De relatie tussen de Verenigde Staten en Rusland na de Koude Oorlog. De gebeurtenissen getoetst aan theorieën van internationale betrekkingen. (Wouter Peters)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

Er zijn al bibliotheken vol geschreven over de Koude Oorlog, over de relatie tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, over het buitenlands beleid van de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie en daarna Rusland, ... Waarom dan nóg een verhandeling schrijven over dit onderwerp? Persoonlijke interesse zal zeker aan de basis gelegen hebben bij het kiezen van het onderwerp. Hoewel ik toen nog te jong was om er bewust iets van mee te maken, heeft die Koude Oorlog mij achteraf altijd gefascineerd. Een onderwerp vinden was dus geen probleem.

Uiteindelijk werd ervoor gekozen te onderzoeken hoe de relatie tussen de Verenigde Staten en Rusland evolueerde ná de Koude Oorlog. Ook hierover is al veel geschreven. Daarom was het noodzakelijk het onderwerp verder te specificeren. Er werd besloten de relatie tussen de Verenigde Staten en Rusland na de Koude Oorlog te bekijken vanuit de theorieën van internationale betrekkingen, met als belangrijkste onderzoeksvraag: is het mogelijk de relatie tussen de Verenigde Staten en Rusland na de Koude Oorlog te verklaren aan de hand van een dergelijke theorie?

Om een antwoord op deze vraag te kunnen formuleren, is het aangewezen te starten met een voorstelling van de bestaande theorieën van internationale betrekkingen. Dat doen we in hoofdstuk 1. Het is binnen dit bestek echter niet mogelijk een overzicht te geven van alle bestaande theorieën. We beperken ons daarom tot 5 theorieën. De 3 bekendste, meest gangbare theorieën (realisme, liberalisme, constructivisme) kunnen natuurlijk niet ontbreken. Daarnaast bespreken we ook 2 minder courante theorieën (incrementalisme en de GRIT-theorie). Dit hoofdstuk is vrij theoretisch en dient enkel als ‘opwarming’ voor het 'echte' werk.

Hoofdstukken 2, 3 en 4 leveren het feitenmateriaal. In deze hoofdstukken vertellen we het ‘verhaal’. De periode na de Koude Oorlog kan door de complexe verwevingen en verbanden onmogelijk besproken worden zonder eerst 'beknopt' de periode van de Koude Oorlog zélf te schetsen en te begrijpen. Hoofdstuk 2 behandelt deze periode, terwijl we in hoofdstuk 3 extra aandacht schenken aan Mikhail Gorbatsjov die beschouwd kan worden als een sleutelfiguur voor de eindfase van de Koude Oorlog.

Hoofdstukken 2 en 3 hebben niet de bedoeling de periode van 1945 tot 1991 volledig in detail weer te geven. De geïnteresseerde lezer verwijzen we hiervoor naar de vele bestaande literatuur. Wij beperken ons tot een vrij bondige schets van hetgeen relevant is voor de relatie tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie in deze periode en daarna. Daarbij refereren we geregeld aan de 5 theorieën van internationale betrekkingen die in hoofdstuk 1 werden gepresenteerd.

Het zwaartepunt van deze verhandeling ligt in de laatste 2 hoofdstukken, waarin we de periode ná de Koude Oorlog bespreken. Hoofdstuk 4 sluit aan op het ‘verhaal’ van de 2 voorgaande hoofdstukken, maar de feiten worden meer in detail behandeld. Bovendien behandelen we de gebeurtenissen twee keer: eerst vanuit het perspectief van de Verenigde Staten, daarna vanuit Russisch perspectief. Dit leidt weliswaar tot herhalingen (en mogelijk zelfs enige verwarring), maar hierdoor zijn we beter in staat in te gaan op de respectievelijke uitgangspunten in, en de strategieën achter de onderlinge relaties. Net zoals in hoofdstukken 2 en 3 zullen we ook in dit hoofdstuk vanuit die feiten bondig verwijzen naar de theorieën van internationale betrekkingen die op dat ogenblik van toepassing lijken.

In hoofdstuk 5 bekijken we de relatie tussen de Verenigde Staten en Rusland tijdens de periode na de Koude Oorlog nog eens opnieuw, maar nu resoluut vertrekkend vanuit de 5 geselecteerde theorieën van internationale betrekkingen. De theorieën komen elk om de beurt aan bod en we zullen voor elke theorie nagaan of en in welke mate ze in aanmerking komt om bepaalde gebeurtenissen te verklaren.

Tot slot zal er in het besluit een antwoord geformuleerd worden op de onderzoeksvraag: is er een theorie die de relatie tussen de Verenigde Staten en Rusland na de Koude Oorlog kan verklaren?

 

 

Hoofdstuk 1: Theorieën van internationale betrekkingen

 

Inleiding

 

Al eeuwen stellen mensen zich vragen over de manier waarop en waarom internationale gebeurtenissen plaatsvinden. Vragen zoals ‘Waarom breekt een oorlog uit?’, ‘Waarom zijn sommige landen bondgenoten en andere vijanden?’, ‘Waarom zijn sommige landen rijker dan andere?’ en ‘Waarom hebben sommige landen veel meer te zeggen dan andere?’. We willen begrijpen waarom er zoveel verschillen tussen landen bestaan en zoeken hiervoor naar een algemeen patroon dat kan dienen als ‘gids’ in verschillende gebeurtenissen. Een dergelijke ‘gids’ is een theorie, een theorie die algemeen toegepast kan worden op internationale gebeurtenissen (Goldstein, 2004, pp. 6-7).

In dit eerste hoofdstuk worden de belangrijkste theorieën van internationale betrekkingen bekeken. Vanzelfsprekend kan hier niet worden voorbijgegaan aan de twee ‘hoofdstromingen’: het realisme en het liberalisme. Realisme en liberalisme zijn sinds de Koude Oorlog de theorieën die veruit de meeste aandacht hebben gekregen. Maar aandacht wil niet zeggen dat ze van kritiek gespaard zijn gebleven. Zowel het realisme als het liberalisme kent nieuwe wendingen en nieuwe aandachtspunten: het neo-realisme en het neo-liberalisme zijn hiervan de vertegenwoordigers.

Verder zijn er nog ‘challengers’ die andere theorieën van internationale betrekkingen aanhangen. Een belangrijke theorie die zeker niet mag ontbreken, is het constructivisme. Het constructivisme is ontstaan als reactie tegen de twee heersende stromingen. Het constructivisme gaat deze niet per definitie verwerpen maar gaat de gebeurtenissen anders verklaren (Kubalkova, 2001, pp. 3-5).

Er bestaan vanzelfsprekend nog meer theorieën dan de drie meest gangbare. Alle theorieën bespreken zou onbegonnen werk zijn. In dit eerste hoofdstuk beperken we ons tot een tweetal nieuwere theorieën van internationale betrekkingen. Deze theorieën proberen een antwoord te vinden op de gebreken van het realisme en het liberalisme. Hier dient wel onmiddellijk opgemerkt te worden dat veel theorieën van internationale betrekkingen de neiging hebben elkaar te overlappen. Verschillende aspecten van internationale betrekkingen kunnen op verschillende manieren en via verschillende theorieën verklaard worden. Internationale betrekkingen zijn geen exacte wetenschap en dus is er nooit slechts één juiste verklaring van gebeurtenissen. Nieuwe theorieën proberen een ander licht te werpen op gebeurtenissen door ze vanuit een ander perspectief te bekijken. De eerste theorie waarvoor gekozen werd, is het incrementalisme. Incrementalisme is niet per definitie verschillend van realisme of liberalisme. Er kunnen elementen van beide theorieën in ontdekt worden. Het nieuwe aan incrementalisme is dat het beleidsproces anders bekeken wordt.

Een laatste theorie van internationale betrekkingen die in dit hoofdstuk de revue passeert, is de GRIT-theorie van Charles Osgood. Ze is misschien minder bekend, maar daarom des te aantrekkelijker om in dit hoofdstuk op te nemen. Osgood wil op een creatieve manier een oplossing zoeken voor de bewapeningswedloop en de Koude Oorlog.

 

 

1.1 Realisme

 

“Politics have no relation to morals”

-Niccolo Machiavelli-

 

Geen enkele theorie kan alles verklaren over internationale betrekkingen. Maar er is een theoretisch kader dat traditioneel een centrale positie inneemt tussen deze theorieën: het realisme. Realisme wordt door velen gesteund, maar staat zeker niet los van kritiek. Realisme krijgt ook nog andere labels toebedeeld zoals ‘conservatives’, ‘Realpolitik’ en ‘power politics’ (Russett, 2004, p. 28). Realisme heeft een lange bestaansgeschiedenis die teruggaat tot Sun Tzu, Thucydides en Machiavelli. De stroming stond centraal in de opvattingen van het Amerikaanse buitenlands beleid tijdens de Koude Oorlog.

Centraal in de opvattingen van de realisten staat politieke macht. Realisten bekijken deze politieke macht los van, of overheersend op moraliteit, ideologie of andere sociale en economische aspecten van het leven. Voor realisten hebben ideologieën weinig belang, net zoals religieuze of andere culturele factoren waarmee staten hun acties kunnen verklaren. Realisten delen een drietal assumpties waarmee ze gebeurtenissen in internationale betrekkingen willen verklaren:

 

“Realists assume that international relations can be best (though not exclusively) explained by the choices of states operating as autonomous actors rationally pursuing their own interests in a system of sovereign states.” (Goldstein, 2004, p. 72)

 

De drie assumpties zijn dus ten eerste dat de staten de belangrijkste autonome actoren zijn in internationale betrekkingen (de ‘state-centric’ assumptie), ten tweede dat staten handelen als rationele actoren die hun eigenbelang nastreven (de ‘unitary rational-actor’ assumptie) en ten derde dat staten handelen in een internationaal systeem dat geen centrale overheid erkent (de ‘anarchy’ assumptie) (Goldstein, 2004, pp. 72-73).

De meeste aanhangers van het realisme hebben een conservatief wereldbeeld. Een conservatief wereldbeeld waardeert het behouden van het status quo en probeert veranderingen in internationale betrekkingen zoveel mogelijk te vermijden. Dit focust op de wetten van de machtspolitiek. Realisme komt het best tot zijn recht in termen van internationale veiligheid met haar logica van militaire macht. Realisten zullen altijd kiezen voor militaire sterkte boven internationale organisaties die niet-afdwingbare verplichtingen opleggen. Staten zullen de belangrijkste actoren zijn, aangezien zij controle over legers en wapens hebben. Staten zullen rationeel gebruik maken van hun macht om eigenbelang na te streven (Russett, 2004, p. 26).

