| ‘Tussen Wieg en Graf’. De materiële baby- en kindergrafcultuur in de eerste helft van het tweede millennium v.C. in de Levant en de Mesopotamische tekstuele bronnen als middel tot reconstructie van het baby- en kinderleven. (Jasmien Huenaerts) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Hoofdstuk II :De materiële baby- en kindergrafcultuur in de zuidelijke Levant
De hier gepresenteerde materiële grafcultuur is in geen geval een volledige voorstelling van al het beschikbare materiaal wat betreft zuigeling- en kindergraven in de zuidelijke Levant. Een selectie werd gemaakt op basis van onder andere representativiteit en volledigheid in publicatie.
Van de plaatsen die aan bod zullen komen zullen enkel die graven bekeken worden die skeletmateriaal bevatten van zuigelingen en kinderen.
Daarbij zal onder andere aandacht besteed worden aan de gebruikte grafvorm, de plaats van begraven, de eventuele bijgaven, de ouderdom en het geslacht van de zuigeling of het kind in zoverre die nog na te gaan was. Er zal ook gekeken worden naar de verspreiding en de onderlinge relatie van de graven binnen de stad/nederzetting. Vervolgens zal getracht worden eventuele parallellen en verschillen aan te duiden tussen de aangetroffen graven in verschillende steden. In dit tweede hoofdstuk zullen de verschillende sites die bij opgravingen in de zuidelijke Levant zuigeling-en kindergraven uit de eerste helft van het tweede millennium opleverden aan bod komen. In een volgend hoofdstuk zal ook gekeken worden naar Syrië, Libanon en de oostelijke Nijldelta. Hierdoor kunnen eventuele invloeden nagegaan worden en eventuele verbanden worden gelegd met bepaalde bevolkingsgroepen die in Hoofdstuk I kort werden geïntroduceerd. De hier vooropgestelde steden bleken allen op een bepaald moment in het tweede millennium belangrijke centra geweest te zijn op zowel politiek als economisch vlak. Binnen deze context worden een aantal zuigeling en kindergraven gesitueerd.
2.1. Situering
Tel Dan, het oude Laish (Pl.II, 1) was gelegen in de noordelijke Hula vallei aan de voet van het massief van de berg Hermon en bezat een volledige Midden Bronstijd graven sequentie. Hierdoor is Tel Dan een goed vertrekkader om andere sites met een Midden Bronstijd graven sequentie te bekijken. [118]
2.2. Opgravingsgeschiedenis
De opgravingen startten in 1966 door het Israëlisch departement van antiquiteiten en musea als noodopgraving. Dan was op dat moment de meest noordelijke controlepost van het Israëlische leger, bijgevolg werd de gehele tel versterkt en groef het leger doorheen de hele tel greppels die het bodemarchief dreigden te verwoesten.[119] De keuze van de opgravingssectoren werd door het Israëlische leger beperkt tot dat gebied buiten het Syrische schutgebied. Op die manier werden ook de opgravingen hoofdzakelijk beperkt tot de zuidelijke helling van de tel.[120]
Men voerde hier reeds 28 jaar lang opgravingen uit ( 27 campagnes). Er werden zeven grote velden geopend, gedefinieerd als velden A, B, K, M ,T en Y (Pl. III, 1). De velden A-B en Y leverden de meest complete stratigrafische informatie op. Op die manier en gebaseerd op de informatie afkomstig uit de drie laatst genoemde velden, kwamen er ook vier strata uit de Midden Bronstijd aan de oppervlakte die een ononderbroken occupatie toonden. Binnen deze strata trof men verschillende graven aan die onder het leefoppervlak gesitueerd werden.[121]
2.3. De Midden Bronstijd resten
De oudste laag uit de Midden Bronstijd I ( stratum XII) bestond uit domesticale structuren en pleinen geschikt in een nederzetting die zich binnen de Vroege Bronstijd versterkingen bevond. Later in deze periode werden de Vroege Bronstijd versterkingen aangevuld met een massieve aarden wal en bekroond met een andere wal. Dit zou wijzen op een gestratifieerde sociale organisatie en complexiteit. De nederzetting zou zich rond het vlakke deel binnen de omwalling bevonden hebben. De helling van de wal werd slechts bewoond in MB IIC, gepaard gaande met intramurale begravingen. Door een stijging in het bevolkingsaantal die leidde tot de uitbreiding van verschillende “households” zou men mogelijk met plaatsgebrek te kampen gehad hebben waardoor men ook de hellingen ging bewonen. Een andere mogelijkheid was dat de vlakke delen binnen de versterking op een bepaald moment enkel nog gebruikt werden voor het planten van gewassen, als zekerheid in onrustige tijden, gepaard gaande met een stijging van het bevolkingsaantal. Men deed bijgevolg aan irrigatie door gebruik van een binnen het versterkte gebied aanwezige bron. Een laatste, eenvoudigere, reden zou zijn dat men zich bewust werd van het overstromingsgevaar in de winter binnen de vlakke delen. Daardoor zou men eerder voor de hellingen geopteerd hebben.[122]
