| De private kapitaalmarkt in de 18de eeuw. Een vergelijking tussen de regio’s Gent en Ieper. (Dries Dewulf) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
DEEL 2: Hypothecaire renten in de regio's Gent en Ieper
In dit hoofdstuk zullen we het principe van de rentecontracten doorlichten. Vervolgens zullen we de ontstaansgeschiedenis schetsen, met aandacht voor het wettelijke kader van de hypothecaire renten. Dit kan vrij makkelijk, daar de literatuur hierover voor de Zuidelijke Nederlanden vrij uitgebreid aanwezig is.[38] Het gaat hierbij enkel om de belangrijkste wetten, die het systeem gemaakt hebben tot wat het was in de 18de eeuw. In een laatste paragraaf zullen we dan nog kort ingaan op de 18de-eeuwse polemiek over de conversie van de renten in Vlaanderen.
3.1. Omschrijving van de term 'hypothecaire rente'
Als we in het verdere verloop van de tekst de term ‘rente’ gebruiken, bedoelen we altijd de hypothecaire rente, tenzij het anders vermeld staat. De hypothecaire rente of erfrente zal al vrij vroeg in het Ancien Régime uitgroeien tot een belangrijk kredietinstrument, zoals we bij de ontstaansgeschiedenis nog zullen zien. Het systeem wijkt sterk af van alle huidige kredietsystemen, daarom zullen we hier een definitie geven en de voor- en nadelen tegenover elkaar stellen. Met de term 'rente', zoals ze door ons zal gebruikt worden, bedoelen we de eeuwigdurende betaling van een bepaald bedrag tegen een bepaalde intrestvoet door de renteverkoper, in ruil waarvoor de renteverkoper een bepaalde geldsom ontvangt van de rentekoper. De renteverkoper kon zelf beslissen wanneer hij het bedrag wilde terugbetalen of aflossen. De aflossing moest in bijna alle gevallen in één keer gebeuren. Let wel, het jaarlijks betalen van de rente was geen afbetaling. De termijn van aflossing kon zo zeer hoog oplopen, zoals blijkt uit volgend voorbeeld. Op 1 november 1700 verkopen Lieven de Muijnck en zijn vrouw een rente tegen de penning 16 aan de heer Frans Schellijnck. Het geleende bedrag heeft een waarde van 32 ponden. De rente zal pas op 1 februari 1776 afgelost worden. Het mag wel duidelijk zijn dat dit niet meer gebeurde door de personen die de rente afgesloten hadden, maar wel door de erfgenamen. De renteverkopers hebben in die periode vijf keer meer aan intrest betaald dan het bedrag dat ze geleend hadden.
Het specifieke van dit systeem ligt in het feit dat de rentekoper het uitgeleende bedrag niet kon terugvorderen, zolang de renteverkoper binnen de vastgelegde termijn bleef betalen. De rentekoper kon dus gedurende onbepaalde tijd niet over een deel van zijn kapitaal beschikken. Bij financiële nood kon hij de rente wel doorverkopen aan een derde persoon (=transport of overdracht). Doordat de rentekoper het bedrag niet kon terugeisen, ontsnapte het systeem ook aan het kerkelijke verbod om te lenen tegen intrest. De rente moest gevestigd worden op een welomschreven onroerend goed en de intrestvoet mocht niet méér bedragen dan de tiende penning.[39]
Het systeem had voor beide partijen voor- en nadelen. De voordelen voor de renteverkoper lagen hierin dat hij op een gemakkelijke manier tegen een lage intrest geld kon ontlenen, zonder kapitaalreserves te gebruiken. Hij kon tevens zelf bepalen wanneer hij de som terugbetaalde. Voor de rentekoper betekent deze transactie een regelmatig inkomen, met het nadeel dat er een verstoring van de inkomsten kon optreden als de renteverkoper zijn jaarlijkse rente niet meer kon betalen. Belangrijker is echter het feit dat hij het geld zelf niet kon terugeisen, alleen de rente doorverkopen was een optie. Indien de renteverkoper niet meer in staat was zijn schuld te betalen, kon de rentekoper zich wel verrijken, omdat hij dan beslag kon leggen op zijn hypotheek. En het belangrijkste nadeel was de daling van de reële waarde door de stijgende levensduurte en muntdevaluaties in de long-run. Het valt op dat de invloed van de inflatie in weinig studies wordt meegerekend in de evolutie van het cijfermateriaal. Deze invloed is uiteraard moeilijk in te schatten, maar men moet er tijdens het onderzoek wel rekening mee houden.
