Klassenstrijd in de tuin. Communicatie via (kitsch)objecten in de tuin. (Isabelle Borremans)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

2. Onderzoek naar de feitelijke betekenisgeving in en door tuinen

 

2.1. Inleiding

 

Na de theoretisch uitleg volgt een toetsing van de theorieën in de praktijk. Zijn alle stellingen uit deel 1 correct? Dat alles wordt in het volgende kwalitatieve onderzoek getest en bekeken. Daarnaast zal ook naar nieuwe factoren worden gezocht. Is elk belangrijk element wel in de theoretische uitleg aan bod gekomen?

 

 

2.2. Voorbereidende fase

 

2.2.1. Probleemstelling, hypotheses en vraagstelling

 

Voortuinen werden tot nu in het wetenschappelijk onderzoek genegeerd. Kitschtuinen waren maatschappelijke fenomenen waar men mee kon lachen, maar die nooit bekeken werden als een veruitwendiging van gedachten en dromen van de huisbewoner. Toch kunnen we vermoeden dat mensen opinies over tuinen hebben en dat ze hun eigen tuin aanleggen met het oog op buren en voorbijgangers. Is dit fenomeen dan geen wetenschappelijke studie waard? En verdienen de aanleggers ervan niet meer aandacht of respect dan ze tot dusver kregen?

 

De theoretische achtergrond stelt dat mensen door middel van objecten communiceren. Al communicerend vechten ze bovendien een klassenstrijd uit, die doorheen de tijd van het financieel-economische vlak naar het culturele domein is verschoven. Deze aspecten zullen onderzocht worden.

We vertrekken dus van de gedachte dat mensen via hun voortuin voorbijgangers aanspreken. Aldus proberen ze een beeld van zichzelf te schetsen. Dit imago geeft een indruk over de klasse waartoe ze behoren en over de culturele waarden die zij nastreven. De (voor)tuin zou hun (gewenste) persoonlijke levensstijl dus moeten weerspiegelen.

 

Concreter zal naar een antwoord op de volgende vragen gezocht worden: Waarom zetten mensen (geen) versiering in hun tuin? Willen ze hiermee iets duidelijk maken aan de voorbijgangers en zo ja, wat? Past het beeld dat ze (willen) schetsen ook bij de inwoners van het bijhorende huis? Onderscheiden andere mensen betekenissen in tuinen? Krijgen ze door de tuin een idee van de identiteit van de eigenaar?

Kan men de theorie van Bourdieu op de objectcommunicatie in de tuin toepassen? Tonen de culturele producten die in de tuin worden opgesteld een bepaalde plaats in de maatschappij aan?

 

2.2.2. Onderzoeksontwerp

 

2.2.2.1. Waarnemingsmethode

 

Aangezien het onderwerp van dit onderzoek in het verleden slechts zelden is bestudeerd en omdat er nog maar weinig relevante variabelen of relaties tussen de elementen gekend zijn, kan er geen gestandaardiseerd onderzoek worden uitgevoerd. Maso & Smaling (1998, p.10) raden bovendien aan om bij onderzoek naar ‘situaties waarin men wil exploreren welke betekeniswereld er achter sociale processen, interacties en sociale relaties […]’ liggen, gebruik te maken van de kwalitatieve onderzoeksmethode.

 

Bijgevolg werd geopteerd voor een kleinschalig kwalitatief onderzoek van het exploratieve genre. Concreet vindt dit gestalte in face-to-face interviews met een aantal tuineigenaars volgens de kwalitatieve onderzoeksmethode. De gesprekken worden geleid door een aantal algemene vragen, maar blijven volledig open. Er wordt gerekend op een maximale duur van één uur per interview.

 

Daarnaast zullen alle respondenten ook een kleine gestandaardiseerde vragenlijst krijgen met daarin een aantal persoonlijke vragen. Aldus wordt getracht om op discrete wijze hun feitelijk economisch peil, cultuurniveau en sociale klasse te bepalen.

 

2.2.2.2. Selectie van de onderzoekseenheden

 

‘Bij verkennend onderzoek is het vooral van belang om zoveel mogelijk verscheidenheid te realiseren bij de selectie. Men is dan immers op zoek naar mogelijke eigenschappen die bij het beantwoorden van de onderzoeksvragen van belang kunnen zijn. Het is niet nodig dat de spreiding van de onderzochte eenheden een volledig getrouwe afspiegeling is van de spreiding in de populatie waaruit de eenheden komen.’ (Billiet, 1990, p.119)

 

Aangezien het onderzoek zich op een studie in de diepte moet richten en niet op een veralgemening naar een empirische populatie, zal met opzet worden getracht om gevallen die rijk aan informatie zijn te bestuderen. Aldus komt een steekproef met extreme en typische gevallen tot stand.

 

Zo’n gemengde steekproef zal in dit onderzoek op twee manieren samengesteld worden.

1.  Er zal gezocht worden naar een aantal tuintypes zoals een tuinkaboutertuintje, een betonvlakte, een gazon, een Frans tuintje, een wild tuintje, een fermettetuintje, ... om in de steekproef op te nemen.

2.  Daarnaast zal geprobeerd worden om respondenten uit elke klasse te interviewen door tuinen uit een chique villawijk, een ‘middenstanderswijk’ en een arbeiderswijk te selecteren.

 

Uit praktische overwegingen zullen de tuinen allemaal in de buurt van Leuven worden gezocht. Daarnaast moeten ook alle tuinen zichtbaar zijn vanaf de straat omdat ze anders niet relevant zijn in het kader van dit onderzoek.

Door het kleinschalige karakter van het onderzoek, zullen slechts acht tuineigenaars worden ondervraagd.

 

2.2.2.3. Operationalisering van de variabelen

 

In het onderzoek zullen de drie aspecten van de literatuurstudie worden hernomen: communicatie, klasse en cultuur. We willen met andere woorden weten hoe tuinen communiceren, op welke wijze ze hun klasse doorgeven en welke cultuur de eigenaars aanhangen. Hiervoor zullen de volgende eigenschappen worden onderzocht: doel van de tuininrichting, lezing van tuinboodschappen, persoonlijke voorkeuren, smaak tegenover andere tuinen, financiële toestand en culturele status. (zie Tabel 2)

Deze variabelen kunnen gemeten worden aan de hand van de vragen die in Tabel 2 onder ‘instructie’ staan.

 

 

EIGENSCHAPPEN

 

INDICATOREN

 

INSTRUCTIE

 

 

 

 

Communicatie

Doel van tuininrichting

Wat willen uw eigen tuinobjecten meedelen?

Lezen van andere tuinboodschappen

* Wat denkt u dat de tuineigenaar wil meedelen?

* Welke positie denkt u dat de tuineigenaar in de maatschappij inneemt?

