| “Onder de toren”.Limburgs socialistisch personeel tijdens het interbellum. (Stef Telen) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
DEEL II: CORPUS
7. De politieke evolutie in Limburg tijdens het Interbellum
1. Wetgevende verkiezingen
16 november 1919
De eerste naoorlogse verkiezingen van 16 november 1919 zagen in Limburg de meeste tenoren van voor de oorlog weer op het politieke voorplan verschijnen: Joris Helleputte, Frans de Schaetzen, Henri Gielen, Frans Theelen, Clement Peten en Paul Neven. De socialisten, die in 1912 en 1914 in geen van beide arrondissementen opgekomen waren, namen nu wel deel en zouden het blijven doen.
De socialisten hoopten op een zetel in Tongeren-Maaseik. Aangezien de toestand in Hasselt-Sint-Truiden bij gebrek aan organisatie, werking, eendracht en leiders verre van rooskleurig was (in Hasselt en Sint-Truiden kon toen zelfs nog geen vergaderzaal gevonden worden), werd van Tongeren-Maaseik redelijk veel verwacht. Daar waren de vooruitzichten beter en de vorderingen groter; van de vier bestaande coöperatieven waren er vier onlangs heropend. Bovendien waren er meer dan duizend gesyndiceerde mijnwerkers en sigarenmakers. Ook waren verschillende propagandatochten in Tongeren en Mechelen aan de Maas van onder meer Eduard Anseele en Jozef “Jef” Wauters succesrijk verlopen.
Wat de uitslagen betreft, deze waren voor de BWP eerder teleurstellend: 1.496 stemmen in Hasselt-Sint-Truiden (5,5 %) en 2.535 in Tongeren-Maaseik (6,7 %). Feitelijk de had invoering van het Algemeen Enkelvoudig Stemrecht in Limburg weinig verandering gebracht. De katholieken hadden, zoals vóór de oorlog, drie gekozenen in Tongeren-Maaseik (Frans Theelen, Joris Helleputte en Frans de Schaetzen) en twee in Hasselt-Sint-Truiden (Jan Raemaekers en Jules van Caeneghem). De liberalen behielden hun twee gekozenen (Paul Neven en Clement Peten).
Voor de Senaatsverkiezingen waren slechts twee lijsten opgekomen: een katholieke en een liberale. Voor de eerste maal werd een liberaal verkozen, in de persoon van Prosper Wielemans. Gezien de grondwetswijziging nog niet was gerealiseerd, bleven voor de Senaat nog steeds de censuseisen bestaan, zodat er van arbeiderskandidaten nog geen sprake was.
20 november 1921
De tweede naoorlogs verkiezingen kunnen als de eerste “normale” aanzien worden. De grondwetsherziening was er en de eerste belangrijke sociale wetten waren afgekondigd. De Senaat was toegankelijker geworden. Op nationaal vlak en in Limburg waren de katholieken de grote overwinnaars.
In Tongeren-Maaseik steeg het percentage van de socialisten van 6,7 naar 7,7 %, maar weer werd geen doorbraak geforceerd. De liberalen leden stemmenverlies, maar Paul Neven behield zijn zetel. De katholieken behielden hun drie zetels, die dan ook door dezelfde drie heren ingevuld werden; Frans Theelen, Joris Helleputte en ridder Frans de Schaetzen.
In Hasselt-Sint-Truiden gingen de socialisten wel een paar honderd stemmen vooruit (van 1.496 naar 1.759), maar eens te meer konden ze geen echte potten breken. De liberalen, met stemmentrekker Peten verloren hun zetel aan de katholieken die met Van Caeneghem, Raemaekers en Blavier alle drie de zetels in het kiesdistrict weggraaiden.
Door de grondwetsherziening was het aantal verkiesbare senatoren sterk opgedreven. Bij de verkiezingen dongen dan ook meer lijsten dan voorheen naar de gunst van de kiezers. De vier gekozenen behoorden echter allemaal tot de katholieke partij (de drie ultraconservatieve Meyers, Portmans, Graaf de Peissant en Cartuyvels die als kandidaat voor de arbeiders opkwam, zonder uitgesproken democraat te zijn).
30 april 1925
Bij de vervroegde verkiezingen van april 1925 begon de Vlaamse Kwestie steeds meer op de voorgrond te treden. Niet alleen waren er de Vlaams-nationalistische lijsten, maar ook in de Limburgse socialistische partij was belangstelling voor dit probleem, voornamelijk bij monde van Jules Demarrez uit Borgloon.
De uitslagen van de verkiezingen leverden voor de zoveelste maal geen echte verrassingen op. Voor de Senaat behaalden de katholieken op kousenvoeten de vier zetels en ook voor de Kamer sleepten ze de zeven te verdelen zetels in de wacht.
Toen op 15 april 1925 de provinciale senatoren werden aangeduid kwamen vanzelfsprekend drie katholieken uit de bus (kanunnik Broekx, Van Ormelingen en Mgr. Deploige, later vervangen door Janssens uit Bree). Op 30 april van datzelfde jaar werd Pierre Diriken aangesteld als gecoöpteerd senator, een ambt dat hij tot aan de Tweede Wereldoorlog zou blijven uitoefenen.
Voor de socialisten was de uitslag de bevestiging van de vorige verkiezingen; de doorbraak zou nog niet voor morgen zijn. Er was wel een behoorlijke stemmenwinst waar te nemen, waarschijnlijk te wijten aan het feit dat in Hasselt en Sint-Truiden socialistische organisaties tot stand waren gekomen. Voor de eerste maal lag het percentage van Hasselt-Sint-Truiden dan ook hoger dan dat van Tongeren-Maaseik (respectievelijk 14,6 en 12,1 %).
De liberalen verloren de enige zetel die ze in Limburg nog overhielden. Paul Neven van Tongeren werd niet meer verkozen.
29 mei 1929
Bij de wetgevende verkiezingen van mei 1929 lagen de politieke kaarten in Limburg enigszins anders, vooral dan in het katholieke kamp, waar de Vlaamse Nationalisten de wind in de zeilen schenen te hebben na de Bormsverkiezing [79] van december 1928.
Wat de uitslagen betrof konden de katholieken zich nationaal gezien eerder tevreden achten; de socialisten waren niet de sterkste partij van het land geworden en vielen zelfs terug van 78 naar zeventig zetels.
In Limburg was er voor de katholieken wel wat reden tot ontevredenheid. “Ons Limburg” had het zelfs over een ramp, maar dat was waarschijnlijk lichtjes overdreven. In Hasselt-Sint-Truiden waren de drie verkozen volksvertegenwoordigers immers katholieken (Raemaekers, Blavier en Van Caeneghem, die enige tijd later minister zou worden).
In Tongeren-Maaseik lag de toestand enigszins anders. Het aantal katholieke volksvertegenwoordigers werd gehalveerd. De liberaal Paul Neven deed opnieuw zijn intrede in de Kamer en voor de eerste maal werd een Vlaams Nationalist verkozen, Gerard Romsée. Ook in de Senaat was dit het geval met Simon Lindekens, zodat het imago van het “zuivere katholieke Limburg” een flinke deuk gekregen had.
De socialisten kwamen er eenvoudigweg niet aan te pas. Een kleine vooruitgang in het arrondissement Hasselt-Sint-Truiden (15,2 % tegen 14,6 %) en een achteruitgang in Tongeren-Maaseik (11,4 % tegen 12,1 %).
27 november 1932
De stakingsbewegingen en (op sommige plaatsen) de onlusten hadden alle partijen in alarmtoestand gebracht, niet in het minst de regeringspartijen. De val van het katholiek-liberale kabinet Renkin (5 juni 1931 tot 18 oktober 1932) werd bespoedigd door de gemeenteraadsverkiezingen van 9 oktober 1932. Beide regeringspartijen waren van oordeel dat deflatoire maatregelen dienden genomen te worden. Ze waren het echter niet eens over het moment waarop deze maatregelen bekend gemaakt moesten worden. Met de verkiezingen in het voorjaar van 1933 in het vooruitzicht, wilden de liberalen wachten tot na de parlementsverkiezingen. De katholieken probeerden nog zolang mogelijk tijd te winnen, maar de meningsverschillen tussen hen en de liberalen (die de maatregelen zo spoedig mogelijk aan de kiezers wilden melden) vielen niet meer te overbruggen en de regering viel op 18 oktober 1932.
De gemeenteraadsverkiezingen van 9 oktober brachten een achteruitgang van de katholieken, een lichte winst voor de socialisten en de communisten, terwijl de liberalen hun posities grotendeels konden handhaven.
De wetgevende verkiezingen, die een maand later, op 27 november, plaatsvonden, bevestigden in het geheel niet de tendens die bij de gemeenteraadsverkiezingen was waar te nemen. Van een achteruitgang bij de katholieken was totaal geen sprake. De nieuwe Eerste Minister, Charles de Broqueville, bracht het door de katholieken zo geliefkoosde thema van de schoolstrijd en de ziel van het kind weer op het politiek voorplan, ondanks de crisissfeer en het troebele sociale klimaat.
De uitslagen verrasten in die zin dat ze helemaal geen bevestiging brachten van wat de gemeenteraadsverkiezingen een maand geleden hadden kunnen laten vermoeden. Het werd namelijk een ware triomf voor de katholieken. Paul Neven verloor eens te meer zijn zetel, terwijl Lindekens en Romsée de hunne konden behouden.
24 mei 1936
De economische crises, die gepaard gingen met een verscherping van de Waals-Vlaamse verhoudingen, creëerden een inwendige strijd in het parlementair regeringsstelsel. Meerdere regeringen volgden elkaar in een snel tempo op.
De verkiezingen werden een ware catastrofe voor de traditionele partijen. De katholieken verloren vijfentwintig procent en zestien zetels (van 79 naar 63), de liberalen verloren zestien procent en één zetel (van 24 naar 23) en de socialisten scoorden dertien procent minder en verloren drie zetels (van 73 naar 70). De extremistische partijen gingen sterk vooruit; de communisten wonnen zes zetels en belandden op negen, het VNV won acht zetels en kwam uit op zestien. Rex was echter de grootste overwinnaar en telde nu eenentwintig gekozenen, waarvan drie in Vlaanderen.
