| ‘All the King’s Men’ Een zoektocht naar de koloniale ideeën van enkele adviseurs en “handlangers” van Leopold II (1853-1892). (Hannes Vanhauwaert) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Een historiografisch beeld van Leopold II (1835-1909)
De figuur van Leopold II stond de jongste jaren regelmatig opnieuw in de belangstelling. De Britse televisiedocumentaire White king, red rubber, black death deed zelfs politiek stof opwaaien in het Belgisch Ministerie van Buitenlandse Zaken[2]. De plotse kortstondige herrijzenis van Leopolds standbeeld in het straatbeeld van Kinshasa ging op geen enkele nieuwsredactie onopgemerkt voorbij[3], net als de “actualisering” van het Museum voor Midden-Afrika in Tervuren[4]. De onlangs opgestarte zoektocht naar de ‘Grootste Belg’ door de dagbladen, de radio en het publiek bracht de vorst opnieuw helemaal op de voorgrond. Het weekblad ‘Humo’ zette een reeks op om haar lezers in sneltempo te doen kennismaken met de flamboyante koning en de discussies die hij vandaag nog oproept. De interviews met de verschillende biografen van Leopold II gaven de lezer duidelijk blijk van de onzekerheid en de vele speculaties van het historisch onderzoek in de koloniale materie[5].
Leopold II blijft de meest omstreden Belgische koning omdat de gevolgen van zijn koloniale avonturen door sommigen ‘op genocidale schaal’ afgemeten worden[6]. Naar het precieze aantal doden blijft men gissen, maar de schattingen variëren heel sterk. De Encyclopedia Brittanica schiet de hoofdvogel af met een terugloop van twintig à dertig miljoen tot acht miljoen[7], maar de Britse encyclopedie baseerde zich voor deze overdreven cijfers wellicht op de subjectieve literatuur die al te graag met pakkende en dramatische verhalen uit de hoek komt. De Belgisch-Amerikaanse antropoloog Jan Vansina hield het op een demografische terugloop van de helft, wat in cijfers moeilijk te berekenen viel[8]. Dat is net het probleem dat dit stukje geschiedenis hypothekeert: “On ne dispose des chiffres de la population congolaise ni avant nu après le régime de caoutchouc. Alors, on peut dire que deux tiers des gens ont disparu … ou 10 %. Tout ceci est incontrôlable”, zei Jean Stengers in 1998[9]. Ook het vraagstuk in hoeverre Leopold II zelf bewust en met voorbedachten rade schuldig is aan die terugloop blijft wachten op een éénduidig antwoord.
Het zijn vooral niet-historici die het gruwelijke beeld van de afgehakte handen in het middelpunt van de belangstelling gezet hebben. Elk academisch boek dat de ethische en morele draagkracht van de Congolese genocide zou kunnen ondermijnen, wordt dan ook als een vergoelijkend en verfoeilijk werk onthaald, hoewel de auteur waarschijnlijk gewoon op zoek wil gaan naar een wetenschappelijke verklaring van het gruwelijke gebeuren. Een degelijke historische verklaring, die de sensatie niet opzoekt, zal ongetwijfeld ook “verzachtende omstandigheden” voor “de schuldvraag” inhouden.
Mede daarom kent Leopold II vele gezichten in de literatuur. In de erudiete biografie van Barbara Emerson[10], wordt een Leopold getoond, die sinds zijn kindertijd in een eigen wereld vol idealisme en patriottisme leefde. Pater Auguste Roeykens, die als tijdverdrijf in zijn Congolese missieposten talloze nuttige historische werken schreef over Leopold II, al was het maar omwille van de vele bronnen die hij uitgaf, bestempelde Leopold steevast als een verlicht genie[11]. De Leidse professor Henk Wesseling, een expert in koloniale geschiedenis, schetste Leopold II dit jaar in de pers af als een zeerover of maffialeider[12].
In de historiografie bestaat, grof geschetst, een duidelijke evolutie in de invalshoeken om Leopold II te typeren. Aanvankelijk verdwenen de gruweldaden in Congo door toedoen van Belgische propagandisten in de doofpot, en werd de tweede Belgische vorst als een verlichtend genie, dat eindelijk beschaving in het Afrikaanse oerwoud bracht, bestempeld. De kritiek die echter al bestond in de Angelsaksische landen tijdens het bloedige regime van Leopold II wordt nu verdergezet in historische werken, die de polemiek en sensatie – tot zelfs mystificatie in een pejoratieve betekenis – opzoeken. Het bekendste en meest succesrijke voorbeeld is wellicht het werk van Adam Hochschild[13]. Een ander voorbeeld is het recentere werk van Martin Ewans[14].
De gruweldaden van Leopold II zijn pas zeer geleidelijk na de dekolonisatie van 1960 het vertrekpunt geweest van Belgische studies. Opvallend daarbij is dat academische historici relatief weinig betrokken geweest zijn bij dat onderzoek. Het gaat wel om onder andere antropoloog Daniel Vangroenweghe[15], of de historicus en gewezen diplomaat Jules Marchal, verbijsterd over het grote vergeten van een moeilijk verleden[16]. De enige academische historici die zich in de koloniale politiek van de tweede Belgische vorst hebben gespecialiseerd, zijn de onlangs overleden professor Jean Stengers[17] en Jean-Marc Vellut[18].