Realisten kijken dan wel naar macht, maar dit is niet altijd macht in absolute termen. Zeker zo belangrijk is de relatieve machtspositie van een land ten opzichte van andere landen. Realisten zullen ook de nadruk leggen op het anarchistische karakter van het internationale systeem. In een anarchie is er altijd dreiging van oorlog. Belangrijk is dus altijd klaar te zijn voor oorlog. Oorlog wordt bekeken als een natuurlijk element, een bij momenten noodzakelijk kwaad dat nodig is om de eigen machtspositie te vrijwaren of te versterken. Vanuit een conservatief wereldbeeld wordt internationale handel ook enkel gezien als een mogelijkheid om de eigen nationale welvaart te verhogen. Enkel eigenbelang zal een rol spelen. Tot een situatie van vrijhandel zal men dus niet komen: er zal enkel getracht worden een protectionistisch beleid op te zetten (Goldstein, 2004, p. 8).

 

 

1.2 Liberalisme

 

Dat het realisme niet zonder kritiek kon blijven, is overduidelijk. Verschillende politieke wetenschappers hebben weerwerk geboden tegen de assumpties van het realisme. De belangrijkste tegenstander van het realisme is het liberalisme, dat andere uitgangspunten hanteert om de gebeurtenissen in de internationale betrekkingen te verklaren. Liberalisme heeft net als realisme nog andere benamingen, bijvoorbeeld idealisme, liberaal institutionalisme, internationalisme en transnationalisme. Hier zullen we het bij de naam liberalisme houden om deze stroming aan te duiden (Russett, 2004, p. 28).

De lange traditie van liberalisme zegt dat moraliteit, recht en internationale organisaties de basis kunnen vormen van internationale betrekkingen. De menselijke natuur is niet slecht of egoïstisch; vreedzame relaties tussen staten zijn dus mogelijk. Staten kunnen werken als een gemeenschap in plaats van enkel eigenbelang na te streven. Liberalisme heeft vier grote kritieken op de assumpties waarop het realisme is gebaseerd. Ten eerste is de assumptie van het anarchistische wereldsysteem volgens de liberalisten slechts een gedeeltelijke waarheid. Vanzelfsprekend worden internationale interacties gevormd op basis van macht tussen de verschillende staten. Volgens realisten bestaat er geen mechanisme dat ervoor kan zorgen dat een staat zijn machtspositie niet zal gebruiken voor eigenbelang, maar liberalisten spreken dit tegen. Internationale normen en instellingen, gebaseerd op wederkerigheid en samenwerking, zorgen ervoor dat internationale betrekkingen volgens bepaalde criteria verlopen. Een volledig anarchistisch wereldbeeld moet dus verlaten worden volgens het liberalisme (Goldstein, 2004, p. 115).

Een tweede grote kritiek heeft betrekking op de assumptie van staten als unitaire actoren, elk met eigen belangen. Zoals blijkt uit politieke gebeurtenissen, is het gedrag van een staat niet alleen gebaseerd op zijn eigen belangen, maar maakt het meestal deel uit van een groter geheel van internationale onderhandelingen tussen staten. Niet alleen staten spelen hierbij een rol: ook belangengroepen, NGO’s en internationale organisaties wegen in toenemende mate door.

Ten derde is volgens het liberalisme de assumptie rond het rationeel gedrag van staten problematisch. Als staten rationeel zouden handelen, zouden ze maar zwak presteren in het maximaliseren van hun belangen. Realisten en liberalisten vertrekken van een ander standpunt over rationeel gedrag. Bij het realisme wordt rationeel gedrag gezien als de poging van een individuele actor om zijn kortetermijnbelangen te maximaliseren. Liberalisten daarentegen geloven dat rationele actoren in staat zijn verder te kijken dan de kortetermijngebeurtenissen om zo te kiezen voor de langetermijnvoordelen van een gemeenschap. Dit is rationeel omdat het zowel bijdraagt tot het welzijn van de individuele actor, als tot dat van de gehele gemeenschap.

De laatste grote kritiek van het liberalisme op het realisme heeft te maken met de aandacht voor de militaire kracht. Militaire kracht is een veel duurdere manier om een andere actor te beïnvloeden dan non-militaire middelen zoals diplomatie, conflictresolutie en peacekeeping. Militaire macht is niet alleen duurder, maar dikwijls ook minder efficiënt. Internationale organisaties en normen creëren een stabiele context om te kunnen onderhandelen. Economische maatregelen kunnen ook zwaarder wegen dan militaire maatregelen. Het liberalisme zal dan ook veel meer aandacht schenken aan de economische dimensie (Goldstein, 2004, p. 116).

Sommige aanhangers van de liberalistische stroming durven te argumenteren dat realisme in de huidige context geen belang meer heeft.

 

“Realism may once have been realistic, when European kings and queens played war and traded territories as property. But states now are interconnected, a reality contradicting the assumptions of autonomy and sovereignty. Borders are becoming fluid, making territorial integrity increasingly untenable. The evolution of norms regarding the use of force has substantially changed the ways in which military force contributes to international power. (Goldstein, 2004, p. 116)

 

Terwijl realisten oorlog zien als de normale gang van zaken, hooguit een noodzakelijk kwaad in de internationale gebeurtenissen, bekijkt het liberalisme oorlog helemaal anders. Oorlog en geweld zijn tragische vergissingen die door internationale organisaties vermeden of op zijn minst beperkt moeten worden. Oorlog is een irrationele afwijking die het welzijn van alle staten aantast. Realisten en liberalisten hebben ook een verschillende definitie voor het concept ‘macht’. Terwijl realisten macht zien als de macht over anderen, de mogelijkheid om de eigen wil op te leggen aan anderen, zien liberalisten macht als de mogelijkheid om gemeenschappelijke doelen te bereiken.

Vanaf de jaren 80 ontstond binnen het liberalisme een nieuwe stroming, neo-liberalisme genoemd. Deze aanpak legt nog meer de nadruk op het belang van internationale organisaties om de inherente conflicten van het internationale systeem binnen de perken te houden. Deze stroming legt de klemtoon op de wederzijdse langetermijnvoordelen die elke staat kan behalen. Deze wederzijdse voordelen zijn meer rationeel dan de kortetermijnvoordelen die volgens de realisten nagestreefd moeten worden. De neo-liberale stroming zal niet alle kritieken van de liberalisten op de realisten overnemen. Zo zal ze meegaan in de assumptie van de staat als unitaire actor die rationeel eigenbelang nastreeft. Maar ze weigeren mee te gaan in het pessimisme van de realisten. Zelfs als staten eigenbelang nastreven, zullen ze nog willen werken via internationale organisaties. Wederzijdse belangen die gewonnen worden door internationale samenwerking, zorgen ervoor dat staten zullen samenwerken, zelfs door eigenbelang na te streven.

 

 

1.3 Constructivisme

 

Een meer recente theorie van internationale betrekkingen is het constructivisme, of ‘social constructivism’. Het constructivisme is een poging tot positief alternatief voor de gebreken van de bestaande theorieën van internationale betrekkingen. Het constructivisme gaat meer kijken naar de bredere sociale context waarin de gebeurtenissen in de internationale betrekkingen zich afspelen. In plaats van zoals bij het realisme en het liberalisme te gaan kijken naar de belangen van de staten, gaan ze na waar deze belangen vandaan komen. Constructivisten gaan de assumptie van realisten - dat staten eigenbelang nastreven - niet ontkennen, maar ze zoeken naar de dieper liggende redenen van dat eigenbelang (Smith, 2001, pp. 49-52). Waarom zijn staatsbelangen zoals ze zijn? Voor constructivisten is alles een sociale constructie. De manier waarop aan diplomatie gedaan wordt en waarop internationale organisaties werken, ligt niet vast maar is een sociale constructie.

 

“The social world is seen as constructed, not given. States may be self-interested but they continuously (re)define what that means. Their identities may change. Norms help define situations and hence influence international practice in a significant way.” (Zehfuss, 2002, p. 4)

 

Constructivisten verwerpen de assumptie dat staten altijd meer macht en welvaart willen, of de assumptie dat staatsbelangen enkel bestaan onafhankelijk van een bredere sociale context van interacties tussen staten. Constructivisten bekijken integendeel complexe culturen en gebeurtenissen als de oorzaken van een bepaald gedrag bij staten in internationale en militaire kwesties. Ze zijn zeer geïnteresseerd in de manier waarop normen staatsbelangen en gedrag beïnvloeden. Een goed voorbeeld hierbij is humanitaire hulp aan ontwikkelingslanden. Vanuit de theorieën van internationale betrekkingen zoals realisme en liberalisme is humanitaire hulp moeilijk te verklaren. Vanuit het realisme is het zeer moeilijk uit te leggen waarom een groot land als de Verenigde Staten humanitaire hulp zou bieden aan een klein en economisch onbelangrijk Afrikaans land. Hier zijn geen noemenswaardige voordelen aan verbonden, maar waarom doet een land als de Verenigde Staten dat dan toch? Constructivisten kunnen hier beter een verklaring voor geven. Normen en principes zoals mensenrechten en zelfbeschikkingsrecht zijn sinds de periode van dekolonisatie gemeengoed geworden. Deze normen controleren de beslissingen van staten. In het geval van humanitaire hulp worden regeringen dus niet gedreven door eigenbelang, maar eerder door normen en waarden die we als universeel zijn gaan beschouwen. Dit betekent niet dat deze normen er altijd al zijn geweest of voor altijd vastliggen (Kubalkova, 2001, pp. 22-23). Constructivisten leggen sterk de nadruk op deze normen en ideeën over internationale betrekkingen (Goldstein, 2004, p. 142). Hiervoor gaan ze focussen op hoe mensen taal gebruiken in beleidsverklaringen, toespraken en dergelijke. Ook regelgeving wordt cruciaal voor constructivisten.

 

“Constructivists focus on how people use language to make or ‘construct’ the social world and how the social world in turn shapes individuals. Rules (including legal rules and nonlegal norms) are seen as crucial because they stand in between people and society.” (Goldstein, 2004, p. 141)

 

In plaats van aandacht te hebben voor macht als vorm van militaire macht wordt er bij de constructivisten aandacht geschonken aan de ‘power of ideas’ (Russett, 2004, p. 32).