In Limburg was er lange tijd sprake geweest van een kartelvorming tussen socialisten en liberalen en ook de katholieken en de KVV-VNV van Romsée hadden een kortstondige flirt. Ten slotte kwam het toch niet tot de gemeenschappelijke lijsten, noch aan de linkse zijde, noch aan de rechtse.
De liberale partij won lichtjes veld over de gehele lijn, terwijl de socialisten een kleine winst boekten in Hasselt-Sint-Truiden. In de Senaat behield Dr. Lindekens zijn zetel. De socialisten zagen eindelijk hun langgekoesterde droom verwezenlijkt: Jules Demarrez was rechtstreeks verkozen, een historisch feit voor het Limburgse socialisme. De katholieken behielden slechts twee zetels.
Voor de Kamer ging de vierde, bijgekomen zetel in het arrondissement Hasselt-Sint-Truiden naar de VNV’er Rik Ballet. De drie andere zetels bleven van de katholieken. Lambert Pletsers [80] kwam slechts driehonderd stemmen tekort om zijn intrede in de Kamer te doen.
In Tongeren-Maaseik werden twee VNV’ers naar het Parlement gestuurd; Gerard Romsée en Jef Deumens. Ook Paul Neven deed opnieuw zijn intrede in de Kamer, maar werd later vervangen door Fernand Philips, zodat slechts twee katholieken hun zetel behielden. Als men de provinciale senatoren, die op 22 juni 1936 benoemd werden, meerekent, was de balans voor de katholieken redelijk dramatisch. De verdeling van deze drie zetels was namelijk de volgende: De katholiek Janssens, de VNV’er Lysens en de liberaal Olyff, die de steun had gekregen van de socialistische provincieraadsleden.
2 april 1939
De politieke crisis had in ons land bij de verkiezingen van 24 mei 1936 een hoogtepunt bereikt. Men kon zich op dat ogenblik ernstig afvragen of de Belgische kiezer zijn geloof in het parlementair systeem niet verloren had. Eén kiezer op de vier had immers zijn stem uitgebracht op een extremistische partij, zij het Rex, het VNV of de communistische partij.
Het gevolg was dat het land moeilijk bestuurbaar werd. Kortstondige regeringen volgden elkaar op: de regering-Janson, de regering-Spaak en de regering-Pierlot in een periode van minder dan twee jaar. De verkiezingen van 1939 waren dan ook vervroegd, ten gevolge van een Kamerontbinding door de koning.
In Limburg kon de katholieke partij eens te meer victorie kraaien; ze had twee gekozenen meer daar Demarrez zijn senaatszetel verloor en Fernand Philips, die Paul Neven was komen vervangen niet meer verkozen werd. Het VNV kwam onverzwakt uit de strijd; in Hasselt-Sint-Truiden werden Ballet en Hermans verkozen en in Tongeren-Maaseik behield Romsée zijn zetel. Van de dertien rechtstreeks verkozen parlementsleden telden de katholieken er nu negen in hun rangen en het VNV vier.
Overzicht
In onderstaande grafieken ziet men een overzicht van de evolutie van de Wetgevende verkiezingen in beide Limburgse arrondissementen, Hasselt-Sint-Truiden en Tongeren-Maaseik, zowel voor de Senaat als voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers.



2. Provincieraadsverkiezingen
27 november 1921
Slechts in vier kantons kwamen socialistische lijsten op: Hasselt, Tongeren - Zichen-Zussen-Bolder, Borgloon en Neerpelt. In Sint-Truiden was de lijst te laat ingediend en werd niet aanvaard, ondanks de tussenkomst van de plaatselijke Socialistische Bond bij de voorzitter van het kiescollege.
Voor de socialisten was de uitslag verre van schitterend. Ondanks de zetelaanpassing (van 48 van zestig raadsleden) kreeg slechts één socialist toegang tot de provincieraad, namelijk Theophile Depuis in Tongeren. De katholieken sleepten de hoofdbrok weg bij deze verkiezingen, met niet minder dan veertig van de zestig zetels, gevolgd door de liberalen die tien zetels behaalden.
8 november 1925
Dit maal werden er meer socialistische lijsten ingediend; in Hasselt, Tongeren – Zichen-Zussen-Bolder, Borgloon, Neerpelt, Sint-Truiden (die deze keer dus wel op tijd waren), Bilzen – Mechelen aan de Maas.
De BWP sleepte vijf zetels in de wacht; Lambert Pletsers in Sint-Truiden, Theodoor Cloosen [81] in Hasselt, Theophile Depuis en Pieter Renier (die later vervangen werd door Frans Rijkals) in Tongeren – Zichen-Zussen-Bolder en Jules Demarrez in Borgloon.
De katholieken gingen er nog op vooruit bij deze verkiezingen, van veertig naar 43 zetels, gevolgd door de liberalen, die vier zetels verloren en er zes overhielden. [82]
9 juni 1929
De verkiezingen werden gekenmerkt door een tweedracht in het katholieke kamp in verband met de standenvertegenwoordiging. Toch verloren de katholieken slechts drie zetels, tenminste als men de uitslagen van de twee aparte lijsten samentelt. De socialisten behaalden één zeteltje meer en kwam uit op zes. Gekozen waren: Pletsers, Cloosen, Demarrez, Depuis en de nieuwelingen Louis Maes en Alexis Lenaers. Bovendien werd Pierre Diriken korte tijd daarna als gecoöpteerd senator verkozen. [83]
4 december 1932
Bij deze verkiezingen kwam de Katholieke Vlaamse Volkspartij (KVV) voor het eerst op de voorgrond, was er sprake van een grondige verdeeldheid in het katholieke kamp en slaagden de socialisten er voor de eerste maal in in alle kantons op te komen. Echter alleen in Hasselt en in de zuidelijke districten telden ze echt mee. De katholieken verloren, omwille van hun verdeeldheid, aanzienlijk wat zetels en eindigden op 29 stuks. De socialisten wisten, ondanks hun status-quo de liberalen voorbij te steken. De socialistische gekozenen waren: Cloosen in Hasselt, Pletsers en Paul Meirens in Sint-Truiden, Depuis en Kinet in Tongeren – Zichen-Zussen-Bolder en Demarrez in Borgloon. [84]
7 juni 1936
Voor de parlementsverkiezingen waren de uitslagen voor de traditionele partijen en dan vooral voor het katholieke kamp, catastrofaal. Bij de provincieraadsverkiezingen kwam het erop neer een sterke katholieke meerderheid te behouden om aan het hele land te laten zien wat Limburg was en steeds geweest was: dé katholieke provincie bij uitstek.
De katholieken behaalden in totaal 33 zetels (27 van de officiële katholieke lijst en zes van onafhankelijke katholieken van diverse strekking), en het VNV niet minder dan twaalf zetels. De liberalen staken de socialisten weer voorbij, ondanks het feit dat deze laatsten een extra zetel wisten te behalen. Gekozen waren: Karel Suyvoet en Cloosen in Hasselt, Pletsers in Sint-Truiden, Marcipont [85] in Beringen, Depuis en Coenegrachts [86] in Tongeren – Zichen-Zussen-Bolder en Demarrez in Borgloon. Voor de socialisten bleef het arrondissement Maaseik, met de kantons Maaseik, Bree – Peer en Neerpelt vooralsnog het zwakke punt. [87]
Overzicht
In onderstaande grafiek ziet men de evolutie van de zetelverdeling in de Limburgse provincieraad van 1921 tot 1936. Hierbij weze vermeld dat er in 1939 geen provincieraadsverkiezingen plaatsvonden.

3. Gemeenteraadsverkiezingen
24 april 1921
Slechts op vier plaatsen kwamen socialistische lijsten op bij deze verkiezingen: te Tongeren, Zichen-Zussen-Bolder, Sluizen en Diepenbeek.
In Tongeren werd het voor de socialisten een relatief succes; ze telden drie gekozenen (Diriken, Jean Smits en Theophile Depuis) tegen zeven katholieken en drie liberalen.
In Zichen-Zussen-Bolder was het resultaat daarentegen redelijk mager, slechts één gekozene. Op de andere twee locaties was het resultaat nihil.
Deze gemeenteraadsverkiezingen waren ook de eersten die vrouwen toelieten naar de stembus te gaan, maar erg veel invloed had dit niet op de uitslagen.
10 oktober 1926
In Limburg werden de gemeenteraadsverkiezingen vooral gekenmerkt door een veelheid van katholieke lijsten, voornamelijk te Maaseik, Hasselt, Sint-Truiden en Lommel.
In Tongeren kwam een liberaal-socialistische meerderheid uit de stembus.
In Maaseik kwam voor de eerste maal een socialistische lijst op, echter zonder groot succes.
In Borgloon kon de enige verkozen socialistische kandidaat dankzij een coalitie met de liberalen in het gemeentebestuur zetelen [88].
9 oktober 1932
Globaal gezien veranderde er in Limburg, in tegenstelling tot de rest van het land, relatief weinig. Slechts in een tiental gemeenten werd de bestaande meerderheid omvergeworpen (onder meer de eerste socialistische meerderheid in Limburg te Corswarem).
In Tongeren waren enkele weken voor de verkiezingen stribbelingen ontstaan tussen de linkse coalitiepartners, vandaar dat verwacht werd dat één van beiden het gelag zou moeten gaan betalen bij de verkiezingen. Niets bleek minder waar. De liberaal-socialistische coalitie bleek de grote winnaar, met vier gekozenen voor elke partij. Voor de socialisten, die 1.943 stemmen haalden (tegenover 1.753 voor de liberalen en 2.127 voor de katholieken) waren dit: Pierre Diriken, Theophile Depuis, Walthère Thijs [89] en Jean Moens [90].
In Borgloon werd weer alleen Jules Demarrez verkozen, terwijl in Hasselt Theodoor Cloosen “einselganger” bleef.
In Sint-Truiden werden Lambert Pletsers en Alfred Wauters verkozen.
