‘All the King’s Men’ Een zoektocht naar de koloniale ideeën van enkele adviseurs en “handlangers” van Leopold II (1853-1892). (Hannes Vanhauwaert)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

2. Inleiding

 

Een historiografisch beeld van Leopold II (1835-1909)

 

De figuur van Leopold II stond de jongste jaren regelmatig opnieuw in de belangstelling. De Britse televisiedocumentaire White king, red rubber, black death deed zelfs politiek stof opwaaien in het Belgisch Ministerie van Buitenlandse Zaken[2]. De plotse kortstondige herrijzenis van Leopolds standbeeld in het straatbeeld van Kinshasa ging op geen enkele nieuwsredactie onopgemerkt voorbij[3], net als de “actualisering” van het Museum voor Midden-Afrika in Tervuren[4]. De onlangs opgestarte zoektocht naar de ‘Grootste Belg’ door de dagbladen, de radio en het publiek bracht de vorst opnieuw helemaal op de voorgrond. Het weekblad ‘Humo’ zette een reeks op om haar lezers in sneltempo te doen kennismaken met de flamboyante koning en de discussies die hij vandaag nog oproept. De interviews met de verschillende biografen van Leopold II gaven de lezer duidelijk blijk van de onzekerheid en de vele speculaties van het historisch onderzoek in de koloniale materie[5].

Leopold II blijft de meest omstreden Belgische koning omdat de gevolgen van zijn koloniale avonturen door sommigen ‘op genocidale schaal’ afgemeten worden[6]. Naar het precieze aantal doden blijft men gissen, maar de schattingen variëren heel sterk. De Encyclopedia Brittanica schiet de hoofdvogel af met een terugloop van twintig à dertig miljoen tot acht miljoen[7], maar de Britse encyclopedie baseerde zich voor deze overdreven cijfers wellicht op de subjectieve literatuur die al te graag met pakkende en dramatische verhalen uit de hoek komt. De Belgisch-Amerikaanse antropoloog Jan Vansina hield het op een demografische terugloop van de helft, wat in cijfers moeilijk te berekenen viel[8]. Dat is net het probleem dat dit stukje geschiedenis hypothekeert: “On ne dispose des chiffres de la population congolaise ni avant nu après le régime de caoutchouc. Alors, on peut dire que deux tiers des gens ont disparu … ou 10 %. Tout ceci est incontrôlable”, zei Jean Stengers in 1998[9]. Ook het vraagstuk in hoeverre Leopold II zelf bewust en met voorbedachten rade schuldig is aan die terugloop blijft wachten op een éénduidig antwoord.

Het zijn vooral niet-historici die het gruwelijke beeld van de afgehakte handen in het middelpunt van de belangstelling gezet hebben. Elk academisch boek dat de ethische en morele draagkracht van de Congolese genocide zou kunnen ondermijnen, wordt dan ook als een vergoelijkend en verfoeilijk werk onthaald, hoewel de auteur waarschijnlijk gewoon op zoek wil gaan naar een wetenschappelijke verklaring van het gruwelijke gebeuren. Een degelijke historische verklaring, die de sensatie niet opzoekt, zal ongetwijfeld ook “verzachtende omstandigheden” voor “de schuldvraag” inhouden.

Mede daarom kent Leopold II vele gezichten in de literatuur. In de erudiete biografie van Barbara Emerson[10], wordt een Leopold getoond, die sinds zijn kindertijd in een eigen wereld vol idealisme en patriottisme leefde. Pater Auguste Roeykens, die als tijdverdrijf in zijn Congolese missieposten talloze nuttige historische werken schreef over Leopold II, al was het maar omwille van de vele bronnen die hij uitgaf, bestempelde Leopold steevast als een verlicht genie[11]. De Leidse professor Henk Wesseling, een expert in koloniale geschiedenis, schetste Leopold II dit jaar in de pers af als een zeerover of maffialeider[12].

In de historiografie bestaat, grof geschetst, een duidelijke evolutie in de invalshoeken om Leopold II te typeren. Aanvankelijk verdwenen de gruweldaden in Congo door toedoen van Belgische propagandisten in de doofpot, en werd de tweede Belgische vorst als een verlichtend genie, dat eindelijk beschaving in het Afrikaanse oerwoud bracht, bestempeld. De kritiek die echter al bestond in de Angelsaksische landen tijdens het bloedige regime van Leopold II wordt nu verdergezet in historische werken, die de polemiek en sensatie – tot zelfs mystificatie in een pejoratieve betekenis – opzoeken. Het bekendste en meest succesrijke voorbeeld is wellicht het werk van Adam Hochschild[13]. Een ander voorbeeld is het recentere werk van Martin Ewans[14].

De gruweldaden van Leopold II zijn pas zeer geleidelijk na de dekolonisatie van 1960 het vertrekpunt geweest van Belgische studies. Opvallend daarbij is dat academische historici relatief weinig betrokken geweest zijn bij dat onderzoek. Het gaat wel om onder andere antropoloog Daniel Vangroenweghe[15], of de historicus en gewezen diplomaat Jules Marchal, verbijsterd over het grote vergeten van een moeilijk verleden[16]. De enige academische historici die zich in de koloniale politiek van de tweede Belgische vorst hebben gespecialiseerd, zijn de onlangs overleden professor Jean Stengers[17] en Jean-Marc Vellut[18].

In de historiografie rond Leopold II wordt ook vandaag nog een pingpongspelletje gespeeld tussen de academische (Belgische) historici en de buitenstaanders. De eersten wordt vaak verweten dat ze de schuldvraag afwimpelen, door een soort van heilig bronnenideaal na te streven. De strekking van een ‘positivistisch academisme’ wordt laatdunkend onthaald met Jean Stengers en Jean-Luc Vellut als kop van jut. Deze professoren, die zich terecht hechten aan de (helaas verdwenen) bronnen, distantiëren zich op hun beurt van werken zoals die van Daniel Vangroenweghe en Adam Hochschild. Op die manier lijkt er een langdurige twist in de maak die het (academisch onderzoek) naar Leopold II verlamt. Het creëert bovendien een vorm van koudwatervrees bij de historici om de resultaten van het echte fundamentele historische onderzoek kenbaar te maken bij het grote publiek. Die koudwatervrees, die vroeger voortkwam uit een volgens Marc Reynebeau misplaatste eerbied voor het verleden of een angst voor controverse, lijkt recentelijk doorbroken te worden[19].

Op woensdag 9 maart 2005 stond op de website van BBC News een kort artikel over de opening van het vernieuwde Koloniaal museum voor Midden-Afrika onder de titel ‘Belgians confront colonial past[20].’ De Angelsaksische wereld begrijpt allesbehalve de amnesie die deel uitmaakt van het collectieve bewustzijn van de Belgen, aangezien het Britse nationale geheugen al een eeuw op de hoogte was van de koloniale wantoestanden. Het nodige historische en archivalische materiaal is nochtans aanwezig, zij het sterk verspreid over verschillende instellingen.

 

 

De patriottische ideologie van Leopold II

 

Deze verhandeling heeft niet Leopold II tot onderzoeksvoorwerp, maar de ‘maffiosi’ die naar de pijpen van Leopold II dansten, als de vergelijking van professor Henk Wesseling tenminste verder getrokken wordt. Toch is een schets van de koloniale ideologie van de koning onontbeerlijk om het verhaal van zijn raadgevers te ontsluieren. Een vergelijking met de koloniale ideologie van Leopold II zal zich geregeld opdringen, om de kleine maar betekenisvolle verschillen te kunnen blootleggen.

Deze verhandeling vertrekt niet van een gediaboliseerd beeld van Leopold II als bewuste massamoordenaar van de Congolese bevolking, omdat hoofdzakelijk de periode voor de gruweldaden wordt behandeld. Dat was de tijd van de grote idealen, en van het langzaam en sluipend opbouwen van een koloniale staat. De ideeën rijpten vooral vóór zijn koningschap vanaf 1865, toen hij nog als kroonprins en hertog van Brabant door Europa reisde om kennis te verzamelen. Pas na 1865 kon Leopold II zijn droom waarmaken dankzij zijn internationaal prestige als koning van een neutraal land. De morele schuldvraag over de genocidale gevolgen van de bestuurspolitiek stelt zich hier absoluut nog niet, en het zou dus anachronistisch zijn om die te betrekken in deze verhandeling. De dodelijke gevolgen van de dromen van Leopold II zouden zich pas na 1892 voordoen, in een periode die pas op het einde van dit betoog expliciet behandeld wordt.

Belangrijke contacten voor de jonge hertog van Brabant waren ongetwijfeld ook zijn tante en oom, niemand minder dan de Britse koningin Victoria en prins-gemaal Albert van Saksen-Coburg, de broer van Leopold I. Aan het hoofd van het Britse Rijk, in volle koloniale bloei, lieten ze ze zich dikwijls in met de opvoeding en het privé-leven van hun Belgisch neefje. Na de dood van koningin Louise-Marie, was de Britse koningin misschien de enige die de moederrol kon overnemen. Kort na hun huwelijk in 1853 brachten hertog Leopold en hertogin Marie-Henriette een bezoek aan het Engelse hof, waarbij de koningin zich zorgen maakte over het gebrek aan affectie tussen het kersverse paar. Ze zou zelf hebben aangezet tot de effectieve voltrekking van het huwelijk, maar bleef sceptisch over hun huwelijksgeluk[21]. Tussen 1850 en 1860 ontwikkelde er zich bovendien een ‘pennenvriendschap’ tussen Albert en Leopold. Het bezoek van de zestienjarige hertog van Brabant aan de wereldtentoonstelling van Crystal Palace in 1851 wekte ongetwijfeld zijn verbeeldingskracht op over een groots imperialistisch België, het land dat hij binnenkort moest gaan leiden.

Leopold trok er voor zijn koningschap vaak op uit naar verre landen. Hij gebruikte als excuus zijn zwakke gezondheid, die pas zou genezen in een beter klimaat. Zijn eerste grote reis kan nog worden beschouwd als een uitgelopen huwelijksreis. Leopold en Marie-Henriette trokken in 1854 en 1855 naar haar thuis, het Oostenrijkse Hof, en het toen nog Oostenrijkse gebied in Italië met Milaan en Venetië. Onder voorwendsel van een slechte gezondheid verkoos Leopold zijn verblijf in het Zuiden nog wat te verlengen. Leopold bezocht uiteindelijk Griekenland en Kreta en bijna het volledige Ottomaanse Rijk met het Midden-Oosten (Jeruzalem, Beiroet) en Egypte. In Alexandrië werd het koppel begroet door Edouard Blondeel, Belgisch consul in Egypte en al lang vurige en actieve voorstander van een Belgische koloniale politiek. Leopold liet geen enkele twijfel over zijn koloniale dromen: “Si au lieu de parler de neutralité, la Chambre s’occupait de notre commerce, la Belgique deviendrait le plus riche du monde[22].” In 1860 trok Leopold doorheen de Balkan naar Constantinopel, waar hij de sultan bezocht. Vlak voor zijn troonsbestijging in 1864-1865 trok Leopold er voor de laatste maal op uit; vanuit Brussel trok hij via Alexandrië en het nog niet afgewerkte Suez-Kanaal naar Sri Lanka en Brits Indië (met Calcutta en Delhi). Het Verre Oosten had hem al langer in de ban, en nu hoopte hij eindelijk via Maleisië ook China te bezoeken. Op 14 maart 1865 ontscheepte hij in Kanton, maar de slechte gezondheidstoestand van zijn vader dwong hem al na vijf dagen terug naar België af te zakken. De reizen van de jonge Leopold hadden zijn koloniale wens alleen maar versterkt[23].

Na de dood van zijn enige zoon, Leopold, in 1869, stak koning Leopold II al zijn energie in het verwerven van een kolonie. “Après 1869, le désir d’expansion territoriale, qu’il avait caressé pendant toute sa jeunesse, devint sa seule et unique ambition, voire son obsession[24].” Die territoriale expansiedrang heeft zich niet alleen in talloze koloniale plannen en projecten getoond, maar eveneens in verwoede pogingen om het Belgische neutrale koninkrijk te midden van Europa uit te breiden. De ijkpunten in het Afrikaanse koloniale verhaal, dat als enige echt succesvol werd, waren de Geografische Conferentie van Brussel (1876), de Conferentie van Berlijn (1885) en de Antislavernij-Conferentie van Brussel (1889-1890). Tussen de conferenties, waarin de Europese mogendheden deel werden gemaakt van zijn politieke besluitvorming, bracht een geslepen Leopold II zijn lang gekoesterde droom tot een goed einde.

De patriottische ideeën van de koning bevielen zijn onderdanen allesbehalve. Het antikolonialisme was een mentaliteit die vastgeroest zat in het gehele Belgische politieke spectrum in het midden van de negentiende eeuw. Katholieken en liberalen vochten op binnenlands vlak weliswaar scherpe twisten uit, maar op vlak van de buitenlandse handel puurden ze allen hun ideeën uit dezelfde doctrine: het economische liberalisme dat de triomf van de vrijhandel wou bewerkstelligen, en het formele kolonialisme volledig verwierp[25].

Leopold II zou de theorie van de vrijhandel in 1885 misbruiken om de soevereiniteit van zijn Onafhankelijke Kongostaat op de Conferentie van Berlijn te verzekeren. De strategie van een internationale commerciële maatschappij om een kolonie te vrijwaren trachtte hij paradoxaal te verzoenen met het economische liberalisme. “Dès 1855, la pensée du Duc de Brabant semble être fixée au sujet de la forme initiale que doit revêtir toute tentative expansionniste ou coloniale belge: celle d’une société internationale commerciale[26].” Die internationale handelsmaatschappij, die gebaseerd was op het Nederlandse koloniale model, ging in principe niet uit van een overheidsinitiatief maar de facto deelde Leopold II wel steeds de lakens uit in zijn winstgevende protectionistische koloniale maatschappij. In de praktijk van zijn bestuur in Kongo na 1890-1892 zou geen sprake meer zijn van het ideaal van het economische liberalisme uit de jaren 1850 en 1860.

Geografisch heeft Leopold II altijd een voorkeur gehad voor het Verre Oosten. Door de politieke omstandigheden kregen zijn plannen er pas voet aan de grond na de eerste Sino-Japanse oorlog (1894-1895)[27]. Ook Egypte is meermaals het doelwit van zijn koloniale interesse geweest[28]. De Filipijnen[29], de Nieuwe Hebriden, Japanse eilanden, Formosa (het huidige Taiwan), Indonesische eilanden en Zuid-Afrikaanse provincies hebben ook allemaal op Leopold II’s verlanglijstje gestaan. Het verhaal in Congo was de zoveelste poging tot het bemachtigen van nieuwe afzetmarkten, maar bleek het enige succesvolle te worden.

Al deze koloniale pogingen hebben Leopold II dan ook bloed, zweet en tranen gekost. Op 29 december 1855 zette hij zijn zoektocht naar afzetmarkten publiekelijk in met een inspirerende toespraak in de Senaat, waarin hij van rechtswege een zitje had. Hij wou zijn senatoren toen overtuigen van een regelmatige scheepvaartverbinding tussen België en het Verre Oosten. “Il suffit d’oser pour réussir”, was zijn one-liner toen[30]. Die blinde doelgerichtheid was eigen aan de jonge hertog van Brabant. Naarmate hij de oppositie van zijn onderdanen doorheen de jaren beter ging begrijpen, ging hij zijn tactieken verfijnen. De kern van zijn koloniale ideologie was echter nog onbedekt bij de jonge Leopold: het vormde een simpele economische doctrine. Het industriële België, ingesloten tussen de klassieke Europese grootmachten, had dringend nood aan een externe veilige afzetmarkt, om de verdere groei op lange termijn te verzekeren. “De tous les débouchés, le plus sûr et le plus stable, aussi bien pour les produits que pour les capitaux,  est évidemment celui d’une colonie[31].” In die zin bleef Leopold II steken in een traditioneel protectionisme, waarbij het ideaal van vrijhandel enkel de internationale erkenning van Congo-Vrijstaat door de andere grootmachten kon bewerkstelligen. Als men echt zeker wou spelen, moet het kleine neutrale België zichzelf een eigen kolonie zoeken, moet Leopold gedacht hebben. Steunen op de vrije en open overzeese nederzettingen van andere landen, wat het economische liberalisme eigenlijk nastreefde, was dan ook uit den boze in zijn ideologie.

De psychologie van Leopold II verklaart ook zijn gedrevenheid en koppigheid in zijn koloniale projecten. Zijn kindertijd en jeugd waren volgens Barbara Emerson gekenmerkt door een gebrek aan affectie, wat de huidige bronnen niet altijd lijken te bevestigen. Al vroeg werd hij zich bewust van zijn latere taak: het koningschap[32]. In 1848 moet het de dertienjarige kroonprins duidelijk zijn geworden dat dit geen werkzeker beroep was: zijn grootvader, koning Louis-Philippe van Frankrijk, verloor de troon en week uit naar Groot-Brittannië. Het is niet uitgesloten dat de jonge hertog van Brabant tot de conclusie kwam dat zijn persoonlijk lot verbonden was met de binnenlandse rust en vrede. Het land onderging tijdens zijn regering de tweede en derde golf van industrialisatie, wat ook sociale onrust én het socialisme deed ontstaan. Opnieuw ontstond er in Europa langzaam maar zeker een revolutionair klimaat, dat het keizerlijke gezag in Frankrijk aantastte. Uiteindelijk verdween Napoleon III van het Europese toneel, waarbij Leopold II ongetwijfeld een zucht van verlichting slaakte. Toch hield opnieuw een mogelijke dynastie op met bestaan, niet alleen door toedoen van de mogendheden, want ook het volk had tijdens de Communeopstand haar keizer definitief de deur gewezen. Leopold II, van wie de diepste gedachten niet werden toevertrouwd aan de resterende archieven, moet zich bewust zijn geweest dat hij het Belgische volk moest dienen. Een kolonie kon hierbij economische en demografische rust verzekeren, wat zijn eigen persoon dus enkel maar ten goede zou komen.

Op de interne strubbelingen, ten gevolge van de bijna voortdurende strijd tussen katholieken en liberalen, had de nieuwbakken koning weinig greep door de vooruitstrevende Belgische Grondwet. In de praktijk had Leopold II nog een relatief onafhankelijke macht in de dossiers van landsverdediging en buitenlandse politiek. In die twee domeinen hing sinds het verdrag van de XXIV Artikelen uit 1839 een sfeer van frustratie omdat België territoriaal het onderspit had moeten delven in ruil voor de definitieve consolidatie van haar onafhankelijkheid. De gebieden van het Groothertogdom Luxemburg en Nederlands Limburg werden voorgoed geamputeerd van het Belgische grondgebied, en dit trauma[33] veroorzaakte bij sommige ambitieuze diplomaten een vorm van naijver om de verloren grondgebieden te compenseren. Zo probeerde Leopold II door middel van officiële en persoonlijke diplomatie het Groothertogdom Luxemburg in 1866 opnieuw te annexeren[34]. De nooit aflatende houding die Leopold II tijdens zijn zoektocht naar een Belgische kolonie ten toon spreidde, kan dus geïnterpreteerd worden als een vorm van onbegrensd uithoudingsvermogen omwille van persoonlijke en patriottische motieven.

 

 

De koloniale ideologie van de leidende supermacht Groot-Brittannië

 

Gedurende de negentiende eeuw domineerde de Britse zeenatie met verve de koloniale markten en de wereldhandel. De Industriële Revolutie stuwde de Britten ver het buitenland in, om in de noden en behoeften van hun exponentieel groeiende economie te voorzien. Vele niet-Britse koloniale ideologieën van die tijd spiegelden zich bijgevolg aan de Britse manier van werken, zodat het van belang is om ook in deze inleiding ook even kort stil te staan bij hun leidende koloniale theorie, om een kader te scheppen voor de Belgische koloniale ideeën.

In de historiografie wordt al langer gewezen op het belangrijke onderscheid tussen het ‘formal empire’ en het ‘informal empire.’ De koloniale geannexeerde gebieden, die op de Britse standaardkaarten steeds met een rode kleur werden aangeduid, vormden het formele koloniale Britse Empire. Dit geheel aan Britse protectoraten en koloniën omvatten op hun hoogtepunt ongeveer een kwart van de aardbodem en van de totale wereldbevolking[35]. In vergelijking met het informele rijk, waar een zachtere vorm van koloniseren werd gehanteerd door bijvoorbeeld het afsluiten van handelsverdragen met de lokale bevolking, vormde het echte geannexeerde gebied slechts het topje van de ijsberg[36]. In totaal hadden de Britse overzeese handel en investeringen tegen 1880 alleen al ongeveer tweeduizend miljoen pond verzameld in het buitenland[37].

Het informele gebied en het formele Empire vormden samen de speeltuin bij uitstek van het zogenaamde imperialisme van de Victorianen dat hoogtij vierde op het eind van de negentiende eeuw. De term ‘imperialisme’ werd in 1902 door J.A. Hobson ingevoerd als “the recent expansion of Great-Britain and the chief continental Powers”, waarbij hij onder expansie het feit verstond dat “over the last thirty years a number of European nations, Great Britain being first and foremost, have annexed or otherwise asserted political sway over vast portions of Africa and Asia, and over numerous islands in the Pacific and elsewhere[38].” De definitie van Hobson beperkte ‘imperialisme’ tot de expansie van politiek gezag tussen 1870 en 1900 door het formaliseren van het koloniale rijk, en verklaarde haar door de vrees voor een structurele overproductie in het moederland in de financiële kringen van de City Banks. Andere groepen, zoals militairen en missionarissen, hadden volgens Hobson de wil tot politieke expansie overgenomen en voorzien van nieuwe argumenten[39]. Zijn concept van imperialisme ging dus enkel op voor het formele Empire in die periode. Het stond bovendien volgens Hobson haaks op de periode van het economische liberalisme, waarin de vrije onderneming primeerde.

Jack Gallagher en Ronald Robinson haalden echter uit naar de simplistische theorie van Hobson. In hun befaamd artikel “The imperialism of the free trade” wezen ze op de grotere complexiteit van de historische realiteit en concludeerden ze dat de mid-Victoriaanse bloeiperiode van de vrijhandel weinig verschilde in haar doelstellingen met die van het laat-Victoriaanse imperialisme[40]. tellingdoelen  van de historische realiteit en concludeerden ze ialismed  over“Although doubts grew as the century went on, most Victorians clung on the gospels of restricted government and free trade[41].” De bloeiperiode van het economische liberalisme, die een omvangrijk informeel koloniaal rijk had gesticht, moest naar het einde van de negentiende eeuw verlaten worden wegens verscheidene muiterijen en politieke vacua. De Britse politieke macht zocht stabilisatie door strategische economieën te formaliseren en in hun rijk onder te brengen, wat door Hobson onder de noemer van imperialisme werd gebracht. Tegelijk bouwde zich een onderstroom op, die een teveel aan formele kolonies en protectoraten wou vermijden omwille van de militaire, financiële en sociale last. In wezen bleef de Britse koloniale theorie echter gedurende de ganse negentiende eeuw zoveel mogelijk gebruik maken van het economische liberalisme:

“The aims of Mid-Victorians were no more anti-imperialist than their successors, though they were more often able to achieve them informally; and the late-Victorians were no more imperialist than their predecessors, even though they were driven to annex more often. British policy followed the principle of extending control informally if possible and formally if necessary. … The usual summing up of the policy of the free trade empire as ‘trade not rule’ should read ‘trade with informal control if possible; trade with rule if necessary.”[42]

           

 

Andere koloniale ideologieën?

 

Aan het begin van dit onderzoek is er een selectie gemaakt onder de personages die zich regelmatig aan het koninklijke hof ophielden op basis van de biografieën van Ascherson, Emerson en Hochschild. De onderstaande vijftien personen werden onder de loep gehouden, en er werd onderzocht hoe ze betrokken raakten in het koloniale verhaal van Leopold II, welke rol ze daarin speelden en hoe ze zelf over (Belgisch) kolonialisme dachten.

 

 

Voornaam

Familienaam

Belangrijkste functie

Levensjaren

1.

Emile

Banning

Archivaris Ministerie Buitenlandse Zaken

1836-1898

2.

Eugène

Beyens

Diplomaat

1816-1894

3.

Eugène jr.

Beyens

Diplomaat en minister van Buitenlandse Zaken

1855-1934

4.

Hénri-Alexis

Brialmont

Generaal, Volksvertegenwoordiger, militair architect

1821-1903

5.

Félix

Chazal

Generaal en minister van Oorlog

1808-1892

6.

Jules

Devaux

Kabinetschef van de Koning

1828-1886

7.

Adrien

d'Oultremont

Volksvertegenwoordiger, militair en hoffunctionaris

1843-1907

8.

Adrien

Goffinet

Privé-secretaris van de Hertog van Brabant

1812-1886

9.

Auguste

Goffinet

Secretaris van de Bevelen van de Koning en Koningin

1857-1927

10.

Constant

Goffinet

Intendant van de Civiele Lijst van de Koning

1857-1931

11.

Jules

Greindl

Diplomaat

1835-1917

12.

Auguste

Lambermont

Secretaris-Generaal Ministerie van Buitenlandse Zaken

1819-1905

13.

Maximilien

Strauch

Administrateur-generaal Onafhankelijke Kongostaat

1829-1911

14.

Edmond

van Eetvelde

Staatssecretaris Onafhankelijke Kongostaat

1852-1925

15.

Jules

Van Praet

Minister van het Huis van de Koning

1806-1887

 

De keuze voor deze groep van vijftien man werd gedistilleerd uit de vele biografieën over Leopold II, waarin ze als belangrijke personages werden voorgesteld. Ofwel werden ze vermeld met betrekking tot de (koloniale) ideologie van Leopold toen hij nog hertog van Brabant was ofwel vervulden ze een actieve en al dan niet nuttige functie in de zoektocht naar een kolonie tijdens zijn koningschap. Over hun inbreng in de koloniale geschiedenis werd nog nooit een collectieve studie geschreven, wat de bedoeling is van dit onderzoek.

Alle vijftien heren hebben zich ofwel steeds in Brussel, in de buurt van de koning opgehouden, of hebben als Belgisch ambassadeur in Europa de koloniale politiek van Leopold II gesteund of gepromoot. Geen enkele van hen heeft dus deelgenomen aan de uitvoering van een koloniaal project ter plaatse. Sommige onder hen bleken geen noemenswaardige koloniale ideeën te hebben, waardoor ze uit de boot vielen[43].

In tijd werd het onderzoek afgebakend tussen 1855 en 1892, waarna een breuklijn duidelijk werd en de meeste van de eerste en tweede generatie adviseurs definitief van het koloniale strijdperk verdwenen. Sommigen, waaronder Emile Banning, leefden voortaan in diepe onmin met hun vorst. Veel heeft natuurlijk te maken met de wending van Leopold II in zijn Congopolitiek, wanneer hij na 1892 door de rubberhausse zijn kans schoon ziet om zijn vele investeringen eindelijk te doen renderen, helaas ten koste van de lokale bevolking. De breuklijn van 1892 is echter niet onomkeerbaar, omdat getracht werd de verhalen van de adviseurs ook coherent te vertellen. Hun houding na 1892 kan interessant zijn om hun verhouding voor de breuk beter te begrijpen.

Baron Auguste Lambermont compliceerde eveneens het onderzoek. In 1902, drie jaar voor zijn dood, stelde hij de agenda voor het historisch onderzoek naar zijn persoon voor: “Ceux qui voudront connaître ma pensée, pourront toujours le faire: il leur suffira de consulter mon oeuvre[44].” Lambermont heeft drieënzestig jaar lang een Spartaanse levensstijl gehanteerd in het Ministerie van Buitenlandse Zaken, van maandag tot zaterdag, van het krieken van de dag tot bijna middernacht[45]. Het archiefmateriaal van Lambermont was dan ook zeer rijk en uitgebreid, te uitgebreid voor deze licentiaatsverhandeling. Aan hem is toch een hoofdstuk van deze verhandeling gewijd, waarin vooral een synthese werd gemaakt van de voor handen zijnde literatuur over de spilfiguur van de Belgische diplomatie in de negentiende eeuw.

Vijf persoonlijke archieven werden doorzeefd op zoek naar een onthullend memorandum of een brief, die de persoonlijke koloniale gedachten blootlegde. De papieren van Emile Banning, Jules Greindl, Maximilien Strauch, generaal Chazal en Edmond van Eetvelde kwamen op deze manier onder de loep van het onderzoek terecht. De correspondentie met Leopold II of de redactie van een officieel artikel of rapport brachten steeds veel minder bruikbare informatie op, omdat er niet oprecht gecommuniceerd werd. Vertrouwelijke memoranda en onderlinge correspondentie tussen de adviseurs bevatten echter een schat van informatie over het leven achter de schermen van het officiële discours. Een zorgvuldige en tijdrovende zoektocht tussen de beslommeringen van elke dag die bewaard zijn gebleven in duizenden brieven leverde soms kleine opmerkingen op, die een beeld kunnen vormen van de ideeën van de koninklijke adviseurs.

Het Archief van het Koninklijk Paleis bevat veel gelijkaardige informatie. Officiële en zelfs vertrouwelijke brieven bevatten weinig confidentiële gegevens over de achterliggende koloniale ideologieën van adviseurs, maar ze gunnen de archiefbezoeker wel een blik achter de schermen van de werking in het Koninklijk Paleis toen. Een andere bron van het reilen en zeilen is er ook nog het archief Goffinet, een collectie brieven en dagboeken, dat in 1983 ontdekt werd door slooparbeiders in een kelder van een Henegouws kasteel[46]. Oorspronkelijk werd gehoopt om in de briefwisseling tussen de leden van de familie Goffinet en Leopold II een spoor te vinden van de koloniale ideeën van de Luxemburgse familie, maar dit moest al gauw worden bijgesteld omdat dit een zoektocht naar een naald in een hooiberg zou betekenen. De koloniale aspiraties van de familie Goffinet werd bijgevolg niet expliciet onderzocht.

Het Archief van het Ministerie van het Buitenlandse Zaken is niet behandeld, enerzijds wegens tijdsgebrek, anderzijds omdat er vanuit werd gegaan dat de belangrijkste documenten al uitgegeven zijn, door onder andere Auguste Roeykens. Deze kapucijnerminderbroeder, die tijdens de laatste jaren van het Belgische kolonialisme een missiefunctie uitoefende in Congo, gaf een reeks studies uit, die hij baseerde op zijn bronnenonderzoek tijdens zijn verlof in België. Vele van die bronnen gaf hij op die manier ook uit. Hoewel Roeykens zelf overtuigd bleef van het “ontegensprekelijke genie” van Leopold II, zijn zijn gedachtegangen toch interessant gebleken. Vaak bracht hij ook het relaas van de Belgische medespelers in het ontkiemende koloniale verhaal in Congo. Onder andere passeren baron Lambermont, Emile Banning, Henri Brialmont of Jules Greindl regelmatig de revue in zijn minutieuze studies.

 

Sommige biografieën van adviseurs behandelen al dan niet expliciet hun koloniale ideologie. Dat is het geval bij de vele publicaties over en van de historicus Emile Banning, van wie het rechtstreekse aandeel in de start van het Congolese avontuur het onderwerp is geweest van een reeks speculaties[47]. Banning heeft zelf een resem memoires nagelaten, die allen in het laatste decennium van de negentiende eeuw geschreven zijn. De verbittering en de ontgoocheling in de koloniale politiek van Leopold II na 1892 klinkt er vaak zo zwaar door, dat er veel vraagtekens gezet mogen worden bij de oprechtheid en de correctheid ervan[48]. Ook de enkele biografieën van Auguste Lambermont behandelen indirect de koloniale ideologie van hun personage[49]. Over deze personages, Banning en Lambermont, werden er reeds in een grijs verleden een aantal dissertaties geschreven[50].

De vele publicaties over Henri-Alexis Brialmont belichten vooral de militaire carrière van deze generaal, die op geen enkel slagveld gestreden heeft, maar vooral een internationale reputatie in militaire architectuur heeft opgebouwd[51]. Vader en zoon Beyens hebben zelf hun plaats in de geschiedenis bewaard door enkele memoires te schrijven over respectievelijk hun leven als Belgisch diplomaat in het Tweede Franse Keizerrijk en als Belgisch minister van Buitenlandse Zaken tijdens de Eerste Wereldoorlog. Over hun koloniale ideeën hebben ze weinig tot niets gepubliceerd[52].

Over andere personages bestaat er weinig tot geen informatie met betrekking tot hun koloniale visie. In het geval van Jules Greindl is recentelijk nog een verhandeling geschreven, waarbij vooral zijn jonge carrière tot 1870 werd belicht [53]. Van generaal Chazal bestond er eveneens nog geen helder relaas over zijn koloniale ideeën, behalve een kort artikel over de correspondentie waarin vooral Leopold, hertog van Brabant, zijn koloniale ideologie voorstelt aan de geadresseerde, generaal Chazal[54]. De andere militair van het gezelschap, kolonel Maximilien Strauch, was zelfs niets meer dan een archivalisch artikel waardig bevonden[55]. Ook Edmond van Eetvelde heeft nog geen volwaardige biografie verkregen in de huidige historiografie[56].

De Goffinets zijn pas recentelijk opgedoken in de historiografie door de ontdekking van hun archief[57]. Hoewel ze instonden voor het beheer van het financiële apparaat van Leopold II, heeft het onderzoek vooralsnog niets opgeleverd over hun koloniale motieven. Opmerkelijk is wel hun grote trouw en loyauteit aan de Belgische vorsten: hun familie was werkzaam onder Leopold I, Leopold II, Albert I en de prins-regent Karel[58]. Adrien Goffinet vezamelde een grote collectie aan koloniale informatie in wisselwerking met zijn neef Jules Lejeune, minister van Justitie, en Henri-Alexis Brialmont[59].

Jules Van Praet was de kabinetschef van Leopold I en Leopold II. Op 6 januari 1866 kreeg hij in die functie het gezelschap van zijn neef Jules Devaux[60]. De correspondentie van Van Praet, nochtans zelf historicus en archivaris, werd kort na zijn dood door zijn erfgenamen verbrand. Zijn vraag tot discretie hebben ze nogal letterlijk opgevat[61]. Hij heeft ons evenmin memoires achtergelaten, maar de nagedachtenis bleef verder bestaan onder historici wegens zijn belangrijke invloed in de politiek van het prille België[62]. In de weinige publicaties die over hem bestaan, werd daarom een poging gedaan om iets uit te vissen over zijn houding ten opzichte van kolonialisme. Over zijn neef en opvolger, Jules Devaux, werd er tot dus ver nog veel minder gepubliceerd. Uit de andere publicaties en archieven trachtte deze verhandeling toch een beeld van zijn koloniale ideeën te schetsen.

 

De meest recente biografieën van Leopold II zijn zelden geschreven door Belgen, maar komen steevast - zoals hoger aangehaald - uit de Angelsaksische wereld. De adviseurs en medewerkers van de vorst worden er dikwijls vermeld, meestal in enkele kleine zinnen of alinea’s. Slechts zeer zelden gaat de auteur in op de koloniale ideeën van de betrokken personen. Bovendien wordt er slechts sporadisch een beeld geschetst over wat de entourage denkt over haar koning, waarschijnlijk omdat de Angelsaksische auteurs archief- en leeswerk in België steeds toespitsen op Leopold II zelf.

Opvallend weinig monografieën behandelen het ontstaan van het Belgische kolonialisme of de stichting van de Onafhankelijke Kongostaat. In 1933 verscheen in Brussel een werk door de Amerikaanse professor Robert Stanley Thomson, dat door zijn n coeur e vervanger van zijn vaderens père Belgiamen. volledigheid en verfijndheid tot in 2005 als een standaardwerk voor het ontstaan van de Afrikaanse staat van Leopold II kan gelden[63]. De Franse tekst, die een vertaling en bewerking is van de oorspronkelijke Engelstalige uitgave in New York, geeft een chronologisch overzicht van de verschillende stadia en obstakels die Leopold II heeft overwonnen. De invloeden en daden van de belangrijkste koloniale adviseurs – zoals een Banning, Brialmont, Greindl, Lambermont of Strauch – werden dikwijls bondig aangehaald. Dirk Foeken schreef in 1985 een Nederlandstalige studie over het ontstaan van Kongo Vrijstaat, dat als een verkorte en vlottere monografie over de koloniale politiek van Leopold II in Afrika geldt[64].

De academische wereld beschouwde kennelijk lange tijd studies betreffende de invloed van adviseurs op het Belgische koningschap als het historische beroep onwaardig. Het was de Waalse auteur Jo Gérard die in 1982 een eerste boek uitgaf over “les éminences grises de Laeken[65].” Nochtans speelde dat type personages, in de marge van de bekendheid bij de media en het grote publiek, een belangrijke rol in de politieke en diplomatieke Belgische geschiedenis door hun ervaring en invloed op een soms machteloze of jonge vorst. Het recentere boek van Gui Polspoel en Pol Van den Driessche over de kabinetschef van de koningen Boudewijn en Albert II, Jacques van Ypersele de Strihou, bewijst misschien een tendens om de instellingen en personages uit Laken en Brussel meer uit de donkere en onbekende kant van het historische geheugen te halen[66].

 

Deze verhandeling beoogt een dubbel ontsluierend doel: enerzijds wil ze de vergeten oorsprongsfase van het Belgische kolonialisme heroprakelen en beter begrijpen, en anderzijds wil ze de bereidheid van de koninklijke adviseurs om in het risicovolle project te stappen ontwaren. Hoe stonden de medewerkers van Leopold II ten opzichte van de vele koloniale dromen van hun chef: afkerig, neutraal of loyaal? Meer dan een eeuw later probeert deze ietwat heterogene uiteenzetting het koloniale onderwerp objectief te begrijpen vanuit een Belgisch koninklijk standpunt zonder voorafgaand een diaboliserend perspectief ten opzichte van Leopold II in te nemen. Op die manier past ze eveneens in twee onderwerpen, waarvoor de Belgische historiografie langzaamaan een hernieuwde interesse heeft gevonden: de binnenkant van de paleismuren en het kolonialisme van Leopold II.

 

 

3. Familiale en vriendschappelijke banden onder een dynastie

 

Instellingen van het Hof

 

Achter de muren van het Paleis bevonden zich steeds een resem instellingen, de ‘Maisons Royaux’, die exclusief de Belgische monarchie dienden. Ze zijn gewoonterechterlijk gegroeid en de leden ervan hebben dan ook geen enkele politieke verantwoordelijkheid. In 1854 konden de negentienjarige Leopold en zijn jonge vrouw Marie-Henriette rekenen op de steun van een achttal heren en hofdames in het zogenaamde ‘Huis van Zijn Koninklijke Hoogheden de Hertog en Hertogin van Brabant.’ Dat huis werd gecreëerd na hun huwelijk op 22 augustus 1853. Adrien Goffinet functioneerde hierin als schatkistbewaarder en secretaris. De jonge Leopold kreeg toen ook al een Militair Huis onder zijn hoede, waarin Adrien Goffinet eveneens een ambt uitoefende als ordonnansofficier[67].

De instellingen waarop een koning beroep kon doen waren natuurlijk uitgebreider en verfijnder. Toen Leopold in december 1865 de troon besteeg, kreeg hij een uitgebreid personeelsbestand ter beschikking, waarbij steeds een onderscheid werd gemaakt tussen een Civiel Huis en een Militair Huis. Het ‘Maison Civile du Roi’ huisvestte de grootmaarschalk van het Hof, het kabinet van de Koning, de Civiele Lijst en de koninklijke diensten[68]. De grootmaarschalk en zijn adjuncten regelden het optreden van de koning in binnen- en buitenland, maar hielden zich niet bezig met politieke materies. Die bevoegdheid kwam het kabinet van de koning toe, onder leiding van de kabinetschef van de koning. Jules Van Praet en zijn neef Jules Devaux[69] hebben beide vanuit deze betrekking een grote invloed kunnen uitoefenen op de eerste twee koningen van België. Binnen het kabinet van de Koning bestond er eveneens een secretariaat van de Koning die het kabinet vooral in haar briefwisseling wat kon ontlasten. Zo werd Adrien Goffinet in een huisbesluit van 15 februari 1866 aangesteld om binnen het kabinet van de Koning als Secretaris van Bevelen van de Koning en Koningin alle niet-politieke briefwisseling af te handelen[70].

Het beheer van het publiek vermogen van de vorst was toevertrouwd aan de Civiele Lijst. Constant Goffinet was van 1885 tot 1909 Intendant van de Civiele Lijst, waardoor hij net als zijn vader Adrien Goffinet, Jules Van Praet en Jules Devaux een sleutelfunctie bekleedde in de Koninklijke Huizen. De koninklijke diensten vervulden culturele, medische, logistieke en andere taken aan het Hof[71]. Ook de koningin had haar eigen ‘Maison de la Reine’, waarin Adrien Goffinet een tijdje werkzaam was. De broer van Leopold II, Filips graaf van Vlaanderen, beschikte niet over zo’n instelling maar wel over ‘losse’ officieren[72].

Het Militair Huis van de Koning stond in voor de militaire of representatieve functies onder leiding van het Hoofd van het Militaire Huis van de Koning, sinds 1831 steevast een militair met graad van generaal. Hij werd bijgestaan door ordonnansofficieren, die volgens een beurtrol de koning steeds ten dienste stonden, en vleugeladjudanten die de afwezige koning op belangrijke plechtigheden vertegenwoordigden[73].

Naast het intendantschap van de Civiele Lijst moest ook nog het private fortuin van de vorsten beheerd worden. Dat gebeurde in het zogenaamde Privé-domein van de Koning. In 1866 werd Adrien Goffinet met deze functie belast, en later werd zijn bevoegdheid uitgebreid met het bestuur van het fortuin van Charlotte, de zus van Leopold II en ex-keizerin van Mexico. Vanaf 1881 werd het financiële beleid niet meer gevoerd door Adrien Goffinet, maar door zijn identieke tweelingzonen Auguste en Constant. Het private vermogen werd in twee delen gesplitst, het ‘Fonds africain spécial’ en het private en erfelijke fortuin. Het Mexicaans kapitaal van Charlotte bleef onder de hoede van de trouwe vader Adrien Goffinet, de Afrikaanse ngin (janssens in nieuw licht 15)g hij orsten litaire Huis van de Koning, sedert 183waardepapieren aan toonder viel onder de zorgen van Auguste en het echte privé-fortuin van de koning onder de verantwoordelijkheid van zijn broer. Constant Goffinet zou op die manier dé financiële medewerker worden van Leopold II als beheerder van diens privé-fortuin vanaf 1881, intendant van de Civiele Lijst vanaf 1885 en beheerder van de Stichting Niederfüllbach vanaf 1900[74].

Tijdens de ontwikkelingen van het koloniale verhaal in Afrika zou Leopold II zelf nieuwe instellingen en maatschappijen stichten. Na de Geografische Conferentie van Brussel in 1876 - die inclusief het logement van de gasten volledig plaatsvond in het Paleis zelf - werd de Association Internationale Africaine (AIA) gesticht. De diplomaat Jules Greindl bekleedde het ambt van secretaris-generaal van 1876 tot 1878, toen hij vervangen werd door Maximilien Strauch. Kort daarna werd deze militair ook voorzitter van het ‘Comité des Etudes du Haut-Congo’ (CEHC), eveneens een vereniging gesticht door de vorst. Toen in 1885 de Onafhankelijke Congostaat (EIC) werd erkend op de Conferentie van Berlijn, ontstond een nieuw staatsapparaat dat zich vestigde in de kantoren van de Brederostraat aan de achterkant van het Koninklijk Paleis. Eén van de belangrijkste functionarissen daarvan, die geregeld van titel en bevoegdheid veranderde, was Edmond van Eetvelde. Hij werd als enige zowel administrateur-generaal als staatssecretaris én minister van Staat in die regering van Congo[75].

 

 

De kleine wereld van de elite

 

            Toen Leopold I in 1865 stierf, erfde Leopold II niet alleen het koningschap, maar ook de medewerkers van zijn vader. De continuïteit tussen Leopold I en Leopold II werd onder andere verzekerd door vier van de personages die deze verhandeling behandelt: generaal Chazal, de kabinetschef van de koning Jules Van Praet, de diplomaat Auguste Lambermont en Adrien Goffinet. Alle vier bleven ze aanvankelijk vertrouwenspersonen van Leopold II, en hielpen hem om zich het jonge koningschap eigen te maken. Grof geschetst, brachten deze vier bovendien voor of na 1865 de hertog of de koning in contact met hun collega’s, vrienden of familieleden.

            De politieke, diplomatieke en militaire wereld bleek op deze manier aan het Hof een zeer kleine wereld te zijn. Jules Lejeune, de volle neef en tevens een intieme vriend van Adrien Goffinet werd later minister van Justitie en zou, volgens een aantal auteurs zelf, een aantal koloniale ideeën hebben aangebracht. Volgens Emile Banning zou Lejeune - nu bekend van de wet Lejeune in verband met de voorwaardelijke invrijheidsstelling van gevangenen - ook de man geweest zijn die Leopold II op het idee van een domaniaal stelsel heeft gebracht in 1892, dat een diepe breuk zou veroorzaken in de koloniale entourage en in de koloniale politiek van de koning[76].

            Een andere familie die zich, net als de Goffinets, zonder voorbehoud inzette voor het vorstenhuis in de negentiende eeuw waren de d’Oultremonts. Hoewel ze zich zelden of niet bezighielden of uitlieten over de (koloniale) politiek van Leopold II, is hun voorbeeld van loyauteit tekenend voor de negentiende-eeuwse elite. Zo heeft graaf Adrien d’Oultremont (1843-1907) een gevarieerde carrière opgebouwd: commissaris op de Wereldtentoonstel-lingen van Philadelphia (1876), Parijs (1878), Antwerpen (1885) en Brussel (1897); in 1888 commandant van de elitewachten van koningin Marie-Henriette; directeur van het Rode Kruis van de Association congolaise et africaine (1888); en onafhankelijk volksvertegenwoordiger in 1884. Zijn huwelijk met de dochter van Jules Malou, de katholieke leider, deed de edelman helemaal voor de politiek kiezen, waarbij hij zich vooral toelegde op de invoering van een algemene dienstplicht. Opvallend is dat vele van zijn thema’s zeer dicht bij de stokpaardjes van Leopold II aansloten. Ook het koloniale luik is aanwezig, aangezien d’Oultremont steeds betrokken was bij wetsvoorstellen over Congo: de wet van 1885 die de koning de mogelijkheid schonk om soevereine macht uit te oefenen in Congo, de wet van 1887 met toestemming voor een eerste lening in België uitgeschreven ten voordele van Congo, enz[77]. Het spoor naar zijn koloniale ideologie bleef echter bijster.

            Graaf Adrien d’Oultremont stond zeker en vast dicht bij het Hof wegens zijn eigen familie: zijn jongste broer graaf Charles John d’Oultremont (1848-1917) schopte het tot ere-Grootmaarschalk en zijn neef graaf Octave d’Oultremont de Duras (1815-1898) werd Grootmeester van het Huis van de Graven van Vlaanderen, Filips en Marie, de broer en schoonzus van Leopold II. De zus van graaf Charles John en graaf Adrien d’Oultremont, Isabella, huwde graaf Paul de Borchgrave d’Altena, die tussen 1890 en 1901 de functie van kabinetschef van de koning vervulde[78]. Uit een andere tak van de familie d’Oultremont werd later graaf Adelin-Octave d’Oultremont de Wégimont et de Warfusée (1877-1943) gerekruteerd, die van 1928 tot 1933 de functie zou bekleden van Grootmeester van het Huis van de Hertog Leopold, de latere Leopold III, en Hertogin Astrid van Brabant[79]. De dynastie van de d’Oultremonts bestaat vandaag nog altijd. Zo heet de schoonzus van de huidige kabinetschef van de koning, Jacques van Ypersele de Strihou, niet toevallig gravin Noël d’Oultremont[80].

