| Ontwikkelingslanden en klimaatverdragen; een kritische kijk op de implementatie van het Clean Development Mechanism. (Thomas Peeters) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Inleiding
Door de opwarming van de aarde is de Inuït-bevolking in de Noordpoolgebieden genoodzaakt haar woordenschat uit te breiden om fenomenen als onweer of wespen een naam te geven. Vogels leggen tegenwoordig meer eieren in april, dan in mei, wanneer ze dit volgens het gezegde zouden moeten doen. Afrikaanse korstmossen komen voor op Nederlandse bomen en binnen luttele jaren bevindt de Europese wijnstreek bij uitstek zich in Nederland. Op een ernstigere noot bestaan er gevaren voor de voedselvoorziening, volksgezondheid, biodiversiteit, enz. Zelfs heel der landen dreigen te verdwijnen door het stijgen van de zeespiegel.
Zulke berichten zijn de dag van vandaag niet meer weg te denken uit de verslaggeving. Uit steeds nauwkeurigere wetenschappelijke rapporten, maar ook uit onze dagdagelijkse ervaring komt almaar meer een pijnlijke waarheid naar boven. Ons klimaat verandert!
Dat de mensheid door zijn activiteiten de natuur kan beïnvloeden is reeds lang geweten. Door vervuiling, jacht, overbevissing, enz. compromitteert de mens wereldwijd het voortbestaan van bepaalde fauna en flora. Maar dat ook het globale klimaat invloed ondervindt van menselijke acties gaat nog een grote stap verder. Hoe ongelooflijk dit ook moge klinken, dit proces is reeds volop aan de gang en iedereen draagt de gevolgen ervan.
Door industriële activiteiten en landbouwactiviteiten heeft de mens langzaam maar zeker de concentratie van de broeikasgassen in de atmosfeer verhoogd. Deze broeikasgassen vormen als het ware een deken dat de aarde van extra isolatie voorziet. Hierdoor kent onze planneet een gestage opwarming die enorme effecten zal hebben op ons klimaat, sommige voordelig, de meeste destructief.
Toen de nadelige gevolgen begonnen te dagen, werd dan ook aan de alarmbel getrokken. Omdat het een thema betreft dat de ganse wereld aangaat en dan ook door de ganse wereld moet worden opgelost kwam het thema op de internationale agenda terecht. Het was aan beleidsmakers op dit niveau om oplossingen uit te werken die de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer weer omlaag zouden helpen.
Het internationale forum is echter een grote verzameling van verschillende landen met al even verschillende belangen. Bovendien waren er grote verschillen in de verantwoordelijkheid van deze landen voor het probleem. Het waren immers de industrielanden die in het verleden de grootste uitstoters waren en het probleem voor het grootste deel gecreëerd hebben. Het was dus geen sinecure om de verschillende belangen en de verschillende verantwoordelijkheden in rekening te brengen bij het bedenken van een oplossing. Toch kwam er een conventie en vervolgens een protocol uit de bus. In de ‘United Nations Framework Convention on Climate Change’ (UNFCCC) en het aanvullende Kyoto protocol verbonden de geïndustrialiseerde landen zich ertoe hun emissies terug te brengen tot een bepaald niveau. De ontwikkelingslanden kregen geen verplichtingen. Tevens werden een aantal creatieve methoden bedacht om het verlagen van uitstoot op een efficiënte manier te laten gebeuren.
Het Clean Development Mechanism (CDM) was één van die creatieve methoden. Het is een poging om de nood aan ontwikkeling van de ontwikkelingslanden te combineren met de verantwoordelijkheid van de industrielanden om uitstoot te verlagen. Het vormt tevens het onderwerp van deze verhandeling.
De bedoeling van het CDM is dat de geïndustrialiseerde landen projecten uitvoeren in ontwikkelingslanden die kredieten opleveren die in rekening gebracht kunnen worden door de industrielanden om aan hun verplichtingen te voldoen. Voor het ontwikkelingsland dient het project bij te dragen aan de duurzame ontwikkeling van dat land.
We kunnen dus twee doelstelling onderscheiden waaraan CDM-projecten moeten voldoen. Ten eerste moet het CDM zorgen voor een effectieve verlaging van de uitstoot van broeikasgassen. Dit is wat men in het klimaatveranderingsregime het criterium van de additionaliteit noemt. Ten tweede moet het CDM een bijdrage leveren aan de duurzame ontwikkeling van de ontwikkelingslanden.
Deze twee criteria liggen aan de basis van de onderzoeksvragen die we in deze verhandeling zullen behandelen. Op basis van een grondige studie van de relevante literatuur zullen we het antwoord zoeken op twee vragen. Ten eerste gaan we na of en in welke mate het CDM bijdraagt aan de verlaging van de uitstoot van broeikasgassen. We bekijken of CDM werkelijk werkt of dat het gewoon een achterpoortje vormt waarlangs het Noorden aan zijn verplichtingen kan ontsnappen. Ten tweede vragen we ons af of het CDM werkelijk bijdraagt aan duurzame ontwikkeling. Komt het CDM ten goede aan de ontwikkelingslanden, of worden deze landen simpelweg voor de noordelijke kar gespannen in hun strijd tegen klimaatverandering?
We zullen deze twee vragen behandelen, zowel op het niveau van de theorie die achter het CDM schuilgaat als op het niveau van de praktische implementatie ervan.
In een eerste hoofdstuk schetsen we het theoretische kader waarbinnen we de onderzoeksvragen zullen beantwoorden. Hier behandelen we een aantal relevante theorieën, waaronder een definiëring van het begrip duurzame ontwikkeling en een beeld van het internationale systeem.
Een tweede hoofdstuk behandelt klimaatverandering en het hele proces dat zich hieromtrent heeft afgespeeld op het internationale forum. In dit kader duiden we dan de exacte plaats van het CDM aan.
Het derde hoofdstuk behandelt het CDM zoals het er op papier uitziet. We gaan na wat de regels zijn, welke procedures er worden gebruikt en welke instellingen hieraan te pas komen.
In een vierde hoofdstuk bekijken we hoe dit wordt vertaald naar de praktijk. Wordt het CDM daadwerkelijk geïmplementeerd volgens de geest van de internationale afspraken, of zijn er hiaten in de regels die toelaten dat de doelstellingen van het CDM niet worden beantwoord?
Een vijfde hoofdstuk geeft een evaluatie van het CDM in het licht van het theoretisch kader. Dit gebeurt zowel op het theoretische als op het praktische niveau.
Vanwege het ecologische kader van deze verhandeling en het thema van broeikasgassen, zou het onverantwoord zijn dit document enkelzijdig te presenteren. Dit zou immers meer papier vergen, wat meer bomen het leven zou kosten en waardoor dus meer CO2 in de atmosfeer zou vrijkomen. Vandaar viel de keuze dan ook op een dubbelzijdige versie van deze verhandeling.
Hoofdstuk 1: Theoretisch kader
1. Inleiding
We zullen het ‘Clean Development Mechanism’ (CDM) kaderen in een aantal relevante theorieën, die samen een basis moeten bieden voor een degelijke kritische evaluatie. In dit eerste hoofdstuk zullen we deze theorieën uit de doeken doen om ze vervolgens in een later hoofdstuk toe te passen op het CDM.
In een eerste deel bespreken we het begrip duurzame ontwikkeling en de ideeën die hierachter schuilgaan. De relevantie van dit concept zal ongetwijfeld niemand ontgaan. Het hele Kyotoproces is immers gericht op duurzaamheid en meer bepaald die van de atmosfeer, terwijl CDM in het bijzonder de link legt met ontwikkeling, vanwege het betrekken van de ontwikkelingslanden in het proces. Bovendien is het bijdragen aan ‘sustainable development’ één van de twee voorwaarden voor CDM-projecten. We zullen de theorie die in dit stuk wordt gegeven dan ook later gebruiken voor de evaluatie van het CDM op een theoretisch niveau. De operationele criteria van duurzame ontwikkeling komt later aan bod.
Op het eerste zicht komt de term duurzame ontwikkeling misschien paradoxaal over. We worden langs alle kanten geconfronteerd met milieuproblemen die worden veroorzaakt door menselijke ontwikkeling. Zou nog verder ontwikkelen dan niet de doodsteek betekenen voor onze reeds verzwakte biosfeer? Er zijn echter theorieën die de tegenstelling tussen economische groei en milieuzorg tegenspreken. Deze worden behandeld in een tweede deel.
Over de zorg voor het milieu en de hulp aan de derde wereld is al heel wat inkt gevloeid. Maar het kan niet blijven bij een mooie retoriek of een theoretische invulling. Duurzame ontwikkeling moet in de praktijk gebracht worden en dit in een wereld waar ethische overwegingen niet steeds de bovenhand halen. Daarom bespreken we in een derde deel de internationale politieke arena. Is deze in wezen anarchistisch en geldt het principe ieder voor zich, of wordt er gehandeld volgens ethische normen, en zo ja, hoe komen deze tot stand?
In een vierde deel vragen we ons af hoe men in zulk systeem, waar er geen centrale overheid de touwtjes in handen heeft, kan zorgen voor publieke goederen. We kunnen een stabiel klimaat immers als een dergelijk publiek goed beschouwen.
2. Duurzame ontwikkeling
Eén van de twee grote vragen waarop we een antwoord trachten te geven in deze verhandeling is de vraag omtrent de mate waarin CDM een bijdrage kan leveren aan duurzame ontwikkeling. Maar wat houdt dit begrip nu juist in? Eerst gaan we op zoek naar een goede definitie van duurzame ontwikkeling. Vervolgens bespreken we enkele theorieën die een invulling pogen te geven aan dit begrip en die methode proberen te verschaffen om duurzame ontwikkeling toe te passen in de huidige maatschappelijke context.