De opgravingssectoren Y ( fasen 5 en 6) en B ( fasen 6-10) bevatten een aantal structuren met domesticaal karakter. In 1968 onderzocht men in sector B ( eigenlijk een voortzetting van veld A) de Midden Bronstijd versterkingen. Enige tijd na de constructie van deze versterkingen, zo bleek, leken de bewoners binnen de ommuringen en later op de hellingen binnen de versterkingen domesticale kwartieren ingericht te hebben. De stad werd vernietigd op het einde van de 17e eeuw/ begin van de 16e eeuw, maar zou opnieuw bezet geweest zijn in de Late Bronstijd I. De vroegste Midden Bronstijd nederzetting in sector Y werd verstoord door latere Midden Bronstijd constructies en was bijgevolg moeilijk te dateren. [123]
Zoals men bij opgravingen op andere sites zoals Megiddo, Hazor, Kabri, e.a. cultische of palatiale structuren uit de Midden Bronstijd aantrof, had men in Tel Dan enkel het vermoeden van een monumentaal gebouw in sector T, onder de IJzertijd resten van een cultisch platform.[124]
De meeste begravingen die zich op de tel of in zijn nabije omgeving bevonden waren meestal stratigrafisch gerelateerd aan de versterkingen. Onder de aarden wallen vond men meestal MB I graven, graven uit MB II bevonden zich vaak aan de basis van de hellingen binnen de versterkingen die doorsneden werden door MB III begravingen.
Op dit moment heeft men nog geen externe necropolis kunnen identificeren. De gestratifieerde positie van de graven liet toe deze op grondige wijze te onderzoeken.[125]
2.4. Beschrijving van de voorkomende zuigeling- en kindergraven
Zoals reeds eerder vermeld had men in Tel Dan te maken met een bijna volledige sequentie van occupatie en begraving doorheen de verschillende Midden Bronstijd fasen. De graven bevatten nooit meer dan 8 individuen en bleven vrij vaak onverstoord. Vaak kon men de overledenen vrij goed aan hun grafuitzet koppelen en op die manier de begravingsgeschiedenis reconstrueren. De graven bevonden zich voornamelijk onder vloeren van woningen en binnenhoven. Kamergraven waren meestal moeilijk te verbinden aan een vloerniveau van een woning. Dit lag eenvoudiger voor de kist-en kruikgraven.[126]
Graven uit de Midden Bronstijd vond men in Tel Dan in praktisch elke opgravingssector, behalve in sector K waar zich de Midden Bronstijd poort bevond.
Men kon vier grafvormen onderscheiden: het kruikgraf, het kistgraf, het kamergraf en het schachtgraf met enkele schacht. Er zal enkel aandacht besteed worden aan de eerste twee grafvormen. Onderstaande tabel 2 geeft weer op welke manier de verschillende types zich tot elkaar verhielden. [127]
|
Grafvorm |
Aantal graven |
Aantal begraven individuen |
Chronologie |
|
Kruikgraf |
22 |
21 |
MB I-MB IIC |
|
Kistgraf |
5/6 |
7/14 |
MB I-MB IIC |
|
Kamergraf |
4/5 |
10/17+ |
MB I-MB IIC |
|
Schachtgraf |
1 |
4+ |
MB I |
|
Totalen |
33 |
49+ |
|
Tabel 2. Overzicht van het gravenbestand.[128]
Opvallend was de grote hoeveelheid kruikgraven die men aantrof in stratigrafische relatie met vloerniveaus binnen domesticale structuren. Mogelijk zou men hieruit kunnen besluiten dat het voornamelijk zuigelingen en kinderen waren die in zulke contexten en op zulke manieren begraven werden. Een zeker percentage van de volwassenen zou dan exclusief in een necropool begraven zijn geweest, hoewel men hiervan totnogtoe geen sporen teruggevonden heeft. Men moet echter in rekening brengen dat het archeologisch bestand onvolledig kan zijn.
De variatie in tabel 2 bij de kamer-en kistgraven heeft te maken met de twijfelachtige toewijzing van T 187b (Pl. IV, 1/ V, 1-2). Bij de kruikgraven werden twee graven aangetroffen waarbinnen geen beendermateriaal aanwezig was, T 902. c-d. [129]
Hier zal enkel specifieke aandacht geschonken worden aan de zogehete “ Jar Burials” vrij vertaald als kruikgraven, en de “cist tombes” of kistgraven. De andere, hier niet besproken, graftypes bevatten volwassen personen.
