Van loopbaanonderbreking naar tijdskrediet: Een schot in of naast de roos? Het sociaal overleg versus de gezinnen. (Johan Nagels)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

0. VOORWOORD

 

Vanuit een maatschappelijke betrokkenheid als toekomstig socioloog worden de evoluties in deze samenleving bestudeerd. Het ‘gezin’ in al zijn complexe vormen blijft daarbij centraal staan. Het concept gezin is niet langer eenduidig op te vatten als man, vrouw en kinderen. Het is meer en meer gedifferentieerd door demografische ontwikkelingen zoals echtscheiding en hertrouw. Naast de toenemende echtscheidingen is er een onbekend aantal andere relatieontbindingen van niet-geregistreerde samenwoners en LAT-relaties. Naast het klassieke huwelijk maken andere alternatieve samenlevingsvormen opgang, zoals alleenstaande moeders, homo- of lesbo-koppels, nieuw samengestelde koppels,…ongehuwd samenwonen en homohuwelijken (Geldof, 1999, p. 57).

Daarnaast is er door de toegenomen arbeidsparticipatie van vrouwen ook stilaan een einde aan het komen aan het dominante kostwinnersgezin. Er is een nieuwe vermenging ontstaan tussen gezin en arbeid. Voor tweeverdieners- en eenoudergezinnen is het afstemmen van de combinatie arbeid met het gezinsleven niet meer vanzelfsprekend. Deze koppeling tussen arbeid en gezin is eeuwenoud, maar tegelijkertijd voortdurend onderhevig aan veranderingen. Dat maakt het een interessant onderzoeksfenomeen, omdat het enorm bepalend is voor het uitzicht van de samenleving.

Het zijn niet alleen gezinnen, maar eveneens verschillende beleidsinstanties die een antwoord moeten zoeken op deze nieuwe combinatieproblemen. Er is een heel netwerk van actoren die betrokken worden op deze nieuwe problematiek vanuit hun achterban. De voornaamste actoren zijn werknemers-, werkgeversvertegenwoordigers, vrouwenorganisaties en gezinsorganisaties.

Toch is de combinatie gezin en arbeid pas recentelijk een ‘hot topic’ geworden voor de sociale partners. Dit roept verschillende vragen op, die de basis zijn gaan vormen voor deze eindverhandeling: ”Hoe is deze relatie tussen gezin en arbeid kunnen ontstaan binnen het sociaal overleg?; waarom is er aandacht voor beginnen ontstaan?; welke maatregel komt tegemoet aan de combinatie gezin en arbeid? ; wordt het belang van de kwaliteit van de gezinnen door de sociale partners ter harte genomen?”

Als beleidsinstantie bleek het sociaal overleg door middel van interprofessionele akkoorden antwoorden te formuleren op de problemen van de arbeidsmarkt. Midden jaren ’80  kwam het gezin meer en meer centraal te staan wat betreft de voorgestelde maatregelen van de sociale partners. Aan de hand van maatregelen zoals de loopbaanonderbreking en het huidige tijdskrediet wordt in dit eindwerk onderzocht of het sociaal overleg de brug kan vormen tussen gezin en arbeid.

 

 

I. INLEIDING

 

De combinatie tussen gezin en arbeid is de laatste decennia blijkbaar intensiever geworden. De band ertussen blijkt onderhevig aan veranderingen binnen de samenleving. Zo kende de officiële arbeidsmarkt vanaf de jaren ’70 een grondige verandering: van arbeiders naar bedienden, van productie-economie naar diensteneconomie. De meest opmerkelijke verandering is dat vrouwen massaal buitenshuis gingen werken. Vrouwen kwamen enerzijds terecht in zeer beperkte niches van de arbeidsmarkt. En anderzijds waren de leidinggevende functies zo goed als uitgesloten.

De beroepsbevolking is in de loop van de voorbije jaren grondig veranderd. Aan deze veranderingen beantwoorden diepgaande veranderingen in de levensstandaard, leefwijze en mentaliteit (Deleeck, 1992, p. 118). De groeiende diversiteit van de arbeidsmarkt is echter een feit waar rekening mee moet gehouden worden. Zo zullen arbeidstijden, loopbaanontwikkeling, beroep, sector van tewerkstelling en werkloosheid niet langer te begrijpen zijn indien we gender er niet bij betrekken (Van Haegendoren, M. 2000, pp. 149-153).