In 1987 bracht de ‘World Commission on Environment and Development’ (WCED) een rapport uit. De commissie stond onder leiding van de Noorse eerste minister Gro Harlem Brundtland en was samengesteld uit vertegenwoordigers van zowel industrielanden als ontwikkelingslanden. Het rapport ‘Our Common Future’, beter bekend als het Brundtland rapport, moest een antwoord bieden op de grote ontwikkelings- en milieuproblemen en een methode naar voor schuiven voor een houdbare menselijke groei en ontwikkeling, met andere woorden duurzame ontwikkeling.
Het Brundtland rapport definieerde duurzame ontwikkeling als volgt: “Sustainable development is development that meets the needs of the present without compromising the ability of future generations to meet their own needs.” [1] De definitie bevat een aantal belangrijke concepten. Ten eerste is er het concept ontwikkeling. Hier wordt dit gepercipieerd als wat we allen doen om ons lot te verbeteren. Duurzame ontwikkeling is dan ontwikkeling onder de voorwaarde dat deze voor iedereen mogelijk is, ook voor de toekomstige generaties. Ten tweede is er het concept noden. In de eerste plaats betreft het hier de essentiële noden van ’s werelds armen. Ongelijkheid wordt immers opgevat als het grootste probleem voor ontwikkeling en milieu. Als we de definitie van naderbij bekijken dan zien we dat deze bepaalde limieten impliceert. Ze vertelt ons dat er grenzen zijn aan het vermogen van onze planeet om de effecten van antropogene activiteiten op te vangen. Deze grenzen worden in de eerste plaats bepaald door de finaliteit van de planeet, maar ook door de limieten van de menselijke technologie en sociale organisatie. Verder valt de omvang van het concept op. De term duurzame ontwikkeling wordt vaak uitsluitend voorbehouden voor de domeinen milieuzorg en ontwikkelingssamenwerking. De WCED zag de term echter in een globale context en over de verschillende beleidsdomeinen heen. De titel van het Brundtland rapport liegt er niet om. “Our common future” duidt op de noodzaak voor de planeet als geheel om haar verantwoordelijkheid op te nemen. We leven immers in een wereld van steeds toenemende interdependentie, wat ervoor zorgt dat de invloedssfeer van onze acties steeds verder reikt. Het is ondertussen algemeen aanvaard dat het begrip duurzame ontwikkeling drie dimensies bestrijkt, nl. de sociale, de economische en de ecologische dimensie.[2]
Nu we hebben stilgestaan bij de definitie kunnen we ook eens gaan kijken naar de voorgestelde maatregelen voor de toepassing van duurzame ontwikkeling. In 1992 werd in Rio de Janeiro de “UN Conference on Environment and Development” gehouden, beter bekend als de “Earth Summit”. Hier werd Agenda 21[3] opgesteld, een uitgebreid plan om het begrip duurzame ontwikkeling in de praktijk te brengen. Agenda 21 bouwde voort op het Brundtland rapport en concretiseerde veel van de ideeën die door de WCED werden geopperd.
Agenda 21 legt de nadruk op koppelen.[4] Het plan verbindt economische beslissingen met ons ecologisch welzijn, het linkt onze levenskwaliteit aan de kwaliteit van het milieu en het koppelt de levenswijze van de huidige generatie aan die van de toekomstige generaties. De agenda is onderverdeeld in 4 secties die we hier kort zullen toelichten.
De eerste sectie behandelt de sociale en economische dimensies. Onder het adagio ‘think globally, act locally’ pleit men voor internationale organisatie en degelijke nationale projecten. In de preambule wordt reeds gewag gemaakt van het feit dat duurzame ontwikkeling geen zaak is van staten apart, maar dat samenwerking vereist is. Verder wordt de hoogste prioriteit gegeven aan het bestrijden van armoede en ongelijkheid. Er heerst immers een sterke consensus dat duurzame ontwikkeling niet kan worden bereikt in onze hedendaagse onevenwichtige maatschappij. We denken hierbij bijvoorbeeld aan de armen die uit noodzaak hun landbouwgrond laten overbegrazen of regenwoud plunderen of de rijken die natuurlijke rijkdommen gebruiken als waren deze onuitputtelijk. De eerste sectie is in wezen een pleidooi voor een integratie van beleidsdomeinen. Traditioneel bestaat er een scheiding en soms zelfs tegenstelling tussen economische, ecologische en sociale aspecten van het beleid. In het dagelijkse leven zijn deze drie aspecten echter volledig met elkaar vervlochten. Men wil dan ook komen tot een beleid, zowel op internationaal als op nationaal, regionaal of lokaal vlak, dat rekening houdt met de volledige impact van de genomen beslissingen.
De tweede sectie richt de aandacht op het beheren van onze natuurlijke rijkdommen.[5] Hieronder valt het efficiënter omgaan met lucht, water, bossen, energie, enz. De voorgestelde maatregelen omvatten tevens het verminderen en recycleren van afval en het anticiperen op en juist inschatten van het effect van antropogene handelingen op het milieu.
De derde sectie brengt een aantal grote groepen onder de belangstelling. Men wil hiermee vrouwen, jeugd, inheemse bevolking, NGO’s, enz een rol geven in het proces van duurzame ontwikkeling.
De vierde sectie tenslotte behandelt de implementatie van de agenda. Het gaat hier dan over uitwisseling van technologieën, financiering en instituties.
3. Ecologie versus economie: paradox?
In de voorgaande paragraaf haalden we aan dat duurzame ontwikkeling een integratie van economie en ecologie inhoudt. Men wil een beleid creëren waarbij economische groei en milieubehoud hand in hand gaan. Maar kan dit wel? De uitkomst van dit vraagstuk houdt ernstige implicaties in voor de implementatie van duurzame ontwikkeling in het algemeen en dus ook de implicatie van de Kyotonormen en meer specifiek van het CDM. Talloze scenario’s met betrekking tot de Kyotomaatregelen spreken immers van een ernstige daling van ’s werelds economische groei. Bedrijven en overheden moeten investeren in nieuwe technologieën die uitstoot van broeikasgassen doen dalen. Dit brengt een daling van de opbrengsten met zich mee die dan weer resulteert in hogere werkloosheid, enz. Als er echter een harmonie wordt gevonden tussen de ecologische en economische doelstellingen staat niets de implementatie van agenda 21 of het Kyotoprotocol nog in de weg – althans theoretisch. In deze paragraaf betreden we dus het spanningsveld tussen beide aspecten van het aardse leven en gaan we op zoek naar de theoretische gulden middenweg.
In een eerste deel gaan we in op de ideeën die de vaders van de duurzame ontwikkeling voor ogen stonden. We nemen namelijk het Brundtland rapport nog eens onder de loep op zoek naar oplossingen voor bovenstaand vraagstuk. In een tweede paragraaf bespreken we de theorie van de ecologische Kuznets curve die laat zien dat ecologische bekommernissen ook in een liberaal vrijhandelssysteem hun plaats krijgen. Milieuaspecten worden gekaderd in het spel van vraag en aanbod.
3.1. Economie en ecologie volgens het Brundtlandrapport
In ‘Our Common Future’ wordt op tal van plaatsen aangehaald dat er een vorm van economische groei moet worden bekomen die ecologie en duurzaamheid niet in de weg staat.[6] Er wordt gesproken van ‘changing the quality of growth’ en dat beide ‘not necessarily in opposition’ zijn.
Het document benadrukt dat economische groei duurzaam kan zijn mits een shift naar minder materiaal- en energie-intensieve activiteiten en een verbetering van de efficiëntie in het gebruik van beide. Ook meer gelijkheid wat de impact van economische groei betreft zou bijdragen aan de duurzaamheid van deze groei. Deze gelijkheid moet bovendien voorrang krijgen op de snelheid van de groei. Anders gezegd is een trage, meer gelijk verdeelde groei duurzamer dan een snelle ongelijke groei.
Het Brundtland rapport reikt een aantal middelen aan die tot een duurzamere economie kunnen leiden. Een eerste middel om ecologie en economie te linken is het inschatten van milieueffecten bij kostenramingen. Zo worden ook de kosten in rekening gebracht die zich op een later tijdstip kunnen voordoen als gevolg van de achteruitgang van natuurlijke hulpbronnen. Ook in de besluitvorming zouden ecologie en economie op elkaar moeten inspelen. De twee zijn immers ook met elkaar vervlochten in het dagelijkse leven. In de meeste overheden worden beide dimensies immers door aparte afdelingen gereguleerd, vaak met tegenstrijdige belangen. Een nauwere samenwerking van dergelijke afdelingen zou voor een duurzamer beleid zorgen. Vele problemen hebben immers hun wortels in deze sectoriële fragmentatie.
3.2. Ecologische Kuznets curve[7]
Bij de opbouw van deze theorie vertrekken we vanuit het verschil tussen twee maatstaven van welvaart. Welvaart is zeer moeilijk te meten vanwege de veelzijdigheid van de term. Het gaat hier immers om een mengeling van sociale, economische, ecologische, enz. factoren.