2.4.1 Kistgraven
2.4.1.1. Algemeen
Dit soort graven konden zich, zoals eerder vermeld, onder het vloerniveau van domesticale architectuur bevinden. In Tel Dan trof men dit graftype zowel in gebied A, B als Y aan. Om dit soort graf aan te leggen diepte men vooreerst vanuit het vloerniveau een kuil uit gevolgd door de bouw van een stenen graf met dak. Deze manier van bouwen maakte dat het kistgraf gelijkenissen vertoonde met het kamergraf en hier een verkleinde versie van lijkt te zijn geweest. Een verschil was dat men bij het kamergraf de overledene bijzette via een zijdelingse ingang terwijl dit bij het kistgraf enkel via het dak gebeurde.
Kistgraven waren over het algemeen kleiner dan kamergraven, alsook minder stevig gebouwd waardoor verstoringen frequent waren. Ze waren vierkant in plan en bijgaven bleken niet overvloedig aanwezig te zijn geweest. Er was geen echte ingang aanwezig, de plaatsing van het lichaam gebeurde via het dak. In de meeste gevallen liet men één van de korte zijden open wat zowel een praktische als ideologische reden zou kunnen gehad hebben.[130]
De meeste kistgraven bevatten slechts één bijzetting. T. 371 vormde hierop de uitzondering en bevatte vier begravingen waarbij twee bijkomende kruikgraven op het dak van het graf geplaatst werden. De reden hiervoor was onduidelijk en het leek om een uniek geval te gaan. Tussen de personen zou men mogelijk bloedverwantschap kunnen veronderstellen.[131]
Onderstaande tabel 3 geeft een overzicht van de aangetroffen kistgraven in Tel Dan. Volgens Ilan werd dit graftype voorbehouden voor kinderen tussen 3 en 12 jaar.[132]
Ook lijkt er bij dit graftype,volgens Ilan, een beperking in geslacht te zijn geweest. Hoewel de geslachtsbepaling voor het grootste deel van de graven onzeker leek, was het aangetroffen en gedefinieerde skeletmateriaal meestal mannelijk. Men kan zich hierbij de vraag stellen waar de vrouwelijke kinderen dan begraven werden. Hier kan men echter niet van uitgaan daar, zoals eerder aangehaald, het geslacht in de meeste gevallen niet bepaald kon worden.
Omwille van de connotatie tussen leeftijd (geslacht?) en graftype zou men kunnen spreken van een associatie tussen het graftype en de sociale status van het kind in de maatschappij. [133]
|
Graf |
Lengte/breedte/hoogte in meter |
Oriëntatie/positie van het hoofd |
Geslacht/ Leeftijd |
begravingswijze |
datering |
|
23 |
1.75x1.05x0.45 |
N-Z/N |
?/? |
-primair -enkel -gebogen -op linkerzijde |
MB IIA |
|
4244 |
1.60x1.24x0.50 |
O-W/O |
m/ 2-3jr. |
-primair -enkel -gebogen -op rechterzijde |
MB IIA |
|
371c |
1.02x0.92x0.39 |
N-Z/? |
?/ 2-4jr. |
-meervoudig -opeenvolgend (geen andere gegevens) |
MB IIC- in hoek van kamer |
|
3004 |
? |
? |
?/ jongere |
-enkel (?) -geen andere gegevens
|
MB II ?, vormloos, in balk die kruik bevatte |
|
187a |
? |
? |
Volwassene |
-enkel -verstoord |
MB IIC-gefrag., naast muur |
|
Rekenkundig gemiddelde |
1.46x1.07x0.67 |
/ |
/ |
/ |
|
Tabel 3. Overzicht kistgraven.[134]
Tombe 187b (Pl. IV, 1/ V, 1-2) was, als men naar de ingang keek, een kistgraf, hoewel men eerder kan spreken van een kamergraf als het ging om de grootte van het graf. Meestal werden de kistgraven parallel met muren gebouwd. [135]