Zo kwam het accent veeleer op man-vrouwgelijkheid te liggen. Maatregelen zoals kinderopvang en vaderschapsverlof gingen onderzocht worden. Na gesprekken met vrouwenorganisaties als Katholieke Arbeidersvrouwen (KAV) en het Vrouwen Overleg Comité (VOC) bleek dat er een blijvende nood was om de fundamentele ongelijkheid tussen mannen en vrouwen op te lossen. Bestaande maatregelen zoals het ouderschapsverlof werden vooral opgenomen door vrouwen en bleken dus geen oplossing volgens het KAV. Een gesprek met Ria Van Peer van de toenmalige Vlaamse Overlegcommissie heeft me benadrukt dat de gelijke kansen ingang vinden op alle beleidsterreinen. De nadruk op vrouwgerichte maatregelen zal als gevolg daarvan verminderen.

De aandacht verschoof meer naar algemene maatregelen die nodig zijn om zowel mannen als vrouwen het mogelijk te maken hun arbeids- en gezinsleven te combineren. De diepgewortelde genderstereotyperingen leven nog steeds. Daar kan het sociaal overleg niets aan veranderen, maar aan het dilemma tussen de verwachtingen van de arbeidsmarkt en het gezinsleven misschien wel. De mobiliteit en flexibiliteit enerzijds en ‘er steeds zijn voor het gezin’ anderzijds moet door het sociaal overleg van antwoord worden voorzien. De traditionele taakverdeling is nog niet volledig weg, maar de arbeidsparticipatie van vrouwen en individualisering tekenen de gezinnen.

 

Na een gesprek met Gitta Vanpeborgh van het ABVV groeide mijn aandacht verder naar het algemeen belang van maatregelen om de combinatie arbeid en gezin te verbeteren. Het interprofessioneel akkoord van 2000 vormde de eigenlijke aanleiding om het tijdskrediet en het voorgaande stelsel van de loopbaanonderbreking te onderzoeken. Het idee is toen ontstaan om alle partners of actoren betrokken bij het sociale overleg te gaan bevragen. Wanneer gesproken wordt over het sociaal overleg blijft dit vaak beperkt tot de klassieke partners. Daarom zal ook de gezinsorganisatie aan bod komen en hun betrokkenheid op maatregelen die de combinatie gezin en arbeid beïnvloeden, weer te geven.

 

Het is de bedoeling om het sociaal overleg te bekijken en haar plaats in de samenleving duidelijk te maken.

Doorheen een literatuurstudie en verschillende gesprekken moet duidelijk worden welke belangen spelen in het sociaal overleg en of er echt verandering aanwezig is. De aandacht worden toegespitst op één maatregel, namelijk de loopbaanonderbreking. Dan wordt de opkomst van de ‘loopbaanonderbreking’ in het sociaal overleg geschetst. Loopbaanonderbreking heeft een belangrijke functie gehad voor vele gezinnen (lees vrouwen) die deze maatregel hebben opgenomen.

 

Concreet wil dat zeggen dat het sociaal overleg, als het wil inspelen op de veranderingen van de arbeidsmarkt, moet evolueren naar een andere vorm overleg. Met meer aandacht voor het ‘gezin’: niet alleen de man, maar ook de vrouw en de hele gezinssituatie horen nu meer bij de arbeidsmarkt.

 

Het sociaal overleg en haar beslissingen zijn van essentieel belang voor honderden gezinnen. Welke impact het sociaal overleg heeft met de huidige maatregelen en de opkomst van nieuwe maatregelen die combinatie gezin en arbeid moeten versoepelen, zal de leidraad zijn doorheen dit eindwerk.

 

 

II. HET THEORETISCH KADER

 

2.1. Probleemstelling

 

In de introductie van dit eindwerk kwam de nadruk te liggen op de veranderende relatie tussen arbeid en gezin. De probleemstelling ent zich ook binnen dit kader vast. Toch zal het sociaal overleg centraal komen te staan. Het sociaal overleg als antwoord op de veranderende samenleving en de daaruit voortkomende problemen. In dit geval problemen die werkende gezinnen ondervinden om hun gezinsleven met hun arbeid te combineren.