Een simplistische maatstaf, die enkel economische aspecten in overweging neemt is het Bruto Binnenlands Product (BBP).[8] Dit drukt ruwweg de monetaire waarde uit van alle economische transacties die gedurende een bepaalde periode in één land werden gemaakt. Vermits zulke welvaartsmeting geen rekening houdt met andere aspecten van de menselijke ontwikkeling dan de economische kwam het ‘United Nations Development Programme (UNDP)’ met een nieuwe methode voor de dag. De ‘Human Development Index (HDI)’ is een samengestelde index die rekening houdt met een breder gamma aan welvaartsindicatoren. Geletterdheid bij volwassenen, levensverwachting bij geboorte en levensstandaard zijn er in opgenomen. Echter ook deze index faalt jammerlijk als het neerkomt op ecologie. Daarom hebben een aantal wetenschappers, met name Daly en Cobb en Max-Neef een derde maatstaf ontwikkelt die ook milieuaspecten in rekening brengt. De ‘Index of Sustainable Economic Welfare (ISEW)’ behelst naast andere aspecten ook de kosten van milieubescherming, het opgeraken van natuurlijke rijkdommen, enz.
Max-Neef ging voor vijf geïndustrialiseerde landen op zoek naar het verband tussen het BBP en de ISEW. Het bleek dat deze twee indexen tot op een zeker punt parallel liepen. Vanaf dat punt echter (ergens tussen 1970 en 1980, maar voor elk land verschillend) stagneerde de ISEW of begon deze zelfs te dalen, terwijl het BBP gestaag bleef stijgen. Als we nu het BBP als maatstaf voor economische activiteit of productie nemen en de ISEW als index van levenskwaliteit, kunnen we uit deze gegevens afleiden dat deze laatste niet meer stijgt bij een bepaald niveau van productie. Hoewel de ISEW voor discussie vatbaar is vanwege de ietwat arbitraire keuze van factoren geven voorgaande bevindingen toch een goede indicatie van wat er zich afspeelt op het ecologische-economische spanningsveld. Hoewel ecologische factoren niet meespelen als het gaat om louter economische groei, zijn ze wel belangrijk bij het bepalen van de levenskwaliteit. En dat laatste is waar het om draait. Om het met de woorden van Brundtland te zeggen: “The environment is where we all live and development is what we all do in attempting to improve our lot within that abode.” [9]
Met het voorgaande in het achterhoofd lanceren we een plausibele hypothese, die we vervolgens theoretisch zullen staven. Het is algemeen aanvaard dat economische groei een grote druk zet op het milieu. Maar volgens sommigen zal economische groei vanzelf uitdraaien op ecologische duurzaamheid. Een kwaliteitsvol milieu wordt steeds meer een waardevol goed. De vraag naar meer milieuvriendelijke technologieën zal dan ook stijgen, waardoor economische groei gaat resulteren in milieubehoud. “Die andere soort van groei”, waar het Brundtland rapport het over heeft zal zich dus als het ware automatisch voltrekken.
Laten we nu pogen deze stelling te onderbouwen. Hiervoor lanceren we het begrip ‘throughput’. ‘Throughput’ is de optelsom van alle materiaal en energie die nodig zijn om een bepaalde productie te bekomen. De ratio van productie en throughput is dan een maat voor de efficiëntie waarmee wordt geproduceerd. Als men veel kan produceren met weinig throughput, zal de ratio immers hoog zijn en omgekeerd. De inverse van deze ratio staat dan voor de throughput-intensiteit. Een hogere efficiëntie leidt tot een ontkoppeling van economische groei en milieudegradatie. We kunnen nu drie soorten economische groei onderscheiden die elk een verschillende impact hebben op het milieu. Ten eerste is er de economische groei waarbij er geen toename is in de efficiëntie waarmee er wordt geproduceerd. Dit betekent dat de ratio van throughput en productie niet verandert. De productie zal stijgen, dus ook de throuhput die daarvoor nodig is en bijgevolg ook de lasten voor het milieu. Bij deze vorm van economische groei treedt er geen ontkoppeling op. Ten tweede is er de economische groei die gepaard gaat met een stijging van efficiëntie, waarbij deze efficiëntieverhoging echter niet groot genoeg is om bijkomende milieudegradatie uit te balanceren. Met andere woorden zal de productie stijgen, alsook de efficiëntie, maar deze laatste stijgt niet genoeg, zodat er toch nog bijkomende throughput en dus milieudegradatie nodig is om aan de economische groei tegemoet te komen. We spreken hier van relatieve ontkoppeling. Ten derde is er het scenario waarin de stijging in efficiëntie hoger ligt dan de economische groei. In dit geval zal er meer geproduceerd worden met minder throughput, wat een verlichting van de ecologische last met zich meebrengt. Het gaat hier om absolute ontkoppeling. In dit laatste geval kunnen we spreken van duurzame ontwikkeling. Die treedt op vanaf het moment dat de stijging van efficiëntie gelijke tred houdt met de economische groei en dus de negatieve milieueffecten uitbalanseert.
We kunnen ons nu de vraag stellen of dit proces van absolute ontkoppeling zich ook effectief zal voordoen. Gegevens wijzen erop dat de relatie tussen de druk uitgeoefend op het milieu en het BBP per capita de vorm heeft van een omgekeerde U. Dit betekent dat milieudegradatie toeneemt tot op een bepaald punt van het BBP per capita (en dus stijgt met economische groei), maar vanaf dan begint te dalen. Hieruit kunnen we afleiden dat vanaf dat punt de efficiëntie van de productie stijgt, aangezien de economische groei gepaard gaat met een daling van de schade aan het milieu. Als we dit nu kaderen in onze theorie over de drie soorten economische groei kunnen we stellen dat wanneer de omgekeerde U zijn top bereikt, de overgang naar absolute ontkoppeling wordt gemaakt. Als we deze evolutie in de praktijk bekijken kunnen we inderdaad een aantal trends in deze richting onderscheiden. Ten eerste zitten we volop in een tijdperk waarin, wat de westerse economieën betreft, de diensten– en informatiesector duidelijk overheersen. Dit houdt reeds een vermindering van negatieve effecten voor het milieu in. Ten tweede zien we een verhoogde aandacht voor en vraag naar een gezond milieu. Immers met andere behoeften vervuld, wordt er plaats gemaakt om ecologie meer op de voorgrond te zetten. Dit geeft incentieven aan de industrie om ook daadwerkelijk op zoek te gaan naar schonere en zuinigere technologieën.
We hebben tot dusver een uitsluitend positief verhaal gebracht. Er is echter ook een keerzijde aan de medaille. Het blijkt immers uit de theorie dat duurzame ontwikkeling enkel kan worden aangehouden als de efficiëntie van het productieproces even snel of sneller stijgt dan de productie zelf. Technologische efficiëntieverhoging heeft echter zijn limieten. Hierdoor kan er een herkoppeling optreden van economische groei en ecologische degradatie tot er een nieuwe technologische doorbraak komt.
In de industrielanden is het keerpunt reeds bereikt en is er dus een absolute ontkoppeling aan de gang. In het Zuiden is er echter nog een lange weg af te leggen. Als men nu in het Noorden de factoren zou bestuderen die hebben bijgedragen aan het bereiken van het keerpunt, kan men deze wetenschap misschien aanwenden tot het vervroegen van het keerpunt in ontwikkelingslanden.
Om te besluiten kunnen we stellen dat deze economische analyse bewijs levert dat duurzaamheid en ontwikkeling niet onverenigbaar zijn. De top van de ecologische Kuznets Curve is immers het begin van de weg naar duurzaamheid. Verder drukt ze de hoop uit dat maatregelen ter bescherming van ons milieu niet enkel van het politieke vlak zullen moeten komen. De bevinding dat ook endogene krachten de markt in de richting van ‘die andere economische groei’ stuwen is een belangrijke vaststelling, niet in het minst voor de beleidsmakers die zich nu geruggesteund kunnen voelen door de economie die zolang een schijnbare tegenpool had gevormd van de ideeën rond duurzaamheid en ecologie.
4. Het internationale systeem: anarchie of ethiek?
Het klimaat en de atmosfeer behoren toe aan de ganse wereld en vallen bijgevolg onder de gedeelde verantwoordelijkheid van alle staten die daartoe behoren. De internationale politiek is dan ook de arena waar het debat wordt gevoerd en de afspraken worden gemaakt omtrent deze materie. In wat volgt behandelen we de specifieke eigenschappen van dit beleidsniveau. We belichten de visies van de twee grote stromingen binnen de studie van de internationale politiek, namelijk het realisme en het liberalisme.
In het realisme neemt het concept ‘macht’ een centrale plaats in.[10] Macht wordt dan gezien als de capaciteit om anderen te beïnvloeden. Macht kan dan uitgeoefend worden met militaire of economische middelen, maar ook door middel van ideeën. Dit laatste is wat realisten ‘softpower’ noemen. Als een staat zijn waarden en normen kan overdragen op andere staten en zo verandering kan brengen in de manier waarop die staten denken over hun eigen belangen, dan spreken we ook van macht. De centrale rol die macht speelt in het internationale systeem dankt zij aan het anarchistische karakter ervan. In de binnenlandse politiek van een staat kan macht immers worden gekanaliseerd en ingeperkt door een vaste hiërarchie, gevestigde instellingen en de wet. In de internationale politiek ontbreekt het echter aan een centrale overheid.[11] Weliswaar bestaat er een grote variëteit aan internationale instellingen, waarvan de VN de grootste koepel vormt. De VN heeft echter geen dwangmacht. Het principe van nationale soevereiniteit is de algemeen aanvaarde norm in het internationale politieke spel. In deze anarchistische omgeving gedragen de staten zich als rationele actoren. Dit wil zeggen dat de staten handelen in hun eigen belang en daarvoor hun macht aanwenden.