2.4.1.2. Graven.
T23 (Pl. V, 3-4) bevond zich in sector A (Pl. IV, 1). De Midden Bronstijd strata in deze sector konden onderverdeeld worden in vier fasen, T23 behoorde tot de eerste fase ( MB I). Het graf werd vanaf een opeengepakte vloer, met tabûn ovens, ingezet en sneed L 12 en L 18 (Pl. V, 3), beide Vroege Bronstijd lagen. Hoewel dit graf lichtjes vormeloos was en gedeeltelijk ingestort kunnen we er van uit gaan dat het om een kistgraf ging. Bijgave was één kom (Pl. V,5) met gekamde versiering die naast de schedel geplaatst was. Typologisch zou ze tot de MB IIA behoren en op die manier de datering voor het geheel bestendigen. Het skelet lag in gebogen foetushouding (zie tabel 3). Later bleek het graf opgevuld geweest te zijn met puinmateriaal en waren er lagen met verschillende samenstellingen gevormd ( fijne bodem gemengd met houtskoolsplinters en grijs zand gemengd met kleiige aarde).[136]
In sector A (Pl. IV, 1) zouden mogelijk nog twee andere kistgraven aanwezig geweest zijn waarvan één zich onder een vloerniveau L11 (Pl. V, 3) bevond. Er werd echter geen beendermateriaal teruggevonden. Een tweede zou zich onder het vloerniveau van L 43 (Pl. V, 3) bevonden hebben en tot de derde fase van sector A ( MB IIA) behoord hebben. Onder T23 zou zich ook nog een kruikgraf van een zuigeling bevonden hebben dat stratigrafisch gezien ook tot fase 1 behoorde. [137]
Het grootst aantal Midden Bronstijd graven werd ontdekt in sector B (Pl. IV, 1). Hier kon men tien Midden Bronstijd fasen onderscheiden die allen door domesticale structuren gekenmerkt werden en meestal ook verschillende subvloer begravingen bevatten.[138]
T4244 (Pl. IV, 1) bevond zich onder de muren 19821-19822 en 19823 en bevatte het nog volledige skelet van een kind van 2-3 jaar. Het graf (Pl. VI, 1-3) bevond zich beneden een plaastervloer en was ingezet in een verbrande tichel en puin vulling uit de vorige Midden Bronstijd fase. Het graf leek verstoord te zijn geweest, mogelijk te wijten aan een aardbeving of het werk van knaagdieren. Meer dan T23 bevatte dit graf verschillende bijgaven. Één rood geslibt en gepolijst schepkruikje (Pl. VII, 1) samen met negen kralen ( 4 cornalijn, 1 bergkristal en 4 amethisten) trof men aan naast de schedel. Deze laatste waren mogelijk onderdeel van een halsketting. De kralen werden waarschijnlijk geïmporteerd vanuit het noorden of zuiden. [139]
T 371 (Plaat IV, 1) bestond uit drie begravingsfasen, was geassocieerd met T 368 (Pl. IV, 1) en bevond zich in een hoek die gevormd werd door twee muren W 181 en W 194. De eerste twee fasen (b-c) bevatten een kistgraf, terwijl binnen de derde fase (a) een kruikgraf aanwezig was dat twee zuigelingen bevatte. De grafcontext 371 (b-c) bevatte twee kinderen met een leeftijd tussen 2 en 6 jaar (Pl VII, 2-3). Als men zich voor de datering enkel baseerde op de typologie van de keramiekvormen stelde zich hier een probleem, vormen zoals de bolvormige kom wezen op een plaatsing in de MB IIB net zoals de rood verbrande kruikjes en de afwezigheid van de cylindrische kruikjes ( Pl. VII, 4). Men heeft desondanks het graf omwille van stratigrafische redenen in de MB IIC fase geplaatst.[140]
T187 (Pl. IV, 1) bestond wederom uit twee fasen (a-b). Fase b bevatte een geconstrueerd kamergraf, nog eens onderverdeeld in drie fasen. In de eerste fase werden zes individuen begraven waaronder één kind dat ouder was dan 6 jaar.
T 187a was een kistgraf waarvan de vorm onduidelijk was onder andere door het snijden met Laat Brons muur W 130. Het skelet was niet volledig, overblijfselen waren één dijbeen, twee kuitbeenderen en tanden (Pl.V, 1-2). Keramiekbijgaven (Pl. VIII, 1) waren hier vrij talrijk en bestonden onder andere uit vier platte borden en vier typische kruikjes van verschillende soorten ( cylindrisch, conisch,..). Daarnaast waren er nog een fragment van een lamp en een “flesstop” uit been aanwezig. De datering werd voorlopig geschat op MB IIC-LB I. De bijgaven van dit graf zijn vergelijkbaar met deze van 187b en men kan ervan uitgaan dat het graf 187a over het oorspronkelijke graf (187b) gebouwd werd. Een verhouding die vergelijkbaar is met die van de verschillende fasen van het graf 371. [141]
Het laatste hier besproken graf lag in sector Y (Pl. III, 1) aan het 18m punt van de sleuf (Pl. VIII, 2) . Het betrof een kistgraf, T3004 (Pl. VIII, 3), opgebouwd uit veldsteen waarvan echter weinig materiaal overbleef en bijgevolg de informatie beperkt was. Uit het onvolledige en gefragmenteerde skelet kon men afleiden dat het om een jongere ging, leeftijd en oriëntatie waren niet te bepalen. De bijgaven bestonden uit een opslagkruik en een gecorrodeerde bronzen mantelspeld gemengd met dierlijke beendermateriaal. [142]
2.4.2. Kruikgraven
2.4.2.1. Algemeen
Zoals reeds bleek uit tabel 2 waren kruikgraven de meest voorkomende grafvorm in de Midden Bronstijd strata van Tel Dan. De kruikgraven van Tel Dan vertonen een aantal opvallende, gelijkende kenmerken.