In Genk slaagde Karel Suyvoet erin als enige socialist het stadhuis te betreden.
In totaal werden in zestien gemeenten van het arrondissement Hasselt-Sint-Truiden socialistische lijsten ingediend (waarvan twaalf in het kanton Sint-Truiden), in vier gemeenten van het arrondissement Maaseik en in negentien in het arrondissement Tongeren. De resultaten waren op sommige plaatsen bevredigend. Er waren onder meer drie socialistische gekozenen te Berg, één te Borgloon, vijf te Corswarem, vier te Eben-Emael, één te Engelmanshoven, één te Gelinden, twee te Gingelom, één te ’s Herenhelderen, één te Jeuk, drie te Niel, één te Voort, één te Zepperen en vier te Lanaye.
16 oktober 1938
Voor de eerste maal ontstond in Tongeren verdeeldheid in het socialistische kamp. Twee socialistische lijsten, respectievelijk aangevoerd door Pierre Diriken en Raymond Rubens, dongen naar de gunst van de kiezers. Voor deze verkiezingen hadden alle katholieke krachten een eenheidslijst gevormd, omvattende het KVV, zoals de katholieken zich waren gaan noemen, het VNV en de Rexisten.
De uitslagen waren een succes voor de concentratielijst; ze behaalden niet minder dan 8 van 13 zetels. Aan socialistische zijde werden Depuis, Diriken en Thijs verkozen, maar de vierde zetel van de vorige verkiezingen ging verloren.
Concentratielijsten zoals in Tongeren kwamen ook nog voor in Eigenbilzen, Bree, Maaseik, Genk en Borgloon.
In Borgloon werd eens te meer Jules Demarrez (die in 1936 ook senator was geworden) verkozen, terwijl in Hasselt het tijdperk-Cloosen (wegens overleden) afgesloten werd. Hij werd opgevolgd als enige socialistische gemeenteraadslid in Hasselt door Julien Oeyen [91].
In Sint-Truiden werden Lambert Pletsers en Alfred Wauters (broer van wijlen minister Jozef Wauters) verkozen.
De deelname van de socialisten aan de gemeenteraadsverkiezingen was echter nog steeds even pover; op een totaal van 206 gemeenten werden slechts in 28 gemeenten socialistische lijsten ingediend. Behoudens de grote steden (Hasselt, Tongeren, Sint-Truiden en Maaseik) waren dat: Genk, Gingelom, Herk-de-stad, Koersel, Leopoldsburg, Montenaken, Niel (waar in 1938 de volstrekte meerderheid behaald werd), Vorsen, Zepperen, Lommel, Neerpelt, Overpelt, Berg, Borgloon, Broekom, Eisden, Hoepertingen, Kanne, Lanklaar, Mechelen aan de Maas en Zichen-Zussen-Bolder.
4. Besluit
Als we de electorale balans bekijken van de socialistische successen in de periode tijdens de beide wereldoorlogen, kunnen we vrij kort zijn: erg indrukwekkend was het niet.
De socialisten slaagden er nu, in tegenstelling tot de periode vóór de Eerste Wereldoorlog, echter wél in om tenminste bij elke verkiezing, zij het de wetgevende, de provinciale of voor de gemeenteraden, iets in de pap te brokken hebben. Voorvallen zoals vóór 1918, waarbij de liberalen en de socialisten samen dienden op te komen bij de verkiezingen teneinde niet een volledig modderfiguur te slaan, kwamen niet meer voor, maar de situatie van het Limburgse socialisme bleef verre van ideaal. Getuige de volgende cijfers.
Bij de wetgevende verkiezingen werd in totaal maar één Limburgse socialist verkozen in de periode 1919-1939 en werd er één gecoöpteerd senator aangeduid.
Bij de provincieraadsverkiezingen werden in vier kiesbeurten vijfentwintig socialisten verkozen. Deze ambten werden uitgeoefend door twaalf verschillende personen.
Bij de gemeenteraadsverkiezingen lagen de aantallen uiteraard veel hoger, aangezien er niet minder dan 206 gemeenten waren in Limburg en er ook meer plaatsen te verdelen waren, maar globaal bekeken, was het aantal socialistische gemeenteraadsleden niet imposant.
8. De Limburgse katholieken tijdens het Interbellum
1. Uitbouw van de katholieke arbeidersorganisaties
Aan de noodzaak van christelijke vakverenigingen werd reeds voor de oorlog niet meer getwijfeld, zelfs niet meer aan de noodzaak van de afzonderlijke werkliedenorganisaties in plaats van de gemengde organisaties van patroons en werknemers. Reeds in februari 1919 maakten de katholieken een begin met de heroprichting van syndicaten. Overal werd de strijdbijl opgegraven en traden priesters en kapelaans als gangmakers op. Zo bijvoorbeeld kapelaan Cardinaels te Neerpelt en kapelaan Smeets in Bree. In de loop van 1919 werden de diensten van de Maatschappelijke Werken in Limburg gewestelijk uitgebreid. Binnen enkele maanden tijd ontstonden bureaus voor Maatschappelijke Werken in Tongeren, Eisden, Bree, Neerpelt en Sint-Truiden, terwijl het Provinciaal secretariaat in Hasselt gevestigd werd, met kanunnik Pieter Jan Broekx als bestuurder.
Intensieve activiteiten werden door de katholieke verenigingen ingezet; de bestaande syndicaten werden gereorganiseerd, nieuwe kernen kwamen tot stand. Aldus werden verenigingen gesticht in Eksel, Hechtel, Bree, Hamont, Neerpelt, Zonhoven, Bilzen en Lanaken. Kort daarna werd in “Ons Limburg” [92], het weekblad van kanunnik Broekx, geconstateerd dat “de socialistische verenigingen, die bij verrassing opgekomen waren in verschillende gemeenten, reeds beginnen te slinken”. Ook in Tongeren, waar vele werklieden uit de tabaksnijverheid socialistisch waren georganiseerd, maakte het katholieke syndicaat vorderingen. Overal, zelfs in de kleinste dorpen, werden verenigingen opgericht. Werkliedenbonden in Smeermaas, Lanaken, Sint-Truiden, Borgloon, Grote Spouwen, Opgrimbie, Peer, Vlijtingen, Zonhoven, Kotem, Achel, Bitsingen, Meeuwen en Bocholt tussen 1919 en 1922.
Syndicaten ontstonden in Bree, Maaseik, Opgrimbie, Leut, Maasmechelen, Eisden en Tessenderlo in 1919.
Op 14 augustus 1921 vergaderden in Hasselt de afgevaardigden van de plaatselijke werkliedenbonden met het doel alle lokale organisaties te bundelen in Limburgse Werkliedenbond.
Het doel van de bond was: “in den geest en volgens de grondbeginselen van de Wereldbrief Rerum Novarum en de christen maatschappijleer den arbeidersstand op godsdienstig, zedelijk, maatschappelijk en stoffelijk gebied te verheffen en zijne rechten te verdedigen; … de betrekking tusschen de verschillende standen der samenleving op eenen christelijken voet te helpen brengen; … de onderscheiden vraagstukken die belang opleveren voor den werkman en die het gevolg zijn van de nijverheidsontwikkeling in Limburg te bestuderen en op te lossen, onder meer de werking der plaatselijke gilden of bonden te steunen en hun doel te helpen bereiken, nieuwe gilden te stichten en verstandhouding tusschen bestaande te verzekeren” [93].
In het bestuur van de plaatselijke Werkliedenbonden speelden de pastoor of zijn afgevaardigde een grote rol. Statutair was hij proost van de gilde en raadgevend lid van het bestuur. Elke bestaande arbeidersvereniging of syndicale afdeling had recht op een lidmaatschap in het bestuur van de plaatselijke Werkliedenbond.
2. Het katholieke coöperatiewezen
Ook op het gebied van de coöperaties ging de katholieke beweging de socialisten bekampen. Al in 1910, het jaar dat in Tongeren de eerste socialistische coöperatief haar werkzaamheden startte, werd door enkele katholieken, op initiatief van ridder de Schaetzen, een naamloze vennootschap, “L’Economie”, in het leven geroepen, die tot doel had de fabricage en de verkoop van productie- en consumptiegoederen. Deze maatschappij, als een commerciële vereniging opgericht, had tevens een sociaal doel, namelijk de stimulering van verenigingen die beoogden het cliënteel van de maatschappij te vergroten. L’Economie startte voor de oorlog met bakkerijen te Lommel en te Waterschei, maar de resultaten waren eerder bescheiden. Van de zijde van de burgerij stuitte dit soort inrichtingen op tegenstand, maar ook de werklieden durfden er vaak niet te gaan kopen. De werkgevers zetten hun werknemers dan ook niet bepaald aan om lid te worden van deze coöperatieve verenigingen.
Tijdens de oorlog werden de activiteiten van de coöperatie opgeschort, maar in 1919 startte L’Economie met de verkoop van kruidenierswaren. De eerste winkel werd opgericht in de Tramstraat te Hasselt [94]. Eind 1919 waren er al zestien filialen. Een grondige studie van de arbeiderscoöperaties voor en tijdens de oorlog had uitgewezen dat nieuwe wegen dienden bewandeld te worden, wilde men successen behalen. Nodig waren een juiste commerciële exploitatie en tegelijk het behouden en beklemtonen van het sociale aspect door het betrekken van de arbeiders bij de zaak. Deze visie leidde tot het logische besluit dat in een coöperatieve organisatie twee sectoren te onderscheiden zijn, die dicht bij elkaar liggen: de commerciële en de sociale. In 1919 werd deze gedachte in de praktijk gebracht. L’Economie verzorgde de commerciële sector en de “Limburgse Coöperatie” werd de nieuwe maatschappij voor de sociale dienstverlening vanuit het coöperatiewezen. Samen vormden ze de katholieke coöperatieve beweging van Limburg.