 

Cultuurklasse

Persoonlijke voorkeuren

* Planten? Zeldzaam? Kleur?

* Inrichting: vol of sober?

* Potager of moestuin?

* Haag of hek?

* Tuinarchitect, eigen idee of goeroe?

* Meubilair? Hout, plastic? Comfortabel?

* Objecten in de tuin: kunst of kitsch?

 

Smaak t.o.v. Anderen

* Appreciatie van bepaalde tuinen

* Appreciatie van bepaalde tuinobjecten

 

Klasse

Financieel

* Beroep

* Maandelijks inkomen

Cultureel

Mediagebruik? Krant, tv, journaal, …

 

2.2.3. Praktische voorbereiding

 

2.2.3.1. Het doel achter de eigen tuin

 

De open interviews zullen toch enigszins door vragen worden geleid. Deze werden opgesteld in samenhang met de variabelen uit het conceptueel model (zie 2.2.2.3.). Het doel is natuurlijk om via de vragen een idee te krijgen van de relevante variabelen en hun werking.

Als eerste wordt het communicatieve aspect van de tuin onderzocht. Onder deze afdeling vallen vragen over het doel van de eigen tuininrichting.

* Had u een concept toen u begon met uw tuin in te richten?

* Vind u uw eigen tuin mooi?

* Wilt u dat voorbijgangers zich welkom voelen als zij uw huis en tuin voorbijlopen?

* Hebt u rekening gehouden met uw buren en met wat zij zouden zeggen tijdens de inrichting?

* U heeft hier een aantal beelden staan. Waarom heeft u deze in uw tuin staan?

* Hebben deze beelden een persoonlijke waarde voor u? Dragen zij eventueel herinneringen in zich?

* Hebben de beelden een betekenis? Wilt u iets aan de voorbijgangers duidelijk maken?

* Wat denkt u dat uw buren denken van de beelden in uw tuin?

* Denkt u dat voorbijgangers dezelfde betekenis zien in de beelden in uw tuin?

Ten tweede gaan we op zoek naar de cultuurklasse waar de tuineigenaar toe behoort. Daarvoor zullen een aantal eigenschappen – door Geerts aangehaald, zie supra – bevraagd worden.

* Waar heeft u deze beelden gekocht?

* Vindt u het belangrijk dat voorbijgangers die beelden zien staan?

* Denkt u dat voorbijgangers uw tuin mooi vinden?

* Heeft u zelf het concept van uw tuin ontworpen, of heeft u hulp gehad van een tuinarchitect?

* Kijkt u naar tuinprogramma’s en/of koopt u tuinboeken? Is er een bekende tuinier die u bovenal bewondert?

 

2.2.3.2. De betekenis van enkele andere tuinen

 

Er zal niet alleen naar de eigen tuin worden gevraagd. Ook de mening van de respondent aangaande andere tuinen is interessant. De interviewer zal hiervoor een aantal foto’s van (extreme) andere tuinen meenemen om te tonen. De respondenten zullen naar hun mening over de modeltuinen en de respectievelijke eigenaars worden gevraagd.

Herkennen de mensen boodschappen in tuinen? Dat is de hoofdvraag tijdens de tweede helft van de interviews. Indien zij dat inderdaad herkennen, zullen de respondenten gevraagd worden om een omschrijving van die boodschappen te geven. Deze antwoorden zullen dan worden vergeleken met de boodschappen die vanuit de literatuurstudie verwacht kunnen worden. Die verwachtingen van de literatuurstudie, worden samen met de modeltuinen voorgesteld in het volgende stuk tekst.

 

        a. Modeltuinen.

 

Tijdens het voorbereidende onderzoek werden een aantal ritten in de buurt van Leuven gehouden om veel voorkomende of opvallende tuinen te ontdekken. Vervolgens zijn er foto’s genomen van die voortuintjes die uitblonken door hun typische karakter. Er werd daarbij getracht om verschillende types en verschillende tuinklassen aan bod te laten komen. De modeltuinen die uiteindelijk geselecteerd zijn, worden hier voorgesteld. Ter illustratie is bij elke uitleg één foto toegevoegd. De respondenten krijgen daarentegen bij modeltuin 1, 3 en 5 meerdere foto’s om de tuinen in al hun aspecten te tonen. Deze extra verduidelijkende foto’s zijn terug te vinden in bijlage 1.

 

Modeltuin 1: Formele tuin met cottagekenmerken.

Figuur 6: Modeltuin 1: Formele tuin met cottagekenmerken

 

Deze modeltuin (extra foto’s zie bijlage 1) uit Herent is het typische voorbeeld van de formele tuin uit de boekjes. ‘De formele tuin is de laatste tijd sterk in opmars. Veel, vaak voortuinen, zijn omzoomd met buxusboompjes in symmetrische vormen.’ (Van Braak, z.d.a) De hoofdkenmerken van dit type tuin zijn overzichtelijkheid en helderheid. Om dit te bekomen wordt de natuur bijgestuurd en beheerst, beplanting speelt een ondergeschikte rol. Duidelijkheid en symmetrie staan voorop en plantvakken bedwingen de beplanting. (Van Braak, z.d.a)

De ornamenten en materialen zijn daarentegen typisch voor de ‘cottagetuin’ en flirten met de volkscultuur. Voor de bestrating worden in de cottagetuinen klinkers gebruikt. Paden kunnen worden verhard met grind. Houten regentonnen worden gebruikt om het regenwater op te vangen. Bovendien wordt deze tuin meestal gesierd door een centraal gepositioneerde zonnewijzer. (Van Braak, z.d.b)

Naar Bourdieu kunnen we deze modeltuin vermoedelijk bij de stabiele middenklasse met alternatief-aristocratische habitus plaatsen. De tuineigenaars zijn duidelijk op de hoogte van de nieuwste trends en hebben zich eraan aangepast. Bovendien geven ze ook blijk van enige originaliteit door hun tuinornament in het midden: een bronzen haan. Toch volgen ze de typische voorschriften die aan deze – oorspronkelijk adellijke – tuin worden gesteld door de tuinarchitectuur. Opmerkelijk is ook de doordringende beschaafdheid. De tuin is een net, overzichtelijk en ordelijk geheel. Volgens Van Braak (z.d.a) vergt dit type tuin nauwelijks onderhoud. Daarmee bevestigt ze het vermoeden dat deze tuiniers tot de middenstand behoren. Geerts (zie 1.3.1.5.) stelt immers dat verkavelingstuiniers liefst zo weinig mogelijk moeite steken in een tuin met zo’n hoog mogelijke stijl.

De eigenaars van deze modeltuin handhaven een vrij moderne, maar populaire smaak. Men kan vermoeden dat de tuiniers met hun tuin vooral negatieve kritiek willen vermijden. Liefst krijgen ze zelfs complimentjes, zonder dat hun tuin al te veel opvalt. Kiezen voor een vaste formule en deze discreet aan de eigen persoonlijkheid aanpassen, is hun manier om dit te bereiken!

