| Humbertus van Romans (1194-1277) en zijn visie op de kruistochten. (Anna Francis) |
| home | lijst scripties | inhoud |
Inleiding
Humbertus van Romans kan beschouwd worden als een invloedrijke figuur in de dertiende eeuw. Zijn dominicanenorde was nog steeds aan een steile opgang bezig op het moment van zijn aanstelling als generale overste. De orde van de predikheren groeide snel en leverde hoogontwikkelde mensen af, zoals Thomas van Aquino en Albertus Magnus, die bijdroegen tot haar luister. De dominicanen waren aanwezig in alle universiteiten, waar zij meehielpen aan het onderricht van de orthodoxe leer en de geestelijke en intellectuele uitstraling van de Kerk. De bedelorden hadden zich aangepast aan de noden van de tijd en leefden tussen de voortdurend groeiende stedelijke bevolking van Gent, Brugge of Parijs. Vanuit het Iberische schiereiland of vanuit de Latijnse koninkrijken van Edessa, Antiochië, Tripoli en Jeruzalem sijpelden ondertussen de verfijnde Arabische wetenschappen, literatuur en filosofie door naar het Westen. Met een verwonderde en nieuwsgierige blik bestudeerden de Westerse geleerden deze kennis. In de dertiende eeuw manifesteerde zich echter ook een groeiende onverdraagzaamheid ten opzichte van andersdenkenden zoals Saracenen, Joden en ketterse bewegingen.
Dit spel van aantrekken en afstoten vinden we ook terug in de geschriften die Humbertus van Romans ons nagelaten heeft. Zijn aanvankelijke aanmoedigingen om de vreemde Arabische taal en cultuur te gaan bestuderen veranderden in de herfst van zijn leven in een halsstarrig afwijzen van alles wat tegen het christelijk geloof inging. Hij bleef samen met paus Gregorius X één van de weinige verdedigers van een grootse Heilige Oorlog tegen de, in zijn ogen verderfelijke Saracenen, op het tweede concilie van Lyon in 1274. Humbertus van Romans trad hiermee in het voetspoor van andere kruistochtpredikers zoals Bernardus van Clairvaux, maar was zich ook bewust van de toegenomen weerstand tegen de kruistochten op het einde van de dertiende eeuw. In een heldere stijl probeerde hij dan ook al de argumenten, die tegen de kruistochten geformuleerd werden door het sceptische publiek, te ontzenuwen. Zijn medebroeders predikanten stelde hij een soort van praktische handleiding ter beschikking om op te roepen tot de Heilige Oorlog tegen de aanhangers van Mohammed.
In deze verhandeling wordt getracht om de figuur van Humbertus te plaatsen in de kruistochtbeweging op het einde van de dertiende eeuw. We gaan na wat zijn betekenis was in de orde en daarbuiten en of zijn opvattingen verschilden of eerder gelijkliepen met de heersende visie over de islam. De tractaten van Humbertus bieden verder een schat aan informatie over hoe een kruistochtprediking in praktijk verliep. Hij geeft bijvoorbeeld aan welke oratorische technieken er gebruikt werden en hoe men moest inspelen op het publiek. Het zijn ook eerder verdedigende geschriften. We zullen schetsen waarom de kruistocht op het einde van de dertiende eeuw niet meer populair was. Het onderzoek zal zich ook toespitsen op het ambigue karakter van Humbertus’ werken. Enerzijds riep hij zijn medebroeders op om zich in te zetten voor de bekering van de moslims terwijl hij dit anderzijds na 1263 compleet afwijst en alleen nog maar heil ziet in een gewelddadige bekering door middel van de kruistochten. We proberen dan ook enkele theorieën te vormen over deze plotse ommezwaai in het gedachtengoed van Humbertus.
Over de visie van Humbertus van Romans op de kruistochten werd tot nu toe geen onderzoek verricht. In het enige recente werk over Humbertus van Brett1 werd grotendeels gekeken naar zijn verwezenlijkingen als generale overste van de dominicanen. Over de kruistochtprediking van de dominicanen en de franciscanen werd door Christoph T. Maier in 1990 een studie gepubliceerd. Het gaat echter niet specifiek over de kruistochten tegen de Saracenen. In 2000 publiceerde deze zelfde auteur nog een boek waarin hij de verschillende sermoenen “ad status” van de dertiende eeuw met elkaar vergelijkt. Humbertus van Romans mocht hierin natuurlijk niet ontbreken. Over de laatste kruistochten en de kritiek op de Heilige Oorlog in deze periode verschenen ook een paar werken. Over de verhouding van het christendom en de islam is reeds veel onderzoek verricht. Er zijn hier echter nog een paar lacunes in op te vullen. Ten eerste is de periode voor de eerste kruistocht grotendeels onderbelicht gebleven. Er werden hier geen recente studies over gepubliceerd. Ten tweede werd ook de late dertiende en veertiende eeuw bijna niet onderzocht en kijkt men vooral naar de eerste vijf kruistochten en hun gevolgen.
Wat betreft de bronnen, baseerden we ons vooral op de grote verzamelingen die Benedictus Reichert aan het einde van de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw heeft uitgebracht. Voor de periode waarin Humbertus generale overste was van de dominicanen is dit een rijke bron aan informatie. Hierin vonden we de acta van het generale kapittel, de brieven van Humbertus, een Vita fratrum van Gerardus de Fracheta, een tijdgenoot van Humbertus en een Chronica ordinis van Galvanus de la Flamma (geschreven in 1333 en niet altijd even betrouwbaar). Voor de tijd na zijn magisterschap gebruiken we uiteraard de drie werken die Humbertus over de kruistocht heeft geschreven: De eruditione praedicatorum, De praedicatione sanctae Crucis contra Saracenos en het Opusculum Tripartitum.
Verder werd getracht zoveel mogelijk contemporaine werken te vinden om een goed beeld te krijgen van wat de kruistochten waren of om alles te illustreren. Dit kan bijvoorbeeld de Gesta Francorum zijn voor de eerste kruistocht en de kroniek van Jean de Joinville voor de laatste twee kruistochten.
Ten slotte wil ik nog een dankwoord richten aan mijn promotor, prof. dr. J. Goossens, voor de deskundige begeleiding die ik heb gekregen bij de totstandkoming van deze verhandeling. Verder ben ik ook dank verschuldigd aan mijn zus, Katleen Francis voor het geduldige nalezen en de verbetering van de teksten.
Hoofdstuk 1. Humbertus van Romans
In dit eerste hoofdstuk maken we kennis met het personage: Humbertus van Romans. Over de tijd voor zijn magisterschap is weinig of niets bekend. Zelf vertelt hij hier slechts sporadisch over en andere bronnen zijn ook karig met informatie. Uit de brieven en tractaten die Humbertus ons nagelaten heeft blijkt in ieder geval een grote diplomatieke kracht en een sterk leiderschap. Hij kon de dominicanen zonder kleerscheuren door de mendicantenstrijd voeren en loste ook enkele onenigheden binnen de orde op. Dit was bijvoorbeeld het probleem van de cura mulierum, en de noodzaak naar eenvormigheid voor de dominicaanse diensten[1]. Ten eerste zullen we in het kort iets vertellen over het ontstaan van de dominicanen en hun rol bij de prediking van de kruistochten tegen de Saracenen. De rest van dit hoofdstuk gaat volledig over het leven van Humbertus.
§ 1.1 De dominicanen en hun rol bij de kruistochten
Humbertus behoorde tot de orde van de predikheren of dominicanen. Voor we iets over zijn leven vertellen, lijkt het goed om deze orde even voor te stellen.
De stichter van de dominicanen is Dominicus de Guzman (°1170-1221), een Spaanse priester uit Osma. Tijdens een reis naar Italië in 1205 leerde hij de ketterijen van de Albigenzen en de Waldenzen kennen in Zuid-Frankrijk. Aangetrokken door het apostolisch armoede-ideaal wou Dominicus een gemeenschap in deze zin stichten. In het begin van de dertiende eeuw was een bredere maatschappelijke stroming hiervoor gewonnen. De ketterijbewegingen, waarmee Dominicus reeds veel te doen had gehad, predikten hetzelfde maar weigerden gehoorzaamheid aan de Kerk. Hij wou echter binnen dit instituut blijven.
Om zijn orde te stichten had Dominicus een pauselijke confirmatie nodig. Hij raakte bevriend met kardinaal Ugolino, en deze laatste probeerde druk uit te oefenen bij de Heilige Stoel. Innocentius lll was het idee niet geheel ongenegen vermits het een goede zaak zou zijn voor de ketterijbestrijding. Indien ze zelf een moreel hoogstaande levensstijl aan de dag legden, zouden de predikheren met des te meer autoriteit kunnen spreken. Toch werd de dominicanenorde pas na zijn dood erkend door een bul van Honorius lll (1216-1228) op 21 januari 1217.
De orde leefde onder de regel van Sint-Augustinus en eigen wetten. De broeders gehoorzaamden enkel aan hun eigen oversten en de paus. Vandaar dat ze ook wel schertsend Domini canes (honden van de Heer) genoemd werden. De gemeenschap mocht in principe geen bezit hebben. Door Honorius lll werd hun ook de toestemming gegeven om te prediken.
Het succes van de dominicanen was enorm. Door hun inplanting in de steden waren ze, samen met de franciscanen, het beste toegerust voor de noden van de tijd. Hun redenaarstalent was legendarisch en grote massa’s gelovigen werden aangetrokken om naar deze broeders te komen luisteren. Volgens Humbertus ontstond er soms wel een soort “kermisatmosfeer”. De prediking was maar een van de weinige vormen van “ontspanning” die beschikbaar waren voor de gewone man. Wanneer er aangekondigd werd dat een prediker een sermoen ging houden, kwamen zowel de vrome gelovigen als de louter nieuwsgierigen naar de kerk. Sommige luisteraars vertoonden geen enkel teken van devotie. Ze babbelden tijdens zijn toespraak, onderbraken hem en liepen constant in het rond. Niet alleen de leken vertoonden dit gedrag. Soms onderbraken bisschoppen, priesters of zelfs nonnen of begijnen de spreker. Hoewel velen uit nieuwsgierigheid kwamen moet er toch iets van de exempla en informatie blijven hangen zijn in de hoofden van de toehoorders. Door hun uitgebreide training in het spreken werden de broeders tenslotte toch een soort specialisten in deze vorm van massacommunicatie.