In 1923 sloot ook de boerenorganisatie zich aan bij de Limburgse Coöperatieve beweging. Het volgende jaar werd het Limburgse stelsel naar andere provincies uitgebreid. Er ontstond dan na verloop van tijd een drang naar centralisatie en de stichting van de Belgische Arbeiderscoöperatie (BAC), die een tiental gewestelijke coöperatieve verenigingen omvatte, waaronder de Limburgse Coöperatie. L’Economie nam de bestaande filialen van de aangesloten gewestelijke maatschappijen over en werd aldus de handelsmaatschappij van de coöperatieve beweging van werklieden en boeren, namelijk van de arbeiders via de BAC en van de boeren via de Middenstandskas van de Boerenbond. In 1925 volgde dan de omzetting van L’Economie in “Belgische Maatschappij Welvaart”. Deze telde eind 1925 220 filialen, waarvan 102 in Limburg.
Jaar na jaar groeide het aantal winkels en filialen in Limburg. Naast de verkoop van consumptiegoederen werd ook aandacht besteed aan eigen productie. Kledingsbedrijven werden opgericht te Hasselt en bakkerijen eveneens in Hasselt, Beringen, Winterslag en Eisden.
In 1922-1923 leek het pleit in Limburg beslecht: de katholieke arbeidersbeweging had vrijwel in de hele provincie het heft in handen. Ze was praktisch onbetwist heer en meester in het Noorden en in de Mijnstreek. Minder uitgesproken was het katholiek overwicht in Tongeren en in het Zuiden, vooral in enkele dorpen langs de taalgrens. De katholieken konden overal rekenen op een machtige organisatie en een leger van propagandisten voor de verschillende industrietakken (mijnwerkers, spoorwegpersoneel, hout- en bouwwerkers en metaalbewerkers in het Noorden). Voor mindere belangrijke sectoren was Limburg afhankelijk van verbondspropagandisten uit naburige provincies (gemengde vakken, sigarenmakers en openbare diensten). Daarnaast waren er de gewestelijke propagandisten (in Winterslag, Beringen, Tongeren, Eisden, Neerpelt en Sint-Truiden).
3. Besluit
In het volgende besluit wordt aangegeven aan wat precies de troeven waren die ten voordele van de katholieken spraken na de Eerste Wereldoorlog en die hen een overwicht gaven op de socialisten die op nationaal vlak nochtans de wind in de zeilen hadden na de oorlog.
1. Kanunnik P.J. Broekx had een hand in vrijwel alle sociale werken in Limburg. Hij was één van de katholieke voortrekkers die reeds voor de oorlog inzagen dat het socialisme op eigen terrein bestreden diende te worden. De eigenlijke katholieke arbeidersbeweging in Limburg ging van start met het Congres voor Godsdienstige en Maatschappelijke Werken van Limburg, dat gehouden werd in 1901. Het eerste resultaat daarvan was de oprichting van een permanent te secretariaat in Hasselt, waarin alle reeds bestaande organisaties gecentraliseerd werden. Toch zou het tot 1909 duren alvorens de eerste succesrijke pogingen om vakverenigingen op te richten ondernomen werden, waarschijnlijk als reactie op socialistische initiatieven. Broekx zelf werd bestuurder van het Secretariaat van Godsdienstige en Maatschappelijke Werken van Limburg in 1913. Zijn organisatietalent en hevig anti-socialisme maakten het voor de socialisten in Limburg bepaald niet makkelijk vaste voet op de grond te krijgen in het Limburgse. De activiteiten in de Tramstraat te Hasselt, bolwerk van de katholieke arbeidersorganisaties in Limburg, is hoofdzakelijk zijn werk.
2. De Kerk wierp in Limburg haar morele gewicht en haar “invloed op de zielen” in de strijd. Broekx werd in de verschillende gewestelijke secretariaten bijgestaan door zogenaamde vrijgestelde priesters. Deze geestelijken waren in feite plaatselijke agenten en propagandisten, die een sterke godsdienstige vat hadden op de werklieden. Hun anti-socialisme was zeer virulent. Ze hadden op de minder talrijke socialistische propagandisten voor dat ze meer lokale bindingen, meer dagelijkse contacten en meer godsdienstig-zedelijke invloed bezaten. Bovendien hadden ze de kerkelijke organisaties achter zich. In tegenstelling tot in Wallonië waren de Limburgse arbeiders nog niet ontkerstend.
3. Zelden had de plaatselijke geestelijkheid een grotere invloed op het dorpsleven als in de 19de en het begin van de 20ste eeuw. De ellende tijdens de vier oorlogsjaren had waarschijnlijk de dorpsgeestelijkheid sociaal bewuster gemaakt. Er dient aan toegevoegd te worden dat reeds voor 1914 sommige geestelijken (meestal buiten de katholieke partijpolitiek om) een bepaalde binding met de arbeiders hadden weten te bewerkstelligen. Een voorbeeld hiervan was kapelaan Meeckers in Sint-Truiden.
4. Behoudens in de steden en de weinige geïndustrialiseerde regio’s konden de katholieken ongestoord boerenbonden, vrouwengilden, mijnwerkers- en werkliedenbonden oprichten. Ze hadden er geen socialistische concurrentie te duchten.
5. De socialisten stonden, behalve in Tongeren, organisatorisch weinig sterk in de provincie. Er waren slechts enkelen, over het algemeen “schreeuwers” met weinig inzicht, actief. Pas in 1919 nam de Landelijke Raad het besluit bestendige propagandisten aan te stellen. Pierre Diriken en Jules Swinnen werden aangesteld. Swinnen werd in 1921 wegens persoonlijke redenen echter al opgevolgd door Theodoor Cloosen. Twee propagandisten was echter te weinig om de Tramstraat, die vanaf 1919 op volle toeren was gekomen, tegen te houden. In 1920 werd Karel Suyvoet nog aangesteld als bestendig secretaris van de Mijnwerkerscentrale te Genk (Winterslag), maar toch was het spreekwoordelijke kalf al bijna verdronken.
9. Het Limburgse socialisme tijdens het Interbellum
1. Hernieuwde moed na de Wapenstilstand
Na de Eerste Wereldoorlog hadden de socialisten een tijdje de wind in de zeilen. In Limburg waren echter vooral de katholieken niet blijven stilstaan tijdens en onmiddellijk na de oorlog.
In 1919 waren er in Limburg slechts twee Werkersbonden, namelijk in Tongeren en in Zichen-Zussen-Bolder. In de loop van 1920 kwamen er politieke groeperingen bij te Corswarem, Borgloon en Diepenbeek. Het volgende jaar hadden stichtingen plaats te Marlinne, Tessenderlo en Gingelom. Sommigen kenden echter een kortstondig bestaan.
In 1921 werd ook in Sint-Truiden met een degelijke socialistische organisatie van start gegaan. Bij de stichters waren Alfred Wauters, Leopold Dehairs, Hubert Heeren, Joseph en Tibère Clerinckx, Elie Daniëls, Louis en Joseph Bourguignon, Joseph Vangrieken, Herman Champagne, August Vandevoordt, Emile Claus, Joseph Grégoire, Brees, Ketels en Lambert Pletsers.
Na de wapenstilstand had de Coöperatief van Tongeren, zo goed en zo kwaad als het kon, zijn activiteiten hervat. In de loop van 1919 werd een tweede opgericht te Zichen-Zussen-Bolder met een honderdtal leden en in 1920 werd er één in Eben-Emael geopend. Achteraf, tussen 1920 en 1922 kwamen deze van Lanaye, Mechelen aan de Maas, Genk (Winterslag), Wonk en Sluizen er bij. Deze twee laatsten dienden echter al na enkel maanden de deuren te sluiten wegens gebrek aan belangstelling.
Ondanks de benoeming van twee propagandisten [95] én een nieuwe secretaris voor de Noordelijke federatie (Hasselt-Sint-Truiden), in de persoon van Leon Tempels, ontsnapte het noorden van de provincie grotendeels aan de invloed van het socialisme. Werkersbonden of partijafdelingen bestonden niet eens. Bij de verkiezingen van 1921 behaalde de socialistische lijst er slechts 140 stemmen meer dan in 1919. In het hele noorden van Lommel tot Maaseik, werd het anti-socialisme werkelijk op de top gedreven. Praktisch in alle dorpen werd door toedoen van de plaatselijke geestelijkheid spreekverbod opgelegd, behalve in Lommel.
Bij de indeling van de provincie in twee federaties hadden alle socialistische organisaties steun beloofd. Toen puntje bij paaltje kwam hielden alleen de Algemene Raad en de Centrale der Tabaksbewerkers woord. Met die steun diende Cloosen, bijgestaan door enkele getrouwen, het te stellen. De vele in- en uitgangen van de fabrieken en het werken in ploegen, maakten het moeilijk om de arbeiders te bereiken. De enkele gestichte syndicaten met slechts enkele tientallen leden konden zichzelf dan ook met moeite in stand houden.
In het noorden kreeg Cloosen al vrij snel de scheldnaam “Clovis”. Hij poogde met alle moeite van de wereld om in die federatie dezelfde zaken te verwezenlijken als in het zuiden van de provincie, met matig succes echter. Zo bestonden er reeds vóór de oorlog plannen om een coöperatief op te starten in Lommel, maar in 1923 was die nog steeds niet geopend.
In het Noorden was de rol van de geestelijkheid nog belangrijker dan elders. Kapelaan Cardinaels van Neerpelt en kapelaan Smeets van Bree hebben zeker hun steentje bijgedragen om een dam tegen het socialisme op te werpen. In dit verband dient de oprichting van de Ambachtsschool te Overpelt gezien te worden. Na Hasselt, Sint-Truiden en Tongeren was deze school de vierde in de reeks.
Alleen in Lommel, en in mindere mate in Overpelt en Neerpelt bleef een geringe socialistische activiteit bestaan en werden meeting georganiseerd, waarop sprekers uit Brussel en onder andere Gerard Bovend’Aerde, de afgevaardigde van de Limburgse mijnwerkers bij de Gemengde Mijncommissie, het woord kwamen voeren.