 

Modeltuin 2: Haag

Figuur 7: Modeltuin 2 met haag

 

Modeltuin 2 is eigenlijk onzichtbaar. De tuin in Linden wordt immers volledig omgeven door een hoge en ondoordringbare haag. Achter de haag naar het huis piepen, bleek tijdens het fotograferen onmogelijk: het (smalle) pad kronkelt zich dusdanig rond de haag dat zelfs de voordeur niet zichtbaar is vanaf de straat.

Volgens Geerts wonen hier snobtuiniers (zie 1.3.1.5.) die een dikke haag rond hun tuin zetten ter bescherming van hun privacy. Alleszins wonen hier geen mensen die een behoefte voelen om zichzelf aan de straat te tonen. Tenzij de bewoners van het huis natuurlijk willen duidelijk maken dat ze liefst niet zonder goede reden worden gestoord. De juiste fractie van de burgerij bepalen is hier redelijk moeilijk: ofwel behoren ze tot de intellectuele fractie en willen ze niet opscheppen ofwel willen ze juist de indruk geven dat ze veel te verstoppen hebben en aldus een bepaald imago creëren.

 

Modeltuin 3 met betonnen beelden

Figuur 8: Modeltuin 3 met betonnen beelden

 

Modeltuin 3 (zie bijlage 1) is het typische huis dat Bourdieu aan de puriteins-ascetische kleinburgerij zou toekennen. Door middel van een groot aantal opvallende en imposante ornamenten tracht men een klassieke en chique tuin te creëren. Deze statussymbolen komen duidelijk uit een gespecialiseerde tuinornamentenzaak. De schouwversieringen versterken die middenstandsindruk. Opvallend aan het huis is de huisnaam ‘Ooievaar’. Hoewel deze huisnamen voornamelijk aan de zee voorkomen, hebben de eigenaars van dit huis er toch voor gekozen om zo’n naam op hun villa in Linden te plaatsen.

Men kan vermoeden dat de bewoners van dit huis – in een poging de allure van de hogere burgerij na te bootsen – ook indruk op de straat trachten te maken. Men wil alleszins dat de voorbijgangers denken dat er welgestelde mensen wonen die geslaagd zijn in hun leven.

 

Modeltuin 4: Wilde tuin

 

De traditionele tegenhanger van de eerste formele modeltuin, is de wilde natuurtuin. Waar sommige mensen houden van een ‘beschaafde’ tuin, genieten anderen meer van een schijnbaar wilde natuur. Deze modeltuin stamt af van de traditionele Engelse wilde tuinen.

 

Figuur 9: Modeltuin 4: Wilde natuurtuin (Gerrie, z.d.)

 

De foto werd van het internet (Gerrie, z.d.) gehaald omdat deze modeltuin weliswaar veel voorkomt, maar er zelden zo geslaagd uitziet. Belangrijk is ook dat de wilde tuin op haar mooist is in de zomer en de foto’s werden in de lente getrokken.

Het lijkt dat de intellectuele burgerlijke fractie het meest geïnteresseerd zou zijn in deze tuin. De eigenaars kunnen immers van een natuurlijke bloemenpracht genieten. Zonder zich expliciet te verstoppen, ontbreekt het de tuin aan enig opvallend kenmerk. En dit past dan weer bij het ideaal van soberheid en discretie van de intellectuele burgerij.

 

Modeltuin 5: Fantasie buxustuin

Figuur 10: Modeltuin 5: Fantasie buxustuin

 

In deze modeltuin (zie bijlage 1) uit Betekom is duidelijk een buxusfanaat aan het werk die zijn fantasie in de planten uitleeft. De straat impressioneren is een duidelijke bijbedoeling. Het is niet evident om de klasse van deze tuinier te voorspellen. Enerzijds kan men door de overdreven klassieke vormgeving denken dat de tuineigenaar tot de puriteins-ascetische middenklasse behoort. Toch lijkt het waarschijnlijker dat hier een hobbyist aan het werk is. In dat geval kunnen we de tuinier beter in de arbeidersklasse zoeken. De eigenaar vindt tuinieren een ontspanning. Bovendien vormen de figuren een soort sprookjespark met een duidelijke betekenis van ontsnapping en dromerigheid. De hoeveelheid figuurtjes lijkt ook op de arbeidersklasse te duiden.

 

Modeltuin 6: Mariagrot

De foto van dit Mariagrotje komt uit het boek ‘Des nains, des jardins: essai sur le kitsch pavillionaire’ (Jouannais, 1999, p.45). Tijdens het fotograferen bleek er eentje in modeltuin 5 te staan, maar die tuin werd liever in haar geheel getoond als ‘Fantasietuin met buxus’. Bijgevolg is ervoor gekozen om deze foto uit het boek van Jouannais te gebruiken. Als er een klasse op dit grotje moet worden geplakt, zal het ofwel de arbeidersklasse zijn ofwel de stabiele middenklasse. Door haar eenvoud en duidelijkheid zal dit tuinornament veel arbeiders aanspreken. Het grootste gedeelte van de gelovige gemeenschap behoort echter tot de puriteins-ascetische middenklasse. Hoewel Mariagrotjes uit het straatbeeld verdwijnen, lijkt het toch interessant om zo’n grotje tussen de modelfoto’s op te nemen vanuit een nieuwsgierigheid naar de reactie van de respondenten op dit verouderde christelijke symbool in de tuin. Dient een Mariagrotje tegenwoordig om het geloof te verkondigen of is het uitsluitend voor persoonlijke bezinning bedoeld? Storen de respondenten zich eraan, of vinden ze dat het christelijke geloof een plekje in het straatbeeld verdient? Hoe tolerant zijn ze tegenover voortuinen?

 

Modeltuin 7: Gazon

Figuur 12: Modeltuin 7: Gazon

 

Deze modeltuin in Linden is het toppunt van soberheid. De eigenaars willen blijkbaar niets meedelen. Ook het huis is sober en neutraal. De vermoedelijke hoofdbedoeling van deze huis- en tuineigenaars is om helemaal buiten schot te blijven en positieve noch negatieve kritiek uit te lokken.

Indien dit hun opzet is, slagen ze er ook in. Er is immers geen cultuurklasse op te plakken. Soberheid wordt immers door de intellectuele burgerij gepromoot, maar dan wel stijlvol en deze tuin is stijlloos! De modeltuin is bovendien té sober voor de puriteins-ascetische middenklasse. De arbeider zou dan weer smakeloos zijn, maar prefereert functionaliteit en dat wordt in deze tuin ook weer niet gepromoot.

