‘Geen haat, maar afkeer’ . Japanse kampbewakers in de ogen van geïnterneerden in Nederlands-Indië. Een vergelijking van dagboeken, memoires en interviews. (Jasper van der Hoek)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk 1. Inleiding

 

Met de Japanse aanval op Pearl Harbor in december 1941 brak ook voor Nederlands-Indië de Tweede Wereldoorlog uit. Drie maanden later, op 7 maart 1942, capituleerde het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) en begon de Japanse bezetting, die zo’n drieëneenhalf jaar zou duren. Het doel van de oorlog was voor de Japanners het opbouwen van een zogenaamde Groot Oost-Aziatische Welvaartssfeer, een omvangrijk Aziatisch rijk onder leiding van Japan. Europeanen waren hierbij niet gewenst. Deze werden daarom zoveel mogelijk uit de maatschappij verwijderd en in kampen geplaatst onder Japans beheer.[1] Van de bijna 300.000 Europeanen, die zich aan het begin van de oorlog in Indië bevonden, brachten circa 120.000 mensen de bezetting door in krijgsgevangen- of interneringskampen. Het overige deel, voornamelijk bestaande uit Indo-Europeanen[2] behield zijn vrijheid.

 Na de oorlog vestigden veel Indische Nederlanders zich (weer) in Nederland, maar hun integratie verliep alles behalve soepel. Velen worstelden met de verwerking van hun verleden. Dit gold zeker ook voor voormalig geïnterneerden, die hadden geleden onder een streng en meedogenloos Japans regiem. Daarnaast voelden veel repatrianten zich te weinig erkend in hun leed. De Nederlandse samenleving toonde, zeker in de jaren vijftig en zestig, nauwelijks belangstelling voor de oorlog in Nederlands-Indië.

Hierdoor is de naoorlogse verwerkingsgeschiedenis van Indische Nederlanders lange tijd onderbelicht gebleven in de Nederlandse geschiedschrijving. Zij was onderdeel van een ‘vergeten verleden’. Pas eind jaren zestig kwam er vanuit de samenleving meer belangstelling voor het lot van de Indische mensen. Deze thesis kan gezien worden als product van die ontwikkeling. In mijn onderzoek signaleer ik verschillende fasen in de verwerking van de oorlog en besteed aandacht aan maatschappelijke achtergronden, die hierin een rol hebben gespeeld.

De centrale vraag van deze thesis luidt: wat was het beeld, dat geïnterneerden in de Indische burgerkampen hadden van hun Japanse kampbewakers en hoe is dat beeld na de Tweede Wereldoorlog veranderd? Daarnaast wil ik weten hoe deze veranderingen te verklaren zijn. Hierbij zullen vooral maatschappelijke en psychologische processen aan de orde komen, maar ook de rol die de verschillende door mij gebruikte egodocumenten hebben gespeeld in de beeldvorming.

Zoals de omgang met het verleden een ontwikkeling heeft doorgemaakt, is ook het beeld van de oorlog in de loop der jaren veranderd. Sterker nog, het is waarschijnlijk dat de mate waarin men afstand kan nemen van het verleden, grotendeels bepaald hoe over dit verleden wordt geoordeeld. In beeldvorming spelen echter meer factoren een rol. Zo bestaat er de problematiek van de herinnering. Het blijkt dat de manier waarop mensen het verleden herinneren, wordt beïnvloed door latere ervaringen en gebeurtenissen in het heden, zowel op maatschappelijk als persoonlijk gebied. Hier moet rekening mee worden gehouden bij het bestuderen van de bronnen. Daarom heb ik in deze thesis tevens aandacht besteed aan de werking van het geheugen en de betrouwbaarheid van onze waarneming.

In 2002 publiceerde Esther Captain haar proefschrift Achter het Kawat was Nederland. Na vergelijking van dagboeken uit de kampperiode en memoires (tot en met 1995) van kampslachtoffers constateerde zij een ontwikkeling in de beleving van en herinnering aan het kamp.[3] Deze aanpak wil ik volgen in mijn thesis. Een belangrijk verschil met haar onderzoek is, dat ik tevens gebruik maak van interviews. Deze moeten door hun aard en late totstandkoming (vanaf 1997) in staat worden geacht een nieuw licht te werpen op de herinneringsgeschiedenis van de oorlog in Nederlands-Indie. Daarnaast staat in mijn thesis slechts één aspect van het kampleven centraal: het beeld dat (voormalig) geïnterneerden hebben van hun Japanse bewakers. Het kampleven werd in grote mate bepaald door de interactie tussen beide groepen en de emoties die zij bij elkaar opriepen. De manier waarop (ex)geïnterneerden spreken over Japanners, is daarom een belangrijke graadmeter voor de wijze waarop zij de internering hebben beleefd en nog steeds ervaren.

De thesis bestaat uit zeven hoofdstukken. Na de inleiding volgt in hoofdstuk 2 een theoretische beschouwing. Hier zal ik ingaan op de eigenschappen van de verschillende door mij gebruikte bronnen: allereerst zullen egodocumenten in het algemeen besproken worden, om vervolgens af te sluiten met specifieke kenmerken van de Indische kampdocumenten. Daarnaast besteed ik uitgebreid aandacht aan de herinneringsgeschiedenis van de oorlog in Nederlands-Indië. In hoofdstuk 3 komen verschillende visies op het kampverleden aan de orde. Ik bespreek belangrijke werken van Dora van Velden, Lou de Jong en Esther Captain en een aantal sociaal-wetenschappelijke theorieën over reacties van mensen in gevangenschap. Hoofdstuk 4 gaat over de beschrijving van Japanse kampbewakers in dagboeken. Hoe kunnen we het beeld, dat uit die dagboeken naar voren komt typeren en is er ook een bepaalde ontwikkeling waar te nemen in dat beeld naarmate de oorlog vordert? Hoofdstuk 5 is een beschrijving van de herinneringsgeschiedenis aan de hand van de memoires en interviews. De vraag is op welke manier het beeld van Japanners na de oorlog is veranderd. In hoofdstuk 6 wil ik deze veranderingen vervolgens verklaren aan de hand van de theorie uit hoofdstuk 2 en 3. Tevens wil ik een verklaring geven voor de houding van geïnterneerden tijdens de oorlog. In de conclusie (hoofdstuk 7) geef ik tenslotte antwoord op de hoofdvraag en maak de balans op: in hoeverre sluit ik me aan bij Captain, die meent dat het beeld van Japanners grotendeels wordt bepaald, zowel in het verleden als tegenwoordig, door een racistisch denkpatroon en gevoelens van vijandschap.