Ook de mijngewesten leken een moeilijk te bewerken gebied. Op 20 juni 1920 had er het Provinciaal Congres van Socialistische Mijnwerkers plaats. De afdelingen van Winterslag, Waterschei, Eisden en Zwartberg waren vertegenwoordigd met eenentwintig afgevaardigden. Zoals verwacht werd een bestendig secretaris der socialistische mijnwerkersorganisaties in Limburg aangesteld. De eer viel te beurt aan de reeds vermelde Karel Suyvoet.
2. De Limburgse socialisten laten van zich horen in de jaren 1920-1930
De jaren 1922-24 waren bijzonder troebel voor Limburg. De ene werkstaking na de andere brak uit, onder meer in verscheidene mijnzetels, in een zinkfabriek in Overpelt en in Neerpelt.
In deze context van scherpe sociale conflicten, waarin vooral de christelijke vakbonden zich als sociale partner opdrongen, moesten de socialisten eerder lijdzaam toezien. Met de moed der wanhoop zette men de strijd voor een plaatsje op de Limburgse landkaart verder.
Weerom trachtte men zich te organiseren: te Sluizen werd gestart met een Coöperatief; ziekenfondsen gingen van start in Hasselt, Sint-Truiden, Wellen, Hoepertingen, Eben-Emael, terwijl deze van Zichen-Zussen-Bolder, Tessenderlo en Diepenbeek opgedoekt moesten worden. De winst die men maakte, kon de verliezen die tezelfdertijd geleden werden, amper vervangen. In de federatie Zuid-Limburg, waar Diriken alom tegenwoordig was, werden kosten noch moeite gespaard. In de periode 1923-1924 werden niet minder dan 64 meetings georganiseerd, plus deze die speciaal voor Vlamingen in Wallonië gehouden werden. Een nieuwe vereniging was de vrouwenorganisatie in Tongeren, met in het jaar van aanvang achttien leden.
In oktober 1922 werd in Hasselt vergaderd door de afgevaardigden van Hasselt, Sint-Truiden en Genk-Winterslag over de statuten van de nieuwe federatie Hasselt-Sint-Truiden en over de benoeming van Leon Tempels als federaal secretaris. De federatie trad in werking op 1 januari 1923. Van dat ogenblik af was het de bestuurlijke indeling van de provincie die de basis werd van de partijorganisatie in Limburg. In 1923 werd in Hasselt beslist een Coöperatie en het Volkshuis in te huldigen en er een grootse manifestatie bij te organiseren, die de eerste zou zijn in de provinciehoofdstad. Volgens de socialistische kranten was het een groot succes; men sprak van zevenduizend tot tienduizend aanwezigen. Zo hadden de katholieke kranten het echter niet gezien. Zij hielden het op 2.440, waarvan slechts 250 Limburgers. Hoe het ook zij, vermaarde socialisten als Emile Vandervelde, Jozef Wauters en Camille Huysmans liepen voorop.
Ook Sint-Truiden kon niet achter blijven. De eerste Werkliedenbond was in 1921 [96] slechts een kort leven beschoren, maar daar liet met name Leopold Dehairs het niet bij zitten. Eind 1922 werd een nieuwe poging ondernomen, met meer succes dit maal.
Het was dezelfde Dehairs, die in 1923 op het 34ste Congres van de BWP de toestand van de socialistische strijd in Limburg schetste en een oproep deed aan de partij om aan Limburg meer aandacht te besteden. Hij wees op de moeilijkheid een vergaderzaal te vinden, op de macht van de christelijke syndicaten, op de morele druk en de uitbuiting van de godsdienst voor andere doeleinden dan louter religieuze.
Hasselt en Sint-Truiden waren nu voor goed van wal gestoken, maar toch waren niet alle nieuwe stichtingen even stevig. De coöperatieven van Wonk en Sluizen waren gesloten, terwijl die van Lommel nog steeds niet van start was gegaan. Ondertussen waren de christelijke coöperatieven in volle uitbouw, over het algemeen met succes, zodat de socialisten met bijkomende problemen geconfronteerd werden wanneer ze ergens een stichting overwogen.
1924 was zeker geen schitterend jaar, maar toch was er sprake van stabilisatie en zelfs een lichte vooruitgang. Eindelijk kwam er toch een Coöperatie in het noorden en in Tongeren werden de bestaande organisaties verder uitgebouwd en verstevigd. Ook in de federatie Hasselt-Sint-Truiden leken de magere jaren eindelijk voorbij. Een afdeling van Hout- en Bouwvakarbeiders kwam te Sint-Truiden tot stand, alsmede een Coöperatief.
Na een studiereis in Limburg stelde de Algemene Raad en de Syndicale Commissie onmiddellijk twee nieuwe propagandisten aan: Jules Van Craen [97] voor de Maaskant en Antoon Kelgtermans [98] voor het Noorden.
Met niet aflatende ijver werd verder gewerkt. Hoe meer men in de hoek gedreven werd, hoe groter de overmacht van de organisaties van de Tramstraat, des te hardnekkiger de socialistische weerstand werd. Ook aan de mijnen bleven socialistische propagandisten en militanten enthousiast pamfletten en bladen uitdelen.
De dagelijkse activiteiten, zoals de oprichting van partijafdelingen, werkersbonden, mutualiteitsafdelingen en vakbonden, werving van leden, huisbezoeken en voeren van propaganda verliepen nog steeds in moeilijke omstandigheden. Enerzijds ontwikkelde zich het christelijke arbeiderswezen op degelijke basis en anderzijds bleef men het socialisme als het meest verderfelijke leerstelsel onder de zon afschaduwen. Socialistische sympathieën hebben betekende nog steeds geen verhoging van de sociale status. De katholieke propaganda maakte daar gretig gebruik van door de socialisten als uitschot, als een verzameling individuen van verdacht allooi voor te stellen.
Vanaf 1925 begon de Limburgse BWP zich echter krachtig te roeren. Het op de voorgrond treden van Jules Demarrez te Borgloon, van Lambert Pletsers te Sint-Truiden en van Theo Cloosen te Hasselt was daar zeker niet vreemd aan. De kleine schare socialistische leiders met beperkte middelen, maar met een overgave, typerend voor degenen die in een minderheidssituatie gedrongen worden, nam deel aan alle acties, alle manifestaties, alle meetings en aan toespraken na de Hoogmis (die soms wel eens op eens op ware knokpartijen eindigden, zoals in Paal).
De nieuwe Provincieraad had in 1925 nog maar net de eed afgelegd of de vijf socialistische raadsleden legden een motie neer waarbij de volledige amnestie en de onvoorwaardelijke invrijheidsstelling van August Borms werd gevraagd. De motie werd goedgekeurd.
Ook in de gemeenteraad van Sint-Truiden diende Pletsers een gelijkaardig verzoek in: “Ik, gemeenteraadslid, uit den volgende wensch: ik vraag de volledige, bestuurlijke, militaire, politieke amnestie in België. Ik wensch bepaaldelijk de onvoorwaardelijke invrijheidsstelling van Dokter Professor August Borms”. De motie werd verworpen met veertien stemmen tegen één. De burgemeester voegde eraan toe dat hij niet kon dulden dat zijn dagorde telkens door één lid van de oppositie overhoop gezet werd.
Deze motie luidde een sterk Vlaams accent in dat in Limburgse BWP-kringen zou blijven bestaan, voornamelijk door de actie van Demarrez. Op diens initiatief werden dan ook jaarlijks of toch tenminste op geregelde tijdstippen in zijn thuishaven, Borgloon, socialistische Gulden Sporen-vieringen georganiseerd. De Limburgse socialisten stelden de gebeurtenissen van 1302 voor als een revolutionaire daad van de Vlaamse arbeidersgemeenschap voor beter loon, syndicalisme, menswaardig bestaan, vrijheid en zelfstandigheid. Vertaald in contemporaine termen werd dat: strijd voor beter loon, strijd tegen het militarisme van de regering, tegen de uitbuiting van de kleine man, erkenning van de rechten van de Vlaamse gemeenschap en actie voor amnestie.
Jules Demarrez was in de jaren 1924-25 tot de BWP toegetreden, na eerst Daensist te zijn geweest en na de Eerste Wereldoorlog zelfs verdacht te zijn van activisme. Als enige intellectueel onder de leiders in Limburg drukte hij vrijwel ogenblikkelijk zijn stempel op de evolutie van de partij in Limburg. Het feit dat hij nog enige tijd na zijn toetreden tot de BWP katholiek bleef, gaf hem een extra troef. Het stelde hem in staan op meetings de aanvallen tegen het zogenaamde heidense karakter van het socialisme tegen te spreken.
In de federatie Hasselt-Sint-Truiden had Theo Cloosen eind 1924 het secretariaat overgenomen, nadat hij eerst een drietal jaar in Overpelt had gewoond en vandaar de propaganda in het Noorden had geleid. Die federatie stond er toen nog steeds niet echt goed voor. In een schrijven aan de BWP-leiding berichtte Cloosen dan ook: “Nergens in België is het meer noodwendig bij te springen. Al het geschrijf en geesteswerk mag overgelaten worden aan een enkelen persoon”.
In Tongeren-Maaseik was het Pierre Diriken die het secretariaat bleef waarnemen, zelfs nadat hij in 1925 gecoöpteerd senator was geworden. Diriken verheugde zich erover dat de nationale instanties eindelijk de noodzaak hadden ingezien de Maasstreek “te bewerken en onder handen te nemen”. Men was namelijk overgegaan tot de benoeming van Jules van Craen als propagandist voor de Maasstreek. Van Craen scheen immers uit ander hout gesneden te zijn dan andere propagandisten (bijvoorbeeld Tempels). In korte tijd wist van Craen tal van manifestaties op touw te zetten en meetings te organiseren: te Mechelen aan de Maas, te Stokkem, te Lanklaar, te Vucht, Bilzen, Boorsheim en Lanaken.