Hoe de relaties tussen staten zich ontwikkelen in een dergelijke anarchistische wereld kunnen we illustreren aan de hand van speltheorie. Met name het gevangenendilemma geeft een beeld van hoe staten zich tegenover elkaar gedragen. We maken even abstractie van de bestaande wereld en stellen ons een wereld voor met slechts twee staten; A en B. Beide staten beschikken over eenzelfde atmosfeer en ze beschikken beide over een vervuilende industrie. De atmosfeer geraakt na een tijd van intensieve economische activiteit vergeven van de broeikasgassen. Als deze vervuiling blijft aanhouden dreigt er een klimaatverandering op te treden met desastreuze gevolgen. Beide staten besluiten dan ook hierover afspraken te maken. Hun besluit houdt in dat ze beide hun industriële activiteit zullen inperken tot een aanvaardbaar niveau. De vraag is nu of beide landen de afspraak zullen naleven. Er ontbreekt immers een uitvoerend orgaan dat niet-naleving kan bestraffen. Om het gedrag van de landen na te gaan stellen we een matrix op waarin we de preferenties van beide landen voor elke mogelijke uitkomst uitzetten. Het meest geprefereerde geval voor beide landen zal zijn dat de ander zich aan de afspraak houdt en het land zelf niet. Dit zorgt immers voor een relatief propere atmosfeer en een behoorlijk concurrentieel voordeel. De tweede beste oplossing is deze waarin ze beide de afspraak naleven. Dit levert hen immers een zuivere atmosfeer op en beide landen blijven concurrentieel. De derde beste oplossing is deze waarin ze beide de afspraak niet naleven en er dus niets verandert. Hier moet men weliswaar niet inboeten aan economische activiteit, maar kijken de landen wel aan tegen de rampzalige gevolgen van klimaatverandering. De slechtste uitkomst tenslotte is deze waarin het land zelf zich aan de afspraak houdt, maar het andere land dit niet doet. Hiermee verliest het land zijn concurrentieel vermogen in ruil voor een relatief propere atmosfeer.
Tabel 1: preferentiematrix bij het gevangenendilemma
|
A |
B |
||
|
|
Naleven |
Niet Naleven |
|
|
Naleven |
3,3 |
1,4 |
|
|
Niet Naleven |
4,1 |
2,2 |
|
Vermits beide staten rationeel handelen zullen ze enkel denken aan het maximaliseren van het eigen voordeel. Ze zullen hun mogelijkheden inschatten op basis van de mogelijke acties van het andere land. Land A zal als volgt redeneren: ‘Als land B de afspraak naleeft is het beter voor ons om dit niet te doen. Score vier is immers beter dan score drie. Als land B daarentegen de afspraak niet naleeft, wordt de beste uitkomst bereikt door dit ook niet te doen. Score twee is immers beter dan score één.’ De dominante respons wordt dus niet-naleving. Dit geldt voor beide landen.
Tegenover deze realistische visie van internationale politiek staat de liberale visie. Deze haalt een positiever idee uit het gevangenendilemma, met name dat samenwerking op het internationale vlak mogelijk is. De liberalen stellen dat een uitweg uit het dilemma wordt gevonden als het spel herhaaldelijk wordt gespeeld. Het concept dat dan de bovenhand haalt is ‘wederkerigheid’. Dit houdt in dat als het spel meermaals wordt gespeeld, niet-naleving door het ene land zal worden bestraft met niet-naleving door het andere land en dat naleving daarentegen zal worden beloond door naleving. Zo ontstaat coöperatie. Het liberalisme erkent met andere woorden het ontbreken van een centrale overheid voor het afdwingen van regels en normen, maar schrijft deze functie toe aan het concept wederkerigheid. Als we deze theorie doortrekken naar een grotere collectiviteit komen we bij het begrip ‘collectieve veiligheid’. Dit was wat Woodrow Wilson reeds op het oog had na de eerste wereldoorlog met het oprichten van de Volkenbond. Bedoeling was dat als één land over de schreef ging, alle andere landen een coalitie zouden vormen om de dissident te bestraffen. Hier zijn echter enkele voorwaarden aan verbonden. Ten eerste moet er overeenstemming zijn over de misstap van een staat en hoe deze aangepakt moet worden. Ten tweede moeten de landen van de alliantie zich houden aan hun engagement ten aanzien van de groep. Het kan immers niet zo opportuun zijn een machtige staat tegen zich in het harnas te jagen. Bij dit alles hanteren de liberalen een heel ander begrip van rationaliteit dan de realisten. Zij denken meer aan een lange termijn rationaliteit waarin het delen van collectieve voordelen vooropstaat.
De academische strijd tussen realisten en liberalen is nog lang niet aan zijn einde. Wellicht ligt de waarheid ergens in het midden. In ieder geval dienen we rekening te houden met de realistische eigenschappen eigen aan de internationale politiek. Als het er dus op aankomt om maatregelen te nemen die de atmosfeer moeten vrijmaken van schadelijke broeikasgassen, kunnen we niet uitsluiten dat het algemeen belang niet steeds voorop zal staan en dat eigenbelang van elke staat apart een belangrijke plaats zal innemen, zowel in het debat als in de uitvoering.
5. Globale publieke goederen
Na het bestuderen van het reilen en zeilen in het internationaal systeem kunnen we stellen dat het verstrekken van publieke goederen op globaal vlak geen sinecure is. De coöperatie vereist voor dergelijke publieke goederen is immers geen evidentie. Nochtans is een stabiel klimaat een globaal publiek goed dat op internationaal niveau moet worden verschaft. In wat volgt belichten we het concept van globale publieke goederen.
In een eerste paragraaf geven we een algemene definitie. Vervolgens komen de strategieën aan bod die kunnen worden gehanteerd bij het verstrekken van deze goederen. Een derde deel behandelt de problemen die daarbij kunnen opduiken. In een vierde deel verlaten we even de louter economische of speltheoretische visie en maken we plaats voor concepten als ethiek en legitimiteit. Een vijfde deel tenslotte gaat in op het spanningsveld tussen gelijkheid en efficiëntie.
5.1. Het concept
Ondanks Adam Smith’s ongebreidelde vertrouwen in de markt en de werking van de onzichtbare hand, kende de grondlegger van het kapitalisme toch een rol toe aan de overheid. Deze moest instaan voor het verstrekken van publieke goederen, zoals infrastructuur, veiligheid en justitie. Publieke goederen vormen immers een marktfaling.
Een algemeen aanvaarde definitie schrijft twee eigenschappen toe aan publieke goederen, nl. niet-uitsluitbaarheid en non-rivaliteit.[12] Niet-uitsluitbaarheid houdt in dat eens het goed wordt verschaft, niemand valt uit te sluiten van de consumptie ervan. Met non-rivaliteit wordt dan weer bedoeld dat de marginale kost om het goed aan één extra consument aan te bieden, gelijk is aan nul.[13] Met andere woorden wijzigt de consumptie door één iemand extra, niets aan de beschikbaarheid van het goed voor anderen. Kaul en Mendoza breidden deze definitie uit.[14] Zij beweren dat de samenleving de twee basiseigenschappen van publieke goederen kan wijzigen. Door bepaalde beleidskeuzes belanden goederen vaak in de publieke dan wel private sector. Publieke goederen zijn dan sociale constructies. Dit betekent dat goederen potentie kunnen hebben om publiek te zijn, maar het daarom nog niet zijn. In de versie van Kaul en Mendoza ziet de definitie er als volgt uit:
‘Definition 1: Goods have a special potential for being public if they have nonexcludable benefits, nonrival benefits or both.
Definition 2: Goods are de facto public if they are nonexclusive and available for all to consume.’
We nemen het voorbeeld van de atmosfeer om het voorgaande te illustreren. De atmosfeer is een niet-uitsluitbaar goed. We kunnen immers (in realistische scenario’s) niemand uitsluiten van het gebruik ervan. Non-rivaliteit ontbreekt echter. Een bijkomende gebruiker zet immers meer druk op de atmosfeer, wat zorgt dat de marginale kost groter is dan nul. De atmosfeer is dus geen puur publiek goed. Het bezit echter wel de eigenschap dat het niet-uitsluitbaar is. We spreken hier van een ‘common pool resource’. Door een sociale (juridische) constructie heeft de samenleving de eigenschap van niet-uitsluitbaarheid echter deels gewijzigd. Met name het Kyotoprotocol heeft, door het systeem van uitstootvergunningen, het gebruik van de atmosfeer, voor wat het vervuilen ervan betreft, wel exclusief gemaakt.
5.2. Strategieën
Hoe worden dergelijke goederen nu verstrekt? De publieke goederen die zonder menselijke inbreng reeds aanwezig zijn buiten beschouwing gelaten, kunnen we drie verschillende soorten publieke goederen onderscheiden naargelang de manier waarop ze worden bekomen.[15] Ten eerste zijn er de publieke goederen die met de ‘best shot’-strategie worden bekomen. Dit zijn goederen die door slecht één individu moeten worden voorzien en waarvan de ganse samenleving de vruchten kan plukken. We denken hierbij bijvoorbeeld aan de ontwikkeling van een vaccin. Ten tweede zijn er de publieke goederen die voor hun voorziening afhankelijk zijn van de zwakste schakel. Denken we bijvoorbeeld aan een groep die een geheim moet bewaren. De geheimhouding is dan het publieke goed waarvan de voorziening in het gedrang komt wanneer de zwakste schakel de mond voorbij praat. Om dit te vermijden is een gezonde dosis coördinatie nodig. Ten derde zijn er de publieke goederen die worden verkregen door sommatie. Hierbij bestaat het publieke goed uit de optelsom van de inspanningen die door ieder individu worden geleverd. In dit geval is niet enkel coördinatie vereist, maar eveneens coöperatie. Een stabiel klimaat valt onder deze categorie. We kunnen dit doel immers enkel bereiken als elk land zijn steentje bijdraagt aan de reductie van broeikasgassen. Op het nationale niveau vinden we talrijke voorbeelden van publieke goederen die op deze manier worden verstrekt, namelijk door het belastingssysteem. Iedereen betaalt belastingen en draagt zo bij tot een uitgebreid gamma aan publieke goederen, gaande van infrastructuur tot nationale veiligheid.