3.2. De wetgeving
Het systeem van de hypothecaire renten was in de 13de eeuw ontstaan uit pogingen van pachters om meer inkomsten uit hun gronden te halen. Maar het systeem was problematisch voor de renteverkopers, omdat het nog niet in de mogelijkheid voorzag om de rente af te lossen. Dit had als gevolg dat de schulden zich opstapelden. In de 13de eeuw werden echter al clausules toegevoegd met de mogelijkheid tot aflossing. Het was tijdens het bewind van Karel V dat de terugbetaling officieel werd opgetekend, met de uitvaardiging van twee keizerlijke ordonnanties (19 oktober 1520 en 21 februari 1529).[40] De renten konden zowel in natura als in geld betaald worden, maar ook daar kwam in de 16de eeuw een eind aan. Op 5 mei 1571 werd een keizerlijke ordonnantie uitgevaardigd die de renten in natura verbood. Deze ordonnantie was er gekomen, omdat de betaling vaak in graan gebeurde en de graanprijzen te sterk aan veranderingen onderhevig werden in de 16de eeuw.[41] De intrestvoet werd door de overheid vastgelegd via verschillende edicten: op 5 maart 1571 en 26 oktober 1573 bedroeg hij de penning 16 (6,25 %), op 23 oktober 1723 werd hij verlaagd tot de penning twintig (5 %).[42]
Het systeem van de hypothecaire renten ontsnapte aan het kerkelijke verbod op leningen, omdat de rentekoper niet het recht had het uitgeleende kapitaal terug te eisen. In 1425 en 1455 werden twee pauselijke bullen uitgevaardigd (Regimini), waarin het systeem werd toegestaan, op voorwaarde dat de rente gevestigd was op een welomschreven onroerend goed, dat de rente afkoopbaar was op vraag van de verkoper en dat ze niet méér mocht bedragen dan de penning tien (10 %). Dit verklaart ook het succes, aangezien dit voor de rijken een unieke mogelijkheid was om hun kapitaal te laten renderen.[43] Het is zo dat de rentekoper in principe geen actie kon ondernemen tegen een wanbetaler, maar in de meeste costuymen (ook die van Ieper en de Oudburg van Gent) werd een dergelijke procedure vanaf de 14de eeuw wel opgenomen. In de Moderne Tijd kon de rentekoper de goederen, die met de rente ‘bezet’ waren, aanslaan en openbaar verkopen. Dit werd vanaf de 13de eeuw vaak als clausule opgenomen in het rentecontract.[44]
3.3. De conversie van de intrestvoet
De Junta voor Beden en Besturen voerde een stille maar onverdroten strijd om de lage intrestvoet, die in de tweede helft van de achttiende eeuw in de Zuidelijke Nederlanden gangbaar was, te doen toepassen op de bestaande rentebrieven en andere schuldtitels van de ondergeschikte besturen. […] Met deze operatie wilde de Junta niet alleen de last van de besturen verlichten …, zij beoogde ook de veralgemening van eenzelfde nationale rentevoet in onze gewesten te realiseren.[45] Deze conversie kon echter niet zonder slag of stoot worden doorgevoerd. Iedere groep met belangen in deze discussie oefende druk uit op de besluitvorming. We zullen aan de hand van het artikel van Lenders de belangrijkste data en discussies samengevat weergeven, maar voor de volledige argumentatie verwijzen we graag naar dit artikel.[46]
In 1754 had de voorzitter van de Staten van Vlaanderen, Vilain XIIII, de rentevoet teruggebracht tot 4 % courant, waarmee hij de koers van de Gentse kapitaalmarkt volgde. Dit stuitte op verzet van een minderheid onder leiding van stadspensionaris Pycke, die zijn gelijk niet haalde. Deze Vilain XIIII publiceerde in 1755 zijn Réflexions sur les finances de la Flandre, met daarin een verslag over de financiële instellingen van het graafschap Vlaanderen. In dit verslag betoogde hij dat een lage intrestvoet de economie bevorderde: … l’impot levé & perpetué pour les paiemens des interêts fait tort à la culture & aux manufactures en rendant la main de l’ouvrier plus chere.[47] De bezittende klasse vreesde echter dat een verlaging de kredietwaardigheid van het bestuur zou aantasten, maar Vilain XIIII verwierp dit argument. Als reactie op zijn Réflexions schreef Pycke Réponse aux Réflexions sur les finances de la Flandre, waarin hij verschillende argumenten aanhaalde om de conversie niet door te voeren. Deze polemiek hield verschillende jaren aan. Het was pas in 1776 dat de Deputatie met een nieuwe argumentatie kwam, die ook weer geschreven was door Vilain XIIII, maar waarin hij zich nu opwierp als tegenstander van de conversie. De Junta reageerde in 1777 met een document dat de titel Objections droeg. Daarin haalde ze opnieuw de belangrijkste argumenten aan om de conversie door te voeren, en concludeerde ze dat de verlaging van de rentevoet noodzakelijk was voor de staatsschulden. Een jaar eerder was echter al een compromisvoorstel ingediend door de leidende politici en hoofdambtenaren, waarbij de centrale overheid het voordeel van de intrestverlaging schonk zonder deze door te voeren. De Junta stemde in, maar bleef toch hopen op de conversie. Zij stelde vervolgens een compromis voor, dat in 1777 werd goedgekeurd door de landvoogd. In dat jaar nog, werd de conversie echter volledig doorgevoerd, doordat Vilain XIIII gestorven was en zijn opvolger, baron Lebailly de Marloop, veel toegeeflijker was.