 

 

1.4 Incrementalisme

 

Eind jaren ’60 kwamen David Braybrooke en Charles Lindblom met een belangrijke nieuwe theorie over beleidsbeslissingen in internationale kwesties. Deze nieuwe stroming werd ‘incrementalisme’ genoemd. Ze is zeker niet uitsluitend verbonden met internationale kwesties, maar is bruikbaar in alle beleidsdomeinen. Beide auteurs hadden kritiek op de ‘rationele’ manier van beslissen die gepromoot werd. Rationele beslissingen waren volgens Braybrooke en Lindblom niet mogelijk, zeker niet in een beleidsdomein zoals internationale betrekkingen. Voor een rationele beslissing is immers perfecte transparantie nodig, zowel voor het doel als voor de te volgen methode. Informatie zou in overvloed beschikbaar moeten zijn zodat alle alternatieven bekeken kunnen worden. Het beste alternatief zou dan gekozen en geïmplementeerd kunnen worden zonder bijkomende negatieve neveneffecten. In een dergelijke ideale wereld leven we echter niet (Cashman, 2000, pp. 77-78).

Braybrooke en Lindblom stellen met hun theorie van incrementalisme dat politieke beslissingen met kleine stappen worden genomen. Beleid, en zeker buitenlands beleid, wordt zelden rationeel gevormd. Er is dikwijls te weinig informatie, te weinig eensgezindheid over doelen en strategieën, te weinig tijd of resources, enz... Hierdoor hebben politici dikwijls nood aan manieren om het beleidsproces te vergemakkelijken. Via incrementalisme krijgen ze zo‘n vergemakkelijking. Alternatieve beslissingen die de huidige situatie slechts in relatief kleine mate wijzigen, zijn een ideale manier om moeilijke problemen op te lossen. Braybrooke en Lindblom geven drie hoofdredenen om beslissingen te nemen via incrementale weg. Ten eerste zorgt incrementalisme voor minder complexe alternatieven. Immers, de alternatieven waartussen gekozen zal worden, brengen slechts kleine veranderingen teweeg. Beleidsmakers zijn zich precies daarom bewust van de gevolgen van hun beslissingen. Ten tweede kunnen grote vergissingen vermeden worden. Met kleine veranderingen in het beleid kan men meestal geen grote blunders begaan die niet meer omkeerbaar zijn. Hier wordt ervan uitgegaan dat politici vaak kiezen voor een strategie van vermijden van grote fouten, veeleer dan van succes te bereiken. De derde reden voor de populariteit van incrementalisme heeft te maken met de aard van politiek. Alternatieven moeten worden gekozen door meer dan 1 individu. Er moeten compromissen en coalities bereikt worden. Het is niet vanzelfsprekend dat dit lukt bij controversiële en verreikende alternatieven, maar eerder bij kleine stappen in het proces. Incrementalisme is dus politiek gezien gemakkelijker. Het resultaat van dit incrementalistische proces is dikwijls een ‘nonoptimum decision’. Er wordt immers niet noodzakelijk naar de ‘beste’ keuze gezocht maar veeleer naar de ‘veiligste’ keuze (Cashman, 2000, pp. 82-83).

 

 

1.5 GRIT

 

GRIT, of Graduated and Reciprocated Initiatives in Tension reduction, is een theorie die Charles Osgood begin jaren 70 formuleerde om een oplossing te vinden voor de vijandigheden tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Osgood wil met deze alternatieve strategie een nieuwe weg inslaan in de relatie met de Sovjet-Unie. De GRIT-theorie zegt dat unilaterale acties, gekoppeld aan duidelijke verbale verklaringen, gebruikt kunnen worden om een wederzijdse deëscalatie op gang te brengen. Door zowel woorden als daden te combineren en duidelijk te maken aan de tegenpartij dat men het meent, kan er een positieve spiraal ontstaan waarbij beide partijen mekaar kunnen vertrouwen en elk om de beurt een positieve daad kunnen stellen. Osgood heeft echter 10 richtlijnen waaraan men zich moet houden in deze theorie (Cashman, 2000, pp. 186-188).

 

  1. Unilaterale acties moeten vooraf openlijk aangekondigd worden als deel van het detentebeleid.

  2. De aankondiging moet een duidelijke uitnodiging bevatten aan de rivaal om ook een maatregel te nemen.

  3. De aangekondigde unilaterale acties moeten uitgevoerd worden zoals in het schema voorzien werd, ook al maakt de tegenpartij geen aanstalten om zelf zijn goede bedoelingen te tonen.

  4. De acties moeten een duidelijke vorm aannemen en niet bestaan uit onduidelijke positieve of negatieve sancties die verkeerd geïnterpreteerd kunnen worden.

  5. Unilaterale acties moeten gerangschikt worden van niet-belangrijk tot belangrijk. Minder belangrijke aspecten brengen ook minder grote risico’s mee moest de tegenpartij slechte bedoelingen hebben.

  6. Het is best te beginnen met acties buiten de militaire sfeer. Ontwapeningen zijn een te groot risico als eerste stap. Het is beter om op economisch gebied te beginnen met kleine toegevingen, bijvoorbeeld de invoer van een bepaald product te vergemakkelijken, dan op militair gebied de eigen militaire slagkracht te verminderen, met alle mogelijke desastreuze gevolgen vandien als de tegenpartij niet wil meewerken.

  7. De unilaterale acties moeten op verschillende domeinen genomen worden om niet één domein te veel te verzwakken.

  8. De unilaterale acties moeten een aanzienlijke tijdsperiode verder gezet worden, zelfs als er niet meteen een aangepast antwoord komt. De tegenstander moet de tijd gegund worden om over de wending in de relatie na te denken. Door te snel de eigen goede bedoelingen terug te schroeven, wordt enkel verwarring geschapen.

  9. Als de tegenstander misbruik maakt van de eigen goede bedoelingen, moet streng en direct opgetreden worden, maar enkel op het domein van het misbruik. De slechte bedoelingen van de tegenstander op het ene domein mogen de vorderingen op de andere domeinen niet in de weg staan.

  10. GRIT is een flexibel, zelfregulerend beleid. De beide partijen houden mekaar de hele periode goed in de gaten. Als geen wederkerigheid volgt, kan de initiator van de unilaterale acties zelf beslissen de eigen acties ongedaan te maken zonder hier blijvende schade aan over te houden.

 

Het grootste probleem om GRIT te gebruiken in internationale betrekkingen is de eerste stap durven te zetten. Als eerste een unilaterale toegeving doen is ongeveer het minst populaire wat een politiek leider kan doen, omdat zijn land zich kwetsbaar opstelt. Maar zodra een staat een GRIT-beleid is begonnen, zijn er voor de rivaal redelijk sterke argumenten om erin mee te gaan. GRIT zal zeker een controversiële politiek zijn in het initiërende land. De enige manier om binnenlandse steun te blijven genieten, is succes boeken, liefst zo snel mogelijk. Leiders in het rivaliserende land zullen dit echter begrijpen. Als er geen wederkerige daad gesteld wordt, loopt men het risico dat het initiërende land onder binnenlandse druk zijn toegevingen zal terugschroeven en mogelijk zelfs een meer vijandige koers zal varen. De twee rivaliserende staten zijn dus wederzijds afhankelijk (Cashman, 2000, p. 188).

 

 

1.6 Besluit

 

In dit eerste hoofdstuk werden verschillende theorieën van internationale betrekkingen beschreven. Realisme, liberalisme en constructivisme zijn voor de hand liggende theorieën. Zonder deze is het onmogelijk de ‘Koude Oorlog’-periode te bestuderen. In het post-‘Koude Oorlog’-tijdperk nam de kritiek op deze theorieën steeds meer toe, en ontstonden nieuwe theorieën van internationale betrekkingen, die niet per se afwijken van de basistheorieën, maar veeleer creatieve herformuleringen zijn, met een andere zienswijze. Ook zijn deze theorieën soms geleend van andere wetenschapsdomeinen. De twee extra theorieën die hier bekeken werden, incrementalisme en GRIT, waren dus zeker niet de enige mogelijke. Alle theorieën van internationale betrekkingen bespreken, zou onbegonnen werk zijn en is ook niet het doel van deze scriptie. We hebben ons beperkt tot de 3 ‘standaard’ theorieën en een subjectieve selectie van 2 minder bekende theorieën. In het laatste hoofdstuk zullen we de gebeurtenissen na de Koude Oorlog toetsen aan de 5 theorieën die we in dit eerste hoofdstuk hebben voorgesteld.

 

 

Hoofdstuk 2: De periode van de Koude Oorlog

 

Inleiding

 

Na het theoretische eerste hoofdstuk bespreken we in dit tweede hoofdstuk de relatie tussen de Verenigde Staten (VS) en de Sovjet-Unie (SU) tijdens de Koude Oorlog. De periode na de Koude Oorlog kan niet worden begrepen zonder de Koude Oorlog zelf te bespreken.

We zullen in dit tweede hoofdstuk enkel stilstaan bij de belangrijkste feiten en wendingen. Gebeurtenissen in Europa en Azië worden enkel specifiek vermeld indien dit nodig is om de relatie tussen de VS en de SU toe te lichten. Deze relaties bleven namelijk niet constant gedurende de hele Koude Oorlog. Enkele belangrijke kantelmomenten leidden tot veranderingen in de houding van beide landen. Algemeen wordt aangenomen dat een Derde Wereldoorlog slechts op het nippertje vermeden werd. De Koude Oorlog bleef uiteindelijk echter ‘koud’. De grootmachten hadden wel conflicten, maar deze werden indirect uitgevochten in Europa en in de derde wereld.

De periode van de Koude Oorlog moet worden ingedeeld volgens de belangrijke wendingen in de relatie tussen de VS en de SU, en naarmate herdefiniëringen plaatsvinden in het buitenlands beleid van een van beide landen. Om deze lange periode duidelijker te kunnen structureren, steunen we op de opeenvolging van leiders in de SU. Dit is geen inhoudelijke beslissing, maar louter een praktische beslissing om de periode overzichtelijk in te delen.

De Koude Oorlog eindigde niet zomaar op zekere dag. Wij ronden dit hoofdstuk af vóór de gebruikelijk datum 1989/1991. In zowat alle literatuur over de Koude Oorlog wordt het Gorbatsjovtijdperk wél bij de Koude Oorlog gerekend. Wij vinden deze periode echter een afzonderlijk hoofdstuk waard. De reden hiervoor is duidelijk: de gebeurtenissen in het Gorbatsjovtijdperk kunnen perfect worden geïnterpreteerd als de overgang tussen de Koude Oorlog en de periode daarna. Vanaf het aantreden van Gorbatsjov in 1985 werd in het Westen duidelijk dat er een nieuwe wind waaide in Moskou en dat het einde van de Koude Oorlog misschien wel nabij was.