Het is dan ook niet verwonderlijk dat de pausen handig gebruik wisten te maken van dit propaganda kanaal. De dominicanen en franciscanen preekten in plaats van de seculiere geestelijkheid en waren in tegenstelling tot de traditionele monniken niet gebonden door de stabilitas loci. Rond 1230 waren de beide orden goed gevestigd in het christelijke Westen en hadden ze zich als trouwe dienaars van de paus getoond. Hoe goed bewijst de volgende brief van Frederik ll overduidelijk:
Wij zijn altijd gunstig gestemd geweest ten overstaan van uw orde(... ) sinds we er sterk van overtuigd zijn dat de dominicanen het bolwerk zijn van de Kerk en van het Christelijk geloof, dat door de ketterse verdorvenheid bedreigd wordt(...) Nu, echter, moeten we met spijt zeggen, dat de dominicanen zich niet enkel tevreden stellen met de tussenkomst in de kleinzielige geschillen over gewone zaken, maar zich ook bemoeien met de ruzies van koningen en prinsen. We zijn in hoge mate geërgerd dat de dominicanen, ons en ons Heilige Rijk overal aanvallen, hetgeen niet in overeenstemming is met God en rechtvaardigheid,...
Onder het habijt van hun orde hebben ze de mogelijkheid om vrij rond te lopen en om vriendelijke ontvangst te krijgen van het lichtgelovige volk... Wij hebben deze zaken krachtig onder uw aandacht gebracht, broeders... zodat u ze kan corrigeren ... Als u dit doet, zullen we deze ongelukkige incidenten vergeten en zullen we de broeders nog hoger achten dan anders, van wie we verlangen, dat ze vurige bemiddelaars voor God zijn aan onze zijde, inplaats van tegenstanders van onze wetten.
Tijdens de kruistochten van Frederik ll maakte paus Gregorius lX voor het eerst gebruik van de mendicantenorden. Een Engelse dominicaan, broeder Walter van St. - Martin kreeg de pauselijke opdracht om als prediker het leger te vergezellen dat naar Palestina vertrok. In september 1934 stuurde dezelfde paus een bul Rahel suum Videns voor het prediken van een nieuwe kruistocht. Alhoewel deze brief machtiging gaf tot het voeren van een heilige oorlog en informatie bevatte omtrent de aflaten en privileges, was het een andere brief, Pium et Sanctum, die opriep tot de eigenlijke prediking. Pium et Sanctum werd gezonden naar de franciscaanse overste van Lombardije en naar de dominicaanse prior van Toscanië, in oktober van hetzelfde jaar. De brief beval hen om twee betrouwbare broeders te selecteren voor de prediking van de kruistocht in hun gebied. Dit zou de zesde kruistocht (1248-1254) worden onder leiding van koning Lodewijk lX van Frankrijk.
Paus Innocentius lV organiseerde tussen 26 juli en 17 juli 1245 het eerste concilie van Lyon. Een van de belangrijkste punten op de agenda was de hulp aan het Heilige Land met in het bijzonder de bevrijding van het Heilige Graf. Hij kon er Lodewijk van Frankrijk van overtuigen deze taak op zich te nemen. De encycliek Afflicti Cordi bevestigde de prediking van de kruistocht door heel Europa. Aan de vertegenwoordigers van de dominicanen en franciscanen die op de vergadering aanwezig waren werd opgedragen de propaganda te verzorgen. De bedelorden oefenden een grote invloed uit op de Franse koning. Volgens Jean de Joinville bezocht Lodewijk bij een eerste bezoek aan een stad altijd eerst de dominicanen of de franciscanen. Humbertus van Romans werd dan weer de eer gegeven om de peter te zijn van zijn zoon Robert in 1256.
Tot het vertrek van Lodewijk IX in Augustus 1248 werd de prediking van de kruistocht geleid door de pauselijke legaat, kardinaal Eudes de Châteauroux. Lodewijk gaf de moed niet op, na het mislukken van deze onderneming. Hij nam een frisse start in 1270 voor een nieuwe campagne tegen de Saracenen. De Franse koning was met 6000 man van boord gegaan op het strand van Carthago, vlak bij Tunis. Op een morgen werd hij echter dood aangetroffen in zijn kamp. Het leger moest noodgedwongen huiswaarts keren na het verlies van vele mannen door oorlog en ziekte. Er kwam geen andere kruistocht meer omdat men geen kruisvaarders kon vinden die have en goed in de steek wilden laten voor deze onzekere zaak. Tevergeefs probeerde paus Gregorius X samen met Humbertus van Romans, op het tweede concilie van Lyon (1274) nog een nieuwe kruistocht op gang te trekken.
Met de achteruitgang van de kruistochtgedachte kwam ook de stabilisatie en neergang van de dominicanen, al heeft het één weinig met het ander te maken. Volgens Montagnes was het bij het einde van het generalaat van Humbertus gedaan met de eenvoud binnen de orde. Deze ordemeester zag er nog streng op toe dat de apostolische armoede bij zijn medebroeders in voege bleef. Zo benadrukte het Generaal Kapittel van 1258 zijn positie:
Wij bevelen duidelijk aan broeders en priors dat zij geen gebouw neerzetten als het niet nederig en gewoon is, en in overeenstemming met de (dominicaanse) regels. En we wensen dat bezoekers... wanneer zij enkele excessen vinden in tegenspraak hiermee zich kenbaar moeten maken op het volgende Generale Kapittel.
Na 1263 werden er grotere kerken gebouwd om het groeiend aantal gelovigen in te herbergen, en dit bracht een zucht naar praal en schoonheid met zich mee. Vanaf 1297 kwam er nog een verdere verwereldlijking binnen de dominicanenorde.
§1.2 Humbertus voor zijn generalaat
Humbertus werd geboren rond 1194 in Romans, een klein stadje in het zuidoosten van Frankrijk. Hij kwam waarschijnlijk uit een welgestelde familie maar of hij tot de adel of de burgerij behoorde is onzeker. Vast staat wel dat hij regelmatig in contact kwam met Kartuizers. Een broer van Humbertus was reeds bij deze orde ingetreden en hij voelde zich ook erg aangetrokken om dit voorbeeld te volgen. Toen hij later als een oudere man zijn Liber de eruditione Praedicatorum schreef, dacht hij hier waarschijnlijk aan terug en verklaarde: “Hi sunt valde excellentis religionis...praecellunt multas alias religiones.[2] Hij verliet zijn ouderlijk huis om in Parijs te gaan studeren. Al vlug behaalde hij een graad in de artes waarna hij zich toelegde op canoniek recht en theologie.
Net als vele medestudenten had hij zich een religieus leven in het vooruitzicht gesteld, maar over de concrete invulling van zijn plannen was hij nog niet zeker. Wat hem uiteindelijk heeft doen besluiten om bij de dominicanen in te treden, wordt beschreven in de Vitae Fratrum van Gerard de Fracheto. Hij werd niet overtuigd door magister Jordanus de Saxona, maar door een priester in de parochie van Saint-Pierre aux Boeufs waar hij de vespers aanhoorde. De prediker waarschuwde om niet te studeren voor de verkeerde redenen zoals vele andere studenten in de Parijse universiteit. Zij doen grote moeite met het doel om dan een graad te krijgen die hen in staat stelt om faam, beneficiën en bisschoppelijke waardigheden te behalen. Dit was volgens de priester niet anders dan “Pompa sathane”. Humbertus werd erg door de woorden van de prediker getroffen en was tot tranen toe ontroerd. Vertwijfeld vroeg hij: “Quid faciam, miser, ubi fugiam” ? De man raadde Humbertus aan om in St-Jacques bij de Predikheren in te treden. Hij besloot dit te doen.
Gerardus de Fracheto[3] schrijft hier natuurlijk enkel op een hagiografische wijze over het intreden van de latere magister generalis. We moeten het verhaal daarom best met een korrel zout nemen. Hij vertolkte duidelijk het standpunt van de dominicanen. Voor de orde was de studie in het begin van de dertiende eeuw maar belangrijk, indien ze gebruikt werd voor de verdere uitwerking van de missie. De studenten moesten in de eerste plaats opgeleid worden tot geleerde sprekers die in alle omstandigheden hun publiek moesten weten te boeien. De dominicaanse geleerden met een leerstoel aan de Parijse universiteit behielden die meestal niet langer dan vier of vijf jaar. Dit toont volgens Brett aan dat ze niet echt met het algemeen welzijn van dit instituut bekommerd waren. Dat dit grote wrevel opwekte bij de seculiere clerus hoeft dan ook niet te verbazen. Een goed prediker moet volgens Humbertus de volgende brede kennis bezitten: hij moet de heilige geschriften kennen, kennis hebben over de schepping, kennis van historische verhalen, de kerkelijke voorschriften en de kerkelijke mysteriën. Daarenboven moet hij ook een experimentele kennis bezitten. Volgens Brett vocht Humbertus dan ook met kracht tegen alle intellectuele tendensen binnen de orde. Door Tugwell wordt deze stelling echter met klem tegengesproken. Humbertus was wel degelijk geïnteresseerd in geleerdheid en had hier een grote bewondering voor. Het was immers hij die een ambitieus plan opvatte in het generale kapittel van 1259 waardoor de studie van de filosofie een prominente plaats kreeg binnen de orde.
Nadat Humbertus de beslissing had genomen om de rest van zijn leven als Dominicaan door te brengen, ging hij dadelijk naar zijn leermeester Hugo van Saint-Cher om hem in te lichten over zijn plannen. Hugo had ondertussen ook reeds besloten in te treden in St-Jacques. In de Chronica Ordinis staat enkel dat dit rond 1225 was op het feest van Sint Andreas (30 november). Aangezien Hugues de Saint-Cher na hem intrad op 22 februari 1225 kunnen we besluiten dat dit op 30 november 1224 was.