In de historiografie rond Leopold II wordt ook vandaag nog een pingpongspelletje gespeeld tussen de academische (Belgische) historici en de buitenstaanders. De eersten wordt vaak verweten dat ze de schuldvraag afwimpelen, door een soort van heilig bronnenideaal na te streven. De strekking van een ‘positivistisch academisme’ wordt laatdunkend onthaald met Jean Stengers en Jean-Luc Vellut als kop van jut. Deze professoren, die zich terecht hechten aan de (helaas verdwenen) bronnen, distantiëren zich op hun beurt van werken zoals die van Daniel Vangroenweghe en Adam Hochschild. Op die manier lijkt er een langdurige twist in de maak die het (academisch onderzoek) naar Leopold II verlamt. Het creëert bovendien een vorm van koudwatervrees bij de historici om de resultaten van het echte fundamentele historische onderzoek kenbaar te maken bij het grote publiek. Die koudwatervrees, die vroeger voortkwam uit een volgens Marc Reynebeau misplaatste eerbied voor het verleden of een angst voor controverse, lijkt recentelijk doorbroken te worden[19].
Op woensdag 9 maart 2005 stond op de website van BBC News een kort artikel over de opening van het vernieuwde Koloniaal museum voor Midden-Afrika onder de titel ‘Belgians confront colonial past[20].’ De Angelsaksische wereld begrijpt allesbehalve de amnesie die deel uitmaakt van het collectieve bewustzijn van de Belgen, aangezien het Britse nationale geheugen al een eeuw op de hoogte was van de koloniale wantoestanden. Het nodige historische en archivalische materiaal is nochtans aanwezig, zij het sterk verspreid over verschillende instellingen.
De patriottische ideologie van Leopold II
Deze verhandeling heeft niet Leopold II tot onderzoeksvoorwerp, maar de ‘maffiosi’ die naar de pijpen van Leopold II dansten, als de vergelijking van professor Henk Wesseling tenminste verder getrokken wordt. Toch is een schets van de koloniale ideologie van de koning onontbeerlijk om het verhaal van zijn raadgevers te ontsluieren. Een vergelijking met de koloniale ideologie van Leopold II zal zich geregeld opdringen, om de kleine maar betekenisvolle verschillen te kunnen blootleggen.
Deze verhandeling vertrekt niet van een gediaboliseerd beeld van Leopold II als bewuste massamoordenaar van de Congolese bevolking, omdat hoofdzakelijk de periode voor de gruweldaden wordt behandeld. Dat was de tijd van de grote idealen, en van het langzaam en sluipend opbouwen van een koloniale staat. De ideeën rijpten vooral vóór zijn koningschap vanaf 1865, toen hij nog als kroonprins en hertog van Brabant door Europa reisde om kennis te verzamelen. Pas na 1865 kon Leopold II zijn droom waarmaken dankzij zijn internationaal prestige als koning van een neutraal land. De morele schuldvraag over de genocidale gevolgen van de bestuurspolitiek stelt zich hier absoluut nog niet, en het zou dus anachronistisch zijn om die te betrekken in deze verhandeling. De dodelijke gevolgen van de dromen van Leopold II zouden zich pas na 1892 voordoen, in een periode die pas op het einde van dit betoog expliciet behandeld wordt.
Belangrijke contacten voor de jonge hertog van Brabant waren ongetwijfeld ook zijn tante en oom, niemand minder dan de Britse koningin Victoria en prins-gemaal Albert van Saksen-Coburg, de broer van Leopold I. Aan het hoofd van het Britse Rijk, in volle koloniale bloei, lieten ze ze zich dikwijls in met de opvoeding en het privé-leven van hun Belgisch neefje. Na de dood van koningin Louise-Marie, was de Britse koningin misschien de enige die de moederrol kon overnemen. Kort na hun huwelijk in 1853 brachten hertog Leopold en hertogin Marie-Henriette een bezoek aan het Engelse hof, waarbij de koningin zich zorgen maakte over het gebrek aan affectie tussen het kersverse paar. Ze zou zelf hebben aangezet tot de effectieve voltrekking van het huwelijk, maar bleef sceptisch over hun huwelijksgeluk[21]. Tussen 1850 en 1860 ontwikkelde er zich bovendien een ‘pennenvriendschap’ tussen Albert en Leopold. Het bezoek van de zestienjarige hertog van Brabant aan de wereldtentoonstelling van Crystal Palace in 1851 wekte ongetwijfeld zijn verbeeldingskracht op over een groots imperialistisch België, het land dat hij binnenkort moest gaan leiden.
Leopold trok er voor zijn koningschap vaak op uit naar verre landen. Hij gebruikte als excuus zijn zwakke gezondheid, die pas zou genezen in een beter klimaat. Zijn eerste grote reis kan nog worden beschouwd als een uitgelopen huwelijksreis. Leopold en Marie-Henriette trokken in 1854 en 1855 naar haar thuis, het Oostenrijkse Hof, en het toen nog Oostenrijkse gebied in Italië met Milaan en Venetië. Onder voorwendsel van een slechte gezondheid verkoos Leopold zijn verblijf in het Zuiden nog wat te verlengen. Leopold bezocht uiteindelijk Griekenland en Kreta en bijna het volledige Ottomaanse Rijk met het Midden-Oosten (Jeruzalem, Beiroet) en Egypte. In Alexandrië werd het koppel begroet door Edouard Blondeel, Belgisch consul in Egypte en al lang vurige en actieve voorstander van een Belgische koloniale politiek. Leopold liet geen enkele twijfel over zijn koloniale dromen: “Si au lieu de parler de neutralité, la Chambre s’occupait de notre commerce, la Belgique deviendrait le plus riche du monde[22].” In 1860 trok Leopold doorheen de Balkan naar Constantinopel, waar hij de sultan bezocht. Vlak voor zijn troonsbestijging in 1864-1865 trok Leopold er voor de laatste maal op uit; vanuit Brussel trok hij via Alexandrië en het nog niet afgewerkte Suez-Kanaal naar Sri Lanka en Brits Indië (met Calcutta en Delhi). Het Verre Oosten had hem al langer in de ban, en nu hoopte hij eindelijk via Maleisië ook China te bezoeken. Op 14 maart 1865 ontscheepte hij in Kanton, maar de slechte gezondheidstoestand van zijn vader dwong hem al na vijf dagen terug naar België af te zakken. De reizen van de jonge Leopold hadden zijn koloniale wens alleen maar versterkt[23].