 

 

2.1 Het einde van de Tweede Wereldoorlog, het begin van de Koude Oorlog

 

“Everyone imposes his own system as far as his army can reach”

-Joseph Stalin-

 

Vóór WO II werd het buitenlands beleid van de VS vooral gekenmerkt door isolationisme. Tijdens het interbellum hadden de VS zich niet zo nadrukkelijk ingelaten met de rest van de wereld. De prioriteit lag op het eigen continent. Na WO II is dit niet meer het geval. De VS gaan zich actief inzetten in de hele wereld.

Nog vóór WO II afgelopen is, wordt duidelijk dat de geallieerden (met als belangrijkste actoren de VS en de SU) verschillende doelstellingen hebben, dat het niet tot een permanente wereldvrede zal komen. De VS en de SU geraken verwikkeld in een ideologische machtsstrijd om de controle over de wereld, die in praktijk verdeeld wordt in invloedszones. De 'westelijke' zone, onder de feitelijke controle van de VS, kent een kapitalistische vrijemarkteconomie en een democratisch systeem. De 'oostelijke' zone, onder controle van de SU, krijgt een communistische, staatsgeleide economie. De grens tussen beide invloedszones loopt door Europa. De West-Europese landen en West-Duitsland (BRD) behoren tot de Amerikaanse invloedssfeer; Centraal- en Oost-Europa en Oost-Duitsland (DDR) vallen onder Sovjetrussische controle. In deze landen wordt al snel een eenpartijstelsel ingevoerd, met monopolie voor de communistische partij. De Koude Oorlog is hiermee een feit. Van 1945 tot 1989/91 zal deze opdeling de wereld blijven beheersen.

Voor de buitenlandse politiek van de VS wordt de prioriteit nu de macht van de SU te beperken en indien mogelijk terug te dringen. In plaats van zich terug te trekken op het eigen continent gaan de VS actief interveniëren in de rest van de wereld. In eerste instantie is dit vooral Europa; later komt ook Azië op de voorgrond te staan. Het centrale begrip in de buitenlandse politiek van de VS is containment.

 

 

2.2 Containment: doodsangst voor Stalin

 

“Death solves all problems: no man, no problem”

-Joseph Stalin-

De VS hadden vier mogelijkheden voor een nieuw buitenlands beleid. Ten eerste: de zaken houden zoals ze waren. Ten tweede: zich terugtrekken in isolationisme en hun internationale verplichtingen negeren. De derde mogelijkheid was een preventieve aanval uit te voeren om het gevaar vóór te zijn. En tot slot hun eigen defensiecapaciteit drastisch verhogen, samen met die van hun bondgenoten, en een onverbiddelijke houding aannemen tegenover hun vijanden (Coolsaet, 1980, p. 23).

In eerste instantie wilden de VS de invloed van de SU terugdringen. Snel werd echter duidelijk dat dit althans in Europa niet mogelijk was. Aan het einde van de oorlog was heel Oost-Europa immers door de SU bezet en feitelijk gecontroleerd. De VS schakelden nu over naar een politiek van containment: de invloed van de SU moest zoveel mogelijk beperkt blijven en mocht zeker niet meer uitbreiden. Als nóg een land in communistische handen zou vallen, kon heel Europa wel eens volgen en onder sovjetcontrole komen. Dit is de dominotheorie.

Griekenland was een eerste test. Griekenland was een cruciale pion voor de Britse belangen in de Middellandse Zee. Groot-Brittannië, dat na WO II economisch aan de grond zat, zag zich echter verplicht zijn troepen uit Griekenland weg te halen. Zonder steun uit het westen zou Griekenland wellicht in communistische handen vallen. Volgens de dominotheorie zou Turkije volgen en zou weldra het hele Midden-Oosten onder communistische controle vallen. Dit moest kost wat kost vermeden worden, en hiertoe ontstonden de Trumandoctrine en het Marshallplan.

 

2.2.1 De Trumandoctrine

 

President Truman definieerde zijn doctrine als volgt op 12 maart 1947:

 

“The policy of the United States to support free peoples who are resisting attempted subjugation by armed minorities or by outside pressures.” (Kissinger, 1994, p. 453)

 

De betekenis ervan is heel belangrijk. De VS verbonden zich ertoe alle niet-communistische landen te beschermen tegen een binnenlandse of buitenlandse communistische dreiging. Deze bescherming was van politieke, economische én militaire aard (Kerremans, 2003, p. 65). De Amerikaanse steun aan de Griekse anticommunistische partizanen kan worden gezien als eerste concretisering van de Trumandoctrine. Het was een krachtige waarschuwing aan de SU. De VS maakten duidelijk dat ze zich zouden verzetten tegen elke machtsuitbreiding of daad van agressie van de SU. Overal waar de VS het gevoel hadden dat de democratie werd bedreigd, zou voortaan financiële en economische steun, en indien nodig zelfs militaire steun worden verleend. Dit betekende een definitieve breuk met hun isolationistische buitenlands beleid vóór WO II. De Trumandoctrine was een duidelijk blijk van een realistisch buitenlands beleid van de Amerikaanse regering.

Het grote belang van de Trumandoctrine is dat de wereld heel duidelijk in tweeën werd gesplitst: goed en kwaad. Interventies in andere delen van de wereld werden moreel geoorloofd geacht indien het kwade (SU) het goede (het Westen) bedreigde. Trumans verklaringen verscherpten de tegenstellingen tussen Oost en West alleen maar. De ideologische oorlog tegen de SU was verklaard.

 

2.2.2 Het Marshallplan

 

“The patient [Europe] is sinking while the doctors deliberate”

-George C. Marshall”

Het Marshallplan sloot perfect aan op de Trumandoctrine en de containmentpolitiek van de VS. George Marshall, vanaf 1947 Amerikaans minister van Buitenlandse Zaken, stelde op doorreis in Europa vast hoe erbarmelijk Europa er aan toe was na de oorlog. Marshall vond de economische heropleving van zijn Europese bondgenoten van cruciaal belang voor de VS, en wel om twee redenen. Ten eerste hadden de VS een economisch motief: een economisch sterk Europa was een interessante handelspartner voor de VS. Op dit moment stelde Europa in die zin weinig voor. Daarnaast was er een politiek motief: de onvermijdelijke Oost/West-tegenstelling. Marshall vreesde dat de economisch slechte situatie in de kaart zou spelen van linkse partijen en communistische revoluties in West-Europa. Als de VS geen steun zouden leveren, zou West-Europa in de handen van het communisme kunnen vallen. Dit moest worden vermeden.

Begin juni 1947 hield Marshall zijn befaamde rede op de Harvard University, waar hij zijn Marshallplan officieel voorstelde. Marshall betrok ook Midden- en Oost-Europa en de SU in zijn plan. Hij wilde immers niet het verwijt krijgen de tegenstellingen in Europa nog op te drijven (Kerremans, 2003, p. 66). Voor Moskou was het plan echter duidelijk een zet in de Koude Oorlog. Volgens de SU wilden de VS via economische hulp een machtspositie verwerven ten opzichte van de SU en de Europese landen.

Moskou trok zich terug uit het hulpprogramma en verplichtte de Midden- en Oost-Europese landen dit eveneens te doen. Het Amerikaanse hulpprogramma concentreerde zich nu volledig op West-Europa. Omdat Duitsland werd gezien als de economische motor van Europa, was de economische wederopbouw van Duitsland essentieel, al lag dit erg moeilijk in veel landen. Vooral Frankrijk vreesde een Duits revanchisme.

Het politieke effect van het Marshallplan was terreinverlies voor de communistische partijen in West-Europa. De SU reageerde echter op de Trumandoctrine en het Marshallplan met de oprichting van de Cominform die de Oost-Europese staten verenigde. Daarnaast werd in deze landen systematisch voortgegaan met de invoering van het Sovjetrussische model. Oppositiegroepen werden één voor één uitgeschakeld en de communistische partijen kregen totale controle (Van De Meerssche, 2002, p. 36). Begin 1948 was het Europese machtsvacuüm definitief verleden tijd: Europa bestond uit een westelijke en een oostelijke sector.

Er dient hier opgemerkt te worden dat de economische steun van de VS aan West-Europa geen liefdadigheid was. De steun was in het eigen belang van de VS zelf. Door haar bondgenoten te versterken en aan zich te binden wordt de eigen machtspositie ten opzichte van de SU ook versterkt. Dit wordt verklaard in de theorie van het realisme.

 

2.2.3 De oprichting van de NAVO

 

Na de politieke concretisering in de Trumandoctrine en de economische concretisering in het Marshallplan zal de containmentpolitiek zich ook op het militaire vlak concretiseren. De oprichting van de NAVO in 1949 maakt de cirkel rond (Coolsaet, 1980, p. 23).

De communistische staatsgreep in Tsjecho-Slowakije (februari-maart 1948) en de blokkade van Berlijn (juni 1948 – augustus 1949) hadden een enorm effect op de westerse publieke opinie. De indruk dat het Rode Leger uit was op de controle over Europa werd alleen maar bevestigd en versterkt. Ook Amerikaans president Truman was ervan overtuigd dat het communisme in Europa een grote bedreiging vormde. Zonder militair engagement van de VS zou Europa wel eens ten prooi kunnen vallen aan de sovjetagressie. Het doel van de sovjetpolitiek was echter geenszins de onmiddellijke wereldheerschappij, zeker niet door middel van wapengeweld. Het grote doel voor de SU was in West-Europa chaos te verwekken om zo elk gevaar van een aanval door een “kapitalistisch bondgenootschap” op Moskou af te wentelen. De drijfveer achter de sovjetpolitiek was "vrees", en niet “onbedwingbare veroveringszucht” zoals de VS vreesden (Vlekke, 1954a, p. 7).

In de VS werd de Vandenbergresolutie goedgekeurd, waardoor het mogelijk werd in vredestijd allianties te vormen met andere landen. Deze resolutie volgt uit de containmentpolitiek van de VS. Na onderhandelingen werd op 4 april 1949 het NAVO-verdrag goedgekeurd door 12 landen[1] die zich via een bijstandsverplichting (Artikel 5 van het NAVO-verdrag) ertoe verbinden elkaar hulp te bieden bij een eventuele inval van de SU.

Opmerkelijk is dat hier geen militaire bijstandsverplichting geldt zoals in het Pact van Brussel[2]. Dit was op verzoek van de VS, die niet in een Europese oorlog wilden verzeild geraken. De VS kozen er hier voor een internationale organisatie te stichten. De unilaterale weg werd verlaten en de bondgenoten werden aan elkaar verbonden via een organisatie. In de theorie van het liberalisme is er veel aandacht voor het belang van dergelijke internationale organisaties.