In dit hoofdstuk zullen we de belangrijkste aspecten van het bronnenonderzoek bespreken. Een eerste uitvoerige paragraaf handelt over de aard van de bronnen. Daarnaast wordt hier ook een prototype-rentecontract beschreven en vergeleken met het vaste schema uit de notarisboeken. In een tweede paragraaf zullen we het aantal rentecontracten per steekproefjaar bespreken, wat kan gelden als een eerste indicatie van de economische conjunctuur. In een derde paragraaf zullen we dan aandacht besteden aan het notariaat.
4.1. Bespreking van de bronnen
De belangrijkste bron voor het onderzoek naar hypothecaire renten is het rentecontract. Deze rentecontracten zijn onderdeel van de wettelijke passeringen en bevinden zich dus in de registers van de vrijwillige rechtspraak. Zowel voor de regio Gent als voor de regio Ieper is het echter zo dat de rentecontracten voor de 18de eeuw in aparte registers vermeld zijn, en niet verspreid zitten tussen de andere wettelijke passeringen. Dit als gevolg van de sterke toename van het aantal rentetransacties.[48]
De meeste renteregisters, ook voor andere gemeenten in de buurt, eindigen meestal omstreeks 1795, zodat de bronnen ons daar verplichten te stoppen. Er werd, zoals eerder vermeld, gekozen om te werken met tienjaarlijkse steekproeven. De Ieperse registers zijn minder uitgebreid en daarom hebben we ervoor gekozen om de steekproefjaren uit te breiden met het jaar ervoor en erna. Als we de optelsom maken van de drie jaren, dan komen we in de buurt van het aantal renten dat in de registers van de regio Gent is opgetekend. Het vergelijken wordt er wel enigszins door bemoeilijkt, maar bij het merendeel van de onderzoeksvragen zal de vergelijking toch goed mogelijk blijven. Voor een aantal tabellen vermelden we één steekproefjaar (bvb. 1710), maar we bedoelen voor de regio Ieper dus eigenlijk het gemiddelde van drie jaar (1709-1711). We zullen er later bij elk hoofdstuk apart op terugkomen.
We hadden bij het onderzoek naar de beide registers ook het geluk dat bijna alle jaren integraal bewaard zijn gebleven. De registers zijn voor de regio Gent bijna volledig, enkel in het jaar 1710 ontbreken een aantal renten. Het register begint in april, terwijl alle andere registers het hele jaar beslaan. Dit is echter het enige hiaat in de bronnen voor de regio Gent. Voor de regio Ieper is de situatie minder gunstig. We vermeldden hierboven al dat we voor de regio Ieper ook het jaar vóór en na het steekproefjaar erbij genomen hebben, desondanks is er voor de periode 1699-1701 niks bewaard. Dit heeft als logisch gevolg dat de vergelijking voor dat jaar zal ontbreken. De andere hiaten zijn minder groot en zullen dan ook minder gevolgen hebben voor het vergelijken van beide regio's. Voor het jaar 1721 is slechts één rente bewaard, maar dit wordt ondervangen doordat we voor de regio Ieper telkens met drie jaar te maken hebben. Dit zal uiteraard weinig invloed hebben op onze bespreking van de evolutie van de intrestvoet, maar bijvoorbeeld wel voor het bepalen van het totale kapitaalvolume. Maar we zullen dit probleem verder in de tekst bij elk onderzoeksthema apart behandelen. Vervolgens ontbreekt voor de regio Ieper het jaar 1739 en de helft van 1740, en ook het jaar 1749 ontbreekt tot en met de maand juni, zodat we voor die steekproeven een enigszins vertekend beeld krijgen. Opvallend is misschien wel dat de steekproef van het jaar 1790 wel volledig is, ondanks de labiele politieke toestand. We kunnen dus stellen dat de bronnen voldoende volledig zijn en bijgevolg voor de hele eeuw bruikbaar zijn voor ons onderzoek.
De registers bevatten een groot aantal uniforme rentecontracten, die door notarissen of ‘gemeentebesturen’ werden opgesteld. Ze bevatten een schat aan informatie, maar ze laten ons ook soms in de steek bij onze pogingen om een aantal vragen te beantwoorden. Elk document begint steevast met: Compareerden voor schaut burgemeestre ende schepenen vanden graefschepe van Everghem in persoonen …. Indien de akte via een notaris geregeld was, volgde zijn naam na Compareerde voor. In elk document worden zowel de namen van de rentekoper(s) als de renteverkoper(s) vermeld, maar voor hun woonplaats is dit niet altijd het geval. Af en toe wordt ook het beroep van de actoren vermeld, maar het gaat hier om een minderheid van de akten. Daarna volgt het bedrag dat ontleend wordt en de intrestvoet, eventueel gevolgd door de korting en de voorwaarden daarvoor. De renteverkoper(s) … verclaert soo sij doen mids desen deugdelijck opgelicht ende ontfangen t’hebben uijt handen van … de somme van … getrauwelijck beloven te sullen gelden ende betaelen eene rente van … als de betaelinge saude gebeuren worden alle jaeren precies ten valdaege uijtterlijck binnen … sullen de comparanten gestaen met …. Vervolgens volgt een lange beschrijving van het onderpand dat met de rente belast wordt. Deze lijst beslaat vaak meer dan één bladzijde, omdat bij elk gebouw en elk stuk grond telkens ook de ligging in het dorp vermeld wordt. Het is ook bij deze beschrijving dat vermeld wordt of het onderpand al belast is of niet, en met welk bedrag. Het document eindigt met de datum waarop de rente is ingeschreven. Wordt de rente afgelost, dan doorstreept men elke bladzijde en volgt een vaste formulering in de kantlijn, te beginnen met: Uyt crachte van de quittantie van aflos der nevenstaende rente …. Ook bij een renteoverdracht volgt in de kantlijn een beschrijving van de nieuwe situatie. We willen er wel op wijzen dat in de contracten ook andere formuleringen naar voor komen, maar het gaat telkens om dezelfde informatie die op een licht gewijzigde manier aangebracht wordt.