Voor dit onderzoek heb ik gebruik gemaakt van drie soorten egodocumenten: dagboeken, memoires en interviews. Historici zijn het er niet over eens hoe en in hoeverre deze bronnen gebruikt kunnen worden bij het reconstrueren van historische werkelijkheid. Het beschrijven van het verleden is echter niet het doel van mijn studie. Ik wil een ontwikkeling schetsen in beeldvorming van de oorlog en daarvoor blijken egodocumenten zeer bruikbaar. Desondanks is het belangrijk rekening te houden met kwaliteiten en valkuilen van deze bronnen. Zij worden besproken in het volgende hoofdstuk.

Van de vele honderden dagboeken, die onder andere aanwezig zijn bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), heb ik er veertien gebruikt voor dit onderzoek. Zes daarvan zijn geschreven door mannen, de overige acht door vrouwen. De schrijvers zaten in verschillende kampen, waaronder Tjideng, Ambarawa VI, Tjimahi en Landsopvoedingsgesticht Bandoeng. Ik heb me bij de keuze laten leiden door de toegankelijkheid van de dagboeken (de leesbaarheid en het taalgebruik) en de inhoud: als iemand weinig over Japanners schrijft kan dat natuurlijk een interessante reden hebben, maar het biedt weinig aanknopingspunten voor analyse. Ik heb veelvuldig gebruik gemaakt van de serie De Japanse bezetting in dagboeken, die het NIOD aan het begin van de éénentwintigste eeuw uitbracht.[4] Een groot aantal dagboekcitaten in hoofdstuk 4 is rechtstreeks afkomstig uit deze reeks.

Voor de memoires golden dezelfde criteria als voor de dagboeken. Daar kwam bij, dat ik memoires uit verschillende perioden wilde bekijken, om zo de naoorlogse ontwikkeling in beleving en herinnering te kunnen schetsen. Uiteindelijk heb ik gebruik gemaakt van acht memoires: twee van vlak na de oorlog, twee van rond 1970, twee van rond 1980 en twee uit de jaren negentig, voor iedere periode één man en één vrouw. Uit een overvloed aan materiaal heb ik dus een selectie gemaakt. De beperkte omvang van deze thesis noodzaakte me daartoe. Het doel van mijn onderzoek zit daarom niet zozeer in de representativiteit, maar vooral in het tonen van de verscheidenheid aan beelden.

Tegenover de in totaal twintig dagboeken en memoires kwamen uiteindelijk tien interviews te staan. Op het Koninklijk Instituut voor Taal- Land- en Volkenkunde (KITLV) in Leiden beluisterde ik ongeveer veertig.[5] Hiervan bleven uiteindelijk zestien over, waarvan ik negen heb gebruikt om mijn thesis te illustreren. Onder de informanten zijn vier mannen en vijf vrouwen. Het merendeel van hen was geïnterneerd op Java. Daarnaast heb ik gebruik gemaakt van een interview dat ik in het kader van mijn studie Geschiedenis in 2004 afnam met mijn oom Louis van der Hoek. Hij vertelt daarin over zijn periode in het interneringskamp Baros 6 op Java.

De meeste dagboeken, memoires en interviews, die ik heb geanalyseerd zijn afkomstig van mensen die hun internering doorbrachten op Java. Een enkele keer heb ik echter ook verhalen gebruikt van personen die ergens anders in Nederlands-Indië geïnterneerd waren. Met name het interviewmateriaal was onvoldoende om me te beperken tot louter bronnen ‘van Java’. Ik heb voor dit eiland gekozen als basis, omdat hier het grootste aantal Europeanen geïnterneerd was.

 Tenslotte wil ik twee punten benadrukken. Dit onderzoek gaat over Japanse kampbewakers in de ogen van geïnterneerden. Behalve Japanners werden echter ook Koreanen ingezet om de geïnterneerden te ‘beschermen’. Zodoende kan het voorkomen dat een geïnterneerde in zijn dagboek spreekt over een Japanner, terwijl het in werkelijkheid een Koreaan betreft. Ik heb in deze thesis geen poging gedaan om Koreanen alsnog van Japanners te scheiden. Als Koreaanse bewakers wel duidelijk geïdentificeerd worden, heb ik ze buiten het onderzoek gelaten.

Een tweede punt betreft de grote hoeveelheid literatuur die is verschenen over de kampen. De romans van Rudi Kousbroek en Jeroen Brouwers zijn hiervan het bekendst.[6] Hoewel sommige wetenschappers menen dat de niet-chronologische, meer associatieve opbouw in romans, een betere afspiegeling geeft van de manier waarop ons geheugen werkt, dan de chronologische opbouw van veel egodocumenten, heb ik geen gebruik gemaakt van literaire werken als bron.[7] In literatuur zijn feit en fictie vaak moeilijk van elkaar te onderscheiden. Een schrijver geeft het literaire effect nogal eens voorrang boven een juiste weergave van het verleden.[8]

 

 

Hoofdstuk 2. Verschillen tussen egodocumenten

 

Deze thesis onderzoekt de manieren waarop mensen zijn omgegaan met hun kampgeschiedenis. Aan de hand van drie soorten bronnen, wil ik een beeld schetsen van de ontwikkeling in de herinnering aan het kamp. Daarvoor is het van belang om de verschillen tussen de door mij gebruikte ‘egodocumenten’ te bespreken. Elke bron heeft namelijk zijn eigen kwaliteiten en valkuilen. Welke zijn dit en in hoeverre kunnen zij de inhoud van het verhaal beïnvloeden? Daarnaast kan ook het moment in de geschiedenis, waarop een bron tot stand komt van groot belang zijn voor de inhoud van de bron. Daarom speelt ‘de geschiedenis van de herinnering’ in dit hoofdstuk een belangrijke rol. Eerst zal ik ingaan op het begrip ‘egodocumenten’ om vervolgens de betrouwbaarheid van de menselijke waarneming en de werking van het geheugen te bespreken. In paragraaf 2.3 zal ik ingaan op de ontwikkeling, die de herinnering aan het kamp heeft doorgemaakt om in paragraaf 2.4 af te sluiten met een aantal specifieke kenmerken van de verschillende door mij gebruikte bronnen.