 

2.2.4 Korea: het dilemma van containment

 

Toen president Truman zijn visie op het buitenlands beleid van de VS uitstippelde, was hij vooral beducht voor groeiende sovjetinvloed in Europa. De Trumandoctrine en het Marshallplan werden vooral met het oog op Europa ontworpen. Aan Azië werd in mindere mate gedacht. Met het begin van de Koreaanse oorlog moest het Amerikaanse buitenlands beleid dus opnieuw gedefinieerd worden.

Zuid-Korea had voor de VS nauwelijks geopolitieke, maar wel een grote symbolische waarde. Toen Mao Tse-Tung de Chinese burgeroorlog won en China omvormde tot een communistische staat, verloren de VS in Azië veel macht en prestige. Zij hadden immers niet kunnen beletten dat het land met het grootste aantal inwoners ter wereld communistisch werd. Alleen al daarom mocht Zuid-Korea in geen geval in de handen van het communisme vallen. Opnieuw werd de dominotheorie gebruikt om de acties te verantwoorden: Zuid-Korea was de volgende dominosteen, en daarna zouden ook Japan en Taiwan bijzonder kwetsbaar worden. De dominotheorie moet geplaatst worden onder de theorie van het realisme.

In de VS ontstond discussie over de reikwijdte van containment. Moesten de VS ook in Azië ingrijpen? En tot waar? De Koreaanse oorlog stelde dit probleem haarscherp: de bevrijding van Zuid-Korea verliep vrij snel, en de vraag was nu of de Amerikaanse troepen moesten halt houden aan de 38e breedtegraad dan wel doortrekken tot de Chinese grens en dus heel Korea van het communisme bevrijden. Stoppen aan de 38e breedtegraad betekende een bevestiging van de toestand vóór de Noord-Koreaanse inval. Dit zou een verkeerd signaal zijn voor andere mogelijke agressors, namelijk dat een aanval op een pro-westers land enkel wordt bestraft met een status-quo van de toestand vóór die aanval (Kissinger, 1994, p. 478). Door op te rukken naar de Chinese grens zouden de VS tonen bereid te zijn krachtdadig te reageren op aanvallen tegen bondgenoten, en andere offensieve acties niet uit te sluiten. Het risico van oprukken naar de Chinese grens was de eventuele Chinese reactie en de allicht onvermijdelijke oorlog met China. Op aandringen van generaal McArthur kiezen de VS voor de tweede strategie: de Noord-Koreanen worden teruggeslagen tot vlakbij de Chinese grens, waarna de Chinese reactie volgt. Na enkele overwinningen en nederlagen wordt op 37 juli 1953 het wapenstilstandsakkoord van Panmoenjon getekend (Kerremans, 2003, p. 80).

 

2.2.5 De gevolgen van de Koreaanse oorlog

 

Een belangrijk gevolg van de Koreaanse oorlog is de verkoeling van de Amerikaanse relatie met de Volksrepubliek China. Dit zou ook gevolgen hebben in de VN-veiligheidsraad. Niet de Volksrepubliek China krijgt de zetel in de veiligheidsraad, maar wel het door de Westerse wereld gesteunde Taiwan. De VS stellen zich op als beschermer van Taiwan tegen een eventuele aanval van China.

Een ander gevolg van de Koreaanse oorlog is de uitbreiding van het Amerikaanse containmentbeleid tot Azië. De harde anticommunistische lijn werd versterkt. Het communistische blok moest wereldwijd geïsoleerd worden (Van de Meerssche, 2002, p. 54). Hiervoor werd in september 1954 de Zuidoost-Aziatische Verdragsorganisatie SEATO opgericht, een westers beschermingssysteem voor Laos, Cambodja en Zuid-Vietnam. Een andere maatregel was het CENTA-verdrag van 1955[3]. Ook werden de banden met Australië en Nieuw-Zeeland aangehaald (ANZUS-pact) en werd werk gemaakt van de herbewapening en industrialisering van Japan. Over de hele wereld werden Amerikaanse legerbases opgericht, dit allemaal om het communistisch blok een halt toe te roepen en te isoleren van de rest van de wereld. De VS proberen zo hun machtspositie te versterken. Over de hele wereld worden bondgenoten gezocht. De militaire aanwezigheid over de hele wereld kan verklaard worden door de theorie van het realisme.

Ook op Europees vlak waren de gevolgen voelbaar: in de gedachtegang van Washington maakte het Duitse gevaar plaats voor het "Rode" gevaar. Niet alleen een snelle verdere bewapening van de VS maar ook herbewapening van Duitsland was plots een absolute noodzaak (Dobbins, 2003, p. 11). Herbewapening van Duitsland werd de sleutel om West-Europa te kunnen verdedigen. Duitse troepen zouden moeten worden ingezet, al lag dit heel delicaat bij verscheidene Europese bondgenoten (Vlekke, 1954b, pp. 248-249).

 

 

2.3 Vreedzame coëxistentie: het aantreden van Chroesjtsjov

 

2.3.1 Afrekenen met Stalin

 

Het overlijden van Stalin op 5 maart 1953 leidde tot een ommekeer in het buitenlands beleid van de SU, zonder dat de structuur van het stelsel of de koers van het bewind wezenlijke veranderingen ondergingen (Huijts, 1954, p. 627). Voor het eerst sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog brak een periode aan die aangevoeld werd als “Grote Dooi”. Malenkov verklaarde reeds een jaar na Stalins dood:

 

“Onze positie is duidelijk. Wij zijn voor een vreedzame economische wedijver van de SU met alle kapitalistische landen, de VS natuurlijk inbegrepen. De sovjetregering houdt consequent vast aan de positie dat ieder twistpunt in de huidige internationale betrekkingen langs vreedzame weg moet worden beslecht.” (Huijts, 1955, p. 320)

 

De SU had met Malenkov een groot aandeel in de onderhandelingen die een einde maakten aan de Koreaanse Oorlog. Onder leiding van Stalins opvolger als sterke man binnen de SU, Nikita Chroesjtsjov, werd deze ‘goodwill’-politiek ten opzichte van het Westen voortgezet. In juli 1955 kwamen de regeringsleiders van de "vier grootmachten" in Genève bijeen voor een eerste naoorlogse conferentie. In Genève werden geen belangrijke akkoorden gesloten, maar de symbolische waarde van de topconferentie was belangrijker. Voor het eerst na de oorlog zaten de VS en de SU samen aan de onderhandelingstafel. Was het einde van de Koude Oorlog in zicht?

De oorsprong van deze ontspanning ligt bij de eigen communistische achterban. Het overlijden van Stalin had heel wat verwarring teweeggebracht in de SU. Dit had dan weer consequenties voor de communistische satellietstaten, waar de leiders kansen zagen een onafhankelijkere koers te varen en eigen economische keuzes te maken: meer aandacht voor consumptiegoederen ten nadele van zware industrie.

Als Chroesjtsjov op 25 februari 1956 zijn destalinisatietoespraak houdt, wordt de verwarring nog groter. Deze toespraak voor het 20e partijcongres in Moskou wekt de aandacht van de internationale gemeenschap vanwege de door Chroesjtsjov uitgesproken officiële en openlijke veroordeling van Stalin door zijn eigen vroegere medestanders. Chroesjtsjov verwijst in zijn rede veel naar Lenin. De SU zal weer terugkeren naar de lijn van Lenin, waar Stalin te veel van was afgeweken (Schwenke, 1956, pp. 379-381). Naast kritiek op Stalin ontwikkelt Chroesjtsjov een nieuwe buitenlandse strategie: vreedzame coëxistentie. Deze strategie steunt op het principe van niet-inmenging in binnenlands beleid van andere staten. Chroesjtsjov vindt dat Lenin een fout maakt met zijn onvermijdelijke oorlog tussen kapitalisme en communisme. Beide systemen kunnen volgens Chroesjtsjov naast elkaar bestaan. Door het nucleaire evenwicht zou een kernoorlog leiden tot wederzijdse vernietiging. Het is dus van cruciaal belang voor beide grootmachten ‘vreedzaam’ naast elkaar te leven en zich niet te bemoeien met interne aangelegenheden bij de andere.

De toespraak van Chroesjtsjov kon niet zonder gevolgen blijven in de andere communistische landen. China is het duidelijk niet eens met de nieuwe wendingen in de SU. Mao zal zich ervan distantiëren. Ook in de satellietstaten in Oost-Europa staan de leiders van de communistische partij voor een moeilijke keuze. Velen worden nu openlijk verplicht tot zelfkritiek en tot versoepeling van hun beleid. Het uitblijven van deze veranderingen leidt tot interne opstanden. In Polen wordt openlijk kritiek geuit op het stalinisme. Een buitenlands correspondent van de New York Times in Warschau drukt dit toepasselijk uit op 9 mei 1956:

 

“Only the very top leaders are talking these days of what socialism had achieved in Poland. Everyone else is talking of the errors.” (Behemer, 1957, pp. 3-4)

 

Eind juni 1956 begint Moskou duidelijke ongerustheid te tonen over de gevolgen van deze politiek voor Midden- en Oost-Europese volksdemocratieën en buitenlandse politieke partijen (Behemer, 1957, pp. 18-19). In oktober-november 1956 breekt in Hongarije een opstand uit. Verschillende studentenmanifestaties pleiten voor een onafhankelijke Hongaarse politiek. De regering reageert verward. Eerst worden de betogingen toegelaten, daarna verboden, daarna opnieuw toegelaten (Behemer, 1957, pp. 39-41). Na verschillende toegevingen aan de opstandelingen gaat de Hongaarse regering te ver: Hongarije stapt uit het Warschaupact en hoopt een neutraal land te kunnen worden, zoals Oostenrijk. Hiervoor heeft het echter bescherming nodig van de Westerse wereld, maar die bescherming komt er niet. De SU vindt het welletjes en op 4 november 1956 trekken sovjettanks en -troepen Boedapest binnen om de opstand neer te slaan. De orde wordt hersteld en sovjetgezinden nemen opnieuw de sleutelposities in binnen de regering.

Voor de SU was het onaanvaardbaar dat Hongarije de machtspositie van het communistische blok zou verzwakken. Hier kan ook de dominotheorie toegepast worden: de situatie in Hongarije zou een voorbeeld kunnen worden voor andere hervormingsbewegingen in Midden- en Oost-Europa. Het ingrijpen van de SU wordt begrepen vanuit het realisme.