Nadat Humbertus de gemeenschap van St-Jacques had vervoegd, bleef hij nog een tijdje in Parijs voor zijn noviciaat. Volgens de Vitae Fratrum was hij ziekenverzorger samen met zijn medenovice Egidius Hyspanus. Nadien vinden we zijn spoor terug in Lyon, vlakbij zijn geboorteplaats, waar hij lector en prior werd in het plaatselijke klooster. Volgens Brett moet hij prior geworden zijn rond 1237 aangezien hij toen bezig was met een bouwproject. Over deze periode is weinig geweten, maar het klooster moet onder zijn deskundige leiding toch een grote voorbeeldfunctie hebben bereikt binnen de orde. Maar liefst drie belangrijke broeders hadden hun “roots” binnen de muren van het klooster van Lyon. Dit zijn Willem Peyraut (c.1199-1271), Stephanus de Bourbon (gestorven 1261) en Petrus de Tarentaise (c. 1224-1276). Zij waren allemaal belangrijke religieuze auteurs en de laatste werd bovendien de eerste dominicaanse paus als Innocentius V (21 jan-22 juni 1276).
Volgens Mortier heeft Humbertus tijdens zijn verblijf in Lyon een reis ondernomen naar het Heilige Land. Of dit een bedevaart was of een officiële missie weet men echter niet.
De beweringen van Mortier worden enkel gestaafd met een passage uit het Opusculum Tripartitum: “Vidi ego propriis oculis sanctam capellam , in qua se receperunt Saraceni qui ibant domino Frederico,& dicebatur pro certo, quod ibi jacebant de nocte cum mulieribus ante crucifixum & nefandissima commitebant.”[4] Dit wordt door Cramer tegengesproken, aangezien Humbertus dit in geen ander werk vermeldde. Hij gaf in zijn De praedicatione Sanctae crucis zelfs de raad aan zijn predikers om eigen ervaringen te verwerken in hun kruistochtpreken. Dat hij dit zelf niet doet in zijn voorbeeldsermoenen is veelbetekenend. Als Humbertus een lange en moeizame tocht had ondernomen naar het Midden Oosten zou hij deze ongetwijfeld diepe indrukken wel in andere werken verwerkt hebben. Hij zou meer vertellen over de volkeren en gebruiken die hij er ontmoet had.
Volgens Cramer is het waarschijnlijker dat hij de bovenvermelde scène in een kapel in Apulië (Zuid - Italië) zag. Wat eerder schreef Humbertus trouwens in hetzelfde werk: In Apulia etiam est adhuc magna multitudo apud Luceriam translata illuc de Sicillia per Imperatorem Fredericum.[5] We weten dat keizer Frederik ll moslimtroepen had in het zuiden van Italië. Deze eigenzinnige Duitse keizer was immers in een fel gevecht verwikkeld met paus Gregorius lX en zijn opvolger Innocentius lV. De keizer durfde het zelfs aan om de soevereiniteit over Rome zelf uit te roepen. Waarschijnlijk zal Humbertus meer dan hem lief was in contact gekomen zijn met de moslimtroepen van Frederik als Roomse Provinciaal en als Generale Overste. Dat hij in Apulië is geweest blijkt nog uit zijn tractaat expositio regulae. Hij geeft hier eerstehandsinformatie over de cultuur van de streek die hij enkel uit eigen ervaring kon hebben.
Ergens rond 1240 werd Humbertus gekozen als provinciaal van de orde in de provincie Rome. Over zijn activiteiten hier blijven de bronnen weer duister. Toch licht Thomas van Cantimpré een tipje van de sluier op. Hij schijnt er zich zo geliefd te hebben gemaakt dat hij getipt werd als een van de favorieten voor de opvolging van de overleden paus Gregorius lX. Of Humbertus hier zelf voor bedankte, of toch niet zo hoog op de lijst stond is niet duidelijk. Na de dood van Gregorius op 22 Augustus 1241 ontstond er een zeer verwarde situatie. De twaalf overgebleven kardinalen zaten in zak en as nadat twee onder hen zonder veel omhaal gevangen genomen waren door de keizer. Ze geraakten er moeilijk uit hoe ze moesten reageren tegen de recalcitrante Hohenstaufen. Het zal niet onwaarschijnlijk zijn geweest dat Humbertus zich niet in dit wespennest wou steken en de stoel van Petrus liever links liet liggen. De eerste paus die gekozen werd, was Celestinus lV. Deze reeds oude zwakke man stierf echter na 15 dagen zonder echt het Petrus - ambt te hebben uitgeoefend. De curie besliste dan een pauze in te lassen van 18 maanden om te onderhandelen met keizer Frederik ll. De twee kardinalen werden vrijgelaten waarna men Innocentius lV koos (25 juni 1243 - 7 december 1254).
Humbertus kreeg al vlug een andere kans om zijn talenten als leider en organisator ten toon te spreiden. In november 1244 volgde Humbertus zijn vroegere leermeester Hugo van Saint-Cher op als provinciaal in de provincie Frankrijk. Hugo was immers kardinaal geworden waardoor deze plaats vrij kwam.
Het is zeer waarschijnlijk dat Humbertus hier voor het eerst in contact kwam met de kruistochtprediking. De dominicanen hadden in 1245 op het eerste concilie van Lyon de opdracht gekregen om zich ten volle voor dit doel in te zetten. De provincie Frankrijk was door de steun van Lodewijk lX wel heel bijzonder betrokken bij deze onderneming. Of hij zelf gepredikt heeft, dan wel de leiding over de campagne heeft gevoerd blijft onduidelijk. Uit zijn drie predikingshandleidingen: “De eruditione praedicatorum”, “De praedicatione sanctae crucis contra Saracenos” en het “Liber de dono timoris” blijkt toch een grote praktische kennis als spreker voor een menigte.
Gedurende deze jaren (1244-1254) werd de relatie tussen de mendicanten en de seculiere clerus ook slechter aan de Parijse universiteit. Aangezien het Parijse klooster van St-Jacques onder zijn jurisdictie stond, moet Humbertus hier ook mee te maken gehad hebben. Het is ook heel goed mogelijk dat hij één van de drie broeders was die aangesteld waren door het Generale Kapittel in 1245 om de dominicanen te hervormen en één te maken. Voor dit doel heeft hij later immers nog zijn werk Instructiones de officiis ordinis geschreven als generale overste in 1257. Hij bleef Provinciaal van Frankrijk tot aan het Generale kapittel in Buda op 31 mei 1254.
§1.3 Humbertus van Romans als Magister Generalis
Het hoogtepunt in de carrière van Humbertus was uiteraard zijn aanstelling tot vijfde generale overste van de dominicanen orde. Als generale overste van een nog steeds uitdijende beweging had hij een zware last op zijn schouders genomen. Allerlei tegenkrachten binnen de Kerk probeerden immers een dam op te werpen tegen de macht en de invloed van de bedelorden. Aan de Parijse universiteit ontstond een gevaarlijk conflict met de seculiere clerus. Humbertus moest werkelijk al zijn diplomatieke gaven in de ring gooien om zijn tegenstanders te bevechten, en het voortbestaan van de dominicanen te vrijwaren. Een tweede vraagstuk dat zich opdrong was de zogenaamde “cura mulierum”. Wat moest er gedaan worden met de vrouwenbeweging die zich wilde associëren met de dominicanen? Humbertus slaagde er ook hier in een goed compromis uit te tekenen. Nu de orde goed gevestigd en verspreid was binnen heel het christelijke Westen, ontstond er een steeds grotere nood aan eenvormigheid en duidelijkheid van de dominicaanse regels. Onder het generalaat van de vijfde generale overste zal de constitutie van de orde een grondige wijziging ondergaan. We zullen in deze paragraaf al deze aspecten aan bod laten komen.
§1.3.1. Het mendicantenconflict: de predikheren onder vuur
Het Generale Kapittel van 1254 werd gehouden in Buda op uitnodiging van koning Bela IV van Hongarije (1225-1270). Humbertus werd er verkozen als opvolger van de pas overleden Johan Teutonicus. Tijdens het kapittel legde de jongste dochter van de koning, Margaretha (1245-1270), haar geloften af in de handen van de nieuw gekozen overste. Koning Bela wou een dominicaans vrouwenklooster stichten op zijn grondgebied, en had haar voorbestemd om hier in te treden. De nu zestig-jarige Humbertus was zich bewust van de zware taak die op hem wachtte. Na het kapittel van Buda schreef hij de volgende brief naar aanleiding van zijn ambtsaanvaarding:
“(...) En ik die, na veel wisselvalligheden en angsten temidden van mijn bezigheden, hoopte om rust en veiligheid te vinden, voel me omvergeblazen door een directe en gewelddadige wind in een woelige zee. Ik ben met verstomming geslagen en doordrongen van angst, wanneer ik de vele en verschrikkelijke gevaren overweeg waaraan ik onderworpen ga worden, na bijna ten onder te zijn gegaan aan mindere gevaren. Wanneer ik denk welke heilige geestelijken ik moet opvolgen, ik die zo onwaardig ben om hun plaats in te nemen; welke ijverige en moedige broeders ik moet leiden, arm en onwetend als ik ben; aan hoeveel blikken ik word blootgesteld, of eerder hoe ik een schouwspel zal zijn voor de gehele wereld. Heb medelijden met mij “
Men kan op zijn minst zeggen dat in deze brief met welliswaar een aantal bescheidenheidsformules een vertwijfelde oude man aan het woord is, die zich liever een rustige oude dag had gewenst. In de plaats daarvan kreeg hij echter de leiding over een internationale beweging, die zich in ernstige moeilijkheden bevond. Als een soort “martelaar” wil hij zich toch nog opofferen om het bijna zinkende schip te redden en naar een veilige haven te voeren. Welke moeilijkheden dit waren werd reeds in de inleiding opgesomd.