5.3. Vrijbuiterij en andere problemen
De moeilijkheid van sommatiegoederen is dat ze blootgesteld zijn aan het vrijbuitersprobleem. Het vrijbuitersprobleem bouwt verder op het gevangenendilemma dat we eerder bespraken, maar breidt dit uit naar meerdere spelers. We nemen hierbij weer een zuivere atmosfeer als voorbeeld. Van ieder land wordt verwacht dat het zijn bijdrage levert in het reduceren van de uitstoot van broeikasgassen.
We bekijken nu deze situatie voor een willekeurig land A aan de hand van volgende matrix.
Tabel 2: preferentiematrix betreffende vrijbuiterij
|
A |
Andere landen |
||
|
|
Naleven |
Niet Naleven |
|
|
Naleven |
3 |
1 |
|
|
Niet Naleven |
4 |
2 |
|
Aangezien de beslissing van een individueel land weinig effect heeft op het geheel, zijn enkel de voorkeuren van land A in de tabel opgenomen. De meest geprefereerde situatie is die waarin land A zelf zijn verplichtingen niet naleeft, terwijl alle andere landen dit wel doen. Zo kan het immers genieten van de voordelen van een zuivere atmosfeer zonder zelf in de kosten te delen. Deze strategie noemt men ‘freeriding’ of vrijbuiterij. Als alle andere landen kiezen voor coöperatie heeft land A er dus het meeste voordeel bij dit niet te doen. Maar ook in het geval dat de andere landen voor niet-naleving kiezen is dit de beste optie voor land A. Het zou immers nadelig zijn om kosten te maken voor een goed dat er toch niet komt. De dominante strategie wordt dus niet-naleven en dit voor alle landen.
In een nationale context kan een overheid met dwangmacht dit probleem oplossen door iedereen te dwingen te betalen. Het principe van belastingen is hier op gebaseerd. De overheid verstrekt tal van publieke goederen met de som van de individuele bijdragen van de burgers.
In het internationale systeem ontbreekt deze centrale overheid. Zoals reeds gezegd kan het principe van reciprociteit hier een handje toesteken. In het geval van sommatiegoederen is dit echter zeer gelimiteerd. Nemen we weer het voorbeeld van de zuivere atmosfeer. Stel dat één land besluit zijn belofte te breken en toch meer uit te stoten dan afgesproken. Als de andere landen nu besluiten dit dissidente land te straffen volgens het principe van reciprociteit betekent dit dat ze ook meer zouden gaan uitstoten dan voorzien. Het is duidelijk dat ze daarmee zichzelf minstens evenveel schade berokkenen als het gestrafte land.
Vrijbuiterij is vooral een probleem in grote anonieme groepen. Naarmate de groep kleiner wordt, wordt het moeilijker om afwijkend gedrag te verbergen, is het effect groter voor de voorziening van het goed en is het gedrag makkelijker te bestraffen.
Een tweede probleem met dit soort van goederen is dat niet alle landen dezelfde prioriteiten hebben. Op nationaal niveau komen de preferenties aan het licht en worden keuzes gemaakt op basis van verkiezingen. In het internationaal systeem is dit niet aan de orde. We zien dan ook een grote verscheidenheid aan landen die allen een andere volgorde van prioriteiten aanhouden. In het klimaatdebat is deze verscheidenheid zeer duidelijk. Zo zijn er de industrielanden, de ontwikkelingslanden, de nieuw-geïndustrialiseerde landen, de ‘Oil Producing and Exporting Countries’ (OPEC) en de kleine eilandstaten, die allen een verschillend belang hebben bij het proces. De meest uitgesproken grens blijft echter nog steeds deze tussen de industrie- en de ontwikkelingslanden. Ontwikkelingslanden staan achter in het verstrekken van nationale publieke goederen. Het is dan ook geen verrassing dat deze een hogere prioriteit genieten dan globale publieke goederen. Anderzijds zijn het wel de ontwikkelingslanden die het meeste belang hebben bij een stabiel klimaat. Dit heeft te maken met het feit dat de rijkere landen beschikken over private exit-opties. Zo kan men in de westerse wereld geld vrijmaken voor het aanleggen of verhogen van dijken, het bijsturen van de landbouwactiviteit en zelfs voor het installeren van airconditioning. Niet alleen de verschillende landengroepen verschillen in hun voorkeuren. Ook de verschillende generaties verschillen qua prioriteiten. Het probleem is dat de toekomstige generaties geen stem hebben in het huidige debat.
Ondanks deze hindernissen genieten de meeste internationale akkoorden toch universele naleving. We moeten dit echter samen zien met participatie. Een akkoord is pas effectief als genoeg landen deelnemen en als de deelnemers het dan ook nog naleven. Een hoge participatie is dus het eerste wat moet worden bekomen. Er moeten dus incentieven tot deelname zijn of omgekeerd, niet-deelname moet worden afgeschrikt. Eens dit bereikt is, is het afschrikken van niet-naleving geen probleem meer. Maar zoals reeds gezegd heeft het afschrikken door middel van reciprociteit te kampen met een gebrek aan geloofwaardigheid. Hoe groter de straf voor een dissident, hoe harder de straffers zichzelf benadelen.
Een vaak gehanteerde tactiek is dan de regels van het spel te veranderen, zodat landen wel geneigd zijn zich te engageren. De bedoeling is dan om van een coöperatiespel een coördinatiespel te maken. Hierbij rekent men op de interdependentie in de wereld. We nemen het voorbeeld van het MARPOL-akkoord om dit te illustreren. Olietankers hebben ballast nodig om veilig over zee te varen. Daarom bestond de gewoonte om na het afleveren van hun lading, hun tanks weer te vullen met zeewater. Voor een nieuwe lading olie werd opgepikt werd dit water, dat zich ondertussen met de resten van de olie had vermengd, weer in zee geloosd. Om deze praktijk tegen te gaan werden verschillende pogingen ondernomen om tot een internationaal akkoord te komen. De eerste pogingen faalden echter, wat vooral te wijten was aan het gebrek aan efficiënte afdwinging. De meeste akkoorden hielden immers in dat een soort controle op zee moest worden uitgevoerd. Het MARPOL-akkoord veranderde echter de spelregels en voerde een standaard in voor alle tankers die inhield dat er aparte tanks voor water en olie moesten zijn. Hierdoor moest er enkel nog worden gecontroleerd in de havens. Schepen die niet aan de afspraak voldeden kon toegang tot de haven worden geweigerd. Op deze manier moest eerst een drempel worden overwonnen, maar eens er genoeg landen deelnamen werd het incentief groter om mee te doen. Niet-deelname hield immers een verlies aan handel in. Het betrekken van handel in dit akkoord is een cruciaal gegeven. Er wordt immers niet enkel opgelegd dat eigen schepen aparte tanks moeten hebben, maar ook dat schepen die dit niet hebben geen toegang tot havens van deelnemende landen krijgen.
5.4. Het goede nieuws
Uit de voorgaande uiteenzetting zou men kunnen afleiden dat het verstrekken van publieke goederen op globaal niveau bijna onmogelijk is. Gelukkig is dit niet het geval. Internationale akkoorden hebben immers nood aan legitimiteit. Het gaat tenslotte om een politiek proces dat, weliswaar niet rechtstreeks, onderhevig is aan het oordeel van de burger. Op het internationale niveau zijn dan ook vele organisaties uit de civiele maatschappij actief die als waakhond toezien op de gehanteerde principes.
Wanneer wordt een overeenkomst nu eerlijk bevonden? Spijtig genoeg bestaat er geen éénduidig concept van rechtvaardigheid of eerlijkheid. Wel zijn er een aantal principes die kunnen worden gevolgd en die we hieronder zullen bespreken met betrekking tot globale publieke goederen. Deze principes kunnen in drie dimensies worden toegepast; bij de besluitvorming, bij het leveren van de bijdragen en bij het verdelen van de opbrengsten.
Ten eerste is er het principe van gelijkheid. Dit houdt in dat alle landen dezelfde behandeling krijgen en dat kosten en baten gelijk worden verdeeld. Dit ligt echter moeilijk als de verschillende partijen ongelijk aan de start verschijnen. Een tweede principe is proportionaliteit. Dit kan op drie manieren. Ten eerste kunnen de baten van een goed toebedeeld worden aan de verschillende landen volgens de gedane investeringen. Ten tweede kunnen de kosten van een goed worden verdeeld naargelang de mogelijkheid van landen om deze te dragen. Dit laatste noemt men gedeelde maar gedifferentieerde verantwoordelijkheid. We vinden dit onder meer terug in artikel 7 van agenda 21.[16] Hierbij aansluitend kan men dan weer de baten van een goed verdelen op basis van bestaande noden. Een derde stelregel is die van verworven rechten, een beloningssysteem op basis van verdienste. Compensatoire gerechtigheid is een vierde principe. Dit houdt in dat opbrengsten zodanig moeten verdeeld worden dat onredelijke kosten die in het verleden op één partij werden verhaald worden gecompenseerd. Dit impliceert een bepaalde initiële gelijkheid van landen die historisch is scheef getrokken en waarvoor nu de nodige compensatie dient te worden geleverd. Er zijn reeds veel variaties op deze basis principes ontwikkeld. In het ecologische domein vinden we het ‘vervuiler betaalt’-principe terug. Het ‘no harm’-principe vormt de basis voor het principe van compensatoire gerechtigheid. Landen moeten ten allen tijde vermijden om schade te berokkenen aan anderen. Dit principe staat ingeschreven in artikel 21 van de Stockholm-verklaring, de voorloper van de Rio-verklaring.[17]
In de praktijk vinden we deze principes terug bij onderhandelingen over internationale akkoorden. Bij het structureren van negotiaties en het formuleren van de akkoorden wordt steeds rekening gehouden met deze principes of hun afgeleiden. Gerechtigheid wordt ervaren als een combinatie van eerder genoemde principes tot een balans wordt bereikt tussen de verschillende individuele belangen. Belangrijk is dat in tegenstelling tot een realistische visie de uitkomst van internationale akkoorden geen exacte afspiegeling is van de bestaande machtsverhoudingen. Ethische normen zijn wel degelijk van belang om een akkoord te bereiken dat door alle partijen als legitiem wordt aanvaard.