Werking en propaganda bleven ondanks de aanwezigheid van een zekere vorm van organisatie moeilijk. In de jaarverslagen van beide arrondissementssecretarissen kloeg men vooral over de onverschillige houding van de partij (“Slechts eenige personen schijnen te begrijpen dat er belang dient gehecht te worden aan Limburg. Verder wordt alles overgelaten aan de Union Coopérative van Luik en in mindere mate aan de Landelijke Centrale der Metaalbewerkers.”). Alle leidende figuren bleven klagen over de moeilijkheid om over een herberg of zaal te kunnen beschikken. Soms was het onmogelijk een geplande meeting te laten doorgaan. Het probleem scheen meer “Hoe de menschen te bereiken dan hoe ze te overtuigen”. De tegenstand kwam zoals steeds van de plaatselijke geestelijkheid: wie een zaal of vergaderlokaal aan de socialisten durfde af te staan werd als het ware uit de goede gemeenschap gesloten. In het hele arrondissement Hasselt-Sint-Truiden waren er slechts twee volkshuizen (te Hasselt en te Winterslag). Te Sint-Truiden werd vergaderd ten huize van Lambert Pletsers, waar door enkele partijgenoten een zaaltje werd bijgebouwd. In de federatie Tongeren-Maaseik was de situatie iets gunstiger, vooral in het Zuiden. In de meeste kantons stonden er wel één of zelfs meerdere lokalen ter beschikking van de socialisten. Waar men echter niet de hand kon leggen op een lokaal of een café, werd gewacht op het naar buiten stromen van de kerkgangers na de Hoogmis op zondag. Als men geen tafel kon krijgen, ging men gewoon op een stoel staan, die door de propagandist gewoonlijk in de wagen werd meegenomen. Sommigen muntten werkelijk uit in deze vorm van propaganda, zoals Diriken, Pletsers, Van Craen, Suyvoet en vooral Jan Jeurgen, een mijnwerker die de bijnaam kreeg “Jan van de stoelmeetings”.
Herhaaldelijk gebeurde het dat de pastoor of de kapelaan de klokken luidde om de socialisten het spreken te beletten. Soms werden de sprekers door een joelende en opgehitste menigte ontvangen en eindigde de meeting in een knokpartij (cfr. Paal, mei 1929 [99]), waarbij de sprekers meestal de benen dienden te nemen.
Een andere vorm van propaganda voeren bestond in de zogenaamde “tegensprekelijke” meetings. Het op touw zetten van een of andere manifestatie door de katholieke arbeidersbeweging verwekte onmiddellijk een reactie in socialistische middens. Een paar socialisten spraken dan af om aanwezig te zijn op de katholieke meeting en de aangekondigde sprekers het vuur aan de schenen te leggen. Ze zagen immers de mogelijkheid om op deze manier het socialistische woord te laten horen. Ook door de katholieke zijde werd dit middel aangewend. De aanwezige katholieke propagandisten moesten dan verslag uitbrengen over het aantal aanwezigen, de sterkte van de aanwezige groepen, over de behandelde onderwerpen en dergelijke.
Dergelijke debatten en tegensprekelijke meetings werden vooral door de leiders van de twee mijnwerkerscentrales gehouden. Elke partij kreeg gewoonlijk de helft van het aantal beschikbare plaatsen toegewezen. De socialisten eisten steeds dat het debat in een neutrale plaats zou plaatsvinden. Aangezien deze meestal niet onmiddellijk voorhanden was, kwam het dikwijls tot een eindeloos heen en weer geschrijf om tot een overeenkomst te komen. Geregeld stonden August Cool, secretaris van de Vrije Mijnwerkers van Limburg en Karel Suyvoet, secretaris van de Socialistische Mijnwerkers rechtstreeks tegenover elkaar.
Elke partij eiste in Limburg het monopolie van de rechtschapenheid op, van de eerlijke verdediging van de standpunten en de ideeën. Men mag echter niet uit het oog verliezen dat de katholieken zich geruggensteund voelden door het hoogste morele gezag in het land, en zeker in Limburg, de Kerk, en dat in hun ogen de strijd tegen het socialisme iets weg had van een kruistocht. Kost wat kost diende in Limburg een dam tegen dit verderfelijke leerstelsel opgeworpen te worden.
Van katholieke zijde kwam het gewoonlijk, naast de gebruikelijke aanvallen op het ongodsdienstig karakter van het socialisme, tot lage aanvallen onder de gordel. De meest geviseerde socialisten, zij die bij praktisch elke meeting aanwezig waren (Demarrez – “De Generaal van Tongeren”, Van Craen - “De Baron uit Mechelen”, Suyvoet – “Meneer Scheevevoet” en Cloosen – “Den dikken Clovis”), kregen geregeld een veeg uit de pan.
Hoewel de Algemene Raad van de BWP en de andere partijgebonden organisaties voorlopig doof bleven voor de roep om steun, liet de kleine schare voormannen en propagandisten de moed niet zakken. Ze roeiden verder met de riemen die men had. Ze gingen voort met het beleggen van meetings, lokale en kantonale vergaderingen, waarop steeds meer de grote problemen van het ogenblik behandeld werden (de pachtwet, de politiek van de regering, de Werkrechtersraden, de plaats van de vrouw in de politiek,…).
Vooral Diriken ontpopte zich steeds meer als een tomeloze kracht. Voor hem bestond de rustdag niet. Elke zondag stond hij op de bres en deed minstens één gemeente aan. Als het enigszins kon combineerde hij een meting met een vergadering (in 1926 gaf hij aan niet minder dan 63 vergaderingen te hebben bijgewoond). Het zaaltje van de Coöperatief in Tongeren was vrijwel elke avond bezet door de ene of de andere socialistische vereniging. Trouw aan de koers die hij sinds 1909 volgde, richtte hij de ene groep na de andere op: een turnvereniging, een toneelgroep, Jonge Wacht, Rode Valken, Bond van Oud-strijders,… Diriken bedacht en organiseerde ze allemaal.
Hieronder een overzicht van de belangrijkste soorten van socialistische organisaties, die in het Interbellum gangbaar waren in Limburg.
a. Werkersbonden en partijafdelingen
In de zuidelijke kantons van de provincie bleek een min of meer georganiseerd partijleven te bestaan. Er mag echter niet besloten worden dat elke Werkersbond een lang leven beschoren was. Veel van deze stichtingen hielden het slechts enkele maanden vol, tot anderen de fakkel weer overnamen. Een Werkersbond of een andere organisatie oprichten bleek niet het moeilijkste, maar de vereniging in stand weten te houden wel.
Opmerkelijk (en anderzijds weer erg logisch) is het feit dat georganiseerde kernen meestal te vinden zijn in gewesten die dicht bij Luik liggen of althans dicht bij een spoorwegverbinding met het Luikse industriebekken. Gingelom, Niel, Montenaken en Corswarem lagen dicht bij de treinverbinding Landen-Luik en hetzelfde geldt voor de dorpen uit de streek van Borgloon, zoals Hoepertingen en Wellen.
Eigenaardig is ook het feit dat in sommige lokaliteiten eerst de coöperatieve vereniging ontstaat en pas vele jaren later de politieke vereniging. Typisch in dit opzicht is het voorbeeld van Mechelen aan de Maas, waar reeds een coöperatieve winkel was in 1920, maar waar de plaatselijke afdeling van de Werkersbond pas in 1928 werd opgericht.
Volgens Diriken zou de syndicale beweging de moeilijkste blijven om te leiden. Limburg was immers nog steeds sterk agrarisch en grote steden waren er niet. Klassenbewustzijn of een sterk solidariteitsgevoel ontbraken nog grotendeels. De syndicale propaganda werd bemoeilijkt doordat talrijke vreemde arbeidskrachten in Limburg aanwezig waren en er praktisch geen aangepaste syndicale literatuur aanwezig was.
De socialisten hoopten dat de arbeiders, die door de christelijke organisaties bij een overwegend godsdienstig-filosofische strijd betrokken waren, een strijd die minder uitstaans had met de economische en sociale toestanden, op den duur zouden inzien dat ze in deze organisaties brave gelovigen zouden blijven en dat hun lotsverbetering daar zeker niet primair stond. De verwachtingen waren dan ook dat vroeg of laat meer arbeiders de christelijke verenigingen de rug zouden toekeren en tijdelijk ongeorganiseerd zouden blijven tot ze hun weg zouden vinden naar de socialistische organisaties. Deze hoop zou echter ijdel blijven omdat het de socialisten aan mensen ontbrak die de situatie in hun voordeel hadden kunnen veranderen.
In het Tongerse was de situatie al een tijdje gestagneerd, behalve dan bij de metaalbewerkers die hun ledenaantal lichtjes zagen stijgen. Vrijwel al de andere sectoren zaten in een crisis en hielden slechts een handvol “bewusten” over.
In de Maasstreek was de situatie, rekening houdend met de omstandigheden, iets beter (Van Craen had voor de vijfentwintig gemeenten onder zijn hoede slechts vijf actieve leden die hem bijstonden. De geestelijkheid was sterk reactionair en zeer actief en bovendien bestond het arbeidersmilieu uit een “mengelmoes van internationale miserielijders”). In Lanaken en in Mechelen aan de Maas bestond reeds een afdeling van Hout- en Bouwvakarbeiders. In Eisden werd in de afdeling van de Gewestelijke Centrale Mijnwerkers nieuw leven in geblazen na de benoeming Van Craen. Onder zijn impuls werd een intense propaganda gevoerd op de mijn in Eisden (Limbourg-Meuse). Nieuwe vakbondsafdelingen werden opgericht in Maaseik en Stokken.
Het noorden van de provincie bleef het zieke kindje. Diriken meende de oorzaak daarvan te moeten zoeken in de “politiek van geldschieting” door de Metaalfabrieken en bepaalde katholieke instellingen. Bindingen aan en met de geldschieters waren hiervan het gevolg. De bestaande afdeling van de Mijnwerkerscentrale kon zich ondertussen maar met heel veel moeite handhaven.
b. Coöperatieven
In 1925 telde men coöperatieve winkels te Tongeren, Zichen-Zussen-Bolder, Lanaye, Wonk, Sluizen, Eben-Emael en Falmeer. Enkel deze van Tongeren, Zichen-Zussen-Bolder en Lanaye hadden een behoorlijk zakencijfer. Deze van Wonk en Sluizen moesten na een jaar alweer gesloten worden.