 

 

2.1. Egodocumenten

 

Ik heb voor mijn onderzoek gebruik gemaakt van drie soorten bronnen: dagboeken, memoires en interviews. De eerste twee vallen onder wat dr. Jaques Presser oorspronkelijk egodocumenten heeft genoemd. Zij verschillen van andere geschiedbronnen voornamelijk door hun uitgesproken persoonlijk karakter. Presser is een groot voorstander van het gebruik van egodocumenten in de geschiedschrijving. Veel meer dan traditionele historische bronnen zijn zij in staat om contact met het verleden tot stand te brengen. Hij schrijft hier over:

 

‘(..); de doden krijgen een stem, het landschap, de stad, waargenomen door een temperament heen, komen duidelijker te staan op het projectiescherm der verbeelding; het menselijke element houdt de gedachte wakker aan het menselijke drama, maakt spanningen en emoties voelbaar, laat ons deelhebben aan triomf en ondergang. Wij kunnen verkeren met de gestalten uit het verleden, wij kunnen ons mét hen bewegen in hun tijd en hun omgeving; wij begrijpen zoveel beter (en niet zelden, ook dit is winst: zoveel minder).’[9]

 

Egodocumenten zijn subjectief, maar juist daarin schuilt hun grote kracht. Zij zijn als geen andere bron in staat om gevoelens en emoties over te brengen. Wij kunnen met de hoofdpersonen meeleven en proberen hen te begrijpen. Daarom zijn egodocumenten vooral nuttig bij de beschrijving van gebeurtenissen die ons verstand te boven lijken te gaan. Zij zijn, juist door hun subjectieve aard beter in staat het leed dat mensen hebben moeten ondergaan te verwoorden. De onbevattelijke geschiedenis wordt dan enigszins bevatbaar.[10]

Kan op basis van egodocumenten historische werkelijkheid worden gereconstrueerd? Het is een vraag waar historici over blijven twisten. Esther Captain zegt over dagboeken en memoires dat zij geen feiten maar ervaringen presenteren.[11] Zij acht het onmogelijk om aan de hand van egodocumenten een reconstructie te maken van de historische werkelijkheid. Stemming, karakter en milieu van de schrijver zijn te bepalend in wat hij opschrijft en hoe hij het opschrijft.[12]

Mariska Heijmans-van Bruggen heeft in het kader van het dagboekenproject van het NIOD verschillende kampdagboeken van Indische geïnterneerden gelezen. Zij onderkent net als Captain, dat dagboeken subjectieve weergaven zijn van de werkelijkheid. Toch denkt zij, dat het aan de hand van meerdere dagboeken mogelijk is iets over de historische werkelijkheid te zeggen. Zij ontdekte ‘constanten’, onderwerpen die in vrijwel alle dagboeken aan de orde komen, zoals gebrek aan privacy, honger, en het geloof in de meest vreemde geruchten over het oorlogsverloop.[13]

Dora van Velden zal het hier ongetwijfeld mee eens zijn geweest. Haar veelgeciteerde proefschrift over de Japanse burgerkampen is voornamelijk gebaseerd op egodocumenten. Hoewel dit uit nood werd geboren – er zijn nauwelijks andere bronnen beschikbaar – denkt zij wel degelijk dat aan egodocumenten een bepaalde mate van objectiviteit valt te ontlenen. Dit kan bijvoorbeeld door tegenstrijdigheden tussen verschillende dagboeken tegen elkaar af te wegen. Daarnaast hebben sommige dagboekschrijvers zelf een zekere objectiviteit weten te bereiken. Zij hebben aandacht voor het lot van anderen in de kampen, soms zelfs voor dat van de Japanse bewakers.[14]

 

 

2.2. Waarneming en geheugen

 

Bij het tot stand komen van egodocumenten spelen waarneming en herinnering een belangrijke rol. Bij de interpretatie van dagboeken, memoires en interviews moet hiermee rekening gehouden worden. De vraag is immers hoe betrouwbaar waarnemingen en herinneringen zijn.

Omdat het onmogelijk is alles wat zich om ons heen afspeelt waar te nemen, selecteert een mens. Iedereen beziet de wereld vanuit zijn eigen referentiekader. Dit betekent dat de waarneming wordt bepaald door de sociale situatie, waarin iemand zich bevindt: de groep(en) waartoe hij behoort, het milieu waaruit hij afkomstig is en het werk dat hij dagelijks verricht. De waarneming is hierdoor altijd een interpretatie van de waarnemer, met als gevolg dat een zelfde gebeurtenis door de één soms heel anders wordt gezien en beleefd dan door de ander.[15]

 Behalve de waarneming is ook het geheugen van de mens niet altijd betrouwbaar. Lang heeft het idee bestaan van een vaste plaats in de hersenen, waar waarnemingen worden opgeslagen om vervolgens niet meer te veranderen. Daniël Schacter kwam erachter dat dit niet waar is. Het geheugen wordt bepaald door talrijke afzonderlijke en te scheiden processen en systemen in de hersenen. Dat betekent, dat ook latere ervaringen en de situatie in het heden bijdragen aan hoe een gebeurtenis uit het verleden herinnerd wordt. Naarmate de tijd verstrijkt, worden herinneringen zwakker, met als gevolg dat er tegenstrijdigheden of gaten in het levensverhaal ontstaan. Om het verhaal ook voor zichzelf begrijpelijk te houden, voegt de herinneraar er onbewust informatie uit het heden aan toe.[16]