Zoals bij de kistgraven werd de ligging en de oriëntatie van de graven meestal bepaald door architecturale structuren, de meeste kruikgraven werden parallel met een muur ingezet. In enkele zeldzame gevallen werden ze onder muren geplaatst ( hoewel dit op foto’s en tekeningen vaak wel het geval lijkt). Vaak werden ze vanaf een vloerniveau ingegraven aan of onder de funderingen van de muur, maar dus niet voor de constructie van de muur. Indien het graf echter afgesloten werd door een vloerniveau onder de funderingen van de muur kon men inderdaad spreken van begraving onder de muur.[143]
De begraving lijkt steeds primair te zijn geweest en meestal lag het lichaam in foetale of samengetrokken houding. Vaak werd de schouder en de nek van het recipiënt waarin het lichaam geplaatst werd afgebroken waardoor men het lichaam makkelijker kon inbrengen. Hierna kon men de opening afdekken met een grote scherf die afkomstig kon zijn van een andere kruik.
Bijgaven waren dikwijls beperkt tot de zogehete ‘dipper juglets’ die mogelijk gevuld werden met een vloeistof. Het lichaam lag meestal op de rechterzijde. Dit zou dit maken kunnen gehad hebben met het feit dat, om de kinderen met hun hoofd richting de opening van de kruik te plaatsen, men de meest eenvoudige manier uitkoos om het lichaam in de kruik te plaatsen. De meerderheid van de mensen zou dan echter rechtshandig moeten geweest zijn, bijgevolg zou het liggen op een bepaalde zijde van het lichaam dus eerder te maken gehad hebben met praktische redenen dan met een ideologische reden.
Verschillende kruiken werden niet zonder meer in het vloerniveau ingezet, maar werden bijkomend omgeven door of geplaatst binnen een steencirkel die mogelijk een symbolische bedoeling had.[144]
De dominante oriëntatie van de kruikgraven was noord-zuid of oost-west, naargelang de ligging op de zuidelijke of oostelijke flanken van de tel.[145]
Kruikgraven werden volgens Ilan meestal voorbehouden voor kinderen onder de 2 jaar. In Tel Dan vond men hier echter twee uitzonderingen op: graf 368 was een pithosgraf dat een kind van 5, 5 jaar oud bevatte, Graf 4648 bevatte één zuigeling en een kind van 3 jaar oud. Opvallend is dat het in beide gevallen ging om begravingen in pithoi. Dit zou te maken kunnen hebben met specifieke omstandigheden zoals een fysieke of mentale handicap volgens Ilan, hoewel dit niet aangetoond werd in het onderzoek van het beendermateriaal. Daar waar het beendermateriaal voldoende bewaard leek te zijn werd onderzoek uitgevoerd. [146]
|
Graf |
Lengte/Breedte in m. |
Oriëntatie/positie van het hoofd |
Geslacht/leeftijd |
begravingswijze |
datering |
|
328a |
0.90x0.60 |
N-Z (Z)/ nr. opening |
?/ 2 jr. ? |
-fragmentair -steencirkel |
MB IIC, parallel met muur |
|
328b |
0.68x0.45 |
ZO-NW ( ZO)/ ? |
? / 2 jr. ? |
-fragmentair |
MB IIC, parallel met muur |
|
349 |
0.75x0.50 |
N-Z (?) / ? |
?/ zogeling |
-fragmentair -twee graven
|
MB IIC, onder muur |
|
367 |
0.59x0.34 |
N-Z (N) / nr. opening |
?/ zogeling |
-fragmentair |
MB IIC, parallel met muur. |
|
368 |
0.48x0.45 |
O-W ( O) / nr. opening |
?/ 5.5.-6 jr. |
-primair -samengetrokken -op rechterzijde ( pithoi) |
MB IIC, parallel met muur |
|
371a |
0.55x0.40 |
O-W (O) / nr. opening |
?/ 6-10 mnd. |
-primair - samengetrokken -op rechterzijde |
MB IIC, in hoek van muren |
|
393 |
0.48x0.34 |
ZO-NW ( NW) / ? |
? / zogeling |
-fragmentair |
MB IIC-parallel met muren |
|
902b |
0.74x0.62 |
? /? |
? / zogeling |
-fragmentair -omringende steencirkel |
MB IIA, binnen steencirkel |
|
902c |
0.55x0.40 |
?/ ? |
- |
-geen beendermateriaal |
MB IIA |
|
902d |
0.42x0.36 |
NW-ZO (NW)/- |
- |
-geen beendermateriaal |
MB IIA |
|
1062 |
0.81x0.48 |
O-W ( W)/nr. opening |
? / zogeling |
-primair -samengetrokken - op linkerzijde (?) |
MB IIA |
|
3050 |
0.42x0.37 |
N-Z ( N)/ nr. opening |
?/ zogeling |
-primair -foetushouding -op linkerzijde |
MB IIA |
|
4242a |
0.40x0.32 |
O-W (W) |
?/ 5-6 mnd. |
-fragmentair |
MB IIA |
|
4356 |
1.38x1.28 |
rechtopstaand |
?/ 6-7 mnd. |
