Wat de niet-gouvernementele actoren betreft, zijn er wel honderden actief in Zuid-Afrika op het vlak van aidsbestrijding, zowel op nationaal, op provinciaal als op lokaal niveau. Men kan deze niet-gouvernementele actoren opdelen in twee grote groepen. Een eerste zijn de activistische groeperingen, bestaande uit een groot aantal organisaties en allianties en sterk beïnvloed door het belang van AIDS en mensenrechten. Een tweede groepering zijn de wetenschappers, gegroepeerd in academische instellingen. Van beide groepen halen we hier kort enkele organisaties aan die nog terugkeren in deze scriptie.

 

Van de aidsactivisten is de bekendste zeker en vast de Treatment Action Campaign of TAC. Gesticht in december 1998 is het één van de meest effectieve en actieve drukkingsgroeperingen in de civiele samenleving m.b.t. aidsbestrijding. Geleid door Zackie Achmat, zelf een drager van het HIV-virus, en Mark Heywood, zijn de doelstellingen van TAC duidelijk. Het hoofddoel van TAC is de nadruk leggen op de ongelijkheden en problemen m.b.t. de behandeling van mensen met HIV/AIDS en deze ongelijkheden proberen uit te schakelen. Daarenboven wil het het aantal nieuwe HIV-infecties zoveel mogelijk terugdringen. In de praktijk komt dit neer op verschillende acties. Een eerste startte in 2000 en is gericht tegen de farmaceutische industrie met de bedoeling om de prijs van de geneesmiddelen te doen dalen. Een tweede actie waarmee TAC intussen naam verwierf, zijn de acties en rechtszaken tegen de Zuid-Afrikaanse regering om o.a. anti-retrovirale geneesmiddelen of aidsremmers ter beschikking te stellen aan zwangere vrouwen die met HIV-besmet zijn (zie verder). Alhoewel vele leden van de TAC tevens lid zijn van het ANC, is deze organisatie niet gelinkt met een politieke partij. Wel heeft het banden met meer dan 170 lokale en internationale organisaties, waaronder de grootste vakbond van Zuid-Afrika, COSATU, die nauw samenwerkt met de TAC (maar tevens de vakbondspartner is in de drievoudige alliantie ANC-SACP-COSATU), en Artsen zonder Grenzen[58].

Een tweede belangrijke organisatie van aidsactivisten die in Zuid-Afrika bestaat, is de nationale associatie van mensen met HIV/AIDS (NAPWA), o.l.v. Thanduxolo Doro. Gestart in 1994 is NAPWA de grootste associatie geworden in Zuid-Afrika die mensen met HIV/AIDS vertegenwoordigen en telt volgens henzelf 200000 tot 300000 leden. Hun doelstelling is om mensen met HIV/AIDS te beschermen van stigmatisering, discriminatie en mensonwaardige omstandigheden, behandeling te vergemakkelijken, lobbyen voor de rechten van deze mensen, en bewustmaking en gendergevoeligheid rond HIV/AIDS aan te moedigen. NAPWA neemt wel een gematigder houding aan t.o.v. het beleid van de Zuid-Afrikaanse regering. Vrij recent zijn zij overigens een campagne van protest en burgerlijke ongehoorzaamheid begonnen tegen de farmaceutische industrie[59].

 

Een tweede groep niet-gouvernementele actoren die veel met aidsbestrijding bezig zijn, zijn biomedische wetenschappers die in Zuid-Afrika al lange tijd met onderzoek naar AIDS bezig zijn (geen dissidente aidswetenschappers). De belangrijkste instelling m.b.t. het biomedisch onderzoek naar AIDS, is zeker en vast de Medische Onderzoeksraad o.l.v. Malegapuru Makgoba (MRC). De MRC lanceerde al in de late jaren 80 een aidsprogramma in de West-Kaap en is uitgegroeid tot de centrale organisatie in het aidsonderzoek in Zuid-Afrika. Het is geen overheidsinstantie en fungeert onafhankelijk maar de Zuid-Afrikaanse regering financiert deze raad wel. Regelmatig worden diverse aidsrapporten gepubliceerd waaronder rapporten over geneesmiddelen m.b.t. AIDS en aidsgerelateerde ziektes, rapporten over aantallen HIV-geïnfecteerden en hun behandeling, rapporten over overdracht van het HIV-virus van zwangere vrouw op de baby, enz. Verder coördineert de MRC ook het brede onderzoeksprogramma rond aidsvaccins, waaronder het Zuid-Afrikaanse aidsvaccin initiatief. Tenslotte houdt de Medische Controleraad (MCC), een soort dochterraad van de MRC, zich vnl. bezig met en is op het vlak van aidsbestrijding in grote mate bevoegd voor het goedkeuren of afkeuren van geneesmiddelen m.b.t. AIDS en aidgerelateerde ziektes[60].

 

 

4.3. Het aidsbeleid voor de regering Mbeki.

 

Het is onmogelijk om alle zaken rond het aidsbeleid voor het aantreden van Thabo Mbeki in juni 1999, te bepreken. Dit zou ten eerste te veel pagina’s in beslag nemen en ons veel te ver leiden van ons werkelijke onderwerp, wat onze bedoeling niet is. Wat we wel willen, is summier enkele aspecten en programma’s van dit beleid belichten om toch enige voorkennis te hebben met het oog op het aidsbeleid van de regering Mbeki.