5.5. Gelijkheid versus efficiëntie [18]
We hebben in een vorige paragraaf besproken wat de ethische normen zijn die een internationaal akkoord de nodige legitimiteit geven. Maar wat zijn nu de economische normen die een akkoord de nodige daadkracht geven? Ethische en economische overwegingen zijn vaak moeilijk te combineren. In deze paragraaf bekijken we het probleem van globale publieke goederen vanuit een welvaartseconomisch standpunt.
Globale publieke goederen bevinden zich in een spanningsveld tussen gelijkheid en efficiëntie. Dit is een uitermate belangrijk aspect in het kader van deze verhandeling, aangezien het de economische rol belicht die ontwikkelingslanden kunnen spelen in het voorkomen van klimaatverandering.
Om dit te verduidelijken doen we beroep op een aantal concepten uit de internationale economie. We maken hierbij gebruik van een fictief voorbeeld van een economie met twee landen, een rijk land en een arm land, en twee goederen, een privaat goed en een publiek goed. Stel nu dat het arme land, vanwege lage lonen, het private goed goedkoper kan produceren dan het rijke land. Het heeft met andere woorden een comparatief voordeel wat dat goed betreft. In het geval dat er volledig vrije internationale handel plaatsvindt, zal een welvaartsoptimum tot stand komen. Dit wil zeggen dat het spel van vraag en aanbod een pareto-efficiënte situatie zal voortbrengen waarbij het niet mogelijk is de welvaart van één land te doen stijgen zonder de welvaart van een ander land te doen dalen. In het geval van private goederen is het, economisch gezien, evident dat gebruik wordt gemaakt van comparatieve voordelen In het geval van publieke goederen is dit echter minder logisch. De voordelen die een publiek goed oplevert zijn immers dezelfde voor iedereen. Als er dus gebruik wordt gemaakt van comparatieve voordelen zou één land meer produceren van het goed maar er hetzelfde profijt uit halen als alle anderen.
Als men bij het verstrekken van publieke goederen toch gebruik wil maken van deze comparatieve voordelen moet dit gepaard gaan met inkomenstransfers om de bijdragen weer in evenwicht te brengen. Indien dit niet gebeurt, is het ontwikkelingsland met het comparatieve voordeel uiteindelijk slechter af en versterkt dit de ongelijkheid tussen beide landen.
6. Besluit
In dit hoofdstuk gaven we een overzicht van het theoretisch kader dat we zullen gebruiken om het CDM te evalueren. In wat volgt zullen we een overzicht bieden van alle belangrijke aspecten van dit mechanisme. Dit doen we met de reeds gepresenteerde theorieën in het achterhoofd zodat we later alle elementen uit het CDM een plaats kunnen geven binnen dit kader.
Eerst gaven we de definitie en de achterliggende ideeën van het begrip duurzame ontwikkeling, aangezien dit één van de twee basisvoorwaarden is voor CDM-projecten. Een centraal gegeven in deze theorie is dat ongelijkheid veelal aan de basis ligt van niet-duurzame ontwikkeling. Deze ongelijkheid kan zich in drie dimensies afspelen, namelijk in de economische, de sociale en de ecologische dimensie. We zullen de bijdrage van het CDM aan duurzame ontwikkeling dan ook kunnen evalueren aan de hand van deze dimensies en aan de mate waarin het probleem van ongelijkheid wordt aangepakt.
Vervolgens namen we het spanningsveld tussen economie en ecologie onder de loep. Deze twee hoeven niet noodzakelijk tegenstrijdig te zijn en mits een beetje creativiteit kunnen wegen gevonden worden waarop beide hand in hand kunnen gaan. We zullen later nagaan of het CDM onder deze categorie valt.
Het CDM is een internationaal gegeven. De internationale context wordt door realisten en liberalen op een zeer verschillende wijze ingeschat. Het staat echter wel vast dat andere spelregels gelden op het internationale niveau dan op het nationale niveau. In onze evaluatie zullen we dan ook zien of het CDM past binnen deze spelregels en dus kan aarden in een internationaal systeem.
Tenslotte bestudeerden we de theorie van publieke goederen. Een stabiel klimaat is een publiek goed en is bijgevolg ook onderhevig aan alle problemen die daarmee te maken hebben. Er zijn echter strategieën die deze problemen kunnen overwinnen. We zullen later nagaan of het CDM deze strategieën hanteert. Belangrijk daarbij is het spanningsveld tussen efficiëntie en gelijkheid.
Deze theorieën zouden ons genoeg stof moeten geven om het CDM te evalueren op een theoretisch niveau. In de volgende hoofdstukken zal het volledige mechanisme worden besproken en zullen ook alle praktische aspecten en complicaties aan bod komen.
1. Inleiding
In dit hoofdstuk gaan we op zoek naar de bestaansreden van het CDM. Dit mechanisme past immers in een veel groter geheel van internationale afspraken. We proberen een chronologisch beeld te geven van het hele klimaatveranderingsregime.
We moeten natuurlijk eerst weten waarom er internationale afspraken nodig waren. In een eerste deel bespreken we dan ook wat klimaatverandering juist inhoudt. Wat zijn de oorzaken? Wat zijn de gevolgen? En wat kan worden gedaan?
Vervolgens bestuderen we hoe het probleem op de internationale agenda belandde en daar een steeds prominentere plaats in nam. Hierbij komt eerst de ‘United Nations Framework Convention on Climate Change’ (UNFCCC) aan bod, vervolgens het Kyoto protocol en de Marrakesh akkoorden, om te eindigen met een diepere studie van de onderhandelingen voor de creatie van het CDM.
2. Wat is Klimaatverandering?
In deze verhandeling bespreken we de uitkomst van het politieke proces dat een antwoord moet geven op het probleem van klimaatverandering.
In de media wordt geen consequent beeld opgehangen van dit probleem en zijn gevolgen. We krijgen langs de ene kant dramatisch verhalen te zien en horen, tot rampenfilms toe, terwijl het probleem langs de andere kant vaak geminimaliseerd wordt. Om een goed beeld te krijgen van het probleem waar de internationale politiek voor staat is het dan ook belangrijk een accurate wetenschappelijke kijk op het probleem te schetsen. Dit doen we in het volgende deel. We baseren ons hierbij op de rapporten van het ‘Intergovernmental Panel on Climate Change’ (IPCC). Eerst proberen we te achterhalen wat het probleem inhoudt in al zijn aspecten. Wat hierbij opvalt, is het grote aantal hiaten in de kennis omtrent klimaatverandering. Vervolgens gaan we na wat er kan gedaan worden om aan de verschillende gevolgen tegemoet te komen. We bespreken dit vanuit een positief wetenschappelijk standpunt, eerder dan vanuit politiek oogpunt.
2.1. Het probleem [19]
De aarde dankt zijn klimaat aan energie afkomstig van de zon. Deze energie bereikt de aarde in de vorm van zonlicht. 30 procent van dat zonlicht wordt meteen terug weerkaatst in de ruimte. De andere 70 procent baant zich een weg door onze atmosfeer en verwarmt het aardoppervlak. De aarde zendt deze energie terug uit in de vorm van infraroodstraling. Er zijn echter broeikasgassen in de atmosfeer aanwezig die verhinderen dat deze infraroodstraling rechtstreeks de ruimte bereikt. In plaats daarvan stijgt de warmte langzaam op via verschillende luchtstromen om zo uiteindelijk te ontsnappen naar de ruimte. Deze broeikasgassen doen dus eigenlijk dienst als een soort van deken dat de warmte slechts beetje bij beetje afgeeft.
De belangrijkste broeikasgassen zijn waterdamp, koolstofdioxide (CO2), ozon, methaan, distikstofoxide (N2O) en een aantal industriële gassen. Deze gassen (behalve de industriële) komen voor in de natuur. Samen zijn ze goed voor één procent van de atmosfeer, wat genoeg is om de aarde zo’n 30 graden warmer te houden dan ze normaal zou zijn. Dit proces is het natuurlijk broeikaseffect. Waterdamp levert hiervoor de grootste bijdrage.