 

Modeltuin 8: Tuinkitschtuin

Deze modeltuin komt eveneens uit een boek: Mannen met baarden (De Meyer, 2001, p.23). Een gelijkaardige tuin is ook in Linden te vinden, maar de manier waarop daar de beeldjes verzorgd en geordend werden, was – door de vorm van de tuin – niet vast te leggen met de camera. Bijgevolg is ervoor gekozen om modeltuin 8 uit een boek te selecteren. Op die foto stond oorspronkelijk de eigenaar erbij, maar omdat de respondenten een beeld van deze persoon moeten geven, werd de figuur dan maar met de computer weggewerkt.

Dit genre tuin ziet men niet heel vaak, maar er is er zo maar één nodig om de eigenaar in de wijde omgeving bekend te maken. Daarnaast werd dit type modeltuin in de fotoserie opgenomen omwille van de verschillende objecten. Met deze foto kunnen de respondenten immers over heel veel verschillende objecten worden ondervraagd. Zo zullen de tuinkabouters worden uitgelicht, het Afroditebeeld, …

Opnieuw is de klasse van de tuineigenaar moeilijk te bepalen. Door de grote hoeveelheid ornamenten (goedkoop, symbolisch en goed verzorgd) lijkt de tuin echter het meest op de uit de hand gelopen hobby van een arbeider. De betekenis erachter kan vanalles zijn. In hoofdzaak zal de eigenaar de straat willen imponeren en versieren.

 

Opmerkingen

 

Bij de selectie van de modeltuinen werd getracht om verschillende types te vertegenwoordigen. Zo zijn er drie modeltuinen die uitsluitend natuur tonen: de wilde tuin, het gazon en de haag. Daarnaast zijn er vijf tuinen met menselijke creaties zoals een Mariagrot, vazen, tuinkabouters, een pomp, een fontein, … Tegelijkertijd werd ook een poging gedaan om elke vermoedelijke sociale klasse te vertegenwoordigen in de foto’s (zie tabel 1). Wederom was het niet de bedoeling om elke mogelijke voortuin aan bod te laten komen.

 

Hoofdklasse

Klassenfractie

Modeltuin

Omschrijving

Burgerij

Intellectuele fractie

2

4

Haag

Wilde tuin

Economische fractie

2

Haag

Middenklasse

Stijgend

3

6

Tuin met betonnen beelden

Mariagrot

Stabiel

1

Formele tuin

Dalend

 

 

Arbeidersklasse

 

5

6

8

Fantasietuin met buxus

Mariagrot

Tuinkitschtuin

Tabel 2: Verwacht klassenschema van de modeltuinen

 

De interviewer weet nauwelijks iets over de eigenaars van de modeltuinen om de neutraliteit te garanderen. Tijdens het interview is het dan ook niet de bedoeling om te weten te komen of de doelstellingen van de eigenaars ook door toevallige toeschouwers worden herkend. Wél willen we weten of de respondenten boodschappen in tuinen zien en welke.

 

b. Vragenlijst

 

Door middel van de volgende vragenlijst zal aan de respondenten naar hun mening over de modeltuinen worden gevraagd:

 

* Wat is uw eerste gedachte als u deze tuin ziet?

 

Eerst bevragen we wederom het communicatieve aspect:

* Denkt u dat de eigenaar van die tuin iets aan de voorbijgangers wil meedelen?

- Nodigt de tuin uit om ernaar te kijken?

- Denkt u dat u welkom bent bij deze mensen?

- Zou de eigenaar wel een praatje met u willen slaan?

- Denkt u dat deze persoon een bepaalde leefwijze in zijn tuin promoot?

* Wat denkt u dat die tuineigenaar wil meedelen?

* Hebben de afzonderlijke objecten in die tuin voor u een betekenis?

 

Vervolgens bevragen we de klassenherkenning:

* Denkt u dat u de tuinier sympathiek zou vinden?

* Welk beroep denkt u dat de inrichter van deze tuin beoefent?

* Denkt u dat deze tuineigenaar veel verdient?

* Volgt deze tuin een bepaalde kunststroming, een bepaald idee?

* Steekt de tuinier moeite in deze tuin en apprecieert hij zijn eigen tuin?

* Vindt u deze tuin smaakvol ingericht?

 

Uiteindelijk zullen we ook vragen of ze de verschillende tuinen van mooi naar lelijk willen schikken. Het achterliggend idee bij dit laatste verzoek bestaat uit het vermoeden dat de geïnterviewde de inrichting die bij zijn eigen culturele klasse past het mooiste zal vinden.

 

2.2.3.3. Algemene gegevens van de respondent

 

Als derde onderdeel van het onderzoek zal in een gestandaardiseerde vragenlijst naar de leeftijd en het geslacht van de respondent worden gevraagd. Er is immers een mogelijkheid dat bepaalde tuinen samenhangen met een bepaalde sekse of leeftijdscategorie.

 

Daarnaast moet ook de sociale klasse van de respondent vastgesteld worden. Dit is belangrijk om de informatie over de eigen tuin en de smaak van de respondent in Bourdieus klassenmodel en in de cultuurdriehoek te bepalen. Bovendien kan dan onderzocht worden of een respondent met een gelijkaardige tuin als een modeltuin van dezelfde klasse is als de eigenaar van die modeltuin (zoals werd vastgelegd in 2.2.3.2.b.).

Sociale klasse kan volgens Bourdieu (1.3.1.1.) vastgesteld worden aan de hand van het economisch en intellectueel kapitaal. Daarnaast hangt een specifieke habitus samen met elk sociale klasse. Aangezien het verschil tussen Bourdieus habitus en de culturele klassen van de cultuurdriehoek miniem is, kan aan de hand van het culturele, het economische en het intellectuele peil met redelijke zekerheid worden vastgesteld welke persoon tot welke sociale klasse behoort. In de gestandaardiseerde vragenlijst zal dus het economische, culturele en intellectuele niveau van de respondenten worden bevraagd. Dit gebeurt aan de hand van vragen naar inkomen, mediagebruik, opleiding en beroep.

 

Tot slot willen we ook naar de interesse in de tuin peilen. Hiertoe worden twee vragen gesteld, één over het bezoeken van open tuinen en één over het frequenteren van een tuincentrum.

 

De geïnterviewde zal hiervoor – zoals gezegd - een korte gestandaardiseerde vragenlijst krijgen die hij/zij in alle discretie kan invullen. Bij de opstelling is rekening gehouden met de regels zoals deze worden bepaald door Billiet (1990) in ‘Methoden van het sociaal-wetenschappellijk onderzoek’. De concrete vragenlijst is in bijlage 2 te vinden.