De Coöperaties van Hasselt en Sint-Truiden zijn nooit succesvol geweest. Ze konden zich echter wel handhaven. Enkel de winkel in Genk-Winterslag bleek een echte treffer te zijn.
In het noorden van de provincie was de lang aangekondigde Coöperatief van Lommel in 1924 dan eindelijk toch geopend. De winkel beantwoordde echter geenszins aan de hooggespannen verwachtingen. Diriken vond de inplanting al van in den beginne een slecht idee. Hij betreurde dat niet Neerpelt of Overpelt waren gekozen als locatie, aangezien de socialisten daar toch sterker stonden. Diriken had sowieso wat moeite met de politiek en tactiek die gehanteerd werd bij het inplanten van coöperatieven. Met lede ogen moest hij toezien hoe de katholieke coöperatief “De Welvaart” zich alle moeite van de wereld getroostte om overal winkels op te richten, terwijl de Union Coopérative onverschillig bleef en vooral de Maaskant verwaarloosde. Toch bleef hij zijn vertrouwen in de kracht van het coöperatiewezen behouden. Hij zag namelijk in wat met een net van bloeiende winkels mogelijk zou zijn: steun aan leden in nood (lees: hen onttrekken aan de geëngageerde hulp van de katholieken), propagandamogelijkheden, huur, overname of bouw van zalen en Volkshuizen. Herhaaldelijk richtte hij een oproep tot de partij om een ernstige studie te maken over de mogelijke vestigingen.
c. Mutualiteiten
De mutualiteit bleek de tak te zijn waar de vooruitgang het grootst was. In januari 1925 waren (volgens de verslagen van het Partijcongres) 781 leden in de federatie Tongeren-Maaseik en ongeveer 1.400 in de federatie Hasselt-Sint-Truiden. In de hele provincie zouden er twaalf afdelingen bestaan hebben: in Tongeren, Falmeer, Zichen-Zussen-Bolder, Mechelen aan de Maas, Overpelt, Hasselt, Sint-Truiden, Genk, Gelinden, Wellen, Hoepertingen en Borgloon.
d. Jeugd- en Vrouwenbewegingen
In Tongeren deed Diriken herhaaldelijk vergeefse pogingen om dit soort organisaties uit de grond te stampen. De activiteiten van de pas opgerichte verenigingen vielen echter na enkele weken weer stil.
In Sint-Truiden had de “Vlaamse Democratische Jeugdafdeling” van de Werkersbond wel enig succes, zij het beperkt. In 1928 zou de vereniging veertien leden hebben gehad.
e. De Werkrechtersraden
Op 3 juni 1928 vonden in Limburg voor de eerste maal verkiezingen plaats voor de Werkrechtersraden, die uit vier werknemers en vier werkgevers moesten bestaan. Slechts twee lijsten werden neergelegd. Het werd een belangrijke test voor beide arbeidersbewegingen om na te gaan hoe groot hun impact op de arbeidersmassa was.
De katholieken haalden met 13.019 (70,23 %) stemmen de meerderheid op de socialisten (5.528 stemmen of 29,72 %). De uitslagen in de kantons Sint-Truiden (47,17 %) en Tongeren (58,06 %) toonden aan dat in arbeidersmiddens het socialisme wel enige aanhang verworven had. Op basis van cijfers van de hele provincie werden de katholieken Fons Frederix, Jef Lauwers en Herman Stroecken en de socialist Jef Peters, een mijnwerker uit Winterslag, verkozen.
3. Het zelfbesef van de Limburgse socialisten
De Limburgse socialistische leiders waren dan wel niet allemaal intellectuelen, dom waren ze ook niet. Hoewel in sommige verslagen een stralend (naïef?) optimisme te bemerken is, was men bewust van de situatie en ook van het feit dat die situatie nog bijlange niet de beoogde doeleinden bevatte. Zoals men merkt, kan van een socialistische doorbraak in de jaren dertig van de vorige eeuw zeker geen sprake zijn, maar waaraan weten de socialisten deze malaise nu zelf? Een indruk daarvan kunnen we krijgen in een reeks artikelen in “De Volkswil” [100] van een zekere L.C., waarin onderzocht werd hoe de geringe impact van de socialisten in Limburg te verklaren was.
1. In eerste instantie was er de houding van de geestelijkheid. Voor de Tweede Wereldoorlog was de katholieke officieel en in de praktijk een geconfessionaliseerde partij, die sterk gebonden was aan de bisschoppelijke autoriteit en waarin de proosten een voorname rol speelden. Vandaar ook dat de kerk en kansel gebruikt werden om druk uit te oefenen op de beminde gelovigen. In de kerk werden de katholieke meetings aangekondigd, die immers meestal werden voorgezeten door de deken, de pastoor of de kapelaan, die proost waren van de plaatselijke afdeling van de kiesverenigingen. Vanaf de kansel werd gewaarschuwd voor slechte dagbladen en de pastoor deed bij voorkeur huisbezoeken als de man afwezig was, wetende dat de vrouw veel ontvankelijker was voor de vermaningen en bedreigingen. Sommige geestelijken sprongen geregeld persoonlijk in de bres, gingen debatteren en tegenspreken.
2. Er was ook de politiek van de grootindustrie (voornamelijk de mijnindustrie), die in Limburg vanaf het begin bewust rekening heeft gehouden met de socialistische kritiek op het kapitalistisch systeem. De arbeiders waren goed wonende slaven geworden. In de socialistische pers moest men toegeven dat de arbeiderswijken, de zogenaamde Cités, doorkruist met luchtige lanen, er goed uitzagen. De woningen werden aan de mijnwerkers voor een sterk verminderd maandelijks bedrag aangeboden. Dit bracht echter ook verplichtingen met zich mee, want ook de aangelegde straat, de kerk, de school en de dokter waren van de mijn. Dezen hielden er een soort van eigen politie op na, die geen politieke manifestaties duldde. Onder andere Suyvoet en Jeurgen werden wel eens uit een Cité gezet omdat ze pamfletten uitdeelden.
3. Zoals reeds vermeld verwierf het syndicalisme in Limburg nooit echt vaste voet. Eén van de oorzaken lag natuurlijk in de hierboven vermelde extra voordelen, die de industrie haar werklieden bood. Van de ongeveer twintigduizend mijnwerkers telde de socialistische Mijnwerkerscentrale amper achthonderd leden en de katholieke Vrije Centrale tussen de 3000 en de 3.500 leden.
4. Een andere niet te verwaarlozen factor was de aanpassing van de andere partijen (de liberalen dient men hier niet bij te rekenen) aan de noden van de tijd en aan de veranderde mentaliteit van het Limburgse volk. De christen-democratie beantwoordde aan deze tendensen, omdat ze meer naar het volk was gericht. Vooral in Limburg ontplooide ze een buitengewone intensiteit met kanunnik Broekx aan het hoofd. Hij had niet minder dan veertig bezoldigde propagandisten ter zijner beschikking, tegenover de twee of drie die de socialisten in die functie tewerkstelden.
Ook de KVV had van in den beginne voeling met de massa, zeker vanaf het moment dat er echte leidersfiguren naar voren traden, zoals Romsée en Lindekens. De leiders streefden ernaar hun partij een katholiek imago te geven. Vele lagere geestelijken begonnen meer en meer sympathie te krijgen voor het radicale Vlaamse programma van de KVV. Ze deden zich als uitermate democratisch voor en verkondigden een fel antimilitarisme.
4. De crisis en de grote mijnstakingen van de jaren dertig
a. De aanzet
Op 13 februari 1930 begon het voorspel van een reeks crisismomenten in de Limburgse mijnsector. Op die dag brak op de mijnzetel in Zwartberg een wilde staking uit, toen de middagploeg weigerde te beginnen. De volgende dag was de staking algemeen. De vakorganisaties waren niet geraadpleegd. De stakers stelden een delegatie samen die met het mijnbestuur ging onderhandelen. Nog steeds waren de vakbewegingen niet in kennis gesteld van de staking. Pas twee dagen later, op 15 februari, na contacten tussen de Vrije Centrale en de socialistische Mijnwerkerscentrale, werd besloten een onderhoud met de mijndirectie aan te vragen. Ondertussen waren communistische elementen opgedaagd, die meetings organiseerden en sterke revolutionaire taal spraken. De klachten van de stakers betroffen niet loonkwesties, maar vooral de werkomstandigheden en de boeten die werden opgelegd bij afwezigheid.
Uiteindelijk kwam men tot een akkoord dat inhield dat beide syndicaten elk drie werklieden zouden aanstellen, die eenmaal per week klachten aan het mijnbestuur konden overmaken. Het mijnbestuur verbond er zich toe het reglement op de boeten te herzien en juister toe te passen. Het bereikte akkoord werd ondertekend door A. Allard, directeur van de mijn in Zwartberg, Karel Suyvoet en J. Van Buggenhout, nationaal voorzitter van de Vrije Mijnwerkerscentrale. De directeur verbond er zich ook toe geen enkele van de stakende arbeiders te vervolgen. Op 17 februari raakte echter bekend dat twaalf werklieden voor de Werkrechtersraad werden gedaagd en bovendien een honderdtal arbeiders ontslagen zouden werden. Het klimaat werd grimmiger, maar eer het tot echte oproer kon komen, verbood de burgemeester van Genk alle samenscholingen van meer dan vijf personen [101].
Na deze eerste sociale schermutselingen is het in Limburg niet meer rustig geweest. Het bleef roerig en rumoerig in alle mijnen. Het gerucht deed de ronde dat de patroons een akkoord gesloten hadden om mijnwerkers die ontslagen waren niet opnieuw in dienst te nemen. Christen-democratische en socialistische pers zagen hierin een afbreuk van de vrijheid van arbeid. De socialisten zagen er een middel in om indirect de lonen te drukken. Ze beslisten daarom een 24-urenstaking te houden op 11 april 1930, met optocht door de straten van Winterslag. De CVM besloot op een buitengewoon Congres op 6 april niet solidair te zijn met de socialistische collega’s. De staking ging toch door. Over de cijfers van stakende mijnwerkers is niemand zeker, maar de meeste bronnen maken toch gewag van om en bij de vijfduizend stakers. Aangezien toendertijd slechts een zevenhonderd mijnwerkers aangesloten waren bij de MC, kon gesproken worden van een stijgende misnoegdheid, ook onder de bij de CVM aangesloten mijnwerkers.