 

De algemene probleemstelling luidt als volgt: “Wat is de rol van het sociaal overleg binnen de veranderende samenleving op vlak van arbeid en gezin?”

 

Deze probleemstelling wordt opgesplitst in ten eerste de maatschappelijke veranderingen op vlak van arbeid en gezin. Ten tweede volgt de subprobleemstelling over het overleg met bepaalde antwoorden en/of maatregelen op deze veranderingen.

 

De eerste subprobleemstelling luidt: “Wat ligt aan de basis van veranderingen op vlak van arbeid en gezin?”

Op basis van Beck’s theorie wordt deze veranderende samenleving geschetst en de positie van het sociaal overleg daaraan gekoppeld. De arbeidsmarkt wordt door Beck beschouwd als zijnde een zekerheid tot de jaren ‘60. Loonarbeid en het beroep waren de spil van het leven in de industriële tijd. Het gezin was samen met arbeid het bipolaire coördinatiesysteem waarin het leven was gesitueerd. Het beroep was een zekerheidsscheppend aspect (Beck, 1992, pp. 139-140). De organisatie en regulering van de arbeidsmarkt gebeurde volgens een standaardarbeidsrelatie, de vaste en voltijdse aanstelling, en een standaardloopbaan, de baan voor het leven (Van Ruysseveldt & van Hoof, 1998, p. 240).

Dit arbeidsbestel is in verandering. Zo geldt vandaag een flexibele arbeidsmarkt. Het arbeidscontract, de werkplaats en de arbeidstijd worden meer divers. De rol tussen arbeid en gezin zijn niet langer duidelijk.

De nieuwe sociale en economische organisatie gebaseerd op de informatietechnologieën leidt tot decentralisatie van het management, tot individualisering van de arbeid, tot klantgerichte markten; stuk voor stuk processen die de arbeid segmenteren en maatschappijen fragmenteren (Lammertyn, F., Declercq, A. en Hustinx, L., 2001, p. 16).

Beck spreekt over individualisering omdat huwelijk, ouderschap, liefde, samenwonen en het huishouden van elkaar verwijderd raken. Het concept individualisering dekt ongeveer dezelfde lading als fragmentering.

Het stijgend opleidingsniveau en de toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen gekoppeld aan dat individualiseringsproces heeft zijn impact op de arbeidsmarkt. De standaardloopbaan is nog niet verdwenen, maar er is een gamma aan diverse loopbanen waardoor men spreekt van een flexibele arbeidsmarkt. Binnen deze arbeidsmarkt zitten mensen met allen een individuele voorkeur volgens Beck.

 

Deze processen blijken ervoor te zorgen dat een maatschappij fragmenteert. De nadruk komt zo te liggen op een veranderende arbeidsmarkt en de gevolgen voor gezinnen?

 

De tweede subprobleemstelling luidt: Wat is de rol van het sociaal overleg in deze gefragmenteerde of veranderende arbeidsmarkt ten overstaan van gezinnen?

 

Is het sociaal overleg nog een steunpilaar in zulk geïndividualiseerde samenleving? Volgens Beck zijn er nieuwe betrekkingen ontstaan tussen mensen/gezinnen en hun sociale wereld, waartoe de sociale partners behoren. Hoe zien deze betrekkingen er vandaag uit, als we kijken naar het sociaal overleg?

Onze samenleving kent een corporatistisch karakter. Het onderscheidt zich door de aanwezigheid van het tripartiet overleg. Dit is het overleg tussen werkgevers, werknemers en de overheid. De belangen van werknemers en werkgevers, maar ook de hele samenleving worden verzekerd door het sociaal overleg binnen de opgerichte instellingen. De voornaamste maatregelen getroffen door het sociaal overleg zijn bijvoorbeeld loonbehoud en arbeidsduur.

 

De pluriformiteit in het arbeidsbestel heeft niet alleen zijn impact voor combinatie gezin en arbeid, maar ook wat betreft de arbeidsverhoudingen. Veranderen deze arbeidsverhoudingen in hun aandacht van zuivere arbeidsmaterie naar meer gezinsgerichte maatregelen?