Na de dood van zijn enige zoon, Leopold, in 1869, stak koning Leopold II al zijn energie in het verwerven van een kolonie. “Après 1869, le désir d’expansion territoriale, qu’il avait caressé pendant toute sa jeunesse, devint sa seule et unique ambition, voire son obsession[24].” Die territoriale expansiedrang heeft zich niet alleen in talloze koloniale plannen en projecten getoond, maar eveneens in verwoede pogingen om het Belgische neutrale koninkrijk te midden van Europa uit te breiden. De ijkpunten in het Afrikaanse koloniale verhaal, dat als enige echt succesvol werd, waren de Geografische Conferentie van Brussel (1876), de Conferentie van Berlijn (1885) en de Antislavernij-Conferentie van Brussel (1889-1890). Tussen de conferenties, waarin de Europese mogendheden deel werden gemaakt van zijn politieke besluitvorming, bracht een geslepen Leopold II zijn lang gekoesterde droom tot een goed einde.
De patriottische ideeën van de koning bevielen zijn onderdanen allesbehalve. Het antikolonialisme was een mentaliteit die vastgeroest zat in het gehele Belgische politieke spectrum in het midden van de negentiende eeuw. Katholieken en liberalen vochten op binnenlands vlak weliswaar scherpe twisten uit, maar op vlak van de buitenlandse handel puurden ze allen hun ideeën uit dezelfde doctrine: het economische liberalisme dat de triomf van de vrijhandel wou bewerkstelligen, en het formele kolonialisme volledig verwierp[25].
Leopold II zou de theorie van de vrijhandel in 1885 misbruiken om de soevereiniteit van zijn Onafhankelijke Kongostaat op de Conferentie van Berlijn te verzekeren. De strategie van een internationale commerciële maatschappij om een kolonie te vrijwaren trachtte hij paradoxaal te verzoenen met het economische liberalisme. “Dès 1855, la pensée du Duc de Brabant semble être fixée au sujet de la forme initiale que doit revêtir toute tentative expansionniste ou coloniale belge: celle d’une société internationale commerciale[26].” Die internationale handelsmaatschappij, die gebaseerd was op het Nederlandse koloniale model, ging in principe niet uit van een overheidsinitiatief maar de facto deelde Leopold II wel steeds de lakens uit in zijn winstgevende protectionistische koloniale maatschappij. In de praktijk van zijn bestuur in Kongo na 1890-1892 zou geen sprake meer zijn van het ideaal van het economische liberalisme uit de jaren 1850 en 1860.
Geografisch heeft Leopold II altijd een voorkeur gehad voor het Verre Oosten. Door de politieke omstandigheden kregen zijn plannen er pas voet aan de grond na de eerste Sino-Japanse oorlog (1894-1895)[27]. Ook Egypte is meermaals het doelwit van zijn koloniale interesse geweest[28]. De Filipijnen[29], de Nieuwe Hebriden, Japanse eilanden, Formosa (het huidige Taiwan), Indonesische eilanden en Zuid-Afrikaanse provincies hebben ook allemaal op Leopold II’s verlanglijstje gestaan. Het verhaal in Congo was de zoveelste poging tot het bemachtigen van nieuwe afzetmarkten, maar bleek het enige succesvolle te worden.
Al deze koloniale pogingen hebben Leopold II dan ook bloed, zweet en tranen gekost. Op 29 december 1855 zette hij zijn zoektocht naar afzetmarkten publiekelijk in met een inspirerende toespraak in de Senaat, waarin hij van rechtswege een zitje had. Hij wou zijn senatoren toen overtuigen van een regelmatige scheepvaartverbinding tussen België en het Verre Oosten. “Il suffit d’oser pour réussir”, was zijn one-liner toen[30]. Die blinde doelgerichtheid was eigen aan de jonge hertog van Brabant. Naarmate hij de oppositie van zijn onderdanen doorheen de jaren beter ging begrijpen, ging hij zijn tactieken verfijnen. De kern van zijn koloniale ideologie was echter nog onbedekt bij de jonge Leopold: het vormde een simpele economische doctrine. Het industriële België, ingesloten tussen de klassieke Europese grootmachten, had dringend nood aan een externe veilige afzetmarkt, om de verdere groei op lange termijn te verzekeren. “De tous les débouchés, le plus sûr et le plus stable, aussi bien pour les produits que pour les capitaux, est évidemment celui d’une colonie[31].” In die zin bleef Leopold II steken in een traditioneel protectionisme, waarbij het ideaal van vrijhandel enkel de internationale erkenning van Congo-Vrijstaat door de andere grootmachten kon bewerkstelligen. Als men echt zeker wou spelen, moet het kleine neutrale België zichzelf een eigen kolonie zoeken, moet Leopold gedacht hebben. Steunen op de vrije en open overzeese nederzettingen van andere landen, wat het economische liberalisme eigenlijk nastreefde, was dan ook uit den boze in zijn ideologie.