-primair -omringende steencirkel |
MB IIA |
|
4648 |
1.28x0.78 |
NO-ZW ( NO)/ nr. opening |
? / 2-3 jr. |
-primair - twee graven, één ruggelings (pithoi) |
MB IIC, parallel met muur |
|
4652 |
0.56x0.43 |
N-Z (Z)/ nr. opening? |
? / 1.5-2 jr. |
-primair -vulling met linzen |
MB IIC, parallel met muur |
|
7161 |
Niet gekend |
N-Z ( Z)/ ? |
?/ zogeling |
-fragmentair |
MB IIC, onder muur |
|
8186d |
Niet gekend |
NW-ZO (NW)/ nr. opening |
? /? |
-primair -kruik half rechtopstaand |
MB IIC (?) |
Tabel 4. Overzicht kruikgraven.[147]
2.4.2.2. Graven
Uit bovenstaande tabel 4 komt eerst en vooral duidelijk naar voren dat men van geen enkel skelet in een kruikgraf het geslacht met zekerheid kon bepalen. In de meerderheid van de gevallen kon men ongeveer de ouderdom bepalen en op die manier afleiden dat het voornamelijk ging om kinderen die jonger waren dan 2 jaar[148]. Hoewel dit onzeker was vermits een aantal kruikgraven skeletmateriaal bevatten van kinderen die reeds de leeftijd van 2 jaar bereikt hadden. De overgrote meerderheid van de graven kon men in de MBIIC plaatsen.
T 328 (a) (Pl. IV, 1) lag parallel met een muur W187 en was ofwel ingezet vanaf een MB of IJzertijd I vloer in rood, kleiig omwallingsmateriaal dat zich onder de vloer bevond of vanaf een niveau dat zich tussen de vloer en de onderliggende locus bevond en oorspronkelijk W 187 raakte, maar niet geconserveerd werd (Pl. IX, 1). Van het skelet werden fragmenten van de schedel, ribben en tanden bewaard. Het ging om een kind van ongeveer 2 jaar oud (Pl.IX2). De nek en rand van de kruik waren afgebroken om het inbrengen van het lichaam te vergemakkelijken. Het geheel was omringd door een aantal veldstenen. Bijgaven bestonden uit twee cilindrische kruikjes waarvan één beschilderd, een kannetje (Pl. IX, 3) en een scarabee (Pl. IX, 4). Voor het keramisch assemblage vond men parallellen in Jericho ( groepen III-IV), Hazor ( benedenstad, stratum 3) en Megiddo ( stratum X).
T 328 (b) (Pl. IV, 1.) bevond zich een meter westwaarts van T328 (a) (Pl. IX, 1) en beantwoordde aan dezelfde kenmerken als deze laatste. Het graf bevatte een aantal niet gearticuleerde beenderen van een zuigeling van ongeveer 2 jaar oud. [149]
T 349 (Pl. IV, 1) was een dubbel kruikgraf dat waarschijnlijk ingegraven werd vanuit een vloer die na de inzetting van het graf een vernieuwd oppervlak kreeg (Pl. X, 1). Beide graven bevonden zich langs de fundering van een muur W195 (Pl. IV, 1). Onder de bijgaven (Pl. X,2) bevonden zich dierlijk beendermateriaal en verschillende zoetwater mollusca schelpen. Graf B was een grote pithos en bevatte beendermateriaal samen met vier vaten binnen de pithos en nog twee erbuiten. Graf A was wat hoger gelegen en bestond uit fragmenten van een recipiënt dat enkel gevuld was met beendermateriaal. [150]
T 371 (Pl. IV, 1)( zie ook 2.4.1.2) was gelegen in een hoek die gevormd werd door twee muren W181 en W194 (Pl. VII, 2). Het graf bestond ,zoals reeds vermeld, uit drie begravingsfasen, de eerste twee bevatten een kistgraf, de derde een kruikgraf, 371 (a) (Pl. X, 3). De kruik bevatte het skeletmateriaal van twee zuigelingen ( waarvan één 6-10 maanden oud en één 2 jaar oud). Boven T371 (b) bevonden zich een aantal fragmenten van een voorraadkruik waaronder 2 handvaten samen met fragmenten van de schedel van een kind van 2 jaar. Dit graf leek verstoord geweest te zijn door een volgend kruikgraf (Pl. X, 3) van een zuigeling van 6-10 maanden oud. ( dit graf bleek wel intact te zijn en is in de bovenstaande tabel opgenomen). Een kruikje was op die manier geplaatst, net onder de mond van de overledene, alsof die er net van ging drinken. [151]
Ten oosten van en onder de funderingen van een muur W194 was een kruikgraf, T367 (Pl. IV, 1), ingezet dat een aantal schedelfragmenten ( ander beendermateriaal was waarschijnlijk gedesïntegreerd of aangetast door knaagdieren) en een beschilderd cilindrisch kruikje bevatte (Pl. XI, 1-2). Samen met T 368 en T 371 a-b leek dit graf ingezet geweest te zijn vanaf vloer 366a (Pl. X, 4).