Dit is vanuit ons oogpunt de belangrijke informatie in de rentecontracten, maar er ontbreekt ook informatie. Het belangrijkste tekort is het motief tot het verkopen van een rente. Dit wordt nooit vermeld, maar zou ons cruciale informatie kunnen opleveren, en een antwoord kunnen bieden op de vraag of het gaat om investeringskrediet of noodkrediet, wat een zeer sterke indicator zou zijn van de economische situatie. Nu moet dit onderzoek via een aantal omwegen gebeuren. Ook de leeftijd van de personen in kwestie wordt niet vermeld (cf. infra).
In het Ancien Régime werden handboeken ontwikkeld voor notarissen, met daarin uniforme basiscontracten, ondermeer een rentecontract. We hebben deze basiscontracten ingekeken en ze vergeleken met de eigenlijke contracten. Het handschrift dateert uit de 18de eeuw en bevat modellen voor schepenakten en notariële akten. Voorafgaand aan het document is er een lijst met informatie die zeker in het document moet voorkomen. Het gaat om het kapitaal en de vermelding dat het ontvangen is, de penning (intrestvoet), de dag waarop de rente start en de jaarlijkse betaaldag, en de hypotheek. Daarna volgt het eigenlijke document: Compareerde voor mij … notaris der … inde presentie vande ghetuijghen hier naer ghenoemt in persoone … welcken comparant verclaerde bij desen de rente ontfangen te hebben van … alhier inghelijcks medecomparerende de somme van … ghelt volgens de placaeten van … passerende daer van bij desen volle ende absolute quitantie aenden tweeden comparant met belofte van jaerelijcks te betaelen den intrest van het voormelde capital in advenante van de penninck … bedraeghende jaerelijcks de somme van … dies het eerste jaer crois inganck nemen sal van heden date deser ende bij dies verschijnen ten ghelyckene daeghe vanden jaere […] ghedaen ende ghepasseert binnen … desen … ter presentie van ….[49] Op de stippellijnen worden dan de gegevens eigen aan het contract ingevuld. De formulering verschilt enigszins met die uit de registers, maar de volgorde van de informatie en ook de informatie zelf is dezelfde. In het basiscontract wordt wel uitdrukkelijk verwezen naar het vermelden van de intrestvoet tegen een bepaalde penning, maar dit blijkt later in de 18de eeuw onhoudbaar, wanneer de rente tegen 4,3 % opkomt, zodat in die gevallen het percentage zelf vermeld wordt. Er wordt ook geen melding gemaakt van de korting, terwijl deze nieuwigheid in beide regio's sterk zal uitgebouwd worden.
De verwerking van deze bronnen gebeurde via uniforme fiches, waarop alle relevante informatie genoteerd kon worden (naam van de rente(ver)koper(s), met eventueel het beroep, bedrag, intrestvoet, korting, transport of aflossing, onderpand al belast, datum, naam van de notaris). Op die manier kon het werk vlot verlopen en was het ook vrij eenvoudig om de gegevens te verwerken tot tabellen en grafieken
De rentecontracten zijn dus de basis voor dit onderzoek. We hebben deze basisbron voor de regio Gent aangevuld met drie andere bronnen, om het onderzoek in een breder kader te plaatsen. Het is in het historisch onderzoek zo dat ook het tijdstip waarop een hypothecaire rente wordt afgesloten van groot belang is in het kader van de studie van de levenscyclus in het Ancien Régime. De leeftijd wordt niet vermeld, daarom hebben we de klappers op de huwelijken van de gemeente Evergem doorgenomen. Als we de naam van de renteverkoper terugvonden in de parochieregisters van Evergem, kenden we de huwelijksdatum. Via de huwelijksdatum konden we een ruwe schatting maken van de leeftijd van een bepaalde persoon. Het onderzoek werd echter wel beperkt door het feit dat we alleen de renteverkopers van Evergem opzochten, en dat personen uit omliggende gemeenten dus niet aan bod kwamen. Dit zorgde ervoor dat we een te klein aantal personen hadden om het onderzoek statistisch verantwoord te maken. Daarom hebben we twee jaar voor en na de steekproefjaren de renteverkopers uit Evergem opgetekend en alles samengevoegd. Bijkomend probleem was het feit dat de parochieregisters van Evergem voor de 18de eeuw pas vanaf 1751 bewaard zijn gebleven, zodat ons onderzoek naar de levenscyclus zich beperkte tot de periode 1760-1790.