Eén van de vroege koloniale medestanders van de ijverige hertog van Brabant was de jonge kapitein Henri-Alexis Brialmont. Deze latere generaal werkte in het kabinet van generaal Chazal toen die laatste in 1847 minister van Oorlog werd. In 1850 trok Brialmont zich terug uit het kabinet, maar de contacten met Chazal bleven[81]. Een andere goede vriend in het leven van generaal Chazal was de liberale leider Rogier[82]. Generaal Brialmont vond in die andere militair, kolonel Maximilien Strauch, eveneens een goede vriend[83]. Vanaf 1882 werden Brialmont en Banning zeer goede vrienden, ondanks hun zeer tegengestelde karakters. De militair hield van het leven, wat botste met de steeds melancholische intellectueel. Zo vertelt een anecdote dat de gastheer op een feestje bij Brialmont thuis Banning al lachend zou verwelkomd hebben met de uitdrukkelijke vraag om zijn jas en zijn steevast slechte humeur achter te laten in de vestiaire. Andere levensvrienden van Emile Banning waren Hubert van Neuss en Camille Janssen, respectievelijk administrateur-generaal voor Financiën en staatssecretaris voor Financiën van de EIC tussen 1885 en 1890, en 1890 en 1892[84].

Emile Banning was als hoofd van het archief en de bibliotheek van het ministerie van Buitenlandse Zaken een collega en goede vriend van Auguste Lambermont. Deze baron had in zijn studententijd aan de rechtsfaculteit van de Leuvense universiteit een goede vriendschap opgebouwd met Xavier Thibault, die tussen 1871 en 1878 en in 1884 voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers werd[85]. Lambermont stond als secretaris-generaal ook zeer dicht bij de Belgische diplomatie, en onderhield met enkelen onder hen vertrouwelijke en vriendschappelijke relaties. Zo werd hij in 1863 in de Brusselse straten en boulevards opgemerkt, rondslenterend met de jonge Eugène Napoléon Beyens, van wie de vader op dat moment ambassadeur was van België in Parijs. Eugène Napoléon Beyens, die later zelf minister van Buitenlandse Zaken zou worden tijdens de Eerste Wereldoorlog en nog later kabinetschef van koning Albert I, vond tijdens die wandelingen in de ervaren Lambermont een vurige leraar Belgische geschiedenis[86]. Eugène Napoléon Beyens getuigde meermaals over de diepe vriendschap tussen zijn vader en Lambermont sinds hun diplomatiek examen. Baron Lambermont schoof elke zondag aan tafel bij de familie Beyens, zelfs in de periode dat vader Beyens België vertegenwoordigde in het Franse keizerrijk. Zijn zoon vergeleek de relatie tussen Lambermont en zijn grootmoeder, de moeder van vader Beyens, als die van een attente en bezorgde tweede zoon en een moederfiguur. “Il avait même porté sur moi le sentiment paternel, que son cœur de célibataire ne trouvait pas à dépenser[87].”

Baron Lambermont onderhield ook goede contacten met Jules Greindl, een diplomaat die een carrière opbouwde in vele buitenlandse posten. In 1876 stelde hij Greindl voor aan de koning voor de vacature van secretaris-generaal van de AIA. Beide topdiplomaten leefden in wat in het Frans ‘en étroite amitié et communion d’idées’ wordt genoemd[88]. Jules Greindl was de zoon van Léonard Greindl (1798-1875), die een bewogen militaire carrière had tijdens de revolutie van 1830-1831. Hij werd daarna minister van Oorlog tijdens de unionistische regering Pieter de Decker (1855-1859). In 1859 ijverde hij bovendien samen met Brialmont en Chazal voor een stevigere militaire versterking van Antwerpen. Zijn dochter, de zus van Jules Greindl, Marie Greindl, huwde in 1866 Charles Woeste (1837-1922), de politieke leider van het katholieke België op het einde van de negentiende eeuw[89]. Na zijn omzwervingen in het Verre Oosten kwam Edmond van Eetvelde terecht op het ministerie van Buitenlandse Zaken, onder de vleugels van baron Lambermont, vanwaar hij wegens zijn talent en diplomatieke doorzicht werd doorverwezen naar de administratie van de EIC.

In het Paleis nam de kabinetschef van de Koning elk politiek dossier ter harte. Jules Van Praet, een jonge Brugse jurist en archivaris, bezat een uitgebreide vriendenkring, waartoe hij de Franse auteur Henri Beyle mocht rekenen, beter gekend als Stendhal. Door toedoen van zijn revolutionaire Belgische vrienden kwam hij terecht in de droom van de Belgische onafhankelijkheid. Toen hij als tolk meetrok met de delegatie die Leopold I de Belgische troon kwam aanbieden, was de nieuwbakken koning Leopold I zo gecharmeerd door de intelligentie en talenknobbel van Van Praet dat hij hem prompt tot zijn kabinetschef benoemde. Van Praet had aan de rechtsfaculteit met Edouard de Conway een vriendschap voor het leven gestart. Burggraaf Edward de Conway, zelf van Ierse afkomst, werd door zijn vriend naar voor geschoven als de eerste Intendant van de Civiele Lijst, die het beheer van de goederen van Leopold I op zich moest nemen.

Nog voor de Belgische onafhankelijkheid was Paul Devaux, een andere jeugdvriend van de Bruggeling, getrouwd met diens zus. Devaux had onder andere samen met Charles Rogier de Mathieu Laensbergh opgericht, een Luikse periodiek die de strijd met de Nederlandse koning Willem I aanbond[90]. Paul Devaux werd onder Leopold I een liberale politicus met een abonnement op een zitje in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Jules Van Praet beschouwde zijn schoonbroer Paul Devaux niet enkel als een goede vriend, maar eveneens als “le confident de sa vie, le frère de sa pensée[91].” Het is dan ook geen verrassing dat Jules Devaux, de zoon van Paul, de opvolger van Van Praet werd in de leidende functie van het kabinet van de koning. Jules Van Praet noemde ook Emile Banning als één van zijn vrienden, die hij raad gaf in het schrijven en publiceren, het eerste beroep van Van Praet[92]. Eén van de laatste politici die Van Praet nog gesproken heeft voor zijn dood was zijn vriend en tevens een andere vooraanstaande liberale leider, Walthère Frère-Orban[93].

De hoogste politieke, diplomatieke en militaire wereld in het negentiende-eeuwse België blijkt dus een microkosmos vol vriendschappelijke en familiale contacten te zijn. Aan de start van dit onderzoek werden er bijna willekeurig enkele namen gekozen, betrokken in het koloniale verhaal, zonder enig vermoeden van de dichte verwantschap van deze ploeg. Onderling schreven vele van de personages elkaar vertrouwelijke brieven, waarbij de ‘teamgenoten’ dikwijls deelden in mekaars lief en leed. Zo kreeg Greindl bij het overlijden van zijn Spaanse vrouw in 1884 een rouwtelegram van het Hof van Jules Devaux in naam van Leopold II, maar eveneens een rouwende brief van Eugène Napoléon Beyens[94].

De levensstijl van velen van hen was dan ook dikwijls te vergelijken. Enkele onder hen leefden celibatair alsof ze een huwelijk met hun werk hadden aangegaan. Het dagelijkse leven van baron Auguste Lambermont voltrok zich in een Spartaans ritme, waarbij enkel op zondag tijd voor ontspanning gereserveerd was. Jacques Willequet, de biograaf van Lambermont, beweert dat dat strenge ritme er pas kwam na een mislukte liefdesaffaire met de dochter van de Britse ambassadeur in België[95]. Ook Jules Van Praet bleef vrijgezel. Hij liet zich liever opslorpen door de vele opdrachten van zijn werk dan door een gezin[96]. “Il n’était pas la conséquence d’une vertu éminente: une petite dose d’égoïsme masculin, doublée d’un certain mépris ou plutôt d’un léger dédain pour la femme, le tint toujours éloigné du sacrement de mariage[97].” De meeste van de bestudeerde adviseurs van Leopold II waren echter wel getrouwd.

Anderen leefden dan weer als Belgisch diplomaat in het buitenland, maar stonden via officiële of vertrouwelijke correspondentie in (on)rechtstreeks contact met de vorst. In een klein gedeelte van de meest vertrouwelijke brieven bevinden zich aanwijzingen tot de eigen koloniale ideeën van de personages in dit verhaal. Hun mondelinge onderlinge contacten, ongetwijfeld de meeste interessante, zullen nooit gekend zijn.

 

 

4. Onderkoningen zonder koloniale aspiraties?

 

Jules Van Praet (1806-1887)

 

            Toen de Belgische revolutie in alle hevigheid uitbrak in de straten van Brussel, vervulde Jules Van Praet een archiefopdracht in Brugge. Een leven als publicist, jurist en historicus leek de doctor in de rechten voorbestemd, net als zijn oom Joseph Van Praet die het geschopt had tot conservator van de Bibliothèque publique van Parijs. Jules had in de vriendenkring van zijn oom veel lof gekregen, en zou onder andere tot de dood van Henri Beyle in 1840 een briefwisseling onderhouden met de auteur van Le Rouge et le Noir[98].

            Maar ondertussen had Van Praet zich als publicist aan de zijde van zijn schoonbroer Paul Devaux geschaard. In het vriendenkringetje van Charles en Firmin Rogier, Joseph Lebeau en Paul Devaux werd er al een tijd lang geageerd tegen de Nederlandse koning Willem I, onder andere in de Luikse periodieken ‘Mathieu Laensbergh’ en ‘Politique[99]. Op 4 maart 1831 meldde de Bruggeling het Regentschap dat hij zijn opdracht in het archief van Brugge had volbracht. Hij schreef Charles Rogier met de vraag of die misschien werk voor hem had, het liefst ofwel als secretaris geattacheerd aan een buitenlandse post of als archivaris. Rogier besprak dit met Sylvain Van de Weyer, die in het Voorlopig Bewind waakte over de portefeuille van Buitenlandse Zaken, en samen besloten ze Van Praet omwille van zijn talenkennis als secretaris mee te zenden met een vertegenwoordigende delegatie onder leiding van graaf d’Arschot naar Londen. Graaf d’Arschot werd echter niet ontvangen en door de Regent teruggeroepen[100].

            Door een stom toeval werd kort daarop een andere delegatie naar het Britse eiland gezonden om de Belgische troon aan te bieden aan Leopold van Saksen-Coburg. Van Praet bood opnieuw zijn tolkdiensten aan, en mocht mee naar Malborough House. Zijn stofjas van het archief was vlug vergeten toen hij aan de onderhandelingstafel over een koning voor het nieuwe België mocht plaatsnemen. Leopold besliste geen enkele van zijn Britse dienaren mee te nemen naar Brussel, wat betekende dat hij een volledig nieuw personeelskader om zich moest zien te scharen. Jules Van Praet had klaarblijkelijk zoveel indruk gemaakt op de vorst dat hij deze prompt op 12 juli tot zijn secretaris benoemde[101].

            Als allereerste kabinetschef van de kersverse koning beschikte Van Praet over een takenpakket dat allesbehalve goed omlijnd was. Hij stond de koning bij in politieke, diplomatieke en journalistieke activiteiten. Op het buitenlandse vlak was er het eerste decennium zeker geen tijd voor koloniale projecten door de militaire problemen met Nederland en het dreigende orangisme dat vooral in de pers sterk uit de hoek kwam. Toen Willem I het Verdrag van de XXIV Artikelen eindelijk ondertekende in 1839, kon ook Van Praet een nieuw hoofdstuk in zijn leven starten.

Jules Van Praet verheugde zich toen op een politieke carrière in de Kamer, niet als volksvertegenwoordiger van Brugge, maar wel van Antwerpen. Misschien wou Leopold I in 1839 een woordvoerder van het Paleis in de Kamer, waar het unionistische systeem langzaam kleine barstjes begon te vertonen. Om zijn kandidatuur te valideren had hij de steun nodig van de gouverneur van Antwerpen, Charles Rogier. Van Praet schreef zijn goede vriend op 28 november 1839 een brief waarin hij zijn interesse voor de Antwerpse belangen staafde:

“J’y ai mûrement réfléchi et je suis resté convaincu qu’il n’y point en Belgique de localité qu’il puisse m’être plus désirable de représenter qu’Anvers. …  j’ai toujours été pénétré de la conviction que les objets qui touchent spécialement à la prospérité d’Anvers devaient avoir une grande part dans les soins du gouvernement. La Belgique a eu son époque d’activité commerciale, parce qu’à cette époque elle avait des moyens tout trouvés d’écouler les produits de ses manufactures. Je pense que les efforts du gouvernement doivent tendre à rendre la vie au commerce maritime, à multiplier les moyens d’échange avec les pays d’outre-mer, à remplacer les débouchés coloniaux que nous avons perdus, à faciliter les rapports commerciaux par une législation libérale….”[102]

 

            De havenstad Antwerpen zat in die tijd in slechte papieren. De Scheldetol, die uiteindelijk vooral woog op de nationale begroting, moest volgens Van Praet zo vlug mogelijk worden afgekocht van Nederland; een spoorweg tussen Keulen en Antwerpen kon de haven levenskrachtiger maken maar ook de ‘koloniale afzetmarkten’ moesten hersteld worden, het liefst door middel van een liberale wetgeving. Van Praet was dus een voorstander van het economische liberalisme, maar wou tegelijk schijnbaar terug naar de situatie waarin externe afzetmarkten de Belgische industrialisatie konden verzekeren.

Uiteindelijk verscheen Van Praet niet op de kieslijsten, maar werd in zijn functie van kabinetschef hersteld, en door de koning voor zijn verdiensten zelfs begunstigd met een unieke eretitel voor het negentiende-eeuwse België: minister van het Huis van de Koning[103]. De katholieke toppoliticus Adolphe Dechamps (1807-1875) schreef over de zeer hechte relatie tussen de koning en de kabinetschef als volgt: “Nul ne sait si Leopold Ier fit Van Praet, ou si Van Praet fit Leopold Ier [104].” Nochtans was hun intense samenwerking begrensd. Pierre Daye, één van de vele biografen van Leopold II, wees erop dat Van Praet zich enkel mengde in de binnenlandse politiek: “...il ne s’intéresse guère aux questions extérieures, sauf quand elles sont d’un intérêt direct et immédiat pour le pays[105].” Zo bleek Jules Van Praet steeds betrokken bij de vorming van een nieuw ministerieel kabinet[106]. Het persoonlijke portret dat baron de Haulleville van de Bruggeling schetste, wees er eveneens op dat hij zich na 1839 toespitste op de steeds grotere binnenlandse conflicten[107].

Maar ook op buitenlands vlak was hij actief. Zijn correspondentie met de afgezette Franse koning Louis-Philippe, koningin Victoria, keizer Napoleon III of Bismarck is helaas helemaal verloren gegaan[108], maar dit gegeven op zich wijst er toch ook op dat Jules Van Praet zijn actieradius niet beperkte tot het parlementaire België. Leopold I nam zelf enkele koloniale initiatieven tijdens zijn regering ten voordele van België, en het lijkt onmogelijk dat geen enkele daarvan de goedkeuring genoten van het kabinet van de koning, de politieke instelling aan het Hof. Dergelijke koloniale ‘experimenten’ waren zo nationaal getint dat ze de goedkeuring van een minister volgens de grondwet impliceerden. Hoewel Van Praet niet behoorde tot het regeringskabinet, kan aangenomen worden dat ook hij om advies werd gevraagd. Koloniale projecten lagen door het Belgische neutraliteitsstatuut politiek namelijk zo gevoelig dat de noodzaak van overleg erover met de kabinetschef van de koning, die zeer gerespecteerd werd door Leopold I, op zijn minst nuttig en aangewezen moet geweest zijn.

Hij speelde zijn rol van kabinetschef van de koning ook alleszins niet als die van een onderdanige slaaf: dit blijkt uit een bewaard citaat van hem in het Brugs waarin hij vastbesloten was zijn koning “altoos de waerheid te zeggen, al most het hem uit zen schoen doen springen[109].” De weinige correspondentie die Van Praet heeft nagelaten wijst er dan ook duidelijk op dat hij niet aan de zijlijn stond toen de vorst zijn koloniale plannen ontwikkelde. Zo werd Van Praet geïdentificeerd als de auteur van een brief aan consul Edouard Blondeel van Cuelebroeck in 1837:

“Il y a longtemps que Sa Majesté est pénétrée de l’immense utilité qui résulterait pour la Belgique de la possession de quelque établissement commercial en dehors de son territoire, en dehors du continent européen. Cette pensée a constamment préoccupé le Roi.”[110]

 

            Leopold I verdronk dan ook bijna in de argumenten ten voordele van het Belgische kolonialisme nadat hij de Belgische onafhankelijkheid in 1839 had geconsolideerd. Hij wou werk maken van een verbetering van het materiële lot van zijn onderdanen door nieuwe afzetmarkten voor de industrie te verzekeren en een georganiseerde emigratie op gang te brengen. Maar er schuilde ook een politieke motivering achter dit idealisme: door België een kolonie te schenken kon definitief afgerekend worden met de orangisten, want dat was één van hun belangrijkste argumenten tegen de Belgische staat. Zo kon Leopold I ook zijn machtsbasis wat loswrikken van de constitutionele Belgische staat, die zijn persoonlijke macht gevoelig inkromp in vergelijking met andere Europese staten[111].

Het prille Belgische politieke en commerciële establishment stond weigerachtig tegenover de koloniale dromen van hun vorst. Leopold I volhardde echter en lanceerde meer dan vijftig koloniale pogingen of projecten, met als geografisch zwaartepunt Zuid-Amerika. Ondanks het verzet van de politici hanteerde Leopold I een officieel middel: hij zond een aantal consuls en de jonge militaire marine uit over de wereld die de kleine kansen van het Belgische kolonialisme moesten benutten[112]. Edouard Blondeel van Cuelebroeck bijvoorbeeld functioneerde als consul onder andere in Abessinië (het huidige Ethiopië) en Guatemala. Over zijn koloniaal project in Ethopië in 1840-1842 schreef Albert Duchesne in 1953 een studie waarin Van Praet duidelijk naar voren kwam als de tussenpersoon in de correspondentie van Leopold I, Blondeel van Cuelebroeck en andere Belgische spelers. De kersverse minister van het Kabinet van de Koning voegde wel nergens nieuwe ideeën aan de briefwisseling toe; hij beperkte zich enkel tot het uitvoeren van bevelen van de koning[113].

            De kolonisering van Santo Tomas in Guatemala betekende een keerpunt in de jonge koloniale geschiedenis van België. Een achthonderd kolonisten ontscheepten tussen 1843 en 1848 in de Santo Tomas-baai waar ze een gemeenschap stichtten onder de Belgische vlag met de toestemming van de koning, de clerus, de adel, de industriële en de handeldrijvende burgerij. Al gauw braken er echter epidemieën, opstanden en financiële problemen uit die het officiële failliet van de onderneming in 1848 veroorzaakten[114]. Het fiasco in Guatemala traumatiseerde de Belgische politiek en stelde het koloniale “elan” in de Belgische politiek volgens Duchesne met vijfentwintig jaar uit[115]. Dit speelde ook mee in de steeds grotere terughoudendheid van Van Praet, die de liberale kritieken van minister Frère-Orban tegen de ouderwetse technieken van kolonisatie met geprivilegieerde maatschappijen of differentiële stelsels, doorspeelde aan de hertog van Brabant: “Il n’y a plus un seul gouvernement qui colonise. Il n’y a plus que la colonisation individuelle[116].

Van Praet was niet alleen de rechterhand van Leopold I, maar ook in het leven van de hertog van Brabant vervulde hij een belangrijke rol. Naarmate de regering van de eerste koning van België zijn einde naderde, ontzegde Leopold I iedereen de toegang tot zijn vertrekken behalve Jules Van Praet. Bovendien vertikte Leopold I het tijdens die laatste dagen zijn eigen kinderen te ontvangen. Toen Leopold I de tiende december 1865 stierf, stond zijn trouwe kabinetschef aan zijn zijde. Leopold II bevestigde Van Praet al vlug in zijn functies. De onervaren nieuwbakken koning vond in hem een broodnodige raadgever voor de vele politieke en internationale vraagstukken die hem te wachten stonden. Samen hadden ze een vette kluif aan de Belgische twisten tussen liberalen en katholieken, de Pruisisch-Oostenrijkse oorlog (1866) of het Luxemburg-vraagstuk in datzelfde jaar. Jules Van Praet kon beschouwd worden als de tweede vader of de mentor van de nieuwe koning[117]. Hij bewonderde het talent van de kroonprins en gaf hem de toestemming om oude dossiers van zijn vader in te kijken. De deur van de kabinetschef van de koning stond altijd open voor de jonge hertog[118].

Over zijn medewerking aan het kolonialisme van zijn nieuwe en gedreven koning, zwegen bijna alle bronnen in het onderzoek. Enkel de nagelaten papieren van Emile Banning bevatten een korte en ongedateerde brief van Jules Van Praet, die een blik in de mening van de Bruggeling over het Afrikaanse werk van Leopold II mogelijk maakte:

“Mon cher Monsieur Banning,

Je vous restitue la 2e feuille. Je trouve cela d’un intérêt extrême. Il faudrait lire bien des volumes pour acquérir les notions géographiques que vous avez si condensées en quelques pages. Je lis cela avec un grand charme. Vous donnez un joli coup d’épaule à l’affaire. Je n’ai pas de remarques à faire. J’ai fait une petite croix au haut de la page 28, parce qu’il me semblait qu’il valait mieux mettre «revoit» au lieu de «revît» ou «entreprit» au lieu d’ «entreprend.»

Mille amitiés. (s) Jules Van Praet.”[119]

 

            Van Praet en Banning waren allebei auteurs van historische werken. Banning schreef sinds 1867 op eigen initiatief of op vraag van de koning studies en krantenartikels, die steevast het kolonialisme of een betere militaire verdediging van België promootten. Jules Van Praet las en verbeterde ‘avec un grand charme’ het werk van die andere letterkundige aan het Hof. De studie waar Van Praet een ‘extreem belang’ aan hechtte, was de tweede uitgave van L’Afrique et la Conférence géographique de Bruxelles[120]. Van Praet, die zich compleet afzijdig had gehouden tijdens de Geografische Conferentie van Brussel (1876), sprak zich positief uit over het officiële werk van Banning die ‘l’affaire’ ten goede kwam. Onder die ‘affaire’ kon niets anders begrepen worden dan het Afrikaanse werk van de koning, aangezien het officiële werk over de conferentie weinig sporen van de meningsverschillen tussen Banning en Leopold II bevatte[121].

Jules Van Praet zelf had tijdens de regering van Leopold II meer tijd voor zijn historische studies, omdat zijn neef Jules Devaux hem sinds 1866 bijstond in zijn functie van kabinetschef. De minister van het Huis van de Koning zelf schreef in die tijd onder andere zijn Essais sur l’histoire politique des derniers siècles. De drie volumes tellende opstellen lieten zich niet in met de contemporaine Belgische geschiedenis, behalve een kleine zinspeling op het belang van individuele invloeden en “d’augustes dévouements” in de politieke instellingen van de jonge Belgische constitutionele monarchie[122]. Sloeg dit subtiele waardeoordeel op zijn bescheiden zelf of eerder op zijn koningen Leopold I en Leopold II, die het pad naar een Belgische kolonie effenden?

 

 

Jules Devaux (1828-1886)

 

Na een succesvol diplomatiek examen met grote onderscheiding in 1852, bouwde Jules Devaux een carrière uit aan de Politieke Directie van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Maar al na zes jaar verliet hij de ministeriële diensten, om als secretaris in het Kabinet van de koning te werken. Hij vond er twee andere stadsgenoten terug: zijn oom Jules Van Praet en diens vriend Edward Conway. Enkele weken na de troonsbestijging van Leopold II in januari 1866 werd hij kabinetschef van de koning, een ambt dat hij deelde met Jules Van Praet. Vanuit die functie was hij de verbindingsfiguur bij uitstek tussen de jonge koning en de ministers. Vanaf 1884 moest hij wegens een wankele gezondheid een stapje terugzetten. De laatste twee jaar van zijn leven bracht hij reizend door, op zoek naar een herstel van hartproblemen, kortademigheid en een moeilijke wandelgang. De functie van kabinetschef was toen helemaal vacant, aangezien ook Van Praet steeds meer met gezondheidsproblemen af te rekenen had. De secretaris van de koning, graaf Paul de Borchgrave d’Altena, nam in de belangrijke periode van de Conferentie van Berlijn en de internationale erkenning van Congo-Vrijstaat veel van de Devaux’ functies over. In 1886 stierf Jules Devaux op 58-jarige leeftijd in Zwitserland: enkele jaren voordien had de Engelse hofarts leukemie bij hem vastgesteld[123].

De koloniale ideeën van Jules Devaux zijn terug te vinden in een reeks brieven, geschreven tussen 1872 en 1885. Telkens uitte de kabinetschef zich als een scepticus over, en zelfs tegenstander van koloniale aspiraties. Zo schreef hij in 1872 aan Auguste d’Anethan[124]: “Je suis tout ce qu’il y a de plus opposé à ces rêves de colonies. …  Je suis persuadé que ce sont des entreprises qui ne peuvent conduire qu’à des mécomptes de tous les genres. … Je vous dis cela pour vous expliquer mon extrême froideur sur le chapitre[125].”

Vier jaar later herhaalde hij zijn vrees in een brief aan baron Eugène Beyens. Hij verzond toen in opdracht van Leopold II uitnodigingen via de Belgische ambassades aan geografen en wetenschappers voor de Geografische Conferentie van 1876. Toen hij op 28 juni 1876 Beyens in Parijs aanschreef, kon hij zijn gevoelens bij die opdracht niet onder stoelen of banken steken: “Je suis engrainé malgré moi dans cette foutue affaire de l’Afrique; un joujou qui, il est vrai, ne fera mal à personne; qui enthousiasme les géographes, mais qui ici fera rire. ” Hij voegde er aan toe: “Tout ce que vous dites du T.K. est très juste. Celui-là, c’est un joujou dangereux[126].” Met T.K. doelde hij waarschijnlijk op Tonkin, het latere Franse protectoraat in Noord-Vietnam, waar Leopold II samen met een volgzame baron Beyens op een koloniaal plan had gebroed[127]. Het is aannemelijk dat Jules Devaux Afrika als een minder gevaarlijk ‘speelgoed’ beschouwde dan het Verre Oosten, omdat die niemand van de Westerse grootmachten echt pijn kon doen: Afrika was nog steeds een zwarte vlek waar pioniers op ontdekking trokken. In die tijd had men evenmin een idee van de rijke grondstoffen in de Afrikaanse bodem.

Devaux had voor het Afrikaanse plan van Leopold II dikwijls tussenbeide moeten komen. Zo blijkt uit Britse correspondentie dat de kabinetschef helemaal geen meegaande rol had gespeeld in de mislukking van een koloniaal project in Nieuw-Guinea in juli 1875. Devaux gebruikte zelfs Britse argumenten om de koning elke verdere actie te doen opgeven:

“Mr. Devaux said His Majesty had repeatedly spoken to him on the subject and he himself looked upon the project as undesirable and unpractical and had stated that opinion very frankly to the King. It was with great satisfaction he found that it coincided with the views expressed in Your Lordship’s[128] letters, the arguments in which were so convincing and unanswerable that he was certain they would put an end to the scheme at once.”[129]

 

            Het scenario waarbij de kabinetschef van de koning en de Britse vertegenwoordigers in Brussel onder één hoedje speelden om de koloniale dromen van de Belgische koning te blokkeren leek zich te herhalen in het voorjaar van 1876, wanneer Leopold II zijn oog op Borneo liet vallen. Jules Devaux correspondeerde deze keer niet met Lumley, maar met Henry Frederic Ponsonby[130], met wie hij had kennis gemaakt tijdens een trip met Leopold II naar diens tante Victoria[131].

            Met de Belgische ambassadeur in Rome, August Van Loo, onderhield de kabinetschef van de koning eveneens een onthullende correspondentie. Van Loo stond bekend als een uitzonderlijk gedreven en bekwame diplomaat: hij verzorgde de relaties tussen zijn vaderland en Italië dertig jaar lang[132]. Jules Devaux schreef hem enkele maanden voor de Geografische Conferentie in het paleis in Brussel van 1876: “Je comprends le transport de ces vieux géographes mais il n’en est pas moins vrai, sauf le respect que je lui dois, que c’est l’idée la plus burlesque qui ait passé sur la boule humaine. Il faut bien faire un peu joujou[133].” Toen het dossier van de kolonisatie in Midden-Afrika al vijf jaar ver gevorderd was, begon Jules Devaux zich zelfs opstandig gedragen. Hij schreef Van Loo in februari 1883: “Cette question africaine à laquelle je n’ai jamais cru le moindre avenir… pèse sur moi de la manière la plus désagréable. … Mon avis très carré a été, et je l’ai exprimé très énergiquement… de s’en retirer[134].” Tijdens de moeilijke jaren van onderhandelen over de internationale erkenning van de soevereiniteit van Leopolds organisaties over het Congo-gebied, gedroeg Devaux zich in zijn correspondentie met zijn Romeinse pennenvriend onverschillig en pessimistisch over de afloop van de Afrikaanse loopbaan van zijn vorst. Op 15 februari 1884 klonk het gelaten: “Pour moi, tout cela est sans issue, c’est un panache et rien de plus. Panache qui est très exposé à tomber[135].” Een jaar later klonk de kabinetschef zelfs al licht sadistisch, alsof hij plezier had in de problemen waarmee Leopold II werd geconfronteerd: “Notre Auguste Maître est dans un fier embarras avec son Congo. Tu sais la sympathie que j’ai toujours eue pour cette affaire[136].”

            Jules Devaux stortte niet alleen zijn hart uit bij een verre correspondent in Rome, ook zijn eigen medewerkers waren op de hoogte van zijn scepticisme over de koloniale aspiraties van zijn vorst. In volle voorbereiding van de Geografische Conferentie schreef de kabinetschef één van zijn latere opvolgers, Paul de Borchgrave d’Altena, toen secretaris van de Koning, een vertrouwelijke brief op 2 augustus 1876:

            “Mon cher Borchgrave,

… Nous nageons[137] en pleine Afrique. Je parle nègre. J’ai beau m’efforcer, je conserve plus de goût pour les Blancs et je vous avoue que les évolutions auxquelles vous assistez à Berlin ont plus d’attrait pour moi que les faits et gestes des riverains de Victoria Nyanza.

Milles amitiés sincères, (s.) Jules Devaux.”[138]

 

In deze brief maakte Jules Devaux duidelijk dat hij zich slechts met veel moeite inliet met de Afrikaanse koloniale materies, aangezien de Europese politiek hem veel meer interesseerde. Hoewel dit onderzoek de activiteiten van de Borchgrave in Berlijn niet kon verduidelijken, blijkt uit deze brief opnieuw hoe Jules Devaux zijn koloniale activiteiten onverschillig en dwangmatig ondergaat. Wanneer hij tweeënhalve maand later de correcties van de koning aan baron Lambermont in het klad van een telegram aan Jules Greindl doorgaf, besloot hij apathisch: “Si vous demandez si je trouve ces changements heureux, vous m’obligerez à me taire. C’est pas mon affaire[139].

Maar Jules Devaux bleef niet altijd even onverschillig tegenover de koloniale ambities van zijn vorst. Zo schreef hij in maart 1877 aan baron Eugène père Beyens dat de financiële kanten van het koloniale verhaal wel eens een bittere pil om te slikken zouden kunnen worden: “Le Roi diminue ses aumônes. Tout cela (c.à.d.[140] tout l’argent ainsi économisé) part pour l’Afrique. Que sera-ce quand vous aurez conquis le T.[141]?” Indien baron Beyens zich nog actief inzette voor de kolonisatie van Tonkin, dan waren die enkele zinnen een sneer naar de wilde plannen van Leopold II om op twee paarden – Afrika en Noord-Vietnam – tegelijkertijd te wedden. Tussen 1875 en 1882 bleef Leopold II geïnteresseerd waken over de mogelijkheden die Tonkin[142] bood voor Belgische expansie, maar vanaf 1877 zette hij echter zo veel mogelijk middelen in om in Afrika eindelijk resultaten te boeken. Daarnaast kan de brief geïnterpreteerd worden als een beledigende verwijzing naar de periodes van krenterigheid die Leopold II afwisselde met verkwistingen in zijn koloniale zoektocht.

Hoewel Jules Devaux zich bleef verzetten tegen het koloniale speelgoed van zijn meester, was hij ook actief betrokken bij de bouw van het Afrikaans koloniaal imperium van Leopold II. Hij schreef talloze brieven, al dan niet in naam van de vorst naar de medespelers en tegenstanders van het Congo van Leopold II in de aanloop van de Conferentie van Berlijn (1885)[143]. Op die manier kon hij ook waken over de rol van België en zijn vorst in de steeds belangrijke Europese politiek van de negentiende eeuw. Door de neutraliteit van België mocht Leopold II niemand voor het hoofd stoten. Jules Devaux durfde het aan om de koning zelf af en toe terecht te wijzen over de waanzin van zijn koloniale plannen. Zo schreef hij hem in oktober 1883, toen een conflict met Portugal over de soevereiniteit van de Congolese kusten in de maak was: “… Nous sommes allés nous casés en vrai et plein territoire portugais sans la permission du Portugal. Je ne comprends pas bien notre prétention[144].”

 

 

Jules I en Jules II

 

De achtergrond van de twee eerste onderkoningen van ons land kan samengevat worden in drie woorden: liberaal, Brugs en bourgeois. Hun gemene deler was Paul Devaux, de schoonbroer van Van Praet en de vader van Jules, die een politieke carrière opbouwde in de Kamer nadat hij met zijn vrienden Joseph Lebeau en Firmin en Charles Rogier de Belgische revolutie politiek had bestendigd in het Nationaal Congres. Hij werkte mee aan het opstellen van de eerste Belgische grondwet in het comité dat het Nationaal Congres daarvoor samenstelde. Paul Devaux zetelde daarna maar liefst tweeëndertig jaar in de Kamer van Volksvertegenwoordigers, zonder zijn carrière bekroond te zien worden met een ministerpost. Hij was een gematigde liberaal, die wel een vriend vond in de meer radicale Frère-Orban, maar zelf vergroeid leek met het unionisme. Zelf raadde Paul Devaux, die de brochure ‘Le complètement de l’oeuvre de 1830’ in zijn brievenbus had gevonden, hertog Leopold zijn koloniale dromen af, omdat ze te veel tegenstand zouden oproepen en omdat de toenmalige welvaart van het land net bewees dat een kolonie niet noodzakelijk was[145].

Jules Van Praet en Jules Devaux hadden misschien wel zeer goede contacten met de liberale partij, maar probeerden zo neutraal mogelijk te zijn. Zo vertrouwde Van Praet aan zijn vriend Charles Rogier toe dat hij zich voortaan zo neutraal en voortaan mogelijk zou moeten opstellen, om zijn geloofwaardigheid niet te schaden. “Je suis tenu par état à rester en dehors de toute influence ministérielle. … Je suis impartial comme un officier de l’état civil qui inscrit les naissances et les décès sans s’inquiéter de la qualité des personnes et en ayant soin seulement d’observer l’orthographe des noms propres[146].”

Baron de Haulleville bestempelde Jules Van Praet ideologisch wel als één van de laatste discipelen van de liberale school van de Restauratie[147]. Hij herhaalde dan ook vaak dat het niet paste dat politici van kleine landen de grote evenementen zelf maakten, aangezien ze ze ondergingen[148]. Voor Van Praet was de Belgische nationaliteit het gevolg van de geschiedenis, met als gevolg een compromis van gezag en vrijheid in de instellingen[149]. Zijn neefje behoorde wellicht niet meer tot die strekking, maar zijn ideologie bleek nog moeilijker te traceren. Zijn verzet tegen de plannen van Leopold II kan echter wel betekenen dat Jules Devaux zich hechtte aan het ideaal van zijn generatie: het economische liberalisme.

Het beeld dat de historische literatuur over de koloniale ideeën van de eerste twee onderkoningen Jules I en Jules II[150] ophangt, blijkt niet altijd te kloppen. Zo schreef Pierre Daye in zijn biografie van Leopold II: “…le souverain sent que les idées d’expansion lui (Jules Van Praet) demeurent étrangères – tout comme à Devaux – et que lui parler de colonies, c’est se révéler à ses yeux comme un utopiste[151].” In het geval van Jules Devaux lijkt dit aannemelijk wat zijn woorden betreft, maar in zijn daden bleef hij echter Leopold II over het algemeen wel onderdanig en voerde hij zijn bevelen nauwgezet en loyaal uit; hoewel hij het niet altijd kon vertikken om aan een betrouwbare ingewijde zijn sceptische gevoelens daarover toe te vertrouwen. Jules Van Praet stelde zich zeker niet altijd weigerachtig op ten opzichte van Belgisch kolonialisme. Zijn zeer korte politieke carrière in 1840 vertoonde zelfs expliciete wenken om door een zoektocht naar nieuwe afzetmarkten de Antwerpse haven in haar glorie te herstellen. Tijdens de regering van Leopold II dook Van Praet echter volledig in zijn historische boeken en hield hij zich afzijdig van de koloniale avonturen van de vorst. De memoires van Beyens kunnen als een gezagsvolle bron beschouwd worden:

“Van Praet et Devaux ne se occupaient pas du Congo. Ils avaient, l’un et l’autre, exprimé le désir d’être tenus à l’écart de «l’aventure africaine.» Pour M. Van Praet, chargé d’ans et mêlé depuis un demi-siècle à l’histoire de la dynastie, cette abstention était naturelle. Quant à son neveu, il n’avait pas dissimulé au Roi, avec sa franchise habituelle, les mécomptes et les dangers au-devant desquels il courait. L’opinion qui régnait à la cour était que la fondation d’une colonie dépassait les forces du Souverain d’un petit pays et qu’il engloberait sa fortune privée, sans pouvoir créer rien de durable. … Il (Léopold II) n’essaya pas de vaincre l’incrédulité de M. Devaux et se passa de ses services.”[152]

 

Leopold II liet de diensten van Jules Devaux niet helemaal links liggen, maar vertrouwde in zijn koloniale correspondentie op de toewijding, talenkennis en vlotte schrijfstijl die hem tot secretaris van de koning hadden gemaakt in oktober 1858[153]. Toen werd ook al zijn gezond verstand geprezen, waarmee hij zich later steeds verzette tegen de  gevaarlijke koloniale spelletjes van zijn vorst. Maar zoals hij het zelf niet beter kon verwoorden “werd hij ondanks zichzelf meegesleept in de maalstroom van beroerde koloniale affaires[154].”

 

 

5. Een prospectus door de militairen Chazal en Brialmont

 

De militaire consolidatie van het onafhankelijke België overschaduwde steevast de koloniale dromen van Leopold I. Maar ook om overzeese afzetmarkten te verwerven, te controleren en te beschermen had het jonge land nood aan een sterk leger. Een stevige marine, die politiek verzet opriep wegens de gevoelige Belgische neutraliteit en het onduidelijk bepaalde speelveld voor een Belgisch leger in de internationale verdragen, was een ‘conditio sine quae non’ voor koloniale expansie. De koningen smeedden de noodzakelijke banden met de militaire top aan het Hof in het Militaire Huis van de Koning. Bovendien werd de traditie dat de minister van Oorlog voorgedragen werd door de koning, een vage bepaling uit de Belgische Grondwet, lang in stand gehouden. Het onderzoek van deze verhandeling heeft zich slechts toegelegd op de koloniale ideeën van twee generalen uit het Belgische leger: Chazal en Brialmont, die beide niet alleen invloedrijk waren in het leger, maar respectievelijk ook in de politiek en de pers.

 

 

Vleugeladjudant, minister, generaal, baron en temperamentvolle strijder: Pierre-Emmanuel-Félix Chazal (1808-1892)

 

Eén van de belangrijkste militairen van die tijd was generaal baron Pierre-Emmanuel- Felix Chazal. Zijn wortels lagen in Zuid-Frankrijk, maar zijn vader Jean-Pierre Chazal had zich als politieke banneling na de Franse nederlaag in Waterloo eerst in Vilvoorde en later in Brussel gevestigd. Zijn positie in Frankrijk was onhoudbaar geworden omdat hij onder Napoleon I hoge politieke functies had uitgeoefend[155]. Wanneer in de Brusselse straten het verzet tegen het Nederlandse bewind in volle hevigheid losbarstte, toonde zijn zoon zijn militaire talenten door de verdediging van de geïmproviseerde burgerwacht te organiseren. Tijdens het Voorlopig Bewind werkte Chazal onder de tijdelijke minister van Oorlog baron Jolly. Chazal hield zich als luitenant niet enkel bezig met het opruimen van Nederlands verzet in de uithoeken van het Belgische land, maar legde tevens de eerste steen voor een Belgisch leger, dat toen een zeer heterogene en inefficiënte indruk maakte. Hij zwierf doorheen een land dat nog steeds het zijne niet was, om amateuristische legerbataljons en garnizoenen te leiden en dikwijls zelf op te leiden[156].

Pas op 9 juni 1844 werd hij tot Belg genaturaliseerd, wat vele politieke deuren deed opengaan voor de talentvolle militair. Op 5 mei 1846 werd hij vleugeladjudant van Leopold I, op 11 augustus 1847 luitenant-generaal en een dag later minister van Oorlog. Hij stond aan het hoofd van het ministerie tot 15 juli 1850, wat betekende dat hij de touwtjes in handen hield tijdens de Franse revolutie van 1848 en de bijhorende en beruchte ‘Risquons-tout’-operatie. Na zijn eerste politieke carrière verdween hij terug achter de muren van het paleis als vleugeladjudant[157]. Pas in april 1859 werd hij opnieuw minister van Oorlog. Tijdens die periode werkte hij onder andere vlijtig mee aan de Belgische militaire expeditie in Mexico die ten prooi zou vallen aan de Mexicaanse opstandelingen. De zoon van baron Chazal stierf er, wat het gevoelige neutraliteitsidee in de Kamer deed ontaarden in een heus duel om de eer tussen de minister van Oorlog en volksvertegenwoordiger Delaet. Chazal verloor het duel en wou zijn ministerschap opgeven, wat op een verbod van Leopold I botste. Pas na bijna een jaar koningschap van Leopold II trok Chazal zich terug uit de politiek, en concentreerde zich op het adviseren van Napoleon III over de militaire organisatie en tactiek van het Franse leger. Hij hoopte op die manier ook ervaring op te doen, die van nut kon zijn tijdens een volgend Belgisch militair treffen. Uiteindelijk zou hij als hoofd van het Belgische verkenningsleger net die Franse keizer als vijand ontmoeten in 1870[158].

De minister en generaal Chazal ontwikkelde in die periode een hechte vriendschap met de Belgische koningin Marie-Henriette, die zich steeds meer terugtrok in haar vertrekken in Spa omdat de kersverse koning Leopold II geen tijd meer voor haar vrijmaakte. Naast een warme correspondentie nam baron Chazal de vorstin geregeld mee op manoeuvres waar ze haar aanleg tot het drillen van soldaten bewees[159]. Pas in 1875 keerde Chazal terug naar zijn Zuid-Frankrijk, waar hij in Pau genoot van zijn oude dag. Het Afrikaanse avontuur van Leopold II moest dan nog beginnen.

 

 

Het belang van generaal Chazal in de koloniale politiek

 

Pierre-Emmanuel-Felix Chazal bezat zeer goede papieren toen hij Belg werd in 1844. Hij had de verantwoordelijkheid opgenomen om het prille Belgische leger te voorzien van munitie in 1830-1831 en het leger geregeld zelf op sleeptocht genomen. Telkens wanneer een militaire crisis zich zou opdringen in het vervolg van de Belgische geschiedenis tot 1871, stond hij in de voorste gelederen. Hij werd door zijn trouw vlug de lievelingsvleugeladjudant van Leopold I[160]. De jonge hertog van Brabant besefte de invloed van Chazal aan het Hof, die net als Jules Van Praet, het volle vertrouwen genoot van zijn vader[161]. De troonopvolger werd ook door hen van nabij gevolgd, vooral als het ging om de ontwikkeling van zijn soms onstuimige ideeën[162]. Aan de start van zijn tweede ministerschap onderhield generaal Chazal met de hertog van Brabant een vriendschap[163].

            Enkele belangrijke militaire dossiers werden toen aangepakt, die veel interesse wekten bij de hertog van Brabant en zijn vader. Niet alleen de politiek explosieve versterkingsgordel rond Antwerpen maar ook de Brits-Franse expeditie naar China die Leopold I wou ondersteunen met Belgische troepen om er eventueel koloniaal voordeel uit te halen, riep veel commotie op. Leopold I had zijn zoon er ook nadrukkelijk in betrokken om hem de kans te geven ervaring in de Belgische politiek op te doen. Daarnaast waren het wellicht diezelfde twee dossiers die aan de basis lagen van de beslissing van Leopold I om zijn vertrouweling Chazal opnieuw in de regering op te nemen. Het idee om Belgische troepen mee te zenden met een Brits-Franse strafexpeditie naar China werd geopperd door Leopold I, maar verdween algauw door diplomatieke bezwaren in de koelkast. Enkel het jeugdige enthousiasme van de hertog van Brabant verhinderde het definitieve opgeven van het plan. Leopold was zinnens om elke koloniale mogelijkheid tot op het bot uit te buiten, wat botste met de meer realistische mening van zijn jongere broer Filips, graaf van Vlaanderen[164].

Minister Chazal, die weinig ambitie koesterde in een bijna onmogelijk Chinees avontuur, hield zich op de vlakte. De militaire bouwwerken in Antwerpen en de confrontatie met het grote verzet, die aan de basis lagen van de Meetingpartij, slokten teveel tijd op[165]. Het hoofd bieden aan de Franse praktische bezwaren en de Britse koppigheid bij die expeditie was hoogstwaarschijnlijk het laatste waar hij aan dacht. Ook de ervaren koning had alle hoop al laten varen. De enthousiaste jonge Leopold gaf niet op en begon de minister zelf raad te geven: “Je travaille toujours, mais il faut commencer par mettre en avant un arrangement diplomatique. Ce point obtenu, nous aurions de grandes chances de succès. Pour le moment, le mot d’expédition belge en Chine ne doit être prononcé à aucun prix[166].” De diplomatieke oplossing, die de Belgische deelname kon verzekeren, moest volgens Leopold van Chazal komen: hij kon niet alleen de militairen stimuleren, maar was daarnaast minister van Oorlog en vertrouweling van Leopold I. Zijn ministerieel kabinet huisvestte bovendien de jonge kapitein Brialmont, die zeker en vast voor de koloniale zaak gewonnen was[167].

De regering weigerde elke deelname aan de strafexpeditie omdat ze ervan overtuigd was dat de Kamers geen enkel krediet zouden willen vrijmaken voor dergelijke onzekere militaire operaties. Ze had al genoeg hete vuren doorstaan om het parlement een begroting van zestig miljoen frank voor openbare werken en van achtenveertig miljoen frank voor verdedigingswerken in Antwerpen te doen goedkeuren[168]. Kapitein Brialmont liet echter optekenen dat het project in China volgens hem mislukt was omdat “les ministres civils, appuyés par les principaux journaux du pays, étaient d’avis qu’il se conciliait difficilement avec le statut international de neutralité qui était celui de la Belgique[169].” Brialmont impliceerde hiermee dat de enige militaire minister, generaal Chazal, de Belgische neutraliteit niet zag als een argument tegen de expeditie.

In het archief van generaal Chazal bleef weinig bewaard over zijn koloniale ideeën, behalve één brief die zeer duidelijk een standpunt innam tegen wilde plannen van de jonge Leopold. Met enige voorzichtigheid zou hieruit kunnen worden afgeleid dat niet zozeer de neutraliteitsstatus van België Chazal zorgen baarde, maar wel de stoutmoedigheid van de troonopvolger. Kapitein Brialmont had in het kabinet van Chazal, quasi in opdracht van hertog Leopold, een tekst geredigeerd over het nut en de noodzaak van een Belgische kolonie. Chazal had Brialmont vrijspel gegeven in documentatiewerk, maar toen hij als één van de eersten een kladversie van ‘Le complètement de l'œuvre de 1830’ onder zijn neus kreeg op 25 juni 1859, moest hij ongetwijfeld eens goed slikken. Brialmont pleitte in de brochure openlijk voor de noodzaak van koloniale ambities, wou de jonge kleine staat zich op lange termijn consolideren. Vooral het Britse voorbeeld van een ‘informal empire’ met kleinschalige handelsposten kwam tot uiting in een enthousiast pamflet, dat de koloniale onwil van de politieke klasse teniet wou doen door middel van allerlei economische en demografische argumenteringen. Met de brochure verbraken Brialmont en de hertog van Brabant ook de stilte rond het geheime Chinese project, dat de facto al mislukt was[170].