 Bij het gebruik van egodocumenten voor historisch onderzoek moet dus rekening worden gehouden met het feit dat waarnemen en herinneren geen objectieve aangelegenheid zijn. De Jager verwoordt het als volgt:

 

‘Zoals de waarneming niet alleen maar het registreren van gebeurtenissen, maar vooral het regisseren is, is het herinneren niet alleen het reproduceren van vastgelegde indrukken, maar in grote mate het reconstrueren tot een bepaald beeld van het verleden.’[17]

 

De herinnering onderscheid zich van de waarneming door haar veranderlijkheid. Dit is een proces, dat zich vaak uitstrekt over vele jaren. De herinnering wordt net zo goed bepaald door ‘wat later gebeurde’, als door de gebeurtenis zelf. Die vaststelling moet één van de redenen zijn geweest, waarom historici in de jaren zeventig oog kregen voor ‘de geschiedenis van de herinnering’.

 

 

2.3. De geschiedenis van de herinnering

 

Gerard Termorshuizen analyseerde een in 1988 uitgegeven bibliografie van tussen 1946 en 1987 verschenen ‘kampliteratuur’ uit Nederlands-Indië. Het bleek dat vlak na de oorlog liefst 28 titels uitkwamen. De jaren vijftig kenden een sterke daling: 8 titels, en in de jaren zestig werden 16 uitgegeven. Sinds de jaren zeventig is echter weer een sterke stijging te zien. Tussen 1970 en 1979 kwamen 38 titels uit en in de periode tussen 1980 en 1987 liefst 53.[18]

Over de gebeurtenissen in Nederlands-Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog werd decennialang goeddeels gezwegen. Pas aan het einde van de jaren zestig nam de belangstelling voor dit verleden toe en waren oud-geïnterneerden bovendien vaker bereid er over te praten. Tegelijkertijd drong zich de vraag op, waarom deze herinneringen zolang verborgen waren gebleven. Als antwoord hierop werd door historici een verklarend discours ‘geleend’ uit de psychologie: verschillende collectieven, zoals de Nederlandse regering, de publieke opinie en de Nederlanders uit Indië zouden aan de Japanse bezetting, de daaropvolgende bersiapperiode, en het uiteindelijke verlies van de kolonie een ‘trauma’ hebben overgehouden, dat zich uitte in een langdurig stilzwijgen.[19]  Volgens historica Elsbeth Locher-Scholten ‘impliceert een trauma een heftige emotionele ervaring, veroorzaakt door pijnlijk verlies of door ondergaan geweld; een ervaring die de continuïteit van het bestaan lijkt aan te tasten en een intens gevoel van machteloosheid veroorzaakt’.[20] Van belang is daarnaast hoe een trauma zich over het algemeen manifesteert. In eerste instantie verdringen mensen de traumatische gebeurtenissen, zij willen er niet over nadenken, laat staan praten. Toch wordt hun verdere leven in grote mate beïnvloed door wat er is gebeurd. Zo hebben veel getraumatiseerden last van dwangmatige herbeleving. Dit houdt in dat hun verleden op de meest onverwachte momenten opspeelt. Dat wat vergeten leek, dringt plotseling tot het bewustzijn door en laat iemand herbeleven, wat hij ooit meemaakte. Om te herstellen van een trauma is dit bewust herbeleven erg belangrijk. De flarden, die opdoemen uit het verleden, moeten een plaats krijgen in het levensverhaal om ze te kunnen verwerken.[21]   Sinds de jaren zeventig wordt dit proces van verdringing, ontkenning, herbeleving en uiteindelijk herstel ook van toepassing geacht op groepen in de samenleving. De geschiedenis van Nederlands-Indië werd al vrij snel na de oorlog voor veel mensen een gevoelig onderwerp. Allereerst waren er de Nederlanders die terugkeerden uit de kolonie. Velen van hen hadden een nare periode achter de rug. In 1942 was hun land bezet door de Japanners, iets wat door velen vooraf als onmogelijk werd beschouwd. Daarna hadden tienduizenden mensen een groot deel van de oorlog in kampen door moeten brengen en vervolgens wachtte na de bevrijding de bersiapperiode, waarin jonge Indonesiërs moordend en plunderend door het land trokken in hun strijd voor onafhankelijkheid. Tenslotte volgde de repatriëring: personen die jarenlang in Indië hadden gewoond - velen waren er zelfs geboren - en veel van het land hielden, werden gedwongen te vertrekken naar Nederland. Kortom, deze mensen hadden een keten van zeer pijnlijke gebeurtenissen achter zich liggen. Velen hadden een ernstig trauma opgelopen, als gevolg waarvan zij niet konden vertellen over wat hen was overkomen.  Zij die wel wilden vertellen, stuitten echter op de weinig tegemoetkomende houding van het Nederlandse volk. Voor de Nederlanders was het verlies van de kolonie een schokkende gebeurtenis geweest, die diepe sporen had achtergelaten. In een eerste reactie keerden zij zich af van de voormalige kolonie.[22] Dit uitte zich onder meer in een geringschattende houding ten opzichte van oud-kolonialen. A. Alberts, zelf een repatriant, schrijft hier in één van zijn memoires het volgende over:   ‘Wij, de teruggekeerden, stonden hier bij vrij wat mensen te boek als kolonialen, als boontjes, die om hun loontje waren gekomen. Met de narigheden van zulke mensen had men over het algemeen wat minder geduld dan met de eigen oorlogs- en  bezettingservaringen.’[23]