 

Met ingang van de jaren tachtig hebben zich ook op het domein van de collectieve arbeidsverhoudingen een aantal ontwikkelingen voorgedaan: Vooreerst blijken collectieve afspraken op nationaal of sectorieel niveau almaar moeilijker te worden. Ten tweede zijn er verschuivingen in het machtsevenwicht tussen de werknemers- en de werkgeversorganisaties. Ten derde ontstaan er nieuwe machtsonevenwichten tussen werknemers en de organisaties die hen vertegenwoordigen. Tenslotte grijpt de overheid almaar meer in het sociaal-economisch overleg. Deze veranderingen worden geschetst door Beck, De Swert en Van Hoof (Lammertyn, F., Declercq, A. en Hustinx, L., 2001, p. 19).

 

Deze geschetste veranderingen door verschillende sociologen maakt het interessant om na te gaan of het Belgisch sociaal overleg een antwoord kan blijven formuleren. Dit wordt concreet getoetst aan de problematiek arbeid en gezin en de maatregel ‘loopbaanonderbreking’.

 

In de laatste twee interprofessionele akkoorden van 1998 en 2000, die om de twee jaar door de sociale partners worden afgesloten, is de context gaan veranderen. Er lijkt een daadwerkelijke verandering of mentaliteitswijziging of maatschappelijke evolutie aan de gang binnen het sociaal overleg. Op enkele decennia tijd verschoof de aandacht van het sociaal overleg van arbeidsgerichte maatregelen naar kwalitatieve gezinsgerichte maatregelen. Nooit was er daarvoor concreet aandacht geweest om de combinatie tussen arbeid en gezin te versoepelen.

 

Beck acht deze evolutie op vlak van mentaliteit als normaal en noodzakelijk, want hij stelt dat er vanuit organisaties of mensen gereflecteerd moet worden. Zo kan men de gevolgen die de toenemende moderniteit veroorzaakt, leren inschatten en trachten op te lossen.

 

Vanuit deze probleemstelling ontstaan verschillende onderzoeksvragen zoals: Hoe is deze verandering tot stand kunnen komen? Is deze veroorzaakt door de veranderende samenleving? Zijn de recente maatregelen een goed antwoord op de maatschappelijke veranderingen? Zijn de sociale partners de aangewezen en noodzakelijke beleidsmakers om deze maatregelen inzake combinatie arbeid en gezin te volbrengen? Welke partners hebben deze evolutie het sterkste op gang gebracht? In hoeverre verschillen de sociale partners op dat vlak van elkaar? Welke maatregel speelt nu het meest in op de behoefte, loopbaanonderbreking of tijdkrediet? In hoeverre zijn deze maatregelen tijdgebonden?

 

De verschillende onderzoeksvragen kunnen in hypothesen worden gegoten: Het sociaal overleg is in staat om antwoorden te geven op de problemen ondanks de veranderende samenleving; De posities binnen het sociaal overleg zijn de laatste decennia veranderd; De maatregelen inzake arbeid en gezin worden in de toekomst meer behandeld door de sociale partners dan de overheid; Hoe meer gezinsthematiek hoe meer gezinsorganisaties zich mengen in het sociaal overleg; Tijdskrediet is meer gecreëerd om de combinatie arbeid en gezin te versoepelen dan het oude stelsel van loopbaanonderbreking; De overgang van loopbaanonderbreking naar tijdskrediet is ingegeven vanuit de noden van de samenleving.

 

 

2.2. Methodiek

 

2.2.1. Literatuurstudie

 

            Op basis van een literatuurstudie zal een evolutie worden beschreven van gezinnen en arbeidsmarkt enerzijds en het sociaal overleg anderzijds.

De onderzoeksfase startte met het bezoeken van verschillende gespecialiseerde bibliotheken zoals de WAV- en de GIDS-bibliotheek. De WAV of Werkgelegenheid, Arbeid en vormingsbibliotheek is gespecialiseerd in alle arbeidsgebonden materie. De GIDS of Gezinswetenschappelijke Informatie, Documentatie en Serviceverlening werd online geraadpleegd om verschillende onderzoeksgegevens te bekomen over gezinnen.

Daarnaast zijn ook bibliotheken van de verschillende vakbonden geraadpleegd om specifieke informatie te bekomen.