Baron Chazal vroeg de troonopvolger op 28 juni 1859 de brochure niet te publiceren. “Je pense Mgr, que vous auriez tort de donner la moindre publicité à cet écrit, et même d’en donner communication à la personne qui vous l’a demandé[171].” De funderingen die de patriottische generaal hierbij inriep, werden ongetwijfeld als zeer pijnlijk ervaren door de kroonprins. Niet alleen gaf de brochure volgens Chazal blijk van jeugdige onbezonnenheid die alleen maar verholpen kon worden door meer ervaring op te doen, maar Leopold sloeg de bal helemaal mis door in de brochure van bovenaf dwangmatige principes in te roepen zonder dat het volk overtuigd was. “Il ne faut pas qu’un Prince parle le langage des tribuns et qu’il proclame des principes absolus dans des termes qui sont de nature à blesser profondément ceux qui sont d’un autre avis que le sien[172].”In zijn brief sloeg en zalfde Chazal tegelijkertijd:

“Je ne partage pas toutes les opinions que vous émettez dans votre mémoire, je suis persuadé que vous les abandonnerez un jour, mais j’ai à cœur votre réputation, votre popularité, votre influence. Je comprends très bien ce qui s’est passé en vous lorsque vous avez écrit ces lignes[173].”

 

In de brief werd het woord kolonie of kolonialisme echter geen enkele keer vernoemd. Het lijkt er bovendien sterk op dat Chazal in de brief niet alleen toespelingen maakt op de brochure van Brialmont, maar ook op de binnenlandse politieke strijd over de fortificaties in Antwerpen, die het parlement regelmatig in vuur en vlam hadden gezet. Het is helemaal niet uitgesloten dat de jonge Leopold zich op een bruuske en provocerende manier had gemengd in die discussie.

“Je ne vous dis pas cela Monseigneur, dans l’intérêt du projet que je vais défendre à la chambre et devant le pays, mais dans votre intérêt personnel. … Croyez moi, Mgr, nous entrons dans une ère ou un Prince ne peut avoir trop de circonspection et de prudence. … Evitez de vous lancer dans nos discussions et nos polémiques, évitez de prendre parti dans nos luttes[174].”

 

Of de kern van de brief nu handelde over het verzet van Chazal tegen de houding van Leopold in de koloniale materie of in de militaire materie, maakt eigenlijk weinig verschil. Het was de manier waarop Chazal de troonopvolger had geadviseerd die verduidelijkte dat Chazal na Leopold I een monarch wou die netjes binnen de lijnen van de constitutionele monarchie bleef, en dat hij persoonlijke absolutistische trekjes in militaire en koloniale dossiers verwierp. Elders noemde Chazal de koloniale dromen van hertog Leopold “certaines exagérations de la jeunesse[175].” De jonge hertog van Brabant zelf was ondertussen al lang overtuigd van het falen van die manier van werken langs Kamer en Senaat in het opstarten van een koloniaal avontuur: hij zou zelf het initiatief moeten nemen door het stichten van een internationale handelsmaatschappij zoals de grote kolonisatoren dat in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw hadden gedaan[176].

Indien Chazal in 1859 al een nuttige functie had vervuld in de ogen van de hertog van Brabant, dan bleef de collegialiteit na 1861 stokken. In mei 1861 zei Leopold onbeschaamd en laattijdig een afspraak af met de al drukbezette minister. De brief was bondig, maakte ongetwijfeld een onbeleefde indruk bij de joviale generaal en eindigde met de opmerking dat Leopold pas opnieuw contact zou opnemen met Chazal nadat hij zijn ‘conseiller colonial’ had ontvangen. De hertog van Brabant liet op die manier verstaan dat hij zijn koloniale plannen niet liet rusten, en dat hij Chazal enkel nog nodig had als raadgever in militaire dossiers[177].

Alphonse Vandenpeerenboom, van wie dagboeknotities tijdens de eerste troonswisseling van het onafhankelijke België zijn bewaard en uitgegeven, bevestigde als bevoorrechte getuige dat het al een tijdje niet boterde tussen generaal Chazal en de jonge Leopold[178]. Wanneer de hertog van Brabant en de minister van Oorlog botsten in koloniale of militaire materies, zou Chazal steevast het rebelse gedrag van de kroonprins gaan klikken zijn bij de koning, wat de latere Leopold II hem nooit heeft kunnen vergeven[179]. Of er eigenlijke meningsverschillen waren, maakte Vandenpeerenboom niet duidelijk. Chazal en Leopold dachten ongetwijfeld wel hetzelfde over de militaire toestand van België: die moest dringend opgekrikt worden. De lange retorische speeches van Chazal uit die periode stonden bol van patriottische oproepen om de Belgische defensie serieus te nemen. Antwerpen moest bovendien niet alleen materieel versterkt worden, maar kon op lange termijn wel een marine gebruiken om haar bloei te verzekeren[180]. Het belang van Chazal in de koloniale politiek van Leopold II was echter veeleer negatief: door zijn correspondentie met generaal Chazal besefte de jonge hertog van Brabant hoe groot de oppositie tegen de uitvoering van zijn koloniale droom zou worden.

Bijna tegelijkertijd met de troonsbestijging in 1865 trok Chazal zich terug als minister, wat natuurlijk ook te maken had met de Mexicaanse expeditie en zijn verloren duel om de eer[181]. Bij de koloniale projecten van de tweede koning zou Chazal zich volledig afzijdig houden. Hij bleef Leopold II wel trouw bij de militaire verdediging en leidde de Belgische troepen in het zuiden van het land tijdens de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871. Als vleugeladjudant bleef hij bovendien aan het Hof verbonden, en vervulde er vooral ofwel officiële taken ofwel privé-taken in dienst van koningin Marie-Henriette. De moeilijke verhouding tussen de generaal en de koning kwam nog één keer in de openbaarheid in 1886. De achtenzeventigjarige Chazal mengde zich toen in de discussie over de Maasversterkingen, en verzette zich tegen de koninklijke plannen. Spontaan draaide de vorst de geldkraan dicht, en nam de generaal op rust de toelage af die Leopold I in zijn testament had voorzien voor zijn lievelingsvleugeladjudant[182].

 

 

De militaire duizendpoot Henri-Alexis Brialmont (1821-1893)

 

De hertog sloeg het advies van Chazal om de brochure ‘Le complètement de l’oeuvre de 1830’ niet uit te geven volledig in de wind. Al vlug werd de auteur door de Belgische kranten ontmaskerd: kapitein Brialmont, kabinetsmedewerker van Chazal en goede vriend van de jonge Leopold. Zijn vader was generaal Laurent Mathieu Brialmont, die in 1850 Chazal opvolgde als minister van Oorlog. Hij werkte bovendien als vleugeladjudant van zowel Leopold I als Leopold II. Generaal Chazal had zijn zoon, de jongere en de talentvolle Henri-Alexis Brialmont toegevoegd aan zijn kabinet in 1847 omwille van zijn uitgebreide kennis van militaire verdedigingsstructuren. Ook in 1859, toen Chazal de handschoen van het ministerschap opnieuw opnam, werkte Brialmont in zijn kabinet van Oorlog. Generaal Berten, de voorganger van Chazal als minister, was gestruikeld over het explosieve dossier van de uitbreiding van de verdedigingsgordel rond Antwerpen. Het leger had in de persoon van generaal Léonard Greindl[183], een andere minister van Oorlog in die periode, de legerofficier Brialmont in de tussenperiode berispt en overgeplaatst naar onder andere het verre Menen en Ieper omdat hij hierover ongewenst voouitstrevende ideeën had verkondigd. Uiteindelijk zou Chazal dankzij zijn retorische talenten de vernieuwende militaire architectuur van Brialmont doen triomferen: in de Kamer werden kredieten vrijgemaakt in 1860 voor een vernieuwde en vergrootte vestinggordel voor Antwerpen volgens de plannen van Brialmont[184].

Henri-Alexis Brialmont zou als legerofficier tot zijn grote frustratie nooit deelnemen aan een gewapend conflict, maar publiceerde doorheen zijn hele leven minstens achtennegentig brochures of boeken, die dikwijls op zijn minst strijdvaardig of provocerend genoemd konden worden[185]. In zijn strijdschriften toonde Brialmont zich steeds een hevige voorstander van een militaire versterking van België. Het neutraliteitsprincipe vormde voor hem absoluut geen hinderpaal in de ontplooiing van een betere landsverdediging. De neutraliteit passief ondergaan zonder stok achter de deur, druiste in tegen zijn gezond verstand. Op die manier kreeg hij echter wel een slechte reputatie bij de parlementsleden, die zich vooralsnog vastklampten aan een overwegend passieve − in de ogen van Brialmont naïeve − militaire politiek.

Het belang en het nut van een marine voor de economische, defensieve en koloniale ontwikkeling van België vormde in 1853 het onderwerp van de brochure ‘Utilité d’une marine militaire.’ Twee jaar later schreef Brialmont een ‘Projet de réorganisation de la marine de guerre belge’ en ‘Reflexions sur la marine militaire belge[186].’ De noodzaak van een sterkere handelsvloot, beschermd door een zeemacht, vormde de rode lijn in deze pamfletten. Brialmont verbaasde zich erover dat die in België nog steeds niet bestond, ondanks de ongebreidelde economische boom waar België in terecht was gekomen. Bovendien stagneerde de ondernemingsgeest in een land waar de industrie er wel sterk op vooruitging en dat één van de grootste havens van Europa had.

“Ne devrait-il pas, ce pays essentiellement producteur, fouiller tous les points du globe et chercher à lutter avec les autres nations, en faisant explorer d’avance les contrées susceptibles de favoriser les industries, en étudiant les besoins et les ressources locales, en indiquant la nature et l’époque des envois à faire, etc.?[187]

 

Naast de verkenning en ontsluiting van buitenlandse afzetmarkten was een zeemacht in België ook aangewezen om de Schelde te verdedigen, te patrouilleren voor de Belgische kust en de visvangst te beschermen[188].

Leopold I stelde datzelfde jaar een commissie samen, die het vraagstuk van (koloniale) expansie moest onderzoeken, en waarin Brialmont tot rapporteur werd aangeduid[189]. In de commissie, die de regering enkel de raad gaf om vier korvetten, vijf schoeners en zes kanonneerboten aan te schaffen, drong Brialmont aan op het aanknopen van handelsrelaties met en het stichten van handelsposten in overzeese gebieden, bij voorkeur onbezette gebieden om op die manier dankzij ‘het recht van de eerste bezetter’ ook makkelijk internationale goedkeuring te bewerkstelligen[190].

De eerste Belgische vorst sprak in diezelfde periode zijn internationale contacten aan om de fortificatieplannen voor Antwerpen van Brialmont en anderen te evalueren. Toen ook die het uitzonderlijke talent van de jonge kapitein erkenden, werd Brialmont een graag geziene gast aan het Hof. Leopold I stelde Brialmont voor aan zijn oudste zoon, en tussen die twee groeide een bloeiende samenwerking voor de koloniale zaak[191]. Brialmont toonde zich namelijk graag bereid om samen met de hertog van Brabant de overzeese uitbreiding te bestuderen, waarop Leopold hem moet ingeschakeld hebben in zijn studiewerk. Dit onderzoek kon de manier waarop dit gebeurde weinig verduidelijken, behalve dat de jonge Leopold zijn nieuwe strijdmakker bedolf onder de studievoorstellen en aanmoedigingen voor een nieuwe brochure over de noodzaak van het Belgische kolonialisme[192]. Brialmont kloeg er zelfs over: “Le Duc de Brabant me prend pour un bureau de statistique[193].”

Het eerste resultaat van hun samenwerking was een artikel in de Journal de l’armée belge getiteld Considerations politiques et financiers sur les colonies[194]. Een volk stond in de ogen van de auteur niet alleen sterk door haar numeriek aantal of de welvaart van haar handel, maar ook door een krachtig koloniaal systeem. Een serie historische voorbeelden waaronder Carthago, de Verenigde Provinciën van Holland, Venetië, Genua en Pisa bevestigden die stelling[195]. Het Britse voorbeeld in de eigen tijd toonde het ongelijk van de Belgische thuisblijvers die zo de staat gevoelig verzwakten op het internationale speelveld.

Hun samenwerking mondde uit in de al eerder aangekaarte brochure ‘Complètement de l’œuvre de 1830: établissements à créer dans les pays transatlantiques: avenir du commerce et de l’industrie belge[196].’ Ook baron Lambermont had een aandeel in de redactie van deze studie. De brochure werd aanvankelijk anoniem en verkort eind 1859 gepubliceerd, en wat later, ondanks het verzet van generaal Chazal, toch voluit en met vermelding van het auteurschap van Brialmont uitgegeven. De jonge auteurs wilden de trauma’s, die de Belgische politiek had opgelopen in 1839 (het Verdrag van de XXIV Artikelen) en in 1848 (de koloniale mislukking in Guatemala), verwerken. De tijden waren veranderd sinds de conservatieve sir Robert Peel in Groot-Brittannië de Corn Laws had afgeschaft en het economische liberalisme predikte. De afschaffing van de Navigation Act in 1849 betekende een totale ommekeer in de handelspolitiek van de economische grootmacht van dat moment, wat op lange termijn een domino-effect in gang zette voor de andere spelers op de wereldmarkt.

Het bezit van kolonies drong zich misschien daarom niet meer zo op, maar het nut ervan werd niet helemaal teniet gedaan volgens Brialmont en Leopold. Ze speculeerden niet langer op het bezit van één enkele overzeese kolonie, maar veeleer op het controleren van meerdere handelsposten, wat in het kader van het economische liberalisme het meest voordelig zou zijn[197]. “Le meilleur moyen de créer des débouchés est d’envoyer, de temps en temps, des expéditions dans les contrées avec lesquelles il y a chance de nouer des relations commerciales[198].” Pierre Daye merkte terecht op dat Brialmont zich in de brochure (nog) niet uitsprak voor de zoektocht naar een kolonie in de enge formele zin van het woord[199]. Het ging  om ‘comptoirs belges’ in of ‘relations commerciaux’ met een vreemde bevolking. Voorlopig stond België natuurlijk ook niet te springen om in een grootschalig koloniaal avontuur te duiken. In ‘Le Complètement de l’oeuvre de 1830’ schreef Brialmont dan ook duidelijk:

“… il ne serait pas question, naturellement, de créer dans cette île un établissement colonial. Ces sortes d’établissements, autrefois nécessaires quand ils fournissaient à l’industrie de la métropole un marché exclusivement réservé, n’ont que peu d’utilité là où il existe des ports ouverts à tous les pavillons[200].”

 

            Die visie van een feitelijk ‘informal empire’ valt op het eerste gezicht moeilijk te rijmen met het artikel van Jean Stengers waarin hij de blinde aantrekkingskracht uiteenzette die het Nederlandse koloniale ‘kultuurstelsel’ met een ‘batig slot’, vooral toegepast in Java, rond 1860 uitoefende op de jonge hertog van Brabant[201]. De voorliefde voor die manier van koloniseren stond echter in schril contrast met de beperkte mogelijkheden om op die manier kolonialisme in België te promoten, omdat de eerste morele bezwaren, onder andere door Multatuli, in diezelfde periode verspreid werden. De fascinatie van de kroonprins voor dit Nederlandse kolonisatiesysteem, vooral financieel voordelig voor het moederland, speelde wellicht vooral een rol op de achtergrond in de intieme ideologie van de latere vorst. Stengers merkte in zijn artikel toen al op dat Leopold zelf zich steeds onthield van elke economische analyse van een koloniaal stelsel wanneer hij zijn zinnen op een gebied zette: “Or loin que le cas de Java l’ait incité à la prudence, il a contribué à donner à Léopold II une confiance qu’on pourrait presque qualifier d’aveugle dans toute colonie généralement quelconque[202].” Op basis van het artikel van Stengers kan het auteursschap van de jonge Leopold voor de brochure ‘Le Complètement de l’oeuvre de 1830’ niet uitgesloten worden, aangezien het doel van dat pamflet helemaal niet het verspreiden van de koloniale bedoelingen van de troonopvolger betekende. Het was geen tekst die het nut van een Belgische kolonie wou aantonen, maar wou aantonen dat België met een militaire marine, regelmatige internationale scheepvaartverbindingen en een nieuwe handelsklasse die zich richtte op de grote buitenlandse markten, zich economisch en demografisch kon versterken[203]. Hierbij wezen Brialmont en Leopold II op de actuele mogelijkheden van het Verre Oosten.

De brochure kaderde concreet in de plannen van hertog Leopold om Belgische afzetmarkten te zoeken in China, dat na de opiumoorlogen meer opengesteld werd voor buitenlandse handelaars. Het gros van de brochure, vier van de acht hoofdstukken, behandelde de voordelen van Chinese afzetmarkten[204]. Later zou de vriend en biograaf van Brialmont, Paul Crokaert, wijzen op de hints die hij toen al gaf om ook afzetmarkten te zoeken aan de Westkust van Centraal-Afrika[205]. Het zou echter anachronistisch en verkeerd zijn om hem volledig te volgen in de redenering dat Brialmont op die manier mee aan de basis lag van het Afrikaanse verhaal – wat Crokaert en Roeykens allebei beaamden – aangezien de Afrikaanse mogelijkheden in de brochure in het niets verdwijnen tussen de aansporingen tot kolonisatie van vooral China en Australië[206]. Bovendien bekende Brialmont zelf in zijn mémoires dat de hertog en hijzelf met de medewerking aan de Frans-Britse expeditie de bezetting en de verwerving van één van de eilandjes voor de monding van de Yangtze of de Lange Rivier beoogden. Vanuit dit eiland kon België dan handel drijven met het immense en rijke Chinese binnenland, ondersteund door een klein Belgisch leger[207]. De publicatie van ‘Le complètement de l’oeuvre de 1830’, die de Belgische deelname aan de expeditie ondersteunde, ambieerde met andere woorden zeer weinig in Afrika.

De politici hadden het voorstel tot Belgische medewerking aan de Frans-Britse expeditie in China succesvol genegeerd, maar Leopold en Brialmont beseften ondertussen wel de omvang van de politieke tegenstand. Ze bleven toch onverminderd pleiten voor actie, die enkel een nieuwe generatie op zich kon en moest nemen: “1830 a assuré notre avenir politique. Que 1860 soit le point de départ d’une série d’efforts et d’entreprises pour assurer notre avenir commercial et industriel[208]!” Indien de zonen van de huidige elite de noodzaak om de Belgische horizon te verbreden niet wilden begrijpen, dan zouden ze de zinloze interne strubbelingen tot in de eeuwigheid verlengen[209]. De mentaliteitsverandering moest uitmonden in een samenwerking tussen regering, kapitaal en de marine. De regering had als taak elke handelsbelemmering voor de Belgische buitenlandse handel weg te werken[210] en actief mee zoeken naar afzetmarkten. Investeringen van de kapitaalkrachtigen in de overzeese verkenning en handel leek de jonge Brialmont (en de hertog van Brabant) meer te getuigen van aandacht voor de broodnodige werkgelegenheid dan het spelen op de beurs, wat enkel individuele winst opleverde zonder aandacht voor de dringende behoeften van hun armere landgenoten. Brialmont liet echter ook een opening voor de leiding van één man die het hele koppige land op sleeptouw moest nemen en het land overtuigen van het nut en de noodzaak van koloniale ambities[211]. Hij had ongetwijfeld de jonge troonopvolger al aan het werk gezien in de Senaat[212], en misschien hoop geput uit zijn enthousiasme en doorzettingsvermogen.

De koloniale ideologieën van Brialmont en de hertog van Brabant mogen echter niet helemaal gelijkgeschakeld worden. Brialmont vond zijn inspiratie vooral in economische en demografische factoren[213], zoals het verzekeren van een grotere tewerkstellingsgraad, terwijl de hertog van Brabant daarnaast echte imperiale en passionele motieven aanhaalde. Hij wilde zijn kleine Belgen omvormen tot “un peuple impérial capable d’en dominer et d’en éclairer d’autres[214].” Het indrukwekkende bouwprogramma van de ‘koning-bouwheer’ overal in het Belgische land zou later de bedoeling hebben het land nog meer te overtuigen van de voordelen van dergelijk imperialisme[215]. Brialmont deelde die passionele en sterk patriottische motiveringen van de troonopvolger slechts in mindere mate[216]. Hij beperkte zich liever tot de algemene wetmatigheden waaraan een staat naar zijn mening onderhevig was in haar strijd om veiligheid en vitaliteit.

Wat ze wel gemeen hadden was het positivistische discours, dat eigen was aan de tweede helft van de negentiende eeuw. De natie werd in hun militaire en koloniale ideologie geplaatst in een competitief kader: sterke staten verdrongen de kleine en onmachtige staten[217]. Uiteindelijk werden de verzwakte staten altijd onder de voet gelopen tijdens een zoveelste krachtmeting van de Europese mogendheden. De nachtmerrie van een schending van de neutraliteit van een militair onvoorbereid België achtervolgde Brialmont in zijn hele ideologie. Het feit dat het platte België zonder één enkele natuurlijke hindernis centraal openlag in het centrum van Europa volhardde hem enkel in zijn pogingen om België te versterken. “Il désire la Belgique forte afin que sa richesse cesse d’allumer l’envie chez ses voisins; il la désire forte aussi, afin qu’elle puisse accroître son patrimoine, faire flotter son pavillon sur les mers, s’établir sur les plages lointaines[218].”

De sleutel voor het versterken van de natie lag niet alleen in zijn militaire weerbaarheid, maar ook in zijn economische slagkracht. Het dienen van de politieke en economische belangen en behoeften van de commerciële en industriële middenklassen resulteerde in een dynamische staat waarin de handel en industrie zich konden uitbreiden. Enkel op die manier kon de vrijheid en welvaart van een zo groot mogelijk deel van de bevolking gemaximaliseerd worden. Het voorbeeld van Groot-Brittannië, dat voorop ging in de internationale handel en industrie, bevestigde deze liberale tendens, waarin materiële en politieke behoeften aan elkaar gekoppeld werden. Hun succesvolle model van “imperialism of free trade” binnen een informeel koloniaal imperium trok Brialmont duidelijk aan.

Na de uitgave van ‘Le complètement de l’oeuvre de 1830’ en de bijhorende weerleggingen van kritieken in Belgische dagbladen, legden Brialmont en de jonge Leopold zich toe op een tweede boek over hetzelfde onderwerp met als werktitel ‘Les Belges à l’Etranger[219].’ Hij bezorgde een kladversie van ongeveer tweehonderd bladzijden aan de hertog van Brabant, die het werk goedkeurde maar de publicatie ervan verbood in afwachting van een beter gedocumenteerd en completer werk. Brialmont werkte passief mee aan het onderzoek, dat vooral door Leopold zelf en een Engelse auteur, Robinson, gevoerd werd. Tot in mei 1864 ontving Brialmont brieven over dit project, maar het boek zelf werd nooit afgewerkt, wellicht als gevolg van de perfectiedrang van de troonopvolger.[220] Zelf stak hij in november 1861 nog het Kanaal over om als gezant van kroonprins Leopold enkele bezoeken te brengen en brieven af te geven aan Britse dignitarissen, onder andere George William Frederick Villiers Lord Clarendon (1800-1870)[221]. In die brieven vroeg Leopold II lord Clarendon raad over de koloniale volwassenwording die de voormalig Britse minister van Buitenlandse Zaken in een eerdere ontmoeting België en haar kroonprins warm had aanbevolen. Daarnaast vroeg Leopold II de meervoudige Britse minister van Buitenlandse Zaken, een echte voorstander van het ‘imperialism of free trade’, of hij een voorwoord wou schrijven in het boek dat Leopold II wou samenstellen[222].

Ondertussen viel de ontwikkeling van een koloniale ideologie bij Brialmont zelf helemaal stil. Zowel zijn memoires als de lange lijst van zijn publicaties tonen na 1861 bijna geen enkel spoor van koloniaal gedachtegoed. Brialmont specialiseerde zich voortaan in militaire pamfletten en de militaire architectuur. Zijn introductie van betonnen koepels en zijn steeds betere bepantsering van versterkingen stonden in binnen- en buitenland in hoog aanzien. Hij liep tot 1891 een carrière in het leger door (vanaf 1874 als generaal-majoor), en kon tijdens die loopbaan zijn specialiteit ten volle uitspelen: hij inspecteerde en ontwikkelde de vele versterkingen van ons land. Zo had hij een groot aandeel in de bouw of verbouw van de militaire vestingen van Antwerpen, Luik en Namen[223]. De relaties met de nieuwe vorst waren bekoeld. Op 23 december 1865 antwoordde Brialmont negatief op een brief van Jules Van Praet met het verzoek van de kersverse koning om in navolging van zijn vader Henri-Alexis Brialmont vleugeladjudant van de nieuwe koning te worden. Ook in een brief aan Van Praet de volgende dag, kerstavond 1865, bedankte Brialmont vriendelijk voor de eer:

“…Homme de lutte et de polémique, discuté et souvent vilipendé par la petite presse, j’ai toujours été un embarras pour ceux qui m’ont employé. Mon caractère et mes défauts ne sont pas un obstacle à ce que je serve utilement dans l’armée active, mais ils me rendront peu propre à remplir  les fonctions d’aide de camp du Roi qui exigent une réserve et une prudence extrêmes.”

 

Bovendien was er nog een praktisch bezwaar: Brialmont was nog steeds geen generaal. Hij zette zich voortaan in voor het vaderland in de pers en in de militaire bouwkunst. Hij zou nooit een functie bekleden aan het Hof en voelde zich daar ook niet toe geroepen. De relaties met de koning gingen er ook niet meer altijd vriendschappelijk aan toe. Door zich geregeld te mengen in debatten over de militaire politiek had hij zich in 1873 de woede van de vorst op de hals gehaald[224]. Brialmont bleef wel zijn hele carrière ijveren voor de invoering van de dienstplicht, een stokpaardje dat hij wel met de nieuwe vorst deelde.

In 1889 publiceerde hij, samen met zijn goede vriend Emile Banning, de kern van zijn ideologie in ‘La Belgique actuelle au point de vue commercial, colonial et militaire: programme de politique nationale[225]. Hun nationale politiek bestond erin de staat op elk vlak te beschermen en te versterken tegen elke buitenlandse dreiging, die in hun ogen niet zo ongevaarlijk was als het politieke establishment bleef denken. Het pamflet vertrok van de vraag of het nieuwe onafhankelijke België haar militaire en commerciële maatstaven had bewaard. Sinds de Romeinse tijd hadden de Belgische gebieden hoge ogen gegooid in militaire weerbaarheid tegen elke bezetter of in de top van het leger van de buitenlandse bezetter. Ook in de ontwikkeling van de verre handel had het ‘oude’ België een groot aandeel gehad[226]. De auteur concludeerde echter dat België zich sinds 1830 teruggetrokken had in haar ‘neutrale’ bastion, en daar dringend bevrijd moest uit worden. Brialmont verwees in zijn gesprekken van die dagen regelmatig naar een citaat van Bismarck: “Jeder Staat muss sich bewusst sein dass sein Friede, seine Sicherheit auf seinem eigen Degen beruht[227].”

Brialmont en Banning doelden met hun pamflet ongetwijfeld op de invoering van de dienstplicht en meer respect voor het Congolese werk van de vorst, maar kwamen zelf niet tot die duidelijke conclusie. De epiloog van de tweede uitgave verdwaalde in de kritieken die de dagbladen hadden gespuid over de brochure en de bijhorende weerleggingen van de auteurs. Vooral de katholieke leider Woeste moest het geregeld ontgelden. Zoals gebruikelijk in die tijd was de discussie na de eerste uitgave immers verder gezet in een groot aantal Belgische kranten[228]. Hoewel Brialmont niet langer een ingewijde was in het koloniale avontuur van Leopold II, beweerde Banning dat zijn vriend en generaal het volledige auteursschap op zich had genomen: “je n’ai fait que retoucher son manuscrit[229].” Dat is niet onmogelijk aangezien de auteur van een kort hoofdstukje over de koloniale vraag vooral algemene argumenten aanhaalde om Belgisch kolonialisme te motiveren: de noodzakelijkheid van emigratie voor een evenwichtige samenleving, de mogelijke wetenschappelijke en humanitaire vooruitgang en de mogelijkheid voor officieren om strijdervaring op te doen[230]. Daarnaast werd het Afrikaanse werk van Leopold II intens verdedigd, en de verschillende kritieken van de parlementariërs beknopt weerlegd[231].

Generaal Brialmont liet zich echter weinig in met de koloniale twisten in de Belgische politiek. Hij had andere katten te geselen: de invoering van de algemene dienstplicht. Hij liet zich in 1890 in een brief aan de nieuwe kabinetschef van de koning, graaf Paul de Borchgrave, dan ook smalend ontvallen: “Je suis en matière de colonisation aussi ignorant que le sont nos représentants en matière militaire[232].” In 1892 ging Brialmont op pensioen bij het leger, zes maanden later dan de leeftijdsgrens toestond. Oud maar zeker niet versleten, begon hij een politieke carrière en werd hij verkozen tot liberale volksvertegenwoordiger in 1893. De elfde juli van dat jaar toonde hij zich opnieuw een voorstander van Belgisch kolonialisme, toen de Kamer zich boog over een grondwetswijziging die de overname van de Onafhankelijke Congostaat door België moest mogelijk maken. Zijn argumentatie deed denken aan de positivistische ideeën voor een sterker België die hij in 1860 in zijn ‘Complètement de l’oeuvre de 1830’ weerspiegelde:

“La crise économique qui pèse sur l’Europe depuis que l’industrie a pris un si grand développement, entraîne les nations vers les entreprises coloniales. La Belgique ne pouvait pas rester étrangère à ce mouvement sans compromettre gravement ses intérêts matériels; notre Roi l’a compris, et c’est ce qui l’a déterminée à substituer son initiative individuelle à la persistante inaction du gouvernement et de la nation.”[233]

 

 

6. Baron Auguste Lambermont (1819-1905)

 

De ongekroonde koning van het economische liberalisme

 

            Baron François-Auguste Lambermont was dé Belgische topdiplomaat bij uitstek in de negentiende eeuw. Zijn carrière oogt op het eerste gezicht misschien weinig indrukwekkend omdat zijn uitvalsbasis sinds 1842 altijd dezelfde is geweest: de centrale administratie van Buitenlandse Zaken. Na een korte deelname als vrijwilliger aan de kant van Isabella aan het krijgsgeweld van de derde Carlistische oorlog in Spanje in 1839, werd Lambermont gevraagd om als attaché in de Belgische vertegenwoordiging in Madrid een buitenlandse diplomatieke carrière te starten. Hij koos echter voor een carrière in de administratie van Buitenlandse Zaken in Brussel, waar hij in 1842 toetrad en maar liefst drieënzestig jaar in functie zou blijven. Sinds 1860 behoorde hij als secretaris-generaal van het departement van Buitenlandse Zaken tot de beperkte kliek van leidende ambtenaren zonder politiek mandaat[234].

“La Belgique est une chaudière qui a besoin de soupapes[235],” zou Leopold I ooit gezegd hebben aan Lambermont. Met die opmerking was de eerste Belgische vorst aan het goede adres, want Lambermont was er al langer rotsvast van overtuigd dat België na zijn politieke consolidatie dringend behoefte had aan economische ademruimte. Lambermont maakte er zijn levenswerk van om op zoveel mogelijk vlakken een economisch duurzamere toekomst voor België te vrijwaren. In 1901 zou hij zijn keuze voor de afdeling Buitenlandse handel bij zijn intrede in het ministerie als volgt verklaren:

“Ce n’est point hasard qui dicta mon choix. La paix était définitivement signée, la constitution politique du pays en pleine vigueur, mais la Belgique cherchait encore ses voies dans le domaine commercial. C’est là qu’était l’intérêt.”[236]

 

Een andere constante in het denken van Lambermont was de methode waarmee dat duurzame België gecreëerd moest worden: het economische liberalisme. Al heel vroeg verkondigde baron Lambermont de voordelen van de vrijhandel boven de toen vigerende protectionistische maatregelen. De omschakeling van landbouw naar industrie die de jonge Belgische economie had ondernomen, moest ook resulteren in een aangepast politiek beleid: landbouwproducten en grondstoffen werden voortaan beter zo goedkoop mogelijk aangekocht en een stabiele export zonder beperkingen moest het ouderwetse protectionisme doen barsten.

De transitie naar een volledige vrijhandel gebeurde met een aantal tussenstappen en verdragen. Tussen 1852 en 1856 tackelden de allerlaatste unionistische regeringen de wet op de differentiële rechten, waardoor een bres werd geslagen in de tolmuren[237]. Baron Auguste Lambermont vervulde in de vroege jaren 1850 al de rol van technische specialist en expert in de buitenlandse handel, en leidde zelf als jonge dertiger verschillende onderhandelingsfasen met Nederland of Groot-Brittannië om de vele protectionistische hinderpalen aan de grenzen weg te werken[238]. De ambtenaar Lambermont vond in de persoon van Walthère Frère-Orban een medestander, en samen waren ze de “drijvende kracht achter de liberalisering van het handelsbeleid[239].” De vrijhandelsbeweging leidde uiteindelijk na vele tussenfasen onder andere tot verschillende officiële verdragen tussen België en Frankrijk (1861), Groot-Brittannië (1862), Nederland (1863) en het Duitse Zollverein (1865)[240]. België zat tijdig mee op de trein van het zogenaamde ‘netwerk van Cobden-verdragen.’

Baron Auguste Lambermont had in deze materies al een groot aandeel, maar schreef daarnaast ook het koninginnenstuk op zijn conto: de afkoop van de Scheldetol in 1863. Sinds 1839 betaalde de Belgische overheid de Nederlandse staat een vast bedrag zodat Nederland haar grootste havenstad niet van de Schelde af zou sluiten. Dat bedrag slokte ondertussen al tot anderhalf procent van de nationale begroting op. In samenwerking met de regering Rogier-Frère-Orban tekende Lambermont in zijn typische stijl de onderhandelingsplannen uit, die komaf moesten maken met het complexe juridische dossier. Hij koppelde de verkoop aan Nederland aan een heffing, te betalen door de buitenlandse schepen in Antwerpen en aan een algemene verlaging van taksen in de andere Belgische havens plus een herziening van de handelsverdragen tussen België en de maritieme staten. Op die manier probeerde hij een compromis te creëren waarin alle partijen zich konden vinden[241].

Hoewel de pers aanvankelijk nauwelijks aandacht had voor de tijdrovende en slepende onderhandelingen tussen 1857 en 1863, moet de operatie geklasseerd worden onder de huzarenstukjes van de Belgische diplomatie. Het resultaat beïnvloedde de expansie van de Antwerpse haven echter in de praktijk zeer weinig aangezien de last van de Scheldetol vooral op de nationale schatkist had gewogen. De onderhandelingen met maar liefst zevenentwintig betrokken staten en de grote internationale conferentie in het neutrale Brussel toverden het dossier toch om tot een nationale mythe, die later door de pers in stand gehouden werd tot de Eerste Wereldoorlog. Lambermont en Rogier zelf beschouwden het resultaat van hun noeste arbeid als de broodnodige aanvulling op de bevrijding van het land in 1831[242].

De conferentie over de Scheldetol vormde het startschot van een reeks internationale conferenties die in Brussel georganiseerd werden. Haar centrale ligging op het Europese vasteland en haar verplichte neutrale houding bevoordeelden België als thuishaven voor multilaterale onderhandelingen. Zo stelde de Russische tsaar Alexander II in 1874 voor om in Brussel een conferentie te houden om het internationale oorlogsrecht en de lijst van verboden oorlogsmisdaden te actualiseren. Baron Lambermont, die zich steeds in zijn sas voelde tijdens dergelijke aangelegenheden, werd door de Russen als voorzitter gevraagd. Hij bedankte diplomatisch voor de eer en speelde de voorzittersstoel door aan een Russische vertegenwoordiger. De geslepen baron leidde veel liever de Belgische delegatie, maar schaarde al vlug door zijn redenaarskunst en diplomatieke talent de vertegenwoordigers van de kleine landen achter zich in een blokvorming om de grote mogendheden niet te veel toe te staan. Zo zou Auguste Lambermont het recht verdedigen van (kleinere) volkeren om zich te verzetten tegen een plotse aanvaller of bezetter, wat uiteindelijk ondanks de andere intenties van de militaire grootmachten op dat vlak door de Conferentie goedgekeurd werd[243].

 

 

Een sleutelfiguur op de achtergrond van het vroege Belgische kolonialisme

 

Ondertussen was Lambermont sinds 1859 in elk koloniaal project van de hertog van Brabant en later Leopold II “le collaborateur indispensable et permanent, l’intermédiaire obligatoire[244].” Hij werd tijdens de koloniale projecten dé sleutelfiguur bij uitstek omdat hij de nodige documentatie en statistieken kon verzamelen ten voordele van Belgisch kolonialisme in zijn ministerie en omdat hij in rechtstreeks contact stond met elke Belgische diplomaat of consul in het buitenland. Zijn ondertussen zeer uitgebreide kennis over waterweg- en scheepvaartverdragen was een andere grote troef voor de latere koloniale activiteiten van Leopold II[245]. Lambermont opende in 1859 zijn archieven voor de jonge Brialmont toen die werkte aan ‘Le complètement de l'œuvre de 1830[246].’ De komende decennia schreef, ondertekende of las Lambermont een groot kelderarchief papieren over de Belgische koloniale expansie.

De ideeën van baron Auguste Lambermont zijn echter moeilijk te traceren in die hopen archiefmateriaal. De constante van zijn denken, het economische liberalisme, bleek naar zijn mening niet te botsen met de expansiedrang van de beide vorsten. Lambermont deelde wellicht de hoop die heerste in de hoogste kringen van de Belgische diplomatie en politiek na het Verdrag van de XXIV Artikelen, om het geamputeerde land te vergroten en zo haar internationale slagkracht te vergroten. Zijn geleidelijk steeds meer enthousiaste houding ten opzichte van de plannen van de tweede koning van België stond echter haaks op zijn economische doctrine, omdat Leopold vanaf 1860 steeds meer in neo-mercantilistisch vaarwater kwam met zijn interesse voor de theorie van ‘batig slot’ uit het Nederlandse kolonialisme[247]. Het is onduidelijk of baron Lambermont instemde met die evolutie en Leopold volgde in het aanprijzen van het recente boek Java or how to manage a colony van J.W.B. Money[248], maar zoals eerder aangetoond was die Nederlandse theorie wellicht vooral aanwezig in de intieme ideologie van Leopold II[249].

De ambigue en eigenzinnige houding van baron Lambermont was echter niet uniek. In Le complètement de l'œuvre de 1830 kwam Henri-Alexis Brialmont al eerder met een verrassende argumentatie op te proppen om het economische liberalisme binnen een mondiaal kader van het ‘imperialism of free trade’ te hanteren ten voordele van Belgisch  kolonialisme:

“A l’époque où le gouvernement intervint dans l’affaire du Guatémala, les colonies européennes étaient fermées au commerce belge par des lois prohibitives ou des droits différentiels élevés … Il fallut donc songer à créer nous-mêmes des bases d’opérations pour le commerce national. A ce point de vue, on ne peut qu’applaudir à l’idée de former une colonie belge sur le vaste continent américain. … Depuis cette initiative, que notre défaut d’initiative et de persévérance a seul fait échouer, la situation a changé complètement. Sous l’impulsion de la grande réforme économique, à la tête de laquelle se plaça l’illustre Robert Peel, les idées sur la liberté du commerce ont gagné du terrain en Europe, et le moment n’est peut-être pas éloigné où toutes les puissances lèveront les barrières dont elles ont entouré leurs possessions transatlantiques. Dès lors, la nécessité de créer des colonies agricoles pour favoriser le développement du commerce et de l’industrie nationale n’existera plus au même degré[250].”

 

Ook in zijn Considérations politiques et financières sur les colonies, één van zijn latere brochures, werkte Brialmont dezelfde idee uit. Slechts nadat alle koloniale mogendheden hun markten volledig zouden liberaliseren, zou er geen reden meer bestaan voor andere landen om aan formele overzeese expansie te doen. Vooral kleinere landen, die moeite hadden om de veiligheid van hun bevolking te garanderen, hadden er voorlopig nog voordeel bij om hun handel en industrie te versterken door overzeese nederzettingen te stichten. Voor Brialmont volstond het dan ook om enkele kleine, strategische, maar ook makkelijk te verdedigen gebieden te verwerven, die later tijdens de volledige vrijhandel als eigen uitvalsbasis konden dienen[251].

Baron Lambermont kon zich wellicht ook in die theorie vinden. Zonder een eigen overzeese handel uit de grond te stampen en op lange termijn economische stabiliteit te verzekeren, verzwakte België op het internationale vlak, ook aan de onderhandelingstafel waar Lambermont een vaste klant was. Hij bleef echter wel het economische liberalisme verdedigen, maar van die doctrine kon niet alle heil verwacht worden. Wellicht wou baron Lambermont de overzeese handel een duwtje in de rug geven door mee te werken aan een ‘nobel overheidsinitiatief’. Dat sprak het economische liberalisme op korte termijn misschien wel tegen, maar op lange termijn kon de ingreep van Leopold II uitmonden in volle vrijhandel omdat ze de protectionistische tegenstand had gebroken. Ook de bezorgdheid om de Antwerpse haven, het belangrijkste economische knooppunt van België maar via het spoor weldra ook van de Duitse Rijnstreek, speelde ongetwijfeld een rol.

Het publieke kolonialisme van de jonge hertog van Brabant, met andere woorden het discours waarmee hij naar buiten kwam, vertrok toen ook niet van een puur imperialistisch concept met bezetting en annexatie van het overzeese grondgebied door het Belgische moederland. Leopold hanteerde aanvankelijk liever een mengvorm tussen het ouderwetse territoriaal bezetten van overzees grondgebied en het sluiten van handelsverdragen met (haven)steden en gebieden, al dan niet gesticht door Belgen of met Belgisch geld. Maar het tweede kon naar het eerste leiden, wat de jonge Leopold waarschijnlijk nog niet wilde noch kon verkondigen door de grote politieke tegenstand in die tijd. Leopold kende de kritieken van het economische liberalisme tegen een neo-mercantilistische kolonisatiepolitiek – vooral de School van Manchester had hij goed bestudeerd[252] – maar hij was er niet van onder de indruk. Hun argumenten dat een ouderwetse kolonie het moederland enkel geld kostte in plaats van opbracht, vond hij onzin. Hij kende minstens evenveel voorbeelden uit de geschiedenis, waar het moederland er zeer veel baat bij gehad had. Opnieuw speelde het Nederlandse koloniale verhaal in Java een prominente rol in zijn gedachten. De geslepen kroonprins maakte zich het discours van de economisten echter ook eigen. Zo verkoos hij in de Senaat veelal de typische term ‘comptoir’, wat vertaald kan worden door handelspost[253].

Maar uiteindelijk lag Leopold niet wakker van de theorie van de vrijhandel. “La forme de colonisation dont il s’était fait le champion, en effet, ne lui paraissait pas touchée par ces critiques et il est de fait qu’elle l’était assez peu[254].” De innerlijke divergentie tussen de kroonprins en koning Leopold II en de economisch liberale Lambermont bestond dus wel degelijk al heel vroeg, aangezien Leopold II zich mentaal naar alle waarschijnlijkheid al sinds 1860 had ingesteld op een ouderwetse ‘formal empire.’ Het feit dat Lambermont zo lang als zijn intieme adviseur voor koloniale materies functioneerde kan er op wijzen dat de vorst zich toen al realiseerde dat zijn ideeën anders verpakt moesten worden om voldoende aan te slaan bij de Belgische en internationale publieke opinie om een kolonie voor het neutrale België of haar vorst te verwerven. Het uitpersingsidee van een kolonie, vervat in het ‘batig slot’ van het Nederlandse ‘kultuurstelsel’ en verworpen door de aanhangers van de vrijhandel, kon op in het laatste kwart van de negentiende eeuw enkel teruggevonden worden bij Leopold II: “Il était cependant, il faut le souligner, le seul, ou presque le seul à penser ainsi[255].

Volgens zijn belangrijkste biograaf Jacques Willequet deelde baron Lambermont vurig en beredeneerd de ‘informal empire’ visie van een België met verschillende koloniale filialen. “Les deux hommes étaient faits pour s’entendre[256].” Toch toomde de meer gematigde baron Lambermont de kroonprins soms wat in. “Quand Léopold s’était mis une idée en tête, il était impossible de l’en faire démordre[257].” Ook Willequet raakte verstrikt in de bepaling en beschrijving van de samenwerking tussen de jonge troonopvolger en de secretaris-generaal van Buitenlandse Zaken. Baron Lambermont liet noch memoires noch duidelijke omschrijvingen van zijn koloniale ideologie na. Vooral de vele kleine koloniale zoektochten voor de troonsbestijging van de tweede vorst van ons land zorgen door de sterk gefragmenteerde correspondentie voor problemen:

“Il est difficile dans chaque cas et dans chacun de ces innombrables projets, de déterminer avec une précision rigoureuse quel fut le rôle de Lambermont; mais toujours, on le verra intervenir en tant que conseiller politique ou juridique, signaler les pas de clercs possibles, ouvrir les yeux du Prince sur des difficultés qu’il n’avait point perçues, canaliser ses ardeurs dans le sens du réalisme et de l’efficacité.”[258]

 

Baron Lambermont toetste bovendien de plannen van de hertog van Brabant steeds aan de richtlijnen van de Belgische buitenlandse politiek. Vooral het neutraliteitsprincipe verhinderde volgens hem de soms gewaagde ideeën van de hertog of koning Leopold II[259].

De onduidelijke ideologische verhouding tussen Lambermont en Leopold II leidde zelfs tot een wat wazige historische blik op de verdere ontwikkeling van de koloniale methodes en technieken van Leopold II. Geen enkele historicus is er tot nu toe in geslaagd om klaar en duidelijk de auteur te identificeren van de cruciale concepten zoals een humanitair geïnspireerde geografische conferentie of een commerciële concessiemaatschappij. Willequet concludeerde dan maar, misschien gemakshalve, dat beide heren samen die constante doctrine hadden uitgestippeld[260].

            In zijn koloniale strooptochten gebruikte Leopold steeds de Belgische diplomatie als voelspriet om de exacte mogelijkheden van een gebied te verkennen. Lambermont stond als spilfiguur van die wereld heel dicht bij de cruciale informatiebron en kon Leopold hierbij zeer goed van dienst zijn. De diplomatieke berichten en telegrammen werden door hem ook doorgestuurd naar het paleis om tegenspraak tussen de koningen en het officiële ministerie van Buitenlandse zaken te vermijden[261]. Daarnaast bezocht de trouwe Lambermont regelmatig het Paleis, waar hij mondeling de jonge kroonprins of koning adviseerde.

Professor Rik Coolsaet maakt een correct onderscheid in de vroege koloniale projecten naargelang het type van lokale macht in het gebied[262]. Wanneer een koloniaal rijk volop een desintegratieproces onderging, zoals in Nederlands Java en Borneo of de Spaanse Filippijnen, trachtten Leopold en Lambermont onderhandelingen op gang te brengen om een deel van de kolonie over te nemen. Door het neutraliteitsprincipe waaraan België zich moest houden, waren dergelijke operaties dikwijls bij voorbaat ten dode opgeschreven door de verbiedende houding van de Europese grootmachten. Als een lokale macht echter het gebied in kwestie al stevig in handen had, zoals in Egypte of het keizerrijk Abessinië, wou Leopold door middel van concessiemaatschappijen voordelen of privileges verkrijgen als tussenstap naar een volle kolonie met territoriale bezetting. Of Leopold een volwaardige kolonie met territoriale bezetting a priori als einddoel nastreefde, is geen eenvoudige vraag. Het was in de conceptie van Leopold II echter wel steeds de meest trefzekere en veilige vorm van kolonisatie om afzetmarkten voor de Belgische industrie permanent te verzekeren[263].