Een zeker gevoel van schaamte speelde hierbij ongetwijfeld een belangrijke rol. Behalve dat Nederland het niet kon verkroppen dat de kolonie uiteindelijk verloren was gegaan, geneerde het zich ook voor het feit, dat het zijn burgers tijdens de oorlog en in de jaren daarna niet had weten te beschermen. Zo ontstond er een jarenlange stilte, waarin, zoals Locher-Scholten schrijft, ‘Nederland niet vroeg en direct betrokkenen niet spraken’. Dit werd allemaal nog eens verergerd toen in 1962 Nieuw-Guinea moest worden afgestaan. De reactie op dit nieuwe verlies was hetzelfde als in de jaren vijftig: over dit verleden werd niet gesproken, men probeerde het te ‘vergeten’.[24]  Echter, net als bij individuele trauma’s kwamen op den duur de verdrongen herinneringen weer boven in het bewustzijn. Sinds het eind van de jaren zestig vonden incidenten plaats die Nederland herinnerden aan wat zij had willen vergeten. Zo ontstond er in 1969 een publiek debat over de vraag of Nederlandse militairen zich tijdens de politionele acties schuldig hadden gemaakt aan oorlogsmisdaden. Het televisieoptreden in Achter het Nieuws van oud-strijder Joop Hueting was hiervoor de directe aanleiding.[25] In 1971 protesteerde de cabaretier Wim Kan – tijdens de oorlog geïnterneerde in een jappenkamp – tegen het bezoek van de Japanse keizer Hirohito aan koningin Juliana.[26] Deze en overeenkomstige incidenten maakten, dat het zo lang verzwegen koloniaal verleden alsnog een plaats kreeg in de collectieve herinnering van Nederlanders. Er kwam belangstelling voor verhalen van voormalig repatrianten, die op hun beurt eindelijk de kracht vonden om ze te vertellen. Het trauma dat de oorlog en de onafhankelijkheid van Indonesië hadden achtergelaten, kon eindelijk worden verwerkt.[27]  Bovenstaande visie, waarin de ontwikkeling van de collectieve herinnering wordt verklaard met behulp van psychologische begrippen, wordt door sommige historici fel bekritiseerd. Wulf Kansteiner vindt ‘collectief trauma’ een generaliserend begrip, dat geen recht doet aan de verschillende manieren waarop mensen omgaan met de oorlog. Wij leggen ons hierdoor te snel neer bij het idee, dat het verleden ontoegankelijk is voor mensen, die het niet zelf hebben meegemaakt. Kansteiner denkt dat de collectieve herinnering of het ontbreken daarvan niet bepaald wordt door trauma’s. Het zijn collectieve, hedendaagse belangen die een rol spelen. Simpel gezegd zit het proces als volgt in elkaar: eerst wordt, voornamelijk door politieke krachten, aan individuele ervaringen een waarde toegekend (of juist niet: dan worden deze ervaringen helemaal niet opgenomen in de collectieve herinnering). Zij worden ondergebracht in reeds bestaande culturele schema’s, die de ervaring begrijpelijk en daardoor betekenisvol maken. Tenslotte wordt de ervaring weer teruggekoppeld naar verschillende individuen, die deze geschiedenis omarmen, enigszins aanpassen aan hun eigen belangen en er vervolgens hun identiteit aan ontlenen.[28]

Ondanks de kritiek van Kansteiner heb ik in deze these wel gebruik gemaakt van het traumadiscours. De oorlog in Nederlands-Indië en met name het verlies van de kolonie raakte de hele Nederlandse samenleving en niet slechts een groep minderheden. Zowel politiek, samenleving, als een groot deel van de repatrianten wilden liever niet praten over dit ‘pijnlijke’ verleden. Er was wel degelijk sprake van collectieve verdringing. Dat wil echter niet zeggen dat culturele, sociale en politieke factoren geen rol hebben gespeeld in het ontstaan van de stilte. Zo werd het zwijgen van de jaren vijftig en zestig tevens bevorderd door de situatie, waarin Nederland na de oorlog verkeerde. Het land moest economisch en sociaal weer worden opgebouwd. Er was gewoonweg nauwelijks tijd om stil te staan en achterom te kijken. Als er al aandacht was voor het verleden, dan ging het over wat mensen zelf hadden meegemaakt.[29] Alberts schrijft hierover:

 

‘De Nederlanders (hadden) hier in Europa hun oorlogs- en bezettingservaringen nog volop te verwerken. Wanneer men – en dat kwam heus vaak genoeg voor – zo vriendelijk was een van daarginds terugkerende landgenoot naar zijn Japanse kampervaringen te vragen, dan hoefden we alleen maar ons gebrek aan eten te vermelden of ze zaten een paar minuten van onze hongerzomers in hun winter. Volkomen begrijpelijk en verder niets op aan te merken.’[30]

 

Veel voormalig kampbewoners ervoeren na de oorlog een denigrerende behandeling van bijvoorbeeld verzetsmensen. De manier waarop Indische Nederlanders de oorlog hadden ondergaan en vervolgens de kolonie uit handen hadden gegeven, stond volgens hen in schril contrast met de heldendaden van het verzet tijdens de oorlog. Dezelfde houding gold Duitse kampslachtoffers en joden. Het leed dat mensen uit Jappenkampen hadden meegemaakt kon niet wedijveren met wat deze groepen hadden ondergaan. [31]

Het heeft de Indische Nederlanders na 1950 lange tijd ontbroken aan macht, status en gezag om hun verhaal te vertellen. Zij waren een betrekkelijk kleine groep in de Nederlandse samenleving en bovendien werden zij na de dekolonisatie niet meer zo hoog ingeschat als daarvoor. Zodoende werden hun getuigenissen nauwelijks gehoord, laat staan dat zij een rol mochten spelen in de collectieve herinnering van de oorlog.[32] Pas in de jaren zestig, toen hun welvaart weer begon toe te nemen en zij zich definitief een plaats in de maatschappij hadden verworven, begon deze groep weer een beetje aandacht op te eisen en haar verleden voor het voetlicht te brengen.[33]