 

2.2.2. Kwalitatief onderzoek

 

            Naast de geraadpleegde literatuur werd er ook een korte bevraging doorgevoerd bij de voornaamste actoren die al dan niet rechtstreeks betrokken zijn bij het sociaal overleg. De hypothesen kunnen voor een deel beantwoord worden vanuit het literatuuronderzoek, maar een kwalitatieve bevraging geeft meer diepgang en verduidelijking over het sociaal overleg. Over een periode van een jaar zijn volgende gesprekken gehouden. Deze zijn in onderstaande tabel alfabetisch weergegeven.

 

Tabel 1: Contacten met actoren (binnen en buiten het sociaal overleg)

Vereniging / Actor

Naam contactpersoon

Functie

Datum gesprek

A.B.V.V.

Gitta Vanpeborgh

Vrouwencommissie

02/02

A.B.V.V. studiedienst

Jef Maes

Directeur studiedienst

03/02

A.C.V. bewegingsploeg

Johan Quintelier

Afdelingshoofd

10/01

A.C.V. studiedienst

André Leurs

Directeur studiedienst

04/02

B.G.J.G. de Gezinsbond

Dirk Remy

Hoofd studiedienst

02/02

M.T.A.

Mirjam Malderie

Adviseur-generaal

11/02

N.A.R.

Paul Windey

Voorzitter

02/02

Kabinet Onkelinx

Jan Van Thuyne

Adjunct-kabinetchef

03/02

K.A.V.

Eef Deduffeleer

Sociale studiedienst

02/02

S.E.R.V. / V.O.C.

Ria Van Peer

Vrouwendienst

10/01

V.B.O.

Arnout de Koster

Directeur sociaal departement

02/02

 

Aan de hand van deze contacten wordt gepoogd meer informatie te bekomen. Deze contacten werden telefonisch en / of via e-mail vastgelegd door een korte voorstelling en opzet van het onderzoek.

Iedereen die gecontacteerd is, wou meewerken en aan de hand van onderstaande vragen werd hun mening gevraagd, zowel over hoe men algemeen tegenover het sociaal overleg stond, als specifieke vragen over posities binnen het overleg en tenslotte over maatregelen zoals de loopbaanonderbreking en het tijdskrediet.

De gesprekken werden telkens opgenomen op bandrecorder om zo de verwerking volledig en vlot te kunnen doen.

 

Vragen aan verschillende actoren:

 

Deze vragen maakten de basis uit van het gesprek. Deze werden gewijzigd al naargelang de bevraagde actor (cfr. Bijlage 1). Zo zijn de vragen aan de gezinsorganisatie anders gesteld dan aan de werkgeversvertegenwoordigers, maar deze kern bleef behouden.

 

Alvorens de eigenlijke actoren aan het woord te laten, wordt met behulp van het literatuuronderzoek de maatschappelijke evoluties op de arbeidsmarkt en de impact daarvan op de gezinnen geschetst.

Naast maatschappelijke evoluties is ook het sociaal overleg aan verandering onderhevig. Dit komt ook aan bod in het ontstaan, de posities en niveaus van het sociaal overleg. Dan wordt de invloed van het sociaal overleg geconcretiseerd in de evolutie die het stelsel van de loopbaanonderbreking heeft doorgemaakt. Het sociaal overleg heeft een bepaalde impact op deze maatregel.

De gevolgen van die evolutie op de maatregel moet blijken uit het gebruik ervan door gezinnen.

Dan wordt het nieuwe tijdskrediet uitgelegd. De voor- en nadelen met het oude stelsel van loopbaanonderbreking worden weergegeven.

Op basis van deze evoluties worden de posities van het sociaal overleg weergegeven en gebeurt de eigenlijke hypothesetoetsing door de bevraging van de voornaamste actoren.

 

 

III. MAATSCHAPPELIJKE TRENDS IN DE ARBEIDSMARKT  EN DE IMPACT DAARVAN OP DE GEZINNEN

 

Volgens Beck grijpen er veranderingen plaats binnen de moderne samenleving. In dit deel worden de gevolgen geschetst van deze veranderingen met nadruk op de arbeidsmarkt. Gezinnen krijgen te maken met een flexibele arbeidsmarkt. De standaardloopbaan en het zogenaamde kostwinnersmodel behoren stilaan tot het verleden. Tenslotte wordt gepoogd om te kijken wat er in de plaats van dat kostwinnersmodel kan komen – sommige spreken van een combinatiemodel. De leidraad is echter de positie van gezinnen en hun eigen bijdrage aan deze veranderingen. 