De erudiete professor ging hier wel voorbij aan de passie van zowel Leopold als Lambermont voor China. In 1845 had België een eerste klein handelsverdrag gesloten met het Chinese keizerrijk, wat Lambermont toen al deed dromen van een grote afzetmarkt en grondstoffenmarkt in China voor een groeiende Belgische industrie: “Dès le début de sa carrière, Lambermont pressentit que l’empire chinois pourrait devenir un jour un vaste champ ouvert à notre activité et nous offrir des ressources pour ainsi dire inépuisables[264].” De lokale gebeurtenissen creëerden oorspronkelijk een interessante mogelijkheid voor België om mee te dingen met de Britten en de Fransen die in twee Opiumoorlogen (1839-1842 en 1856-1860) de Chinese markt hadden opengebroken. De Belgische regering, met uitzondering van generaal Chazal, blokkeerde echter de Belgische deelname aan de cruciale Frans-Britse expeditie[265]. Het korte bezoek van Leopold II aan China in 1865 had hem alleen nog meer overtuigd van de gunstige factoren voor de Belgische economie in het desintegrerende rijk van de Qing-dynastie. De afwijzende houding van de Chinezen ten opzichte van Westerlingen en Westerse producten stelde de ambitie van Leopold II om actief te worden in China echter uit tot na de Sino-Japanse Oorlog in 1895[266]. Lambermont bleef echter niet afwachtend maar wou elke kans aangrijpen. Toen in 1873 Guangxu als kind de Chinese keizerstroon besteeg, zag de baron een kleine opening. Hij probeerde vergeefs een Chinese delegatie in Brussel uit te nodigen en schreef de Belgische diplomatieke vertegenwoordigers in China:

“En ce qui concerne les relations industrielles et commerciales que La Chine cherche à créer en Europe, …, et les agents qu’elle voudrait y recruter pour les travaux intérieurs ou son administration, la Belgique peut lui offrir les ressources égales à celles des Etats de premier ordre. De plus, la situation du pays, son caractère essentiellement pacifique, écartent toute possibilité d’un conflit politique.”[267]

 

Baron Lambermont verraadde hierbij zijn intentie om aan een informeel kolonialisme te doen door zijn gezanten te vragen industriële en commerciële relaties met de vreedzame Belgen te promoten. Het neutraliteitsstatuut van België leek op het eerste gezicht een obstakel om het inzake koloniale expansie op te nemen tegen de Europese grootmachten, maar baron Lambermont slaagde erin het op die manier om te buigen tot een voordeel voor niet-Europese staten om de vredelievende Belgen te ontvangen. Ook aan Belgische zijde probeerden Leopold en Lambermont samen interesse te wekken bij de industriëlen en handelaars. Eind augustus 1873 hield het ‘Institut du fer et de l’acier de la Grande-Bretagne’ in Luik haar eerste congres om de banden met de continentale industrie te versterken. Samen zagen de Britse en continentale ijzer- en staalindustrieën in China een grote en immense afzetmarkt. Leopold wou de Belgische industriëlen warm maken voor die uitdaging door het verdelen van een brochure onder de Belgische aanwezigen. Baron Lambermont schreef daarvoor een rapport, waarin hij voorstelde om een ‘comité d’études et de recherches’ op te richten die in het Verre Oosten al konden beginnen met verkenningen[268]:

“La méfiance de l’étranger est encore au fond de l’esprit des Chinois. … Un moyen sinon de détruire, au moins d’atténuer ces préventions, serait de placer le comité d’études sous une enseigne neutre. Le comité serait composé de capitalistes et d’industriels désireux de préparer le succès d’entreprises lucratives ou d’hommes politiques disposées à servir par leur concours la cause de la civilisation.”[269]

 

Baron Lambermont bracht hier drie elementen aan die tijdens de voorbereidende fase van de EIC doorslaggevend zouden zijn: de opportunistische interpretatie van het neutraliteitsprincipe, de oprichting van een studiecomité en de verbinding van winstzoekende kapitalisten en ‘beschavingsbrengende’ politici. In welke mate baron Lambermont het volledige auteursrecht moet toegekend worden voor wat Auguste Roeykens een “authentieke prefiguratie van de CEHC” noemde, blijft echter moeilijk te zeggen omdat deze verhandeling niet de tijd vond voldoende beschikbaar bronnenmateriaal over de redactie van die tekst en de eventuele invloed van Leopold II te verzamelen.

Ook op de Amerikaanse continenten, waar de meeste onafhankelijkheidsverklaringen al enkele decennia eerder hadden plaatsgevonden, waren Leopold en Lambermont actief. Hier moesten ze hun plannen echter aanpassen. Aan de andere kant van de Atlantische Oceaan hoopten beide heren nog onder en samen met Leopold I Belgische nederzettingen te stichten of uit te breiden in onder andere verschillende van de toekomstige Verenigde Staten, Canada, Argentinië, Brazilië of Guatemala[270]. Op die plaatsen werd meestal gewerkt met een eerder ouderwetse tactiek: echte bevolkingsnederzettingen met Belgische kolonisten die trachtten handelsakkoorden te sluiten met de plaatselijke of nationale overheden. Vaak betekenden lokale en klimatologische omstandigheden al gauw de ondergang van de nederzettingen voor ze echt gestart waren.

Op 22 augustus 1875, toen ook de pogingen in de Filippijnen[271] en in Tonkin[272] op een mislukking waren uitgedraaid, schreef Leopold II een sleutelbrief aan baron Lambermont met als slotzinnen: “Pour le moment, ni les Espagnols, ni les Portugais, ni les Hollandais ne sont disposés à vendre. Je compte m’informer discrètement si en Afrique, il n’y a rien à faire[273].” Sindsdien en minstens tot 1892 zou baron Lambermont zich dagelijks bezighouden met Midden-Afrika, de laatste zwarte onbekende vlek op de wereldkaart.

 

 

De ‘vertrouweling’ in de Congolese ambities van Leopold II

 

De memoires van één van de vleugeladjudanten van Leopold II in die tijd, baron luitenant-generaal Guillaume, bevatten een duidelijke hint dat koning Leopold II Lambermont expliciet vroeg om hem tijdens de koloniale zoektocht in Afrika te helpen:

“La choix du baron Lambermont, secrétaire général au Ministère des Affaires Etrangères, collaborateur et conseiller intime du Roi, diplomate consommé d’une célébrité mondiale, était tout indiqué. C’était à lui qu’en 1874 le Roi avait dit: «Je voudrais faire quelque chose en Afrique; j’y pense depuis quelques jours déjà et je tiendrais à ce que vous m’aidiez. Voici mes premières impressions, réfléchissez-y bien. Je connais votre talent et votre esprit sagace et dévoué; je sais que le jour où vous vous y mettrez, je pourrai compter sur vous.Il faut que vous sachiez, par le menu, ce qu’ont fait les premiers explorateurs du continent noir et nous verrons ensemble ce que nous pourrons en tirer dans un but pacifique et humanitaire, qui est mon seul souci.»”[274]

 

            Die memoires van baron Guillaume werden veertig jaar later geschreven; men kan zich dus terecht afvragen of Leopold zijn vraag tot hulp van Lambermont wel zo duidelijk geformuleerd heeft[275]. Maar ook baron Napoléon Beyens leek aan te geven dat Lambermont meteen volledig mee ging in het nieuwe project van Leopold II: “Lambermont a vu clair dès la première heure, dans la conception pleine de hardiesse du Roi[276].” Eén ding is zeker: in alle stilte ontwikkelden Leopold en Lambermont in het volgende jaar samen een, volgens Auguste Roeykens, zowel vermetel als ingenieus actieplan dat rekening moest houden met zowel de weigerachtige publieke opinie in België als met de lichtgeraaktheid van de internationale mogendheden over het initiatief van een neutraal land[277]. Leopold II kon de diplomatieke ervaring en connecties van zijn rechterhand steevast goed gebruiken[278]. De beide heren kwamen op de proppen met het voorstel van een internationale conferentie; het soort toneel waarin Lambermont zich bij eerdere gelegenheden als een vis in het water had gevoeld. Over de periode tussen de zomer van 1875 en de zomer van 1876 leveren de archieven en de literatuur jammer genoeg weinig bruikbare informatie over hun samenwerking: Leopold II zou zelf aangedrongen hebben op de vernietiging van de belangrijkste correspondentie[279].

Op de Geografische Conferentie in het Koninklijk Paleis in Brussel tijdens de nazomer van 1876 ontmoette Leopold II het kruim van de Europese ontdekkingsreizigers en wetenschappers. Geen enkele politicus werd uitgenodigd voor de zittingen tussen 12 en 14 september, omdat op de agenda van de Conferentie naar verluidt geen politieke materie stond. Het doel bestond er namelijk in een keten van wetenschappelijke, medische en ‘civiliserende’ stations op te bouwen in het onbekende hart van het zwarte continent onder de vlag van een Association Internationale Africaine. Die AIA werd drieledig opgebouwd: een internationale commissie, een uitvoerend comité en nationale comités. Baron Lambermont, tijdens de Conferentie één van de leidende figuren van de internationale commissie, werd tot vice-president aangesteld van het Belgische comité. Samen met Leopold II domineerde hij de zittingen en slaagde hij er in hun doelstellingen ingang te doen vinden bij de aanwezigen[280].

Voor de Conferentie had Lambermont al een essentiële taak op zich genomen, namelijk het warm maken van de Belgische delegatie voor de Conferentie. Lambermont en Leopold hadden zorgvuldig vertegenwoordigers van de diplomatieke, financiële, wetenschappelijke, journalistieke en politieke – zowel liberale als katholieke – wereld voor die delegatie uitgekozen. “C’est au baron Lambermont, qui était dans ses secrets, qui comprenait sa pensée intime et s’y dévouait sans réserve, que le Souverain confiait le soin de préparer les membres belges à seconder à son œuvre en agissant à la Conférence d’après les vues de leur Roi[281].” Tijdens twee voorafgaande vergaderingen in zijn kantoor, op 16 augustus en 9 september 1876, stelde Lambermont de Belgische leden de doelen van de koning voor en vroeg hen zich niet te verzetten tegen die internationale, neutrale, wetenschappelijke en humanitaire bedoelingen van hun vorst. Enkel Emile Banning stelde zich nadrukkelijk anders op[282]. De baron stelde echter met al zijn overtuigingskracht de Belgische vertegenwoordigers gerust: religieuze, politieke en commerciële motieven waren uit den boze, omdat enkel wetenschappers uitgenodigd werden. Zelfs het organiseren van expedities kon niet de taak worden van de vereniging die de Conferentie zou stichten, omdat die ontdekkingsreizen in botsing zouden komen met de belangen van de verschillende nationale ‘Sociétés de géographie’, de religieuze orden en zelfs de regeringen. Het enige doel van de Conferentie, aldus Lambermont tijdens die goed gedocumenteerde voorbereidende vergaderingen, was de organisatie van het stichten van enkele gastvrije en wetenschappelijke stations op Afrikaanse bodem door die Sociétés de géographie[283].

Volgens Auguste Roeykens echter, was Lambermont zich wel degelijk bewust van het andere plan dat Leopold ondertussen ontwikkeld moest hebben: door middel van de AIA een Afrikaans territorium verwerven los van de Belgische regering[284]. Later sprak Roeykens dat dan weer tegen. Hij ging er nog steeds van uit dat het hele plan stap voor stap uitgedokterd werd door Leopold II met behulp van de nuttige raadgevingen van Lambermont, maar zonder dat die laatste ooit volledig ingewijd werd in de intenties van zijn vorst. Roeykens geloofde toen dat Leopold II zelf van voor de Geografische Conferentie dit plan alleen had bedacht en ontwikkeld, vooraleer hij het in de praktijk realiseerde[285]. Neal Ascherson, die een homerische metafoor zelden uit de weg gaat, bestempelde het internationale karakter van de AIA dan weer als een paard van Troje voor de Belgische gebiedsuitbreiding in Midden-Afrika[286].

Wat er ook van zij, de bronnen wijzen er alleszins op dat de voorzichtigheid waarmee het plan voor, tijdens en na de Geografische Conferentie door Leopold II werd uitgedokterd voor een groot deel ingegeven werd door Lambermont. Zijn diplomatieke elleboog bracht Leopold II de belangrijke gevoeligheid bij die nodig was om het Afrikaanse plan internationaal te doen lukken. In juni 1878 schreef Lambermont de vorst: “C’est qui est permis aux autres nations, l’est-il aussi pour la Belgique? Assurément, et c’est même un devoir. [287] Willequet bemerkte echter wel de noodzakelijke voorzichtigheid die Lambermont trachtte in te bouwen: “Il convenait toujours de progresser avec une infinie prudence, et d’abriter l’œuvre sous un drapeau aussi peu compromettant que possible[288].”

Baron Lambermont, die ook de rol van waakhond voor de Belgische diplomatie in het hele Congolese verhaal vervulde, toonde zich bezorgd over de neutraliteitsstatus van België die Leopold II niet met de voeten mocht treden[289]. Hij was natuurlijk ook de eerste grootmeester in de ‘eigenaardige’ buitenlandse politiek van België en wist waarheen die moest leiden: in tijden van vrede en oorlog alle buitenlandse staatshoofden en staatsmannen te vriend houden en tegelijkertijd de “schok van de materiële belangen” dempen[290]. Bovendien leek Lambermont ook overtuigd van de humanitaire en vredige bedoelingen van de vorst die de nog steeds welig tierende slavenhandel in het oosten van Midden-Afrika wou aanpakken. Als Leopold II erin slaagde om daar een stabiel politiek regime te handhaven, dan kwam dat de orde, rechtvaardigheid en vrede in het gebied enkel maar ten goede.

Wanneer het gebied voldoende ‘beschaafd’ was, lag de weg open voor de aanleg van wegen en andere voorzieningen die de handel, landbouw en industrie mogelijk maakten[291]. Voorlopig was in de officiële documenten enkel sprake van verdragen tussen de AIA en kleine Afrikaanse koninkrijken, die eventueel onder internationale of nationale protectie gebracht konden worden. Misschien zag baron Lambermont zo op lange termijn een opening voor overzeese handel met de steun van de Belgische regering volgens zijn vroegere doctrine van het economische liberalisme, hoewel dat financieel niet eenvoudig zou worden. De vork zat wellicht nog complexer in de steel aangezien Lambermont al sinds 1861 op de hoogte was van het feit dat de realistische Leopold II meer dan voldoende lef had om desnoods zonder de Belgische regering koloniale nederzettingen voor de Belgische economie te stichten[292]. De conclusie dat Lambermont nauw meegewerkt heeft aan het opstarten en opvolgen van het Congolese project staat in elk geval als een paal boven water.

De concrete resultaten van de Geografische Conferentie waren geen lang leven beschoren. De nationale comités deden enkel een collecte in Duitsland, Frankrijk en België. De expeditie van Henry Morton Stanley werd de aanleiding voor het stopzetten van de eerste twee comités, zodat de facto enkel België vertegenwoordigd was in de AIA, waarvan de internationale commissie nooit meer werd samengeroepen. In 1879 werd het Comité d’Etudes du Haut-Congo (CEHC) gesticht met als doel de expeditie van Stanley en de andere geplande expedities wetenschappelijk te ondersteunen, maar ook de CEHC werd datzelfde jaar nog ontbonden wegens financiële problemen. Ze herrees echter even vlug in een nieuwe organisatie: de Association Internationale du Congo (AIC), die meer politieke en commerciële ambities koesterde. Een ander doel van de nieuwe instelling was het traceren van de precieze loop van de Congo-stroom door Stanley. Op die manier hadden Leopold II (en baron Lambermont) ook in alle stilte de humanitaire en internationale idealen ingeruild voor meer politiek en commercieel getinte aanspraken[293].

De nieuwe situatie leidde tot een eerste botsing met Frankrijk die aanspraak wou maken op twee gebieden die de AIC als haar eigendom beschouwde. Jules Greindl, die nog steeds voorzitter van een half dode AIA was, gaf er de brui aan door de onmogelijke bochten waardoor Leopold zich wenste te wringen. Strauch verving hem, maar ook hij geraakte in de knoop totdat Lambermont opnieuw zijn diplomatieke diensten aanbood. Hij sprak nog altijd over een voordeel voor België omwille van “des considérations d’un ordre plus élevé”[294], wat er kan op wijzen dat de baron nog steeds meende dat zijn vorst vooral humanitaire en/of wetenschappelijke waarden nastreefde. Volgens Willequet werd Lambermont zich pas in 1882 ten volle bewust van het feit dat Leopold II ondertussen echte territoriale aanspraken nastreefde, wat de baron zelf zou meeslepen in een lange reeks onderhandelingen om de Onafhankelijke Congostaat (EIC) van de Belgische vorst internationaal te consolideren[295]. Pas twee jaar later kon een doorbraak geforceerd worden in drie verschillende verdragen: eerst de erkenning van de EIC door de Verenigde Staten, wat later door Frankrijk met het dubieuze voorkeursrecht, en door Duitsland[296].

De puntjes werden op de i gezet toen Bismarck een internationale conferentie samenriep in Duitsland om territoriale twisten in Afrika te vermijden en “assurer la liberté du commerce dans le bassin du Congo et du Niger[297].” Baron Lambermont werd er aangeduid tot algemene rapporteur; een taak die hij op zich nam met hulp van Emile Banning. De Conferentie van Berlijn (1885) bestond eigenlijk uit twee delen: een officieel en een parallel officieus gedeelte. Vooral van achter de coulissen zette baron Lambermont het verloop van de hele Conferentie naar zijn hand, omdat hij samen met Banning zowel gespecialiseerd was in Afrika als in de handelsvrijheid op rivieren. De belofte van vrijhandel van scheepvaart en handel op de Congo-stroom, gekoppeld aan een neutraliteitsstatus, creëerde een opening voor een internationale erkenning van de soevereiniteit van een Onafhankelijke Congostaat, in handen van de AIC en onder leiding van een privé-persoon, namelijk Leopold II[298]. De wederzijdse grensafbakeningen en de noodzakelijke veranderingen in de Belgische Grondwet werden daarna de volgende hindernissen voor de diplomatieke kunstjes van Lambermont en Leopold II[299]. Ondertussen was de Onafhankelijke Congostaat geboren, in een personele unie gebonden aan België, en waarin Leopold II naar eigen zeggen met akkoord van de AIC de titel van Soeverein hanteerde[300].

 

 

De Antislavernij-Conferentie en de verslappende verhouding met Leopold II

 

Tussen 16 november 1889 en 2 juli 1890 voltrok zich in het neutrale Brussel de laatste grote etappe van het Afrikaanse werk voor baron Lambermont: een internationale Antislavernij-Conferentie. Hij werd er tot voorzitter gekozen, en deze keer aanvaardde hij wel. In een rapport dat Lambermont had opgesteld tijdens de Conferentie van Berlijn had de baron zwaar uitgehaald naar zowel slavernij als slavenhandel en de fenomenen respectievelijk bestempeld als een hinderpaal voor de economische ontwikkeling en een misdaad tegen de menselijkheid[301]. Ook in zijn openingsrede liet Lambermont er geen gras over groeien: “Les sentiments d’humanité et de commisération éclatent d’eux-mêmes quand on délibère les pieds dans le sang[302].” De resultaten van de Conferentie op humanitair vlak zouden echter teleurstellen: een gemeenschappelijke intentieverklaring in vage termen op het einde van de ‘Acte général’, zelfs zonder een sanctioneringsinstrument. Baron Lambermont had tijdens de Conferentie zelf meermaals het initiatief moeten nemen om de slavernij en slavenhandel toch door de Conferentie te doen behandelen. De delegaties stonden helemaal niet te springen om de agenda van de Conferentie zelf te bepalen, omdat de materie door haar gevoeligheid en complexiteit eigenlijk niet geschikt was voor zo een internationale conferentie[303].

Maar de Conférence Antiesclavagiste behandelde meer dan de onderdrukking van de slavenhandel, want ook de invoerrechten en, op het achterplan, de financiële problemen van de EIC speelden een cruciale rol. De Akte van Berlijn had dan wel de EIC opgericht, ze had ze meteen ook in financieel moeilijke papieren gebracht: de opgelegde vrijheden van douane, navigatie en handel droogden de schatkist van Leopold II stilaan op. De zeventien ondertekenende naties van de Akte van Berlijn waren present in Brussel, zodat de vorst zijn kans zag om de invoering van enkele handelsbelemmeringen te suggereren. Lambermont werkte actief mee aan het project, hoewel zijn vrijhandelsdoctrine dit tegensprak[304]. De campagne tot herziening van de Akte van Berlijn in de coulissen, verraadt de typische onderhandelingstactiek van Lambermont: eerst een situatie creëren waardoor de gewenste resultaten een logisch gevolg van de vorige beslissingen lijken voor alle partners[305].

In mei 1890 stelde hij op de Conferentie de afschaffing van artikel 4 van de Akte van Berlijn voor, wat een belasting van 10% op de waarde van de binnenkomende goederen mogelijk maakte. Bovendien werd er ook nagedacht over een verbod of een taks op alcohol omdat die nauw verbonden was met de slavenhandel. De handige baron wees op de nieuwe kosten die de besluiten van de Antislavernij-Conferentie met zich meebrachten voor de EIC om het voorstel in goede aarde te doen vallen, maar vooral Nederland stribbelde tegen. Lambermont gokte en koppelde de ratificering van de Akte van Brussel aan een protocol waarin de EIC toegestaan werd invoerrechten te heffen. Verschillende slopende onderhandelingsronden startten na de Conferentie om zowel de Akte van Brussel als dat protocol te erkennen. Uiteindelijk zou de internationale ratificering van de Akte van Brussel tot een titanenwerk uitgroeien. Pas in april 1892 na talloze onderhandelingen, strubbelingen en blokkeringen trad de dubbele Akte in werking, en kon baron Lambermont dit dossier, dat drie jaar lang zijn dagen had gevuld, afsluiten[306]. In 1899 kwamen de delegaties nog één keer samen onder het voorzitterschap van een ondertussen tachtigjarige Lambermont om het systeem van alcoholtaksen en alcoholverboden in Midden-Afrika te herzien[307].

Ondertussen sloeg de ongerustheid toe in de ziel van de oude diplomaat. De inkomsten van Leopold II waren als sneeuw voor de zon weggesmolten tijdens de onderhandelingen over de Congolese invoerrechten. Leopold II had daarom ingegrepen en taksen op de ivoorhandel in het Congolese binnenland en op de export van ivoor ingesteld, wat Lambermont verontrustte. Op 7 juli 1890 maakte hij de vorst zijn bezorgdheid kenbaar: “La question de l’ivoire m’inquiète de plus en plus. … Je n’oublie aucune des considérations que Votre Majesté a daigné me signaler, mais le commerce voudra être rassuré quant aux limites de la concurrence[308].” Lambermont begon te twijfelen over de koloniale politiek van zijn vorst, die steeds meer neo-mercantilistische vormen begon aan te nemen. Terwijl de baron zich in diplomatieke kringen had ingespannen om de Congolese inkomsten wat te vergroten, at de ongeduldige Leopold II hem de kaas van het brood. De liberale handelspolitiek van de nieuwbakken Afrikaanse staat vervaagde even vlug als ze gekomen was, wat bij Lambermont een gevoel van groot onbehagen deed ontstaan[309].

Dit gevoel van onbehagen verergerde naarmate de Congolese Soeverein zijn staatsinmenging radicaliseerde. Tussen oktober 1889 en oktober 1892 vaardigde Leopold II verschillende (geheime) decreten uit, die de EIC herschiepen tot exclusief zijn winstgevende monopolie. De brieven van Lambermont kregen steeds meer een wrange nasmaak. Aan de stilaan rebelse Banning schreef hij op 5 september 1891: “Ainsi que vous le présagiez, la situation, à certain point de vue, ne va pas s’améliorant. Mes ennuis sont loin d’être diminués[310].” Wat later klonk zijn verbittering zelfs door in een brief aan de vorst:“J’ai pensé qu’il était de mon devoir de loyal fonctionnaire d’exprimer ma pensée à Votre Majesté. J’ai été heureux de reconnaître qu’elle ne s’écartait pas des vues du Roi[311].” In augustus 1892 beschouwde de vorst zijn oude trouwe dienaar als een doctrinaire diplomaat, die niet langer paste in het actieve buitenlandse beleid dat Leopold II voortaan voorop stelde[312].

De druppel die de emmer voor de oude diplomaat deed overlopen waren de ambities die Leopold II koesterde in het stroomgebied van de Nijl. De Soeverein van de EIC wilde zijn rijk rond 1892 in die richting uitbreiden, wat tot talloze grensgeschillen leidde. Uit deze periode dateerde de vraag aan één van zijn ministers of hij het ook een opwindende gedachte vond farao te worden[313]. De kosten die uit de Egyptische dromen voortvloeiden scheelden een slok op de borrel in de al in zware moeilijkheden verkerende begroting[314].

Het kwam echter niet tot een diepe breuk tussen Leopold II en baron Lambermont, maar eerder tot een verkilling in hun relaties. “La considération mutuelle subsista, mais la collaboration directe et quotidienne prit fin[315].” Lambermont bleef tot aan zijn dood secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, waar de diplomatie van Leopold II zowel voor zijn Belgisch rijk als zijn Congolese privé-tuin vriend aan huis moest blijven. De diplomatieke adviseur van Leopold II, die een groot deel van zijn leven het moeilijke en eigenzinnige evenwicht tussen het economische liberalisme en het leopoldiaanse kolonialisme had proberen te handhaven, kon zijn vorst niet langer van harte begroeten.

In 1895 diende hij met het politieke kabinet van het ministerie zijn ontslag in na de mislukte poging om de Kongostaat door België te annexeren, maar hij werd in ere hersteld. Hij schreef toen ontgoocheld aan Brialmont de beroemde zinnen: “Jamais je n’ai eu l’impression d’une pareille chute morale et civique. Dans aucun pays, pas même le dernier des derniers, ce qui se passe ici ne serait possible…[316] .” Zijn laatste poging om België een kolonie te schenken, en de EIC terug een liberale dimensie te geven, was gebotst op het politieke en publieke verzet van de Belgen. Stilaan sijpelden bovendien de geruchten en roddels over de Congolese wandaden van Leopold II België binnen, wat evenmin in goede aarde viel bij de humanitair geïnspireerde baron.

Het onderzoek naar de koloniale en expansionistische ideologie van baron Lambermont heeft nog een lange weg af te leggen. In 1922 sloeg Eugène Napoléon Beyens de nagel al op de kop, en blijft zijn mening nog altijd, ook na deze studie, brandend actueel:

“Ce qui manque à la gloire de Lambermont, c’est un livre signé de son nom, résumant sa doctrine et les leçons de son expérience. … Mais si l’on fouillait les archives du ministère des Affaires étrangères, on y trouverait d’innombrables rapports, une multitude de notes et d’instructions écrites de sa main ou sous sa dictée. Il est à espérer que leur dépouillement tentera quelque historien qui entreprendra d’écrire les annales de la période léopoldienne.”[317]

 

Lambermont speelde wellicht het langst van zijn adviseurs een doorslaggevende rol in de koloniale ontwikkelingen van Leopold II. Vooral in de jaren 1860 en 1870 leek hij een diepgaande invloed te hebben op Leopold II. Het succes van de verschillende Afrikaanse internationale organisaties, die Leopold II oprichtte en die vaak geënt waren op het economische liberalisme, is mede te verklaren door zijn diplomatieke genie. De daarop volgende twee decennia taande zijn invloed echter beetje bij beetje, hoewel zijn inzet voor de economische expansie van België, gekruid met zijn Spartaanse levensstijl, verre van stilviel.

 

 

7. Emile Banning (1836-1898): de Don Quichote van de ‘civilisation libératrice’ in Congo

 

“Honnête homme, grand citoyen, serviteur modeste du pays, qui fut toujours à la peine, rarement à l’honneur, et qui n’a pas été remplacé.” Zo vatte Paul Hymans de persoonlijkheid van Emile Banning samen[318]. Emile Banning was inderdaad een kleurrijk figuur op een wat verdoken plaats in de Belgische geschiedenis. Zijn functie van bibliothecaris en archivaris van het ministerie van Buitenlandse Zaken leende zich niet tot de glorie en eer van een staatsman, maar dat neemt niet weg dat de lijst van artikels, boeken, memoranda en verhandelingen van en over hem ondertussen buitengewone proporties heeft aangenomen. Deze verhandeling gebruikte er een gedeelte van om een beeld te kunnen schetsen over de koloniale wandel en ideologie van de historicus, journalist en ambtenaar.

 

 

De koloniale loopbaan van Emile Banning

 

Emile Banning werkte aan de Koninklijke Bibliotheek, toen hij in 1861 in contact kwam met Paul Devaux. De vader van de latere kabinetschef van de koning, Jules Devaux, bewonderde de journalistieke kwaliteiten die de jonge Limburger vooral ten toon spreidde in de liberale krant L’Echo du Parlement. Hij zette de zevenentwintigjarige jongeling in 1863 aan tot het schrijven van een memorandum over de handels- en navigatievrijheid op grote rivieren[319]. Het werk kreeg een vleiende beoordeling van baron Lambermont, die het zeker goed kon gebruiken tijdens zijn laatste onderhandelingen over het opheffen van de Scheldetol. Het was dan ook geen verrassing dat Emile Banning door Charles Rogier, de minister van Buitenlandse Zaken, geattacheerd werd aan het ministerie als archivaris, bibliothecaris, vertaler en auteur van noodzakelijke geografische en historische studies. Hij zou die vier opdrachten blijven uitoefenen tot aan zijn dood in 1898[320].

Hoewel Emile Banning in 1865 al memoranda en studies schreef in opdracht van de koning, onder andere over de kolonisatiemogelijkheden in Formosa[321], het huidige Taiwan, met baron Lambermont als tussenpersoon, ontmoette hij Leopold II pas voor het eerst in levende lijve op einde van 1867[322]. Hij werd aan de vorst voorgesteld en aanbevolen door goede vrienden van hen beide: Jules Van Praet en Paul en Jules Devaux. Leopold II polste Banning toen over het stichten van een Belgisch tijdschrift ‘Revue des parlements étrangers’, dat een overzicht moest bieden van de discussies in de buitenlandse parlementen die wel voor kolonialisme pleitten ondanks de hegemonie van de doctrine van het economische liberalisme van die tijd. Het project liep al vlug op de klippen, maar hun samenwerking werd er niet minder om. De volgende vijfentwintig jaar produceerde Emile Banning studies en memoranda aan de lopende band in opdracht van Leopold II, betreffende bijna alle facetten van de binnenlandse, buitenlandse en militaire actualiteit.

            Op 17 januari, 14 en 15 februari 1876 schreef Emile Banning in L’Echo du Parlement drie artikelen over de nieuwe ontwikkelingen in de ontdekking en exploratie van Midden-Afrika. Zijn slotbedenking luidde: “Le désert livre ses secrets; le grand mystère de l’Afrique intérieure se révèle de jour en jour…[323].” Banning vroeg zich later in zijn memoires af of die artikelen, die hij voor één keer niet in opdracht van zijn vorst schreef, de “vonk waren die de fakkel deed branden[324].” Hij doelde daarmee op de Geografische Conferentie die enkele maanden na de publicatie van zijn drie artikels georganiseerd werd in het Paleis. Eerder in deze verhandeling werd aangehaald dat Leopold II al enkele maanden eerder, in augustus 1875, zijn zinnen op Afrika had gezet, wat de retorische vraag van de misschien wat eerzuchtige Banning neerhaalt. Ook het idee van een internationale conferentie in het neutrale Brussel lijkt niet door Banning te zijn bedacht, gezien de ruime ervaring die Lambermont op dat vlak ondertussen had opgebouwd. De enige eer waar de man uit Sint-Truiden nog mee kan gaan lopen, zou die van de schilder van het geografische tintje van de conferentie kunnen zijn. Leopold II werd door Banning gewezen op het onbekende terrein van Afrika waar het ondersteunen van humanitaire en wetenschappelijke ontdekkingsreizen voor de neutrale Belgen de ideale gelegenheid was om de Europese politici te slim af te zijn. Dit paste in het oprechte liberale wereldbeeld van Banning, waarin het cultureel en moreel civiliseren steeds samenging met het maximaliseren van vrijheid in handel.

            Tijdens de voorbereiding van de Geografische Conferentie eiste Banning opnieuw een hoofdrol op. Hij liet verstek gaan voor de eerste vergadering van de Belgische vertegenwoordigers in het kabinet van zijn collega en vriend baron Lambermont, maar tijdens de tweede vergadering zorgde de Limburger met zijn voorstel voor commotie. Emile Banning, die ondertussen gevraagd was door de koning voor het zitje van secretaris van de Conferentie, had het gewaagd zich publiekelijk een voorstander te tonen van een nationalisering van de op te richten Afrikaanse stations, in plaats van de voorlopige internationale en neutrale vereniging die Lambermont op de Geografische Conferentie liever zag geboren worden. De politieke Belgische vertegenwoordigers sloegen in lichte paniek, aangezien ze er vanuit gingen dat de onstuimige Emile Banning, een vertrouweling van Leopold II, op die manier de eigenlijke ideologie van hun vorst blootlegde: nationale stations betekenden voor hen nationale – en dus ook Belgische – gebiedsinname. Maar in zijn memoires ontkende Banning dat ten stelligste: “On crut que j’avais révélé l’arrière-pensée du Roi: c’était inexact, je n’avais même pas eu d’entretien avec lui sur ce sujet[325].” Baron Lambermont bluste het brandje en verzekerde de aanwezigen van het tegendeel.

Het is echter mogelijk dat het ‘nationalistische’ concept van stichtingen van Banning niet ver stond van de intieme plannen van Leopold II. In zijn correspondentie met de vorst is een lange en ongedateerde brief bewaard die net de vraag waar het beste Belgische stations in Afrika kunnen worden ondergebracht, behandelt “d’après les instructions de Votre Majesté[326].” Bovendien liet Leopold II Banning weten dat hij akkoord ging met de stelling dat het Europese systeem België met lege handen zou achterlaten, nadat het neutrale land zelf het initiatief had genomen[327]. Banning bekeek niettemin de hele zaak op korte termijn en verwaarloosde in zijn enthousiasme voor de Afrikaanse zaak het alomtegenwoordige verzet tegen Belgisch kolonialisme. Leopold II keek echter wel verder dan zijn neus lang was[328].

            De secretaris van de Geografische Conferentie gaf zes weken na de Conferentie al de eerste versie uit van haar verslag onder de titel L’Afrique et la Conférence Géographique de Bruxelles. Hij legde vooral de nadruk op de humanitaire en wetenschappelijke doelstellingen van de conferentie, waarbij de afschaffing van de slavenhandel volgens Banning de aanleiding zelf was van het samenroepen van de Conferentie. Banning deed alsnog een oproep aan de Belgen om “zich hun fiere tradities uit het verleden te herinneren” zodat ze de “glorierijke missie van haar vorst” konden ondersteunen[329]. Later gaf hij echter ook toe dat zijn voorstel nog niet rijp was voor die tijd[330].

            De komende jaren leefde Banning volledig mee met de expedities van Stanley en het diplomatieke werk van Leopold II. Lange tijd bleef hij echter voorstander van een Belgische verkenning langs de Kameroen, die volgens zijn gegevens de meest ideale regio zou zijn voor (commerciële) expansie van de AIA of België[331]. Vanuit zijn studiekamer volgde hij ook de eerste exploten van Stanley, en concludeerde dat het donkere hart van Afrika best vanuit het westen langs een rivierstroom verkend kon worden: ofwel de Kameroen[332] ofwel de Congo[333]. Tussen 1876 en 1885 was het aandeel van Emile Banning in de koloniale zoektocht van Leopold II eerder klein: hij nam zelf geen initiatief meer, maar bleef waakzaam om de vorst en baron Lambermont vanuit zijn bibliotheek diplomatiek, juridisch en historisch advies te verlenen[334]. Voorlopig primeerde het internationale plan van Leopold II en Lambermont.

            Dat plan mondde, zoals eerder aangehaald, uit in een eerste diplomatieke overwinning: de erkenning van de territoriale aanspraken van de AIC door de Verenigde Staten en kort daarna Frankrijk. Enkel de grensafbakeningen met de Franse gebieden zorgden nog voor problemen. In ruil stond Leopold II een voorkeursrecht[335] toe aan Frankrijk, en beloofde hij de absolute handelsvrijheid in zijn nieuwe staat. Banning, die beweerde dat zowel hij als Lambermont niets wisten over de onderhandelingen tot de zaak was beklonken[336], ervoer deze nieuwe wendingen als een dubbele ernstige fout van de Belgische vorst. In feite erkenden de Verenigde Staten, op dat moment zelf protectionistisch ingesteld, een staat in ruil voor principes die ze zelf niet aanhingen. Het daardoor ontstane handelsevenwicht tussen de EIC en de USA baarde Emile Banning zorgen. Het voorkeursrecht stond dan weer de eventuele Belgische overname van de EIC in de weg: de patriottische Banning meende dan ook dat Leopold II in een Franse valstrik was gelopen[337].

            De Conferentie van Berlijn, de volgende grote stapsteen van het Congolese verhaal, werd van zeer nabij gevolgd door Banning. Samen met baron Lambermont was hij de spil van de Conferentie door hun grote technische en juridische kennis in handelsvrijheid, riviervaart en de bescherming van inboorlingen. Baron Lambermont, de algemene rapporteur van de Conferentie, kon de hulp van zijn vriend, die eigenlijk een onafhankelijke technisch expert was tijdens de Conferentie, goed gebruiken voor de redactie van alle rapporten, verslagen, samenvattingen en verdragen met clausules. De grote internationale vergadering zetelde in de periode van de Conferentie tien keer: de verdeling van het continent nam niet veel meer dan vijfentwintig uur in beslag. Het belangrijkste werk had echter wel bilateraal in de coulissen plaatsgevonden: de geboorte van Kongo-Vrijstaat[338]. De economische liberalen Lambermont en Banning drukten hun ideaal voor het Congobekken door, hoewel Leopold II zich in de stichting van een staat met fiscaal uitsluitend uitvoerrechten moeilijk kon vinden[339]. Ook Emile Banning besefte de financiële moeilijkheden die een dergelijk regime met zich meebracht, maar wees tegelijk op de voorlopigheid van het vijfde artikel van de Akte van Berlijn: na twintig jaar kon het hele financiële en fiscale stelsel herzien worden. In 1893 erkende hij ontnuchterd dat de Conferentie een fout had gemaakt op dat vlak[340].

De Conferentie slaagde wel in een andere droom van Emile Banning: de theoretische verdeling van het Afrikaanse continent onder de Europese grootmachten, zodat op die manier gezamenlijk werk gemaakt kon worden van de bestrijding van de slavenhandel. Banning droomde er ook van om uiteindelijk de Belgische vlag op Afrikaanse bodem te zien wapperen, maar besefte ondertussen dat daar voorlopig geen sprake van kon zijn, aangezien de verdere verkenning en exploitatie van het Congobekken door haar vele watervallen grote investeringen eiste, die het kleine België niet alleen aankon. In deze fase toonde hij zich dan ook vergeefs een voorstander van een meer geïnternationaliseerde AIC, die geld moest verzamelen voor de aanleg van de noodzakelijke spoorwegen. Opnieuw botste hij met Leopold II, die daarvoor liever zelf een particuliere lening aanging en daarbij de AIC wou laten zoals ze was, om zijn plan verder te kunnen drijven[341]. Leopold II koos hier schijnbaar voor meer financiële zekerheid, aangezien de vorst zelf al veel persoonlijk fortuin had geïnvesteerd in de hele onderneming: “C’est mon ruine que vous stipulez et vous ne pouvez pas la vouloir”, liet de vorst Banning weten, die daarna met tegenzin toegaf aan de eisen van Leopold II[342]. Banning kon de Conferentie van Berlijn echter wel met opgeheven hoofd verlaten, aangezien vele van zijn principes voorlopig en in theorie hadden getriomfeerd[343]:

“Liberté du commerce et de navigation dans le bassin du Congo, exclusion du tout traitement différentiel, assimilation des étrangers aux nationaux sous le rapport civil et commercial, interdiction des droits d’entrée pour vingt ans, condamnation de la traite. Une seule ombre au tableau: l’œuvre africaine n’a pas le caractère international qu’il aurait désiré.”[344]

 

Terug in Brussel werkte Banning mee aan de propagandacampagne ten voordele van het dubbele staatshoofdschap van Leopold II. De personele unie die voortaan België en de EIC verbond werd door de archivaris in verschillende kranten en periodieken verdedigd[345], maar tussen de twee heren zelf verdiepte de kloof die ontstaan was tijdens de Conferentie van Berlijn. Banning bleef de koning adviseren met de noodzakelijke studies en rapporten vanuit zijn archief en bibliotheek, hoewel Leopold II steeds meer een autoritaire politiek ontwikkelde om de EIC financieel en diplomatiek te consolideren[346]. Banning zelf leefde in hogere sferen en droomde van de civilisering van de “vergeten rassen” van zwart Afrika: “Tout semble indiquer qu’une heure décisive a sonné dans l’histoire du monde, l’heure où un continent presque vierge et des races ignorées vont coopérer à l’œuvre de l’humanité[347].”

Hun meningsverschillen kwamen vijf jaar later bovendrijven tijdens de Antislavernij-Conferentie van Brussel. Leopold II wou de strijd tegen de slavernij aanwenden om het vijfde artikel van de Akte van Berlijn te herzien, terwijl Emile Banning stilaan gefrustreerd raakte over de trage vooruitgang die geboekt werd in de bespreking van de gezamenlijke aanpak tegen de nog steeds woekerende slavenhandel. Banning had tevergeefs gehoopt dat de morele idealen, superieur aan de politieke beslommeringen van de dag, de debatten zouden spekken. Marc Walraet noemde het dan ook een marteling voor het idealisme van Emile Banning toen bleek dat de nationale delegaties één voor één de financiële lasten voor de uitroeiing van de slavernij en slavenhandel wilden ontwijken[348]. De moeilijkheden die ontstonden bij de ondertekening en ratificering van de vage Akte van Brussel op dat vlak en de bijhorende Akte die het hele douane- en belastingsstelsel herzag, werden na talloze onderhandelingen en na diplomatiek gekissebis overwonnen door Banning en Lambermont.

Hun inspanningen werden echter ondergraven door de nieuwe politieke weg die de Soeverein van de EIC insloeg. Leopold II duwde de handelsmaatschappijen die hij zelf in het leven had geroepen stilaan eigenhandig de afgrond in door het langzaam invoeren van een domaniaal stelsel, dat de opbrengsten van de natuurlijke rijkdommen ten goede liet komen aan de staat en enkele nieuwe bevoorrechte concessiemaatschappijen. Emile Banning, die zijn hele leven lang streed voor Belgische kolonies volgens het principe van economisch liberalisme, naderde bijgevolg een aanval van razernij door de schendingen van de Akte van Berlijn, en in het bijzonder het met de voeten treden van het natuurlijke recht van elke inboorling op grondbezit en de vruchten ervan[349].

Elke vorm van een liberale handelspolitiek met bijhorende rechten werd door de koning tussen 1890 en 1892 tenietgedaan zodat de bedreigde Belgische maatschappij Compagnie du Haut-Congo een beroep deed op de Belgische regering om de Akte van Berlijn alsnog hoog te houden. De katholieke eerste minister Auguste Beernaert riep op zijn beurt de hulp in van Emile Banning om de juridische krachtlijnen beter te begrijpen[350]. In oktober 1892 legde Banning de laatste hand aan een rapport met de titel ‘La liberté commerciale dans le bassin conventionnel du Congo d’après l’Acte général de Berlin.’ De bibliothecaris en archivaris van het ministerie van Buitenlandse Zaken verwierp er met talloze argumenten het nieuwe koloniale regime dat zijn vorst had ontwikkeld, en dat zowel het Belgisch burgerlijk wetboek en Belgische handelswetboek als het internationale recht met de voeten trad. Edmond Panneels citeerde in zijn verhandeling de dreigende voorspelling van Banning: Partout où ce régime a été appliqué sous une forme ou une autre, il a mené à la stagnation et au déclin sur le plan économique et à la révolte au niveau politique[351].”

“Le Roi s’isole et devient de moins en moins accessible à nos conseils[352]”, kloeg Banning bovendien al een tijdje. Het was dan ook geen verrassing dat het lezen van het rapport de genadeslag voor hun samenwerking zou betekenen. Leopold II voelde zich door het rapport wellicht persoonlijk geviseerd. Kort daarna zou Banning een laatste privé-ontmoeting met de koning hebben gehad, die volgens de anekdotische pers uitmondde in deze bitse woordenwisseling:

Leopold II: “Je veux que cela soit et cela sera.”

Banning: “Il se peut que vous vouliez, Sire, mais vous trouverez alors un autre que moi pour exécuter pareille volonté.”[353]

 

Of die anekdote overeenstemt met de historische werkelijkheid is maar de vraag. Verschillende getuigen bevestigden echter wel dat Leopold II zijn raadgever ostentatief de rug toonde op het nieuwjaarsfeest van 1893 in het Koninklijk Paleis. Voortaan gebruikte de koning in de omgang met anderen de spotnaam van ‘mankepoot’ voor Emile Banning, waarmee de koning refereerde naar de levenslange handicap van de archivaris als gevolg van een zware val tijdens zijn kindertijd. Vanaf dit moment negeerden beide heren elkaar. Hoewel Banning in 1895 met baron Lambermont en van Neuss de privé-staat van Leopold II probeerde te doen annexeren als een Belgische kolonie[354], ondernam hij ook geen politieke stappen meer om zijn idealen in Congo alsnog door te drukken. De gefrustreerde historicus zou voortaan zijn dagen aan zee slijten met het schrijven en uitgeven van talloze memoires, waarbij hij de toenmalige koloniale politiek van de tweede Belgische vorst bekritiseerde, en zichzelf een groter aandeel in de geboorte van de EIC probeerde toe te schrijven.

 

 

Een romantische medewerker van Leopold II

 

De ideologie van Emile Banning steunde volgens Edmond Panneels op “drie edele grondbeginselen”: God, Vrijheid en Vaderland[355]. Op het eerste zicht is alleen het eerste beginsel moeilijk op te sporen in de koloniale ideologie van Banning. Zijn diepe christelijke overtuiging liet hij echter onopvallend doorschemeren in zijn professionele loopbaan, hoewel het humanitaire en christelijke idealisme dat hij op regelmatige tijdstippen etaleerde, daar wel uit voortvloeide. Zo kwam Leopold II tussenbeide in het eerste manuscript van het verslag van de Geografische Conferentie om Banning te temperen in de nadruk die hij legde op de evangelisatie van de oorspronkelijke bevolking[356]. Het was dan ook niet voor niets dat Emile Banning het boek ‘Le génie du christianisme’ van Chateaubriand sinds zijn jeugd als zijn lievelingsboek bestempelde. Deze apologie pleitte voor een hernieuwd christendom, dat zich kon verzoenen met het rationalisme van de achttiende eeuw. Het romantische geïnspireerde boek liet de vaak eenzame en daardoor melancholische Banning de natuur ontdekken, waarin hij zich terugtrok om zich te bezinnen[357]. Hij bestempelde zichzelf later als een dubbele persoon: een mysticus en een rationalist[358]. Ook in de maatschappij moesten naar de mening van Banning politiek en godsdienst strikt gescheiden blijven: het eerste diende goede burgers voort te brengen, het tweede goede christenen[359].

Het christelijke idealisme van Emile Banning paste volledig in het plaatje van het neutrale België dat zich tijdens verschillende negentiende-eeuwse conferenties opwierp als kampioen van internationale humanitaire acties. Tijdens de Conferentie over oorlogsrecht en oorlogsmisdaden (1874), de Geografische Conferentie (1876) en de Antislavernij-Conferentie (1889-1890) ging de aanwezigheid van Emile Banning en zijn humanitaire ijver niet onopgemerkt voorbij. Vooral het vraagstuk van de slavenhandel bleek een obsessie in zijn gedachtewereld[360]. Al op zijn twintigste schreef hij een luguber gedicht over de Afrikaanse slavenhandel[361]. Sinds zijn kindertijd had hij een grote interesse gekweekt voor geografische kennis over het zwarte continent[362]: L’Afrique m’avait intéressé d’ancienne date[363].”

Het economische liberalisme kwam zowel voort uit die humanitaire inspiratie als uit de honger naar vrijheid. Vrijhandel gaf beide partijen de best mogelijke economische resultaten in een wereldhandel die met de verschillende industrialisatiegolven een grote expansie kende. Emile Banning wilde dan ook niets liever dan dat het kleine België haar horizon verbreedde om internationale contacten te leggen. Hij verwoordde het met Brialmont op een romantische toon: “Un peuple a besoin d’air, de larges horizons, d’un idéal qui charme son imagination et fasse battre son cœur; réduisez-le aux calculs de ménage, à la politique des intérêts de parti, il se désagrégera et se corrompra[364].”