De prille ontspanning tussen Oost en West lijdt meteen onherstelbare schade. Chroesjtsjovs vreedzame-coëxistentiepolitiek verliest alle geloofwaardigheid in het Westen. Ook in de communistische partijen in West-Europa blijft de reactie niet uit. Vele intellectuelen verlaten de partij uit ongenoegen met het hardhandige optreden in Boedapest.

 

2.3.2 De New Look en de Eisenhowerdoctrine

 

“Only strength can cooperate, weakness can only beg”

-Dwight D. Eisenhower”

Ondertussen was in november 1952 Dwight Eisenhower tot Amerikaans president verkozen, en dit na een hevig anticommunistische campagne in zijn strijd tegen de democratische kandidaat Stevenson. Eisenhower is echter een aanhanger van het realisme. Hij begrijpt dat de Amerikaanse begrotingsproblemen enorm zijn en opgelost moeten worden. Hij moet de defensiebudgetten terugschroeven maar wil toch voldoende dreiging laten bestaan om de SU af te schrikken. Eisenhower formuleert zijn beleid in de ‘New Look’.

In de New Look stelt Eisenhower dat de veiligheid van de VS en hun bondgenoten gegarandeerd kan worden door de strategie van ‘massive retaliation’. De SU moet beseffen dat elke daad van agressie tegen de VS of een bondgenoot zou leiden tot een massale nucleaire tegenaanval. Deze ontradingsstrategie moet ervoor zorgen dat de VS hun defensiebudget kunnen terugschroeven zonder risico daardoor kwetsbaarder te worden bij een mogelijke aanval van de SU. De Amerikaanse nucleaire superioriteit moet volstaan om de Amerikaanse veiligheid te garanderen. Om de geloofwaardigheid te verhogen voor de bewering desnoods kernwapens te gebruiken, worden ook tactische kernwapens ontwikkeld die gemakkelijker inzetbaar zijn op het slagveld (Kerremans, 2003, p. 88).

De New Look wordt gekenmerkt door drie basisaspecten. Ten eerste wil Eisenhower niet overal ter wereld militair gebonden zijn. Dit streeft hij na via ‘massive retaliation’. Elk land zal nu wel twee keer nadenken vooraleer de Amerikaanse belangen op het spel te zetten. Ten tweede wil Eisenhower het zwaartepunt van defensie verschuiven van grondtroepen naar luchtmacht. Deze kan via massale bombardementen sneller resultaten boeken, en dit met minder slachtoffers bij de eigen troepen. Een laatste kernpunt van de New Look zijn bezuinigingen die Eisenhower per se wil doorvoeren (Mathon, 1956, pp. 477-479).

In 1956 wordt Eisenhower herkozen als president van de VS. Door de Suezcrisis en de sovjetinterventie in Hongarije is de korte periode van beperkte ontspanning in de Oost/West-relatie alweer voorbij. De Suezcrisis heeft de invloed van de SU in het Midden-Oosten verhoogd, vooral in Egypte. Eisenhower probeert nu akkoorden te sluiten met de landen in het Midden-Oosten om de groeiende sovjetinvloed te stoppen, en belooft wapens en economische steun. Van het Amerikaanse Congres krijgt hij de bevoegdheid “elke natie die hulp zou vragen tegen een gewapende aanval van een staat behorend tot het internationaal communistisch kamp, de nodige bijstand te verlenen” (Van de Meerssche, 2002 p. 63). De Eisenhowerdoctrine zou de nodige gevolgen hebben in de buitenlandse politiek van de VS.

De tegenstellingen tussen VS en SU breiden zich nu uit naar het Midden-Oosten. Na Europa en Azië komt het ook hier tot beperkte confrontaties tussen de twee supermachten. In juli 1957 geeft Eisenhower toestemming tot acties in Libanon, op verzoek van de Libanese president Chamoun. Hoewel de militaire actie beperkt blijft, is de operatie vooral een diplomatiek succes: een waarschuwing voor de Egyptische president Nasser en een test van de houding van Chroesjtsjov. Deze wil geen kernoorlog riskeren en verkiest voorrang te geven aan zijn coëxistentiepolitiek. Chroesjtsjov, die al in een moeilijke situatie verkeert in de SU, krijgt hiervoor veel kritiek van zijn eigen achterban en van de Chinese communisten.

 

2.3.3 Flexible Response en John F. Kennedy

 

“It’s an unfortunate fact that we can secure peace only by preparing for war”

-John F. Kennedy-

In november 1960 wordt John F. Kennedy verkozen tot Amerikaans president. Hij stapt meteen af van de New Look van zijn voorganger. Kennedy vindt de strategie van ‘massive retaliation’ niet meer bruikbaar. Hij volgt daarmee de mening van generaal Maxwell Taylor die onder Eisenhower uit de gratie was gevallen. Taylor, die zich had afgezet tegen de 'massive retaliation'-strategie van Eisenhower en de superioriteit van de luchtmacht, verklaarde in 1959:

 

“Massale vergelding als een leidend strategisch concept is dood. Vele wereldgebeurtenissen doen twijfelen aan de geldigheid ervan en hebben het bedrieglijk karakter ervan aan het licht gebracht. Korea, een beperkte conventionele oorlog, uitgevochten toen de VS een kernmonopolie bezaten, was een duidelijke weerlegging van de universele geldigheid. De vele andere beperkte oorlogen sinds 1945 zijn een duidelijk bewijs dat onze massale vergeldingsstrategie misschien wel de Grote Oorlog heeft kunnen beletten maar dat het de Kleine Vrede niet heeft kunnen bewaren.” (Coolsaet, 1980, p. 35)

 

Kennedy volgt Taylors alternatief, een ‘flexible response’-strategie. Aangezien de echte confrontatie van de Koude Oorlog niet in de VS of de SU zou plaatsvinden, maar in de derde wereld, was ‘massive retaliation’ niet geloofwaardig. Flexible response houdt in dat regimes die zich verdedigen tegen het communisme, kunnen rekenen op economische, politieke en militaire steun van de VS. Belangrijk is hierbij dat dit verder reikt dan louter een militaire strategie. Kennedy gelooft dat hij zijn communistische tegenstanders een belangrijke voedingsbodem ontneemt door de armoede te bestrijden. Hij wil de hele wereld bewijzen dat vrijemarkteconomie de sleutel is tot welvaartsstijging. Landen in de derde wereld zouden daardoor voor de VS kiezen en niet voor een communistisch systeem (Mackay, 1964, p. 551). De VS zullen alle moeite doen (economisch, politiek en militair) om regimes te steunen die onder druk staan van communisten. Reeds in zijn ‘Inaugural Address’ spreekt hij harde taal:

 

“Let every nation know, whether it wishes us well or ill, that we shall pay any price, bear any burden, meet any hardship, support any friend, oppose any foes, in order to assure the survival and success of liberty.” (Van de Meerssche, 2002, p. 67)

 

In tegenstelling tot Eisenhower (die hiertegen waarschuwt in zijn afscheidsspeech), is Kennedy ervan overtuigd dat de militaire bewapening moet worden opgevoerd. Kennedy verhoogt het defensiebudget, drijft het aantal intercontinentale raketten spectaculair op en start een grote bewapeningswedloop.

 

“For only if our arms are sufficient beyond doubt can we be certain beyond doubt that they will never be employed.” (Mackay, 1964, p. 549)

 

Net zoals Eisenhower heeft Kennedy vooral aandacht voor de theorie van het realisme. Het militaire aspect blijft de sleutel voor het buitenlands beleid van de VS. Toch sluipen er aspecten van het liberalisme binnen in het beleid van Kennedy, met name de aandacht voor een vrijemarkteconomie. Hiervoor is internationale samenwerking nodig.

De SU doet mee aan de wapenwedloop van Kennedy, hoewel het een moeilijk dossier is voor Chroesjtsjov. Hem wordt op het thuisfront verweten dat hij onvoldoende aandacht heeft gehad voor die bewapening en dat de SU hierdoor een gigantische achterstand heeft die in tien jaar niet in te halen is. De interne druk op Chroesjtsjov neemt toe, en daarom zoekt hij naar een andere aanpak: Cuba.

 

2.3.4 Cuba: het einde van de wereld?

 

De installatie van raketten op Cuba, in de achtertuin van de VS, moest de nucleaire achterstand van de SU neutraliseren. Maar zodra de VS via luchtspionage weet krijgen van de installatie van raketten, ontstaat een conflict dat zich snel ontpopt tot een enorme krachtmeting op wereldniveau. Kennedy reageert met een totale blokkade van Cuba en eist de onmiddellijke terugtrekking van de sovjetraketten. Chroesjtsjov staat nu voor de keuze: gezichtsverlies lijden of een kernoorlog riskeren. Na moeizame diplomatieke contacten is Chroesjtsjov bereid de raketten terug te halen in ruil voor de VS-belofte geen aanval meer te lanceren op Cuba. Een kernoorlog werd hier op het nippertje vermeden.

Chroesjtsjov komt als grote verliezer uit de Cubacrisis. In de SU geldt zijn toegeving als een vernedering. De binnenlandse druk wordt enorm. Chroesjtsjov gaat op zoek naar een diplomatieke overwinning en probeert versnelde economische hervormingen door te voeren (Kerremans, p. 110). Zijn positie is echter onhoudbaar geworden. Op 16 oktober 1964 wordt hij aan de dijk gezet als partijleider, en opgevolgd door Leonid Brezjnev.

In het algemeen zijn twee lessen te trekken uit de Cubacrisis. Zowel in de VS als in de SU beseft men dat de wereld op het nippertje is ontnapt aan een nucleair inferno. Het belang van een directe informatie- en communicatielijn wordt duidelijk. Topverantwoordelijken aan beide zijden moeten op elk moment met elkaar in contact kunnen staan om misverstanden met desastreuze gevolgen te vermijden. De tweede conclusie is het belang van een wederzijds gecontroleerd nucleair evenwicht. Een evenwicht in kernvermogen tussen de supermachten degradeert kernwapens tot het allerlaatste middel. Toch blijven de VS hun kernwapenarsenaal en kerntechnologie vernieuwen. Vooral de verdere ontwikkeling van strategische kernwapens wordt een prioriteit in de ‘flexible respons’-strategie van Kennedy.