 

 

3.1. Het kostwinnersmodel: een uitzondering in de geschiedenis

 

Het zijn een aantal arbeidsmarktindicatoren die vanaf de jaren 70 hebben bijgedragen tot een verandering van het kostwinnersmodel. De voornaamste en opmerkelijkste verandering is de toename van buitenhuistewerkstelling van vrouwen de laatste decennia met 600.000 eenheden. Deze toename is te wijten aan de evolutie van het aantal actieve vrouwen (MTA, 2001).

 

Tabel 2: Evolutie van de activiteits- of werkzaamheidsgraad in België naar geslacht (1970-2000)

 

Activiteitsgraad

Jaar

Mannen

Vrouwen

totaal

1970

70.4

31.2

50.1

1980

65.9

36.5

50.7

1990

60.9

40.7

50.4

1994

60.5

41

50.7

      2000 (*)

69.5

51.5

60.5

Bron: Ministerie van tewerkstelling en arbeid. (1994), kijk op de arbeidsmarkt. De beroepsbevolking in België. Overzichtstabellen vanaf 1970, Brussel, MTA. + (*) NIS, enquête naar de arbeidskrachten uit jaarboek 2000, Brussel : NIS.

 

De activiteits- of werkgelegenheidsgraad geeft aan in welke mate een bevolking aan het actieve leven wenst deel te nemen en wordt berekend via de verhouding tussen de totale beroepsbevolking en de bevolking op arbeidsleeftijd, dat wil zeggen tussen 15 jaar en 64 jaar.

Bij mannen evolueerde deze indicator vanaf de jaren 70 steil naar beneden van 70.4 naar 60.5% in 1994. Vrouwen kennen vanaf de jaren 70 tot vandaag een sterke, maar vooral permanente stijging van 31.2 in 1970 naar 41% in 1994. En ook in de jaren 90 zien we dat deze participatie sterk is blijven toenemen van vrouwen.

De mannelijke activiteitsgraad nam af, mede door langere studies en brugpensioenregelingen, maar ook door de sluiting of inkrimping van arbeidsintensieve sectoren zoals de staal, en de steenkoolnijverheid. Het aandeel van de vrouwelijke stijging was echter volledig te wijten aan de sterke stijging van het aantal deeltijdse werkenden. Het deeltijds werk wordt tot op de dag van vandaag bijna volledig door vrouwen ingenomen.

Naast geslacht is ook leeftijd een belangrijke factor in de wijziging van de activiteitsgraad. Het zijn voornamelijk de jongere leeftijdsklassen van 25-49 jaar waar zich de belangrijkste stijging heeft voorgedaan. Terwijl in 1970 37% actief was, bedroeg dit in 1991 reeds 68% (Dobbe, 1993, p. 4).

 

De afhankelijkheidsgraad, de verhouding van de beroepsbevolking t.o.v. de inactieve bevolking, is in die periode tussen 1970 en 1998 erg gedaald door de toename van de vrouwelijke beroepsbevolking. In 1970 stonden tegenover 100 personen uit de beroepsbevolking 156 niet-actieven waarvan 2/3 vrouwen. In 1998 zijn dit nog 134 niet-actieven waarvan 56% vrouwen (Steegmans, Valgaeren, en Van Haegendoren, 2001).

 

In de onderstaande tabel wordt er verder gekeken of het inderdaad de jongere leeftijdscategorieën zijn, die een hoge werkzaamheidsgraad vertonen. Als deze trend in de jaren 70 begonnen is, zou ze dan vandaag ook nog steeds bezig zijn.

Op het eerste zicht lijkt het aandeel werkende vrouwen niet dermate groot te zijn bij de jonge leeftijdscategorieën eind jaren ’90. Want zo zijn 27.1 % van de 15-24 jarige vrouwen werkzaam, terwijl dit bij de 25-49 jarige vrouwen ruim 69.3% is. Toch mag hieruit niet besloten worden dat de werkzaamheidsgraad afneemt bij vrouwen, integendeel.