Een derde belangrijke bron waren de ommestellingslijsten van de gemeente Evergem. Daarin hebben we voor drie steekproefjaren (1699, 1739 en 1789) de renteverkopers opgezocht om de bedrijfsgrootte te reconstrueren. Door telkens de bronnen van een jaar vóór de steekproeven van de rentecontracten te nemen, konden we de bedrijfsgrootte reconstrueren net vóór de rente werd afgesloten. Het resultaat was eerder mager, maar gelukkig konden we dit aanvullen met een tabel over de bedrijfsgrootte in Evergem op verschillende tijdstippen gedurende de 18de eeuw.[50]
Een laatste, meer uitgebreide bron, waren de registers van erfenissen en onterfenissen, waarin de immobiliëntransacties zijn opgenomen. Ook hier hebben we met steekproeven gewerkt, die gelijk liepen met die van de ommestellingslijsten (1700, 1740 en 1790). Deze bron gaf ons heel wat mogelijkheden, zo konden we ondermeer het belang van de rentemarkt inschatten tegenover de immobiliënmarkt. Het belangrijkste is waarschijnlijk evenwel het vergelijken van de namen van de renteverkopers en de tijdstippen van de transacties, waardoor we konden achterhalen of een rente werd afgesloten om nieuwe immobiliën aan te schaffen of juist niet.
We zullen bij elk hoofdstuk apart nog een korte beschrijving van de relevante bronnen geven met telkens het belang voor het desbetreffende hoofdstuk.
4.2. Het bronnenaantal
Voor de studie van het Ancien Régime krijgt men vaak te maken met het probleem van hiaten in de bronnen. Dit is voor dit onderzoek niet anders. De registers van de gemeente Evergem zijn, met uitzondering van 1710, voor de steekproefjaren allemaal bewaard gebleven. We hebben in die registers 342 rentecontracten teruggevonden. Enkel voor het jaar 1710 valt op dat het aantal sterk lager ligt dan de andere steekproefjaren (15 tegenover ca. 25 per steekproefjaar in de periode 1700-1760). Het eerste rentecontract voor dat jaar is echter maar ingeschreven op twee april, terwijl de andere registers steeds het hele jaar omvatten. Naar analogie met de andere maanden in de eerste helft van de 18de eeuw, komen we uit op twee rentecontracten per maand, wat een totaal maakt van 21 in 1710, een getal dat meer in de gegevensreeks past. Het lagere cijfer kan echter ook gedeeltelijk een gevolg zijn van de Successieoorlog.
De tabel (tabel 1) laat duidelijk zien dat het aantal rentecontracten voor de regio Gent tot 1760 stabiel blijft. Met uitzondering van het jaar 1710 schommelt het aantal telkens rond de 25. In de periode 1770-1780 vindt er echter een exponentiële groei plaats. In 20 jaar tijd is het aantal rentecontracten bijna verdriedubbeld (van 25 tot 67). Het grote aantal afgesloten renten in het jaar 1780 blijkt ook uit het feit dat dit steekproefjaar bijna 20 % van het totale aantal renten uit de 18de eeuw vertegenwoordigt, terwijl het qua tijdsspanne maar om 10 % gaat. Het is via het systeem van de tienjaarlijkse steekproeven niet mogelijk een uitspraak te doen over het jaar waarop de stijging zich voordoet, verder onderzoek zou dit moeten uitwijzen. Dezelfde opmerking geldt uiteraard ook voor de daling tussen 1780 en 1790. De onzekere situatie vanaf 1789 heeft er ongetwijfeld mee voor gezorgd dat de expansie abrupt werd afgebroken. Naast de politieke onstabiliteit, heeft ook de slechtere economische situatie voor een daling gezorgd.[51]
Voor de regio Ieper zijn we minder goed geïnformeerd, als gevolg van verschillende hiaten in de bronnen. Het totaal aantal renten ligt in de regio Ieper beduidend lager (81 tegenover 341). We hebben wel meer rentecontracten doorgenomen, want we werken voor de regio Ieper met steekproeven die over drie jaar lopen. Zoals eerder al vermeld, wilden we zo toch representatieve aantallen verkrijgen. De aantallen in de tabel zijn voor de regio Ieper dus gemiddelden over drie jaar. Voor 1700 ontbreken alle gegevens, en ook de steekproefjaren 1720, 1740 en 1750 zijn onvolledig. Na een omrekening bekomen we enigszins een andere evolutie. We hebben telkens het tekort vermenigvuldigd met het aantal renten en vervolgens het tekort opgeteld bij het begincijfer: voor het de periode 1739-1741 zijn er 15 renten (is een gemiddelde van 5 per jaar), met een tekort van 16 maanden op een totaal van 36 maanden (=4/9). We hebben dus die 15 renten vermenigvuldigd met 4/9 (=6 renten) en zijn uitgekomen op 21 renten over drie jaar. Wat betekent dat er gemiddeld eigenlijk 7 renten per jaar zijn, en niet 5.