 

 

2.3. Onderzoek: Problemen en aanpassingen

 

Al bij de eerste interviews kwamen een aantal problemen aan het licht. Doordat in de omgeving van Leuven niet al te veel (extreme) voortuintjes te vinden waren, is het actieterrein vrijwel onmiddellijk verlegd naar de streek rond Heist-op-den-berg waar zich een veel grotere concentratie (extreme) voortuintjes bevindt. Bijgevolg is enkel de eerste respondent afkomstig uit het arrondissement Leuven, met name uit Heverlee. De anderen zijn wonende te Hallaar, Heist-op-den-berg of Booischot.

 

Bovendien weigerden veel mensen een interview over hun tuin. Doordat slechts zo weinigen zich wilden laten interviewen, werd afgestapt van het idee om in drie verschillende wijken telkens drie respondenten te zoeken. Er werd nog uitsluitend naar geschikte tuinen gezocht met eigenaars die zich wilden laten interviewen. Dit ging ten koste van de poging om respondenten uit alle klassen te halen, maar het onderzoek werd binnen de tijdsmarge anders een onmogelijke klus. Daarnaast werd verwacht dat de verschillende tuintypes die gezocht werden (naar analogie met de modeltuinen) op zich al een aantal verschillende klassen representeerden.

 

Een derde probleem dook op tijdens de interviews. Het bleek enorm moeilijk om de mensen duidelijk te maken dat de interesse niet uitging naar correcte antwoorden, maar wel naar hun persoonlijke vermoedens. De bekende Vlaamse quizmentaliteit kon men opvallend herkennen toen bijna elke respondent zijn/haar mening over een modeltuin liet volgen door een angstig gevraagd ‘Klopt dat?’. Bovendien voelen de mensen scrupules om zomaar hun mening te geven over andere mensen. Bijgevolg is de interviewer meer informatie over het doel van het onderzoek gaan geven dan oorspronkelijk gepland. Nadat respondent 2 blijk had gegeven van een grote aarzeling uit angst dat ze vrienden of kennissen van de interviewer ging beledigen, werd alvorens de modeltuinen te tonen een kleine inleiding gegeven zoals de volgende: ‘En dan heb ik een aantal foto’s waarvan ik wil dat u uw mening geeft. Het gaat er dus eigenlijk om dat tuinen etalages zijn, dat mensen via hun tuin proberen duidelijk te maken, wie er in het huis woont of via hun tuin proberen een bepaald imago te  creëren. De foto’s ben ik gewoon zelf gaan trekken. Dat zijn mensen die ik zelf niet ken, dus u mag vrijuit spreken.’ (interviewer aan respondent 3)

 

Ten vierde bleek het erg moeilijk voor de respondenten om zich een beeld te schetsen van de tuininrichters. Hoewel iedereen bereid was om een smaakoordeel te geven, vonden de respondenten het moeilijk om zich in de tuineigenaar in te leven.

 

Na een viertal interviews is ook gebleken dat er aanpassingen nodig waren in de vragenlijst. De volgorde van de vragen was immers te hard op de literatuurstudie gebaseerd en te weinig op het gebruikelijke menselijke redeneringsvermogen. Bovendien was het ook voor de interviewer moeilijk om naadloos van de ene naar de andere vraag over te gaan, zonder te struikelen over vragen die op de betreffende tuin niet van toepassing waren. Zo was het noodzakelijk dat de vragen over tuinobjecten apart werden geschikt zodat de interviewer deze vlot kon overslaan als er geen ornamenten in de tuin stonden. Eén vraag werd ook verkeerd gesteld en kreeg daarom tegenstrijdige reacties. Op de vraag ‘Nodigt de tuin uit om ernaar te kijken?’, gaven mensen nogal eens een smaakgebonden oordeel. De vraag ‘Wil de eigenaar dat er naar zijn tuin wordt gekeken?’ lokte daarentegen meer neutrale en minder tegenstrijdige antwoorden uit. Het resultaat was de volgende vragenlijst:

 

* Had u een concept toen u begon met uw tuin in te richten?

* Heeft u zelf het concept van uw tuin ontworpen, of heeft u hulp gehad van een tuinarchitect?

* Hebt u rekening gehouden met uw buren en met wat zij zouden zeggen tijdens de inrichting?

* Vind u uw eigen tuin mooi?

* Wilt u dat voorbijgangers zich welkom voelen als zij uw huis en tuin voorbijlopen?

* Denkt u dat voorbijgangers uw tuin mooi vinden?

* Kijkt u naar tuinprogramma’s en/of koopt u tuinboeken? Is er een bekende tuinier die u bovenal bewondert?

BEELDEN

* U heeft hier een aantal beelden staan. Waarom heeft u deze in uw tuin staan?

* Waar heeft u deze beelden gekocht?

* Vindt u het belangrijk dat voorbijgangers die beelden zien staan?

* Hebben deze beelden een persoonlijke waarde voor u? Dragen zij eventueel herinneringen in zich?

* Hebben de beelden een betekenis? Wilt u iets aan de voorbijgangers duidelijk maken?

* Wat denkt u dat uw buren denken van de beelden in uw tuin?

* Denkt u dat voorbijgangers diezelfde betekenis zien in de beelden in uw tuin?

 

FOTO’S

* Wat is uw eerste gedachte als u deze tuin ziet?

* Denkt u dat u welkom bent bij deze mensen?

* Denkt u dat de eigenaar allegauw een praatje met u slaat als hij in de tuin werkt? Is tuinieren voor hem een sociaal gebeuren?

* Denkt u dat u de tuinier sympathiek zou vinden?

* Is deze tuinier trots op zijn tuin?

* Steekt hij er moeite in?

* Wil de tuinier dat er naar zijn tuin wordt gekeken?

* Denkt u dat de eigenaar van die tuin iets aan de voorbijgangers wil meedelen? Zo ja, wat?

* Hebben de afzonderlijke objecten in die tuin voor u een betekenis?

* Volgt deze tuin een bepaalde kunststroming, een bepaald idee?

* Denkt u dat deze persoon een bepaalde leefwijze in zijn tuin promoot?

* Welk beroep denkt u dat de inrichter van deze tuin beoefent?

* Denkt u dat deze tuineigenaar veel verdient?

* Vindt u deze tuin smaakvol?

WIL U TENSLOTTE DE FOTO’S ORDENEN MET DE MOOISTE TUIN VANBOVEN?

 

Tot slot is er nog een zesde probleem opgedoken. In de vragenlijst werd immers naar het gemiddelde netto gezinsinkomen geïnformeerd. De hoogste klasse die de respondenten konden aanduiden was 3800euro per maand of meer (153.292bef). Daarmee werden de respondenten echter onderschat aangezien de meesten dit cijfer met gemak konden aanduiden. Met deze fout zal dus in het verdere verloop van het onderzoek moeten rekening gehouden worden. Wie de hoogste economische klasse uit de vragenlijst haalt, is naar Vlaamse normen dus nog niet stinkend rijk, maar verdient wel meer dan gemiddeld.