De psychologie van Leopold II verklaart ook zijn gedrevenheid en koppigheid in zijn koloniale projecten. Zijn kindertijd en jeugd waren volgens Barbara Emerson gekenmerkt door een gebrek aan affectie, wat de huidige bronnen niet altijd lijken te bevestigen. Al vroeg werd hij zich bewust van zijn latere taak: het koningschap[32]. In 1848 moet het de dertienjarige kroonprins duidelijk zijn geworden dat dit geen werkzeker beroep was: zijn grootvader, koning Louis-Philippe van Frankrijk, verloor de troon en week uit naar Groot-Brittannië. Het is niet uitgesloten dat de jonge hertog van Brabant tot de conclusie kwam dat zijn persoonlijk lot verbonden was met de binnenlandse rust en vrede. Het land onderging tijdens zijn regering de tweede en derde golf van industrialisatie, wat ook sociale onrust én het socialisme deed ontstaan. Opnieuw ontstond er in Europa langzaam maar zeker een revolutionair klimaat, dat het keizerlijke gezag in Frankrijk aantastte. Uiteindelijk verdween Napoleon III van het Europese toneel, waarbij Leopold II ongetwijfeld een zucht van verlichting slaakte. Toch hield opnieuw een mogelijke dynastie op met bestaan, niet alleen door toedoen van de mogendheden, want ook het volk had tijdens de Communeopstand haar keizer definitief de deur gewezen. Leopold II, van wie de diepste gedachten niet werden toevertrouwd aan de resterende archieven, moet zich bewust zijn geweest dat hij het Belgische volk moest dienen. Een kolonie kon hierbij economische en demografische rust verzekeren, wat zijn eigen persoon dus enkel maar ten goede zou komen.
Op de interne strubbelingen, ten gevolge van de bijna voortdurende strijd tussen katholieken en liberalen, had de nieuwbakken koning weinig greep door de vooruitstrevende Belgische Grondwet. In de praktijk had Leopold II nog een relatief onafhankelijke macht in de dossiers van landsverdediging en buitenlandse politiek. In die twee domeinen hing sinds het verdrag van de XXIV Artikelen uit 1839 een sfeer van frustratie omdat België territoriaal het onderspit had moeten delven in ruil voor de definitieve consolidatie van haar onafhankelijkheid. De gebieden van het Groothertogdom Luxemburg en Nederlands Limburg werden voorgoed geamputeerd van het Belgische grondgebied, en dit trauma[33] veroorzaakte bij sommige ambitieuze diplomaten een vorm van naijver om de verloren grondgebieden te compenseren. Zo probeerde Leopold II door middel van officiële en persoonlijke diplomatie het Groothertogdom Luxemburg in 1866 opnieuw te annexeren[34]. De nooit aflatende houding die Leopold II tijdens zijn zoektocht naar een Belgische kolonie ten toon spreidde, kan dus geïnterpreteerd worden als een vorm van onbegrensd uithoudingsvermogen omwille van persoonlijke en patriottische motieven.
De koloniale ideologie van de leidende supermacht Groot-Brittannië
Gedurende de negentiende eeuw domineerde de Britse zeenatie met verve de koloniale markten en de wereldhandel. De Industriële Revolutie stuwde de Britten ver het buitenland in, om in de noden en behoeften van hun exponentieel groeiende economie te voorzien. Vele niet-Britse koloniale ideologieën van die tijd spiegelden zich bijgevolg aan de Britse manier van werken, zodat het van belang is om ook in deze inleiding ook even kort stil te staan bij hun leidende koloniale theorie, om een kader te scheppen voor de Belgische koloniale ideeën.
In de historiografie wordt al langer gewezen op het belangrijke onderscheid tussen het ‘formal empire’ en het ‘informal empire.’ De koloniale geannexeerde gebieden, die op de Britse standaardkaarten steeds met een rode kleur werden aangeduid, vormden het formele koloniale Britse Empire. Dit geheel aan Britse protectoraten en koloniën omvatten op hun hoogtepunt ongeveer een kwart van de aardbodem en van de totale wereldbevolking[35]. In vergelijking met het informele rijk, waar een zachtere vorm van koloniseren werd gehanteerd door bijvoorbeeld het afsluiten van handelsverdragen met de lokale bevolking, vormde het echte geannexeerde gebied slechts het topje van de ijsberg[36]. In totaal hadden de Britse overzeese handel en investeringen tegen 1880 alleen al ongeveer tweeduizend miljoen pond verzameld in het buitenland[37].
Het informele gebied en het formele Empire vormden samen de speeltuin bij uitstek van het zogenaamde imperialisme van de Victorianen dat hoogtij vierde op het eind van de negentiende eeuw. De term ‘imperialisme’ werd in 1902 door J.A. Hobson ingevoerd als “the recent expansion of Great-Britain and the chief continental Powers”, waarbij hij onder expansie het feit verstond dat “over the last thirty years a number of European nations, Great Britain being first and foremost, have annexed or otherwise asserted political sway over vast portions of Africa and Asia, and over numerous islands in the Pacific and elsewhere[38].” De definitie van Hobson beperkte ‘imperialisme’ tot de expansie van politiek gezag tussen 1870 en 1900 door het formaliseren van het koloniale rijk, en verklaarde haar door de vrees voor een structurele overproductie in het moederland in de financiële kringen van de City Banks. Andere groepen, zoals militairen en missionarissen, hadden volgens Hobson de wil tot politieke expansie overgenomen en voorzien van nieuwe argumenten[39]. Zijn concept van imperialisme ging dus enkel op voor het formele Empire in die periode. Het stond bovendien volgens Hobson haaks op de periode van het economische liberalisme, waarin de vrije onderneming primeerde.