 

 

Tabel 3: Werkzaamheidsgraad en aandeel niet-loontrekkenden en deeltijdse loontrekkenden naar geslacht en leeftijd, 1997 (gemiddelde 1996-1998) (Vlaams Gewest)

 

15-24

25-49

50-64

Totaal

N x 1000

Werkzaamheidsgraad

 

 

 

 

 

Mannen

33,8

91,6

49,6

70,4

1402

Vrouwen

27,1

69,3

20,3

48,8

947

Totaal

30,5

80,7

34,9

59,7

2348

Aandeel niet-loontrekkenden

 

 

 

 

 

Mannen

9,7

17,6

27,4

18,6

260

Vrouwen

6,8

14,5

32,6

15,6

148

Totaal

8,5

16,3

28,9

17,4

408

Aandeel deeltijdse loontrekkenden

 

 

 

 

 

Mannen

8,5

2,3

3,3

3,1

35

Vrouwen

25,5

37,9

42,4

36,9

294

Totaal

16,0

17,6

14,1

17,0

329

Bron: Steunpunt WAV. De arbeidsmarkt in Vlaanderen jaarboek 1999, Leuven, Acco, 1999, p. 114.

 

Maar liefst 25.5 % van de 15-24 jarige vrouwen werkt deeltijds, terwijl dit bij mannen slechts 8.5% is. Dit is echter veel in vergelijking met de oudere leeftijdscategorieën bij mannen. Dit kan dus ook een trendbreuk aangeven.

De werkzaamheidsgraad van vrouwen is nog nooit zo groot geweest. Zeker als we kijken naar het aandeel vrouwen bij de deeltijds werkenden. Het totaal aantal deeltijdse vrouwen is bijna 10 keer groter dan het aantal deeltijdse mannen. Van alle vrouwen, ongeacht de leeftijd, werkt 36,9% deeltijds terwijl dit slechts 3,1% bedraagt bij mannen. Er is dus wat betreft de werkzaamheid een enorme inhaalbeweging door vrouwen.

En de kloof bij de totale werkzaamheidsgraad tussen 15-24 jarige mannen en vrouwen bedraagt nog slechts 6.7%, namelijk 33.8% mannen en 27.1% vrouwen. Dit tegenover 22.3% verschil tussen 25-49 jarige mannen en vrouwen.

 

Er is dus sprake van een leeftijdseffect, maar sommige spreken over een generatie-effect waarbij het leeftijdsspecifieke activiteitenpatroon van vrouwen opschuift richting dat van  mannen. Het generatie-effect wordt ook wel cohorte-effect genoemd. De toename van vrouwen op de arbeidsmarkt is gekoppeld aan een evolutie van generatie op generatie. Wanneer men de activiteitsgraden van de vrouwen om de vijf jaar opvolgt is dat effect pas goed zichtbaar. 

 

Tabel 4: Cohorte-effect van de evolutie vrouwelijke activiteitsgraden, 1983-1998 (Vl. Gewest)

 

1983

1988

1993

1998

20-24

67,0

63,8

60,3

53,7

25-29

75,1

81,3

84,2

86,0

30-34

66,6

72,4

79,8

82,3

35-39

58,9

65,7

73,0

76,5

40-44

49,2

52,5

64,4

71,2

45-49

39,7

41,0

52,4

61,5

50-54

30,5

25,0

30,4

43,1

55-59

17,0

13,7

17,5

21,7

Bron: Steunpunt WAV. De arbeidsmarkt in Vlaanderen jaarboek 1999, Leuven, Acco, 1999, p. 91.

 

Men kan de gezinnen in de naoorlogse periode plaatsen binnen het kostwinnersmodel. Dit model is dominant geweest voor enkele decennia in België. Bij de gezinnen overheerst in dit model het éénverdienersgezin en blijft de vrouw thuis werken. De huisvrouwen vertegenwoordigden de facto een grote feitelijke verborgen werkloosheid. Die werd sinds de jaren ’70 veel zichtbaarder door het grote actieve aanbod van vrouwen op de arbeidsmarkt (Cliquet, 1996). Toch bleek dit kostwinnersmodel een uitzondering in de geschiedenis. Historici gaan er vanuit dat de activiteitsgraad van (gehuwde) vrouwen in de periode 1750-1850 nog hoger was. Er moest samen zeer hard gewerkt worden om te kunnen overleven (Van Dongen, Beck, en Vanhaute, 2001, p. 77).