 

 

2.4. Resultaten

 

2.4.1. Inleiding

 

In dit hoofdstuk zullen alle gevonden gegevens worden overlopen (2.3.1.) en met mekaar in relatie worden gebracht (2.3.2.) Op die manier zal getracht worden om antwoorden te vinden op de hypotheses en onderzoeksvragen. De belangrijkste zaken uit de interviews zullen worden geciteerd en samengevat in de tekst. Voor meer informatie kan men de uitgetypte interviews echter terugvinden in bijlage 4.

 

2.4.2. Algemeen

 

2.4.2.1. Inleiding

 

Onder deze titel volgt een algemeen overzicht van de gevonden feiten. Zo zullen de drie delen van elk interview worden overlopen om een overzicht te geven van de respondenten, het doel achter hun tuinen en de betekenis die ze aan andere tuinen geven. Een schematisch overzicht is te vinden in bijlage 3.

 

2.4.2.2. Gegevens van de respondenten

 

Van de acht geïnterviewde personen, zijn er vijf vrouwelijk en drie mannelijk. Dit is echter niet representatief voor de gemiddelde tuinier. De meeste respondenten werken immers samen met hun partner aan de tuin en de ideeën worden in onderling overleg afgesproken. Men kan hier over één van de meest geëmancipeerde huishoudelijk taken spreken!

De leeftijd van de respondenten ligt vrij hoog: er zijn vijf vijftigers, twee zestigers en één twintiger. Tezamen komen ze op een gemiddelde leeftijd van 54 jaar. De redenen voor deze hoge respondentenleeftijd zijn veelvuldig. Ten eerste is het bekend dat hoofdzakelijk gepensioneerde mensen tijd aan een interview willen spenderen. Zodra men dus voor deze onderzoekstechniek kiest, kan men zich eraan verwachten dat vooral oudere mensen bereid gaan zijn tot een gesprek. Ten tweede werd naar extreme tuinen gezocht. Diegenen die zo’n tuin hebben, zijn echter mensen die hun tuin belangrijk vinden en er dus ook veel moeite in steken. In de zoektocht naar uitblinkende tuintjes, bleken de eigenaars meestal van oudere leeftijd. Blijkbaar steken oudere mensen opvallend meer tijd en energie in hun tuintje. Tot slot wonen oudere mensen meestal al lang in hun huis en hebben zij vele jaren gehad om hun tuin tot een persoonlijk paradijsje uit te bouwen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de oudste tuintjes het meeste ‘af’ lijken.

De tuininteresse van de gemiddelde respondent is redelijk groot. De meesten gaan toch wel één keer per jaar naar een open tuin of tuintentoonstelling. Elke respondent vertoont zich jaarlijks in een tuincentrum en zes van de acht doen dat één tot vijf keer per jaar.

 

De andere vragen uit de vragenlijst werden gesteld om de sociale klasse van de respondent te bepalen. Zowel het economisch als het intellectueel en het culturele peil werden gemeten aan de hand van één of meer vragen. Er zal niet diep op die verschillende vragen worden ingegaan, maar er zal direct gefocust worden op de twee subafdelingen van de sociale klasse en op het culturele niveau.

Op het economische vlak bleken de meeste respondenten welstellend. Het netto gezinsinkomen voor vier respondenten ligt hoger dan 3800 euro per maand. Geen enkele respondent verdiende minder dan 800 euro. Deze feiten zijn natuurlijk niet zo verwonderlijk. De meeste mensen met een verzorgde voortuin hebben immers ook het geld om het onderhoud ervan te betalen.

Het economisch kapitaal van de respondenten contrasteert sterk met het intellectueel kapitaal. Vier van de acht respondenten hebben een diploma hoger onderwijs. Twee van hen hebben alleen de lagere school afgemaakt. De gemiddelde leeftijd hangt hier natuurlijk nauw mee samen. Vooral de gegevens over de ouders zijn opvallend. Geen enkele respondent had een ouder met een diploma hogere studies, maar er waren wel twee respondenten met een ouder die geen enkel diploma had. De variëteit aan beroepen van die ouders is bijgevolg ook niet groot. De ouders waren leerkrachten, arbeiders, zelfstandigen of landbouwers. Een aantal moeders waren natuurlijk ook huisvrouw. De respondenten zelf vervullen daarentegen de meest afwisselende beroepen en hebben bij hun opleiding blijkbaar weinig hinder ondervonden van de beperkte scholing van de ouders. Bijgevolg hebben vier van de acht respondenten een gemiddeld tot hoog intellectueel kapitaal.

De culturele smaak tenslotte werd bepaald aan de hand van vijf vragen over allerlei vormen van mediagebruik. Alle respondenten schommelen rond het gemiddelde, op de laatste twee respondenten na met een opvallend lage culturele smaak (althans volgens de normen van de cultuurdriehoek). Drie respondenten benaderen de hoge cultuur met een ‘hoge gemiddelde smaak’ en drie respondenten benaderen met een ‘lage gemiddelde smaak’ de lagere cultuurklassen. Extreem hoge cultuur was niet terug te vinden in de respondentengroep.

 

Zoals reeds bij het theoretisch overzicht van Bourdieus theorie werd uitgelegd, is de klassenstratificatie een erg verouderd systeem. Vooral wat betreft culturele smaak en economisch peil zijn de grenzen aan het vervagen waardoor het verschil middenklasse – burgerij verdwijnt. De grenzen tussen de burgerlijke en de kleinburgerlijke respondenten zijn dus miniem te noemen. Toch is het belangrijk voor het onderzoek dat we de respondenten in klassen onderverdelen, want het klassegevoel bestaat nog steeds. Het probleem is alleen dat mensen niet kunnen zeggen tot welke klasse ze zelf behoren, maar wel weten wie hoger en wie lager dan hen op de ladder staat.

Vanwege deze problemen werd een vrij complex systeem ontwikkeld om te bepalen tot welke klasse de respondenten juist behoren. Teneinde deze toch vast te kunnen stellen, werd rekening gehouden met de besproken drie niveaus, evenals met het contrast tussen het beroep van de ouders en het beroep van de respondent. Indien het economisch en intellectueel kapitaal dus niet volstonden om de klasse te bepalen, werd er naar de culturele smaak gekeken. De hoge culturele smaak hoort immers bij de intellectuele klassenfracties en de lage culturele smaak bij de economische klassenfracties. Het verschil tussen het beroep van de ouders en dat van de respondenten werd gebruikt indien er ook na de culturele smaakgegevens nog twijfel bestond: in dat geval betekende een grote steiging dat de respondent tot de economische fractie behoorde. Hij/zij had immers een andere cultuur meegekregen dan die die bij zijn/haar huidige klasse paste. Met de nodige speculaties werden de respondenten zodanig verdeeld dat er twee respondenten tot de intellectuele burgerij behoren, één tot de economische burgerij, twee tot de stijgende middenklasse, één tot de stabiele middenklasse en twee tot de arbeidersklasse. Welke respondent tot welke klasse hoort en waarom wordt verder uitgelegd in 2.4.3.1.