T 368 (Pl. IV, 1) bevatte waarschijnlijk het skelet van een kind van 5,5/6 jaar oud, wat buiten de limiet leeftijd viel die men in de andere kruikgraven in Tel Dan aantrof. Dit kon men vaststellen aan de hand van de tanden van het skelet die permanent leken in tegenstelling tot de tanden van een kind van 2 jaar oud. Het skelet was in een pithos geplaatst waarvan de top verwijderd was (Pl XI, 3). Een stukje gedecoreerd been lag op een steen naast het graf. [152]
T 393 (Pl. IV, 1) was een eenvoudig graf dat naast een muur geplaatst werd. Hier was opnieuw duidelijk dat men een cilindrisch kruikje bewust aan de mond van de overledene geplaatst had (Pl. XII, 1-2).[153]
T 7161 (Pl. IV, 1) lag eerder afzijdig van de hiervoor besproken kruikgraven, die eerder in clustervorm verschenen, hoewel dit in sé niets hoeft te betekenen. T7161 was onder W 8605, mogelijk een IJzertijd II muur, ingezet. Omwille van de herbruik van structuren in Tel Dan zou deze muur evenwel ook in de Midden Bronstijd geconstrueerd kunnen geweest zijn. Het graf werd ingezet in het binnenste materiaal van de wal. De bovenste lagen bleven deels bewaard daar waar ze niet verwoest werden door IJzertijd II funderingsschachten en toonden een duidelijk occupatieniveau. Het graf kon echter dit niveau zowel pre -als postdateren. Een steen onder de funderingen van muur 8605 kon zowel restant zijn van een MB muur als een markering van het graf. Een scarabee was de enige bijgave (Pl. XII, 3-4.). [154]
Ten oosten van W19823 was een kruikgraf, T4242a (Pl. IV, 1), beneden een plaastervloer ingezet ( L 4241) duidelijk gemarkeerd door een gat in de vloer. Het leek echter mogelijk dat het graf vanuit een jongere vloer ingezet werd ( L 4240) waardoor de relatie met muur 19823 duidelijk zichtbaar zou zijn. Het graf (Pl. XIX, 2) bevatte de resten van een zuigeling van 5 à 6 maanden oud samen met enkele dierlijke resten. Verdere bijgaven leken te ontbreken.[155]
Vanuit dezelfde Midden Bronstijd vloer 4240 (b), die een aantal keren een nieuw oppervlak kreeg, was T4356 (Pl. IV, 1) ingegraven. Het betrof een kruikgraf omringd door een halve steencirkel bestaande uit zes stenen (Pl. XIX, 3.). Mogelijk was de grafkruik verticaal vanaf het oppervlak ingezet vermits het bovendeel zich hoger bevond dan de bodem van het recipiënt. De bodem van een afgeronde voorraadkruik werd gebruikt om de opening af te sluiten. Binnenin kon men het skeletmateriaal van een 6 à 7 maanden oude zuigeling herkennen, verdere bijgaven waren niet aanwezig. Er konden hier geen duidelijke sporen van ziekte of andere mogelijke doodsoorzaken vastgesteld worden.[156]
Boven de dakplaten van kamergraf 4663 had men in de vulling van vloer 4625 (Pl. XIII, 1-2.) een kruikgraf ingezet, T 4648 (Pl. IV, 1). In een pithos bevond zich beendermateriaal van een kind van 2-3 jaar oud ( 90-95% van het materiaal) en de resten van een zuigeling, waarschijnlijk een foetus in het eindstadium. Het 2 jaar oude kind lag op zijn rug met de armen naast zich en de handpalmen naar boven gekeerd, het onderlichaam lag in een gebogen houding. Onder dit skelet lagen de resten van de foetus die mogelijk in een zelfde houding lag (Pl. XIV, 1-2). Langs de heup van het kind trof men een kruikje aan, een plaats die mogelijk overeen kwam met waar de mond van de foetus zich bevond. Rond de borst van het kind lagen verschillende melanopsis schelpen die waarschijnlijk de overblijfselen van een halsketting vormden. [157]