Sinds de industrialisatie zijn de hoeveelheden broeikasgassen echter drastisch aan het toenemen (uitgezonderd waterdamp misschien) als gevolg van antropogene activiteiten. Door de hogere concentratie van deze gassen in de atmosfeer neemt ook diens isolerende kwaliteit toe. Dit staat bekend als het versterkt broeikaseffect. CO2-uitstoot is verantwoordelijk voor 60 procent van het totale gehalte aan antropogene broeikasgassen. Uitstoot van CO2 is voornamelijk te danken aan het verbranden van fossiele brandstoffen zoals kolen, olie en aardgas. Ook ontbossing is een grote bron van CO2. Als bosgebied wordt vrijgemaakt voor de landbouw of industrie komt CO2 vrij door verbranding of biologische afbraak. De productie van kalk voor het maken van cement zorgt voor drie procent van de totale CO2-uitstoot. Methaan neemt ongeveer twintig procent van het versterkte broeikaseffect voor zijn rekening. Methaan vindt zijn oorsprong in de veehouderij (door het verteringsproces van vee), de rijstteelt (bacteriën in de rijstvelden scheiden methaan af) en het verwerken van afval (door anaërobe afbraak). N2O wordt uitgestoten door het gebruik van meststoffen. Een vierde broeikasgas is ozon. De ozonconcentratie stijgt als gevolg van uitlaatgassen van auto’s. Tenslotte zijn er nog de langlevende industriële gassen die vrijkomen door allerhande industriële activiteiten. Sinds het Montreal Protocol dat tot doel had de ozonlaag te beschermen is het gebruik van Chloorfluorkoolstofverbindingen (CFKs) teruggedrongen. De stoffen die deze CFKs moeten vervangen, zijn echter broeikasgassen en nemen toe in gebruik.
Hoe de uitstoot van deze gassen zal evolueren hangt af van een aantal moeilijk te voorspellen evoluties, met name bevolkingsgroei en economische, sociale en technologische trends. Om aan deze onzekerheid tegemoet te komen zijn een aantal modellen ontwikkeld die allen uitgaan van verschillende evoluties. De voorspellingen van deze modellen liggen dan ook ver uiteen met variaties van een stijging van 75 procent tot 350 procent van de broeikasgassen tegen 2100, vergeleken met pre-industriële niveaus.
Het niveau van broeikasgassen in onze atmosfeer is het gevolg van een evenwicht tussen bronnen en sinks. Bronnen zijn de processen die broeikasgassen genereren, sinks zijn de processen die broeikasgassen vernietigen of verwijderen. De mens brengt op beide fronten wijzigingen aan die dit evenwicht verstoren. Enerzijds worden er nieuwe bronnen gecreëerd door industriële activiteiten. Anderzijds worden natuurlijke sinks in hun voortbestaan bedreigd, zoals bijvoorbeeld de regenwouden. De natuurlijke CO2-cyclus is gebaseerd op deze bronnen en sinks. Jaarlijks worden enorme hoeveelheden CO2 uitgewisseld tussen de atmosfeer, de oceanen en de vegetatie op het land.
Aerosolen spelen ook een rol wat klimaatverandering betreft. Zwaveluitstoot van energiecentrales op kolen of olie en het verbranden van organische materialen maakt microscopische deeltjes vrij die het zonlicht weerkaatsen. Dit zorgt voor een afkoelingseffect. Deze aerosolen hebben echter een beperkte levensduur in tegenstelling tot de broeikasgassen die lang in de atmosfeer blijven. Het afkoelingseffect van aerosolen beslaat dan ook maar een beperkt gebied. Bovendien zorgen deze deeltjes voor zure regen en slechte luchtkwaliteit
Wat zijn nu de gevolgen van dit versterkt broeikaseffect? Eerst en vooral moeten we zeggen dat het klimaat een zeer complex gegeven is. Bijgevolg is het zeer moeilijk te zeggen hoe en in welke mate het klimaat juist zal veranderen. Zo brengt een stijging in temperatuur een verandering met zich mee wat betreft bewolking. Het effect van bewolking is enorm moeilijk te voorspellen. Zo hebben wolken een isolatie-effect in de zin dat ze zeer koud zijn en daarom weinig energie doorlaten naar de ruimte. Daarentegen, afhankelijk van type en locatie, zullen wolken het zonlicht weerkaatsen, wat een verkoelingseffect teweegbrengt. De grootste bron van onzekerheid is de reactie van de oceanen op de klimaatverandering. Het opwarmen van de oceanen vergt veel meer energie dan het opwarmen van de atmosfeer. Aangezien deze twee hun warmte uitwisselen zullen de oceanen in ieder geval een zekere vertraging bieden aan de klimaatverandering. Hoe groot deze vertraging zal zijn is echter nog onduidelijk.
Het belangrijkste gevolg van het versterkt broeikaseffect is de opwarming van de aarde. Klimaatmodellen schatten dat de temperatuur op aarde zal stijgen met 1,4°C à 5,8°C tegen het jaar 2100. Dergelijke modellen nemen 1990 als basislijn en gaan uit van de assumptie dat er geen maatregelen worden genomen om klimaatverandering tegen te gaan. Tevens wordt er rekening gehouden met mogelijke terugkoppelingen en het effect van aerosolen.
De opwarming van de aarde brengt op haar beurt gevolgen met zich mee. Als deze op hun beurt effect hebben op het klimaat noemt men dit terugkoppelingen. Deze kunnen enerzijds positief of versterkend zijn. We denken hierbij aan de toename van waterdamp, dat een broeikasgas is, waardoor de aarde nog meer zal opwarmen. Een andere positieve terugkoppeling is het effect van smeltende sneeuw en ijs. Deze weerkaatsen normaal het zonlicht wat de opwarming van het aardoppervlak tegengaat. Het verdwijnen van sneeuw en ijs versterkt dus deze opwarming. Anderzijds kunnen er ook negatieve terugkoppelingen zijn die de opwarming juist tegengaan. Hierbij denken we aan het mogelijke verkoelingseffect door toenemende weerkaatsing bij verandering van bewolking .
Een tweede gevolg is het stijgen van het zeeniveau met 9 tot 88 cm tegen 2100. Dit zou hoofdzakelijk worden veroorzaakt door de thermische uitzetting van de bovenste lagen van de oceaan, versterkt door smeltende ijsbergen.
Een derde gevolg is een toename van neerslag. Tenslotte zou er een toename komen van extreme weersomstandigheden. Door de opwarming zouden hittegolven en droogtes meer voorkomen. Ook het risico op extreme neerslag zou stijgen en zelfs orkanen zouden aan intensiteit winnen.
Ondanks de grote voorzichtigheid van wetenschappers hieromtrent kan ook niet worden uitgesloten dat meer drastische vormen van klimaatverandering zullen plaatsvinden. Het veranderen van de Noord-Atlantische Golfstroom of het ineenstorten van de West Antarctische ijskap bijvoorbeeld zou een enorme invloed hebben op het huidige klimaat.
Een constante in deze voorspellingen is dat er grote onzekerheid bestaat over de effecten op regionaal en lokaal niveau. Zo zullen temperatuursstijgingen groter zijn in het ene land dan in het andere land. Ook wat betreft het zeeniveau en de neerslag is dit het geval.
We hebben het tot hiertoe enkel gehad over scenario’s voor de toekomst. Klimaatverandering is echter reeds aan de gang. Sinds het einde van de 19e eeuw is de temperatuur reeds met 0,2 tot 0,6 graden gestegen en is het zeeniveau met 10 tot 20 cm gestegen. Sneeuwbedekking nam sinds 1960 af met 10 procent in het noordelijk halfrond. Tenslotte is er een stijging in de hoeveelheid neerslag in vele streken van de wereld.
2.2. De impact op ons bestaan
In het voorgaande deel hebben we geschetst wat klimaatverandering precies inhoudt. In deze paragraaf geven we een beeld van de impact die deze evolutie zal hebben op het menselijk bestaan. Omdat klimaatverandering zelf ongelijk verdeeld is over de wereld, is dit ook het geval voor de gevolgen ervan. Sommige streken of sectoren zullen winnen bij klimaatverandering, anderen zullen verliezen. Een constante is echter wel dat gebieden en ecosystemen die reeds kwetsbaar zijn, de meeste nadelen zullen ondervinden.
Op het vlak van landbouw en voedselvoorziening wijzen studies erop dat productieniveaus kunnen worden behouden bij een matige klimaatverandering tijdens de volgende 100 jaar. De regionale verschillen zullen echter zeer groot zijn. Landen met een tropisch of subtropisch klimaat zullen het meeste nadeel ondervinden. De verbouwde gewassen in deze landen zitten reeds op het maximum van de hitte die ze kunnen verdragen. Droogtes, verschuivingen in moessonregens en een drogere bodem kunnen landbouwopbrengsten met een derde verminderen. In de gebieden met een meer gematigd klimaat daarentegen zal de oogst vergroten door een toename in regenval en een verlenging van het groeiseizoen. Zo zal de ideale wijnstreek bijvoorbeeld verschuiven van Frankrijk naar België en Nederland.[20] De poolwaartse expansie van insecten en plantenziektes zorgt dan weer voor een negatief effect op de landbouw in de meer noordelijke regionen. In ieder geval zullen de armste regionen het zwaarst getroffen worden in hun voedselvoorziening. Enerzijds omdat het Zuiden de zwaarste klap te verduren krijgt wat productie betreft. En anderzijds omdat deze landen de middelen niet hebben om zich aan te passen.
Ook het stijgen van de zeespiegel is ongelijk verdeeld over de wereld. Dit hangt af van eigenschappen van kustlijnen, het veranderen van zeestromen, het wijzigen van getijden, enz. Kustzones en kleine eilanden zijn het meest gevoelig aan deze evolutie. Het zijn alweer vooral de ontwikkelingslanden die het meeste leed te verduren zullen krijgen, hoewel laaggelegen kustgebieden in industrielanden ook gevaar lopen. Een stijging van het zeeniveau tast de zoetwatervoorraad in de ondergrond aan. Tevens verhoogt het de destructieve kracht van extreme gebeurtenissen, zoals springvloed, stormen en tsunami’s. Op economisch vlak tast een hoger zeeniveau verschillende sectoren aan, zoals visserij, landbouw, toerisme en onrechtstreeks het verzekeringswezen. Ook lopen vele nederzettingen het gevaar te verdwijnen. Kustgebieden herbergen vaak kostbare natuurrijkdommen. Koraalriffen, mangrovewouden, enz. dreigen te verdwijnen door een stijging van het zeewater.