De grootste uitdaging waar Humbertus voor stond, was zijn orde doen voortbestaan ondanks de sterke dreiging vanwege de seculiere clerus. Er waren twee grote redenen waardoor de mendicanten orden bij deze groep niet goed aangeschreven stonden. Ten eerste kwamen ze op hun terrein, door, in tegenstelling tot de vroegere regulieren, zich ook bezig te houden met de “cura animarum” of de zielzorg. Hun predikingen trokken grotere groepen toehoorders aan, dan deze van de seculiere geestelijken. Hierdoor, en door zich ook in te laten met kerkelijke begrafenissen, roomden ze een belangrijk deel van de inkomsten van de parochiepriesters af. Hun goede structuur en snelle inzetbaarheid maakten hen ook meer en meer geliefd bij de Heilige Stoel. Ten tweede vormde het eerste doel van de orde, de prediking, ook een bron van wrevel voor de universiteiten. De dominicaanse magistri schenen zich niet in de eerste plaats bezig te houden met de goede werking van deze instellingen, maar wel met de verdere uitwerking van de orde. Het belangrijkste was de opleiding van ordeleden tot geleerde sprekers. Zoals eerder vermeld bezetten de meeste dominicaanse geleerden hun leerstoel niet langer dan vijf jaar. Daarna werden ze ergens anders benoemd en vervangen door minder ervaren collega’s.
Vele studenten werden gerecruteerd door de bedelorden via de universiteit. Beroemde voorbeelden zijn Roger Bacon voor de franciscanen, en Hugo van Saint-Cher en natuurlijk Humbertus van Romans voor de dominicanen. Brett gaat zelfs zo ver om te beweren dat veel van de meest gerenommeerde filosofen en theologen uit de dertiende eeuw afkomstig waren uit de twee bedelorden.
Het conflict kwam voor het eerst echt aan de oppervlakte op 27 maart 1229, toen er een staking uitbrak. Alle faculteiten deden hieraan mee, maar de dominicanen van het klooster van St. Jacques, samen met hun seculiere magister Johannes van St. Gillis, weigerden deel te nemen. Ze hielden hun lezingen net als voorheen. Een staking mocht volgens de statuten van de universiteit niet gehouden worden zonder de toestemming van alle faculteiten. De houding van de dominicanen gaf aan wat er zou kunnen gebeuren wanneer ze de hele de faculteit theologie zouden beheersen. Tijdens de onrusten hielden de predikheren hun deuren ook open voor andere studenten die liever hun opleiding wilden verder zetten dan deel te nemen aan stakingen.
Gedurende de staking verkreeg Roland van Cremona, die al meester in de artes was, ook nog een leerstoel in de theologie. Hij werd de eerste dominicaan die deze functie verkreeg. Johannes van St. Gillis trad bovendien toe tot de orde, zonder zijn leerstoel aan de theologische faculteit op te geven. De dominicanen bezaten daardoor, bij het einde van de staking in 1231, twee leerstoelen in de theologie. Toen de andere leermeesters en studenten terugkwamen zagen ze dus tot hun groot ongenoegen, dat de stakingsbrekers een stevige voet hadden gekregen binnen de universiteit.
In februari 1252 zien we de eerste poging van de universiteit, om de macht van de dominicanen te breken. Geen enkele religieuze orde mocht meer dan één stoel bezetten in de faculteit van theologie. Elke meester die dit weigerde kreeg geen toegang meer tot het magisterschap, en elke student die naar zijn lessen ging verloor zijn mogelijkheid op een diploma. De twee dominicaanse magistri negeerden deze regel omdat zij ze als onwettig beschouwden. De redenering hierachter vonden we een paar jaar later terug in een encyclicale brief van Humbertus in 1256. Hij meende dat enkel de Parijse Kerk het recht had om universitaire verordeningen te maken en niet de seculiere meesters zelf.
Nog het volgende jaar braken er weer hevige onrusten uit aan de Parijse Universiteit. De lokale politie had een opstandige student gedood en enkele van zijn vrienden geslagen en gevangen genomen. De universiteit meende dat een wereldlijke macht niet het recht had om op te treden op haar grondgebied. Net zoals in 1229 hielden de mendicantenprofessoren zich ook nu weer afzijdig van de stakingen. Nu wilden de seculiere meesters aan de onafhankelijke houding van de bedelmonniken definitief een einde stellen. Ze vaardigden een decreet uit waarin stond, dat niemand toegelaten werd tot het college van magistri als hij niet eerst een eed aflegde, waarin hij trouw zwoer aan de statuten van de universiteit. Diegenen die dit weigerden, en de studenten die nog naar deze colleges gingen, werden geschorst.
De dominicanen werden nu dus gedwongen zich te schikken naar de rest van het universitaire leven. Wanneer er besloten werd om tot een staking over te gaan, moesten ze voortaan meedoen ofwel van het universitaire toneel verdwijnen. Tegen het einde van 1253 hadden de franciscanen reeds gecapituleerd. Zij zwoeren de eed. De dominicanen stonden nu dus alleen tegenover de seculiere clerus. Toen Humbertus in 1254 werd verkozen, bevond zijn orde zich wel in een zeer lastig parket.
Willem van Saint-Amour was de eigenlijke aanvoerder van de seculieren en een hevige tegenstander van de dominicanen. Hij drong er bij paus Innocentius IV (1243 - 7 dec. 1254) op aan om sancties te nemen tegen de predikheren. De paus vaardigde hierop de bul “Etsi animarum” uit op 21 november 1254, waarin de privileges van de orde sterk beknot werden. Gelukkig voor de orde van Humbertus overleefde deze paus zijn bul niet al te lang. Hij werd opgevolgd door de meer mendicanten - gezinde paus, Alexander IV (12 dec. 1254 - 1261). Reeds tien dagen na zijn verkiezing vaardigde hij de bul Nec insolitum uit, waarin stond dat de besluiten van Innocentius IV tegen de mendicanten te haastig waren genomen. Hij besloot dat de uitvoering van Etsi animarum moest worden opgeschort tot nader orde.
De dominicaanse overste probeerde nu met alle macht om vrede te stichten met de seculiere clerus. Hij verklaarde zich bereid om toegevingen te doen. Humbertus zag er echter wel nauwgezet op toe dat hij zijn grootste tegenstanders, de seculiere magistri van Parijs, geen volledige concessies deed. Hij wou vooral de gewone bisschoppen en parochiepriesters voor zich winnen. In zijn encyclicale brief van 1255 somt Humbertus enkele van de punten van frustratie op die de seculiere clerus had tegenover de predikheren. Zijn ordebroeders moesten van Humbertus zoveel mogelijk tegemoet komen aan deze klachten. “Men klaagt erover dat de broeders op zon- en feestdagen de parochianen van andere parochies toelaten in de heilige mis, zodat ze daardoor niet naar hun eigen parochies komen.” Humbertus geeft dan als advies: “De broeders moeten in hun sermoenen en hun privé ontmoetingen de gelovigen leren, dat zij naar de parochiekerk moeten gaan op zon- en feestdagen, en er de gebruikelijke offerandes doen.” Humbertus wou niet alleen bij de parochiepriesters en de bisschoppen op een goed blaadje staan. Hij zocht ook toenadering tot zijn medebroeders in de strijd: de franciscanen. Wat verder schreef hij in dezelfde brief bijvoorbeeld: Item, si interdicunt episcopi, ne tota illa die fratres non predicent, acquiescant eis. Si vero in hiis casibus vellent concedere episcopi, quod fratres praedicatores predicarent et non minores, non utantur fratres istis licenciis, nisi communiter concederetur utrisque, ne ex hoc aliqua turbacio nascatur inter fratres minores et nostros”[6]
In deze brief wordt met geen woord gerept over het conflict van Parijs. De seculiere magistri van Parijs waren nochtans de hardnekkigste tegenstanders van de mendicanten in het algemeen en de dominicanen in het bijzonder. Men kan hier duidelijk zien dat Humbertus als een slimme strateeg zoveel mogelijk bondgenoten wou maken om sterker te staan bij de Heilige Stoel.
Humbertus’ ijver om zijn goede wil en zijn bereidheid tot verzoening te tonen, viel wel in goede aarde bij paus Alexander IV, want op 14 April 1255 vaardigde hij de bul “Quasi lignum vitae” uit, die gunstig was voor de Predikheren. In deze bul gaf de paus de mendicanten-magistri en studenten alle rechten en privileges terug die ze kwijtgespeeld waren. De dominicanen kregen het recht om hun twee leerstoelen in de theologie faculteit te behouden. Aan de andere kant moesten ze het stakingsrecht ook eerbiedigen.
Het gevolg van deze bul laat zich raden. De seculiere magistri in Parijs weigerden te gehoorzamen en ze zetten het Parijse gepeupel en de studenten zelfs aan, om fysiek geweld te gebruiken tegen de bedelorden. Humbertus beschrijft in een brief aan het klooster van Orléans wat de broeders nu zoal te verduren kregen. Het leven werd voor hen echt “een hel op aarde”. Wanneer ze zich buiten de muren van het klooster van St-Jacques waagden, dan werden ze bestookt met godslasterlijke woorden, geslagen en bekogeld met steentjes of stukken hout. Er werden zelfs pijlen afgeschoten op de kloosterpoort en de broeders voelden zich genoodzaakt om een gewapende wacht bij de ingang te laten postvatten. Het gevaar was niet denkbeeldig dat deze toestand zich in heel Frankrijk zou kunnen verspreiden, waarbij de hele bevolking zich zou keren tegen de predikheren.
Gelukkig voor de dominicanen werd Willem van Saint-Amour zo onvoorzichtig om in maart 1256 zijn werk “De periculis novissimorum temporum” te schrijven. Willem scheen er de teugels bij te verliezen en viel de dominicanen hard aan, maar ook de paus werd op een indirecte wijze geviseerd. In dit apocalyptisch schrift suggereerde hij zelfs dat de broeders de voorbode van de antichrist waren. Met dit document achter de hand had Humbertus bij de paus een goede troef om uit te spelen als dit nodig mocht blijken.
Ondertussen probeerden de bisschoppen Filip van Bourges (1236-1261), Hendrik van Sens (1255-1257), Thomas van Reims (1251-1263) en Odo van Rouen (1248-1275) als bemiddelaars op te treden in het conflict. Terwijl Willem van Saint-Amour druk bezig was met zijn schrijfwerk kwamen de overige Parijse seculieren en de moegetergde dominicanen tot een compromis. De predikheren mochten hun twee leerstoelen in de theologie - faculteit behouden maar dat was dan ook alles. Er mochten geen andere leerstoelen meer bijkomen. De dominicaanse meesters en studenten werd de mogelijkheid gegeven verder lessen te organiseren, maar dan niet als leden van de universiteit. Zij konden enkel beschouwd worden als deel van deze instelling wanneer de seculiere magistri hier toestemming voor gaven.