 

2.4.2.3. Het doel achter de eigen tuin

 

Op basis van enkele vragen zijn de respondenten geïnterviewd over de bedoelingen achter hun eigen voortuintje. De antwoorden hierop zullen nu worden besproken.

 

Ten eerste blijkt dat de meeste respondenten niet vanuit een concept vertrekken. Een tuin groeit geleidelijk. Bovendien wordt deze permanent aangepast. Niemand is dan ook volledig tevreden over zijn tuin. Alle respondenten zijn van plan om hun voortuintje aan te passen of om er in de toekomst nog zaken aan toe te voegen. Desondanks houden de meeste respondenten van hun tuintje en zijn ze er gelukkig mee. Alleen respondent 7 (grind) en respondent 3 (gazon) zijn expliciet misnoegd. Respondent 7 gaat alles ook nog veranderen. Respondent 4 (formeel) is matig tevreden en vindt dat er nog veel werk is in haar tuin. Elke eigenaar die gematigd tot heel tevreden is over zijn voortuin is er ook trots op. Uitgezonderd dan respondent 5. Zij heeft een hoge bomenrij rond haar huis en vind die verouderd en niet langer mooi, maar is wel tevreden over de privacy die ze erdoor verkrijgt.

 

Voor de vormgeving van de tuin doen slechts weinig respondenten beroep op een specialist. Omdat respondent 4 (formeel) niet goed slaagde in de verwezenlijking van haar ideeën, heeft zij - als enige respondente - hulp gezocht bij een professioneel tuinarchitect. Ze is evenwel niet tevreden van diens prestaties en is haar tuin geleidelijk aan terug aan het veranderen. Respondent 3 (gazon) heeft geen beroep gedaan op een professioneel tuinarchitect, maar wel op een bevriende amateur; evenals respondent 6 (Mariagrot) die gebruik maakte van de diensten van haar schoonbroer. Ook zij waren allebei niet tevreden. Het blijkt dat mensen wel om hulp durven vragen, maar altijd een heel eigen idee hebben over de inrichting van hun tuin. De tuineigenaars zijn bijgevolg ook nooit helemaal tevreden als ze zelf geen of weinig inbreng in het vormgeven van hun tuin hebben gehad.

Daarnaast krijgen respondent 2 (buxus en beton) en respondent 4 (formeel) ook hulp bij het onderhoud van hun tuin. Daarbij gaat het dan vooral over het snoeien van de hagen omdat ze het zelf wegens rugklachten niet meer aankunnen.

 

De meeste respondenten hebben geen rekening met hun buren gehouden tijdens de inrichting van hun tuin. Er zijn wel twee uizonderingen: respondent 3 (gazon) en respondent 6 (Mariagrot) wonen naast familieleden en delen een gemeenschappellijke tuin. Zij hebben natuurlijk wel expliciet met hun buren rekening gehouden, deels ook omdat de tuinen tegelijk werden aangelegd. Respondent 1 (wild) zegt ook dat hij geen rekening hield met de buren, maar gelooft in trends. Hij constateert dat in zijn straat, tegelijk met zijn tuintje, nog een vijftal gelijkaardig ingerichte voortuintjes zijn ontstaan. Volgens hem is men een kleine tien jaar geleden van een ‘gazonmode’ afgestapt ten voordele van wildere voortuintjes. Die gedacht wordt bevestigd door respondent 5 (afscherming), die ook denkt dat gazonvoortuintjes een verouderd modeverschijnsel zijn. De meeste respondenten weten nauwelijks wat de andere mensen van hun tuin vinden. Alleen respondent 8 (tuinkabouters) zegt expliciet dat hij veel succes oogst met zijn tuin. Niet bij de inrichting, maar wel bij de verdere aanpassingen van zijn tuin probeert hij om de buurt te behagen en te amuseren. Hij vindt het heel belangrijk dat de voorbijgangers en bezoekers zijn tuintje mooi vinden. De anderen vangen wel eens wat commentaar op. Respondent 4 (formeel) bijvoorbeeld hoort soms mensen voorbij de tuin lopen als zij achter de haag werkt, die dan zaken zeggen zoals ‘hier moet ge eens efkes binnen kijken’, maar ze had nog geen negatieve commentaar gehoord. Evenmin als de andere respondenten.

 

De meeste geïnterviewde personen vonden het belangrijk dat de mensen zich welkom voelden als ze kwamen aanbellen, hoewel ze niet dachten dat de tuin op dat gevoel veel invloed kon uitoefenen. Toch schrokken ze allemaal van modeltuin 2 met de hoge haag en dachten ze niet dat men daar willekeurig eens kon binnenspringen. Toch was er één uitzondering: respondent 5 met zelf een hoge bomenrij dacht niet dat een afscherming vertrouwde mensen zou afschrikken. Wél zou het leurders kunnen weghouden, maar dat was alleen maar mooi meegenomen.

 

Vijf van de acht respondenten hadden ornamenten in hun tuin. Deze waren velerlei zoals pompen, paddenstoelen, Mariakapelletjes, tuinkabouters, figuren van katten, antieke tafeltjes, reproducties van klassieke Griekse beelden, …

Enkel respondenten 6 – met een erfstuk – en 4 – met zelfgemaakte sculpturen – waren aan hun tuinornamenten gehecht. De anderen plaatsten hun versiering uitsluitend voor decoratieve redenen. Toch zouden de meesten het wel erg vinden als hun spulletjes gestolen werden – zonde van het geld! Geen enkele respondent geeft een expliciete betekenis aan zijn/haar tuinversiering, hoewel bijna iedereen wel een verhaaltje bij elk ornament kan vertellen. Quasi niemand wist bovendien wat buren en voorbijgangers van hun ornamenten vinden. Uitgezonderd dan respondent 8 (tuinkabouters) die heel wat positieve reacties van de buren krijgt, zodanig dat ‘als ik iets nieuw gekocht heb ofzo dan komen ze kijken he en een taske koffie drinken enzovoorts’ (respondent 8). De meeste tuinornamentuur wordt gekocht in tuincentra en in gespecialiseerde tuinornamentenwinkels. Respondent 8 (tuinkabouters) kocht ook al eens iets op de rommelmarkt en respondent 4 (formeel) maakt haar beelden vaak zelf.