 Stef Scagliola noemt nog een derde reden voor de ‘stille’ jaren vijftig en zestig. Burgers waren volgens haar in deze periode nog relatief onmondig, deels als gevolg van de verzuilde samenleving, waarin het publieke debat van bovenaf werd bepaald. [34] De culturele revolutie maakte hier een einde aan, zo schrijft Withuis. Mensen begonnen met hun verleden naar buiten te treden en kregen daar van anderen ook de gelegenheid toe. Het was dan ook in deze periode (begin jaren zeventig) dat zelfhulpgroepen en patiëntenbewegingen ontstonden. De deelnemers eisten erkenning voor wat hen was overkomen. Te lang had men niet willen luisteren naar hun verhaal, te lang waren zij ‘vergeten’ geweest.[35]

 Indische Nederlanders werden in deze periode, wat Kansteiner noemt, herinneringsproducenten.[36] Zij zagen in, dat zij de handen inéén moesten slaan, want alleen als eenheid konden zij aandacht krijgen (vraag creëren) voor hun uiteenlopende problemen. Niet langer lieten zij de totstandkoming van de collectieve herinnering over aan anderen. Withuis schrijft hierover: ‘Oorlogsgetroffenen moesten door zich te organiseren in een emancipatiebeweging een ‘nieuwe sociale categorie’ worden van mensen die een speciale status in onze samenleving toekwam.’ Zo werden verschillende instituties in het leven geroepen, die opkwamen voor oorlogsgetroffenen in het algemeen, maar er kwamen ook instellingen, die specifiek het belang van ex-geïnterneerden uit de Jappenkampen gingen behartigen.[37]

Tenslotte wil ik het hebben over de bijdrage, die de geschiedschrijving heeft geleverd in het doorbreken van de ‘stilte’. Ook onder historici ontstond begin jaren zeventig een groeiende belangstelling voor de laatste jaren van Nederlands-Indië. Dit werd voornamelijk geïnspireerd door de mentaliteitsgeschiedenis. Deze stroming, die in de jaren vijftig en zestig voortkwam uit de Franse Annalesschool, had interesse in de belevingswereld van de ‘gewone mens’ en wilde inzicht krijgen in de opvattingen van het ‘volk’. Hun aanpak bleek niet probleemloos. Veel historische bronnen zijn immers geschreven door de elite en geven hoogstens een gekleurd beeld van de wijze waarop de grote massa in de wereld stond. Gevolg was dat veel historici genoodzaakt waren om bronnen te gebruiken, die alleen indirecte aanwijzingen bevatten over het ‘gewone’ leven.[38] Voor de meer recente geschiedenis bood zich echter een alternatief aan: ‘de herinnering’.

Het waren historici als Nora en Hobsbawm, die zich in de jaren tachtig bezig gingen houden met het nut van herinnering voor de geschiedwetenschap. Zij besteedden daarbij veel aandacht aan beeldvorming en kwamen zodoende tot het volgende inzicht: de collectieve herinnering en daaruit voortvloeiende tradities worden grotendeels vormgegeven door hedendaagse belangen. Het bleek dat mensen, zeker in de snel veranderende wereld van de 19e en 20e eeuw, behoefte hebben aan stabiliteit en identiteit. De herinnering, als een grotendeels fictieve, hedendaagse constructie kan hierin voorzien.[39]

De hedendaagse belangstelling voor herinnering is volgens Nora gedeeltelijk toe te schrijven aan de ‘versnelling van de geschiedenis’, die heeft ingezet vanaf het einde van de achttiende eeuw. Herinnering is iets, waar we steeds minder van lijken te hebben en waarnaar we daarom steeds meer verlangen. Tegenwoordig proberen we krampachtig het verleden vast te houden en gaan we op zoek naar plaatsen, die voor ons het verleden vertegenwoordigen.[40] Nora bedacht hiervoor de term ‘lieux des mémoire’ (geheugenplaatsen); we moeten hierbij denken aan archieven, musea, monumenten, gebouwen, maar ook aan immateriële zaken zoals bijvoorbeeld oude spreuken of gezegden, opvattingen, etc. Aan de hand hiervan kon begonnen worden aan de geschiedschrijving van het geheugen.

 

Behalve plaatsen van herinnering bood deze benadering ook de mogelijkheid om plekken der vergetelheid of schande, waar tot dan toe over was gezwegen, voor het voetlicht te brengen. Dit gebeurde ook met de meest recente geschiedenis van Nederlands-Indië. Eindelijk kwam er aandacht voor dit lang verborgen gebleven verleden.[41]

 

De na-oorlogse periode in Nederland kenmerkt zich door een langdurig stilzwijgen over de laatste jaren van de Nederlands-Indische kolonie. Pas eind jaren zestig begonnen verschillende groepen, waaronder veel voormalig inwoners van Indië, hun herinneringen aan deze periode publiekelijk kenbaar te maken. Voor de interpretatie van de verschillende egodocumenten is deze geschiedenis van de herinnering van groot belang. De dagboeken, memoires en interviews kwamen in verschillende stadia van die ontwikkeling tot stand. Zij zullen in grote mate zijn beïnvloed door de periode waarin zij werden geschreven. Zo is het interessant om te kijken, wat mensen schrijven tijdens de ‘stille’ jaren vijftig en zestig. In hoeverre hebben zij elkaar beïnvloed (bijvoorbeeld door gesprekken binnen de familie- of vriendenkring) en ontstond er zo een collectief perspectief op het oorlogsverleden? Daarna is het de vraag of en hoe hun beeld van de oorlog in de jaren zeventig veranderde. Vanaf dat moment kwam er, onder invloed van de toenemende aandacht, meer kennis over de historische context, waarin hun verleden zich had afgespeeld. Werden hun memoires hierdoor meer beschouwend van aard? En tenslotte: welke invloed heeft de constructie van een collectieve herinnering aan de oorlog in Nederlands-Indië gehad op het beeld in egodocumenten? Op deze vragen zal ik terugkomen in hoofdstuk 6.  