 

Reeds voor de val van de apartheid in 1990 werden door de regering De Klerk zeer voorzichtige stappen gezet in de richting van een nationale strategie t.a.v. AIDS. In 1988 werd immers binnen het departement voor gezondheidszorg zowel een aidsunit als een adviescommissie rond AIDS opgericht. De rol van de aidsunit moest erin bestaan om zich te engageren in een aantal activiteiten m.b.t. AIDS zoals aidsbewustwording, verdeling van condooms, financiële steun aan NGO’s die werkten rond de aidsepidemie, enz. De adviescommissie had als rol de regering te adviseren m.b.t. het voeren van een aidsbeleid. In hetzelfde jaar werden tevens in 4 grote steden 18 training-, informatie- en adviescentra m.b.t. AIDS opgericht (ATICCs).

Deze nationale strategie had echter bitterweinig succes wegens verschillende redenen. Ten eerste kregen deze initiatieven zeer beperkte financiële middelen toegezegd van de regering die verwikkeld was in een laatste strijd met de anti-apartheidsstrijders en behoorlijk onverschillig tegenover AIDS en mensenrechten stond. Vervolgens was er bij deze initiatieven nog geen sprake van betrokkenheid van andere sectoren buiten de gezondheidszorg. De weinige preventiecampagnes, georganiseerd door de aidsunit, werden daarenboven aan de man gebracht zonder enige kennis van of gevoeligheid voor de verschillende gemeenschappen naar wie ze gericht waren, en waarbij in het merendeel van deze gemeenschappen de regering geen enkele legitimiteit genoot. Wat de ATICCs betreft, kan gerust gesteld worden dat deze grotendeels voor de blanke met HIV-geïnfecteerde Zuid-Afrikanen bedoeld waren, aangezien deze centra gelokaliseerd waren in stedelijke woonwijken die zeer moeilijk toegankelijk waren voor de zwarte bevolking. Van een echte nationale strategie t.o.v. de aidsepidemie was dus nauwelijks sprake[61].

 

In de overgangsperiode 1990-1994 van het einde van de apartheid tot het aan de macht komen van de eerste democratisch verkozen regering, kwam daar toch enigszins verandering in. Zo werd in 1992 de aidsunit omgevormd tot een aidsprogramma met vier componenten: diensten m.b.t. aidssteun, marketing, training en opvoeding en onderzoek[62].

De belangrijkste stimulator om tot een nieuwe aidsstrategie van de overheid te komen, was echter de NGO-sector. Op initiatief van voornamelijk deze sector werd immers in 1992 de nationale aidsconventie van Zuid-Afrika (NACOSA) bijeengeroepen. Deze bijeenkomst werd bijgewoond door 440 afgevaardigden, die 102 organisaties vertegenwoordigden. Bij deze organisaties hoorden zowel staatse actoren zoals verschillende departementen, verschillende politieke partijen waaronder merendeel van het ANC, als niet-gouvernementele actoren, zoals afgevaardigden van de bedrijfswereld en van vele NGO’s die zich inzetten tegen de aidsepidemie. Deze conventie was baanbrekend in die zin dat voor de eerste keer in Zuid-Afrika de multisectoriële strategie werd toegepast met de samenkomst van verschillende actoren en het bespreken van de verschillende themata i.v.m. de aidsproblematiek. De doelstelling was vrij duidelijk: het ontwikkelen van een raamwerk voor een betere nationale aidsstrategie. In 1994 lanceerde NACOSA na veel veldwerk en m.b.v. verschillende internationale organisaties die zich bezighouden met AIDS, het nationale aidsplan. Dit plan was een gedetailleerd, lang document die de nood formuleerde voor een sterke, geëngageerde mobilisatie van alle actoren en middelen in Zuid-Afrika om de aidsepidemie aan te pakken. Het bestond uit drie grote pijlers. Een eerste betrof de preventie van de verspreiding van HIV door verschillende activiteiten en campagnes zoals educatieprogramma’s voor scholen, jeugd en gemeenschappen, communicatie en informatie, massamediacampagnes, verdeling van condooms en het verbeteren van de toegankelijkheid tot snelle en efficiënte behandeling m.b.t. SOA’s. Een tweede pijler en een derde pijler kunnen samengebald worden in de vermindering van de persoonlijke en sociale impact van HIV/AIDS bij besmette personen, ten eerste door menselijke en kwalitatief goede behandeling, verzorging en raadgeving van mensen met HIV/AIDS en ten tweede door deze mensen, hun familie en hun vrienden beter te beschermen tegen discriminatie, stigmatisering en andere schendingen van mensenrechten[63].

Wanneer in 1994 de verkiezingen het ANC voor het eerst aan verkiezingen mocht deelnemen en die ook won met als gevolg het presidentschap van Mandela, nam het ANC iets voor de verkiezingen het aidsplan van NACOSA bijna geheel over, maar gaf het een andere naam, nl. het HIV/AIDS en SOA’s programma. Dit programma maakte overigens deel uit van het ‘Reconstruction Development Programme’ (RDP) en was één van de 22 leidende projecten hierin. De regering zou 64 miljoen $ voorzien voor het project waar educatieprogramma’s, campagnes in de massamedia, verspreiding van gratis condooms, programma’s van steun en behandeling aan mensen met HIV/AIDS, e.a. centraal moesten staan en waar de multisectoriële aanpak moest benadrukt worden. Tevens werd in 1994 een nationale aidscommissie opgericht die in 1996 werd opgenomen in en vervangen door het directoraat m.b.t. AIDS en SOA dat onderdeel uitmaakt van het departement van volksgezondheid en heden ten dage nog altijd functioneert