Jack Gallagher en Ronald Robinson haalden echter uit naar de simplistische theorie van Hobson. In hun befaamd artikel “The imperialism of the free trade” wezen ze op de grotere complexiteit van de historische realiteit en concludeerden ze dat de mid-Victoriaanse bloeiperiode van de vrijhandel weinig verschilde in haar doelstellingen met die van het laat-Victoriaanse imperialisme[40]. “Although doubts grew as the century went on, most Victorians clung on the gospels of restricted government and free trade[41].” De bloeiperiode van het economische liberalisme, die een omvangrijk informeel koloniaal rijk had gesticht, moest naar het einde van de negentiende eeuw verlaten worden wegens verscheidene muiterijen en politieke vacua. De Britse politieke macht zocht stabilisatie door strategische economieën te formaliseren en in hun rijk onder te brengen, wat door Hobson onder de noemer van imperialisme werd gebracht. Tegelijk bouwde zich een onderstroom op, die een teveel aan formele kolonies en protectoraten wou vermijden omwille van de militaire, financiële en sociale last. In wezen bleef de Britse koloniale theorie echter gedurende de ganse negentiende eeuw zoveel mogelijk gebruik maken van het economische liberalisme:
“The aims of Mid-Victorians were no more anti-imperialist than their successors, though they were more often able to achieve them informally; and the late-Victorians were no more imperialist than their predecessors, even though they were driven to annex more often. British policy followed the principle of extending control informally if possible and formally if necessary. … The usual summing up of the policy of the free trade empire as ‘trade not rule’ should read ‘trade with informal control if possible; trade with rule if necessary.”[42]
Andere koloniale ideologieën?
Aan het begin van dit onderzoek is er een selectie gemaakt onder de personages die zich regelmatig aan het koninklijke hof ophielden op basis van de biografieën van Ascherson, Emerson en Hochschild. De onderstaande vijftien personen werden onder de loep gehouden, en er werd onderzocht hoe ze betrokken raakten in het koloniale verhaal van Leopold II, welke rol ze daarin speelden en hoe ze zelf over (Belgisch) kolonialisme dachten.
|
|
Voornaam |
Familienaam |
Belangrijkste functie |
Levensjaren |
|
1. |
Emile |
Banning |
Archivaris Ministerie Buitenlandse Zaken |
1836-1898 |
|
2. |
Eugène |
Beyens |
Diplomaat |
1816-1894 |
|
3. |
Eugène jr. |
Beyens |
Diplomaat en minister van Buitenlandse Zaken |
1855-1934 |
|
4. |
Hénri-Alexis |
Brialmont |
Generaal, Volksvertegenwoordiger, militair architect |
1821-1903 |
|
5. |
Félix |
Chazal |
Generaal en minister van Oorlog |
1808-1892 |
|
6. |
Jules |
Devaux |
Kabinetschef van de Koning |
1828-1886 |
|
7. |
Adrien |
d'Oultremont |
Volksvertegenwoordiger, militair en hoffunctionaris |
1843-1907 |
|
8. |
Adrien |
Goffinet |
Privé-secretaris van de Hertog van Brabant |
1812-1886 |
|
9. |
Auguste |
Goffinet |
Secretaris van de Bevelen van de Koning en Koningin |
1857-1927 |
|
10. |
Constant |
Goffinet |
Intendant van de Civiele Lijst van de Koning |
1857-1931 |
|
11. |
Jules |
Greindl |
Diplomaat |
1835-1917 |
|
12. |
Auguste |
Lambermont |
Secretaris-Generaal Ministerie van Buitenlandse Zaken |
1819-1905 |
|
13. |
Maximilien |
Strauch |
Administrateur-generaal Onafhankelijke Kongostaat |
1829-1911 |
|
14. |
Edmond |
van Eetvelde |
Staatssecretaris Onafhankelijke Kongostaat |
1852-1925 |
|
15. |
Jules |
Van Praet |
Minister van het Huis van de Koning |
1806-1887 |
De keuze voor deze groep van vijftien man werd gedistilleerd uit de vele biografieën over Leopold II, waarin ze als belangrijke personages werden voorgesteld. Ofwel werden ze vermeld met betrekking tot de (koloniale) ideologie van Leopold toen hij nog hertog van Brabant was ofwel vervulden ze een actieve en al dan niet nuttige functie in de zoektocht naar een kolonie tijdens zijn koningschap. Over hun inbreng in de koloniale geschiedenis werd nog nooit een collectieve studie geschreven, wat de bedoeling is van dit onderzoek.
Alle vijftien heren hebben zich ofwel steeds in Brussel, in de buurt van de koning opgehouden, of hebben als Belgisch ambassadeur in Europa de koloniale politiek van Leopold II gesteund of gepromoot. Geen enkele van hen heeft dus deelgenomen aan de uitvoering van een koloniaal project ter plaatse. Sommige onder hen bleken geen noemenswaardige koloniale ideeën te hebben, waardoor ze uit de boot vielen[43].
In tijd werd het onderzoek afgebakend tussen 1855 en 1892, waarna een breuklijn duidelijk werd en de meeste van de eerste en tweede generatie adviseurs definitief van het koloniale strijdperk verdwenen. Sommigen, waaronder Emile Banning, leefden voortaan in diepe onmin met hun vorst. Veel heeft natuurlijk te maken met de wending van Leopold II in zijn Congopolitiek, wanneer hij na 1892 door de rubberhausse zijn kans schoon ziet om zijn vele investeringen eindelijk te doen renderen, helaas ten koste van de lokale bevolking. De breuklijn van 1892 is echter niet onomkeerbaar, omdat getracht werd de verhalen van de adviseurs ook coherent te vertellen. Hun houding na 1892 kan interessant zijn om hun verhouding voor de breuk beter te begrijpen.