De evolutie is sterk verschillend met die in de regio Gent. Het aantal renten kent in 1720 een korte, hevige opstoot, die 10 jaar later teniet wordt gedaan. Dit heeft als gevolg dat het aantal in 1720 net boven dat van het einde van de eeuw uitsteekt. Opvallend hierbij is het feit dat we dit ook in de regio Gent zien. Eventueel heeft de Successieoorlog hier een rol in gespeeld, en zagen de boeren geen andere oplossing meer dan te lenen om te overleven.[52] Daarna volgt een vrij stabiele situatie tot 1760, een gegeven dat we ook in de regio Gent zagen. De stijging die daarop volgt is vrij spectaculair –meer dan een verdubbeling in 20 jaar tijd– maar op een heel ander niveau dan in de regio Gent (in de regio Ieper 5 maal minder renten per steekproefjaar). In de regio Ieper is er echter geen sprake van een daling in 1790. De groei van de laatste decennia van de eeuw is een indicatie van het verbeterde economische klimaat.
Het gaat hier voor beide regio's uiteraard enkel om een indicatie. Een volledig beeld zal pas aan de orde zijn als we in de volgende hoofdstukken van deze verhandeling alle indicatoren i.v.m. de hypothecaire renten in detail onderzocht hebben. Ondanks onze beperkte informatie op dit moment, kunnen we toch al stellen dat de private kapitaalmarkt in beide regio’s een sterk immobiel karakter kende gedurende de economische crisisperiode van de eerste helft van de 18de eeuw, zoals ook Deprez al vaststelde voor Lovendegem en het Land van Gavere.[53] De meer gunstige situatie vanaf 1750-1760 zorgde daarentegen voor een sterke uitbouw van het systeem als kredietinstrument. We zagen in de algemene inleiding al dat het voor de plattelandsbevolking in de periode 1720-1780 mogelijk was een spaarreserve aan te leggen. Bij de aantallen valt wel het sterke verschil op tussen de beide regio’s. De evolutie van verloopt vrij parallel, maar op een heel ander niveau: in de regio Gent gaat het om veel grotere aantallen per steekproefjaar. Als we dit koppelen aan de vaststelling dat in perioden van hoogconjunctuur het aantal afgesloten renten sterk wordt opgetrokken en dat het aantal renten van belang is voor het bepalen van de mobiliteit van de kapitaalmarkt, dan kunnen we nu al met grote waarschijnlijkheid stellen dat beide regio’s een verschillende economische evolutie hebben doorgemaakt doorheen de 18de eeuw (bijlage 1).[54]
|
Tabel 1: aantal rentecontracten per steekproefjaar[55] |
||||
|
|
regio Gent |
regio Ieper |
||
|
|
aantal |
percentage |
aantal |
percentage |
|
|
|
|
|
|
|
1700 |
32 |
9,36 % |
|
|
|
1710 |
15 |
4,39 % |
7 |
8,64 % |
|
1720 |
28 |
8,19 % |
15 |
18,52 % |
|
1730 |
25 |
7,31 % |
8 |
9,88 % |
|
1740 |
25 |
7,31 % |
7 |
8,64 % |
|
1750 |
27 |
7,89 % |
7 |
8,64 % |
|
1760 |
25 |
7,31 % |
5 |
6,17 % |
|
1770 |
46 |
13,45 % |
8 |
9,88 % |
|
1780 |
67 |
19,59 % |
12 |
14,81 % |
|
1790 |
52 |
15,20 % |
12 |
14,81 % |
|
|
|
|
|
|
|
totaal |
342 |
100 % |
81 |
100 % |
4.3. Het notariaat
Het notariaat was in Vlaanderen in de 18de eeuw nog niet volledig ontwikkeld. Dit gegeven vinden we ook in de bronnen terug. We hebben in onderstaande tabel (tabel 2) het aantal akten weergegeven dat geregeld was via een notaris. De rest van de akten, in veel gevallen de meerderheid, werd voor de burgemeester en de schepenen gecompareerd. In de regio Gent ligt dit cijfer bijzonder laag, en ondanks een constante stijging gedurende de hele 18de eeuw, blijft het aantal lager dan de helft op het einde van de eeuw. Dit weerspiegelt zich ook in het gemiddelde voor de hele eeuw: slechts 16,7 % is via een notaris geregeld. De onderontwikkeling van het notariaat werd op het platteland nog versterkt, zodat we voor de landelijke gemeente Evergem dus met zeer lage cijfers te maken hebben.[56]
In de regio Ieper is dit enigszins anders, aangezien deze renten allemaal in de stad werden opgesteld en het dus eigenlijk niet gaat om een landelijke omgeving. Ook daar zien we in het begin van de eeuw een bijzonder laag cijfer, maar al in 1760 zijn meer dan 75 % van de akten via een notaris geregeld, en dit stijgt tot de volle 100 % in de volgende decennia. Bijgevolg ligt het gemiddelde hier ook veel hoger (57 %). In de regio Ieper is het notariaat vooral na 1750 sterk vertegenwoordigd. We stellen in die periode ook een stijging vast van het aantal notarissen. In beide regio's zijn dit er tot 1760 minder dan vijf, maar in de regio Gent stijgt dit aantal zeer snel tot 16 in 1790, en in de regio Ieper tot 10 in 1780 (bijlage 2).