Als gevolg van de min of meer duurzame vrede die nu tot stand gekomen was, konden de dominicanen hun generaal kapittel op 16 April van dat jaar probleemloos houden in Parijs. Verschillende prominenten werden uitgenodigd met als hoogste gast koning Lodewijk IX van Frankrijk. Terwijl de broeders in kapittel bijeen waren, hield Willem van Saint-Amour een sermoen in Parijs waarin hij koning Lodewijk IX bekritiseerde. Hij verklaarde dat de koning zich beter in rijke kledingstukken zou moeten vertonen, die passender waren.De oude vodden waarin hij rondliep werd als een aanfluiting van zijn waardigheid bestempeld. Natuurlijk kon Lodewijk deze publieke belediging niet zomaar negeren. Hij reageerde prompt door de geschriften van Willem van Saint-Amour naar Rome te sturen om na te gaan of ze geen ketterijen. De paus stelde dadelijk een commissie samen te Anagni om de zaak te onderzoeken.
Ondertussen had Alexander IV ook gehoord van het compromis dat gesloten was tussen de seculiere magistri van Parijs en de dominicanen. Hij was er allesbehalve tevreden mee, omdat hij zich geschaad voelde in zijn pauselijke autoriteit. Het compromis werd door de paus geannuleerd. De seculiere geestelijken moesten zich tevreden stellen met zijn besluit van de bul “Quasi lignum vitae”.
Als gevolg van de pauselijke weigering om het compromis van Parijs te aanvaarden, braken er in de stad weer hevige onrusten uit tegen de dominicanen. Gedurende de zomer van 1256 maakten beide partijen zich klaar om hun zaak te gaan verdedigen in Anagni voor de commissie. Voor de seculiere clerus waren dat Willem van Saint-Amour; Odo van Douais, een theoloog; Nicolaas van Baro, magister in rechten en theologie; Johannes van Sectavilla, de rector en Johannes Belin, magister in filosofie en de artes. De commissie oordeelde dat Willems tractaat ketterse standpunten bevatte. Het werd veroordeeld door paus Alexander IV op vijf oktober 1256 in zijn bul Romanus Pontifex. De paus wou hiermee een einde stellen aan “het eeuwige geroddel” dat de seculiere geestelijken van Parijs rondstrooiden.
De delegatie die Willem van Saint-amour vergezelde gaf al vlug toe. Ze beloofden om de bul Quasi lignum vitae voortaan na te leven. Willem zelf echter weigerde koppig elke toenadering tot de paus of de mendicanten. Hij werd enkele maanden vastgezet in Anagni waarna hij door Alexander IV en Lodewijk IX uit Parijs verbannen werd. Zijn rol was nu definitief uitgespeeld en hij verdween al vlug van het toneel.
In Parijs beloofden de meeste seculiere magistri om voortaan de bul na te leven. De mendicanten hadden de crisis goed doorstaan en het voortbestaan van de orde was niet langer meer in gevaar. In 1258 kon Humbertus dan ook gerust ademhalen, en met een zekere fierheid aan zijn broeders de volgende encyclicale brief schrijven: “Zie, broeders, hoe tijdens de vele erge vervolgingen die wij ondergaan hebben in dienst van Christus, wij steeds steun ontvingen van zachte helers die ons in onze zwakheid hebben gesteund. Die steun is ons grotendeels betuigd door onze zeer eerbiedwaardige Paus, het college van kardinalen, de illustere en zeer christelijke koning Lodewijk en ontelbare vrienden. (...) Zie, hoe de Heer die ons een ogenblik verlaten scheen te hebben, het onweer onmiddellijk bedwongen heeft (...) Wij hebben geleerd, samen met de broeders aanwezig op het kapittel dat de vrede volmaakt is.”
§1.3.2 Een oplossing voor de dominicanessen
Humbertus heeft zich tijdens zijn generalaat natuurlijk niet alleen beziggehouden met het conflict in Parijs. De goede werking van de orde moest intussen ook nog gewaarborgd blijven. Een van de kwesties waarmee de generale overste nog geconfronteerd werd, was het al of niet aanvaarden van een vrouwelijke tak binnen de dominicanen.
In de dertiende eeuw ontstonden er allerlei religieuze vrouwenbewegingen. De vrouw had binnen de Kerk in de voorafgaande eeuwen slechts een marginale rol gespeeld. Er bestonden natuurlijk wel vrouwenkloosters maar die waren wel erg dun gezaaid en dan nog grotendeels voorbehouden voor een kleine elite. Door oorlogen was er een relatief overschot aan vrouwen, die in een religieus leven een goed alternatief zagen voor een huwelijk. Allerlei religieuze vrouwen werden ook aangetrokken door het ideaal van de apostolische armoede en de spiritualiteit. Men trok naar begijnhoven maar er ontstonden ook al vlug associaties met bestaande orden zoals de cisterciënzers en later de franciscanen en de dominicanen.
Dominicus de Guzman institutionaliseerde in zijn orde persoonlijk de Cura mulierum. Later ontstond er hier binnen de beweging verzet tegen, omdat men het geen gepaste taak vond voor de dominicanen. De vier vrouwenkloosters die geassocieerd waren met de predikheren argumenteerden dat ze gesticht waren door Dominicus zelf, en dus het recht van de cura konden blijven opeisen. De onzekerheid wat er in deze zaak moest gedaan worden bleef nog duren tot de aanstelling van Humbertus in 1254. De meningen waren verdeeld en liepen van een volledige afwijzing tot soms overhaaste beslissingen om een vrouwenklooster toch op te nemen binnen de orde.
Humbertus was zeker geen voorvechter van meer vrouwenrechten zoals zijn goede vriend Hugo van Saint-Cher. Hij deelde grotendeels de mannelijke vooroordelen van zijn tijd ten opzichte van vrouwen. Zo schreef hij in zijn De eruditione praedicationis” over de persoon van de predikant: “ Hij moet van het mannelijk geslacht zijn. Ik laat een vrouw niet toe om lering te geven. Er zijn hiervoor vier redenen: Ten eerste, gebrek aan verstand, want een man heeft waarschijnlijk meer verstand dan een vrouw. Ten tweede, de inferieure positie van de vrouw; een prediker bezit een superieure status. Ten derde, als een vrouw zou prediken, zou haar verschijning lustgevoelens opwekken. En ten vierde, als een herinnering aan de eerste vrouw, van wie St. Bernardus zegt, Zij gaf één maal les en stortte de gehele wereld in het verderf.”
Humbertus zag de vrouw dus als een dom afhankelijk wezen, dat met haar uiterlijk de kuisheid van de man in gevaar zou kunnen brengen. Toch pleit hij in hetzelfde boek ook om te werken aan de redding van mannen en vrouwen. Zo schreef hij verschillende voorbeeldsermoenen om te gebruiken bij de prediking aan lekenvrouwen en aan de diverse vrouwenorden.
Bijvoorbeeld: “Merk op dat de Heer aan de vrouw vele voordelen heeft gegeven, niet alleen over andere levende wezens maar zelfs ook over mannen. In de tijd dat de natuur werd gemaakt werd de man gemaakt in deze vuile wereld, maar de vrouw werd gemaakt in het paradijs. De man werd gemaakt met het slijk van de aarde, hetgeen een smerige substantie is, maar de vrouw werd gemaakt uit de rib van de man. En zij werd niet gemaakt van een laag gelegen deel van het lichaam, zoals de voet, hetgeen gesuggereerd zou hebben dat de man haar enkel zou moeten beschouwen als zijn bediende; zij werd gemaakt uit het midden van zijn lichaam, namelijk uit een rib van zijn zijde, zodat hij haar als zijn metgezel heeft. Zodus heeft de vrouw drie privileges: ten eerste, de plaats waar zij geschapen is, ten tweede, het materiaal waaruit zij gemaakt is, en ten derde, het bepaald deel van het mannelijk lichaam waaruit zij gemaakt is”
Humbertus was dus een voorstander van de cura mulierum, en in hetzelfde werk legt hij ook uit waarom. St. Dominicus had het vrouwenklooster in Prouille gesticht tijdens de Albigenzenkruistocht. De bedoeling was om er de dochters van de edellieden in onder te brengen zodat ze beschermd waren tegen de ketters. De broeders hadden nu nog de plicht om zorg te dragen voor deze zusters, volgens Humbertus. Al van bij zijn aanstelling op het generale kapittel van Buda toonde hij zijn voorkeur voor de dominicaanse tweede orde toen hij prinses Margaretha haar gelofte als dominicanes liet afleggen bij hem. Alhoewel Humbertus de vrouw dus inferieur vond aan de man was het toch zijn taak om haar te beschermen. Daardoor moesten de broeders dus de “cura” op zich nemen, welke de risico’s eraan ook verbonden waren.
In het generaal kapittel van Milaan 1255 hakte Humbertus dan de knoop door. Als een klooster of een andere gemeenschap van vrouwen zich wilden affiliëren met de orde moesten ze hiertoe een aanvraag indienen bij het generale kapittel. Als drie daarop volgende kapittels hiervoor dan de toestemming gaven, maakte de vrouwelijke gemeenschap officieel deel uit van de orde van de predikheren onder de leiding van de broeders. Humbertus koos ook hier weer voor een compromis. Hij kwam tegemoet aan de noodzaak van de cura mulierum die opgelegd was door de stichter. Tegelijk werd ook niet te haastig besloten om een klooster binnen de orde op te nemen. In de drie jaar tussen de aanvraag en de definitieve beslissing kon men immers nog een grondig onderzoek instellen. Er was dus nog ruimte voor een weigering.