 

 

2.4 Naar een detente? Het aantreden van Brezjnev

 

Na de Cubacrisis en met het besef van het gevaar van dergelijke conflicten volgt een korte ontspanning in de relatie tussen de VS en de SU. Hoewel de bewapeningswedloop snel voortgaat, onderhandelen diplomaten over afspraken en verdragen voor de beperking van kernwapens. In 1963 tekenen de VS, de SU en Groot-Brittannië het ‘Limited Test Ban Treaty’. De partijen komen overeen alle kernproeven in de atmosfeer, in de ruimte en onder water stop te zetten. Enkel ondergrondse kernproeven zijn nog toegestaan. In 1968 wordt voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties het Non-proliferatieverdrag getekend. De kernmogendheden verbinden zich ertoe geen kernwapens of -technologie te verkopen aan andere staten (Bull, 1975, p. 176).

Het tekenen van een militair verdrag druist in tegen de theorie van het realisme. Voor realisten is het een doodzonde om de eigen militaire macht uit eigen beweging te verzwakken. Het tekenen van het ‘Limited Test Ban Treaty’ kan wel verklaard worden door de theorie van het liberalisme. Als de beide partijen zich aan afspraken houden, zal op lange termijn een voordeel voor beide partijen ontstaan. Volgens liberalisten kan een dergelijk verdrag dus wel in het eigenbelang van een staat zijn.

De afspraken rond de reductie van kernwapens vormen een mooi voorbeeld van de GRIT-strategie van Charles Osgood[4]. Het zogenaamde ‘Kennedy-experiment’ begint in juni 1963 wanneer president Kennedy aankondigt unilateraal te zullen stoppen met kernproeven in open lucht, tenzij een ander land dit wél doet. Chroesjtsjov neemt de kans op wederkerigheid aan. Enkele dagen later kondigt hij een stop aan in de productie van strategische bommenwerpers. Hierop volgen een reeks unilaterale toegevingen en akkoorden voor wapenreductie zoals het ‘Limited Test Ban Treaty’. De deëscalatiecyclus eindigt wanneer de sovjetregering nieuwe tests start naar aanleiding van de kernproeven van de Franse regering. Dit betekent meteen de doorbreking van de GRIT-cyclus (Cashman, 2000, pp 188-189).

 

2.4.1 Het ontstaan van de Brezjnevdoctrine

 

Op 14 oktober 1964 verneemt de wereld verbaasd dat Chroesjtsjov is afgetreden als eerste partijsecretaris ‘in verband met zijn gevorderde leeftijd en verslechterende gezondheid'. Geen nadere uitleg of verklaring wordt gegeven (Broekmeijer, 1965, pp. 102-103). Leonid Brezjnev volgt Chroesjtsjov op als leider van de communistische partij in de SU. Aanvankelijk zet Brezjnev Chroesjtsjovs politiek van vreedzame coëxistentie en destalinisatie voort. Hij werkt ook mee aan de detente door mee te onderhandelen en een aantal verdragen met betrekking tot kernwapens te ondertekenen.

Brezjnevs eerste grote uitdaging is de situatie in Tsjecho-Slowakije. De voorbije jaren was daar een proces van geleidelijke hervormingen en vernieuwing van het communistisch beleid (aangeduid met termen als ‘destalinisatie’ en zelfs ‘liberalisering’) gestart. De voorstanders van nieuwe initiatieven op het vlak van cultuur, politiek en economie (vooral kunstenaars, wetenschappers, studenten en jongeren in het algemeen) botsen echter op hardnekkig verzet tegen de vernieuwingen vanwege behoudsgezinde krachten: massieve restanten van het stalinisme in het partijapparaat, de veiligheidsdiensten en het leger (Dittrich, 1968, pp. 603-606). Dit leidt tot groeiende onrust, ook binnen de partij. Brezjnev weet dit en begrijpt het gevaar ervan. Op 8 december 1967 brengt hij een onaangekondigd bezoek aan Praag (Bezemer, 1968, pp. 1548-1549). Zijn Tsjecho-Slowaakse collega Novotny, die door de groeiende oppositie in de top van zijn partij steeds meer in het nauw gedreven is, doet een beroep op de steun van de machtige Russische partij. Brezjnev geeft Novotny echter niet de duidelijke steun die hij nodig heeft. Brezjnev zou hebben verklaard:

 

“Kameraden, dit is jullie taak, jullie Tsjecho-Slowaakse zaak, en de CPSU zal zich niet met jullie zaken bemoeien.” (Bezemer, 1968, p. 1549)

 

Brezjnev is dus wel degelijk op de hoogte van de situatie in Tsjecho-Slowakije maar houdt zich afzijdig. Novotny kan zich zonder sovjetsteun niet lang meer handhaven als eerste secretaris van de Tsjecho-Slowaakse communistische partij en wordt op 5 januari 1968 vervangen door Alexander Dubcek. Dubcek maakt meteen duidelijk dat hij een nieuw politiek systeem wil installeren. Moskou aanvaardt Novotny’s afzetting (niet echt een verrassing na Brezjnevs verklaring), maar blijft met argwaan de situatie volgen. Op 23 maart, op een conferentie in Dresden, met verschillende Oost-Europese leiders, moet Dubcek zijn collega’s geruststellen over de ontwikkelingen in zijn land. Hoewel Dubcek zijn collega’s belooft dat ze niets moeten vrezen, groeit binnen de communistische wereld het wantrouwen tegen de Tsjecho-Slowaakse situatie. Op 14 en 15 juli vergaderen de leiders van Polen, Hongarije, Oost-Duitsland, Bulgarije en de SU in Warschau. Resultaat is een brief aan de Tsjecho-Slowaakse partij, die nauwelijks verschilt van een ultimatum.

Dubcek laat weten dat een inwilliging van de eisen ondenkbaar is. Op 20 augustus 1968 beslist Brezjnev dat een inval in Praag noodzakelijk is. Hij legitimeert de militaire interventie op basis van de ‘socialistische solidariteit’ van de leden van het Warschaupact. Na het neerslaan van de Praagse Lente lanceert Brezjnev de Brezjnevdoctrine: het Warschaupact zal ingrijpen tegen alle contrarevolutionaire activiteiten in de Oostbloklanden die de revolutionaire verworvenheden in de rest van het Oostblok in het gedrang kunnen brengen. Brezjnev beweert dat wanneer krachten, vijandig aan het socialisme, een socialistisch land naar een kapitalistisch land willen omvormen, dit niet alleen een probleem is van het betrokken land maar ook van alle andere socialistische landen. Zo worden de landen van het Oostblok nog sterker vastgehecht aan de SU. Het wordt duidelijk dat Moskou niet zal dulden toenadering te zoeken tot het Westen. In het Westen moet men met lede ogen toekijken hoe de vreedzame opstand in Praag hardhandig wordt neergeslagen. Van toenadering is geen sprake.

Net als de opstand in Hongarije in 1956 kan het neerslaan van de opstand in Praag verklaard worden vanuit het realisme. De dominotheorie is ook hier van toepassing. Andere hervormingsbewegingen zouden een voorbeeld kunnen nemen aan Praag. Voor de SU betekenden de gebeurtenissen in Tsjecho-Slowakije een machtsvermindering ten opzichte van de VS. Het was in het eigenbelang van de SU dat men ingreep in Praag.

 

2.4.2 De Vietnam-oorlog

 

Ook in Azië blijven zich conflicten voordoen die een verbeterende relatie tussen de SU en de VS bemoeilijken. De Vietnam-oorlog toont de VS de beperkte mogelijkheden aan van kernwapens. Ook worden de VS geconfronteerd met gigantische burgerprotesten in eigen land. De Amerikaanse bevolking is het helemaal niet eens met het verloop van de oorlog.

Een andere belangrijke factor in de Vietnam-oorlog is de positie van de Volksrepubliek China (PRC). De VS zullen meer en meer rekening moeten houden met de PRC en zullen proberen te profiteren van de rivaliteit tussen de SU en de PRC.

 

2.4.2.1 In het verlengde van de containmentpolitiek

 

In de VS wordt de oorlog in Vietnam opgevat als een daad van agressie van het communisme. Het communistische Noord-Vietnam zou steun genieten van de SU en de PRC. Zuid-Vietnam wordt daardoor een cruciaal element in de containment policy van de VS. Zoals tijdens de oorlog in Korea wordt ook hier de dominotheorie, en dus de theorie van het realisme, gebruikt om het buitenlands beleid van de VS uit te stippelen. Zuid-Vietnam geldt als cruciaal voor de veiligheid van heel Indochina: valt Zuid-Vietnam voor het communisme, dan komt heel Zuidoost-Azië, misschien zelfs Taiwan, Zuid-Korea en Japan, onder communistische controle. Dat zou een enorme klap zijn voor de VS en voor de Westerse wereld! Veelzeggend hierover is een citaat van J.F. Kennedy:

 

“In my opinion, for us to withdraw from that effort would mean a collapse not only of South Vietnam but Southeast Asia. So we are going to stay there.” (Van de Meerssche, 2002, p. 137)

 

Vanuit de containmentlogica is de beslissing om Amerikaanse soldaten naar Vietnam te sturen en ze daar te houden - ook al verloopt de oorlog niet naar wens - goed te begrijpen. De VS hebben zelf belangen bij de oorlog. President Lyndon Baines Johnson grijpt de (vermeende) aanslagen van de Noord-Vietnamezen op het Amerikaanse schip 'Maddox’ aan om de Amerikaanse inmenging in de oorlog op te voeren. Het Congres keurt bijna unaniem de ‘Golf van Tonkin'-resolutie goed, zodat president Johnson de toestemming krijgt alle nodige maatregelen te nemen in Vietnam. De Amerikaanse betrokkenheid in Vietnam wordt gevoelig opgedreven.

De Amerikaanse betrokkenheid in Vietnam is een mooi voorbeeld van incrementalisme, dat in het eerste hoofdstuk al werd aangehaald. De opeenvolgende Amerikaanse regeringen en presidenten hebben telkens kleine stappen genomen om hun aanwezigheid en betrokkenheid in Vietnam te vergroten. Het begint al wanneer president Truman beslist de Fransen te helpen in hun strijd in hun toenmalige kolonie. Later beslist Eisenhower de pas geïnstalleerde Zuid-Vietnamese regering te steunen. Kennedy kiest ervoor het aantal militaire adviseurs in Zuid-Vietnam gevoelig te verhogen. Johnson op zijn beurt start met de bombardementen en stuurt troepen. Onder Nixon blijven de VS stapsgewijs beslissingen nemen. Nooit wordt abrupt besloten van koers te veranderen. Steeds meer en meer troepen worden ingezet. Laos en Cambodja worden gebombardeerd om de aanvoerlijnen van de communistische vijand te vernietigen (Cashman, 2000, p. 84).