Ook in andere bedrijven begon het te roeren, zoals bij de sigarenbedrijven in Tongeren en aan de werken aan het Julianakanaal in Born in Nederlands-Limburg.
De sociaal troebele toestand en de spanningen, die sinds 1930 bij de mijnen heersten, zetten de socialisten ertoe aan een actiecomité op te richten met het doel “provinciale ondersteuning” te krijgen. In januari 1932 had dit comité tijdens een onderhoud met gouverneur Verwilghen een plan voorgelegd voor meer hulp door de provinciale instanties aan de door de crisis getroffen bevolking. Het was van oordeel dat de provincie initiatieven diende te nemen voor de immigratie van vreemde werkkrachten, een verhoging van de werklozensteun, het verschaffen van werk door het laten herstellen van provinciale wegen of het uitdiepen en verbreden van niet-bevaarbare waterwegen en het uitkeren van toelagen aan gemeenten die hun waterwegen wilden laten herstellen.
b. De staking van 1932
Begin 1932 brak de sociale hel pas echt los in Limburg. In de Borinage was een stakingsbeweging op gang gekomen, die al vrij navolging vond in heel Wallonië en Waals-Brabant. Een lokaal geschil was de voornaamste aanleiding, namelijk het niet doorvoeren van een paar beslissingen die in de Nationale Mijncommissie waren genomen.
Het verloop van de staking is reeds in hoofdstuk 7 uit de doeken gedaan. De nadruk ligt nu vooral op de reacties van de socialisten in Limburg op de staking.
In Tongeren begon een spontane solidariteitsactie. In herbergen en op de openbare weg werden inzamelingen gedaan ten bate van de vrouwen en kinderen van de stakende mijnwerkers. Meer dan twintig socialistische partijleden boden zich vrijwillig aan om te collecteren. De opbrengst van deze actie bedroeg 4.547 fr., waarbij nog de giften diende gevoegd te worden die Diriken persoonlijk ontving (883 fr.) en andere financiële steunbetuigingen.
Te Hasselt vergaderde de gemeenteraad op 25 juli en stemde op initiatief van Theo Cloosen eenparig voor het verlenen van een toelage van vijf frank per stakende arbeiders per dag, op voorwaarde dat hij in Hasselt woonde.
Op 26 juli richtte Pletsers zich voor hetzelfde doel in Sint-Truiden tot burgemeester Cartuyvels. In een koortsige sfeer werden meetings gehouden te Halen, Schulen en Sint-Truiden.
Op 5 augustus brak weer een nieuwe staking uit in de Limburgse mijnen. Weerom waren het voornamelijk de onverenigde mijnwerkers die de aanzet gaven tot de staking, maar volgens August Cool van de CVM waren de socialisten de aanstokers ervan.
In interviews met enkele socialisten die rechtstreeks met de staking te maken hadden (Bastini, Cloosen, Demarrez, Diriken en Suyvoet), stelde een journalist van de Volksgazet volgende vraag: “Is de staking een uiting van klassenbewustzijn van het Limburgsch proletariaat?”.
Alle ondervraagden waren van oordeel dat die bewustwording nog ver te zoeken was. Men was het erover eens dat de buitengewone toestanden, de ellendig lage lonen, een zekere solidariteit met de mijnwerkers van Wallonië de aanleiding vormde. Het was meer een uitbarsting van volkswoede dan een welgeordende staking met klassenbewustzijn als achtergrond.
De tweede staking bloedde echter al vrij snel dood, aangezien de niet-gesyndiceerde mijnwerkers, de voornaamste aanstokers van de staking al vlug de uitzichtloosheid van de staking in zagen en terug aan het werk gingen.
c. De situatie bleef gespannen
In de volgende maanden bleven sociale schokjes Limburg beroeren. Onder andere boven de vermaarde Sphinxbedrijven in Maastricht en de Englebertbedrijven in Luik hingen donkere wolken. Bij beide bedrijven was een groot aantal Limburgse weknemers tewerkgesteld.
In Tongeren brak in januari 1934 in de “Fonderies Tongroises” een staking uit. Het grootste probleem was het overdreven hoge aantal opzichters en werkmeesters ten opzichte van het aantal arbeiders. Bovendien kondigde de nieuwe beheerder onmiddellijk na zijn aantreden een loonsverlaging aan van tien procent. De staking bleef aanslepen wegens de hardnekkigheid van beide partijen en het is nooit echt tot een akkoord gekomen. In feite betekende de staking het einde van de metaalnijverheid in Tongeren.
In Sint-Truiden brak een spontane staking uit, die een paar dagen zou duren. De grotendeels ongeorganiseerde arbeiders gingen echter weer even spontaan terug aan het werk.
In de mijnen werd ondertussen in augustus en september 1934 opnieuw gedreigd met loonsverminderingen. Beide vakbonden stonden paraat om actie te ondernemen. De MC nam het besluit om een eventuele staking zo lang te laten duren tot het plan voor de voorgenomen loonsverlagingen ingetrokken werd. Op 10 september werd door het Nationaal Congres der Mijnwerkers eenparig beslist de algemene werkstaking als wapen in het vooruitzicht te stellen. Tot een uitbarsting kwam het echter niet, aangezien de mijnwerkerssyndicaten de loonsverlaging konden doen intrekken. In het socialistische kamp speelde voornamelijk Achille Delattre een voorname rol.
In november 1934 diende de katholiek-liberale regering-De Broqueville haar ontslag in, aangezien beide partners het niet eens konden worden over de te volgen economische, financiële en monetaire politiek. De regering-Theunis ontstond omdat de socialisten niet bereid waren in te stemmen met een voortzetting van de deflatiepolitiek. De regering werd de “regering der bankiers” genoemd, wegens het grote aantal technici dat erin zetelde, voornamelijk uit de financiële middens. Het cijfer van de werkloosheid bleef echter hoog en in socialistische middens werd eraan gedacht de algemene staking aan te wenden om de regering tot ontslag te dwingen. In maart 1935 was het zover; de regering bood na vijf maanden haar ontslag aan. De weg naar regeringsdeelname stond open voor de socialisten. In de nieuwe regering-Van Zeeland zetelden vier socialisten (Soudan, Spaak, De Man en Vandervelde). De regering had al snel de wind in de zeilen. Vrijwel onmiddellijk ging ze over tot een devaluatie van de frank, wat de regering en de ondernemingen in staat stelde te profiteren van de verbeterde economische omstandigheden. Zo tekende zich in het voorjaar van 1936 een economische heropleving af te tekenen en konden talrijke werklozen weer aan het werk.
d. De stakingsbeweging van 16 juni 1936
De staking begon in de Antwerpse haven en breidde zich snel uit naar andere industrietakken. Aanleiding was de moord op twee socialistische verkiezingspropagandisten door enkele militanten van de zogenaamde “Realistische Beweging”. Het luidde het begin in van een stakingsgedachte in het hele land.
Op 9 juni brak een eerste staking uit in één van de Luikse mijnen. De anderen volgden vrij snel daarna. In Limburg begon de eerste stakingsgolf op 16 juni in de mijn van Zwartberg. De staking was niet het gevolg van een ordewoord van de syndicaten. In de loop van de volgende dagen nam de beweging uitbreiding over de hele provincie. Ook in de andere mijnen brak de staking uit. Overal in de provincie trokken optochten door de straten. Andere arbeiders werden opgeroepen solidair te zijn met de stakers en eveneens het werk neer te leggen.
De gouverneur greep in door een verbod uit te vaardigen op alle samenscholingen, optochten, meetings, betogingen, volkstoeloop op de openbare weg, private terreinen en zelfs in open lucht. Bovendien werd alle vervoer ten zuiden van de baan Halen-Hasselt-Maastricht verboden. De bedoeling hiervan was duidelijk: Luikse stakers tegenhouden en beletten dat ze hun pogingen om ander arbeiders op te ruien konden verder zetten. Na de afkondiging van dit tweede verbod bleef het inderdaad rustig in het noorden van de provincie. In Hasselt, Kwaadmechelen, Tessenderlo, Lommel, Overpelt, Reppel en Rotem waren er praktisch geen stakingen.
In Tongeren werd een stakingscomité opgericht (twee afgevaardigden per syndicaat) dat vanaf 18 juni permanent in de Coöperatief van Tongeren zetelde en zich op de hoogte hield van de toestand in de verschillende bedrijven. Ook in de andere centra was de situatie gespannen. In Bilzen werd een trein met mijnwerkers uit de richting Luik bij aankomst in Bilzen met stenen bekogeld. De werken aan het Albertkanaal lagen op verschillende plaatsen stil, zo ondermeer te Lanaken, Eigenbilzen en Zutendaal.
In België kwam als gevolg van de stakingen, in recordtempo een verstrekkende sociale wetgeving tot stand. Er vloeide ook een versterkte controle op de werkgevers uit voort, uitgeoefend door inspecteurs van het ministerie van arbeid, vooral in verband met de toepassing en naleving van de sociale wetgeving in de bedrijven. Deze arbeidsinspecteurs bezochten geregeld de bedrijven. Toen de wetten nog niet lang van kracht waren, regende het overtredingen, klachten en processen-verbaal.
De staking had in Limburg ongeveer een week geduurd. Op 20 juni trad in het hele land een ontspanning van de situatie op. De Nationale Arbeidsconferentie kwam aan de vakbondseisen grotendeels tegemoet, behalve wat de veertig-urenweek betrof. Andere commissies kregen de opdracht de akkoorden zo vlug mogelijk concreet uit te werken. In 1936 was de economische crisis gedeeltelijk bezworen. Sociale schokken en scherpe conflicten zouden hierna in Limburg uitblijven tot aan de Tweede Wereldoorlog.
e. De bestrijding van de crisis