Helaas voor Humbertus was de zaak hiermee niet ten einde. In plaats van zich neer te leggen bij de beslissing van de generale overste gingen sommige strijdlustige zusters in verzet. Amicia de Montfort, dochter van Simon de Montfort en priorin van het klooster van Montargis, diende een verzoekschrift in bij paus Alexander IV. Zij verkreeg dat Montargis terug bij de dominicanen moest aansluiten door een pauselijke bul van 23 januari 1257. Ook Hugo van Saint-Cher ging op vraag van Agnes van Bologna pleiten bij het generale kapittel. Hij wou dat alle kloosters die voordien reeds geaffilieerd waren met de dominicanen dit nu automatisch terug werden.
Op het generale kapittel van 1257 in Florence stond de kwestie natuurlijk terug op de agenda. Het kapittel droeg aan alle provinciale oversten op om de exacte staat op te maken van de vrouwenkloosters in hun provincie: hun hoeveelheid, het aantal zusters per klooster, hun inkomsten en uitgaven, en vooral op basis van welke autoriteit deze kloosters aan de jurisdictie van de dominicanen onderworpen waren. De census van de kloosters was klaar in 1259 op het generale kapittel van Valence. Dit besliste als volgt: Alle kloosters die hun titel hadden van een generale overste, een generaal kapittel of een paus mochten onder de jurisdictie van de orde vallen.
Humbertus had zich intussen ook beziggehouden met het ontwerpen van een uniforme regel voor de vrouwenkloosters. Dit was noodzakelijk aangezien de verschillende religieuze huizen er allemaal een andere wetgeving op nahielden. Deze wetgeving, de codex Rutenensis”, werd voorgesteld op het generale kapittel van 1259. In zijn encyclicale brief van 1259 maakte hij de codex algemeen bekend en legde hij hem op aan alle zusters. “Jullie weten dat wij om eenheid te maken in jullie kloosters, zoals ze bestaat in de eenheid van de regel en in de eenheid van eenzelfde beroep, in een enkele tekst de verschillende constituties van de zusters hebben opgetekend, niet in onze eigen autoriteit, maar door de autoriteit van de Heilige Stoel. Wij brengen jullie deze geschriften via de provinciaals, en dragen jullie op om er uw leven naar te conformeren. De zusters die weigeren om er zich aan te onderwerpen, worden niet langer beschouwd als deel zijnde van de orde van de Predikheren.” Door de regel werd er orde en stabiliteit gebracht in de relatie tussen de dominicaanse zusters en broeders.
§1.3.3 De hervormingen van de orde
Tegen 1254, toen Humbertus als generale overste werd verkozen, was de orde enorm gegroeid in aantal. Dit ging echter niet gepaard met een overeenkomstige ontwikkeling van haar structuren en instituties. De dominicanen hadden zich in alle vrijheid kunnen ontwikkelen volgens de noden van het land of de streek waar ze zich vestigden. Het resultaat was echter nogal chaotisch. Er bestond zo een grote diversiteit onder de broeders dat het volk zich niet altijd realiseerde dat al deze mannen eigenlijk tot dezelfde orde behoorden. Een bijkomend probleem was het eerder onzorgvuldige recruteringsbeleid dat sommige huizen volgden. Ze hadden de orde gevolkt met hetgeen verschillende kapittels beleefd “nutteloze personen” noemden. Toch was de sociale achtergrond van de dominicanen meestal beter dan deze van de franciscanen. Het sociaal profiel van de dominicanen in Florence (1293-1310) bijvoorbeeld, vertoont in vergelijking met de minderbroeders meer leden van de hogere klassen. Bovendien is de groep van de zogenaamde “nieuwe rijken” ook meer vertegenwoordigd bij deze orde. Eenzelfde tendens stelt men ook elders vast in Europa in de dertiende eeuw
Door hun werk moesten veel broeders geregeld reizen van de ene plaats naar de andere. Het was voor hen onmogelijk om de liturgische gebruiken van elke streek te kennen. Humbertus stond dan ook voor de uitdaging om een uniforme dominicaanse liturgie te ontwikkelen en deze vervolgens op een efficiënte manier over de hele orde te verspreiden.
In 1244 vroeg de toenmalige generale overste Johan Teutonicus reeds aan vier wijzen van zijn orde om een voorstel tot hervorming in te dienen. Of Humbertus bij deze vier behoorde is onzeker. Volgens Tugwell maakte hij zeker geen deel uit van de commissie, vermits dit niet uit de acta van het generale kapittel blijkt. Als provinciaal van Frankrijk heeft Humbertus wel de opdracht om een standaard dominicaanse bijbel te verwezenlijken. Het werd een boek dat stukken van de bijbel en het leven van de heiligen en de kerkvaders bevatte.
De besluiten van de vier broeders vielen niet bij iedereen in goede aarde. Het kapittel van 1250 beval dat de vier opnieuw moesten samenkomen in Metz, waar het volgende generale kapittel zou plaatsvinden. De hervormingen van de dominicaanse liturgie zouden echter niet meer plaatsvinden voor 1254 omwille van het overlijden van Johan Teutonicus op vijf november 1253. Humbertus kreeg nu deze taak toen hij in het volgende jaar op het kapittel van Buda verkozen werd In 1256 werd dan uiteindelijk de definitieve versie van de officiële liturgie goedgekeurd op het kapittel van Parijs. In de encyclicale brief na deze vergadering schreef Humbertus het volgende:
“Zoals jullie reeds weten zijn de verscheidene teksten van het kerkelijk officie, die het onderwerp van grote bezorgdheid waren van vele kapittels, nu bij de gratie van God tot eenvormigheid gebracht. Ik vraag dat jullie het officie aanpassen volgens het (toegezonden) exemplaar, zodat uniformiteit, zolang verlangd door de orde, overal bereikt mag worden.
Jullie moeten weten dat de wensen van de broeders over het officie zo uiteenlopend waren, dat het onmogelijk was een liturgie uit te werken die de wensen van alle vragers zou bevredigen. Daarom moet dit werk met geduld worden ontvangen door jullie, zelfs als jullie het iets vinden dat niet in overeenstemming is met uw inzichten. Ten einde te weten of u het hele officie bezit, weet dat het is opgemaakt in al zijn delen in veertien boeken (volumen), namelijk: ordinarium (gewone misgebeden), antiphonarium (boek met antiphonen119 of oktaafzangen), lectionarium (verzameling van lessen120), psalterium (psalmen), collectarium (boek met gebeden) , martyrologium (martelarenboek), libellum processionale (processieboek), graduale (trapgezang121 , missale maioris alteris (missaal voor het hoofdaltaar), evangeliarium (evangelies), epistolarium (epistels of brieven), missale pro minoribus altaribus (missaal voor het klein altaar), pulpitorium (boek met preken), en tenslotte het breviarium portabile (draagbaar brevier).
Nu de veertien boeken geschreven waren moesten ze ook nog verspreid en opgelegd worden aan de orde. Uit de brief van Humbertus konden we al opmaken dat dit geen gemakkelijke taak was, vermits er een duidelijke weerstand van sommige dominicanen bestond tegen de nieuwe regel. Hij kon dit geheel natuurlijk opleggen omdat hij daartoe als generale overste de macht had. De vier wijzen die in 1250 een eerste poging hadden gedaan tot hervorming waren op dit punt veel minder sterk. De verspreiding van het werk over het hele christelijke Westen werd gedaan via het klooster van St-Jacques in Parijs. Voor de huizen die de gekopieerde versie niet in Parijs konden ophalen, bedacht Humbertus een ander plan. Hij liet een speciale verkorte versie maken in licht perkament waar het breviarium en het missale pro minoribus altaribus, niet in opgenomen werden. Toen hij dan op een van zijn vele reizen door een provincie trok kon hij ze aan de kloosters afgeven. Zo vond de versie van Humbertus dan geleidelijk ingang in het dominicaanse liturgische leven, en werd ze er algemeen gebruikt.
Buiten deze belangrijke hervormingen zorgde de vijfde generale overste ook voor een systematische verzameling van historisch en hagiografisch materiaal over de orde en haar twee heiligen, Dominicus en Petrus Martyr. In het kapittel van 1256 werd hiertoe volgens de Cronica ordinis de opdracht gegeven aan Gerardus de Fracheto om zijn Vitae Fratrum ordinis Praedicatorum te schrijven.
De loopbaan van Humbertus als generale overste zou nog duren nog tot 1263, toen hij plotseling zijn ontslag aanvroeg op de generale kapittel van Londen.
§ 1.4 Humbertus van Romans na zijn generalaat
In zijn functie als generale overste van de orde schreef Humbertus, naast zijn encyclicale brieven, nog een paar werken. Dit waren de Instructiones de officiis ordinis (na 1257), de Epistola de tribus votis (rond 1255), en zijn Expositio super constitiones fratrum (tussen 1260-1263). Al deze geschriften handelen over de goede werking van de orde en bleven ook invloedrijk na Humbertus’ dood. Het zal echter vooral na zijn terugtreden zijn in 1263 dat hij zijn tractaten over de kruistochten samenstelt. Toen kreeg hij immers de tijd om zich ook bezig te houden met andere problemen, dan enkel de juridische hervormingen van zijn orde.
Tijdens het generale kapittel van Londen in 1263 vroeg Humbertus dus plotseling zijn ontslag aan. De acta wijden aan dit voorval slechts een regel: “Admittus cessionem magistri ordinis quam humiliter a nobis peciit ipsum ab officio magistratus absolventes.” Een echte reden voor Humbertus’ vertrek wordt hier niet gegeven. Galvanus della Fiamma[7] echter werpt wel een heel ander licht op het plotselinge vertrek van Humbertus in zijn cronica Ordinis. We laten hem even aan het woord: “In het jaar 1363, onder meester Humbertus, werd op 20 mei het drieënveertigste generale kapittel gehouden in Londen, alwaar deze meester Humbertus werd afgezet als overste van de orde, omdat hij een te losbandig leven leidde. Hij was zeer kieskeurig inzake voeding en kleding, en de kloosters hadden genoeg van zijn praalzucht en van zijn weelde. Zoals ook Bartholomeus van Tours, meester licentiaat, getuigde.”