De christelijke inspiratie vanuit Chateaubriand en de voorliefde voor de natuur onderstrepen Bannings romantische karakter. Tegelijkertijd deelde Banning in de koloniale ideologievorming van Brialmont en Lambermont, die eerder gebaseerd leek op een positivistisch principe: de ‘struggle for life’ van het kleine België. Emile Banning ontwikkelde een andere positivistische variant die uitging van de ongelijkheid van rassen en volkeren. Elk ras of volk, dat zichzelf in de loop van de geschiedenis een territorium had aangemeten, bepaalde zelf voor een groot stuk haar historische lot, maar kon haar lot ook ondergaan. Banning vormde op die manier een geschiedenisvisie, gebaseerd op de organische behoeften van volkeren. Het Germaanse ras was voor Banning tegelijkertijd het grote voorbeeld door hun groeiende eigenwaarde en romantische natievorming, en de grote boeman, omdat hun recente staatsgroei negatieve territoriale gevolgen zou kunnen hebben voor het kleine België. Zijn kleine vaderland bestond bovendien uit twee verschillende bevolkingsgroepen, wat haar extra kwetsbaar maakte. Banning hoopte dan ook dat België door een neutrale en verzoenende houding zichzelf kon handhaven tussen het Germaanse en het Franse rijk in. Die verzoenende houding koppelde hij aan een “civiliserende” rol, die België niet alleen in Europa kon spelen: ook op andere continenten moest België zichzelf als een vredelievende en humanitaire natie opstellen, zodat ze zichzelf ook daar een glorierijke naam tussen de militaire en koloniale grootmachten kon aanmeten[365].

De ideologie van Banning werd ook gekruid door enig pessimisme. De luie houding van Belgische leidende klasse tegenover economische overzeese expansie en het militaire neutraliteitsstatuut werkte ongetwijfeld op zijn gemoed: op die manier zag Emile Banning de Belgische staat vroeg of laat alsnog in de handen van een Europese grootmacht vallen. Neal Ascherson velde hierdoor echter een te hard oordeel over Bannings ideologie:

“Emile Banning was een jongeman die net als de koning een mank been had en furore ging maken als een romantische imperialist van de gevaarlijkste sentimentele soort. … Het liberalisme van Banning was van het soort dat poogde mensen onder te verdelen in rassen, om vervolgens voor elk ras het ware historische lot te formuleren, een overtuiging die al aan het ontaarden was tot een meststof die de groei van het racistische fascisme in Europa zou voeden.”[366]

 

Ascherson ging hierbij echter voorbij aan de christelijke inspiratie van Emile Banning, die tolerantie en naastenliefde steeds hoog in het vaandel droeg. Ondanks zijn pessimisme droomde hij soms filosofisch over een “Etats-Unis d’Europa”, hoewel hij besefte dat het omnipresente nationalisme een dergelijke constructie belemmerde[367]. Hij bouwde zijn ideologie dan ook op rond het ideaal van het economische liberalisme, dat een “civilisation libératrice” vol welvaart en vrede zou brengen. Het hele discours stond ondanks het idealiserende en romantische kleedje stevig gebouwd op de positivistische fundamenten van de wetenschap. De sociale entiteiten die Banning hanteerde, zoals natie, volk en ras, gehoorzaamden aan de typische organische wetten van die tijd[368].

Hoewel Banning al droomde over een Europese eenmaking, stond zijn ideologie toch verankerd in de negentiende eeuw. Zo was hij geen overtuigde aanhanger van democratie. Hij had wel respect voor het Belgische parlementaire regime, maar was veeleer een voorstander van een meritocratie want die vermeed het beste foute beslissingen in het politieke bestuur. Vanuit zijn christelijke inspiratie had hij dan wel veel medelijden met de armere Belgische massa, maar het algemeen enkelvoudig stemrecht zou volgens hem geen zoden aan de dijk brengen[369]. Hetzelfde type paternalisme kwam terug in zijn koloniale ideologie: “Pour lui (Banning), coloniser, c’était avant tout civiliser[370].” De oorspronkelijke bevolking kon geciviliseerd worden door de invoer van het economische liberalisme dat de materiële behoeften van zowel Belgen als Afrikanen ten goede zou komen. Daarnaast kon de afschaffing van de slavenhandel de Afrikaanse bevolking emanciperen, maar op het niveau van een Westers ras zou ze echter wellicht nooit belanden. Enkel moreel konden de Afrikanen geciviliseerd worden volgens blanke normen: “Si l’on se place au point de vue moral, il y a moyen de blanchir des nègres, et à cette vue l’Afrique présente sans aucun doute le plus grand champs que l’on puisse cultiver[371].”

Het Vaderland stond ook centraal in de romantische militaire ideologie van Banning. België had eeuwenlang de geschiedenis ondergaan, maar sinds 1830 haar plaatsje in Europa eindelijk verworven. Emile Banning, die steeds een passionele droom koesterde over een glorierijk en groots België, keek bijgevolg nauwlettend toe op de neutrale houding die België had aangenomen in het Europese Concert en probeerde die aan te passen aan de nieuwe omstandigheden en zijn idealen. Net als Brialmont, was hij een voorstander van een actieve neutraliteit van België: een optimaal defensieapparaat moest verhinderen dat de jonge natie, die in het verleden al vaak onder de voet werd gelopen, haar staatsvorming moest prijsgeven. Steden moesten beter versterkt worden en de invoering van de algemene dienstplicht was een ‘conditio sine qua non’ voor het voortbestaan van het land[372]. Daarnaast kon België zich economisch en demografisch consolideren door het verwerven van een afzetmarkt, waarbij Banning de neutraliteit als een filantropisch hulpinstrument inriep: “Il n’y a que la Belgique qui fait de la philantropie pure[373].”

De brochure ‘La Belgique doit être agrandie’ uit 1882 bevatte het koloniale verlengstuk van die pessimistische en positivistische ideologie, hoewel het auteurschap van Banning onduidelijk en omstreden is[374]. Het libel propagandeerde Belgische koloniale expansie voor demografische redenen: “Plus nous augmentons en nombre, plus nous nous affamons et appauvrissons. … Ou bien notre population se restreindra, ou bien notre territoire s’étendra[375].” Het hele rassenprogramma van Banning kwam er ook in terug: het “negerras” was door het principe van de natuurlijke selectie wellicht gedoemd te verdwijnen[376]. Op basis van inhoudelijke argumenten moet het auteurschap van Banning echter afgewezen worden: “Je me proposais de prêcher non la civilisation, mais la colonisation de l’Afrique du Sud[377].” Zowel het feit dat de auteur zich hier uitspreekt tegen de ‘civilisatie’ van de oorspronkelijke bevolking als het gebied waarop de auteur zijn koloniale pijlen richt, doen ernstige vermoedens rijzen dat Roeykens ongelijk had in het toewijzen van de brochure aan Emile Banning[378]. Banning mikte rond die periode op Kameroen, en zijn koloniseringideologie droeg vanuit een christelijke en romantische invloed altijd het civiliserende doel hoog in het vaandel. Andere argumenten, zoals de ervaringsmogelijkheden van een nog op te richten marine, de verhoging van het Belgische morele gehalte en andere nationale patriottische argumenteringen[379] doen dan echter wel weer denken aan de zogenaamde Groene Brochure van 1889, waarin Brialmont, Banning en vermoedelijk ook Lambermont een samenhangende nationale vooruitstrevende ideologie presenteerden[380].

God, Vrijheid en Vaderland, de ‘edele’ grondbeginselen van de ideologie van Banning, werden opgediend op een bedje van tegelijk positivistische vastberadenheid en romantisch pessimisme. Die karaktertrekjes, die zijn vriend Brialmont soms ergerden, zorgden vermoedelijk ook voor moeilijkheden in zijn werkrelatie met Leopold II. Tijdens de zevenentwintig jaar dienst voor Leopold II, kan men zich meermaals afvragen in hoeverre Banning wel op de hoogte was van de tactiek en acties van zijn vorst. Het lijkt er op dat Banning door Leopold II vooral aangesproken werd voor historische, juridische en journalistieke diensten, maar slechts zelden voor concreet advies. Vele van de voorstellen voor de koloniale onderneming van Leopold II die Banning lanceerde, werden niet of slechts gedeeltelijk door de vorst in de praktijk gebracht: de oprichting van nationale stations in 1876, de kolonisering van Kameroen in 1882, de grote humanitaire aandacht van Banning voor de afschaffing van de slavenhandel − die wel leidde tot een militair conflict met de Arabische slavenhandelaars, maar de kwaal niet definitief kon uitroeien −, de invoering van de algemene vrijhandel die Leopold II enkel op papier aanvaardde, etc.

Door het groeiende antagonisme tussen de koloniale concepties van Banning en zijn vorst, leek een definitieve breuk in 1892 onafwendbaar[381]. De vastberaden Banning schoof de schuld ook af op Leopold II, die zich meer en meer isoleerde: “Le Roi n’est plus le même; le changement de caractère et d’esprit constaté chez lui depuis deux ou trois ans s’accentue et fait craindre un catastrophe, à l’heure où il n’avait qu’à laisser faire pour être un Roi marquant, peut-être devenir une grande figure.”[382] Leopold II heeft in zijn relaties met adviseurs echter altijd een koppig en zelfs autoritair trekje vertoond. Adrien Goffinet noemde hem niet voor niets in 1862 al “son auguste tyran[383].” Ook Banning stond steeds machteloos tegenover de stijfkoppige karaktertrekjes van de vorst. Zoals Don Quichote er nooit in slaagde de windmolens te bedwingen, kreeg Banning zijn ideaal van ‘civilisation libératrice’ nooit doorgedrukt in de EIC. De koppigheid van Leopold II nekte Bannings idealen.

Toen de vorst, tegen alle raadgevingen van Banning in, het domaniale stelsel heimelijk toch doorvoerde, was de maat dan ook meer dan vol. De archivaris en bibliothecaris van het ministerie van Ministerie van Buitenlandse Zaken kon zich onmogelijk nog vereenzelvigen met de koloniale idealen en politiek van Leopold II, die zich volgens Banning meer en meer baseerde op idealen uit het Ancien Régime[384]. Banning verdween definitief van de coulissen van het Belgische politieke toneel. De ziektes die hij sinds zijn jeugd met zich meedroeg, onder andere een slopende zenuwziekte[385], verergerden na 1893. De melancholie die in zijn boeken van die laatste jaren doorklonk, kan er op wijzen dat Emile Banning zichzelf in die periode ziek ergerde aan de houding van Leopold II. Zijn dood in 1898 was dan ook voor velen waarschijnlijk geen verrassing.

 

 

8. De korte koloniale carrières van Jules Greindl, Eugène père Beyens, Eugène Napoléon Beyens en Maximilien Strauch

 

Een sceptische Jules Greindl (1835-1917)

 

De reis van de hertog van Brabant in 1860 bracht hem naar de hoofdstad van het Ottomaanse Rijk, Constantinopel, waar zijn leeftijdsgenoot Jules Greindl niet van zijn zijde week. In tegenstelling tot zijn vader, die er net een legislatuur als minister van Defensie op had zitten, hing de diplomatieke carrière van Jules Greindl toen aan een zijden draadje[386]. Vooral de salariëring, die structureel financiële katers bij de burgerlijke Belgische diplomaten creëerde[387], baarde Greindl zorgen. Hij dacht er dan ook aan zijn diplomatieke carrière vroegtijdig te beëindigen. Het goede rapport dat de jonge kroonprins zijn leeftijdsgenoot in Constantinopel gaf, overtuigde Greindl echter voldoende om zijn carrière verder te zetten. “Beide leeftijdsgenoten winnen elkanders vertrouwen. Leopold blaast Jules Greindl nieuwe moed in[388].” Tegelijkertijd werd Greindl - vooral mondeling, waardoor er weinig sporen zijn teruggevonden - ingewijd in de vroegste koloniale plannen van de troonopvolger[389]. De jonge hertog van Brabant onderzocht vergeefs tijdens zijn verblijf in Constantinopel of hij Kreta en Cyprus kon omvormen tot Belgische wingewesten via een financiële constructie met de sultan en een chartermaatschappij[390]. Omdat hertog Leopold zijn leeftijdsgenoot tweemaal expliciet bedankte voor zijn inzet inzake deze patriottische plannen, kan aangenomen worden dat Greindl de kroonprins voorlopig volgde in zijn koppige passie voor Belgische koloniale expansie[391].

            Maar de daaropvolgende jaren ontpopte Greindl zich tot een “intelligente en bekwame diplomaat, die steeds waakte over zijn geestelijke onafhankelijkheid[392].” Francis Dierckxsens, die de vroege carrière van Greindl van nabij bestudeerde, merkte het contrast op dat na 1860 ontstond tussen de twee leeftijdsgenoten: de nuchtere en doorwinterde Greindl die door ervaring de beperkingen van het kleine België aanvaardde en Leopold die uitgroeide tot een ambitieuze en voortvarende koning. De eensgezindheid was gaandeweg al weggeëbd toen Greindl naar Bern trok, waar hij zijn diplomatieke doorbraak helemaal kon forceren en voor het eerst een diplomatieke ambassade leidde. Leopold bleef wel steeds waken over zijn beloftevolle diplomaat: zo annuleerde hij persoonlijk Greindls overplaatsing naar Rio de Janeiro in 1867, en zond hem opnieuw naar Constantinopel, wat Greindl zelf apprecieerde[393].

Hij kon zich in Spanje bewijzen tijdens de tweede Carlistische Oorlog (1872-1876), die de troon uiteindelijk schonk aan Alfonso XII. Spanje werd in die tijd volledig in de anarchie en chaos ondergedompeld met bijhorende politieke instabiliteit, waardoor ook het koloniale rijk desintegratieverschijnselen begon te vertonen. Leopold II zag een kans en mikte op de Filippijnen: “… les Philippines, c’était la porte ouverte sur la Chine et le Japon! Personne n’admettrait qu’une grande Puissance aille s’y installer[394].” De vorst van het neutrale België zag er dan ook geen graten in om zijn Belgische vertegenwoordiger in Madrid begin 1873 te contacteren om onderhandelingen met de Spaanse overheid op te starten[395]. Jules Greindl weigerde echter het pad van een privé-maatschappij te bewandelen, omdat dat naar zijn mening financieel onhaalbaar was. Ofwel werden de Filippijnen als kolonie aangekocht door de Belgische regering, ofwel kon Leopold II door middel van een complexe financiële transactie op zijn eentje dubbelmonarch worden[396]. Een politiek manoeuvre van Leopold II drong zich in ieder geval op, maar Greindl toonde zich nog steeds sceptisch over de financiële component van de onderneming, over de gevolgen van een eventuele schending van het neutraliteitsstatuut dat België nog altijd droeg, en over de noodzakelijke medewerking van de klerikale en katholieke elite aan de onderneming[397].

            Het Filippijnse kolonisatieproject werd een illusie. De katholieke Belgische regering onder leiding van Malou weigerde inderdaad haar medewerking, en noch Greindl noch Leopold II zelf konden het vereiste kapitaal verzamelen. Hun pogingen om geld te lenen bij de Londense city banks strandden omdat hun plannen voor de Britse bankiers te vaag leken zonder garanties van de Belgische staat. Toen de rust stilaan terugkeerde in 1875 in het Spanje van Alfonso XII, moest Leopold II zich neerleggen bij zijn falen[398]. Ook baron Lambermont had niet echt geloofd in de Belgische overname van de Filippijnen, maar had de onderhandelingen wel van dichtbij aandachtig gevolgd[399]. Greindl zelf liet zich tijdens en na de verwoede pogingen van Leopold II steeds sceptisch uit over de haalbaarheid van het plan en over de efficiëntie van de koninklijke methoden in zijn correspondentie met zijn vriend Lambermont[400]. Aan de vorst zelf liet hij in februari 1875 eindelijk duidelijk verstaan dat, “wat zijn verlangen ook mocht zijn om een Belgische kolonie te verwerven”, de Spaanse obstakels onmogelijk nog overwonnen konden worden[401]. Jacques Willequet schreef de mislukking onder andere toe aan een wat simplistisch gestelde divergentie tussen de doelen van beiden: “le Roi veut une colonie, et Greindl ne vise que l’expansion commerciale[402].” Wellicht lag het verschil tussen de beide heren veeleer op psychologisch vlak: Greindl toonde zich een pessimist, terwijl Leopold II altijd een koppige optimist bleef. Innerlijk twijfelde Greindl aan de haalbaarheid van een Belgische kolonie. Aan baron Lambermont liet hij in 1874 meermaals weten dat de ideeën van het Belgische publiek nog zo verward waren “qu’il regarderait aujourd’hui l’acquisition d’une colonie comme un malheur[403].”

Na de Geografische Conferentie polste Lambermont Jules Greindl toch voor de vacature van secretaris-generaal van de AIA, wellicht op verzoek van de koning. In zijn antwoord van 14 oktober 1876 uitte Jules Greindl een hele reeks twijfels die meer op eisen tot garanties leken voor zijn deelname aan het vorstelijke initiatief. Lambermont moest antwoorden zien te vinden op de zeven volgende (verkorte en vertaalde) vragen:

1. Is er voldoende financieel en menselijk kapitaal aanwezig opdat de AIA kan slagen in haar opdrachten?

2. Als Leopold II slechts één jaar voorzitter zou blijven, blijf ik dan ook slechts één jaar in functie?

3. Hoe zijn de bevoegdheden van de nationale en internationale comités van de AIA eigenlijk precies omlijnd?

4. Wat gebeurt er met de AIA en haar secretaris-generaal wanneer er een Europese oorlog zou uitbreken?

5. Hoe wordt concreet mijn diplomatieke carrière tijdelijk geschorst, en wat denken het ministerie en de minister daarover?

6. “A côté et sans préjudice du but scientifique et humanitaire à poursuivre l’entreprise répond sans doute à une pensée exclusivement nationale; quelle est-elle?”

7. “Suis-je suffisant? … En suis-je digne?... Puis-je m’élever plus haut et réussir dans une voie toute nouvelle, sans y être préparé par rien de ce que j’ai fait jusqu’à présent?  J’en doute très fort et c’est sur ce point que je vais m’examiner jusqu’à ce que je reçoive votre réponse qui me permettra de prendre une décision définitive.”[404]

 

Zijn ongerustheid bewees duidelijk dat Jules Greindl de Geografische Conferentie niet op de voet had gevolgd. Greindl voelde ook argwaan voor een internationale onderneming met zowel een Belgische secretaris-generaal als een Belgische voorzitter: er moest dus wel een nationale Belgische betrachting meespelen. Zijn diplomatieke bescheidenheid verried ook de volgzaamheid ten opzichte van Lambermont die Greindl, een amateurbeeldhouwer, ook in eerdere diplomatieke demarches had gedemonstreerd: “J’étais le praticien et vous étiez le sculpteur[405].” Die meegaandheid paste wellicht ook volgens Lambermont en Leopold II in het profiel van een Belgische secretaris-generaal van de AIA. Eigenzinnige ambtenaren zoals Emile Banning konden ze missen als kiespijn. Baron Lambermont had de reacties van zijn vriend Jules Greindl bovendien ook goed getaxeerd, zo bekende hij aan kabinetschef Jules Devaux: “Ainsi que je l’avais pensé, il n’a pas répondu sans réfléchir et sans hésiter[406].” Na een eerste en een tweede nadere verklaring van Lambermont vatte Greindl andermaal zijn twijfels samen in een telegram, gedateerd op 23 oktober 1876:

“Merci pour explications. Puisque nationalité belge inutile, ne vaut-il pas mieux voyageur africain qui aura plus d’autorité que moi? Crains d’augmenter embarras financiers. Néanmoins suis à la disposition du Roi, mais bien entendu que je ne serai jamais sous ordres d’un étranger.”[407]

 

            Baron Lambermont slaagde er toch in Greindl over de streep te trekken, en hem aan te werven voor het mandaat van secretaris-generaal van de AIA. De secretaris-generaal van het ministerie van Buitenlandse Zaken kwam de nieuwe secretaris-generaal met extra verduidelijkingen tegemoet, ook in het exclusief nationale aspect van de AIA:

“Il n’y a pas de pensée exclusivement nationale. L’oeuvre devant profiter à la science et à l’humanité, intéresse nécessairement tout le monde, mais la Belgique et son Souverain en retireront indirectement de l’honneur et un grand profit moral; dans ce sens, il y a une pensée vraiment et utilement belge. On n’a pas en vue d’acquisition coloniale, mais avec le temps, le commerce y trouvera sans doute aussi son compte.”[408]

 

            Door de uitgebreide en subtiele argumentatie[409] van de baron, smolten de twijfels van Jules Greindl als sneeuw voor de zon. Op 30 november 1876 werd hij als Belgisch diplomaat op non-actief gezet[410], hoewel hij al een kleine maand eerder benoemd werd tot secretaris-generaal van het AIA en secretaris van het ‘Comité national belge’[411]. Voortaan reisde hij Europa rond, bestudeerde de avonturen van ontdekkingsreizigers in Afrika, onderhandelde hij met verschillende instanties, trachtte hij vergeefs internationaal fondsen te verzamelen, en was hij als secretaris van het Belgische comité nauw betrokken bij de expeditie van Cambier naar het Tanganyika-meer[412]. Hij nam ook deel aan het denkwerk van Emile Banning die in de regio van het huidige Kameroen een reeks humanitaire stations wou oprichten “sur un plan national[413].” “Le baron Greindl partageait mes vues[414]”, bekende Banning later wat pronkerig in zijn Notes sur ma vie et mes écrits.

            Een doorbraak kwam er pas met de kleurrijke en ook omstreden Henry Morton Stanley, die Jules Greindl, samen met die andere rechterhand van Leopold II, Henry Shelton Sanford, opwachtte in Marseille op 13 januari 1878 na zijn terugkeer uit Afrika. Leopold II had enkele maanden eerder zijn plannen ontvouwd aan baron Solvyns[415] om in het gebied rond de Congostroom langzaam (Belgische) nederzettingen op te bouwen in samenwerking met Stanley[416]. Greindl meldde echter diezelfde dag nog zijn scepsis over de figuur van Stanley aan Solvyns. Jules Greindl had namelijk in Groot-Brittannië en Duitsland geruchten opgevangen van Stanleys plunder- en moordpartijen in het binnenland van het Afrikaanse continent. Toch gaf de secretaris-generaal van het AIA niet op: “Sa conduite donnera lieu très prochainement à un débat très animé; ou il se justifiera et il sera très bon à employer; ou il ne parviendra pas à le faire et, dans ce cas, on sera bien aise de n’avoir ni lien ni relation d’aucune sorte avec un allié compromettant[417].”

De ontmoeting in Marseille haalde weinig uit omdat de vermoeide Stanley enerzijds zo vlug mogelijk wou terugkeren naar het Britse eiland en zich anderzijds niet kon vinden in een vage en schimmige organisatie zoals de AIA. Hij hoopte zijn pionierswerk in Afrika verder te kunnen zetten onder Britse vlag. Maar noch de ‘Foreign Office’ noch Edward, de prins van Wales, voelde zich geroepen om Stanley te ontvangen. Leopold II wreef in zijn handen toen hij een ontgoochelde Stanley toch kon ontvangen op zijn paleis in juni 1878, en met hem een contract kon ondertekenen dat Stanley voor vijf jaar verbond aan de AIA[418].

            Ondertussen was de veer gebroken bij baron Jules Greindl. Twee jaar eerder was hij aanvaard als secretaris-generaal van een organisatie die zichzelf een internationale humanitaire en neutrale opdracht vooropstelde, maar sindsdien voerde Leopold II als voorzitter van de AIA een beleid dat steeds meer Belgisch en territoriaal getint werd. “Manifestement, on quitte le plan humanitaire et scientifique pour se risquer dans une entreprise dont les aspects commerciaux lui paraissent manquer de bases suffisantes, et qui par-dessus le marché lui semble lourde de difficultés nationales et internationales[419].” De verwoedde pogingen van de koning om de controversiële Stanley aan te trekken vergrootten zijn twijfels: in mei 1878 zou Greindl al zijn ontslag hebben aangeboden, maar de koning kon hem overtuigen aan te blijven tot het einde van het jaar[420]. Hij voerde de oprichtingen uit van de CEHC en AIC als de nieuwe ruggengraten voor het vorstelijke kolonialisme. Tot ieders verrassing werd niet Greindl, maar wel de militair Maximilien Strauch de nieuwe koloniale rechterhand van Leopold II in de CEHC en de AIC. Baron Jules Griendl keerde terug naar de Belgische diplomatie, waar hij eerst de relaties met Mexico (1879-1880) probeerde te herstellen, daarna ‘ministre résident’ werd in Lissabon (1880-1888), en uiteindelijk een grote diplomatieke post voor zich kon opeisen in Berlijn (1888-1912)[421].

 

De discretie over hun breuk werd nergens doorbroken, hoewel toch enkele sporen verzameld konden worden. De enige ingewijden in de gevoelens van Greindl waren wellicht zijn vrouw en baron Lambermont. Aan zijn vrouw schreef hij naar aanleiding van een project van een Mexicaanse zakenman: “Il a un grand désir de l’exécuter, mais ne paraît pas avoir de moyens d’action. Juste comme le Roi avec son Afrique[422].” Datzelfde jaar schreef hij vanuit Mexico zijn vrouw over het “luguber carnaval van kolonies en andere onbenullige prietpraat” dat hij twee jaar lang had ondergaan: “Que je me félicite d’être hors toutes ses sottises[423]. Maar wanneer Jules Griendl uit Mexico terug keerde naar het Europese continent, geraakte hij in Lissabon opnieuw betrokken bij de koloniale carrousel van Leopold II toen onderhandelingen opgezet werden tussen Portugal, de AIC en Groot-Brittannië[424]. Het risico om het standpunt van de Belgische regering met dat van de Leopolds AIC te verwarren, loste Greindl op met de flair, de accuratesse en de tact van een topdiplomaat. Nochtans hunkerde hij steeds naar zijn uitstapjes naar Tanger waar hij de Arabische taal aanleerde en koesterde, en er ontsnapte aan de ‘zottigheden’ die sommigen hem vanuit Brussel oplegden[425].

Jules Greindl werd in Berlijn opnieuw gecontacteerd door Leopold II om diplomatieke demarches uit te voeren in opdracht van de nieuwe EIC. Hoewel Jules Greindl de loyaliteit tegenover zijn koning niet wou ontwijken, kon hij zich ook niet neerleggen bij de verharding van zijn koloniale politiek sinds 1890: “dans mon opinion, le Roi suit à l’intérieur et l’extérieur de l’Etat du Congo une politique des plus dangereuses[426].” Het antwoord van Lambermont op de vertrouwelijke vraag tot advies van zijn vriend was veelzeggend: “Depuis environ deux mois le Roi ne m’a plus entretenu et je n’ai plus entretenu sa Majesté des affaires du Congo. … Je ne connais pas un traître mot de ce qu’on vous écrit[427].” Greindl zou na 1892 in Berlijn wel zijn handen vol hebben met de koloniale perikelen van de vorst: de handelsvrijheid, het Engels-Congolees verdrag (1894), de affaire Stokes of de perscampagne over de afgehakte handen vroegen steeds om een uitleg aan de buitenlandse mogendheden van onwetende Belgische diplomaten zoals hij[428].

 

 

Eugène père Beyens (1816-1894)

 

Andere volbloed diplomaten, zoals vader en zoon Eugène Beyens, geraakten eveneens betrokken bij de koloniale zoektochten van Leopold II. Vader Eugène Beyens werd in 1853 door Leopold I in Parijs gestationeerd, vanwege de nauwe vriendschapsbanden tussen zijn vrouw en de nieuwe echtgenote van Napoleon III. De Franse keizer en keizerin werden zelfs de peter en meter van Beyens’ zoon, Eugène Napoléon Beyens. Vader Beyens volgde de koloniale ontwikkelingen van Leopold I en zijn zoon via correspondentie met onder andere Lambermont en Jules Greindll. Tot dan toe werd hij er zelf weinig of niet in betrokken door de schaarse contacten over koloniale projecten met het labiele negentiende-eeuwse Frankrijk.

Pas in september 1875 dook vader Beyens op in de koloniale annalen van Leopold II. De ambassadeur in Parijs werd naar Brussel geroepen voor een audiëntie bij de vorst. Jules Devaux had Beyens gemeld dat de vorst zijn zinnen had gezet op de Filippijnen. Beyens ging er dan ook vanuit dat zijn Spaanse contacten – zijn schoonbroer was er sinds kort minister –  aangewend zouden worden om de Filippijnen te verwerven. In een brief aan Jules Greindl maakte Beyens duidelijk dat hij weinig zin had om deel te nemen aan de hele onderneming:

“…il est absurde de penser que des rapports intimes avec un ministre aient la moindre valeur dans une question qui doit être tranchée largement, au grand jour, par tout le monde: cabinet, chambre et public! … Donnez-moi des éléments de découragement ayant déjà servi.” [429]

 

            Het antwoord van Greindl sprak eveneens boekdelen: “il faudrait des colonnes pour reproduire toutes les objections que j’ai présentées par écrit et verbalement[430].” De scepsis van Beyens werd volgens Léopold Greindl ook ingegeven door Jules Devaux, die geregeld zijn koloniale bezwaren ventileerde bij de Belgische ambassadeur in Parijs. Jules Devaux speelde misschien zelf geen onschuldige rol, want hij durfte het aan om Greindl verder op te stoken. Uit een brief van Beyens aan Greindl kan namelijk afgeleid worden dat Jules Devaux het ontslag van Jules Greindl vreesde als zijn medewerking aan het plan om de Filippijnen te verwerven niet weldra succesvol werd afgesloten[431].

Wanneer vader Beyens een maand later echter eindelijk door de koning werd ontvangen in Brussel, lag het Filippijnse dossier niet langer op tafel: Leopold II dacht nu aan Tonkin, de noordelijke provincies van het huidige Vietnam die Frankrijk nog niet definitief had verworven[432]. Onderhandelingen met Frankrijk zouden onontbeerlijk worden als de koning een Belgische invloed in Vietnam wou doen gelden. Vader Beyens werd door de vorst gevraagd om de toekomstplannen van Frankrijk in de regio na te gaan, om zo te voorkomen dat de Belgen onder hun duiven zouden schieten[433].

Tussen 1875 en 1882 bleef de koning een grote interesse koesteren voor het plan-Tonkin. De gelijkenissen tussen Midden-Afrika en Tonkin waren ook opmerkelijk. Beide gebieden waren door geografen slechts zeer schematisch in kaart gebracht. Sommige delen bleven zelfs een onbekende zwarte vlek. De Congo-stroom betekende de sleutel voor de ontsluiting van Midden-Afrika, terwijl de Song Koï (de Rode Stroom) als ingangspoort fungeerde voor de exploratie van Indochina, en bovendien eventuele handelsmogelijkheden met China bood. Leopold II klonk optimistischer over de mogelijkheden van de inheemse bevolking: hoewel dichtbevolkt, was ze ook ‘douce.’ In vergelijking met de Afrikanen, zou het gebied militair makkelijker te beheersen en te controleren zijn; en ook ‘de beschaving’ moest er niet meer gebracht worden. Daarnaast, als kers op de taart, bood de regio ook een vruchtbare bodem[434].

Frankrijk was Leopold II echter te snel af, dankzij onder andere efficiënte consulaten in Cochin China en het afsluiten van contracten met de stamhoofden van Annam. In 1887 werd Tonkin opgeslokt in de Franse Unie van Indochina. De plannen van Leopold II om met een neutrale maatschappij met weinig kapitaal[435], ‘le société de Tonquin’, de Fransen te overtuigen van het goede nabuurschap vol Belgische neutrale invloed waren in Parijse dovemansoren gevallen. Het argument dat die vraag inleidde – een diplomatiek incident waarbij een Franse krant had aangedrongen om België opnieuw te annexeren, wat de Franse regering niet had veroordeeld – betekende dan ook niet veel op het internationale speelveld.

Vader Beyens, die enkel memoires over zijn Franse verblijf heeft uitgegeven voor de periode van het Tweede Keizerrijk[436], werd echter door Leopold II wel onder druk gezet om Frankrijk op alle mogelijke manieren te overtuigen. Jean Stengers baseerde zijn studie over de sleutelperiode in de koloniale ideologie van Leopold II vóór zijn succes in Midden-Afrika onder andere op de vele brieven van de vorst aan vader Beyens[437]. De ambassadeur zelf las, luisterde, voerde uit en rapporteerde aan Brussel. Aan zijn Franse gesprekspartners maakte hij duidelijk dat hoewel België geen kolonie nastreefde in de zin van een ‘formal empire’, het doel van Leopold II uiteindelijk toch een Tonkin was dat ‘moreel’ een ‘soort kolonie’ was ‘voor’ de Belgen[438]. De evenwichtsoefening tussen het strikte ‘formal empire’ en het lossere ‘informal empire’, waarvan de Britten meesters waren, was voor de Belgen duidelijk moeilijker te verteren leerstof in het koloniale denken door het obstakel van de verplichte Belgische neutraliteit.

Op 4 maart 1877 vroeg Leopold II Beyens zich voortaan te concentreren op Afrika, om in die poging ‘alle mogelijke krachten te bundelen’[439]. Dat betekende echter niet dat de dossiers over Tonkin in de prullenmand verdwenen: de onderhandelingen en studies werden slechts naar een lagere versnelling teruggekoppeld[440]. Het hele dossier Tonkin bleef echter steeds geheim voor de Belgische regering en het publiek. Jean Stengers vroeg zich zelfs af of baron Lambermont op de hoogte was van het verloop van de onderhandelingen: de correspondentie tussen Leopold II en vader Beyens gebeurde steevast vertrouwelijk en direct (zonder omweg langs de officiële correspondentie van het ministerie van Buitenlandse Zaken) en Leopold II alludeerde er zelfs op dat hij aboluut wou dat “ce (notre correspondance) reste absolument entre vous et moi[441].” De vorst bezocht nooit Parijs om er zelf onderhandelingen over Tonkin bij te wonen of op te starten: hij vertrouwde exclusief op zijn ambassadeur[442].

De gevoelens en de ideeën van vader Beyens zijn echter moeilijker te traceren. Jean Stengers, die vooralsnog als enige de papieren van vader Beyens in het ministerie van Buitenlandse Zaken onderzocht op zijn koloniale ideeën, concludeerde dat de ambassadeur vooral een passieve rol speelde: “Beyens pour le Tonkin, ne l’ {Leopold II} encourageait certainement pas, il se bornait à obéir[443].” Stengers betwijfelde dan ook of vader Beyens zich eigenlijk wel in de Tonkin-plannen van Leopold II vond: “A-t-il cru au Tonkin, et aux avantages qu’il pourrait offrir pour la Belgique? Il est permis d’en douter, et même d’en croire le contraire[444].”

Zoals eerder aangehaald heeft baron vader Beyens geen memoires of publicaties nagelaten waarin hij zijn deelname aan de koloniale zoektocht van Leopold II verdedigde. Veel correspondentie van zijn hand is er in de literatuur vooralsnog evenmin uitgegeven. Eugène père Beyens was goed bevriend met baron Lambermont, die zich wel onvoorwaardelijk en vrijwillig inzette voor de dromen van de koning. Hun vriendschap kwam niet alleen tot uiting in hun onderlinge correspondentie[445], maar ook in de kleine dingen des levens: zo at baron Lambermont vaak in het ouderlijke huis van de Belgische ambassadeur in Frankrijk, en zou hij een tijd lang zijn zoon in Brussel opvangen[446]. Veel sporen van een eventuele uitwisseling van gedachten over de koloniale praktijken van hun vorst kon dit onderzoek echter niet vinden, zodat het moeilijk werd om Stengers op zijn twijfels te toetsen.

De correspondentie die vader Beyens had met de jonge kabinetschef van de koning, Jules Devaux, stelde Stengers wel in het gelijk[447]. Jules Devaux schreef vader Beyens op 28 juni 1876 misschien een onthullende zin: “Tout ce que vous dites du T.K. est très juste. Celui-là, c’est un joujou dangereux[448].” Jules Devaux schreef over zijn twijfels en angsten over de koloniale avonturen van het staatshoofd misschien nog wel het meest openhartig als hij zich richtte tot vader Beyens[449]. Dit kan betekend hebben dat Devaux er van uit mocht gaan dat vader Beyens die twijfels en angsten begreep, misschien wel deelde. Bovendien lijken bronnen er op te wijzen dat vader Beyens zich helemaal niet wenste uit te sloven tijdens de onderhandelingen over Tonkin in Parijs[450]. Elementen die de hypothese van Jean Stengers ontkrachtten of onderuithaalden werden niet gevonden, zodat het beeld van een loyale en toegewijde Belgische ambassadeur in Parijs, ondanks ernstige twijfels over het nut en de noodzaak van een koloniale onderneming, voorlopig staande blijft.

 

 

Eugène Napoléon Beyens (1855-1934)

 

Letterlijk als een kind van de diplomatie bleef baron Eugène Napoléon Beyens levenslang in diezelfde wereld vertoeven. Zijn carrière kende verschillende hoogtepunten. Tussen 1910 en 1912, een opmerkelijk korte periode, werkte hij voor Albert I als ‘Ministre de la Maison du Roi’, een titel die enkel Jules Van Praet voor hem had ontvangen. In 1912 volgde hij baron Jules Greindl op als ambassadeur in Berlijn, en merkte hij er het nakende Duitse militaire gevaar op. Tijdens de Eerste Wereldoorlog zelf werd hij het hoofd van de oorlogsdiplomatie als Belgisch minister van Buitenlandse Zaken ‘ad interim’ tussen de zomers van 1915 en 1917, na het uitvallen van de zieke minister Davignon[451]. Zijn diplomatieke loopbaan eindigde in Vaticaanstad, waar hij ambassadeur werd bij de pausen Benedictus XV en Pius XI[452].

Tussen januari 1879 en april 1887 werkte de jongeling als attaché, later als secretaris van eerste klasse, in het kabinet van koning Leopold II. In de jaren dertig van de twintigste eeuw schreef hij zijn herinneringen aan deze periode neer, waarvan vooral de persoonlijke en personele gebeurtenissen hem waren bijgebleven[453]. Het lijden en de dood van zijn chef, Jules Devaux, de blijvende invloed van de oudere Jules Van Praet, de dagelijkse gang van zaken en de ‘petites histoires’ van het kabinet komen allemaal aan bod in het dubbele artikel. Over de koloniale gebeurtenissen tussen 1879 en 1887 vertelde zoon Beyens veel minder, hoewel hij zijn bewondering voor de doorzetting en de ijver van Leopold II in die materie niet onder stoelen of banken kon steken:

“Rien de ce qui s’imprimerait sur l’Afrique ne lui était étranger. Sans avoir eu besoin d’y aller voir, il connaissait le continent noir, comme s’il en eût été l’explorateur, et il suivait pas à pas les découvertes, qu’il notait dans sa prodigieuse mémoire et sur les cartes déployées sur la table.”[454]

 

Eugène Napoléon Beyens had zelf een bescheiden aandeel in het ontstaan van de EIC. Kort na 1883 stond hij in voor de particuliere correspondentie over Congo. Als jongeling kreeg hij die opdracht, wellicht omdat Leopold II besefte dat de adviseurs verbonden aan zijn ‘Maison Civile’ weinig zin hadden in die avonturen. Beyens bekende later:

“L’opinion qui régnait à la cour était que la fondation d’une colonie dépassait les forces du Souverain d’un petit Etat et qu’il engloutirait sa fortune privée, sans pouvoir créer rien de durable. Le Roi cherchait pour l’exécution de ses desseins des collaborateurs possédés de la foi qu’il avait lui-même et qui soulève les montagnes.”[455]

 

Leopold II vermoedde wellicht dat die bergverzettende kwaliteiten ook aanwezig waren bij de zoon van de Belgische ambassadeur in Parijs. In zijn “Souvenirs sur Léopold II et la cour de Belgique” vertelde Beyens dat hij als “jeune avocat du Congo” door zijn vorst gezonden werd naar twee grote Belgische politieke leiders van dat moment, de katholiek Jules Malou en de liberaal Walthère Frère-Orban, om hun steun te vragen voor de onderneming. Twee maal werd de jonge snaak op geamuseerde toon op een negatief antwoord getrakteerd: men wenste de koning veel succes in het ontwikkelen van wat Malou de “dada favori” noemde van de vorst, zolang hij er België niet in betrok[456]. Dit hield Leopold II en in zijn zog Eugène Napoléon Beyens echter niet tegen om een onafhankelijke kolonie in Midden-Afrika te stichten. Tijdens de cruciale Conferentie van Berlijn bleef Beyens werken in het Koninklijk Paleis, terwijl zijn beide chefs, Devaux en Van Praet, zich om gezondheidsredenen stilaan zo goed als teruggetrokken haddden uit het politieke leven van het Paleis. Eugène Napoléon Beyens stond er in voor het ontcijferen van de correspondentie die baron Lambermont en Emile Banning meer dan dagelijks via telegram of via de post naar de Belgische koning stuurden. De jonge baron Beyens codeerde en verzond eveneens de antwoorden van de vorst aan zijn delegatie in Berlijn. Daarnaast stelde hij ook de teksten op van brieven van de vorst aan personen waarvan de koning meende dat ze een nuttige invloed konden uitoefenen op de onderhandelingen over de oprichting en de internationale erkenning van de Onafhankelijke Kongostaat[457].

Opvallend is dat tijdens die hele periode geen spoor is gevonden van enige vorm van een eigen koloniale ideologie bij de jongeling. Er kan daarom vermoed worden dat baron Eugène Napoléon Beyens, misschien net als zijn vader, heeft meegewerkt aan de opbouw van een kolonie door van een diepgewortelde loyaliteit aan de Belgische dynastie en haar idealen. De jonge Beyens deed in die periode aan het Hof vooral veel ervaring op. Als beginnend diplomaat was een langdurig verblijf in de kantoren van het Paleis meer dan een aardigheid op zijn curriculum vitae: hij werd ingewijd in de persoon en vooral de idealen van de leider van de Belgische natie en diplomatie. Bovendien bood het gehoorzaam en stilzwijgend functioneren in rechtstreekse dienst van de vorst later voordelen bij het timmeren aan een langdurige diplomatieke loopbaan. De jonge Beyens had er dus baat bij de koning zo goed mogelijk ten dienste te zijn, desnoods en zelfs des te meer in de omstreden koloniale materies. De economische expansie van België zou ook in zijn latere carrière van een groot belang zijn, onder andere tijdens zijn diplomatieke missies in Teheran (1896-1898) en Boekarest (1898-1908). Het feit dat de opvolger van Leopold II hem aanstelde tot zijn kabinetschef wijst er bovendien op dat de familie van Saksen-Coburg tevreden was over de kwaliteiten van baron Eugène Napoléon Beyens. Het was ook dankzij het vertrouwen van Albert I dat hij zonder partijkaart terechtkwam in de oorlogsregering de Broqueville[458].

Als minister van Buitenlandse Zaken geraakte baron Beyens geïsoleerd in de regering waarin hij tijdens de Eerste Wereldoorlog ad interim was opgenomen. Vooral zijn ideeën over het heropfrissen van de Belgische neutraliteit in een minder passief en conventioneel kader deden hem vereenzamen in de grote honger die op de regeringstafel was ontstaan om territoriale compensaties te eisen van Duitsland en Nederland na de verschrikkelijke ‘Groote Oorlog[459].’ Na zijn onvermijdelijk ontslag in 1917 zette Beyens publiekelijk zijn denkwerk verder. Voor het eerst verschenen brochures van zijn hand, waarin hij aandacht wou losweken voor de vernieuwende rol die de kleine Europese staatjes in de toekomst te spelen hadden[460]. Daarnaast gaf hij niet alleen memoires over verschillende fasen van zijn carrière uit[461], maar behandelde hij ook graag de nieuwe moeilijkheden die België in haar binnenland en in haar kolonie te wachten stonden[462].

Voor het eerst schreef hij toen ook over het ontstaan van de EIC, maar opnieuw doorbrak hij nergens de discretie. Wat wel opnieuw in het oog springt in zijn uiteenzettingen, is het respect waarmee baron Beyens Leopold II in zijn koloniale ondernemingen benaderde. Hij bekende dan ook dat hijzelf zich niet zozeer passioneel had ingezet voor het hele Congolese ‘oeuvre’, waarvan hij de grandeur en toekomst nog niet vermoedde, maar wel voor de man die de hele innoverende onderneming op zijn schouders had genomen. De jonge baron Eugène Napoléon Beyens bewonderde zijn koning voor Leopolds “ontembare energie ten opzichte van de vele obstakels die onderweg opdoken en die hij met een onvergelijkbare handigheid wist te breken of om te buigen in zijn voordeel[463].” Niettemin begreep ook de jonge Beyens dat het gebrek aan inkomsten door de Akte van Berlijn, dat ook hij als een programma van een overdreven commerciële vrijheid bestempelde, het voortbestaan van de EIC bedreigde. Hoewel een oplossing al in de maak was, bemerkte hij dat Leopold II zich overal steeds krenteriger ging gedragen tot en met het blijven dragen van versleten militaire kostuums[464].

In La Question Africaine schetste hij in 1918 met veel ontzag de algemene geschiedenis van het ontstaan van de EIC, om de Belgen na de Eerste Wereldoorlog te verzoeken het werk van Leopold II verder te zetten. In het voorwoord heeft Beyens het over het nut en het belang van kolonies: de Eerste Wereldoorlog had aangetoond dat ze gebruikt konden worden voor militaire hulptroepen, voor de bevoorrading van de oorlogsindustrie, voor de voedselbevoorrading van burgers en militairen, enz. Maar het werk zelf was geen koloniaal-ideologisch pamflet, het beschreef in vier etappen (de koloniale invloed van Portugal op Midden-Afrika, de geboorte van de EIC, Belgisch Congo en de toekomst van Afrika) op een bijna objectieve nauwgezette manier de koloniale geschiedenis van het gebied, dat door de Belgen zelf eigenlijk nooit van dichtbij was gevolgd. Mede daarom is La Question Africaine meer een promotiebrochure voor het doen bewaren van een Belgische kolonie dan een lofzang voor het imposante kolonisatieoeuvre van Leopold II[465].

De koloniale voorgeschiedenis tot 1885 was volgens Beyens langs de wegen der geleidelijkheid verlopen. Gemodelleerd en getransformeerd onder invloed van de concrete gebeurtenissen duurde het negen jaar om de bescheiden en onzekere AIA te doen uitgroeien tot een soevereine staat onder leiding van een dubbelmonarch. De jonge Beyens had hierbij een ander en intiemer zicht op de eigenlijke bedoelingen van de vorst:

“Mais il ne serait pas téméraire d’affirmer que, dès le début, le Roi avait en rêve la fondation d’une colonie belge. Bien souvent je l’ai entendu dire, alors que l’Etat Indépendant se dégageait de ses langes comme un nouveau-né qui s’essaye à marcher: «Je travaille là-bas pour la Belgique».”[466]

 

De jonge Eugène Napoléon Beyens was tijdens zijn verblijf aan het Hof klaar en duidelijk samen te vatten: hij volgde en bewonderde zijn vorst in zijn werkijver. Leopold II kon de jongeling op zijn beurt goed gebruiken - misschien zelfs beïnvloeden? - in een periode waarin het Kabinet van de Koning net te maken kreeg met een leegloop van ervaring (zowel Jules Devaux als Jules Van Praet stonden al gauw op non-actief). De jonge baron ontwikkelde klaarblijkelijk zelf weinig eigen ideeën over de koloniale onderneming van de koning. Die kwamen slechts vaag bovendrijven in de bronnen van na de Eerste Wereldoorlog. Opmerkelijk was echter wel de constante loyaliteit en appreciatie die hij ten opzichte van Leopold II ten toon spreidde[467]. Het kan daarom niet verrassend genoemd worden dat de Napoléon Beyens zelf nooit de kroon ontblootte. De memoires die hij kort voor zijn dood liet publiceren stonden vooral bol van kleine onthullingen over het dagelijkse reilen en zeilen aan het Hof van toen en vertelden weinig nieuwe informatie over de belangrijke politieke episodes die Leopold II aan het Hof meemaakte.