 

 

2.4. Valkuilen en voordelen van egodocumenten

 

Tussen de door mij behandelde egodocumenten zijn grote verschillen te ontdekken. Deze werden veroorzaakt door de periode waarin zij tot stand kwamen (zie vorige paragraaf). Daarnaast speelt de aard van de bron een rol. Ieder egodocument heeft zijn eigen specifieke kenmerken, die van invloed kunnen zijn op de inhoud van het verhaal. Het is belangrijk deze te kennen om de bron op waarde te kunnen schatten. In deze paragraaf wil ik daarom de valkuilen en voordelen bespreken, die de door mij gebruikte bronnen met zich meebrengen. Na elkaar komen dagboeken, memoires en interviews aan de orde.

 

2.4.1. Dagboeken

 

Een belangrijk voordeel van dagboeken is, dat zij reageren op de dagelijkse werkelijkheid. Zij hebben daardoor vaak een spontaan karakter en zijn nog niet beïnvloed door later verkregen inzichten. Daarnaast kent de schrijver de afloop van het verhaal nog niet, waardoor hij met een heldere blik terugkijkt op wat hij heeft meegemaakt. Nadeel hiervan is wel dat hij moeilijk het grote geheel kan overzien. Juist omdat hij zo verbonden is met de gebeurtenissen, zal hij altijd gegevens selecteren, die voor hem of de groep waartoe hij behoort, belangrijk zijn. Wat hij uiteindelijk toevertrouwt aan het papier, beschrijft slechts een sterk gefilterde, subjectieve werkelijkheid.[42]

Als aanvulling hierop wil ik nogmaals wijzen op het persoonlijke karakter van dagboeken. Zaken als leeftijd, sekse, geloofsovertuiging, beroep, sociale achtergrond, maar ook het karakter van de auteur zijn van invloed op de inhoud van dagboeken. Voor mensen in de kampen komen daar hun specifieke omstandigheden bij. Zo zal een Nederlandse kampleider over andere zaken verhalen en ze ook op een andere manier beoordelen, dan iemand die iedere dag hard moet werken voor de Japanners. En een moeder, die kinderen heeft te verzorgen vertelt een heel ander verhaal, dan het meisje van zeventien dat helemaal alleen in het kamp zit. Overigens geldt dit onderscheid natuurlijk niet alleen voor dagboeken. Alle egodocumenten worden beïnvloed door het karakter van de auteur en de omstandigheden waarin hij zich bevindt.

Ten derde moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid, dat de schrijver zijn dagboek schreef met een schuin oog op publicatie. In dat geval is de kans groot, dat hij niet het achterste van zijn tong laat zien of de zaken anders voordoet, dan ze zijn. Dagboeken die na de oorlog daadwerkelijk gepubliceerd werden, moeten wat dat betreft nog kritischer bekeken worden. De schrijver kan heel gemakkelijk achteraf passages geschrapt of herschreven hebben, die hij in de oorspronkelijke vorm niet voor publicatie geschikt achtte.[43]

Een vierde punt is het feit, dat dagboeken soms een te positieve indruk geven van het kampleven.[44] Geïnterneerden leggen vaak de nadruk op de vrijheden, die zij nog hebben. Zij tonen dankbaarheid, soms zelfs blijdschap, ook al vrezen zij toekomstige maatregelen. Zeker in het begin van de bezetting proberen zij overal het positieve van in te zien. Op die manier houden zij hoop op de toekomst, een leven na de bezetting. Vaak proberen zij ook krampachtig de meest verschrikkelijke situaties op een humoristische manier te benaderen.

Op een gegeven moment is de ellende echter zo groot, dat er nauwelijks nog iets positiefs valt waar te nemen. Veel schrijvers vervallen dan in een kenmerkende ironische, soms zelfs sarcastische toon. Zo gaat de over het algemeen erg positief ingestelde mevrouw Henkes-Rijsdijk over op zinnen als:

 

‘Er zullen strengere straffen komen voor ‘niet-buigen’, slordig groeten van Heiho’s. Voor elke straf zal ook nog de heele wijk gestraft worden met minder eten! Leuk! We hebben het nog veel te goed! Enfin, kome wat kome, het kan ons niets meer schelen.’[45]

 

Deze manier van ‘communiceren’ kan overigens ook teruggevonden worden in memoires en de interviews van de SMGI. Behalve dat het tijdens de oorlog diende om de moed er in te houden, is het ook kenmerkend voor de Indische manier van vertellen. Uit beleefdheid ten opzichte van de lezer of toehoorder, om hem te sparen, worden zelfs de meest akelige gebeurtenissen met een lach verteld.[46]

Het bijhouden van dagboeken in de Indische interneringskampen is in het kader van het eerder genoemde traumadebat vaak geïnterpreteerd als een manier van verwerken. Toch waren veel dagboekschrijvers hier, zeker in het begin, niet bewust mee bezig. Mensen begonnen vaak met schrijven op het moment dat correspondentie met naasten in Nederland niet meer mogelijk was. Veel van de Indische dagboeken zijn daarom gericht aan familieleden of bekenden. Op die manier stond de schrijver in ieder geval nog geestelijk in contact met de buitenwereld.[47]

Op den duur werd het bijhouden van een dagboek voor veel kampbewoners echter een belangrijk tijdverdrijf. Het bood hen de mogelijkheid even te ontsnappen aan de vervelende omstandigheden en de onderdrukking. Met het schrijven kon een gevoel van vrijheid verkregen worden, dat in de echte wereld ontbrak. Frustraties over medegeïnterneerden, hardhandige Japanse bewakers, het slechte voedsel of de onhygiënische omgeving konden in het dagboek ongestraft worden geuit. Daarnaast was het bijhouden van een dagboek één van de weinige mogelijkheden om jezelf een beetje te ontwikkelen, om een geestelijke dan wel emotionele groei door te maken. De Japanse bezetter bepaalde de dagen, maar het dagboek gaf geïnterneerden het gevoel toch een beetje invloed op het leven te kunnen uitoefenen.[48]