Deze wel zeer zware beschuldigingen kan men echter beter niet al te ernstig nemen omwille van de volgende redenen. Ten eerste werd de kroniek van Galvanus niet met al te veel kristische zin geschreven en werden zijn beweringen in geen enkele contemporaine bron herhaald. Ten tweede hebben we al vermeld dat het juist Humbertus was die de eenvoud en soberheid binnen zijn orde probeerde te handhaven door middel van talrijke voorschriften. Het was pas na hem dat er grote praalzuchtige gotische kathedralen werden opgericht om het groeiende aantal gelovigen op te vangen. Tenslotte werd Humbertus ook na zijn terugtreding nog erg gewaardeerd binnen de orde. Hij werd door paus Gregorius X (1271-1276) in 1273 zelfs verzocht om zijn Opusculum Tripartitum te schrijven, als voorbereiding op het tweede concilie van Lyon in 1274. Indien hij oneervol ontslagen was geweest als generale overste, dan zou hij zeker op een zijspoor zijn gezet en had men hem deze opdracht nooit toevertrouwd.
Gerardus de Fracheto schreef in zijn Chronica Ordinis: “Meester Humbertus leidde de orde gedurende negen jaar. Na vele werken trad hij af in Londen op het generale kapittel in 1263, terwijl hij nederig smeekte en verkreeg dat zijn aftreden werd goedgekeurd.” Volgens dit eigentijdse getuigenis was hij dus niet ontslagen, maar had hij de toestemming van het kapittel gevraagd om af te mogen treden. In 1263 was de generale overste van de dominicanen reeds 69 jaar oud en volgens het getuigenis van dezelfde Gerardus was zijn gezondheid niet al te best: “Hij was een man die vele beproevingen heeft moeten doorstaan en diverse ziekten.” Ook in een brief van 1259 aan de dominicaanse zusters schreef Humbertus dat hij bijna zelf gestorven was tijdens het kapittel in Valencia van hetzelfde jaar.
Het leven van een generale overste van de dominicanen was in de dertiende eeuw verre van gemakkelijk. De generale kapittels werden gehouden over heel het grondgebied waar de groeiende orde zich ondertussen gevestigd had. De generale overste, Humbertus, moest er zich elk jaar naar toe begeven en de hoge vergadering ook voorzitten. In de negen jaar dat Humbertus aan het roer stond van deze internationale beweging werden de generale kapittels achtereenvolgens gehouden in Buda 1254, Milaan 1255, Parijs 1256, Firenze 1257, Tholosa 1258, Valencia 1259, Aragon 1260, Barcelona 1261, Bonn 1262 en tenslotte in Londen in 1263. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de oude en zieke Humbertus in Londen zijn medebroeders “nederig smeekte” om van deze last ontheven te worden.
Humbertus trok zich na het kapittel terug in het klooster van Lyon, dichtbij zijn geboorteplaats. Hier ontplooide hij gedurende veertien jaar zijn literaire activiteiten. In deze periode schreef hij nog zes werken voor de orde die hij kort daarvoor geleid had. Een werk over het leven van de heilige Augustinus was zijn “Expositio Regulae beati Augustini.” Het werd waarschijnlijk opgesteld na 1263, want hij spreekt er al over zijn opvolger. Ook werd het geschreven voor 1270, aangezien hij Lodewijk lX nog gebruikt als een levende persoon. Zijn “De praedicatione sanctae crucis contra Saracenos” moest dan weer als een soort handleiding dienen voor de kruistochtprediking- en werving. Het werd zeker na 24 april 1266 samengesteld, aangezien hij het heeft over de inname van het fort van Saphed door de Saracenen, waar 2000 christenen het leven lieten. Hij vermeldt ook de val van Antiochië in 1268 en de dood van Lodewijk lX niet, wat dus betekent dat het voor deze data moet geschreven zijn. In 1951 werd er door R. Creytens nog een werk aan de vroegere generale overste van de dominicanen toegeschreven. Het betrof hier zijn “Questiones circa statuta ordinis preadicatorum”.
Eveneens van zijn hand is “De dono timores” . Het lijkt volgens Lecoy de la Marche een afkorting van het Tractatus de septem donis Spiritus Sancti van Stefanus van Bourbon. Dit wordt echter tegengesproken door Brett en Welter. Het is wel sterk gebaseerd op het boek van Stefanus maar hij verandert ook de eigennamen en soms maakt hij de exempla dramatischer om ze aantrekkelijker voor de lezers en toehoorders te maken. Het is dus meer een overname waar hij dan persoonlijke accenten in gelegd heeft.
Zoals reeds hoger vermeld, heeft Humbertus op vraag van paus Gregorius X (1271-1276) voor het tweede concilie van Lyon een tractaat geschreven onder de titel: “Opusculum Tripartitum”. Het“Liber de eruditione praedicatorum” tenslotte is waarschijnlijk het laatste werk van Humbertus. Hij vermeldt er drie eerdere werken in: De praedicatione sanctae crucis contra Saracenos,” “De dono timoris”, en “Instructiones de officiis ordinis”. Het is samengesteld uit twee boeken: het eerste, dat bestaat uit 45 hoofdstukken, gaat over de persoon van de predikant. Humbertus somt er op welke kwaliteiten een goede spreker moet bezitten, om een keurig sermoen te brengen voor de toehoorders. Het tweede boek werd uitgebracht onder de naam De modo prompte cudendi sermones, en is opgemaakt uit honderd voorbeeldsermoenen voor alle klassen van luisteraars en voor verschillende soorten gelegenheden. We treffen hierin ook enkele kruistochtsermoenen aan.
Op 14 juli 1277 stierf Humbertus, veertien jaar na zijn aftreden als generale overste van de dominicanen. Zijn lichaam werd overgebracht en begraven in het klooster van Valencia. Zijn naam werd het volgende jaar ingeschreven in het martyrologium van de orde. Hij wordt nu nog altijd gevierd als “zalige” binnen de orde, maar hij werd door de Kerk nooit officieel zalig verklaard.
Hoofdstuk 2. De visie van het Westen op de islam
Na het uitvoerig hoofdstuk over het leven van Humbertus van Romans zullen we nu de visie van het Westen op de islam in de Middeleeuwen bekijken. Deze visie was zeker niet eenduidig en zal in de loop van de tijd ook enkele wijzigingen ondergaan. De kruistochten waren een echte botsing tussen twee monotheïstische godsdiensten en culturen. Langs beide kanten heeft deze confrontatie diepe sporen nagelaten, en er werden dan ook verschillende theorieën ontwikkeld binnen de intellectuele milieus van de Middeleeuwen. Humbertus kon natuurlijk niet achter blijven, als generale overste van een internationale orde zoals de dominicanen. Deze predikheren kwamen zowel direct (missionering) als indirect (kruistochtprediking) met de islam in aanraking. Humbertus schreef er dan ook drie belangrijke werken over, die in het derde hoofdstuk aan bod zullen komen.
De islamcultuur werd in Europa beschouwd als een buitenlandse vijand, die men het beste met de wapens bestreed. De kruistochten hebben echter niet het verhoopte succes opgeleverd. Er moest nu een manier gevonden worden om de islam op het geestelijke vlak te overwinnen. Zo kwam er een Latijnse parafrase (want het is geen echte vertaling) van de Koran in 1143 tot stand op last van Petrus Venerabilis, abt van Cluny. Ook de dominicanen en de franciscanen voelden een behoefte voor een missionering naar het Oosten en richtten vertaalscholen op in Tunis en op het Iberische schiereiland.148 In dit hoofdstuk onderzoeken we de relatie van het Westen met de Arabische wereld van de zesde eeuw tot de dertiende eeuw. Deze periode van zes eeuwen kan men grofweg indelen in drie fasen. De eerste fase betreft de periode vanaf de zesde eeuw tot aan de eerste kruistocht, waar de kennis van de nieuwe opkomende godsdienst vrij summier is. Hier komt verandering in rond 1100 en dan volgt de tweede fase. Iedereen in het christelijke Westen kwam er nu al dan niet persoonlijk mee in contact. Het beeld van de islam en Mohammed was echter eerder oppervlakkig en karikaturaal. De derde fase tenslotte werd ingeluid toen enkele geleerden op het einde van de 12e eeuw en de 13e eeuw een meer rationele kijk op het Oosten begonnen te krijgen. Voor het eerst werd er nu een echte studie van deze cultuur ondernomen. Ook de kruistochten bleven in de dertiende eeuw doorgaan maar verloren meer en meer hun oorspronkelijke godsdienstige betekenis. Na de desastreuze kruistocht van Lodewijk lX in 1270 zou er geen nieuwe militia sancti Petri meer op gang kunnen gebracht worden ondanks de verwoede pogingen van paus Gregorius X en Humbertus van Romans.
§2.1 De periode voor de kruistochten 650-1100
Na de dood van de profeet in 632 veroverden zijn volgelingen grote gebieden van West-Azië en Noord-Afrika. In minder dan een eeuw strekte het islamitische rijk zich uit vanaf de Pyreneeën tot de Indus en zelfs nog verder tot de grenzen van het Chinese rijk. In het veroverde gebied werden de christenen niet echt verplicht om zich te bekeren tot de ideologie van Mohammed en de Koran. Ze kregen het statuut van “Dhimmi” ( = beschermden). In ruil voor een vergoeding konden de autochtone monotheïstische bevolkingsgroepen hun godsdienst onder strenge voorwaarden verder beleven, voor zover de islamitische gevoeligheden niet al te zeer op de proef werden gesteld. In praktijk ging het hier om joden, Samaritanen, christenen en, in uitgebreide zin, aanhangers van de Perzische godsdiensten, vooral zoroastriërs. Vooral het Oost-Romeinse rijk zag met lede ogen aan hoe zijn grondgebied steeds verder slonk ten voordele van het Umayyadische en later Abbasiedische moslimimperium. In het Westen bleef men ondertussen vrij onwetend over de “ongelovigen” die zich aan de grenzen van het Frankische rijk hadden genesteld.
Er was niet zo iets als één Westerse houding ten opzichte van de islam in de vroege Middeleeuwen. Volgens een studie van J.C. Waltz kunnen we de verschillende standpunten als volgt categoriseren:
1) Onverschilligheid: Een gebrek aan enige betrokkenheid, waarschijnlijk de houding van de grote ongeïnformeerde massa.
2) Coëxistentie: Handelaars en andere ambitieuze individuen hielden soms vriendschappelijke relaties aan omdat dit voor hen voordelig was.