Baron Auguste Lambermont compliceerde eveneens het onderzoek. In 1902, drie jaar voor zijn dood, stelde hij de agenda voor het historisch onderzoek naar zijn persoon voor: “Ceux qui voudront connaître ma pensée, pourront toujours le faire: il leur suffira de consulter mon oeuvre[44].” Lambermont heeft drieënzestig jaar lang een Spartaanse levensstijl gehanteerd in het Ministerie van Buitenlandse Zaken, van maandag tot zaterdag, van het krieken van de dag tot bijna middernacht[45]. Het archiefmateriaal van Lambermont was dan ook zeer rijk en uitgebreid, te uitgebreid voor deze licentiaatsverhandeling. Aan hem is toch een hoofdstuk van deze verhandeling gewijd, waarin vooral een synthese werd gemaakt van de voor handen zijnde literatuur over de spilfiguur van de Belgische diplomatie in de negentiende eeuw.
Vijf persoonlijke archieven werden doorzeefd op zoek naar een onthullend memorandum of een brief, die de persoonlijke koloniale gedachten blootlegde. De papieren van Emile Banning, Jules Greindl, Maximilien Strauch, generaal Chazal en Edmond van Eetvelde kwamen op deze manier onder de loep van het onderzoek terecht. De correspondentie met Leopold II of de redactie van een officieel artikel of rapport brachten steeds veel minder bruikbare informatie op, omdat er niet oprecht gecommuniceerd werd. Vertrouwelijke memoranda en onderlinge correspondentie tussen de adviseurs bevatten echter een schat van informatie over het leven achter de schermen van het officiële discours. Een zorgvuldige en tijdrovende zoektocht tussen de beslommeringen van elke dag die bewaard zijn gebleven in duizenden brieven leverde soms kleine opmerkingen op, die een beeld kunnen vormen van de ideeën van de koninklijke adviseurs.
Het Archief van het Koninklijk Paleis bevat veel gelijkaardige informatie. Officiële en zelfs vertrouwelijke brieven bevatten weinig confidentiële gegevens over de achterliggende koloniale ideologieën van adviseurs, maar ze gunnen de archiefbezoeker wel een blik achter de schermen van de werking in het Koninklijk Paleis toen. Een andere bron van het reilen en zeilen is er ook nog het archief Goffinet, een collectie brieven en dagboeken, dat in 1983 ontdekt werd door slooparbeiders in een kelder van een Henegouws kasteel[46]. Oorspronkelijk werd gehoopt om in de briefwisseling tussen de leden van de familie Goffinet en Leopold II een spoor te vinden van de koloniale ideeën van de Luxemburgse familie, maar dit moest al gauw worden bijgesteld omdat dit een zoektocht naar een naald in een hooiberg zou betekenen. De koloniale aspiraties van de familie Goffinet werd bijgevolg niet expliciet onderzocht.
Het Archief van het Ministerie van het Buitenlandse Zaken is niet behandeld, enerzijds wegens tijdsgebrek, anderzijds omdat er vanuit werd gegaan dat de belangrijkste documenten al uitgegeven zijn, door onder andere Auguste Roeykens. Deze kapucijnerminderbroeder, die tijdens de laatste jaren van het Belgische kolonialisme een missiefunctie uitoefende in Congo, gaf een reeks studies uit, die hij baseerde op zijn bronnenonderzoek tijdens zijn verlof in België. Vele van die bronnen gaf hij op die manier ook uit. Hoewel Roeykens zelf overtuigd bleef van het “ontegensprekelijke genie” van Leopold II, zijn zijn gedachtegangen toch interessant gebleken. Vaak bracht hij ook het relaas van de Belgische medespelers in het ontkiemende koloniale verhaal in Congo. Onder andere passeren baron Lambermont, Emile Banning, Henri Brialmont of Jules Greindl regelmatig de revue in zijn minutieuze studies.
Sommige biografieën van adviseurs behandelen al dan niet expliciet hun koloniale ideologie. Dat is het geval bij de vele publicaties over en van de historicus Emile Banning, van wie het rechtstreekse aandeel in de start van het Congolese avontuur het onderwerp is geweest van een reeks speculaties[47]. Banning heeft zelf een resem memoires nagelaten, die allen in het laatste decennium van de negentiende eeuw geschreven zijn. De verbittering en de ontgoocheling in de koloniale politiek van Leopold II na 1892 klinkt er vaak zo zwaar door, dat er veel vraagtekens gezet mogen worden bij de oprechtheid en de correctheid ervan[48]. Ook de enkele biografieën van Auguste Lambermont behandelen indirect de koloniale ideologie van hun personage[49]. Over deze personages, Banning en Lambermont, werden er reeds in een grijs verleden een aantal dissertaties geschreven[50].
De vele publicaties over Henri-Alexis Brialmont belichten vooral de militaire carrière van deze generaal, die op geen enkel slagveld gestreden heeft, maar vooral een internationale reputatie in militaire architectuur heeft opgebouwd[51]. Vader en zoon Beyens hebben zelf hun plaats in de geschiedenis bewaard door enkele memoires te schrijven over respectievelijk hun leven als Belgisch diplomaat in het Tweede Franse Keizerrijk en als Belgisch minister van Buitenlandse Zaken tijdens de Eerste Wereldoorlog. Over hun koloniale ideeën hebben ze weinig tot niets gepubliceerd[52].