|
Tabel 2: aantal akten dat via een notaris geregeld is |
|||||
|
|
regio Gent |
regio Ieper |
|
||
|
|
aantal |
percentage |
aantal |
percentage |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
1700 |
3 |
9,38 % |
|
|
|
|
1710 |
2 |
13,33 % |
6 |
28,57 % |
|
|
1720 |
4 |
14,29 % |
7 |
23,33 % |
|
|
1730 |
0 |
0,00 % |
2 |
8,70 % |
|
|
1740 |
1 |
4,00 % |
7 |
46,67 % |
|
|
1750 |
1 |
3,70 % |
5 |
27,78 % |
|
|
1760 |
4 |
16,00 % |
14 |
87,50 % |
|
|
1770 |
12 |
26,67 % |
23 |
100,00 % |
|
|
1780 |
21 |
31,34 % |
33 |
94,29 % |
|
|
1790 |
25 |
48,08 % |
36 |
100,00 % |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
gemiddelde |
7,30 |
16,68 % |
14,78 |
57,43 % |
|
|
mediaan |
3,50 |
13,81 % |
7,00 |
46,67 % |
|
In Evergem zelf waren er geen voltijdse notarissen, maar zij combineerden dit vaak door ook als prijzers op te treden. Dit is bvb. het geval voor Hieronimus van Hecke, die in de periode 1760-1770 in onze bronnen voorkomt en in de periode 1772-1778 ook als prijzer gekend is uit andere bronnen.[57] In de regio Gent zijn de meeste notarissen afkomstig uit de stad Gent, die ook zo zijn stempel drukte op het omliggende platteland (bijlage 1). In de regio Ieper gaat het enkel om notarissen uit de stad Ieper. De meeste notarissen kennen we in beide regio's slechts uit één steekproefjaar, maar een klein aantal (14) komt in verschillende steekproefjaren voor. Zo is Jan Baptiste Soenen in Ieper werkzaam in de periode 1770-1790.
Het verhandelde kapitaalvolume is één van de basiselementen bij de studie van de private kapitaalmarkt. De uitbreiding van dit volume is een duidelijk signaal dat er sprake is van economische hoogconjunctuur, terwijl het omgekeerde evenzeer geldt. Het totale geleende bedrag kan uiteraard niet alleen gebruikt worden. Het gemiddelde geleende bedrag per transactie is zeker even belangrijk voor de evaluatie van de plattelandseconomie.[58] Dit vormt het eerste deel van dit hoofdstuk. Daarna zullen we ook onderzoeken vanwaar het kapitaal afkomstig was. In het Ancien Régime zijn het vooral de stedelijke centra die optreden als geldschieters voor het platteland. Nochtans is er in Vlaanderen in de 18de eeuw een belangrijke evolutie aan de gang, waarbij het platteland steeds meer zichzelf gaat financieren. De vraag of dit ook voor onze regio's geldt, zal hier ook aan bod komen. Zowel voor de evolutie als voor de oorsprong van het kapitaal zullen we onze beide regio's met elkaar vergelijken. In een laatste deel, zullen we dan de evolutie van onze eigen regio's vergelijken met het onderzoek van andere regio's.
5.1. De evolutie van het kapitaalvolume en de gemiddelde geleende bedragen
Voorafgaand aan de bespreking van de tabellen, is het belangrijk om te onthouden dat we voor de regio Gent één steekproefjaar onderzocht hebben (bvb. 1710), en voor de regio Ieper telkens drie samen (bvb. 1709, 1710, 1711). Dit geeft als gevolg dat de we voor Ieper uitgaan van een gemiddelde, terwijl we voor de regio Gent het kapitaalvolume van één jaar nemen. We wijzen ook nog eens op het gedeeltelijke bronnentekort in de steekproefjaren 1720, 1740 en 1750. Voor de regio Gent ontbreken de gegevens voor 1710 tot april.
De evolutie van het kapitaalvolume in de regio Gent kan opgedeeld worden in twee periodes (tabel 1, grafiek 1). De eerste loopt van 1700 tot 1760, waarbij we een afwisseling krijgen van stijgingen en dalingen, maar uiteindelijk wel over 60 jaar een verdubbeling. Daarna treedt echter een verdriedubbeling op in 10 jaar tijd, waarna het cijfer zich stabiliseert. Men kan opmerken dat het cijfer voor 1780 daar nog eens sterk bovenuit steekt, maar dit cijfer moet enigszins gerelativeerd worden. Op 19 februari is een akte ingeschreven met een lening van 5027 ponden. Die rente is uiteraard aanwezig, maar zorgt wel voor een afwijking op de gegevens. We zullen later in deze paragraaf nog zien dat het gemiddelde en de mediaan voor 1780 dan ook vrij sterk van elkaar afwijken. Als we ervan uitgaan dat de economische situatie op het platteland in het begin van de 18de eeuw bijzonder ongunstig was, dan kunnen we concluderen dat deze toestand zo blijft tot omstreeks 1750, om dan vooral na 1760 enorm te verbeteren, tot in 1790. Er treedt wel een daling op in 1790, maar de situatie blijft gelijk aan die van 1770.