 

 

Maximilien Strauch (1829-1911)

 

Maximilien Strauch timmerde lange tijd gestaag aan een militaire carrière: in 1853 was hij nog onderluitenant, in 1857 adjudant van generaal Cauchin, en wat later belandde hij in de intendantie, de huishoudelijke diensten van het leger. Ondertussen promoveerde hij tot kapitein. In 1870 werd hij geattacheerd aan het ministerie van Oorlog, waar hij zes jaar later met de graad van kolonel tot onderdirecteur werd benoemd. Zijn carrière kreeg pas een stroomversnelling toen hij in 1876 plots voor zijn organisatorische talenten door Leopold II aangesteld werd tot de vervanger van Jules Greindl aan het hoofd van de AIA[468]. De, voor de buitenwereld, nobele onbekende werd ook het hoofd van het latere koloniale orgaan van Leopold II, het Comité d’Etudes du Haut-Congo, dat het licht zag op een internationale vergadering van bankiers en handelaars op 25 november 1878 in het gezelschap van Stanley[469]. Sinds 1879 stonden enkel en alleen Congolese materies op zijn werkagenda, waardoor hij werd opgenomen in het kleine kransje Belgische mannen dat zich bezighield met de koloniale onderneming van Leopold II.

De lijst titels die hij tijdens die Congolese loopbaan (1878-1888) verzamelde reikte veel verder dan die van mannen als een Lambermont of een Banning: hij was niet alleen secretaris-generaal van de AIA en voorzitter van het CEHC, maar werd ook voorzitter van de AIC en na 1885 nog drie jaar administrateur-generaal voor Binnenlandse en Militaire Zaken van de Onafhankelijke Kongostaat. Professor Jean Stengers merkte echter terecht op dat die titels geen verdienste op zich betekenden, aangezien Leopold II in deze periode steeds op zoek was naar stromannen. Niettemin beschouwde professor Stengers kolonel Strauch als “le collaborateur le plus actif et le plus intime du Roi”, zeker voor de periode 1880-1885. Hij aarzelde zelfs niet om het duo Leopold II - Strauch in die periode met de Kongo-Vrijstaat te vereenzelvigen[470]. Strauchs aandeel in de stichting van de EIC was wellicht groot, maar helaas ook onduidelijk: het bronnenmateriaal is namelijk sterk versnipperd[471].

Bovendien heeft ook kolonel Strauch zich na 1888 tot aan zijn dood in een stilzwijgen gehuld over wat hij als voorman van de EIC had ervaren. Er was weinig sprake van een echte breuk met de vorst, aangezien Maximilien Strauch toen vleugeladjudant van Leopold II werd, hij terug kon keren naar de intendantie en tot generaal gepromoveerd werd[472]. Het einde van zijn carrière werd door Cambier verklaard door de invoering van economische maatregelen door Leopold II, wat ook bij kolonel Strauch niet in goede aarde zou zijn gevallen[473]. Op zich is deze verklaring vreemd, aangezien het harde domaniale stelsel - dat de rijkdom aan lokale grondstoffen moest leegzuigen ten voordele van de staatskas en monopoliserende maatschappijen uit het moederland - slechts enkele jaren later ingang vond. Toch is ze ook niet onmogelijk. Strauch kon als naaste medewerker van de vorst al eerder op de hoogte zijn gebracht van de plannen van de koning om de EIC om te vormen tot een staatsmonopolie in plaats van een internationale vrijhandelszone, of hij kon die evolutie vermoed hebben. De band die kolonel Strauch gesmeed had met zijn koning, bood ook die mogelijkheid: de koning liet in meerdere nagelaten brieven overvloedig zijn appreciatie voor het werk van zijn nieuwe rechterhand blijken. Leopold II zond hem opvallend veel bijzonder vriendelijke brieven vol medeleven bijvoorbeeld bij een blessure aan de hand, met toestemming voor extra dagen verlof na vermoeiende reizen, met een opmerkelijk geduldig geformuleerde vraag over een moeilijk leesbaar handschrift in een vorige brief van Strauch over lange onderhandelingen, gezondheidswensen, etc. in de finale periode van de geboorte van de EIC[474]. Die periode stond voor de vorst wellicht bol van de stress en inspanningen, zodat de koninklijke dankbaarheid des te opmerkelijker is. De koning legde ook graag zijn oor te luister bij Strauch om diens mening in allerlei kwesties te kennen[475].

Niettemin ontwikkelde generaal Strauch later bedenkingen over het koloniale Afrikaanse project van Leopold II. In 1911 viste Wauters[476] een brief op[477], waarin de recent overleden Strauch zich aan Wauters uitliet over de slechte voorbereidingen van Leopold II. “Le Roi était fort ignorant… il manquait d’instruction. … Il était ignorant des choses de la géographie, des enseignements de l’histoire et de la science du droit international[478].” Vooral Leopolds kennis van het internationale recht in verband met de statuten van de CEHC kreeg het te verduren, wellicht omdat dit comité de eerste verharding van het koloniale regime in formele en territoriale richting had gestuwd. Strauch en Banning hadden toen hard gewerkt aan het afsluiten van verdragen met de inlandse stamhoofden, wat Stanley ter plaatse uitvoerde[479]. Op die manier kreeg de CEHC, die zich in haar statuten had beloofd te onthouden van politieke en territoriale activiteiten, toch een grootschalige politieke inhoud, maar weliswaar koloniaal in een informele zin. Onder andere volgens Wauters, was het grotendeels dankzij Strauch dat het koloniale project zich toen ontpopte tot een grootschalig politiek werk, ondanks de moeilijke juridische belemmeringen. Het zou zelfs, nog steeds volgens Wauters, Strauch zijn geweest, die het idee om verdragen te sluiten met de inlandse stamhoofden had geopperd[480]. De inhoud van generaal Strauchs brief valt daar op het eerste gezicht relatief eenvoudig mee te rijmen, aangezien Strauch als hoofd van de CEHC de moeilijke klus had voorgeschoteld gekregen om de irreële plannen van Leopold II uit te voeren. Auguste Roeykens kleurde zijn parafrasering als volgt: “Le brave vieux général jugeait le Roi génial incapable d’apprécier la valeur juridique et diplomatique des termes des statuts du Comité d’Etudes et la portée de ses propres idées et paroles![481]

Generaal Strauch wou in zijn brief wellicht de grote durf van Leopold II, die zeer ver stond van enige realiteitszin, in de verf zetten om ook zichzelf een pluim op de hoed te kunnen steken als één van de voornaamste helpers van een koppige en dromerige koning. Wauters, volgens Cambier een goede bekende van Strauch, kon hem daar wellicht bij helpen, zodat er vraagtekens gezet kunnen worden bij de objectiviteit van het dubbelartikel in Le Mouvement Géographique[482]. Anderzijds kan de brief ook verklaard worden vanuit een andere invalshoek: het domaniaal-fiscale stelsel, dat de gruwelijke uitmonding was van een koloniaal beleid waarvan Strauch zelf mee de eerste steen had gelegd, was wraakroepend. Misschien trachtte generaal Strauch alsnog postuum zijn vorige werkgever in een slecht daglicht te stellen om zijn eigen geweten op dat vlak te verlichten.

De rol van kolonel Strauch in de Belgische koloniale geschiedenis kan echter niet overdreven worden. Hoewel Stengers het tegendeel beweerde[483], wees Roeykens er terecht op dat Strauch niet tot het kransje mannen behoorde dat de complexe en soms tegenstrijdige plannen en acties van de vorst begreep. Leopold II wijdde hem ook te weinig in bij het oprichten van de CEHC en haar statuten: “La finesse de la manoeuvre léopoldienne, la portée que l’article 6 avait dans l’esprit du Roi, ont singulièrement échappé à Strauch, et le Roi n’aura pas cru nécessaire d’initier dès le début le nouveau secrétaire général dans les organes de sa pensée[484].”  Niet alleen in de literatuur, maar ook in de correspondentie komt dit gegeven sterk naar voren. Onder andere bij onderhandelingen in volle aanloop naar de Conferentie van Berlijn speelde Strauch duidelijk een ondergeschikte rol in vergelijking met Lambermont[485].

            Dit betekende echter niet dat Strauch zelf enkel passief meewerkte aan de Afrikaanse onderneming van Leopold II. Hij had eerder actieve bezigheden in de kleine maar wezenlijke details van het opbouwen van een staat. Zo werkte hij onder andere actief mee aan de rekrutering van de laagste officieren tot de hoogste administrateurs voor de nieuwe EIC[486], discussieerde hij met de koning over de beste huurlingen en arbeiders om de orde in en de productie van grondstoffen van de nieuwe staat te kunnen handhaven[487], of had hij eerder Stanley vergeefs spoed aangeraden bij de spoorwegaanleg om de Franse kapers op de kust te verdringen op de rechteroever van de Congostroom. Strauch deed eveneens zijn deel van het diplomatieke werk voor het Franse akkoord over voorkoopsrecht, voor de erkenning van de EIC door Duitsland en door de USA; dit laatste in nauw overleg met een andere medewerker van Leopold II, de Amerikaanse ex-diplomaat Sanford. Met Lambermont en van der Straten-Ponthoz leidde hij de delegatie van Leopold II op de Conferentie van Berlijn. Bij de daaropvolgende oprichting van de Onafhankelijke Kongostaat nam Strauch aanvankelijk de leidende post waar, net onder haar staatshoofd, als de ‘administrateur-général des Affaires Intérieures et des Affaires Militaires.’ In die functie kreeg hij ook te maken met het hachelijke vastleggen van de grenzen langs de Oubangirivier met de Fransen[488] volgens de dromen van Leopold II om zijn gloednieuwe rijk zoveel mogelijk uit te breiden in de richting van de Nijlvallei[489]. Samen met de grootschalige financiële problemen, die de EIC op de rand van de afgrond hadden gebracht en waarin Strauch zijn expertise als financiële econonoom nog trachtte te laten gelden[490], was het vorstelijke irrealisme wellicht de druppel die Maximilien Strauch deed besluiten terug te keren naar een niet-koloniale carrière in het leger.

 

9. Boycottage! Het verhaal van Edmond Stanislas van Eetvelde (1852-1925)

 

“A la fin de 1892, tous les collaborateurs du Roi pendant la première et la deuxième phase de l’œuvre belge au Congo avaient donc cesser d’y participer. M. van Eetvelde, qui s’était de plus en plus isolé d’eux, restait seul en possession de la confiance du souverain, avec l’unique programme d’être l’instrument passif de ses desseins. Cette troisième phase de l’administration de l’Etat de Congo affecta tous les signes d’une dissolution imminente.” [491]

 

Met dit citaat van een gefrustreerde Emile Banning trekt het laatste hoofdstuk van het corpus van deze verhandeling zich op gang, dat de grens van 1890-1892 doorbreekt op zoek naar de andere wind die daarna in de koloniale hofhouding van Leopold II zou gaan waaien. Deze derde fase werd niet alleen gekenmerkt door een verbrokkeling in de administratie van de EIC maar ook door een nieuwe verhouding tussen de koning en zijn medewerkers.

 

 

Een beloftevol voorspel

 

Edmond van Eetvelde is tegenwoordig vooral bekend voor het optrekje dat hij in Brussel door Victor Horta liet optrekken: het Hotel van Eetvelde staat ondertussen op de werelderfgoedlijst van de UNESCO[492]. De diplomaat uit Mol was echter veel meer dan een bekende kunstliefhebber. In 1871 studeerde hij in Antwerpen met grote onderscheiding af aan het Institut supérieur de Commerce, en veroverde zo een reisbeurs van de Belgische regering. Hij aarzelde geen moment en koos voor China, om in het Verre Oosten de economische situatie en de eventuele mogelijkheden voor Belgische expansie te onderzoeken. Hij meerde in januari 1872 aan in Shanghai, en nog geen zes maanden later zond hij een eerste rapport naar het Belgische ministerie van Buitenlandse Zaken over de Chinese handel. Hij opperde een voor die tijd gedurfd en nieuw idee: België kon in China gouden zaken doen als ze de productie van spoorwegmateriaal voor en de constructie van een spoorwegennet in China op zich durfde nemen. Na enkele andere rapporten, die op een teleurstellende ontvangst konden rekenen in Brussel, nam van Eetveldes carrière een andere wending. Hij zei zijn Belgische reisbeurs vroegtijdig op en ging voor China zelf werken als een buitenlandse functionaris in de Chinese douanediensten[493].

Pas in 1877 kwam hij terug in België aan, met een reeks aanbevelingsbrieven uit zijn Chinese avontuur en een rapport waarin hij zijn ervaringen had samengebundeld. Dat rapport belandde uiteindelijk via de minister van Buitenlandse Zaken op de werktafel van Leopold II, die op basis van dat rapport van Eetvelde benoemde tot consul in Calcutta. De consulaire carrière van van Eetvelde duurde zes jaar, tot zijn tweeëndertigste, en speelde zich volledig af in Calcutta en Bombay. Opnieuw besteedde hij veel aandacht aan de commerciële en economische vraagstukken van zijn verblijfplaats, die hij in rapporten beschreef en overmaakte aan het Ministerie van Buitenlandse Zaken in zijn vaderland.

Door ziekte moest hij in 1884 definitief naar België terugkeren, waar hij nu terecht kwam in het ministerie van Buitenlandse Zaken, direct ondergeschikt aan baron Lambermont. Opnieuw charmeerde hij zijn werkgever, want wanneer in 1885 Strauch, Lambermont en Leopold II brainstormden over kandidaat-administrateurs van de EIC, kwam hij als de geknipte figuur uit de bus om de diplomatieke beslommeringen van de staat op zich te nemen. Op 30 april 1885 ontmoette hij voor het eerst de koning, een kleine week later ondertekende Leopold II het arrest dat hem tot ‘administrateur-général des Affaires Etrangères du Congo’ benoemde[494]. Het was de eerste akte van de EIC die Leopold II, die pas drie weken later als Soeverein de troon van de nieuwbakken staat kon beklimmen, uitvaardigde. De koning creëerde hiermee niet alleen een politieke organisatie met voorlopig drie administrateurs-generaal, maar ontbond er ook de AIC mee, zijn laatste schimmige associatie die invloed wou winnen in Afrika[495]. Kort daarna mocht van Eetvelde zich ook ontfermen over Justitie.

Edmond Stanislas van Eetvelde stapte een wereld binnen die hem allesbehalve goed bekend was. Het voeren van de diplomatieke betrekkingen van de onafhankelijke kolonie werd tot kort daarvoor gemonopoliseerd door een triumviraat in Brussel: Leopold II, baron Lambermont en kolonel Strauch. Van Eetvelde, die weinig ervaring had inzake het voeren van diplomatie, voldeed wellicht aan een ander criterium dat Leopold II sterk beviel: hij bezat een gedreven en grote interesse voor Belgische overzeese expansie. Zijn voorliefde voor het Verre Oosten en in het bijzonder voor China sinds zijn jeugd vertoonde bovendien een opmerkelijke parallel met de bijna obsessionele belangstelling van Leopold II voor dat gebied.

Ook Europa kende van Eetvelde en zijn administratie weinig of niet. Zijn eerste diplomatieke opdracht, het betekenen van het neutraliteitsstatuut van de EIC aan de Europese en niet-Europese naties, verliep weinig succesvol: meerdere van de zogenaamde “accusés de réception”, de diplomatieke ontvangstbewijzen, waren geadresseerd aan het Belgische ministerie van Buitenlandse Zaken. Dit hield een absolute diplomatieke flop in, aangezien de Belgische staat slechts door middel van een personele unie (in concreto Leopold II) verbonden was met haar latere kolonie[496]. Naast het met vallen en opstaan opstarten van een nieuwe diplomatie werd van Eetvelde geconfronteerd met een andere uitdaging. Zijn werkgever werd een vat vol eigenzinnige en koppige karaktertrekken; iets wat zijn collega op Binnenlandse Zaken, kolonel Strauch, ondertussen al duidelijk gewaar was geworden[497]. Of Strauch van Eetvelde en Hubert van Neuss, de administrateur-generaal voor Financiën van de EIC tussen 1885 en 1890, daarvoor tijdig en voldoende waarschuwde, kon dit onderzoek echter onvoldoende verduidelijken.

 

 

Een aftastend begin

 

Edmond van Eetvelde groeide in zijn carrière van diplomaat, hoewel zijn functie voorlopig weinig verantwoordelijkheden inhield. Zijn leermeester, baron Lambermont, had de teugels van de diplomatieke betrekkingen van de EIC nog steeds stevig in handen. In de periode 1885-1890 boekte van Eetvelde zelfstandig slechts vorderingen in een beperkt aantal dossiers. Zo kreeg zijn (en ook Leopolds) keuze voor de Belgische orde van de Scheutisten, voordien vooral actief in China, als de evangelisten bij uitstek van de EIC het fiat van het Vaticaan[498]. De grensgeschillen met de koloniale gebieden van Portugal en Frankrijk regelde baron Lambermont: van Eetvelde werd zelfs tot 1890 verschillende malen door Leopold II aangeraden zich in de moeilijkere dossiers voorlopig koest te houden en zich te beperken tot het opvolgen van de raadgevingen van de ervaren secretaris-generaal[499].

In zijn werkagenda die van de eerste drie maanden van 1887 bewaard bleef, noteerde hij zijn intieme gedachten en enkele karakteristieke anekdoten over het reilen en zeilen in de hoogste kringen van de EIC. Zo stelde hij zich vragen bij het usurperen door de Congolese staatskist van Leopold II van giften, bedoeld voor de werking van missionarissen van het Leuvense seminarie in Midden-Afrika. Zelfs de verzekering van zijn collega Strauch op een koninklijk bal dat met de grotere interesten veel meer civiliserend werk ondernomen kon worden, verminderde zijn gewetensbezwaren bij de vreemde financiële transactie niet[500]. Edmond van Eetvelde was echter ook niet naïef. Wanneer de plannen van La Compagnie du chemin de fer besproken werden tijdens een diner ten huize van Camille Janssen, stelde hij de commerciële aanspraken van de maatschappij wel in vraag, maar besefte tegelijk dat de plannen van Leopold II onomkeerbaar waren[501]. Daarnaast ergerde hij zich in zijn dagboek aan de slabakkende en gebrekkige interesse van de Belgische staatslui voor de Congolese zaak, die hij uitschold voor “petits hommes[502].” Hij had duidelijk wel een grote interesse voor de overzeese uitbreiding van de Belgische economie, maar op welke manier dit concreet volgens hem moest gebeuren, verduidelijkte hij niet.

Qua overgeleverde historische bronnen verklapte niet enkel zijn bureauagenda enkele van zijn intieme ideeën: in de Papiers van Eetvelde bleef ook een aantal bladzijden ongedateerde en beknopte memoires bewaard waarin de polyvalente administrateur-generaal de geschiedenis van de EIC tijdens het eerste deel van zijn ambtsperiode trachtte te schetsen[503]. Helaas zijn ze sterk fragmentarisch, onafgewerkt en dikwijls onleesbaar. Het lijkt erop dat van Eetvelde in een latere fase van zijn leven getracht heeft een eerste aanzet te geven tot het schrijven van zijn memoires door eerst zijn herinneringen aan die periode op te diepen. De geschiedenis van de EIC tot 1897 splitste hij op in drie fasen: 1885-1889, 1889-1895 en 1895-1897. Over de eerste fase en in de typische telegramstijl van de hele tekst, startte hij zijn betoog met de opmerking: “Péris de peu d’activité politique”, wat zonder veel interpretatie wees op zijn stierlijke verveling in zijn leerperiode bij de EIC. Bovendien bleef ook de EIC volgens hem in die periode niet veel meer dan een “diplomatieke uitdrukking”, aangezien zijn gebrek aan inkomsten de staat verplichtte zijn aanwezigheid ter plaatse tot enkele locaties in de buurt van de Congostroom te beperken[504].

Het politieke luik van zijn activiteiten woog voor van Eetvelde misschien te licht, zijn verantwoordelijkheden op administratief vlak leken des te zwaarder. Met de portefeuille van Justitie die hij bij die van Buitenlandse Zaken had gekregen, moest hij op zijn eentje een wetgeving voor het gebied uit het niets te voorschijn toveren, samen met de gerechtelijke organisatie en rechtbanken. Ook de infrastructuur en bedeling van post en telegrammen, en het aanleggen van bevolkingsregisters behoorden tot zijn bevoegdheid. Daarnaast behoorde van Eetvelde tot het enige orgaan van de staat: de zogenaamde Conseil, die Leopold II voor zijn soevereine staat geregeld samenriep. Daarin zetelden de drie administrateurs-generaal (tot 1888 van Eetvelde, van Neuss en Strauch), Leopold II, de gouverneur-generaal (als die zich in Brussel bevond), en bij gelegenheid andere personaliteiten[505]. Deze officieuze vergadering van een aantal mannen, die altijd op één hand geteld konden worden, bleef bestaan tot 1890, waarna het hoogste bestuur van de EIC uitsluitend via persoonlijke contacten met haar Soeverein verder werd gevoerd.

Als vertegenwoordiger van de EIC, nam van Eetvelde ook deel aan de Antislavernij-Conferentie (1889-1890). De dubbele agenda die Leopold II hanteerde tijdens de Conferentie, bestond in feite uit het zeggen te willen meewerken aan humanitaire acties om de slavenhandel uit te roeien en het tegelijk zoeken van meer inkomsten door het herschrijven van de bepalingen van de Akte van Berlijn. De aanwezige mogendheden werden op die manier voor een voldongen feit geplaatst: als ze de EIC niet mee op de kar kregen, en dus geen toegevingen deden op fiscaal vlak, stelde hun voornemen werk te maken van het vernietigen van de slavenhandel niet veel voor. Vele van de vroegere en huidige adviseurs, onder andere Emile Banning, Lambermont, van Neuss en de Amerikaan Henry Sanford, stonden versteld van de verregaande durf van de koning. Leopold II bedreigde de aanwezige delegaties zelf met een geschreven mededeling op de slotdag, waarin hij stelde dat wanneer hij binnenkort door geldgebrek niet meer aan zijn verplichtingen in Congo kon voldoen, hij hoopte dat de iedereen begreep dat hijzelf daar toen geen schuld meer zou aan hebben. Edmond van Eetvelde bleef tijdens hele farce stilzwijgend alles gaande slaan, wat hem ter plaatse een scheldtirade van Banning opleverde[506]. Ook in zijn latere publicaties bleef Banning met scherp schieten op van Eetvelde[507]. De archivaris en bibliothecaris brak met de administrateur-generaal van de EIC, die kort daarna op zijn beurt moest breken met iedereen op het ministerie van Buitenlandse Zaken[508].

De breuk tussen de eerste twee groepen koloniale adviseurs van Leopold II en de functionarissen van de EIC manifesteerde zich verder tijdens de nasleep van de Antislavernij-Conferentie (1889-1890) en tijdens de invoering van de domaniale politiek in het Congolese rijk (1889-1892). Edmond van Eetvelde kreeg in diezelfde periode grotere verantwoordelijkheden van Leopold II: na het vertrek van de administrateur van Binnenlandse en Militaire Zaken Camille Coquilhat in juni 1890, nam hij die bevoegdheden aanvankelijk ad interim over. Het cumuleren van Justitie, Defensie, Binnenlandse en Buitenlandse Zaken kon echter niet blijven duren, ondanks de koninklijke tevredenheid over zijn superadministrateur: “Van Eetvelde me sert très bien,” liet de koning baron Lambermont in september 1891 weten[509]. Pas ruim een jaar later paste Leopold II de situatie aan, en nam van Eetvelde definitief aan voor de binnenlandse en militaire bevoegdheden. Tegelijkertijd voerde hij een eerste kleine “staatshervorming” door in zijn Congolese regering waarbij de titels van administrateur-generaal werden ingeruild voor die van staatssecretarissen[510].

Edmond van Eetvelde zelf bleek tijdens deze periode niet zo enthousiast over zijn cumul. Eind september 1890 verzocht hij Leopold II vriendelijk of hij terug kon keren naar een meer bescheiden betrekking, die meer aangepast was aan zijn talenten maar ook aan de eisen van zijn gezondheid. Hij had terug een ambt bij het ministerie van Buitenlandse Zaken op het oog. Hij vroeg de koning om zes maanden loopbaanonderbreking, waarna zijn positie opnieuw bekeken kon worden, in de hoop dat de moeizame onderhandelingen met Frankrijk en Portugal in die termijn eveneens geregeld zouden worden door Lambermont[511]. Twee dagen later kreeg hij vanuit Oostende antwoord van de koning:

“Je suis bouleversé de votre lettre de hier, et j’espère de tout mon coeur et pour vous et pour l’oeuvre patriotique que nous poursuivons que vous ne persévérez pas dans le désir que vous m’exprimez de quitter l’administration du Congo. Je vous prie de venir me voir samedi à Bruxelles à une heure et un quart.” [512]

 

 

Een chaotische en veelzijdige koloniale carrière na 1890

 

De enige publicatie die de carrière van van Eetvelde in Congolese dienst vooralsnog uitvoerig bestudeerde, was een biografisch artikel van de hand van professor Jean Stengers[513]. Nochtans leek van Eetvelde van essentieel belang bij het opstarten van het beruchte domaniale uitbuitingssysteem van de lokale bevolking. In 1889 begon die domaniale politiek van Leopold II, met een decreet (17/10/1889)waarmee hij besloot de zogenaamde “terres vacantes” te exploiteren in naam van de staat: de opbrengsten uit de ivoorhandel en uit de rubber van de domaniale bossen moesten voortaan rechtstreeks naar de Congolese schatkist in Brussel vloeien. De inspirator van dit concept, gebaseerd op agrarische ideeën van een typische staatseconomie, zou, volgens Jean Stengers,Camille Coquilhat geweest zijn, de administrateur-generaal van Binnenlandse en Militaire Zaken tussen 1888 en 1890[514]. Camille Colquilhat werkte daarna een jaar (1890-1891) zelf in Midden-Afrika als gouverneur-generaal van de EIC[515].

De strakkere monopoliserende vorm van zijn domaniale politiek waarbij Leopold II de commerciële maatschappijen van onder andere Albert Thys onderuit haalde in ruil voor concessiemaatschappijen, dateerde van die tijd, hoewel hij voorlopig moest wachten om die tot uitvoering te brengen. In Brussel zetten de aanwezigen van de Antislavernij-Conferentie met veel tegenzin de puntjes op de i van een herwerking van de Akte van Berlijn, die de Soeverein alvast wat meer commerciële vrijheid gunde. Pas in september 1891 werd duidelijk hoever de Soeverein van de Onafhankelijke Kongostaat durfde gaan, toen hij zijn domaniale plannen helemaal uiteenzette aan Edmond van Eetvelde. Op 21 september 1891 vaardigde hij het "geheime decreet" uit, waarin hij de districtscommissarissen van Aruwimi-Uele, Oubangi, en de expeditieleiders van Haut-Oubangi vroeg om dringende en noodzakelijke maatregelen te treffen zodat de domaniale vruchten (ivoor en rubber) ter beschikking zouden blijven van de staat[516]. Voortaan werkte men in een uitbreidend aantal streken van de EIC met concessiemaatschappijen die de gehele productie van rubber(sap) en ivoor in een moordende concurrentie omzetten in een bloeddorstig systeem van belastingen, te betalen door de lokale inboorlingen in rubber en ivoor.

De professoren Stengers en Coolsaet wezen al op de gelijkenis met het Javaanse cultuurstelsel, waardoor Leopold II in jeugdigere tijden gefascineerd was, en waarvan de Congolese domaniale politiek als een geradicaliseerd afkooksel mag worden beschouwd. De continuïteit in de koloniale ideologie van Leopold II werd echter toen niet als dusdanig ervaren: voor velen, waaronder Emile Banning, was dit het keerpunt in de overgang van een civiliserend en humanitair werk naar een leopoldiaanse dictatuur[517]. Sinds oktober 1892 bestond de EIC uit drie verschillende zones:

1. het zogenaamde privé-domein van de staat waar particulier handeldrijven verboden was;

2. een zone ‘voorlopig voorbehouden aan de staat’, dat algauw versmolt met het privé-domein van de staat;

3. een zone voorbehouden aan particuliere handelsmaatschappijen (meestal kleine Belgische en Nederlandse ondernemingen, uiteindelijk gekoepeld door Albert Thys in de combine ‘Compagnie des Caoutchoucs du Kasaï).[518]

 

In de Papiers van Eetvelde bleef een interessante nota uit 1890 bewaard, waarvan de auteur niet geïdentificeerd kon worden[519]. De nota leek opgesteld door één van de naaste adviseurs van Leopold II, die het beslist hard opnam voor de koning. Misschien kwam de auteur niet zozeer uit de kring van koloniale adviseurs, maar was hij één van de koninklijke medewerkers tout court, die in opdracht van de koning zelf een nota samenstelde met de koninklijke argumenten. In het bijzonder nette schrijfsel werd de domaniale politiek van Leopold II verdedigd vanuit een opmerkelijke financiële invalshoek. De EIC had dringend inkomsten nodig, en de auteur zag er geen probleem in om te rapen en te plukken wat de natuur aanbood. De staat mocht de domaniale opbrengsten opstrijken, aangezien zij, veel meer dan de handelsmaatschappijen, initiatieven ondernam om het land op lange termijn te civiliseren:

“C’est le Roi qui de sa poche soutient l’Etat, contester à l’Etat les produits de ses domaines, c’est obliger le Roi de sa poche à couvrir des déficits dont une bonne partie proviendra de l’abandon gratuit de l’exploitation des domaines de l’Etat aux maisons de commerce pour les engraisser bénévolement, maisons qui non seulement ne font rien pour le progrès de la civilisation mais qui l’ont retardé de toutes leurs forces et voudraient le retarder encore afin d’être des Etats, des tyrans dans l’Etat.”[520]

 

Leopold II moet dus heel overtuigd en overtuigend geweest zijn in de verstrakking van zijn economische politiek. Ook superadministrateur van Eetvelde bleek tijdens het opzetten van deze domaniale constructie heel actief. Hij onderhandelde mee over de oprichting van de concessiemaatschappijen, die voor het overgrote deel met Antwerpse en Engelse kapitalisten werden bevolkt. Toch lijkt het erop dat hij aanvankelijk zelf niet helemaal wist wat Leopold II beslist had: hij vroeg, ook in naam van Emile Banning en baron Lambermont, de Soeverein van de EIC verbolgen waarom Albert Thys niet over dezelfde informatie beschikte als zij[521]. Leopold II achtte het blijkbaar niet nodig zijn adviseurs tijdig en volledig zijn plannen uit de doeken te doen: enkel hij was de vorst en eigenaar van de EIC.

In het vroege najaar van 1892 ondertekende staatssecretaris van Eetvelde de contracten van de concessiemaatschappijen, waarbij het conflict met de handelsmaatschappijen van Thys – wegens hun strategische ligging de maatschappijen van de Brederodestraat genoemd – in volle hevigheid losbarstte. Zij riepen de Belgische regering ter hulp, maar vochten het debat even graag op het forum van de Belgische opinie: de Belgische pers. Van Eetvelde werd op die manier meegesleurd in een mallemolen: hij had weinig keus om vanuit zijn ambt de nieuwe economische organisatie van de EIC te verdedigen. In de eerder aangehaalde memoires vatte hij de strijd van die tijd als volgt samen:

“Ce conflit devient aigu;  on attaque [violemment] le Secrétaire d’Etat Van Eetvelde qui se défend avec vigueur tout en recommandant au Roi la modération. Un modus viv décret de octobre 1892 crée une modus viv situation transactionnelle qui, dans la pensée de son auteur (Br Van Eetvelde), doit cesser en 1900, quand la Belgique va se prononcer de l’annexation du Congo: la paix était forte avec le groupe économique créé par le colonel Thys, on s’attache à lui être agréable chaque fois que l’occasion présente.”[522]

 

Ondanks de vele beschuldigingen van de handelsmaatschappijen aan zijn adres, en in de bittere modus vivendi die hij mede ontwikkelde, gaf ook van Eetvelde kritiek in intiemere kring op de koning. De nieuwe domaniale politiek die Leopold II sinds kort voerde, bood volgens hem weinig mogelijkheden op commercieel vlak. De criticasters snoerde hij echter meteen de mond, aangezien de handelsmaatschappijen van de Brederodestraat ondertussen volgens van Eetvelde evenzeer een monopoliserende holding waren geworden die de commerciële handel verstikten[523]. De ‘Secrétaire d’Etat’ verzocht Leopold II toch om een stabieler en liberaler economisch regime binnen de EIC:

“Dans ce double ordre d’idées, je voudrais que l’Etat prît spontanément des mesures libérales qui ne [léseraient] pas nos intérêts actuels, favoriseraient plus du commerce, et nous permettraient de défendre avec plus de fondement qu’aujourd’hui la politique économique du Congo.”[524]  

 

            Verder in de lange brief liet van Eetvelde verstaan dat hij nog steeds zijn volledige medewerking beloofde aan Leopold II ondanks “l’animosité de mes collègues[525].” Maar hij kon duidelijk niet goed aarden in de hele situatie, en vroeg nu al aan de vorst de toestemming om zich terug te trekken uit de EIC op elk moment dat het hem teveel zou worden. Toch hield hij vooralsnog voet bij stuk, aangezien zijn positie naar eigen zeggen een erezaak was geworden door de houding van enkele onbekenden in zijn omgeving:

“Je tiens à montrer à ceux qui s’en vont colporter que je suis l’homme de toutes les besognes, que au moins je ne le suis pas, uniquement pour garder ma place. Et je le tiens d’autant plus que je puisse bien m’accommoder du boycottage actuel, quelques mois, mais que je ne saurais y plier à jamais mon existence.”[526]

 

            Ook Leopold II hield voet bij stuk, en sloeg de raadgevingen van van Eetvelde om zijn regime meer te liberaliseren in de wind. Ondertussen kreeg van Eetvelde in de Belgische politieke wereld in het algemeen en in de kringen van het ministerie van Buitenlandse Zaken en de Belgische handelsmaatschappijen van de Brederodestraat in het bijzonder de stempel van de aanstichter van de verstrakte koloniale politiek van Leopold II. Ook binnen de Congo-regering kreeg van Eetvelde kritiek. De staatssecretaris op het departement van Financiën, Camille Janssen, ging er onder andere ook van uit dat van Eetvelde, de nieuwe koloniale rechterhand van de koning, Leopold II aanmoedigde in zijn omstreden domaniale politiek[527]. De staatssecretarissen ontmoetten elkaar slechts zelden meer, aangezien hun staatshoofd de ‘Conseil’ al lang had opgedoekt, in ruil voor uitsluitend persoonlijke contacten tussen hem en zijn ministers. Op die manier had Leopold II de touwtjes van zijn Congolese speeltuin meer dan ooit stevig in handen, maar bleef ook de verkeerde beeldvorming over van Eetvelde makkelijker ongewijzigd verder bestaan. Stilaan kwam hij op een eiland te staan, wat hijzelf als regelrechte boycottage ervoer. De discrete en koele gereserveerdheid van een Engelse gentleman die hij zich sinds zijn verblijf in India en China had eigen gemaakt, verbeterde de situatie allesbehalve[528].

            Toen de storm ging liggen, was het aantal koloniale adviseurs en ministers van Leopold II gedecimeerd. De vorst verloor de volledige steun van Emile Banning, en van voormalig eerste minister Auguste Beernaert, die hem aanvankelijk had aangemoedigd in zijn Afrikaanse onderneming. Ook Camille Janssen, de staatssecretaris voor Financiën van de EIC, trok zich terug en werd in december 1892 ontslagen. Ook baron Lambermont zou zich voortaan zo weinig mogelijk bezighouden met de EIC. Er boden zich niet meteen veel oplossingen voor de vacante positie van staatssecretaris voor Financiën, waarop Leopold II er opnieuw in slaagde van Eetvelde te overtuigen om het leiden van twee departementen te cumuleren. Twee jaar eerder leidde hij de departementen Binnenlandse, Buitenlandse en Militaire Zaken en Justitie; nu werd van Eetvelde opnieuw kort Leopolds superstaatssecretaris met de bevoegdheden van Financiën, Binnenlandse en Militaire Zaken[529].

De verkeerde beeldvorming van een Edmond van Eetvelde, die zich als een vermeende hardliner zou opstellen in de domaniale politiek van Leopold II, werd daardoor natuurlijk verder gevoed. Lang bleef de cumul echter niet bestaan: Leopold II zocht vers bloed om de lege zitjes van zijn Congolese regering te vullen: na enkele weken nam Charles Liebrechts in december 1892 de binnenlandse en militaire portefeuilles van Edmond van Eetvelde over. In augustus 1894 deed staatssecretaris van Eetvelde voor de laatste maal een cumul, de enige die nog niet op zijn cv stond en nog wiskundig mogelijk was: hij nam gedurende een kleine zomermaand de bevoegdheden van Buitenlandse Zaken, Justitie en Financiën tegelijkertijd waar. Deze keer voerde de Soeverein een mini-staatshervorming door om dergelijke operaties in de toekomst zo veel mogelijk te vermijden. Vanaf september 1894 werd van Eetvelde de enige staatssecretaris en het hoofd van de administratie, dat bestond uit drie secretarissen-generaal: baron de Cuvelier voor Buitenlandse Zaken en Justitie, Charles Liebrechts voor Binnenlandse Zaken en Defensie en Hubert Droogmans voor Financiën[530]. Edmond van Eetvelde werd op die manier in de volksmond en in de ogen van de Belgische politici de ‘minister van Congo’[531], want hij had als Secrétaire d’Etat binnen de Congolese regering in elke materie steeds het laatste woord.

De omstreden inkomsten uit rubber en ivoor vielen vooralsnog tegen, zodat in 1894 door de dure verkenningsexpedities opnieuw een crisis heerste in de budgettaire situatie van de EIC. Zelf hoopte van Eetvelde dat de opbrengsten verhoogd konden worden door de ontwikkeling van plantages. De staatssecretaris van Financiën van de EIC trachtte steeds de introductie en de ontwikkeling ervan te bevorderen door initiatieven van lokale staatsagenten voor het aanleggen van koffie, cacao, katoen, rubber en tabak ruim te subsidiëren. Ook na 1895, wanneer de rubberhausse de Congolese schatkist deed overvloeien, bleef van Eetvelde zijn plantagepolitiek verder zetten omdat hij geloofde in de onmiskenbare voordelen op lange termijn in tegenstelling tot het leegplukken van wild rubber dat het gevolg was van het leopoldiaanse domaniale stelsel. “Dans une dizaine d’années, lorsque le caoutchouc commencera à diminuer, ce sera l’agriculture qui devra assurer notre revenu public et notre commerce[532].” Ter plaatse haalde zijn realisme echter weinig uit. De staatsfunctionarissen hadden te weinig tijd om zich in te zetten voor de agrarische ontwikkeling: de verplichte ophalingen van domaniale goederen slokten het merendeel van hun tijd en energie op[533].

            Hoewel hij niet altijd tot dat departement behoorde, bleef van Eetvelde steeds een hoofdrol spelen in de buitenlandse betrekkingen van de EIC. Zo leidde hij de meerderheid van de onderhandelingen met Groot-Brittannië tussen 1890 en 1894 over de bezettingspolitiek die Leopold II had ondernomen in de vallei van de Boven-Nijl[534]. Na de onderhandelingen met Groot-Brittannië, opende van Eetvelde ook de debatten met Frankrijk over hun nog steeds geldende voorkeursrecht. De staatssecretaris van de EIC deelde nochtans nooit de grandioze Egyptische dromen van Soeverein Leopold II. Hij had dikwijls moeite om zijn afgrijzen onder stoelen of banken te steken, en liet zich onder andere bij de Britse ambassadeur ontvallen dat de expedities van Leopold II in feite zeer dicht bij complete gekheid (“a little short of insanity”) ondergebracht konden worden[535], en dat de koning zich stilaan enkel liet leiden door zijn verbeelding[536]. Ook aan gouverneur Wahis schreef hij dat hij de verlangens van Leopold II onmogelijk realiseerbaar vond aangezien er onvoldoende manschappen en mogelijkheden tot bevoorrading voorhanden waren[537]. Wellicht kende de koppige Soeverein de bedenkingen van zijn staatssecretaris. De koning diende zijn dienaar alleszins in april 1897 van antwoord:

“Vous vous souviendriez que lorsque j’ai décidé que l’Etat exploiterait son domaine et que toute terre vague serait revendiquée par lui comme lui appartenant, vous m’avez trouvé bien absolu. Vous m’avez néanmoins fort vigoureusement et très habilement soutenu. Pour le Nil je vous prie de même de bien vouloir suivre fidèlement mes instructions. Je ne vous mènerai pas au naufrage, je vous le promets. Je désire pour le moment être au Nil aussi puissant que possible.”[538]

           

De schipbreuk op de Nijl kwam er toch. Leopold II moest zijn ‘faraonische droom’ opbergen[539], en ook van Eetvelde zag dat zijn uitputtende diplomatieke werk een maat voor niets was geweest, aangezien de irrealistische wens van één eenzame koning niet opkon tegen het koloniale getouwtrek tussen Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland[540]. Ook in het dossier over de invoering van het domaniale stelsel brak de loyaliteit van de staatssecretaris ten opzichte van de koning hem na vele jaren zuur op. Edmond van Eetvelde zag aanvankelijk de vele campagnes in de Britse pers die de gruwel van het leopoldiaanse regime aanwezen, als een aanval op de EIC om haar in diskrediet te brengen. Door de geïsoleerde feiten op te blazen, trachtten de Britten onder het mom van filantropie hun territoriale hebzucht te verdoezelen, verklaarde van Eetvelde in een officieel interview in 1897. Beetje bij beetje legde hij zijn oor echter wel te luister bij de Angelsaksische critici, naar eigen zeggen om de meestal ‘individuele’ gevallen van misbruik beter te kunnen opsporen zodat zijn administratie de schuldigen kon straffen[541].

Stengers wees er in zijn biografisch artikel al op dat van Eetvelde in zijn politiek, in tegenstelling tot Leopold II, wel steeds geïnspireerd werd door humanitaire gevoelens. Hij hanteerde het liefst een indirecte vorm van morele hulp door het bevorderen van de missies. “Sans cesse il s’efforçait d’attirer au Congo de nouveaux ordres missionnaires, sans cesse aussi il élargissait l’appui matériel accordé aux missions[542].” Hoewel hij ook contacten had in katholieke kringen, onder andere met Woeste en zijn streekgenoot de Broqueville (ook uit Mol), stond de minister van Congo in de politieke klasse geboekstaafd als een gematigde liberaal, die door zijn civiliserende doelen in Midden-Afrika niettemin graag gezien was door missionarissen en de hele religieuze wereld. Ook de koning had dit door, en deed bijgevolg een beroep op hem voor de demarches in de neteligste kwesties van zijn binnenlandse politiek in België, waaronder de beroemde affaire rond de Aalsterse priester Adolf Daens[543].

In België zelf bleef de staatssecretaris ook actief in zijn Congolese bevoegdheden: zo werkte hij, volledig in de lijn van Leopold II zelf, aanvankelijk wel, maar uiteindelijk niet meer mee aan de eerste overnamepoging van de Afrikaanse kolonie door de Belgische regering. Leopold II keerde toen halsoverkop terug op zijn bereidwilligheid de EIC om te vormen tot een Belgische provincie, onder andere volgens Coolsaet omdat de EIC in 1895 dankzij de grote vraag naar rubber voor het eerst sinds 1885 niet verlieslatend zou worden[544]. Ook zijn staatssecretaris werd een voorstander van het behoud van de EIC met haar toenmalige administratie om financieel maximaal te kunnen profiteren van de rubberinkomsten uit het op volle toeren draaiende domaniale stelsel[545].

In 1900-1901 volgde een tweede overnamepoging als gevolg van de aanhoudende Britse kritiek op Leopolds kolonialisme en van het verlopen van de tienjarige lening die de EIC in 1890 van de Belgische staat had gekregen. De regering de Smet-de Naeyer diende echter onder druk van Leopold II een wetsvoorstel in waardoor het terugbetalen van de lening en de overname van de kolonie voor onbepaalde tijd werden opgeschorst[546]. Bij het wetsvoorstel stak een brief, waarin staatssecretaris van de EIC van Eetvelde stelde dat Leopold II het recht had verworven zelf het moment te bepalen wanneer de Belgische staat rijp was voor de overname van zijn persoonlijke kolonie[547]. Op die manier zette de koning de Belgische politieke klasse voor schut, maar het bleef echter ook in dit onderzoek een open vraag hoe van Eetvelde daar eigenlijk zelf tegenover stond.

 

 

De opmerkelijke ontslagsoap

 

Leopold II regeerde ondertussen al een tijdje als een regelrechte absolute vorst over zijn persoonlijk rijk in Congo. Cattier merkte in 1898 al op hoe stevig de koning de touwtjes eigenlijk in handen had:

“Il serait difficile d’imaginer une organisation plus centralisée que celle qui a été réalisée dans le Gouvernement central de l’Etat Indépendant du Congo. Le Secrétaire d’Etat en est le chef absolu, bien que il demeure lui-même dans la dépendance la plus absolue du Souverain.”[548]

 

Ondertussen begon de zware carrière vol omstreden dossiers te wegen op de schouders van de staatssecretaris. In een ongedateerde brief uit 1896 bleek voor de eerste maal hoe zwaar de gezondheid van Edmond van Eetvelde leed onder de onophoudelijke stress die zijn zwaar gecontesteerde baan met zich meebracht. Voor de eerste keer smeekte hij zijn chef om verlof zodat een reis naar Zuid-Frankrijk zijn gezondheid kon verbeteren. Zijn vraag wou hij echter pas ingang doen vinden nadat de beslommeringen van dat moment opgelost waren. Tegelijk durfde hij een stapje verder te gaan: hij vroeg zijn ontslag, hoewel hij zelf wel wist dat Leopold II dit niet zou toestaan:

“Quoique j’attends beaucoup de bien de ce voyage, je ne puis me dissimuler que mes forces me trahissent, au physique comme au moral, et je crains que la pression des évènements et les soucis des affaires ne viennent dans un avenir rapproché briser ma carrière. Je me demande en outre si, en raison même de dévouement que je porte à l’œuvre du Roi, le moment n’est pas proche ou n’est pas venu de m’effacer et de laisser à d’autres,…, le soin de servir plus efficacement Votre Majesté.

Je sais trop bien que Votre Majesté, avec Sa grande bonté et son inépuisable indulgence, répondra négativement à cette question.”[549]

 

            Leopold II gaf zoals verwacht geen gehoor aan de bijna komisch aandoende vraag van zijn staatssecretaris tot een ontslag. De koning ging er misschien vanuit, dat het probleem zou verdwijnen met wat meer erkentelijkheid voor het harde labeur van zijn regeringsleider. In de nasleep van de wereldtentoonstelling in Brussel (1897), waarbij de EIC in Tervuren ook een ‘Exposition Coloniale’ organiseerde, schonk hij Edmond van Eetvelde op 17 september 1897 de titel van baron wegens zijn verdiensten in de oprichting van de EIC[550].

Een baronstitel bleek echter een pleister op een houten been, wanneer de gezondheid van van Eetvelde verder bleef slabakken. In juli 1898 sloeg het onafwendbare noodlot toe: een zenuwinzinking ruïneerde de gezondheid van Eetvelde, zodat hij volledig werkonbekwaam werd. Ondanks zijn langdurig verblijf in het landelijke Mol en een aantal reizen naar Zuid-Frankrijk, waarvoor hij de toestemming kreeg van de vorst, genas hij zeer traag van zijn depressie. In een ontmoeting met de Britse ambassadeur in februari 1899 verklaarde hij dat hij nog altijd niet in staat was om enkele minuten aan zijn werktafel te blijven zitten[551]. Tijdens het anderhalf jaar dat de EIC het zonder van Eetvelde moest stellen, veranderde haar regering ingrijpend. De secretarissen-generaal Liebrechts, de Cuvelier en Droogmans boden te weinig tegengewicht in de regeringspolitiek ten opzichte van een Leopold II die zich voorlopig de rol van staatssecretaris had toegeëigend. Stengers merkte op: “Il avait très vite pris goût à ce rôle[552].” De secretarissen-generaal werden nog meer dan ooit te voren een kliekje ja-knikkers, van wie elk beslissingsrecht werd afgenomen.

Op het einde van 1899 voelde van Eetvelde zich genezen, hoewel hij nog steeds last had van de symptomen van zijn aandoening[553]. Hij weigerde dan ook zijn functie opnieuw op te nemen. Enerzijds omdat hij zich al een tijdje niet meer kon vinden in meerdere aspecten van de koloniale politiek, anderzijds omdat hij de strijd niet durfde aan te gaan om gezag en respect terug te winnen van de hele administratie, inclusief de drie secretarissen-generaal[554]. Gedurende een vol jaar trachtte van Eetvelde zijn ontslag door te drukken. Die beslissing ging duidelijk niet over één nacht ijs, aangezien hij in zijn correspondentie steeds een evenwicht zocht tussen zijn fysieke en mentale vermoeidheid en zijn toewijding en loyaliteit ten opzichte van Leopold II. “Personnellement je n’ai d’autre ambition que de consacrer au service de Roi toute la bonne volonté et les efforts dont je serai encore capable. Je sais que c’est peu de chose[555].” Het leek wel of van Eetvelde zelf op zoek was naar wat hij nog van zijn Congolese carrière kon maken, en van Leopold II na verloop van tijd verwachtte dat hij de knoop zou doorhakken. De koning klampte zich echter zolang mogelijk vast aan de voorlopige situatie, wellicht om zijn maximale absolute macht te behouden.