3) Politieke vijandigheid: Oppositie tegen de moslims als één vijand onder onder vele vijanden (dus geen specifieke vijandschap).
4) Militaire vijandschap: Verzet tegen de moslims als plunderaars of verwoesters.
5) Academische vijandschap: Verzet tegen de moslims gebaseerd op de autoriteiten, inclusief bijbelse en pre-islamitische bronnen.
6) Religieuze vijandschap: Verzet tegen de moslims als personen die gekend zijn als verschillend van christenen.
Natuurlijk waren er ook overlappingen. Een individu kon passen in verschillende van deze categorieën. De overheersende mening van de Westerse christenen veranderde ook doorheen de vier eeuwen vanaf de Hijra[8] tot aan de eerste kruistochten. In een eerste fase domineerde de onverschilligheid (622-710), waarna vooral politieke vijandschap op de voorgrond trad (710-1000). Vanaf de periode van de eerste kruistochten en vlak daarvoor was religieuze vijandigheid de belangrijkste gedachte.
De grote massa en ook de geleerden beschikten slechts over weinig informatie betreffende de moslims. In academische milieus werd er dan maar naar de Bijbel teruggegrepen zoals zo dikwijls in de Middeleeuwen. We kunnen hier als voorbeeld Beda Venerabilis nemen. Volgens deze auteur waren de Saracenen afstammelingen van Hagar, de tweede vrouw van Abraham. De christenen op hun beurt waren dan de afstammelingen van Sarah, de andere vrouw van Abraham. Er waren verschillende redenen waarom de zonen van Ishmaël de Saracenen moesten zijn. Ishmaël werd in de woestijn gedreven en dit was ook de plaats waar de Saracenen vandaan kwamen. Ishmaël was een wilde man, die iedereen aanviel. Deze beschrijving paste ook uitstekend bij dit volk. Waarom ze dan “Saracenen” genoemd werden, terwijl ze afstammelingen van Hagar en niet van Sarah waren, was echter nog een punt van discussie in deze theorie. Beda kwam waarschijnlijk niet rechtstreeks in contact met moslims, zoals zovele geleerden in het noorden van Europa.
In de eeuwen voor de kruistochten was er veelal een grote coëxistentie tussen christenen en moslims, vooral in de gebieden waar de twee godsdiensten naast elkaar voorkwamen zoals het Iberische schiereiland. Het behouden van een evenwicht en de vrede had verschillende redenen volgens Waltz. Het hebben van vreedzame betrekkingen met de moslims werd als een goede zaak gezien. Dit was in tegenstelling tot de opinie ten tijde van de kruistochten, zoals we verder nog zullen uiteenzetten. Een tweede belangrijke reden was dat de pausen tussen Gregorius l (540-604) en Gregorius Vll (1020-1085) eerder van lage kwaliteit waren, en hun tijd meestal staken in kerkhervormingen. Een derde oorzaak kan gevonden worden in het feit dat het Romeinse rijk was veroverd door Germaanse stammen, die pas gaandeweg tot het christendom bekeerd werden. Daardoor was het christendom nog te weinig doorgedrongen tot de grote massa, om zich al een beeld te vormen tegen de islam. Er waren wel een paar grote leiders aan beide kanten die een leger op de been konden brengen zoals Karel Martel (688-741), Karel de Grote (768-814) en Otto de Grote (912-973) in West-Europa en ‘Abd ar-Rahman ibn Mu’awiya’(891-961)[9] en Harun ar-Rasjid (786-809)[10]. Deze leiders waren te klein in aantal en konden geen ideologie op gang brengen om hun overwicht te behouden.
Toen Urbanus ll opriep tot een kruistocht op het concilie van Clermont in 1095, stichtte hij iets totaal nieuws. De idee van een Heilige oorlog tegen “ongelovigen” was een nieuwigheid in het Westerse christelijke denken en werd doorheen de eeuwen die aan de kruistochten vooraf gingen ontwikkeld. De middeleeuwse samenleving was zowel erfgenaam van de Grieks-Romeinse oudheid als van de Germaanse cultuur. Uit het eerste haalde zij de idee van de “bellum iustum” (rechtvaardige oorlog). Het Romeinse Rijk had het recht om aan een oorlog te beginnen wanneer aan de volgende voorwaarden was voldaan: als middel tot rechtsherstel, als verdrijving van de vijand en als verdediging van de bondgenoten. De Germanen beschouwden oorlog meer als een soort rechtsgeding. Een geschil werd op het slagveld opgelost, waarbij de overwinnaar werd aangewezen als diegene die gelijk had.
De Middeleeuwen steunden echter ook nog op een derde pijler: die van het Joods-christelijke geloof. De gedachte van een oorlog was hier allerminst evident, integendeel. In het Oude Testament zijn er wel talrijke passages waarbij Israëlieten oorlog voerden tegen ongelovigen met de hulp van God. In het Nieuwe testament wordt Christus afgebeeld als bestraffer van zondaars (Joh. 2:15) en als diegene die gezonden werd niet om vrede te brengen maar het zwaard (Mat. 10:34). Desondanks leidde de christelijke doctrine van naastenliefde er vaak toe dat de eerste christenen de oorlog en militaire dienst veroordeelden.
Geleidelijk aan moest de beginnende Kerk toegevingen doen, en erkende ze het recht op een defensieve oorlog. De Griekse kerkvader Origines (185-234) aanvaardde bijvoorbeeld een profane oorlog indien hij gerechtvaardigd was in zijn oorzaak en in zijn verloop. Christenen mochten er echter niet aan deelnemen en hem enkel in hun gebeden steunen. Na de bekering van Constantijn (274-337) steunde de Kerk de oorlogen van het Romeinse Rijk tegen de barbaarse heidenen. Op het einde van de vierde eeuw riep keizer Theodosius (346-395) het christendom uit als enige staatsgodsdienst. De militaire dienst werd nu ook toegankelijk voor christenen. Enkel geestelijken en monniken mochten geen wapens dragen. Er werden in het christelijk denken dan ook theorieën gevormd over oorlog en vrede. Het zijn vooral de geschriften van Ambrosius (339-397) en Augustinus (354-430) die later door Humbertus verwerkt werden in zijn kruistochtverdediging, zoals we verder zullen zien.
Ambrosius werd in 374 bisschop van Milaan en hij achtte oorlog, als een verdediging tegen de barbaren, toegelaten. Een defensieve oorlog werd zelfs als een plicht beschouwd. De verdediging van het Romeinse rijk werd gekoppeld aan de verdediging van het ene ware geloof. Een oorlog was rechtvaardig als het geloof of het rijk bedreigd werd. Het was dus nog altijd een defensieve oorlog, waarbij de vrede het na te streven doel bleef. Augustinus legde het concept van de rechtvaardige oorlog in zijn geschied-theologisch werk “De civitate Dei ” vast. Deze oorlog moest een onrechtvaardigheid wreken en dus ook onrechtvaardigheden die aan God aangedaan waren. Het is dan een straf voor de zondaars, waarbij men als een gesel Gods optreedt. God kan een oorlog opdragen, en de Kerk had het recht om de wereldlijke macht te verordenen om ketters te vervolgen. Zoals reeds voorheen is een defensieve oorlog altijd toegestaan, maar Augustinus is de eerste die ook een offensieve oorlog legitimeert.
Paus Gregorius l riep op tot oorlogen tegen ketters en vijanden van het pausschap, en moedigde missionaire oorlogen aan tegen heidenen. Het was pas onder Karel de Grote (768-814) dat er terug een groot christelijk eenheidsrijk ontstond. Deze keizer organiseerde talrijke veroverings- en bekeringsoorlogen tegen heidenen aan de grens van zijn rijk. Hij vocht ook om de Kerk te verdedigen, en tegen pauselijke vijanden in Italië. De pausen in de negende eeuw beloofden redding voor diegenen die stierven in een oorlog tegen de heidenen.
Een paar decennia na de dood van Karel de Grote viel het grondgebied ten prooi aan invallen van Magyaren en Vikings. De wereldlijke macht bleek onkundig om zich tegen deze ongelovigen te verdedigen. Het volk moest zich noodgedwongen wenden naar lokale usurpatoren en naar de Kerk. Onder impuls van de bisschoppen kwam daar stilaan de vredesbeweging op gang, de Godsvrede. De eerste proclamatie van Godsvrede gebeurde op het concilie van Clarroux. Het was de bedoeling om private oorlogen aan banden te leggen en om zo de bescherming van boeren en hun vee af te dwingen. Wat later op het concilie van Verdun-sur-le-Doubs van 1023 werd er nog een nieuw element aan de Godsvrede toegevoegd. De oorlog werd nu ook chronologisch ingeperkt door middel van een Godsbestand. In het begin van de elfde eeuw werd de Kerk dus de motor van een merkwaardige vredesbeweging. In deze eeuw waren ook de Karolingische en pauselijke ideeën van een heilige oorlog en de verdediging van de Kerk algemeen aanvaard. Door Godsvrede en Godsbestand was het moreel gezag van de Kerk sterk toegenomen. De Gregoriaanse hervormingen wilden de wantoestanden binnen de Kerk aanpakken. De pausen binnen deze beweging moedigden de strijd tegen ketters en andersgelovigen aan om zo de feodale krijgers te kanaliseren. Ze richtten een militia sancti Petri op om hen te laten vechten voor de paus tegen de vijanden van het pausdom. De verdediging van de christenheid en de belangen van het pausdom werden hier op één lijn gesteld. De Heilige Stoel wilde, meer in het algemeen, ook een “militia Christi” vormen om zo een “bellum Christi” te voeren tegen de ketters en vijanden van God, de Kerk en het pausdom.
Ondertussen veranderde de situatie in het Midden Oosten. In 1071 nam de Turkmeense leider Atsiz, Jeruzalem in en liep Palestina onder de voet. Vijftig jaar daarvoor had de Fatimidische kalief van Egypte, Al-Hakim (996-1021), de Heilige-Graf-kerk in Jeruzalem reeds laten verwoesten. Als een verlate reactie hierop preekte de voormalige monnik van Cluny, paus Urbanus ll op 27 november 1095 op he