De gemiddelde bedragen zorgen wel voor een nuancering op deze vaststellingen (tabel 1, grafiek 2). De wisselvallige situatie in de eerste helft van de 18de eeuw komt ook hier tot uiting, met een afwisseling van stijgingen en dalingen. De stijging begint net als bij het kapitaalvolume vanaf 1750, maar er is 'enkel' een verdubbeling waar te nemen tussen 1760 en 1770. De groei wordt dus gerelativeerd, doordat het aantal akten ook vrij sterk toeneemt (cf. hoofdstuk 4). De stijging blijft zich tot 1780 doorzetten, om dan in 1790 terug te vallen tot een stuk onder het niveau van 1770. Hier zien we dus, in tegenstelling tot het kapitaalvolume, wel een uiting van de verslechterde economische situatie op het einde van het Ancien Régime. Als we de lening van 5027 ponden uit 1780 buiten beschouwing laten, komen we voor dat steekproefjaar uit op een gemiddelde van 170,5 ponden. Dit is een enorm verschil met het oorspronkelijke cijfer van 245,5. Afgaande op dit cijfer zou de economische situatie in 1780 al aan het verslechteren zijn.
|
Tabel 1: totaalsom geleend geld (regio Gent) |
|||
|
|
totaalsom |
gemiddelde |
mediaan |
|
|
|
|
|
|
1700 |
1762 |
55,03 |
53 |
|
1710 |
858 |
57,20 |
40 |
|
1720 |
2717 |
97,00 |
63 |
|
1730 |
1902 |
76,04 |
40 |
|
1740 |
2433 |
97,24 |
100 |
|
1750 |
2723 |
100,78 |
75 |
|
1760 |
3427 |
137,04 |
100 |
|
1770 |
9127 |
202,80 |
150 |
|
1780 |
16447 |
245,50 |
100 |
|
1790 |
9124 |
172,10 |
100 |
|
|
|
|
|
|
gemiddelde |
5052 |
124,07 |
82,10 |
|
mediaan |
2723 |
100,78 |
100 |
De totaalsom voor de regio Ieper is dus telkens een gemiddelde (tabel 2, grafiek 1). We zien heel duidelijk een hogere totaalsom in het begin van de 18de eeuw (2143 ponden tegenover 1762 ponden in de regio Gent). De kapitaalmarkt in de regio Ieper blijft in de eerste helft van de eeuw echter niet stabiel, zoals in de regio Gent. Hier zien we heel duidelijk een daling optreden tot omstreeks 1740. Het cijfer uit 1710 moet wel enigszins gerelativeerd worden, aangezien we één rente van 3428 ponden hebben opgetekend. Deze rente staat voor de helft van het kapitaalvolume van de periode 1709-1711, zodat we zonder dit cijfer voor 1710 op 1000 ponden uitkomen, wat vrij dicht ligt bij het cijfer uit 1720 (1157 ponden). Het peil van het begin van de eeuw zal echter pas in 1780 terug bereikt worden en overschreden worden, maar al in 1790 valt het peil terug tot het niveau van 1760. De kapitaalmarkt kent in de regio Ieper dus geen sterke expansie zoals in de regio Gent. We kunnen in de economische bloeiperiode van de tweede helft van de eeuw enkel een herstel van de situatie omstreeks 1700 vaststellen.
De gemiddelden geven ons een gelijklopend beeld (tabel 2, grafiek 2, bijlagen 4 en 5). De sterke start in 1710 wordt onmiddellijk teniet gedaan in de volgende decennia. Pas vanaf 1750 treedt het herstel op, maar het beginniveau van 305 ponden wordt nooit meer bereikt. Dit gemiddelde is uiteraard ook vertekend door die lening van 3428 ponden. Zonder deze rente komen we uit op een gemiddelde van 142,8 ponden, wat meer past in de algemene evolutie. De daling tussen 1710 en 1720 is dan minder sterk, en het gemiddelde bedrag in 1710 is dan kleiner dan in de periode 1760-1780. Net als in de regio Gent zien we hier na het hoogtepunt in 1780 een vrije val in het volgende decennium. Het grote verschil is dat de gemiddelden van de regio Ieper, in tegenstelling tot de totaalsom, wel kunnen concurreren met de regio Gent. In 1710 bedraagt het gemiddelde kapitaal zelfs zes maal meer, of drie maal meer zonder die rente van 3428 ponden. Tien jaar later is dat verschil al echter bijna volledig weggewerkt, maar de gegevens blijven daarna dicht bij elkaar liggen. Voor beide regio's stellen we een volgehouden groei vast tussen 1750 en 1780, om daarna vooral voor de regio Ieper enorm terug te vallen in 1790.
|
Tabel 2: totaalsom geleend geld (regio Ieper) |
|||
|
|
totaalsom |
gemiddelde |
mediaan |
|
|
|
|
|
|
1700 |
|
|
|
|
1710 |
2143 |
305,71 |
102 |
|
1720 |
1157 |
115,27 |
96 |
|
1730 |
850 |
110,30 |
42 |
|
1740 |
438 |
87,07 |
42 |
|
1750 |
693 |
95,83 |
53 |
|
1760 |
875 |
163,69 |
85 |