Over andere personages bestaat er weinig tot geen informatie met betrekking tot hun koloniale visie. In het geval van Jules Greindl is recentelijk nog een verhandeling geschreven, waarbij vooral zijn jonge carrière tot 1870 werd belicht [53]. Van generaal Chazal bestond er eveneens nog geen helder relaas over zijn koloniale ideeën, behalve een kort artikel over de correspondentie waarin vooral Leopold, hertog van Brabant, zijn koloniale ideologie voorstelt aan de geadresseerde, generaal Chazal[54]. De andere militair van het gezelschap, kolonel Maximilien Strauch, was zelfs niets meer dan een archivalisch artikel waardig bevonden[55]. Ook Edmond van Eetvelde heeft nog geen volwaardige biografie verkregen in de huidige historiografie[56].
De Goffinets zijn pas recentelijk opgedoken in de historiografie door de ontdekking van hun archief[57]. Hoewel ze instonden voor het beheer van het financiële apparaat van Leopold II, heeft het onderzoek vooralsnog niets opgeleverd over hun koloniale motieven. Opmerkelijk is wel hun grote trouw en loyauteit aan de Belgische vorsten: hun familie was werkzaam onder Leopold I, Leopold II, Albert I en de prins-regent Karel[58]. Adrien Goffinet vezamelde een grote collectie aan koloniale informatie in wisselwerking met zijn neef Jules Lejeune, minister van Justitie, en Henri-Alexis Brialmont[59].
Jules Van Praet was de kabinetschef van Leopold I en Leopold II. Op 6 januari 1866 kreeg hij in die functie het gezelschap van zijn neef Jules Devaux[60]. De correspondentie van Van Praet, nochtans zelf historicus en archivaris, werd kort na zijn dood door zijn erfgenamen verbrand. Zijn vraag tot discretie hebben ze nogal letterlijk opgevat[61]. Hij heeft ons evenmin memoires achtergelaten, maar de nagedachtenis bleef verder bestaan onder historici wegens zijn belangrijke invloed in de politiek van het prille België[62]. In de weinige publicaties die over hem bestaan, werd daarom een poging gedaan om iets uit te vissen over zijn houding ten opzichte van kolonialisme. Over zijn neef en opvolger, Jules Devaux, werd er tot dus ver nog veel minder gepubliceerd. Uit de andere publicaties en archieven trachtte deze verhandeling toch een beeld van zijn koloniale ideeën te schetsen.
De meest recente biografieën van Leopold II zijn zelden geschreven door Belgen, maar komen steevast - zoals hoger aangehaald - uit de Angelsaksische wereld. De adviseurs en medewerkers van de vorst worden er dikwijls vermeld, meestal in enkele kleine zinnen of alinea’s. Slechts zeer zelden gaat de auteur in op de koloniale ideeën van de betrokken personen. Bovendien wordt er slechts sporadisch een beeld geschetst over wat de entourage denkt over haar koning, waarschijnlijk omdat de Angelsaksische auteurs archief- en leeswerk in België steeds toespitsen op Leopold II zelf.
Opvallend weinig monografieën behandelen het ontstaan van het Belgische kolonialisme of de stichting van de Onafhankelijke Kongostaat. In 1933 verscheen in Brussel een werk door de Amerikaanse professor Robert Stanley Thomson, dat door zijn volledigheid en verfijndheid tot in 2005 als een standaardwerk voor het ontstaan van de Afrikaanse staat van Leopold II kan gelden[63]. De Franse tekst, die een vertaling en bewerking is van de oorspronkelijke Engelstalige uitgave in New York, geeft een chronologisch overzicht van de verschillende stadia en obstakels die Leopold II heeft overwonnen. De invloeden en daden van de belangrijkste koloniale adviseurs – zoals een Banning, Brialmont, Greindl, Lambermont of Strauch – werden dikwijls bondig aangehaald. Dirk Foeken schreef in 1985 een Nederlandstalige studie over het ontstaan van Kongo Vrijstaat, dat als een verkorte en vlottere monografie over de koloniale politiek van Leopold II in Afrika geldt[64].
De academische wereld beschouwde kennelijk lange tijd studies betreffende de invloed van adviseurs op het Belgische koningschap als het historische beroep onwaardig. Het was de Waalse auteur Jo Gérard die in 1982 een eerste boek uitgaf over “les éminences grises de Laeken[65].” Nochtans speelde dat type personages, in de marge van de bekendheid bij de media en het grote publiek, een belangrijke rol in de politieke en diplomatieke Belgische geschiedenis door hun ervaring en invloed op een soms machteloze of jonge vorst. Het recentere boek van Gui Polspoel en Pol Van den Driessche over de kabinetschef van de koningen Boudewijn en Albert II, Jacques van Ypersele de Strihou, bewijst misschien een tendens om de instellingen en personages uit Laken en Brussel meer uit de donkere en onbekende kant van het historische geheugen te halen[66].
Deze verhandeling beoogt een dubbel ontsluierend doel: enerzijds wil ze de vergeten oorsprongsfase van het Belgische kolonialisme heroprakelen en beter begrijpen, en anderzijds wil ze de bereidheid van de koninklijke adviseurs om in het risicovolle project te stappen ontwaren. Hoe stonden de medewerkers van Leopold II ten opzichte van de vele koloniale dromen van hun chef: afkerig, neutraal of loyaal? Meer dan een eeuw later probeert deze ietwat heterogene uiteenzetting het koloniale onderwerp objectief te begrijpen vanuit een Belgisch koninklijk standpunt zonder voorafgaand een diaboliserend perspectief ten opzichte van Leopold II in te nemen. Op die manier past ze eveneens in twee onderwerpen, waarvoor de Belgische historiografie langzaamaan een hernieuwde interesse heeft gevonden: de binnenkant van de paleismuren en het kolonialisme van Leopold II.