 

Een uitzonderingssituatie of niet. Het kostwinnersmodel is op enkele decennia tijd voorbijgestreefd door enorme veranderingen op de arbeidsmarkt. Aan de lage arbeidsparticipatie van de vrouw in de periode 1900-1970 komt door de recente evolutie van de arbeidsmarkt immers een einde.

De gevolgen van deze arbeidsmarktveranderingen zullen voelbaar zijn binnen de gezinnen. Individualisering en meer keuzevrijheid maken dat vrouwen en gezinnen dus geconfronteerd kunnen worden met nieuwe problemen. De gezinnen ondergaan naar alle verwachtingen zelf ook veranderingen.

 

 

3.2. De gezinnen van vandaag

 

Veranderingen grijpen plaats op het vlak van de arbeidsmarkt, en deze zijn voelbaar in elk gezin. Ook de huishoudens zullen een ander profiel hebben dan voor de jaren ‘70. De volgende tabel geeft het profiel weer van de huishoudens en hun evolutie de laatste 10 jaar tussen 1991 en 1999. De veranderingen op de arbeidsmarkt die begonnen is begin jaren ’70 is als het ware zichtbaar in de veranderingen op vlak van huishoudens én omgekeerd.

 

Tabel 5: Evolutie van het aantal volwassen personen per gezinsvorm of huishoudtype in het Vlaamse Gewest: 1991 en 1999 NIS; Volkstelling 1991, Bevolkingsstatistieken 2000

 

         Aantal

         Percentage

Gezinsvorm

1991

1999

1991

1999

Totale Aantal huishoudens

3953125

4209054

100.0%

100.0%

Niet-familiale huishoudens

 

 

 

 

- alleenwonende mannen

466169

578446

11.8%

13.7%

- alleenwonende vrouwen

667502

722074

16.6%

17.2%

-personen die geen familiekernen vormen

119805

178940

3.0%

4.3%

Andere huishoudens

2709649

2729594

68.5%

64.9%

Aantal familiekernen *

2740490

2760987

100.0%

100.0%

Echtparen zonder kinderen

928584

965192

33.9%

35.0%

Echtparen met 1 kind

612713

545467

22.4%

19.8%

Echtparen met 2 kinderen

548467

517668

22.4%

18.7%

Echtparen met 3 kinderen

266703

250830

9.7%

9.1%

Vaders met 1 of meer kinderen

81963

114643

3.0%

4.2%

Moeders met 1 of meer kinderen

302416

367187

11.0%

13.3%

(*) Een familiekern bestaat uit een wettelijk gehuwd paar met of zonder ongehuwde kinderen, of uit een vader of moeder met één of verscheidene kinderen

Bron: NIS. Volkstelling 1991, Bevolkingsstatistieken 2000.

 

In de loop van de jaren ’90 blijft het aantal alleenstaanden toenemen. Zo zijn alleenwonende mannen tussen 1991 en 1999 toegenomen met meer dan 100.000, en maken 13.7 % van alle huishoudens uit. Alleenwonende vrouwen zijn minder toegenomen, maar bedragen toch 17.2 %. Het merendeel van de huishoudens zijn gehuwde of samenwonende koppels, met 64.9 %.

Ook gezinnen zonder kinderen met 35 % en vaders en moeders met 1 of meer kinderen, respectievelijk 4.2 % en 13.3 % nemen licht toe. Naast oorzaken als vergrijzing en echtscheiding, zal een deel te verklaren zijn aan de verhoogde arbeidsparticipatie van vrouwen, waardoor er extra tijds- en gezinsdruk is bij deze gezinnen.

 

 

3.3. Werklast en gezinsdruk binnen de gezinnen

 

In een andere studie wordt bevestigd dat de beroepsbevolking de laatste decennia veranderd is. De werkomgevingen zijn echter niet mee veranderd met de evolutie van de arbeidsparticipatie van de vrouw. Dit gaat ten koste van het gezinsleven dat ook zware eisen stelt. De meeste mannen blijven werken en denken niet aan veranderen. Dit zorgt voor een scheeftrekking, wat aanleiding is om nieuwe maatregelen te zoeken (Hochschild, 1990, p.28).

 

Tabel 6: Werklast en gezinsdruk naar gezinstype voor alle respondenten (excl. studenten)