 

Tot slot waren slechts weinig respondenten geïnteresseerd in tuinboeken, tuinprogramma’s of tuingoeroes. Respondent 2 (buxus & beton) had ooit al een boek van Mark Demesmaeker gekocht en had het eens doorgebladerd. Respondent 4 (formeel) was daarentegen meer geïnteresseerd: zij kocht geregeld tuinboeken over verschillende aspecten van het tuinieren als winterlectuur en om ideeën op te doen. De meeste mensen keken af en toe wel eens naar een tuinprogramma als ‘Groene vingers’ op VTM, maar zouden er nooit voor thuisblijven. Alleen respondent 8 (tuinkabouters) volgde ‘Groene Vingers’ elke zaterdag, maar hield er bij het tuinieren wel geen rekening mee.

 

2.4.2.4. De betekenis van enkele andere tuinen.

 

De reacties op de meeste tuinen waren redelijk gelijkaardig. De fantasietuin met buxus (modeltuin 5) en de tuinkitschtuin (modeltuin 8) kregen verbaasde en ongelovige reacties. Zij scoorden ook zelden goed omdat velen wel de elementen mooi vonden, maar niet het – te drukke - geheel. De toppers waren dan weer de formele modeltuin (1) – die bijna altijd als mooiste modeltuin genoteerd werd – en de wilde modeltuin (4). Een schema van de prioriteiten van de respondenten is te vinden in bijlage 3.

 

Hoewel de meeste respondenten niet dachten dat voorbijgangers iets speciaals in hun eigen tuin zouden ontdekken, konden ze wel allemaal betekenissen aan de modeltuinen ontlenen. Zo zou het de eigenaars van de fantasietuin (5) en van de tuinkitschtuin (8) plezieren als er naar hun tuin wordt gekeken. En modeltuin 3 met de betonnen beelden zou zelfs opzettelijk zo ingericht zijn om de straat te imponeren. Over het karakter van de eigenaars wensten de respondenten zich dan weer minder uit te spreken. De meesten dachten dat dat niet af te leiden was aan de tuin. Datzelfde gold ook voor de vraag naar het beroep. Leeftijd en inkomen bleken dan weer gemakkelijker vragen, hoewel… eigenlijk konden de respondenten zich slechts met veel moeite in de modeltuineigenaars inleven.

 

Leefwijzen werden volgens de respondenten in veel tuinen gepromoot in de zin van ‘orde’. De meeste respondenten schaarden zich dan ook achter respondente 3 (gazon) met de volgende uitspraak ‘Verzorgd da’s goed!’. Dat verklaart ook het succes van de formele modeltuin (1) ten voordele van de wilde modeltuin (4). Drie respondenten vonden die laatste het mooist, maar de overige vijf gaven de voorkeur aan ordelijke tuinen en stemden bijgevolg op modeltuin 1: de meest verzorgde en nette tuin van de acht modellen. Eigenlijk kan men stellen dat er twee soorten tuiniers zijn: de ordelijke en de natuurlijke. De ordelijke tuiniers verkiezen een menselijke aanpak van de natuur, zij willen ornamenten, geknipte haagjes, … en er mag vooral geen blaadje verkeerd liggen. De natuurlijke tuinier daarentegen wil zoveel mogelijk natuur en vind die geknipte haagjes een beperking van de mogelijkheden van het wilde leven. Ondanks de nonchalante indruk besteden ook zij veel tijd in hun tuin zodat de ene plant de andere niet overwoekert, maar natuurtuiniers willen wel niet elke plant in een apart vakje steken.

 

Hoewel veel respondenten de leefwijze van de modeltuineigenaars konden interpreteren, wisten ze bijzonder weinig over de eigenlijke tuinsierkunst. Bij modeltuin 1 herkenden de meesten wel een stijl, maar ze dachten dat deze Engels was. Nochtans is het een klassieke tuin naar Frans model (hoewel de populariteit van dit formele tuingenre ook in Engeland opvallend is toegenomen). Respondente 5 (afscherming) wist de wilde modeltuin (4) ook nog te linken aan de schilderijen van Monet, die inderdaad voor zijn warrige en natuurlijke tuinen bekend staat. Anderen noemden deze modeltuin ‘boerentuin’ of ‘wilde tuin’, twee correcte benamingen.

De meeste respondenten dachten dat bijna elke modeltuinier moeite in zijn tuin stak en er trots op was, met uitzondering van de eigenaars van haag (2) en gazon (7). Respondente 5 (afscherming) was de enige die terecht opmerkte dat er onkruid op het Mariagrotje (6) groeide en dat de eigenaar er dus wel niet veel moeite in zou steken. De anderen dachten ook hier dat de eigenaar trots zou zijn en moeite in zijn grotje zou steken.

 

De verschillende objecten tenslotte vielen meestal niet in goede aarde. Elke respondent had zijn eigen idee van ‘mooi’ en kon slechts weinig dingen die op de foto’s getoond werden appreciëren.

Op de vraag of iemand een tuin smaakvol vond kwamen verschillende antwoorden, maar bijna elke tuinier wist bij de meeste tuinen te zeggen: ‘Ik zou het toch anders doen’ (respondente 2) en dat bewijst dat de tuin een heel persoonlijk iets is, waarover iedereen zijn eigen mening heeft. Daarnaast vonden de meeste respondenten toch de modeltuinen die met hun eigen tuin overeenkwamen het meest smaakvol.

 

2.4.2.5. Besluit

 

De verschillen tussen Bourdieus klassen worden steeds minder duidelijk en zullen geleidelijk verdwijnen. Desondanks zijn de respondenten toch in klassen verdeeld omdat het klassengevoelen nog steeds bij de mensen bestaat. Hulp van buitenaf wordt niet geapprecieerd: tuineigenaars willen vooral hun eigen zin doordrijven. Elke respondent had zijn tuin zonder bijbedoelingen ingericht en zonder rekening te houden met de buren. Datzelfde geldt ook voor de objecten die ze in hun tuin hadden staan. Ze vinden het ook niet belangrijk wat de voorbijgangers van de tuin vinden. Ondanks het persoonlijke karakter van hun eigen tuin, sluiten ze wel aan bij bepaalde stijlen en herkennen – en prefereren! – ze ook hun eigen stijl. Dit bevestigt de ‘life style’-stelling uit de literatuurstudie. Tuineigenaars willen duidelijk in hun tuin een eigen identiteit uitbouwen – impression management! Toch zullen ze zich hiervoor niet buiten de genormaliseerde kaders wagen en blijven ze – door uitsluiting – hun eigen life style volgen. De meeste modeltuinen zijn immers zo tegengesteld aan hun eigen smaak dat ze voor de modeltuin in de eigen stijl kiezen, die ze zelf toch net iets anders zouden inrichten.

De meeste respondenten waren niet bevreesd om hun smaak aangaande andere tuinen te exprimeren. In zeven