Deze incrementalistische beslissingen werden niet zomaar lukraak genomen. De opeenvolgende Amerikaanse presidenten begrepen heel goed dat dit de enige oplossing was. Beperkte beslissingen houden alle opties open. Een grote sprong in het buitenlands beleid zou het aantal alternatieven drastisch verminderen. Bovendien zijn kleine stappen dikwijls een manier om verschillende ‘stromingen’ in het buitenlands beleid tevreden te stellen. Vooral Johnson had last van botsingen tussen ‘haviken’ en ‘duiven’ in zijn regering. De verschillende Amerikaanse presidenten begrepen goed dat ze opereerden in een beleidsdomein dat zeer onzeker en moeilijk te begrijpen was. In een dergelijke situatie was het rationeel een incrementalistische beleidsstijl te gebruiken (Cashman, 2000, p. 85).

 

2.4.2.2 Linkages

 

“Diplomacy: the art of restraining power”

-Henry A. Kissinger-

Een nieuwe vorm van diplomatie ontstaat tijdens de Vietnam-oorlog: de Linkages-diplomatie, vooral bekend van Henry Kissinger, veiligheidsadviseur én minister van Buitenlandse Zaken onder president Nixon en later minister van Buitenlandse Zaken onder Nixons opvolger Ford. Kissinger mag worden beschouwd als de belangrijkste actor in het buitenlands beleid van de VS tijdens de periode Nixon-Ford (1969-1976).

Kissinger hoort thuis in de categorie ‘Realpolitik’. Hij gaat uit van de stelling dat verschillende op het eerste gezicht losstaande gebeurtenissen in internationale betrekkingen toch met elkaar te maken hebben. Daarom brengt hij in zijn diplomatie verschillende ‘dossiers’ met elkaar in contact. Voor toegevingen op het ene vlak wil hij toegevingen op een ander vlak. Zo probeert hij het eigenbelang van de VS in verschillende dossiers te optimaliseren. Kissinger ziet geen graten in geheime onderhandelingen. Geheime diplomatie is volgens hem heel doeltreffend.

Het belangrijkste element in de opkomst van de Linkages-diplomatie is de overtuiging van Kissinger dat de Noord-Vietnamezen steun krijgen van beide communistische grootmachten: de SU én de Volksrepubliek China. Om deze steun zoveel mogelijk te breken moeten de VS hun relaties met de SU én met de PRC verbeteren (Scott, 1970, pp. 339-342). Een algemene verbetering van de relaties wordt dus ‘gelinkt’ aan de strategie van de VS in de oorlog in Vietnam.

Om de relatie met de Volksrepubliek China te verbeteren moesten de VS een grote bocht maken in hun buitenlands beleid. Tot oktober 1971 hadden de VS zich verzet tegen de overdracht van de Taiwanese permanente zetel in de VN-veiligheidsraad aan de PRC. Kissinger gebruikte deze zetel als pasmunt om de PRC in Noord-Vietnam tussenbeide te doen komen ten voordele van de VS. Ook de historische ontmoeting tussen Mao en Nixon bevestigde de verbeterde relatie met de PRC. De betere relaties met de PRC kwamen niet door een liefdadigheidsgevoel. Vriendschap was niet de doelstelling, wel het vergroten van de eigen belangen. Door de situatie in Vietnam werd het ineens in het belang van de VS om een goede relatie te hebben met de Volksrepubliek China. De theorie van het realisme is hier dus ook van toepassing.

Ook met de SU waren betere relaties vereist om minder tegenkanting te ondervinden in de Vietnam-affaire. Hier geldt de MAD-theorie (Mutually Assured Destruction). De SU en de VS hebben allebei voldoende kernwapens om de ander te vernietigen, zelfs als ze zelf eerst aangevallen worden. Hun 'second strike capability' is met andere woorden enorm én volstaat, en beide landen beseffen dit ten volle. Er worden dan ook onderhandelingen gestart om de wapenwedloop onder controle te krijgen. Het belangrijkste verdrag is het Non-proliferatieverdrag van juni 1968.

De Linkages-diplomatie wordt echter niet alleen toegepast op de problemen in Vietnam. Ook in het Midden-Oosten en in Oost-Europa probeert Kissinger problemen te linken om ze gemakkelijker op te lossen. Hij tracht echter al vroeg de verbeterde relaties met de SU uit te spelen tegen de PRC en vice versa. De leiders van de PRC doorzien hem en zullen zich daarom harder gaan opstellen in internationale kwesties.

 

2.4.3 Carters nieuwe stijl

 

In november 1976 verslaat Jimmy Carter zittend president Gerald Ford in de presidentsverkiezingen. Carter wil breken met de Realpolitik en de geheime diplomatie van Ford en Kissinger. Volgens Carter zijn de vorige regeringen teveel bezeten bezig geweest met de SU. Carter wil meer aandacht schenken aan andere problemen van internationale betrekkingen. De vorige regeringen zagen de relatie tussen SU en VS als de kern van de wereld en hadden daardoor te weinig bewegingsvrijheid voor andere problemen. De reden hiervoor is volgens Carter de aandacht voor de stijgende militaire macht van de SU. Carter vindt deze angst van de vorige regeringen onterecht: het wordt tijd om de relatie met Moskou met meer vertrouwen tegemoet te gaan (Sonnenfeldt, 1978, p. 275). Carter gelooft in ‘positive incentives’-beleid, en dat detente slechts te bereiken is door zelf eerst een gebaar van goede wil te stellen. Deze strategie is vergelijkbaar met de GRIT-strategie van Charles Osgood die in hoofdstuk 1 werd besproken. Door zelf een eerste stap te zetten hoopt Carter op een positief tegengebaar van zijn sovjetcollega Brezjnev (Cashman, 2000, p. 186).

De grootste moeilijkheid om de GRIT-theorie in de praktijk toe te passen is die eerste stap. President Carter zal dit zelf snel merken. Nog geen 24 uur na zijn eedaflegging besluit hij unilateraal de Amerikaanse kernwapens uit Zuid-Korea terug te trekken. Hij is ervan overtuigd dat vanuit de SU een positief tegengebaar zal volgen, en dat daarmee een cyclus van spontane unilaterale ontwapeningsacties en detente kan starten. Het tegengebaar van de SU komt er echter niet…

 

2.4.3.1 Mensenrechten

 

Een ander aspect waarop president Carter in zijn buitenlands beleid steunt, zijn de mensenrechten. Mensenrechten krijgen vooral aandacht in de theorie van het liberalisme. Carter kan zijn aspiraties echter zelden waarmaken, waardoor zijn beleid weinig consistent is. Zo steunt hij bijvoorbeeld het Sjah-regime in Iran dat zich weinig aantrekt van mensenrechten. Ook zijn kritiek op de mensenrechtensituatie in de SU kan hij niet hard maken omdat deze kritiek een hinderpaal blijkt voor verdere ontwapeningsgesprekken met de SU. Carter had gehoopt op een doorbraak met de SU maar moet al snel inzien dat zijn nieuwe benadering geen grote resultaten oplevert (Ulam, 1979, p. 555).

Carter kan niet anders dan zijn moralisme en liberalisme verlaten en terugkeren naar de Realpolitik van zijn voorgangers. Het beste voorbeeld hiervoor is de passieve steun van de VS aan het regime van Pol Pot in Cambodja, waarvan we intussen weten dat het tot de meest gewelddadige regimes uit de hele geschiedenis van de mensheid behoorde. Pol Pot respecteert geen enkele vorm van mensenrechten maar Carter vindt het belangrijker dit regime te steunen dan het risico te lopen dat Cambodja onder Vietnamese (en dus Sovjetrussische) controle komt. De VS leveren zelfs wapens aan het regime van Pol Pot. Van het moralisme van Carter komt dus niet veel meer in huis.

 

2.4.3.2 Carterdoctrine

 

Als op 27 december 1979 de SU Afghanistan binnenvalt, begint voor president Carter een moeilijke periode. Hij beseft dat zijn politiek van moralisme en mensenrechten niet doeltreffend is. Hij moet anders handelen en doet dat ook. Hij vaardigt een graanembargo uit tegen de SU en lanceert de Carterdoctrine, namelijk dat de VS elke sovjetpoging om controle te verwerven over de Perzische Golf zal interpreteren als een aanslag op de vitale belangen van de VS en deze met alle mogelijke middelen, inclusief militair geweld, zal beantwoorden.

Carter is Realpolitiker geworden. Hij heeft de steun van Pakistan nodig in Afghanistan en is bereid hiertoe het Symington Amendment op te geven. Het Symington Amendment voorzag in sancties voor Pakistan en India indien een van beide landen zich bezighoudt met de ontwikkeling van een kernwapen. In plaats van de kernwapens te reduceren, laat Carter nu zowel Pakistan als India toe om kernmachten te worden, enkel en alleen voor Pakistaanse steun in de kwestie Afghanistan.

De Afghaanse oorlog wordt in de VS opgevat als het bewijs dat de zachte aanpak van Carter niet werkt. En wanneer in Iran de Islamitische Revolutie uitbreekt en een groep Iraanse ‘studenten’ de Amerikaanse ambassade bezet en gijzelt, betekent dit het politieke einde van Carter. In november 1980 verliest hij de presidentsverkiezingen tegen Ronald Reagan. Met Reagan neemt het Amerikaanse buitenlands beleid een nieuwe wending.

 

 

Hoofdstuk 3: Het einde van de Koude Oorlog: het aantreden van Gorbatsjov

 

“I like Mr Gorbachev, we can do business together”

-Margaret Thatcher-

Inleiding

 

Er is een goede reden om de periode van Gorbatsjov als een apart hoofdstuk te beschouwen. Hoewel er nog altijd sprake was van een Koude Oorlog tussen de VS en de SU, heerste in het Westen een voorzichtig gevoel van opluchting na de eerste kennismaking met de nieuwe Russische leider: met deze man viel te praten. Dat was een groot verschil met de vorige partijsecretarissen. Gorbatsjov leek niet de man die het Westen zou vernietigen als hij de kans kreeg. Voor het eerst na de Tweede Wereldoorlog viel de sovjetdreiging grotendeels weg. Het rijk van Gorbatsjov zou echter van vrij korte duur zijn: gebeurtenissen in de satellietstaten en in de SU zelf waren de aanleiding tot een volledige implosie van de SU en het noodgedwongen aftreden van de hervormer Gorbatsjov. Eerst moet echter nog worden ingegaan op de dood van Brezjnev en de korte overgangstermijnen van Andropov en Tsjernenk