Het trieste schouwspel mondde in november 1900 uit in een emotionele brief van van Eetvelde waarin hij Leopold II dankte voor zijn recent verkregen ontslag[556]. Hij stelde zich er uitermate bescheiden op – zo beweerde hij dat hij geen enkele beslissende rol had gespeeld in de EIC – maar toonde zich wel bezorgd over zijn persoonlijke waardigheid indien hij zijn deelname in die EIC niet gauw kon opzeggen. Hij liet een kleine kier open voor een verdere samenwerking, maar die moest volgens van Eetvelde dan wel zeker overeenstemmen met de eisen van zijn gezondheid. Ondertussen hadden de beide heren ook al gebrainstormd over een eventuele opvolger, en was baron Constant Goffinet als de geknipte man uit de bus gekomen[557]. In een eerdere brief aan baron Goffinet vol adviezen over het leiden van de Congolese regering, schreef van Eetvelde een laatste karakteristieke kleinigheid over de vervelende situatie: “Puis je demands qu’avant que ma démission ne soit un fait accompli, il n’en soit rien dit? Je détéste que la presse s’occupe de ma personne[558].”

Het ontslag van van Eetvelde werd in alle discretie afgehandeld, maar de opvolging door baron Constant Goffinet ging niet door. De trouwe helper van de koning en zijn Intendant van de Civiele Lijst zag naar eigen zeggen ‘grâce à Dieu’ af van de betrekking van staatssecretaris van de EIC omdat hij die taak voor zichzelf te zwaar vond[559]. Er kwam geen nieuwe staatssecretaris, want Leopold II usurpeerde maar al te graag de bevoegdheid om de administratie van zijn EIC zelf te leiden. Het stapje terug van van Eetvelde werd in februari 1901 definitief geregeld toen de koning hem een nieuwe baan schonk met de ronkende titel van ‘Ministre d’Etat, attaché à Notre Personne.’ Op die manier bleef van Eetvelde werkzaam in de Congolese onderneming, maar droeg hij er geen enkele verantwoordelijkheid meer.

De Minister van Staat speelde de rol van een officieuze raadgever van de koning in zijn Afrikaanse activiteiten, maar van Eetvelde bleef actief in de financiële ondernemingen van de koning. Zo richtte hij in maart 1902 ‘La Banque Sino-Belge’ op, samen met de Antwerpse bankiersbroers Browne de Tiège en baron Goffinet[560]. Hij werd ook werkzaam in de Société Générale Africaine (in 1903 was hij er zelfs voorzitter van) en in de Compagnie des Chemins de fer des Grands Lacs. Ook bij diplomatieke onderhandelingen tekende hij present: zo speelde hij een voortrekkersrol bij onderhandelingen over het verdrag tussen het Comité Spécial du Katanga en het Britse Tanganyika Concessions Ltd., waaruit in 1906 de Union Minière du Haut-Katanga geboren werd[561].

Ironisch genoeg bleef van Eetvelde ook actief in de Egyptische expansiepolitiek van Leopold II, hoewel die één van de voornaamste redenen was geweest waarom hij zich voor 1900 niet meer had kunnen vinden in de politiek van de EIC. Door nieuwe diplomatieke ontwikkelingen zag Leopold II zijn kans schoon om een deel van Bahr-el-Ghazal in te nemen, een mogelijke commerciële groeipool in het huidige zuidwesten van Soedan. De koning stelde hoge verwachtingen in en zond Edmond van Eetvelde tussen 1900 en 1902 bijna anderhalf jaar lang naar de onderhandelingstafel met de Britten die al een feitelijke hegemonie over de regio uitoefenden. De gesprekken verliepen niet moeilijk tussen van Eetvelde en de Britten, maar een compromis werd geleidelijk aan wel onhaalbaar door een irrealistische Leopold II die steeds het onderste uit de kan wou halen. In juni 1902 formuleerden de Britten een voorstel dat te nemen of te laten was: Leopold II aanvaardde het, maar weekte op een ingenieuze manier uitstel los om de verplichtingen in ruil na te komen: zijn enclave in Lado, een ander gebied dat hij had overgehouden aan vroegere expansieplannen, wilde hij pas ontruimen als hij zijn deel van Bahr-el-Ghazal ter plaatse voldoende militair bezet had. In 1903 en 1904 botsten de EIC en Groot-Brittannië meermaals over de kwestie: Londen verloor zijn geduld, terwijl Leopold II allerlei bedreigingen formuleerde om zijn zin toch te kunnen doordrijven. Zijn minister van Staat werd een speelbal tussen de beide onderhandelingstafels, en probeerde voortdurend beide partijen van toegevingen te overtuigen[562].

Uiteindelijk tekende van Eetvelde triomfantelijk in mei 1906 op eigen houtje een verdrag met de Engelsen, waarin zowel de enclave van Lado werd behouden als een volgens Ascherson ‘miezerig’ klein gedeelte van Leopolds territoriale wensen in Bahr-el-Ghazal werd verworven. Leopold II ging echter niet akkoord en onderbrak chagrijnig zijn vakantie. Hoewel zijn staatssecretaris ook het recht om een treinverbinding aan te leggen van aan het Albertmeer tot aan de Nijl uit de brand had gesleept, een aardige bonus in vergelijking met de vage instructies die Leopold II hem had geschreven, moest van Eetvelde het ontgelden[563].

Charles Woeste, een bevoorrechte getuige aan het Hof in die tijd, merkte op dat door dit verdrag van Eetvelde elk krediet bij de koning had verloren[564]. Beide heren zagen elkaar gedurende drie jaar niet meer: pas enkele weken voor zijn dood in 1909, sprak Leopold II op een bal in het Paleis nog één keer met zijn vroegere medewerker die hem twintig jaar trouw had bijgestaan in zijn koloniale onderneming, ondanks zijn vele persoonlijke bedenkingen bij de Egyptische en domaniale politiek van Leopold II.

Edmond van Eetvelde vertoefde tussen 1906 en de Eerste Wereldoorlog vaak in de financiële kringen van Parijs, waar hij de stempel van een koloniaal met zich mee torste. Net als de naam van een ‘incapabele stroman van de koning’ die hij na 1892 onder andere van Banning had gekregen[565], slaagde hij er ook niet in de koloniale stempel uit te wissen. In volle oorlog verbleef hij in Frankrijk en Engeland waar hij zich dan weer inzette voor humanitaire werken. Pas na de Wapenstilstand kwam van Eetvelde terug in Brussel wonen waar hij geleidelijk aan zijn activiteiten opzij schoof om te kunnen genieten van zijn oude dag. Hij stierf een bijna onopgemerkte dood in 1925 zonder Congo ooit te hebben bezocht[566].

 

 

10. De schaduw van Leopold II weegt zwaar door

 

            Het is van essentiële waarde bij het besluiten van deze verhandeling om er andermaal op te wijzen dat de voorafgaande selectie van personages slechts een steekproef inhield, op basis van een aantal biografieën van Leopold II. Een andere belangrijke bemerking hierbij is dat de bestudeerde medewerkers van Leopold II verschillende generaties dekten: Jules Van Praet, geboren in 1806, was de oudste en kon bijna de grootvader zijn van de jongste bestudeerde medewerker, Eugène Napoléon Beyens, geboren in 1855. Het corpus vormde dus verre van een exhaustief beeld van de koloniale denkbeelden van alle koninklijke adviseurs, maar maakt het wel mogelijk zich een idee te vormen over hoe de vork mogelijk in de steel zat. In deze conclusie wordt getracht de constanten te bundelen in contrast met opvallende uitzonderingen, waarna een mogelijke chronologische evolutie in de koloniale “entourage” wordt voorgesteld, die in verder historisch onderzoek aangevuld en verbeterd moet worden.

            Deze verhandeling groeide niet uit tot een klassieke bronnenstudie, hoewel meerdere archivalische bronnen steeds een nuttige aanvulling hebben betekend in haar onderzoek. Zoals aangehaald in de inleiding, werd veel van het onderzoek rond de koloniale exploten van Leopold II al neergepend in de uitgebreide historische literatuur, maar de invloed van elk van zijn mogelijke adviseurs werd nog nooit systematisch samen onder de loep genomen. Deze verhandeling trachtte voor het eerst hun verhalen naast elkaar te leggen, maar het resultaat kon slechts een zeer voorlopig beeld van de invloed, de concrete handelingen en de ideeën van de koninklijke medewerkers vormen. Het vele archivalische materiaal dat nog niet betrokken kon worden in deze verhandeling, kan bij een uitgebreider onderzoek als een aangewezen toetsinstrument dienen.

 

 

Rekrutering

 

De rekrutering in de staf van koloniale medewerkers verliep steeds officieus. Vaak speelden referenties van familieleden en kennissen een doorslaggevende rol. Op die manier ontstond een vertrouwelijk web van dienaren in alle onderdelen van het koninklijke personeelsbestand. Tot op de dag van vandaag maken discretie en terughoudendheid deel uit van de zogenaamde reserveplicht, die iedere werknemer of ex-werknemer van het Koninklijk Paleis moet nakomen. Er is trouwens vandaag helemaal niets nieuws onder de zon: “als de huidige koning nieuwe medewerkers rekruteert, doet hij dat voornamelijk via aanbevelingen en referenties van kennissen[567].”

Nagenoeg de kleine helft van alle koloniale adviseurs die in deze verhandeling in extenso aan bod zijn gekomen, had voor zijn koloniale diensttijd bij Leopold II minstens al één diplomatieke of consulaire missie in het buitenland ondernomen. Zes van de elf hadden een carrière in dienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken opgestart: ofwel in de zogenaamde binnendienst in Brussel (Banning, Lambermont en Devaux) ofwel in de buitendienst (van Eetvelde, Greindl, vader Beyens). De sterke buitenlandse connectie is niet verwonderlijk aangezien het voeren van een koloniaal beleid per definitie een buitenlandse aangelegenheid vormde met ook vele onderhandelingen met andere naties. Drie van de elf dieper bestudeerde personages hadden een miltaire en/of politieke carrière in het verschiet (Chazal, Brialmont, Strauch). Slechts twee van de elf hadden van de journalistieke wereld geproefd, wat toch enigszins verbazend genoemd kan worden, aangezien Leopold II aanvankelijk vooral via de pers zijn koloniaal beleid moest promoten en later ook via diezelfde pers zijn omstreden Congolese beleid moest gaan verdedigen. Enkel Banning en Van Praet konden hem daarin bijstaan, hoewel vraagtekens gezet kunnen worden bij de bereidwilligheid van die laatste in koloniale materies. De vier resterende personages (Adrien, Auguste en Constant Goffinet, Adrien d’Oultremont), over wie onvoldoende informatie gevonden werd om een beeld van hun koloniaal ideeëngoed en hun activiteiten te kunnen schetsen, vielen op door hun familiale banden binnen de instellingen van de monarchie en hun adellijke titels, die ze in tegenstelling tot anderen sinds hun geboorte droegen. Schijnbaar volgden deze families nog het meest de reserveplicht, aangezien geen enkele van hun ideeën betreffende de koloniale activiteiten bewaard zijn gebleven.

De constante bij de rekrutering van koninklijke medewerkers in het leopoldiaanse kolonialisme was het doorslaggevende belang van familiale en vriendschappelijke contacten. Enkele van de jongsten van de groep, waaronder Edmond van Eetvelde, werden op basis van zijn verdiensten betrokken partij, aangezien die hem een baan in het Ministerie van Buitenlandse Zaken opleverden. Het cliché van de contacten werd echter opnieuw bevestigd toen baron Lambermont, zijn chef, hem aan de koning voorstelde als een mogelijke administrateur-generaal van de EIC. Van Eetvelde was echter geen adviseur ‘pur sang’ van Leopold II, maar eerder zijn luitenant bij uitstek binnen de miniregering van Congo. De nobele onbekende Maximilien Strauch had evenmin banden met het web van diplomaten en ambtenaren, maar hij werd wellicht gerekruteerd wegens zijn gehoorzame discipline en militaire loyaliteit ten opzichte van Leopold II.

Chronologisch kan de rekrutering van koloniale adviseurs als volgt opgedeeld worden. Leopold I zocht binnen de muren van zijn Paleis steun voor zijn koloniale ondernemingen, maar daar bleek algauw te weinig enthousiasme te bestaan. De hertog van Brabant dacht vervolgens aan officieren om het Belgische kolonialisme te promoten, maar hij had onder andere bij de invloedrijke generaal Chazal maar weinig succes. De jonge – misschien beïnvloedbare – kapitein Brialmont volgde de hertog echter wel in zijn koloniale dromen. Opnieuw bleek het moeilijk om de verstarring op het neutraliteitsprincipe te doorbreken, wat eigenlijk de hoofdbedoeling werd van hun samenwerking. Vervolgens nam Leopold II zijn toevlucht tot ambtenaren van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Belgische diplomaten in het buitenland. Baron Lambermont vervulde hierbij duidelijk een functie van draaischijf om die ambtenaren en diplomaten te betrekken in de koloniale projecten van de koning. Vanuit Brussel had hij als secretaris-generaal van het Ministerie van Buitenlandse Zaken alle troeven in handen om alsnog de koloniale droom van Leopold II te realiseren: hij doorbrak het passieve neutraliteitsstandpunt van de leidende Belgische klasse, trachtte steeds Belgische economische expansie te bevorderen om de binnenlandse groei te consolideren, bezat wellicht het grootste diplomatieke talent aan alle onderhandelingstafels in het land en kende bijna elk personeelslid van het Ministerie met buitendienst persoonlijk. Vele van de medewerkers werden dan ook door hem gepolst en gepusht om Leopold II te steunen in zijn koloniale projecten.

 

 

Politiek, sociaal en psychologisch profiel

 

Evenzeer opvallend bij de steekproef aan koloniale medewerkers van Leopold II is hun veelal liberale politieke achtergrond. Hoewel de meeste onder hen een (diplomatiek) ambt uitoefenden, die enige politieke neutraliteit vereiste, kon vaak toch achterhaald worden dat ze, soms letterlijk, thuishoorden in de liberale familie. Jules Van Praet en Jules Devaux hadden banden met de gematigde liberale strekking, en ook Brialmont kwam in zijn latere politieke carrière op voor de liberale partij. Ook Banning toonde zich een overtuigde liberaal, hoewel een christelijke dimensie in zijn denken nooit ver weg was. De biografen van van Eetvelde bestempelden ook hem als een gematigde liberaal. Enkel bij Jules Greindl konden familiale banden met de katholieke partij blootgelegd worden. Het algemene politieke beeld van de koloniale medewerkers getuigde echter van een vreedzaam gematigd liberalisme, dat zich veraf wou houden van de binnenlandse vijandschap tussen katholiek en liberaal, en zich veeleer stortte op een hogere nationale zorg: het handhaven van de voortrekkersrol die België speelde in het industrialisme door economische expansie te bevorderen. Hun politieke familie stamde uit het zogenaamde “centre gauche”, die het politieke klimaat van de jaren 1830 domineerden in unionistische regeringen. Naarmate de gematigde liberale figuren als Paul Devaux en Charles Rogier ouder en wijzer werden, stelden ze zich conservatiever op dan doctrinaire liberalen als Walthère Frère-Orban[568]. De toegeeflijkheid van hun ideologische opvolgers voor de koloniale argumenten van Leopold II kwam misschien voort uit hun vatbaarheid voor pleidooien en dossiers van nationaal belang.

Psychologisch bevatte het elftal van bestudeerde medewerkers evenzeer een grote eenheid in haar verscheidenheid. Er waren zowel zwakkere als sterkere persoonlijkheden aanwezig, maar niemand kon optornen tegen het stugge karakter van Leopold II. Barbara Emerson sloeg de nagel op de kop toen ze over de koning schreef:

“Léopold avait une très forte personnalité. … Sa ténacité et son obstination découragèrent  non seulement des individualités mais aussi des gouvernements entiers. En effet, pour servir sa prodigieuse énergie, il avait besoin d’hommes capables de travailler pour lui sans compter et à son rythme. Son air juvénile et un peu gauche disparut et il exerça bientôt une singulière puissance de séduction. On possède des nombreux témoignages d’hommes confrontés à des tâches qu’ils considéraient comme exorbitantes, voire impossibles, et qui quittaient son bureau, bouillants d’enthousiasme pour exécuter ses projets.”[569]

 

Leopold II slaagde er opvallend makkelijk in om zijn medewerkers te overtuigen van zijn (koloniale) plannen, ondanks hun scepticisme. Hun bereidwilligheid kwam voort uit hun dikwijls grote loyaliteit ten opzichte van het hoofd van de staat. Zeker de jongsten onder hen, waaronder de jonge Beyens en van Eetvelde, lieten zich door een ervaren en sluwe koning inpakken, die zijn status van staatshoofd goed uitspeelde. Ze volgden bijgevolg zonder veel vragen of ideologische bedenkingen zijn bevelen op, hoewel van Eetvelde naar verloop van tijd zich ietwat kon loswrikken van Leopolds invloed. Ook andere diplomaten, bijvoorbeeld Jules Greindl en vader Beyens, voerden graag plannen van Leopold II uit omdat ze van de koning kwamen en zo hun loopbaan een tweede adem konden inblazen. Hun loyaliteit in de koloniale plannen van Leopold II was echter beperkter: Greindl uitte bij zijn sollicitatie zijn grote twijfels, waarmee hij volgens Ascherson meteen ook de dubbele agenda van Leopold II wou ontmaskeren. Vooral de schijnheiligheid van de andere koloniale medewerkers stootte Greindl toen tegen de borst. “Greindl wilde de andere hovelingen alleen horen fluisteren dat de koning naakt was voordat hij mee applaudisseerde voor de kleren van de keizer[570].” De openhartige correspondentie tussen Jules Devaux en Eugène père Beyens openbaarde voldoende de sceptische blik van Beyens over het hele Tonkinproject, hoewel baron Beyens in zijn officiële correspondentie de koning steevast trachtte te gehoorzamen.

Anderen, waaronder Chazal, Lambermont en Banning, durfden zich om diverse redenen meer strijdbaar opstellen, maar ook zij konden niet op tegen de eigenzinnigheid van de koppige vorst. Auguste Beernaert, onder Leopold II tien jaar eerste minister, vergeleek verbitterd de verhouding tussen de koning en zijn medewerkers: “Il pressait les gens comme des citrons: quand il en avait extrait tout le jus, il jetait la pelure[571].” Eén van de beste voorbeelden van die koninklijke onverbiddelijkheid overkwam generaal Chazal toen in 1886 zijn toelage werd geschrapt nadat hij zich voor de laatste maal had verzet tegen Leopolds militaire politiek. Emile Banning, de meest dromerige van alle adviseurs, werd door de koning schijnbaar vaak in zijn illusies gelaten, om zijn enthousiasme voor de koloniale zaak niet te breken. Stilaan groeide echter wel een kloof tussen de mannen: Banning droomde van een ‘civilisation libératrice’ in het Congo-bekken, maar die dromerij botste met de dromen van Leopold II om een formele kolonie te stichten die quasi zijn persoonlijk eigendom zou moeten worden. Banning kwam volledig gedesillusioneerd uit het koloniale avontuur in Congo, wat zijn weerslag had op zijn broze mentale en lichamelijke gestel. Ook Edmond van Eetvelde verliet het Congolese avontuur met een lijst vol gezondheidsklachten van fysieke en mentale aard, veroorzaakt door de impact van Leopolds omstreden koloniale wensen.

Sociaal kwam het merendeel van de koloniale helpers van Leopold II uit de grote en diverse klasse van de burgerij, wat toch op enige sociale homogeniteit wees. Hun afkomst liep echter sterk uiteen: zo was Lambermont de zoon van een kleine boer in Waals Brabant, terwijl Van Praet uit een intellectuele familie vol drukkers en bibliothecarissen stamde. Geen enkele onderzochte medewerker kwam voort uit de commerciële handelaarsklasse, die wellicht het meest gebaat zou hebben met een vorm van Belgisch kolonialisme. Ook opmerkelijk was dat hun draaischijf en leider, baron Lambermont, nooit een hoger diploma haalde, omdat hij in zijn jonge jaren schijnbaar te avontuurlijk was geweest om zijn studies aan de rechtsfaculteit van Leuven of aan de Militaire School af te werken. De lijst van vijftien namen die deze verhandeling onder de loep nam, bevatte wel vier doctoren in de rechten (Jules Greindl, Jules Van Praet en de tweeling Goffinet), één licentiaat in de Letteren en Filosofie (Emile Banning) en één kandidaat aan diezelfde faculteit (Jules Devaux). Slechts één onder hen had er studies op zitten die expliciet naar handel en kolonialisme verwezen: Edmond van Eetvelde studeerde met brio af aan het ‘Institut supérieur du Commerce.’ De helft van de onderzochte medewerkers bleef niet lang deel uitmaken van de burgerij of een lagere klasse: voor verschillende (koloniale) verdiensten ontvingen acht van de vijftien vroeg of laat een adellijke titel van Leopold II.

Een andere opmerkelijke vaststelling die in deze conclusie thuishoort, is dat elke bestudeerde medewerker van Leopold II steeds in dienst van de Belgische staat werkte. Meestal waren ze ofwel diplomaat ofwel ambtenaar in dienst van een ministerie: ze werkten dus allen voor “vorst, vrijheid en recht”, waardoor ze zich misschien mentaal genoodzaakt voelden om hun koning te steunen. Leopold II trok van zijn kant zelden Belgische privé-personen aan, om mee na te denken over de mogelijkheden van kolonialisme. Enkel bankiers, bijvoorbeeld de gebroeders Browne de Tiège, schenen aan die regel te ontsnappen. Leopold II verleidde ook weinig politici in het binnenland om zijn koloniale politiek actief te steunen. Meestal beperkten de katholieken en liberalen zich tot het schenken van een vrijgeleide aan de vorst bij zijn koloniale proefprojecten zolang hij het land geen internationale schade berokkende. Enkel Auguste Beernaert, eerste minister tussen 1884 en 1894, hielp Leopold II bij de beslissende fases van de geboorte van de EIC. Ironisch genoeg zou net hij later de Nobelprijs voor de Vrede winnen, onder andere voor zijn inzet bij de strijd tegen de slavernij en plundering van Kongo-Vrijstaat. Met ondermeer Lambermont en Banning had hij een offensief tegen de gruweldaden binnen de EIC op touw gezet, waarvan hij als enige ronkende naam later de vruchten van plukte.

 

 

Koloniale denkbeelden

 

De zoektocht naar duidelijk omschreven koloniale ideologieën bleek algauw een zoektocht in het ijle. Door de grote drang naar discretie over één van de meest opmerkelijke koninklijke projecten uit de Belgische geschiedenis, lieten de adviseurs van Leopold II slechts sporadisch in hun kaarten kijken. De enkelingen die hun herinneringen aan het Hof wel neerpenden, spendeerden liever zo weinig mogelijk aandacht aan de eigen ideeën bij kolonievorming. Ze beperkten zich liever tot het loven van Leopold II, die op zijn eentje de hachelijke onderneming had opgestart. Hoewel volledig omkaderde koloniale denkbeelden hierdoor in het water vielen, kon dit onderzoek toch enkele slotconclusies formuleren.

Geen van de bestudeerde adviseurs was echt te enthousiasmeren voor het toepassen in België van een koloniaal concept in formele zin. Toch dachten sommigen wel aan overzeese expansie om de bloeiende industrie en de snelle demografische groei te ondersteunen. Henri-Aléxis Brialmont zag in overzeese uitbreiding ook een kans om het leger strijdervaring bij te brengen en om een uitbreiding van de marine te ontwikkelen. In een positivistisch sausje diende hij een dubbel idee op om een geheel van Belgische handelsposten, verspreid over de verschillende continenten en in het kader van een ‘imperialism of free trade’, te verantwoorden. De Belgische handel had enerzijds nood aan overzeese afzetmarkten om haar handels- en ondernemingsgeest te ontwikkelen en de handelsposten omvatten anderzijds evenzeer militaire groeikansen om een handelsvloot beter te kunnen verdedigen. Indien België volhardde in haar passieve en volgens Brialmont ‘naïeve’ neutraliteitspolitiek, en dus niet overging tot het stichten van overzeese handelsposten, vreesde hij voor de industriële rijkdom die het kleine België op een korte tijd had vergaard. Haar gebrek aan natuurlijke grenzen en haar economische afhankelijkheid van haar buurlanden voor de afzet van haar industriële producten deed het jonge land afstevenen op een militair treffen, dat zou ontstaan wanneer één van de grote buurlanden te jaloers zou worden om de Belgische neutraliteit nog te kunnen respecteren. Net als Banning, kaderden de koloniale ideeën van Brialmont wel in een grotere ideologie, gebouwd op economische en militaire angsten, maar die van het jonge België een sterkere en levensvatbare staat moest maken zodat haar voortbestaan vrijwaard kon worden. Het hameren op de noodzaak van het actief herdefiniëren van een te zwakke Belgische neutraliteit vormde de kern van het leven en werk van Brialmont.

Het economische luik van die ideologie kwam een aantal keer terug bij de verdedigers van Belgisch of leopoldiaans kolonialisme, hoewel de dwangmatige onderbouw enkel in de koloniale ideeën van Brialmont zo sterk naar boven kwam drijven. Emile Banning kruidde op zijn beurt de economische voordelen van kolonialisme met de morele plicht om de inheemse Afrikanen te ‘civiliseren’ naar Europese normen. Hij voelde zich ook aangetrokken tot de patriottische motieven van de koning, hoewel dit gegeven steeds hand in hand ging met een filantropische missie die het kleine en neutrale België moest omvormen tot een lichtend en leidend voorbeeld voor de andere landen op het gebied van grootschalige en langdurige humanitaire acties. De laatste elementen in de koloniale ideologie van Banning, wellicht de best gedocumenteerde, omvatten een diep gewortelde christelijke inspiratie en een drang naar een mondiale groei van vrijheid.

De schaarse koloniale ideeën die baron Lambermont verkondigde, stonden steeds dicht bij die van Banning, hoewel de secretaris-generaal zich gematigder en voorzichtiger uitsprak dan de romantische archivaris en bibliothecaris. Baron Lambermont, een overtuigde adept van het economische liberalisme, zag de economische voordelen van Belgische informele handelsposten, zolang het economische liberalisme niet elke tolbarrière gesloopt had. De filantropische missie, waaraan Banning zoveel belang aan hechtte, betekende wellicht voor hem aanvankelijk niet veel meer dan een breekijzer om de internationale tegenstand te overkomen. Het bestrijden van de slavernij kwam echter naarmate de tijd vorderde hoger op de agenda van baron Lambermont staan. Zijn verontwaardiging bij de domaniale wending binnen de EIC verried voldoende zijn afkeer van een formele kolonie, aangezien de informele en liberale piste toen helemaal verstikt werd door de financiële honger van Leopold II.

Ook bij de andere adviseurs werden geen sporen gevonden van een ideologie ten voordele van Belgisch kolonialisme in formele zin. Er werd echter door de meeste bestudeerde medewerkers van Leopold II ook zelden luid gedroomd van een Belgisch ‘informal empire.’ Veelal leken de adviseurs zich te beperken tot het nakomen van Leopolds wensen en verlangens, en hierbij tegelijk, als in een dubbele agenda, te willen waken over de internationale en binnenlandse gevoeligheden. Op die manier kwamen in hun correspondentie ook ideeën ter sprake die niet tot de kern van hun eigen argumenten behoorden om deel te nemen aan kolonialisme.

Geografisch spraken de medewerkers zich wel duidelijker uit over hun voorkeuren. Opvallend was hun eensgezinde neiging om handel en economische invloed te gaan zoeken in het Verre Oosten. Enkelen onder hen deelden de fascinatie van Leopold II voor het Chinese rijk en haar rijkdommen. Brialmont had in zijn publicaties vooral oog voor het Verre Oosten. Ook baron Lambermont porde de Belgische diplomatie aan om de handelsrelaties met China te verbeteren en te consolideren, terwijl de jonge van Eetvelde zijn loopbaan had opgestart met een avontuur in Chinese staatsdienst. Slechts zelden werd er gedroomd over de Afrikaanse taart, die als laatste overbleef op de koloniale markt. Enkel Emile Banning toonde een voorliefde voor het Afrikaanse continent, omwille van het vele humanitaire en ‘civiliserende’ werk dat ginds nog op stapel stond. Afrika werd uiteindelijk wel het speelveld van het leopoldiaanse kolonialisme, nadat zijn vele proefballonnen op de andere continenten niet waren opgegaan. Tijdens de laatste twee decennia van zijn leven, stak Leopold II echter opnieuw energie in China[572], hoewel hij ondertussen door zijn politiek in Congo de steun van zijn grootste groep koloniale adviseurs had verloren.

 

 

Aandeel in de koloniale ondernemingen

 

Leopold II lanceerde bijna op zijn eentje het koloniale streven van België, op enkele initiatieven van zijn vader en van enkele diplomaten na. Hij bleef ook onbedreigd de leider van het Belgische kolonialisme tijdens elk project dat hij opstartte. Elke vorm van correspondentie of rapportering ging door zijn handen, en hij alleen nam de beslissingen. Hij bedolf zijn medewerkers bovendien onder de suggesties, bemerkingen, en aansporingen. Toch verbleef de koning zelf tussen 1865 en 1892 zelden buiten Brussel of zijn Oostendse vakantieresidentie, tenzij hij zichzelf een snoepreisje wou gunnen in de Franse hoofdstad.

Door zijn afwezigheid in het buitenland tijdens de bestudeerde periode, gaf Leopold II een groot deel van de koloniale activiteiten uit handen. Het merendeel van de officiële en officieuze onderhandelingen plus de informele gesprekken liet hij voeren door zijn koloniale medewerkers, vaak zelfs door de Belgische diplomaten. Ook in het binnenland nam de vorst uitzonderlijk deel aan onderhandelingen over zijn koloniale projecten. Zo kreeg de Geografische Conferentie in 1876 een grotere filantropische overtuigingskracht omdat de koning haar in eigen persoon voorzat. Leopold II had echter tijdens elk van zijn koloniale ondernemingen – en tijdens de periode van de EIC nog het meest – de touwtjes stevig in handen. Hoewel hij zelf nooit in zijn Congo is geweest, had hij de hele administratie, zowel de kleine Brusselse regering als de gezagsvoerders in Congo, onder directe controle door persoonlijke correspondentie en de opvolging van bijna elk detail van het bestuur en beheer.

De koloniale medewerkers, die het studieobject van deze verhandeling vormden, bleken bijgevolg vooral uitvoerders. De diplomaten in het buitenland maakten zelf afspraken met de gesprekspartners die Leopold II vooropgesteld of goedgekeurd had. Over de inhoud werd de koning achteraf meestal tot in de puntjes gerapporteerd, en hij gaf meestal persoonlijk orders over de volgende gesprekken. Leopold II bedacht dus het gros van hun stappen, waardoor persoonlijk handelen op eigen risico gebeurde. De breuk bijvoorbeeld die ontstond tussen de koning en Edmond van Eetvelde, zijn laatste rechterhand, kwam voort uit het zelfstandig loshakken door de staatssecretaris van de Gordiaanse knoop waarin de onderhandelingen met de Engelsen over de Egyptische verlangens van Leopold II gestrand waren. Het gehoorzaam opvolgen van de koninklijke orders betekende bijgevolg een weinig creatieve bezigheid, wat ook een mogelijke verklaring biedt voor de terugtrekking van een aantal medewerkers uit de koloniale projecten.

Dit betekent echter niet dat de medewerkers geen enkele invloed zouden hebben gehad op Leopold II. In kleine aangelegenheden adviseerden ze hun koning en Soeverein, bijvoorbeeld met oplossingen die de gevoeligheden en obstakels van buitenlandse onderhandelingspartners konden omzeilen. De vorst volgde meestal die kleine raadgevingen. Maar ook tijdens het grotere verloop naar de geboorte van de EIC kan vermoed worden dat Leopold II zijn oor aandachtig te luister heeft gelegd bij enkele ervaren en sluwe medewerkers. Het hele discours dat voor Belgisch kolonialisme pleitte ontwikkelde de hertog van Brabant in zijn jonge jaren met Henri-Aléxis Brialmont. De wending in filantropische en liberale richting die het leopoldiaanse kolonialisme in Afrika uitging, kwam schijnbaar voort uit de liberale en humanitaire idealen van de belangrijkste medewerkers van Leopold II in die tijd: Emile Banning en vooral baron Lambermont, hoewel dit onderzoek slechts weinig concrete bewijzen hiervoor kon vergaren.

Een aantal gebeurtenissen tussen 1876 en 1892 bevestigden in het bijzonder het vermoeden van de invloed van Banning en Lambermont om Leopolds koloniale droom alsnog te doen slagen. De plannen bijvoorbeeld, die Lambermont en Leopold II samen hadden gesmeed in aanloop van de Geografische Conferentie, bleken van essentiële waarde om daarna stap per stap hun humanitaire dekmantel voor een onafhankelijke kolonie, los van de Belgische staat en regering, verder aan elkaar te breien. België voorstellen als een neutrale en vredelievende natie om toegeeflijkheid van de grootmachten en/of van het gekoloniseerde volk zelf los te weken, had Lambermont al eerder op touw gezet in een Chinees kolonisatieproject. De CEHC, die ondanks haar statuten een politiek kleedje zou aantrekken, was een type organisatie die baron Lambermont eerder al had voorgesteld om ook in China economische invloed los te weken. Het ultraliberale regime dat Leopold II en de zijnen vooropstelden in de coulissen van de Conferentie van Berlijn trok de aanwezige naties over de streep omdat de nieuwbakken staat beloofde de principes van het ‘imperialisme van de vrijhandel’ te handhaven in het hart van onverkend Afrika. Het pleidooi voor die algemene vrijhandel vormde de kern van de ideologieën van baron Lambermont en Emile Banning. Het bestrijden van de slavenhandel in Afrika, een zorg die de romantische en christelijke Banning koesterde sinds zijn jeugd, werd het argument bij uitstek om de liberale Akte van Berlijn te herzien ten voordele van de lekke schatkist van de EIC in de nasleep van de Antislavernij-conferentie van Brussel in 1892.

De inbreng van het liberale duo Emile Banning en baron Lambermont werd echter voorbijgestoken door de financiële situatie van de EIC en de plannen van de eigenzinnige Leopold II om zijn persoonlijke kolonie te formaliseren tot een goudmijn voor zijn rekening. De Onafhankelijke Kongostaat verstikte vanaf 1892 elke vorm van vrijhandel, waardoor Banning en Lambermont zich niet langer konden vinden in de koloniale politiek van de koning. De vraag of de Soeverein over de gehele tijdspanne van zijn koloniale zoektocht steeds van plan is geweest om zijn kolonie om te bouwen naar het model van het ‘batig slot’ en het ‘kultuurstelsel’, en daarvoor zelfs de principes van zijn naaste medewerkers had misbruikt, blijft echter vooralsnog onopgelost. Banning en Lambermont leken van hun kant echter wel steeds overtuigd van de nobele bedoelingen van Leopold II.

Leopolds aandeel binnen de regering van de EIC werd nog meer dominerend, toen Edmond van Eetvelde door ziekte verstomd werd. Van Eetvelde, wellicht de laatste kritische stem in de administratie, had na de gebeurtenissen van 1892 in de interne bestuurkeuken van de EIC discreet de laatste vergeefse pleidooien voor een liberalisering van de EIC op zich genomen. De stijfkoppige Leopold II had er echter geen oren meer naar, wellicht omdat hij zijn kolonie nu had verworven. Het aandeel van de koloniale adviseurs in de vele proefballonnen van Belgisch kolonialisme en de oprichting van een persoonlijke Afrikaanse staat werd voortaan helemaal gereduceerd tot toegeeflijkheid en het gehoorzaam uitvoeren van zijn orders: na een nieuwe ministaatshervorming deelde Leopold II tussen 1895 en 1909 met alle plezier alleen de lakens uit.

Het beeld van een verpletterende en eigenzinnige Leopold II ten opzichte van zijn hofhouding en koloniale staf kwam bijgevolg ook in deze verhandeling sterk naar voren. De “roi-géant[573] − die met zijn grote gestalte, lange baard en norse blik, iedereen die hij ontving in zijn werkkamer, domineerde en overtuigde van zijn grote (koloniale) gelijk − vertoonde echter wel een evolutie in de omgang met zijn entourage. Hij stelde zich geleidelijk toegeeflijker op ten opzichte van hun doctrine van het economische liberalisme tussen 1860 en 1890, waarbij de Conferentie van Berlijn als hoogtepunt kan gelden. Of hij in die periode echt geloofde in hun theorie voor vrijhandel, of hij zich liet beïnvloeden om zijn koloniale droom op die manier te kunnen realiseren, blijft een open vraag. Na 1892 regeerde hij zeker in zijn typische autoritaire stijl over de EIC.

 

 

Chronologische “generaties” ten opzichte van Leopold II

 

De adviseurs in koloniale aangelegenheden stonden onder een strak gezag van hun dirigent, de hertog van Brabant of Leopold II, die geen enkele solo toeliet. De dirigent speelde tot het begin van het laatste decennium van de negentiende eeuw een symfonie van paternalisme, patriottisme en economisch liberalisme. Na 1892 speelden financiële motieven een wrang orgelpunt, waarbij de koning het economische liberalisme liet varen en een duidelijke breuk zichtbaar zou worden in de groep van koloniale adviseurs en medewerkers. Het elftal koninklijke medewerkers, dat dit betoog onder de loep nam, had voordien geen homogene entourage gevormd, zodat hun verzet makkelijker te negeren viel. Naargelang hun ambt waren kliekjes ontstaan, die bovendien door verschillende generaties werden bemand.

De nestors, Pierre Chazal en Jules Van Praet, werkten al onder Leopold I mee aan overzeese expansie, maar hielden zich op de vlakte toen de enthousiaste en gedreven hertog van Brabant het koloniale roer overnam. Het fiasco van Guatemala en de latere mislukking in Mexico versterkte wellicht hun onverschilligheid over elke vorm van overzeese expansie die ter sprake kwam. Van Praet, de tweede vader van Leopold II, had in zijn vroege jaren wel zijn bezorgdheid over de economische toekomst van België na het verlies van de Nederlandse koloniale afzetmarkten, uitgesproken, maar was sindsdien schijnbaar afwachtend geworden.

Hun jongere kantoorgezellen volgden Van Praet en Chazal echter niet in die afwachtende houding: Henri-Aléxis Brialmont volgde de begeestering van de hertog van Brabant op de voet, en sprak zich in zijn jongere jaren altijd uit voor Belgisch kolonialisme. Toen Leopold in 1865 tot koning gekroond werd, bekoelden de relaties met de vorst, zodat Brialmont geen deel meer uitmaakte van de koloniale entourage van Leopold II. Jules Devaux werkte vanaf 1865 in het Kabinet van Koning wel actief mee aan de koloniale projecten van zijn vorst, in tegenstelling tot Jules Van Praet, hoewel Devaux zijn scepsis over het welslagen en het algemene nut van dergelijke ondernemingen nooit onder stoelen of banken kon steken. Hij durfde wellicht zelfs de koloniale ondernemingen van zijn werkgever tegen te werken. Het afwachtend en passief uitvoeren van de koloniale orders werd in het kabinet van de koning na de dood van Van Praet en Devaux verder gezet door graaf Paul de Borchgrave[574]. De koning hoefde dus in zijn eigen kabinet maar weinig overtuigde steun te verwachten voor zijn koloniale dromen en projecten.

Baron Lambermont vervulde ondertussen perfect de rol van koloniale rechterhand van Leopold II. De secretaris-generaal van het ministerie van Buitenlandse Zaken besefte wel het nut van overzeese expansie, aangezien het jonge België nog steeds in zeer grote mate economisch afhing van haar buurlanden. Leopold II moest van zijn kant wellicht water bij de wijn doen, en zijn radicale Javaanse koloniale theorie informaliseren en liberaliseren, wilde hij baron Lambermont overtuigen van zijn nobele bedoelingen. In ruil bood baron Lambermont niet alleen zijn onderhandelingstalent aan, maar was hij ook het aanspreekpunt om de Belgische diplomaten te overtuigen van een koloniale onderneming.

Dankzij de draaischijf van de Belgische diplomatie, kon Leopold II zijn staf koloniale medewerkers uitbreiden met enkele waardevolle voelsprieten in het buitenland. Eugène père Beyens werd door Lambermont aangesproken om in de Franse hoofdstad Leopold II bij te staan in zijn Tonkin-project. Via baron Lambermont kreeg de koning ook opnieuw een beter contact met zijn vroegere vakantiegids in Constantinopel, Jules Greindl. De trouwe Belgische ambassadeur zette zich in Madrid vergeefs in om het in chaos verkerende Spanje er toe te bewegen haar soevereiniteit over de Filippijnen prijs te geven. Nadien werd Greindl, die zich in het koloniale plaatje van Leopold II eigenlijk niet kon vinden, gevraagd door Lambermont om de eerste Afrikaanse vereniging voor te zitten. Greindl ging hier op in, maar niet van harte. De secretaris-generaal stelde ook een ander talent uit zijn ministerie aan de koning voor, die hem van nut zou worden bij de promotie van Belgisch kolonialisme en de studie over exotische gebieden: Emile Banning.

De enige homogene groep van echte koloniale adviseurs van Leopold II kwam dus voort uit het ministerie van Buitenlandse Zaken, maar kon onmogelijk homogeen genoemd worden door haar geografische spreiding over heel Europa. Zijn connecties met baron Lambermont leverden de vorst wellicht ook de rekrutering van Eugène Napoléon Beyens op, die hem discreet bijstond tijdens de geboorte van de EIC, maar te jong en onervaren was om echt invloed te hebben op Leopold II. Edmond van Eetvelde kwam eveneens via Lambermont bij de Soeverein terecht, en zou hem vooral na 1892 van nut zijn. Maximilien Strauch was de vreemde eend in de bijt: hij had geen enkele band met het ministerie van Buitenlandse Zaken en had ook weinig ervaring met diplomatie of bestuur. Voor velen was zijn benoeming bijgevolg een grote verrassing. De militair werd dan ook vooral een gehoorzame en loyale uitvoeringsagent van Leopold II.

Sinds 1890 echter werden de kaarten grondig herschud. De koning kwam meer en meer in aanvaring met zijn adviseurs: in 1890 ontstonden de eerste ruzies tussen de vorst en het duo Banning en Lambermont over het afzwakken van de heffingen die Leopold II wou invoeren om de hachelijke situatie van zijn schatkist te redden. Hun verhouding beterde er niet op: de Soeverein ging zelfs zo ver dat hij Lambermont in 1891 een vervalste versie van het jaarverslag van de EIC voorlegde. De ervaren baron Lambermont doorzag het spelletje, en hield zich na de invoering van het domaniale stelsel liever niet meer bezig met de EIC. Ook Emile Banning had er genoeg van. De koning drong tijdens strandwandelingen met Banning in Middelkerke nog aan op een verdere samenwerking, maar toen de Soeverein besefte dat Banning weerhouden werd door morele walging over zijn steeds financiële discours, voelde de koning zich beledigd, wat volgens de logica van het stijfkoppige karakter van de koning onoverkomelijk was[575]. Hun laatste gesprek eindigde in Brussel dan ook in een scheldtirade. Baron Lambermont, Emile Banning, Hubert van Neuss en Camille Janssen trokken zich allemaal terug uit de EIC[576]. De ervaren groep uit het ministerie van Buitenlandse Zaken had haar greep en liberale invloed op Leopold II definitief verloren.

Het bestuur en beheer van de EIC vanuit Brussel werd nu overgelaten aan enkele onervaren jongelingen, onder leiding van Edmond van Eetvelde, die als honden door hun Soeverein werden behandeld[577]. De jonge van Eetvelde koos er blijkbaar voor om zijn carrière verder te zetten, en intern Leopold II alsnog op andere gedachten te brengen. Maar de Belgische koning had waar hij allang van droomde: een reusachtig overzees gebied dat na 1895 eindelijk zijn portefeuille vulde. Hij trok de macht naar zich toe, terwijl van Eetvelde zienderogen wegkwijnde.

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[2] BATE, P. White King, Red Rubber, black Death., BBC-documentaire, Canvas, 1/4/2004 en 8/5/2004, 100’.

[3] “Kinshasa krijgt weer standbeeld van Leopold II” De Standaard (3/2/2005), 3.

[4] ROXBURGH, A. “Belgians confront colonial past”, BBC News UK Edition. 9/3/2005. (http://news.bbc.co.uk/1/hi/world/africa/4332605.stm).

[5] SCHAEVERS, M. “Het verschil met Hitler is dat Leopold niet van plán was miljoenen mensen te doden. Leopold II, of het stuk verdriet van België (1): de Congokoorts.” In: Humo, MMMCCCLXIX (29/03/2005), 134-143.

[6] MARECHAL, P. “Kritische bedenkingen bij de controverses over Leopold II en Congo in de literatuur en de media” In: Het geheugen van Congo. De koloniale tijd. VELLUT, J.-L., red. Tervuren-Gent, 2005, 45.

[7] “Congo Free State” Encyclopedia Brittanica CD Multimedia Edition, 1994-1999.

[8] ARNAUT, K.     VANHEE, H. ‘History facing the present’: een interview met Jan Vansina. Afrikavereniging van de Universiteit Gent, ed. Antwerpen, 23 april 2001. (13p, http://cas1.elis.rug.ac.be/avrug/vansina.htm, 25/2/2005), 5-6.

[9] NANDRIN, P. “Léopold II au tribunal de l’histoire.” Télémoustique (21/10/1998). Geciteerd in MARECHAL, P. “Kritische bedenkingen bij de controverses over Leopold II en Congo in de literatuur en de media” , 46.

[10] EMERSON, B. Leopold II of the Belgians: king of colonialism. Londen, 1979.  In deze verhandeling is vooral gebruik gemaakt van de Franse vertaling: EMERSON, B. Léopold II: le royaume et l’empire. DOUXCHAMPS, H. COLSON, G., vert. Parijs, 1980.

[11] Bvb. ROEYKENS, A. Léopold II et la Conférence Géographique de Bruxelles (1876). Brussel, 1956, 261.

[12] PLOTTIER, A. DAENEN, W. “Leopold II stal van de armen en gaf aan de rijken. Professor Henk Wesseling over het Kongo van de koning en de deling van Afrika.”, De Morgen Special Bis Kongo (29 januari 2005), 1.

[13] HOCHSCHILD, A. De geest van Leopold II en de plundering van de Congo. BOS, J.W., vert. Amsterdam, 200312.

[14] EWANS, M. European atrocity, African catastrophe: Leopold II, the Congo Free State and its Aftermath. New York, 2002.

[15] VANGROENWEGHE, D. Rood Rubber. Leopold en zijn Kongo. Zaventem, 1985. Momenteel is deze auteur gastprofessor aan de vakgroep Nieuwste Tijd aan het Departement Geschiedenis van de Rijksuniversiteit Gent.

[16] O.a. MARCHAL, J. L’Etat libre du Congo: paradis perdu. L’histoire du Congo 1876-1900. 2 vol. Borgloon, 1996.

[17] O.a. STENGERS, J. Congo: mythes et réalités: 100 ans d'histoire. Gembloux, 1989.

[18] O.a. VELLUT, J.-L. “Réflexions sur la question de la violence dans l’histoire de l’Etat Indépendant du Congo” In: MANTUBA-NGOMA, P.M., red. La nouvelle histoire du Congo: mélanges eurafricains offerts à Frans Bontinck. (African Studies LXV-LXVI-LXVII), 2004, 269-287.

[19] MARECHAL, P. “Kritische bedenkingen bij de controverses over Leopold II en Congo in de literatuur en de media” , 49.

[20] ROXBURGH, A. “Belgians confront colonial past”, BBC News UK Edition. 9/3/2005. (http://news.bbc.co.uk/1/hi/world/africa/4332605.stm)

[21] EMERSON, B. Léopold II: le royaume et l’empire, 23.