Een snelle klimaatverandering betekent ook een verlies aan biodiversiteit. Soorten die zich niet snel genoeg kunnen aanpassen worden met uitsterven bedreigd. Bossen passen zich slechts langzaam aan aan veranderende omstandigheden. Toch zullen aanwezige soorten in verschillende types van bossen wijzigen. Bossen spelen door hun grote capaciteit om CO2 op te nemen een belangrijke rol in klimaatverandering. Bij de overgang van één type bos naar een ander, afhankelijk van het tempo van afsterven en regeneratie, zou veel CO2 kunnen vrijkomen in de atmosfeer, wat zou zorgen voor een positieve terugkoppeling. Woestijngebieden krijgen nog meer extreme temperaturen en sneeuw- en ijskappen op grote hoogten zullen krimpen. Dit verplicht vele soorten te migreren.
Ook de menselijke gezondheid zou lijden onder klimaatverandering. Ten eerste bestaat er een link tussen hittegolven en cardiovasculaire aandoeningen, ademhalingsproblemen en andere ziekten. Bewijs hiervan is de hittegolf die in 2003 in Frankrijk duizenden slachtoffers maakte. Ten tweede zal hygiëne erop achteruit gaan als gevolg van een afname van de zoetwatervoorraad. Ten derde veroorzaken extreme weersomstandigheden naast de directe slachtoffers, vaak ook hongersnood, het uitbreken van epidemieën, enz. Ten vierde is er door de eerder aangehaalde inperking van de voedselvoorziening in een aantal regio’s een verhoogd risico op ondervoeding. Ten vijfde zullen ziekteverspreiders als muggen, teken en ratten een grotere reikwijdte krijgen in een warmere wereld. En ten zesde spelen ook warmere zeeën een rol in de verspreiding van ziekten.
2.3. Wat kan worden gedaan?
Om het probleem van klimaatverandering op te lossen moet op twee fronten worden gestreden. Enerzijds moeten we klimaatverandering proberen te voorkomen door het verlagen van het gehalte aan broeikasgassen in de atmosfeer. Anderzijds moeten we ons aanpassen aan de mate van klimaatverandering die hoe dan ook zal plaatsvinden. Als we immers het vertragingseffect van de oceanen incalculeren is het duidelijk dat we alleszins met een verandering van klimaat te maken gaan hebben, hoe groot de inspanningen vanaf nu ook zouden zijn.
Om klimaatverandering te voorkomen moet dus de uitstoot van broeikasgassen omlaag. Dit kan het best worden gerealiseerd door het aanwenden van nieuwe technologieën in de verschillende sectoren die verantwoordelijk zijn voor deze uitstoot.
De grootste bron van antropogene broeikasgassen is de productie en het gebruik van energie. Hier zijn vele mogelijkheden om uitstoot te reduceren. Ten eerste kunnen lekken en verspillingen bij de productie tot een minimum worden beperkt. Gassen die bij ventilatie van olievelden vrijkomen kunnen bijvoorbeeld een generator aandrijven voor lokaal energiegebruik. Ten tweede kan de efficiëntie van elektriciteitscentrales drastisch worden verhoogd. De huidige efficiëntie van de omzetting van fossiele brandstoffen in elektriciteit bedraagt gemiddeld 30 procent. Door de omschakeling naar zogenaamde ‘Combined Cycle Gas Turbines’ (CCGTs) kan dit deels worden bereikt. Bij de verbranding van de fossiele brandstoffen in dergelijke CCGTs wordt de vrijgekomen warmte gebruikt om een stoomturbine aan te drijven en de vrijgekomen gassen drijven op hun beurt weer een gasturbine aan. Ten derde kan men overschakelen op hernieuwbare energiebronnen zoals wind- en zonne-energie en waterkrachtcentrales. Deze bronnen winnen snel aan aantrekkingskracht vanwege de steeds betere performantie. Ten vierde is er een groot potentieel voor de industrie om efficiëntie in haar energieverbruik op te drijven. Ten vijfde kan uitstoot verminderd worden in de bouwsector. Betere isolatie, geïntegreerde bouwontwerpen, enz. zorgen voor een efficiënter residentieel energieverbruik. Ten zesde kunnen overheden ervoor zorgen dat de ontwikkeling van dergelijke technologieën wordt aangemoedigd door te investeren in onderzoek en ontwikkeling. Het gebruik ervan kan dan weer gestimuleerd worden met belastingsmaatregelen. Het gebruik van fossiele brandstoffen kan gereduceerd worden door het heffen van taksen, vervuilende industrieën kunnen gestraft worden met hogere belastingen en investeringen in efficiëntere technologieën kunnen worden beloond met belastingsreducties.
Een tweede grote bron van broeikasgassen is het verkeer. Ook hier bieden nieuwe technologieën een oplossing. Door het gebruik van de juiste materialen en het stroomlijnen van wagens kan het verbruik in grote mate worden teruggedrongen. Ook verbeteringen aan de motor en in de samenstelling van de brandstof zorgen voor een lagere uitstoot van broeikas- en andere vervuilende gassen. Biobrandstoffen en hernieuwbare energie kunnen hier eveneens een grote rol in spelen. De politiek kan hier een belangrijk aandeel in hebben door de promotie van deze nieuwe technologieën en het aansporen tot het gebruik van de fiets, het openbaar vervoer of carpooling.
Een duurzaam bosbeheer kan ervoor zorgen dat meer CO2 wordt opgenomen. Zo kan bijkomende CO2 opgeslagen worden als bosbodems extra bemest worden. Door kolen en olie als brandstoffen deels te vervangen door hout uit duurzame bosbouw kan de atmosfeer bespaard worden van de uitstoot van CO2 opgeslagen in die ondergrondse brandstofvoorraden. De bossen kunnen immers weer worden aangeplant en nemen dan weer CO2 op.
Ook de landbouw is voor verbetering vatbaar. Door een beter beheer van de bodem via enkele makkelijk toe te passen technieken kan zowel de productiviteit stijgen als de uitstoot verminderen. We denken hierbij aan het gebruiken van oogstoverschotten als meststof, het ongeploegd laten van velden of het introduceren van permanente teeltpraktijken. Methaanemissies uit de veehouderij kunnen worden beperkt door het veranderen van het voedingsmengsel van het vee.
Hoewel er nog een grote onzekerheid bestaat over de mate waarin klimaatverandering zich hoe dan ook zal voordoen, is het wel duidelijk dat we nu reeds onderhevig zijn aan de gevolgen van het versterkt broeikaseffect. Een tweede belangrijk luik van het antwoord op klimaatverandering is dan ook het aanpassen aan de veranderende omstandigheden.[21] Dit moet gebeuren in alle sectoren die blootgesteld zijn aan de gevolgen van klimaatverandering.
Ten eerste is er de voedselvoorziening. In vele streken zal klimaatverandering een verlies aan productiviteit teweegbrengen. Dit kan worden gecompenseerd door wijziging van de gewassen die worden verbouwd, verbeteringen in het waterbeheer en irrigatiesystemen en een beter beheer van het land in het algemeen.
Ten tweede zal de wereld zo goed als zeker te kampen hebben met een zekere stijging van het zeeniveau. Hierop kan een antwoord worden geboden door het aanleggen van dijken, het onderhouden van duinen en het creëren van waterrijke gebieden. Anderzijds moeten kostbare ecosystemen beschermd worden. Indien een zeker landverlies onvermijdelijk is, is planning vereist voor een landinwaartse terugtrekking, bijvoorbeeld door het verhinderen van uitbreiding van nederzettingen in kustgebieden.
Ten derde is er de teloorgang van de biodiversiteit naarmate klimaatverandering zich volstrekt. Om hieraan tegemoet te komen moet assistentie geboden worden bij de migratie van sommige soorten door het creëren van natuurlijke doorgangen naar meer geschikte gebieden. Verder kunnen waterrijke gebieden worden aangelegd, graaslanden worden aangepast door het actief uitkiezen van plantensoorten, enz.
Ten vierde zal op vele plaatsen de zoetwatervoorraad slinken. Maatregelen hieromtrent zouden kunnen inhouden; een efficiënter gebruik en een goede regulering, het verminderen van watervervuiling, het aanleggen van nieuwe kanalen of waterputten, enz.
Ten vijfde zijn er de problemen inzake gezondheidszorg die zullen opduiken als gevolg van een warmere aarde. Hierbij is een goede infrastructuur vooral belangrijk. Verder zijn aanpassingsmaatregelen zoals vaccinatie, waterzuivering, het vermijden van epidemieën, enz. zeker nodig.
3. Het klimaat in de internationale betrekkingen
In dit deel belichten we de totstandkoming van het CDM. CDM situeert zich echter in de breder context van het debat over klimaatverandering dat aan de gang is op het internationale niveau. We beginnen dan ook met het schetsen van dit kader. We pakken dit chronologisch aan en belichten de hele evolutie van de plaats die het klimaat heeft ingenomen in de internationale betrekkingen [22], met als eindpunt het CDM. Hierbij zullen we specifieke aandacht hebben voor de rol die de ontwikkelingslanden in de verschillende stappen van dit proces hebben gespeeld.
We beginnen ons verhaal bij de aanloop naar en de onderhandelingen voor de klimaatconventie van 1992, namelijk de ‘United Nations Framework Convention on Climate Change’(UNFCCC). Vervolgens belichten we de conventie zelf. In een derde deel bespreken we de opvolging die aan deze conventie werd gegeven, met name de ‘Conferences Of the Parties’ (COP), met als voornaamste deze in Kyoto en Marrakesh.