Ten oosten van dit graf, in een balk, bevond zich opnieuw een kruikgraf, T4652 (Pl. IV, 1). De kruik bevatte één skelet van een kind van ongeveer 1-2 jaar oud. Opvallend was de opvulling van de kruik met enkele duizenden linzen. Ook dit graf bleek ingezet geweest te zijn vanaf vloer 4625, maar op een iets hoger niveau (Pl. XIII, 2), boven het kamergraf 4663.[158]
T 4680 ( Pl. IV, 1)bevond zich in een balk onder een muur W 4403 (Pl. XIII,1) en werd niet uitgehaald om de muur niet te destabiliseren (Pl. XV, 1). Binnenin konden wel een aantal skeletresten onderscheiden worden. De kruik leek gebroken te zijn door een steen die ofwel op het graf gevallen was of van boven uit op de kruik geplaatst was. [159]
In opgravingsveld M (Pl. III, 1), ten noorden van gebied B trof men opnieuw een aantal graven aan waaronder één graf van een zuigeling.[160]
Er werden in dit veld enkel in een aantal diepere sondages Midden Bronstijd niveaus bereikt, daarbij kwam dat een aantal IJzertijd I putten de sequentie verstoorden waardoor de Vroeg Bronstijd niveaus beter bewaard gebleven waren. De MBIIA en MBIIB niveaus werden daarbij nog eens verstoord door twee kamergraven ( T 8096 en T 8185) (Pl. XVI, 1). Op het moment van publicatie in 1996 konden reeds vijf MB fasen onderscheiden worden die allen een domesticaal karakter toegeschreven kregen en waarvan de eerste drie fasen tot de MB II C leken te behoren. [161]
T 8186 (c) (Pl. XVI, 1) werd ingezet vanuit een vloerniveau dat onder muur 4659 liep (Pl. XVII 1-2). Het beendermateriaal in het kruikgraf was afkomstig van een pasgeboren baby. Een cilindrisch kruikje was de enige bijgave. [162]
In sector Y (Pl. III, 1.), ten noordoosten van sector M, onderzocht men in eerste instantie de Midden Bronstijd versterking door het openen van een 2,5 m. brede sleuf doorheen de noordoostelijke flank. Deze werd gedurende verschillende campagnes uitgebreid in de richting van de binnenzijde van de wal (Pl. XVIII, 1.). Ook hier bleken de Midden Bronstijd overblijfselen vooral van domesticaal karakter te zijn. Er konden zeven fasen onderscheiden worden, kruikgraven vond men in elk van deze zeven fasen,gaande van MB II A tot MB II B.[163]
T 902b bevond zich op het 35 m. punt van de sleuf (Pl. VIII, 2.) naast de zuidelijke balk. Het graf was ingezet bovenop een stenen constructie onder de diepste puinlaag ( afkomstig van de helling) aan de binnenzijde van een verwoeste steenstructuur ( MB II A, voor de constructie van de wal). Hier kon men een occupatieoppervlak onderscheiden zonder verdere architecturale elementen. Het graf (Pl. XVIII, 2.)was omringd door een steencirkel ( vergelijkbaar met die van T 4356 en T 328a) en bevatte enkel de schedel van een zuigeling. Het ging hier mogelijk om een vergelijkbare subvloer intramurale begraving zoals diegene in sector B. Indien dit het geval was dan zouden de oorspronkelijke occupatieniveaus naar beneden geërodeerd zijn en enkel stukken muur en puinlagen achter gelaten hebben op de helling. Het graf kon daarentegen ook in de,onbezette, binnenste helling van de steenstructuur ingezet geweest zijn.
Daarnaast waren er nog twee kruiken, 902c (Pl. XVIII, 3) en 902d die ook ingezet werden in dezelfde steenstructuur, maar verder geen skeletmateriaal of andere bijgaven bevatten. 902d bestond uit een krater die leek ingezet geweest te zijn binnen een depressie in de steenstructuur (Pl. XIX, 1.). Mogelijk waren beiden geen kruikgraven, maar eerder opslagvaten gerelateerd aan het geërodeerde occupatieniveau of een cultisch deposit[164]