[22] EMERSON, B. Léopold II: le royaume et l’empire, 25.

[23] ROMBAUTS, W. “Leopold II.” In: WELLENS, R. WYNANTS, M. België en zijn koningen. Algemeen Rijksarchief, ed. Brussel, 1990, 32-34.

[24] EMERSON, B. Léopold II: le royaume et l’empire, 59.

[25] STENGERS, J. “L’anticolonialisme libéral du XIXe siècle en son influence en Belgique.” In: Bulletin des séances de l'Académie royale des sciences d'outre-mer (1965), 483.

[26] ROEYKENS, A. Le dessein africaine de Leopold II: nouvelles recherches sur sa genèse et sa nature (1875-1876). Bruxelles, 1956, 10.

[27] Zie o.a. EMERSON, B. Léopold II: le royaume et l’empire, 217-231.

[28] Zie o.a. DUCHESNE, A. A la recherche d'une colonie belge: le consul Blondeel en Abyssinie (1840-1842): contribution à l'histoire précoloniale de la Belgique. Koninklijk Belgisch koloniaal instituut. Sectie voor morele en politieke wetenschappen. Verhandelingen in-8 30,3. Brussel, 1953.

[29] Zie o.a. GREINDL, L. A la recherche d'un état indépendant: Léopold II et les Philippines, 1869-1875. Koninklijke academie voor overzeese wetenschappen. Klasse voor morele en politieke wetenschappen XXVI, 1. Brussel, 1962.

[30] Annales Parlementaires de Belgique. Session législative de 1855-1856. Sénat. Brussel, s.d., 67.

[31] STENGERS, J. “La place de Léopold II dans l’histoire de la colonisation.” La Nouvelle Clio, I-II (1949-1950), 517.

[32] EMERSON, B. Léopold II, 14.

[33] VIAENE, V. “Leopold I, de Belgische diplomatie en de cultuur van het Europese Concert, 1831-1865.” In: Diplomatieke cultuur. VAN KEMSEKE, P., red. Albert Cauchie-reeks II. Leuven, 2000, 132.

[34] VAN DEN WIJNGAERT, M. BEULLENS, L. BRANTS, D. België en zijn koningen. Monarchie en Macht. Antwerpen, 2000, 95.

[35] WESSELING, H.L. Europa’s koloniale eeuw. De koloniale rijken in de negentiende eeuw: 1815-1919. Amsterdam, 2003, 182.

[36] GALLAGHER, J. ROBINSON, R. “The imperialism of free trade” In: Economic History Review VI (1953), 1.

[37] GALLAGHER, J. ROBINSON, R. Africa and the Victorians: the official mind of imperialism. Londen, 1983, 1.

[38] WESSELING, H.L. Europa’s koloniale eeuw, o.c., 180.

[39] WESSELING, H.L. Europa’s koloniale eeuw, o.c., 180.

[40] GALLAGHER, J. ROBINSON, R. “The imperialism of free trade”, 1-15.

[41] GALLAGHER, J. ROBINSON, R. Africa and the Victorians, 2.

[42] GALLAGHER, J. ROBINSON, R. “The imperialism of free trade”, 12-13.

[43] Het spoor naar een koloniale ideologie van Adrien d’Oultremont is bijvoorbeeld bijster. Hij zal wel opduiken in het hoofdstuk over de familiale en vriendschappelijke contacten onder de dynastie van Saksen-Coburg, omdat het voorbeeld van zijn familie te typisch was om links te laten liggen.

[44] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 9.

[45] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 132-133.

[46] STENGERS, J. ARNOULD, M. “Na de dood van Leopold II.” In: Nieuw licht op Leopold I en Leopold II. Het Archief Goffinet. JANSSENS, G. STENGERS, J., red. Brussel, 1997, 28.

[47] WALRAET, M. Emile Banning. Un grand belge 1836-1898. Brussel, 1945, 41. Maar zie ook ROEYKENS, A. Léopold II et la Conférénce Géographique de Bruxelles. Londen-Brussel, 1958, 10-17.

[48] BANNING, E. BRIALMONT, A. GOSSART, E. Réflexions morales et politiques. Brussel, 1899. of BANNING, E. Mémoires politiques et diplomatiques. Comment fut fondé le Congo belge. Brussel, 1927.

[49] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 59-114. DE ROBIANO, A. Lambermont: son œuvre et sa vie. Brussel, 1905, 59-74. GERARD, J. Les grandes commis de Léopold II. Brussel, 1941, 13-95.

[50] RANIERI, L. Lambermont et Banning, collaborateurs de Leopold II. Diss. Lic. Mod. Gesch. ULB, 1951. of PANNEELS, E. De oneenigheid tusschen Leopold II en Emiel Banning. Diss. Lic. Mod. Gesch. KUL. Leuven, 1938.

[51] CROKAERT, P. Brialmont. Brussel,1928. of CROKAERT, P. HYMANS, P. BRIALMONT, A. Brialmont, Eloge et mémoires. Brussel, 1925.

[52] BEYENS, E. Le Second Empire vu par un diplomate belge. 2 vol. Brugge-Rijsel, 1924-1926.

[53] DIERCKXSENS, F. Jules Greindl: leven en denken van een jonge diplomaat. Diss. Lic. Mod. Gesch. Leuven, 1998.

[54] DUCHESNE, A. “La pensée expansionniste du Duc de Brabant à travers sa correspondance avec le général Chazal, Ministre de Guerre (1859-1861)” In: Bulletin des Séances de l’Académie Royale des Sciences d’Outre-mer IX (1963), 1051-1085.

[55] STENGERS, J. STRAUCH, M. Rapport sur les dossiers: Correspondance Léopold II – Strauch. Koninklijk Belgisch koloniaal instituut. Commissie der geschiedenis van Congo XVI. Brussel, 1954, 1193-1209.

[56] STENGERS, J. “Eetvelde (Van), Edmond.” In: Biographie Coloniale Belge. Institut royal colonial belge, ed. II (1950), 327-353.

[57] JANSSENS, G. STENGERS, J. Nieuw licht op Leopold I en Leopold II. Het archief Goffinet. Koning Boudewijn Stichting, ed. Brussel, 1997.

[58] JANSSENS, G. “De Goffinets, bijna honderd jaar lang de discrete dienaars van de Koninklijke Familie.” In: J. Nieuw licht op Leopold I en Leopold II. Het archief Goffinet, 289.

[59] LE FEBVE DE VIVY, L. Documents d’histoire précoloniale belge (1861-1865). Brussel, 1955, 12-13.

[60] DEVEZE, A. GARSOU, J. PIRENNE, H. Les débuts d’un grand règne: notes pour servir à l’histoire de la Belgique contemporaine, II, Brussel, 1934, 21.

[61] VAN DEN ABEELE, A. Jules Van Praet, 2002. (http://users.skynet.be/sb176943/AndriesVandenAbeele/ AVDA314.htm)

[62] BRONNE, C. Jules Van Praet. Ministre de la Maison du Roi. Collection Nationale, III, 33. Brussel, 1943, 5.

[63] THOMSON,  R.S. Fondation de l’Etat Indépendant du Congo. Un chapitre de l’histoire du partage de l’Afrique. Brussel, 1933.

[64] FOEKEN, D. België behoeft een kolonie. De onstaansgeschiedenis van Kongo Vrijstaat. Antwerpen, 1935.

[65] GERARD, J. Les éminces grises de Laeken. Brussel, 1982.

[66] POLSPOEL, G. VAN DEN DRIESSCHE, P. Over de invloed van het Hof en de macht van Jacques van Ypersele de Strihou. Leuven, 2001.

[67] Almanach Royal Officiel de Belgique: annuaire du personnel des institutions publiques de Belgique. Brussel, 1854, 21.

[68] Almanach Royal Officiel de Belgique: annuaire du personnel des institutions publiques de Belgique. Brussel, 1866, 18-22.

[69] Jules Devaux was de zoon van de liberaal Paul Devaux, die gehuwd was met de zus van Jules Van Praet.

[70] JANSSENS, G. “De Goffinets, archivarissen van de koninklijke familie en beheerders van het fortuin van koning Leopold II.” In JANSSENS, G. STENGERS, J. Nieuw licht op Leopold I en II. Het archief Goffinet. Koning Boudewijnstichting, ed. 1997, 15.

[71] JANSSENS, G. “De federale uitvoerende macht: I. Het Staatshoofd.” In: Bronnen voor de studie van het hedendaagse België, 19de-20ste eeuw. VAN DEN EECKHOUT, P. VANTEMSCHE, G., red. Brussel, 2001, 278-281.

[72] Almanach Royal Officiel de Belgique: annuaire du personnel des institutions publiques de Belgique.Brussel, 1866, 22.

[73] JANSSENS, G. “De federale uitvoerende macht: I. Het Staatshoofd.”, 282.

[74] JANSSENS, G. STENGERS, J. Nieuw licht op Leopold I en II. Het archief Goffinet, 15-16 en 295.

[75] Zie infra: hoofdstuk 9, 107-120.

[76] STENGERS, J. Textes inédites d’Emile Banning. Brussel, 1955, 74-75.

[77] VANDEPLAS, A. “d’Oultremont, Adrien (Comte).” In: Biographie Coloniale Belge V (1953-1954), 661-664.

[78] DE LICHTERVELDE, L. “Borchgrave d’Altena, Paul (Comte).” In: Biographie Nationale XXIX (1957), 319-321. Sinds 1866 was hij al Secretaris van de Koning en had toen de correspondentie van de vorst onder zijn verantwoordelijkheid.

[79] Etat présent de la noblesse du royaume de Belgique. Annuaire de 1979. Première partie Nev – O. COOMANS de BRACHENE, O., ed. Brussel, 1979, 126-152.

[80] POLSPOEL, G. VAN DEN DRIESSCHE, P. Over de invloed van het Hof, 63.

[81] LECONTE, L. “Brialmont, Henri.” In: Biographie Nationale. Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique, ed. XXX (1959), 213.

[82] GARSOU, J. Un grand soldat: le général Chazal (1808-1892). (Collection nationale (Lebegue Bruxelles Série 7 ; 75). Brussel, 1946, 21.

[83] CROKAERT, P-. BRIALMONT, A. HYMANS, P. Brialmont. Eloge et mémoires. Brussel, 1925, 16.

[84] WALRAET, M. Emile Banning. Un grand Belge 1836-1898. Brussel, 1945, 77.

[85] WALRAET, M. “Lambermont, François-Auguste.”  In: Biographie Coloniale Belge. Institut royal colonial belge, ed. II (1950), 566.

[86] VANLANGENHOVE, F. “Beyens, Eugène.” In: Biographie Nationale. Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique, ed. XXXIV (1968), 72.

[87] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 134-135.

[88] WILLEQUET, J. “Greindl, Jules.” In: Biographie Nationale. Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique, ed. XXXVII (1972), 374.

[89] BASTIN, E. DE VOS, L. “Greindl, Léonard.” In: Nouvelle Biographie Nationale VII (2003), 165-170.

[90] DISCAILLES, E. “Praet (Van), Jules.” In: Biographie Nationale. Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique, ed. XVII (1905), 165-194.

[91] BRONNE, C. Jules Van Praet, 66.

[92] ROEYKENS, A. Léopold II et la Conférence Géographique de Bruxelles (1876). Brussel, 1956, 15-16, voetnoot 4.

[93] DISCAILLES, E. “Praet (Van), Jules.” In: Biographie Nationale, 194.

[94] ARAB Papiers Greindl, Correspondance générale adressée à Jules Greindl, nr 125: Léopold II.  en 136: Baron Beyens.

[95] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 134.

[96] VAN DEN ABEELE, A. Jules Van Praet, 2002. (http://users.skynet.be/sb176943/AndriesVandenAbeele/

AVDA314.htm)

[97] DE HAULLEVILLE, C.A. “Jules Van Praet.” In: Portraits et silhouettes. Prémière série, I, Brussel, 1892, 323.

[98] BRONNE, C. Jules Van Praet. Ministre de la maison du Roi. Collection Nationale, III, 33. Brussel, 1943, 13.

[99] DISCAILLES, E. “Praet (Van), Jules.” In: Biographie Nationale. Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique, ed. XVII (1905), 167.

[100] BRONNE, C. Jules Van Praet, 19-20.

[101] BRONNE, C. Jules Van Praet, 20-22.

[102] DISCAILLES, E. Charles Rogier (1800-1885) d’après des documents inédites, III, 1894, 9.

[103] BRONNE, C. Jules Van Praet, 70.

[104] BRONNE, C. Jules Van Praet, 23.

[105] DAYE, P. Léopold II. Brussel, 1934, 156.

[106] DISCAILLES, E. “Praet (Van), Jules.”, 174.

[107] DE HAULLEVILLE, C.A.“Jules Van Praet”, 282-283.

[108] Zijn familie heeft zijn laatste wens om discreet om te gaan met zijn confidentiële en geheime papieren zeer letterlijk opgevat.

[109] VIAENE, V. “Leopold I, de Belgische diplomatie en de cultuur van het Europese Concert, 1831-1865”, 130. Van Praet kwam toen in opstand tegen het feit dat Leopold I er al verschillende maîtressen had op na gehouden, wat volgens de kabinetschef schadelijk was voor de populariteit van de monarchie.

[110] DUCHESNE, A. A la recherche d'une colonie belge: le consul Blondeel en Abyssinie (1840-1842): contribution à l'histoire précoloniale de la Belgique. Koninklijk Belgisch koloniaal instituut. Sectie voor morele en politieke wetenschappen. Verhandelingen in-8 30,3. Brussel, 1953, 47. Blondeel zou later ook een invloed ten voordele van Belgisch kolonialisme uitoefenen op de troonopvolger van Leopold I.

[111] DUCHESNE, A. “La politique coloniale de Léopold Ier” In: Revue Générale Belge XC (april 1954), 996-997.

[112] DUCHESNE, A. “La politique coloniale de Léopold Ier”, 997-998.

[113] DUCHESNE, A. A la recherche d'une colonie belge: le consul Blondeel en Abyssinie (1840-1842), 35, 44, 46, 48, 50, 58, 74, 76, 83, 91, 201.

[114] VAN DEN WIJNGAERT, M. België en zijn koningen, 296-297.

[115] DUCHESNE, A. “La politique coloniale de Léopold Ier”, 1002.

[116] JANSSENS, G. STENGERS, J. Nieuw licht op Leopold I en II. Het archief Goffinet, 253.

[117] VAN DEN ABEELE, A. Jules Van Praet, 2002. (30/3/2005; http://users.skynet.be/sb176943/Andries

VandenAbeele/AVDA314.htm)

[118] ASCHERSON, N. De Koning NV, 28.

[119] ARAB. Papiers Banning, III. Correspondance. Lettres de Jules Van Praet, 30. De brief werd na een discussie in hun publicaties tussen Auguste Roeykens en professor Jean Stengers gedateerd op 18 november 1877. Zie: ROEYKENS, A. Léopold II et la Conférence Géographique de Bruxelles (1876). Brussel, 1956, 15-16, voetnoot 4.

[120] BANNING, E. L’Afrique et la Conférence Géographique de Bruxelles. Brussel, 1877. De tweede herziene en uitgebreide uitgave werd eveneens in Brussel uitgegeven in 1878.

[121] Zie infra, hoofdstuk 7, 76-77.

[122] VAN PRAET, J. Essais sur l’histoire politique des derniers siècles, I. Brussel, 1867-1884, XXVI.

[123] VANDEWOUDE, E. “Devaux, Jules Jean Paul.” In: Nationaal Biografisch Woordenboek VI (1974), 226-229. BEYENS, E. “Souvenirs sur Léopold II et la Cour de la Belgique” In: Revue Générale LXVII (1932), 546-548.

[124] Ambassadeur van België in Lissabon tussen 1867 en 1875. WILLEQUET, J. “Anethan, baron Auguste.” In: Biographie Nationale XXX (1959), 54-55.

[125]AMBuZa Papiers d’Anethan, Correspondance. Microfilm nr. 518. Jules Devaux aan Auguste d’Anethan, 22 november 1872. Onder andere gepubliceerd in GREINDL, L. A la recherche d'un état indépendant: Léopold II et les Philippines, 1869-1875. Koninklijke academie voor overzeese wetenschappen. Klasse voor morele en politieke wetenschappen XXVI, 1. Brussel, 1962, 54, voetnoot 4.

[126] STENGERS, J. “Leopold II entre L’Extrême-Orient et l’Afrique 1875-1876.” In: La Conférence de Géographie de Bruxelles, 1876. Koninklijke Academie voor Overzeese wetenschappen, ed. Bruxelles, 1976, 349.

[127] STENGERS, J. “Leopold II entre L’Extrême-Orient et l’Afrique 1875-1876”, 348. Zie ook infra: hoofdstuk 8, 95-97.

[128] Lord Derby, Brits minister van Buitenlandse Zaken (1874-1878) en onderminister van Koloniën (1882-1885).

[129] STENGERS, J. “Leopold II entre L’Extrême-Orient et l’Afrique 1875-1876”, 322.

[130] Henry Frederic Ponsonby (1825-1895) was de privé-secretaris van Britse koningin Victoria sinds 1870. MATTHEW, H.C.G. “Ponsonby, Henri Frederic.” In: Oxford Dictionary of National Biography IVL (2004), 811-812.

[131] Jules Devaux meldde zijn Britse ambtsgenoot toen: “As for my account, I told you my opinion on the subject and what you write confirms it.” STENGERS, J. “Leopold II entre L’Extrême-Orient et l’Afrique”, 328.

[132] BRAIVE, G. MONDOVITS, I. “Le corps diplomatique et consulaire belge en Italie” In: Risorgimento XIII (1970), 85-86.

[133] STENGERS, J. Congo: mythes et réalités, 70, voetnoot 2.

[134] STENGERS, J. Congo: mythes et réalités, 70, voetnoot 2.

[135] STENGERS, J. Congo: mythes et réalités, 70, voetnoot 2.

[136] STENGERS, J. Congo: mythes et réalités, 70, voetnoot 2.

[137] In een andere publicatie van Auguste Roeykens (ROEYKENS, A. “Banning et la Conférence Géographique de Bruxelles en 1876.” In: Zaïre: Revue Congolaise. VIII-3, 1954, 255, voetnoot 58.) werd ‘nageons’ vervangen door ‘noyons.’ Hoewel dit een fataal betekenisverschil inhoudt, bleek de brief, bewaard in het Algemeen Rijksarchief van Brussel, geen uitsluitsel te brengen over de correcte spelling. (ARAB, Papiers de Borchgrave, Correspondance, Jules Devaux, 26.)

[138] ROEYKENS, A. Les débuts de l’œuvre africaine de Léopold II (1875-1879). Bruxelles, 1956, 136.

[139] ROEYKENS, A. “Banning et la Conférence Géographique de Bruxelles en 1876”, 255, voetnoot 58.

[140] C'est-à-dire.

[141] STENGERS, J. “Leopold II entre L’Extrême-Orient et l’Afrique 1875-1876”, 349.

[142] Over het project in Tonkin: zie infra, hoofdstuk 8, 95-96.

[143] Zie bijvoorbeeld: THOMSON,  R.S. Fondation de l’Etat Indépendant du Congo, 42, 87, 148, 171, 174 of 177.

[144] AKP. Archives rélatives au déveoppement exterieur de la Belgique sous le règne de Léopold II. Correspondance générale,“Jules Devaux”, 44 (25/10/1883).

[145] AKP. Fonds Goffinet. Archief van het privé-secretariaat van de Koning. Ingekomen brieven, 26 maart 1861, Paul Devaux aan de hertog van Brabant. Gepubliceerd in: JANSSENS, G. STENGERS, J. Nieuw licht op Leopold I en Leopold II, 258-259.

[146] GERARD, J. Les éminences grises de Laeken. Brussel, 1982, 106-107.

[147] DE HAULLEVILLE, C.A.“Jules Van Praet”, 314.

[148] DE HAULLEVILLE, C.A.“Jules Van Praet”, 270.

[149] VIAENE, V. “Leopold I, de Belgische diplomatie en de cultuur”, 131.

[150] Door hun grote invloed in het politieke landschap worden de kabinetschefs van de koning ook de onderkoningen van België genoemd.

[151] DAYE, P. Léopold II, 156.

[152] BEYENS, E. “Souvenirs sur Léopold II  et la cour de Belgique.” In: Revue Générale. I: 15 mai 1934, 545.

[153] VANDEWOUDE, E. “Devaux, Jules Jean Paul.” In: Nationaal Biografisch Woordenboek VI (1974), 226.

[154] “Je suis engrainé malgré moi dans cette foutue affaire de l’Afrique.” STENGERS, J. “Leopold II entre L’Extrême-Orient et l’Afrique 1875-1876”, 349.

[155] GARSOU, J. Un grand soldat: le général Chazal (1808-1892), 3-4.

[156] PARIDAENS, M.-A. “Chazal, Pierre.” In: Biographie Nationale. Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique, ed. XLII (1982), 160-162.

[157] Almanach Royal Officiel de Belgique: annuaire du personnel des institutions publiques de Belgique. Brussel, 1854, 20.

[158] PARIDAENS, M.-A. “Chazal, Pierre”, 163-164.

[159] ASCHERSON, N. De Koning NV, 78.

[160] DUCHESNE, A. “La pensée expansionniste du Duc de Brabant à travers sa correspondance avec le général Chazal, Ministre de Guerre (1859-1861)” In: Bulletin des Séances de l’Académie Royale des Sciences d’Outre-mer IX (1963), 1051-1052.

[161] Zie: DUCHESNE, A. “Léopold Ier et la défense nationale d'après sa correspondance avec le Général Chazal” In: Revue d’histoire militaire XVI (1966), 161-165.

[162] DUCHESNE, A. “La pensée expansionniste du Duc de Brabant”, 1053.

[163] EMERSON, B. Léopold II, 31.

[164] DUCHESNE, A. “La pensée expansionniste du Duc de Brabant”, 1056.

[165] CRAEYBECKX, J. MEYNEN, A. WITTE, E. Politieke geschiedenis van België. Van 1830 tot heden. Antwerpen, 19976, 81-82.

[166] KMLKG, Papiers Chazal, 111/13, de hertog van Brabant aan Chazal, 4 oktober 1859.

[167] DUCHESNE, A. “La pensée expansionniste du Duc de Brabant”, 1057. Over Brialmont, zie verder in dit hoofdstuk.

[168] DUCHESNE, A. “La pensée expansionniste du Duc de Brabant”, 1057.

[169] CROKAERT, P. HYMANS, P. BRIALMONT, A. Brialmont, Eloge et mémoires. Brussel, 1925, 427.

[170] Over de concrete inhoud van de tekst, zie infra, hoofdstuk 5, 48.

[171] KMLKG, Papiers Chazal, 65/1, Chazal aan de hertog van Brabant, 28 juni 1859. De opdrachtgever van het werk was mogelijk Leopold I, die zijn zoon naar de studiekamer had gezonden zodat hij ervaring met het complexe politieke landschap kon opdoen.

[172] KMLKG, Papiers Chazal, 65/1, Chazal aan de hertog van Brabant, 28 juni 1859.

[173] KMLKG, Papiers Chazal, 65/1, Chazal aan de hertog van Brabant, 28 juni 1859.

[174] KMLKG, Papiers Chazal, 65/1, Chazal aan de hertog van Brabant, 28 juni 1859.

[175] DUCHESNE, A. “Les leçons de l’expérience de son père ont-ils entraîné Leopold II dans la voie de la colonisation?” In: Conférence de géographie de 1876. Recueil d'études. Brussel, 1976, 277.

[176] ROEYKENS, A. Le dessein africaine de Leopold II, 10.

[177] KMLKG, Papiers Chazal, 262, Hertog van Brabant, 21 mei 1861.

[178] DEVEZE, A. GARSOU, J. PIRENNE, H. Les débuts d'un grand règne: notes pour servir à l'histoire de la Belgique contemporaine, I (1931), 27, 30 en 140-141.

[179] DEVEZE, A. GARSOU, J. PIRENNE, H. Les débuts d'un grand règne, I (1931), 27.

[180] Zie de toespraken van Chazal in de Annales Parlementaires de Belgique. Chambre de Représentants. Session extraordinaire de 1859- 12 juillet au 28 septembre. Brussel, 1859, 123-128, 137-139 en 149-150. Over de opportuniteit van een marine: Idem, 128.

[181] DEVEZE, A. GARSOU, J. PIRENNE, H. Les débuts d'un grand règne, I (1931), 30.

[182] EMERSON, B. Léopold II, 66.

[183] Léonard Greindl was de vader van de diplomaat Jules Greindl, van wie verder in deze verhandeling de koloniale ideologie en wandel wordt onderzocht. Zie infra, hoofdstuk 8, 87-93.

[184] LECONTE, L. “Brialmont, Henri.” In: Biographie Nationale. Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique, ed. XXX (1959), 212-216.

[185] Paul Crokaert publiceerde een onvolledige lijst met brochures en studies en leidde er uit af dat Brialmont in totaal minstens 15.552 bladzijden heeft uitgegeven. Zie: CROKAERT, P. HYMANS, P. BRIALMONT, A. Brialmont, Eloge et mémoires. Brussel, 1925, 609-612. Helaas zijn vele van die brochures moeilijk opspoorbaar.

[186] ROEYKENS, A. Les débuts de l’œuvre africaine de Leopold II (1875-1879). Brussel, 1956, 11-12.

[187] CROKAERT, P. BRIALMONT, A. Brialmont, Eloge et mémoires, 399.

[188] CROKAERT, P. BRIALMONT, A. Brialmont, Eloge et mémoires, 400.

[189] LECONTE, L. “Brialmont, Henri.”, 214.

[190] CROKAERT, P. BRIALMONT, A. Brialmont, Eloge et mémoires, 401.

[191] GERARD, J. Les éminences grises de Laeken, 167-168.

[192] EMERSON, B. Léopold II, 33-34.

[193] DAYE, P. Leopold II, 83.

[194] Dit artikel werd vandaag nergens teruggevonden, zodat enkel apocriefe fragmenten bestudeerd werden.

[195] CROKAERT, P. BRIALMONT, A. Brialmont, Eloge et mémoires, 402.

[196] Zie supra: hoofdstuk 5, 44.

[197] BRIALMONT, H.A. Complètement de l’œuvre de 1830: établissements à créer dans les pays transatlantiques: avenir du commerce et de l’industrie belge. Brussel, 1860, 65-66.

[198] BRIALMONT, H.A. Complètement de l’œuvre de 1830, 198.

[199] DAYE, P. Léopold II, 20.

[200] BRIALMONT, H.A. Complètement de l’œuvre de 1830, 188.

[201] STENGERS, J. “Leopold II et le modèle colonial hollandais” In: Tijdschrift voor Geschiedenis XC (1977), 46-71.

[202] STENGERS, J. “Leopold II et le modèle colonial hollandais”, 61.

[203] CROKAERT, P. BRIALMONT, A. Brialmont, Eloge et mémoires, 403.

[204] BRIALMONT, H.A. Complètement de l’œuvre de 1830, 75-197.

[205] ROEYKENS, A. Les débuts de l’œuvre africaine de Leopold II (1875-1879). Brussel, 1956, 20.

[206] Zie o.a. BRIALMONT, H.A. Complètement de l’œuvre de 1830, 65-68.

[207] CROKAERT, P. BRIALMONT, A. Brialmont, Eloge et mémoires, 406.

[208] BRIALMONT, H.A. Complètement de l’œuvre de 1830, 202.

[209] BRIALMONT, H.A. Complètement de l’œuvre de 1830, 203.

[210] Brialmont publiceerde in zijn besluit (p. 200) de negen eisen de ‘Chambre de commerce’ van Antwerpen eerder had gevraagd om de wetgeving voor verre handel gebruiksvriendelijker om te vormen.

[211] BRIALMONT, H.A. Complètement de l’œuvre de 1830, 203.

[212] Zie DESCAMPS, E. Le duc de Brabant au Sénat de Belgique. En souvenir du cinquantième anniversaire de l’entrée au Sénat de S.M. Léopold II (1853-1909). Leuven, 1903.

[213] ROEYKENS, A. Les débuts de l’œuvre africaine de Leopold II, 24.

[214] CROKAERT, P. BRIALMONT, A. Brialmont, Eloge et mémoires, 422.

[215] Zie o.a.: LOMBAERDE, P. Leopold II. Koning-bouwheer. Gent, 1995.

[216] ROEYKENS, A. Les débuts de l’œuvre africaine, 22.

[217] VIAENE, V. Politiek en profetie: het beleid van Leo XIII tegenover België 1884-1889. Licentiaat-verhandeling Departement Moderne Geschiedenis KUL. Leuven, 1989, 111-112.

[218] CROKAERT, P. Brialmont. Brussel,1928, 23.

[219] EMERSON, B. Léopold II, 34.

[220] CROKAERT, P. BRIALMONT, A. Brialmont, Eloge et mémoires, 408-426

[221] Hij was driemaal Secretary of State for the Foreign Department: tussen 1853 en 1858, 1865 en 1866 en 1868 en 1870. BOASE, F. “Clarendon, George William Frederick Villiers, 4th Earl of (1800-1870)” In: Modern English Biography I (1965), 623-624.

[222] CROKAERT, P. Brialmont, 137-140.

[223] LECONTE, L. “Brialmont, Henri.”, 216-221.

[224] Aan Chazal schreef hij in juni 1873 een bezorgde brief: “La colère du grand chef contre moi est si grande qu’il l’a fait retomber en partie sur le pauvre Nicaise.” KMLKG, Papiers Chazal, Correspondance Reçue, 18, Brialmont, 700, 28 juni 1873.

[225] BANNING, E. BRIALMONT, A. La Belgique actuelle au point de vue commercial, colonial et militaire: programme de politique nationale. Brussel, 1889².

[226] BANNING, E. BRIALMONT, A. La Belgique au point de vue, 3-5.

[227] CROKAERT, P. Brialmont, 183.

[228] BANNING, E. BRIALMONT, A. La Belgique au point de vue, 101-111. De patriotten Brialmont en Banning streden vanuit een reeks liberale kranten als Le Précurseur, La Nation of La Meuse vooral tegen de katholieke krant Le Patriote.

[229] BANNING, E. Textes inédits d’Emile Banning. (Koninklijke academie voor koloniale wetenschappen. Klasse der morele en politieke wetenschappen. N. R. II,3). STENGERS, J., ed. Brussel, 1955, 41. Het feit dat Emile Banning in de tekst verschillende keren wordt geciteerd bevestigt de hypothese dat Banning enkel tijdens de eindredactie meewerkte aan het pamflet.

[230] Generaal Brialmont heeft tot zijn grote frustratie, die hij meermaals liet blijken in correspondentie, zelf nooit deelgenomen aan een echt militair treffen. Dit argument bevestigt dus het volledige auteursschap van Brialmont.

[231] La Belgique au point de vue, 23-33.

[232] AKP. Archives relatives au développement extérieur de la Belgique, 193, generaal Brialmont aan graaf Paul de Borchgrave, 8 juni 1890.

[233] Annales Parlementaires de Belgique. Chambre de Représentants. Session de 1893, 1873.

[234] WALRAET, M. “Lambermont, François-Auguste.”  In: Biographie Coloniale Belge. II (1950), 566-567.

[235] DE ROBIANO, A. Le baron Lambermont: Sa vie et son Oeuvre. Brussel, 1905, 59.

[236] DE ROBIANO, A. Le baron Lambermont, 17.

[237] CRAEYBECKX, J. WITTE, E. Politieke geschiedenis van België. Van 1830 tot heden, 70.

[238] WILLEQUET, J. Lambermont et la fin du protectionnisme en Belgique (1850-1856). Extrait du Bulletin de l’Académie royale des Sciences d’Outre-Mer. Brussel, 1964, 242.

[239] COOLSAET, R. België en zijn buitenlandse politiek 1830-2000, 110.

[240] GERARD, E. VOS, L. Hedendaagse Geschiedenis. Leuven, 2000, 103.

[241] COOLSAET, R. België en zijn buitenlandse politiek 1830-2000, 111-112.

[242] COOLSAET, R. België en zijn buitenlandse politiek 1830-2000, 113.

[243] WALRAET, M. “Lambermont, François-Auguste.”, 571-572.

[244] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont. Brussel, 1971, 60.

[245] ASCHERSON, N. De Koning NV, 51.

[246] EMERSON, B. Léopold II, 32.

[247] STENGERS, J. “Leopold II et le modèle colonial hollandais”, 49.

[248] MONEY, J.W.B. Java; or, How to manage a colony showing a practical solution of the questions won affecting British India. Londen, 1861.

[249] Terugkoppelen naar Brialmont en batig slot aldaar!

[250] BRIALMONT, H.A. Complètement de l’œuvre de 1830, 65-66.

[251] BRIALMONT, H.A. “Considérations politiques et financières sur les colonies.” In: Journal de l’Armée belge (1860), 83. Dit tijdschrift bleef tijdens ons onderzoek onvindbaar, behalve het fragment dat Stengers publiceerde: STENGERS, J. “L’anticolonialisme libéral du XIXe siècle”, 497.

[252] LE FEBVE DE VIVY, L. Documents d’histoire précoloniale belge (1861-1865), 18-24.

[253] Zie discours van Leopold in de Senaat op 17 februari 1860 naar aanleiding van de bespreking van het budget van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. LEOPOLD II. Discours prononcé par S.A.R. Mgr. le Duc de Brabant dans la séance du février 1860. Brussel, 1860, passim.

[254] STENGERS, J. “L’anticolonialisme libéral du XIXe siècle en son influence en Belgique”, 503.

[255] STENGERS, J. “Leopold II et le modèle colonial hollandais”, 70.

[256] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 60.

[257] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 60.

[258] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 61.

[259] Voor voorbeelden zie: ROEYKENS, A. Le dessein africain de Leopold II, 106-108 en 172.

[260] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 61.

[261] DEVEZE, A. GARSOU, J. PIRENNE, H. Les débuts d’un grand règne, II, 141.

[262] COOLSAET, R. België en zijn buitenlandse politiek 1830-2000, 144.                                            

[263] COOLSAET, R. België en zijn buitenlandse politiek 1830-2000, 142.

[264] DE ROBIANO, A. Le baron Lambermont, 64.

[265] CROKAERT, P. HYMANS, P. BRIALMONT, A. Brialmont, Eloge et mémoires, 427.

[266] Zie daarover: EMERSON, B. Léopold II, 217-231.

[267] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 65.

[268] ROEYKENS, A. Les débuts de l’œuvre africain de Léopold II, 260-263. Zie ook: DE ROBIANO, A. Le baron Lambermont, 67-69.

[269] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 66.

[270] DE ROBIANO, A. Le baron Lambermont, 62-63.

[271] Over de kolonisatiepoging in de Filippijnen waar ook baron Lambermont aan meewerkte: zie infra, hoofdstuk 8, 88-89.

[272] Over de kolonisatiepoging in Tonkin waar ook baron Lambermont aan meewerkte: zie infra, hoofdstuk 8, 95-96.

[273] AMBuZa. Papiers Lambermont, volume V, section 9, Leopold II aan baron Lambermont, 22 augustus 1875. Voor uitgave en fotografische reproductie: ROEYKENS, A. Les débuts de l’œuvre africaine de Léopold II, 1875-1879, 95-96.

[274] GUILLAUME, C. “Souvenirs intimes. Comment le Roi Léopold est intervenu au Congo.” In: L’Indépendance Belge, 2 maart 1918.

[275] EMERSON, B. Léopold II, 76.

[276] BEYENS, E. “Le baron Lambermont.” Revue Générale, LV (september 1922), 247. Geciteerd in: ROEYKENS, A. Le dessein africain de Léopold II, 177.

[277] ROEYKENS, A. “Les réunions préparatoires de la délégation belge à la Conférence Géographique de Bruxelles en 1876.” In: Zaïre: Revue Congolaise. VII-8, 1953, 788.

[278] Zie bvb. ook ROEYKENS, A. Les débuts de l’oeuvre africaine de Léopold II, 313-331.

[279] EMERSON, B. Léopold II, 76. Verschillende Belgische historici hebben zich een eeuw later gebogen over het resterend archiefmateriaal over de Geografische Conferentie van Brussel en er een boeiende synthese over geschreven: La Conférence de Géographie de Bruxelles, 1876. Recueil d’études. Bijdragen over de Geografische Conferentie van Brussel, 1876. Koninklijke Academie voor Overzeese wetenschappen, ed. Brussel, 1976,

[280] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 78.

[281] ROEYKENS, A. “Les réunions préparatoires de la délégation belge”, 792.

[282] Zie infra, hoofdstuk 7, 75-76.

[283] ROEYKENS, A. “Les réunions préparatoires de la délégation belge”, 812-813.

[284] ROEYKENS, A. “Les réunions préparatoires de la délégation belge”, 803.

[285] ROEYKENS, A. Le dessein africain de Léopold II, 180-181. Helaas kan Roeykens daarvoor weinig bewijzen aanbrengen. Dit kan dan ook bezwaarlijk objectief genoemd worden, aangezien er ons slechts zeer weinig bronnen over hun samenwerking bekend zijn.  In hetzelfde boek raakte Roeykens trouwens nog meermaals verstrikt in dit vraagstuk: soms kon hij de verleiding niet weerstaan om baron Lambermont te vermelden als het ‘alter ego’ van de koning of de vertrouwenspersoon voor wie Leopold II geen geheimen kende. Zie bvb.: ROEYKENS, A. Le dessein africain de Léopold II, 242.

[286] ASCHERSON, N. De Koning NV, 103.

[287] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 78.

[288] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 78.

[289] ROEYKENS, A. Le dessein africain de Léopold II, 108 en 174.

[290] DE ROBIANO, A. Le baron Lambermont, 79-81.

[291] ROEYKENS, A. Le dessein africain de Léopold II, 178-179.

[292] AMBuZa. Papiers Lambermont, ordre systématique, volume V, section 8. Projet d’établissement à la Plata, 1861. Hertog Leopold van Brabant aan baron Lambermont, 11 juni 1861. Zie ook: ROEYKENS, A. Les débuts de l’oeuvre africaine de Léopold II, 413, noot 1.

[293] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 78.

[294] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 79.

[295] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 80.

[296] THOMSON,  R.S. Fondation de l’Etat Indépendant du Congo, 147-187.

[297] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 81.

[298] WALRAET, M. “Lambermont, François-Auguste”, 575-576.

[299] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 82-93.

[300] THOMSON,  R.S. Fondation de l’Etat Indépendant du Congo, 303.

[301] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 95.

[302] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 97.

[303] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 98-101.

[304] Professor Willequet sprak over deze daad van Lambermont als een “mal nécessaire.” WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 108.

[305] Dat blijkt duidelijk uit de brief van baron Lambermont aan Leopold II van 7 december 1889. Zie: WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 97-98. Helaas gebruikte Jacques Willequet in zijn biografie geen voetnoten of referenties zodat de vindplaats van de brief moeilijk te traceren is.

[306] WILEQUET, J. Le baron Lambermont, 100-106.

[307] WALRAET, M. “Lambermont, François-Auguste”, 575-576.

[308] AKP. Archives relatives au développement extérieur de la Belgique, 72/114, baron Lambermont aan Leopold II, 7 juli 1890. De hele brief is opgenomen in bijlage 12.1., 151.

[309] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 103.

[310] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 108.

[311] AKP. Archief Goffinet. Ingekomen Correspondentie, Lambermont, 5 februari 1892.

[312] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 110.

[313] ASCHERSON, N. De Koning NV, 171.

[314] WILLEQUET, J. ““Lambermont, François-Auguste.” In: Biographie Nationale. Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique, ed. XXXV (1970), 513.

[315] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 111.

[316] WILLEQUET, J. Le baron Lambermont, 113-114.

[317] BEYENS, E. “Le baron Lambermont” In: Revue générale, LV (septembre 1922), 247. De biografie van Lambermont door professor Jacques Willequet kan echter daarbij wel als een aanzet beschouwd worden, maar helaas gebruikte Willequet geen voetnoten in zijn publicatie, toch niet in de uitgave die dit onderzoek aanwendde.

[318] WALRAET, M. Emile Banning. Un grand belge 1836-1898. Brussel, 1945, 5.

[319] ARAB. Papiers Banning, IV, 56, De la liberté des fleuves dans le droit public et l’histoire, februari 1863.

[320] BANNING, E. Textes inédits d’Emile Banning. STENGERS, J., ed., 20-24.

[321] Zie: ARAB. Papiers Banning.

[322] VANDER LINDEN, H. “Banning, Emile.” In: Biographie Nationale. Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique, ed. XXIX (1957), 190.

[323] Zie ARAB. Papiers Banning, VII, 118, Les voyages de découverte dans l’Afrique, 15 februari 1876.

[324] “Fut-ce l’étincelle qui alluma le flambeau?” BANNING, E. Textes inédits d’Emile Banning. STENGERS, J., ed., 32. Over die ene zin is er in de historische literatuur veel inkt gevloeid, vooraleer de retorische vraag van Banning voldoende kritisch werd getoetst aan de realiteit. Marcel Walraet ging mee met die redenering (WALRAET, M. Emile Banning. Un grand belge 1836-1898., 40-41.) en ook Jo Gérard en Pierre Daye wilden de veronderstelling van Banning niet ontkennen (GERARD, J. Les grands commis de Léopold II. Brussel, 1941, 151. en DAYE, P. Léopold II. Parijs, 1934, 158.) Uiteindelijk vloerde pater Roeykens in een lange uiteenzetting hun lichte argumentatie en bewees met verve het omgekeerde. (ROEYKENS, A. “Banning et la Conférence Géographique de Bruxelles en 1876.” In: Zaïre: Revue Congolaise. VIII-3 (1954), 227-242.)

[325] GOSSART, E. Emile Banning et Léopold II. Brussel, 1920, 57 (op citaat).

[326] Papiers Banning, III, Correspondance avec le roi Léopold II, 29. Roeykens besloot dat er enkel een terminus ante quem bestond voor de brief: 9 september 1876, de dag van de tweede vergadering van de Belgische delegatie in het kabinet van baron Lambermont. ROEYKENS, A. “Banning et la Conférence Géographique de Bruxelles, 252-254. en ROEYKENS, A. Léopold II et la Conférence Géographique de Bruxelles, 113-116. Voor de brief zie bijlage 12.2, 151-153.

[327] Zie: GOSSART, E. Emile Banning et Léopold II. Brussel, 1920, 88-90.

[328] WALRAET, M. Emile Banning. Un grand Belge, 41.

[329] BANNING, E. L’Afrique et la Conférence Géographique de Bruxelles, 114.

[330] BANNING, E. Textes inédits d’Emile Banning. STENGERS, J., ed, 33.

[331] Zie zijn studie: ARAB, Papiers Banning, VII, 125. Etude des conditions physiques et ethnographiques de la région de Cameroun, envisagée comme base d’opération d’une entreprise d’exploration et de colonisation de l’Afrique centrale, mei 1878.

[332] ROEYKENS, A. Les débuts de l’œuvre africaine, 332-344.

[333] BRUHAT, J. “Emile Banning” In: Les techniciens de la colonisation (XIXe-XXe siècles). Parijs, 1947, 40.

[334] WALRAET, M. Emile Banning. Un grand Belge, 43. Zie ook: BRUHAT, J. “Emile Banning”, 40-41.

[335] In de contemporaine bronnen en in de historische literatuur werden en worden voorkeursrecht of “droit de préférence” en voorkooprecht of “droit de préemption” steevast verward.

[336] In zijn licentiaatsverhandeling bewees Edmond Panneels dat die uitspraak al minstens vals was in het geval van baron Lambermont; en indien Banning zelf van niets wist, leidde Panneels daaruit af dat de verhouding tussen Leopold en Banning al vertroebelde in deze periode. PANNEELS, E. De oneenigheid tusschen Leopold II en Emiel Banning. Diss. Lic. Mod. Gesch. KUL. Leuven, 1938, 122-124.

[337] BANNING, E. Mémoires politiques et diplomatiques. Comment fut fondé le Congo belge. Brussel, 1927, 7-8.

[338] WESSELING, H. Verdeel en heers, 152.

[339] WALRAET, M. Emile Banning. Un grand Belge, 44.

[340] ARAB., Papiers Banning, III, Lettres de et à sir John Kirk, 42, 25 april 1893. Zie ook: PANNEELS, E. De oneenigheid tusschen Leopold II en Emile Banning, 141.

[341] BRUHAT, J. “Emile Banning”, 44-45.

[342] BANNING, E. Mémoires politiques et diplomatiques, 25-26.

[343] Over de zogenaamde deling van Afrika, die in de coulissen van de internationale Conferentie van Berlijn tussen november 1884 en februari 1885 plaats vond: zie WESSELING, H. Verdeel en heers, 148-153.

[344] WALRAET, M. Emile Banning. Un grand Belge, 46.

[345] WALRAET, M. Emile Banning. Un grand Belge, 46.

[346] BRUHAT, J. “Emile Banning”, 47.

[347] BANNING, E. Le partage politique de l’Afrique d’après les transactions internationales les plus récentes (1885 à 1888). Brussel, 1888, 87.

[348] WALRAET, M. “Banning, Emile.” In: Biographie Coloniale Belge I (1947), 77.

[349] GOSSART, E. Emile Banning et Léopold II 1867-1892. Brussel, 1920, 69-71.

[350] BANNING, E. Textes inédits d’Emile Banning. STENGERS, J., ed, 47. Het rapport zelf: ARAB, Papiers Banning, VII, 155 of ARAB, Papiers Van Eetvelde, 151.

[351] ARAB, Papiers Banning, nr 156. Met dezelfde annotering: “…De lezing ervan had een dubbel uitwerksel: de Koning aanzag een rechtzinnige getuigenis en openhartige verwittiging ingegeven door zijn belang en dat van het land als een beleediging, en schorste van af alle betrekking met my…” Bron: PANNEELS, E. De oneenigheid, 150.

[352] BANNING, E. Mémoires politiques et diplomatiques, 308.

[353] WALRAET, M. Emile Banning. Un grand Belge, 54.

[354] BRUHAT, J. “Emile Banning”, 48-50.

[355] PANNEELS, E. De oneenigheid tusschen Leopold II en Emile Banning, 55.

[356] ARAB, Papiers Banning, III, Correspondentie met Leopold II, 29, 24 oktober 1876. Leopold II wou de evangelisatie overlaten aan de verschillende missiebewegingen, om voorafgaande twisten te vermijden.

[357] BANNING, E. Textes inédits d’Emile Banning. STENGERS, J., ed, 21.

[358] BANNING, E. BRIALMONT, H. GOSSART, E. Réflexions morales et politiques. Brussel, 1899, 115.

[359] WALRAET, M. Emile Banning. Un grand Belge, 57.

[360] BRUHAT, J. “Emile Banning”, 37.

[361] ARAB, Papiers Banning, VII, 115, La Traite, poème par Emile Banning, 6 januari 1856.

[362] BRUHAT, J. “Emile Banning”, 36-37.

[363] BANNING, E. Textes inédits d’Emile Banning. STENGERS, J., ed., 31.

[364] CROKAERT, P. Brialmont, 23.

[365] WALRAET, M. Emile Banning. Un grand Belge, 26.

[366] ASCHERSON, N. De Koning NV, 75.

[367] WALRAET, M. Emile Banning. Un grand Belge, 26.

[368] DE SMAELE, H. NYS, L. TOLLEBEEK, J. WILS, K. De zieke natie. Over de medicalisering van de samenleving 1860-1914. Groningen, 2002, 159.

[369] WALRAET, M. Emile Banning. Un grand Belge, 56-61.

[370] BRUHAT, J. “Emile Banning”, 46.

[371] ARAB, Papiers Banning, VII, L’Afrique et le Conférence géographique de Bruxelles. Notes diverses réunies par Banning, 1.

[372] VANDER LINDEN, H. “Banning, Emile”, 191-193.

[373] ROEYKENS, A. Les débuts de l’œuvre africaine de Léopold II, 210.

[374] Zie: ROEYKENS, A. La période initiale de l’œuvre africaine de Leopold II: nouvelles recherches et documents inédits. Brussel, 1957, 180-205.

[375] E.B. La Belgique doit être agrandie. Hoei, 1882, 16-17.

[376] E.B. La Belgique doit être agrandie. Hoei, 1882, 19.

[377] E.B. La Belgique doit être agrandie. Hoei, 1882, 19.

[378] ROEYKENS, A. La période initiale de l’œuvre africaine, 190.

[379] E.B.