3. Familiale en vriendschappelijke banden onder een dynastie
Instellingen van het Hof
Achter de muren van het Paleis bevonden zich steeds een resem instellingen, de ‘Maisons Royaux’, die exclusief de Belgische monarchie dienden. Ze zijn gewoonterechterlijk gegroeid en de leden ervan hebben dan ook geen enkele politieke verantwoordelijkheid. In 1854 konden de negentienjarige Leopold en zijn jonge vrouw Marie-Henriette rekenen op de steun van een achttal heren en hofdames in het zogenaamde ‘Huis van Zijn Koninklijke Hoogheden de Hertog en Hertogin van Brabant.’ Dat huis werd gecreëerd na hun huwelijk op 22 augustus 1853. Adrien Goffinet functioneerde hierin als schatkistbewaarder en secretaris. De jonge Leopold kreeg toen ook al een Militair Huis onder zijn hoede, waarin Adrien Goffinet eveneens een ambt uitoefende als ordonnansofficier[67].
De instellingen waarop een koning beroep kon doen waren natuurlijk uitgebreider en verfijnder. Toen Leopold in december 1865 de troon besteeg, kreeg hij een uitgebreid personeelsbestand ter beschikking, waarbij steeds een onderscheid werd gemaakt tussen een Civiel Huis en een Militair Huis. Het ‘Maison Civile du Roi’ huisvestte de grootmaarschalk van het Hof, het kabinet van de Koning, de Civiele Lijst en de koninklijke diensten[68]. De grootmaarschalk en zijn adjuncten regelden het optreden van de koning in binnen- en buitenland, maar hielden zich niet bezig met politieke materies. Die bevoegdheid kwam het kabinet van de koning toe, onder leiding van de kabinetschef van de koning. Jules Van Praet en zijn neef Jules Devaux[69] hebben beide vanuit deze betrekking een grote invloed kunnen uitoefenen op de eerste twee koningen van België. Binnen het kabinet van de Koning bestond er eveneens een secretariaat van de Koning die het kabinet vooral in haar briefwisseling wat kon ontlasten. Zo werd Adrien Goffinet in een huisbesluit van 15 februari 1866 aangesteld om binnen het kabinet van de Koning als Secretaris van Bevelen van de Koning en Koningin alle niet-politieke briefwisseling af te handelen[70].
Het beheer van het publiek vermogen van de vorst was toevertrouwd aan de Civiele Lijst. Constant Goffinet was van 1885 tot 1909 Intendant van de Civiele Lijst, waardoor hij net als zijn vader Adrien Goffinet, Jules Van Praet en Jules Devaux een sleutelfunctie bekleedde in de Koninklijke Huizen. De koninklijke diensten vervulden culturele, medische, logistieke en andere taken aan het Hof[71]. Ook de koningin had haar eigen ‘Maison de la Reine’, waarin Adrien Goffinet een tijdje werkzaam was. De broer van Leopold II, Filips graaf van Vlaanderen, beschikte niet over zo’n instelling maar wel over ‘losse’ officieren[72].
Het Militair Huis van de Koning stond in voor de militaire of representatieve functies onder leiding van het Hoofd van het Militaire Huis van de Koning, sinds 1831 steevast een militair met graad van generaal. Hij werd bijgestaan door ordonnansofficieren, die volgens een beurtrol de koning steeds ten dienste stonden, en vleugeladjudanten die de afwezige koning op belangrijke plechtigheden vertegenwoordigden[73].
Naast het intendantschap van de Civiele Lijst moest ook nog het private fortuin van de vorsten beheerd worden. Dat gebeurde in het zogenaamde Privé-domein van de Koning. In 1866 werd Adrien Goffinet met deze functie belast, en later werd zijn bevoegdheid uitgebreid met het bestuur van het fortuin van Charlotte, de zus van Leopold II en ex-keizerin van Mexico. Vanaf 1881 werd het financiële beleid niet meer gevoerd door Adrien Goffinet, maar door zijn identieke tweelingzonen Auguste en Constant. Het private vermogen werd in twee delen gesplitst, het ‘Fonds africain spécial’ en het private en erfelijke fortuin. Het Mexicaans kapitaal van Charlotte bleef onder de hoede van de trouwe vader Adrien Goffinet, de Afrikaanse waardepapieren aan toonder viel onder de zorgen van Auguste en het echte privé-fortuin van de koning onder de verantwoordelijkheid van zijn broer. Constant Goffinet zou op die manier dé financiële medewerker worden van Leopold II als beheerder van diens privé-fortuin vanaf 1881, intendant van de Civiele Lijst vanaf 1885 en beheerder van de Stichting Niederfüllbach vanaf 1900[74].
Tijdens de ontwikkelingen van het koloniale verhaal in Afrika zou Leopold II zelf nieuwe instellingen en maatschappijen stichten. Na de Geografische Conferentie van Brussel in 1876 - die inclusief het logement van de gasten volledig plaatsvond in het Paleis zelf - werd de Association Internationale Africaine (AIA) gesticht. De diplomaat Jules Greindl bekleedde het ambt van secretaris-generaal van 1876 tot 1878, toen hij vervangen werd door Maximilien Strauch. Kort daarna werd deze militair ook voorzitter van het