Behalve de zucht naar vrijheid, hielden geïnterneerden ook om andere redenen een dagboek bij. Zo hadden sommigen gewoonweg de behoefte om de extreme situaties op te schrijven of hun geschiedenis te bewaren voor familieleden en vrienden buiten de kampen of in Nederland. Anderen schreven voor hen wiens wanhoopskreet in alle ellende verloren dreigde te gaan, de zieken, de gewonden en zelfs de doden. En voor sommigen was het schrijven een teken van verzet, het houden van een dagboek was immers streng verboden.[49] Zoals ik al opmerkte, wordt aan het schrijven van dagboeken tijdens een traumatische periode een therapeutische werking toegeschreven. Door traumatische ervaringen te beschrijven en te getuigen van de verschrikkingen in de kampen, kregen mensen nieuwe kracht om verder te gaan. Daarnaast blijkt uit psychologische studies, dat mensen die zich bewust bezighielden met hun ervaringen in de kampen, gemakkelijker hun leed konden verwerken. De verschrikkingen kregen een plaats toebedeeld en werden deel van de identiteit. Overigens is deze therapeutische werking pas later door wetenschappers van toepassing geacht op het schrijven van een dagboek. Geïnterneerden zelf stonden niet stil bij de heilzame gevolgen, die het schrijven voor hen zou kunnen hebben. Zij hielden een dagboek bij omdat ‘de gevangenschap dat van hen vroeg’.[50]

 

2.4.2. Memoires

 

Misschien nog meer dan bij dagboeken, wordt aan het schrijven van memoires een therapeutische werking toegekend. Veel psychiaters hebben hun patiënten dan ook aangemoedigd om hun verhaal over de kamptijd op papier te zetten. Door het spoor terug te volgen naar dat belastende verleden en hun herinneringen daaraan een plaats te geven in een begrijpelijk verhaal, kunnen zij hun hedendaagse gedachten en gedragingen beter begrijpen.[51]

Daarmee komen we op het grote verschil tussen dagboeken en memoires; dagboeken reageren op de dagelijkse realiteit, terwijl memoires, zeker die over Nederlands-Indië, vaak pas jaren nadien worden opgeschreven. Dit heeft belangrijke gevolgen voor de inhoud van de bron. De auteur van een memoire weet hoe het allemaal is afgelopen. Hij kan, in tegenstelling tot de nog onwetende dagboekschrijver, een samenhangend verhaal schrijven met een duidelijke verhaallijn en een plot. Alles wat hij zich herinnert, wordt in meer of mindere mate in dienst gesteld van zijn verhaal. Memoires zijn hierdoor ook meer beschouwend van aard dan dagboeken. De schrijver heeft, mede op basis van later verkregen inzichten (na de oorlog), een visie ontwikkeld op zijn oorlogservaringen en deelt die visie met de lezer.[52]

Het interessante aan memoires is voornamelijk, dat zij iets zeggen over de manier waarop de kamptijd door de auteur is verwerkt. Zij maken goed duidelijk hoe de schrijver een verhaal heeft gemaakt van zijn herinneringen en het verleden een plaats heeft gegeven in zijn herinnering. Tegelijkertijd wordt een memoire wel heel erg bepaald door hedendaagse inzichten, wat een zuivere reconstructie van het verleden in de weg staat. Presser schrijft hierover:

 

‘Men kan zich eigenlijk niet terugverplaatsen in de onwetendheid en de illusie van vroeger, wanneer men, zoveel later, dat ‘vroeger’ schildert; wij zien en waarderen nu eenmaal alle feiten ‘Après coup’.[53]

 

Tenslotte wil ik nog kort op het volgende ingaan: net als bij dagboeken moet er rekening mee worden gehouden dat de schrijver van een memoire een verborgen agenda heeft. Zeker omdat de meeste memoires bedoeld zijn voor publicatie, is de kans groot dat hij een te positief beeld van zichzelf schept. Hier komt nog eens bij dat een schrijver vaak wordt bijgestaan door een ‘ghostwriter’. De invloed van zo’n assistent kan niet goed worden ingeschat. Presser schrijft dat het moeilijk is vast te stellen ‘of het waarheidsgehalte van dergelijke bronnen dankzij die helper is gestegen of gedaald’. In ieder geval moet bij de interpretatie van memoires rekening worden gehouden met de mogelijke invloed, die een ghostwriter op het verhaal kan hebben gehad. [54]

 

2.4.3. Interviews

 

Mondelinge bronnen zijn de afgelopen dertig jaar steeds belangrijker geworden voor de geschiedschrijving. In de jaren vóór de Tweede Wereldoorlog richtten historici zich vooral op de politieke geschiedenis. Voor persoonlijke bronnen van gewone mensen, zoals dagboeken, memoires en mondeling overgedragen geschiedenissen was minder aandacht. Die focus

veranderde begin jaren zeventig, voornamelijk onder invloed van de Annalesschool. Iedereen in de samenleving kreeg een stem. Vandaar dat in dit verband nogal eens wordt gesproken over ‘de democratisering van de geschiedenis’.[55]

Toch heeft Nederland tot nu toe weinig oral history-projecten gekend. In 1978 werd in Nijmegen begonnen met het interviewen van missionarissen, met als doel de geschiedenis van de katholieke missie te schrijven. Deze bronnen worden bewaard in het Katholiek Documentatie Centrum in Nijmegen. Pas 21 jaar later, in 1997 startte de Stichting Mondelinge Geschiedenis Indonesië (SMGI) een gelijksoortig grootschalig project. In totaal werden 724 mensen geïnterviewd over hun ervaringen tijdens de laatste jaren van Nederlands’ koloniale aanwezigheid in Azië, de periode tussen 1930 en 1962.[56]

Interviews hebben veel gemeen met de twee andere, door mij beschreven, egodocumenten. Net als memoires zijn zij geruime tijd na de besproken gebeurtenissen tot stand gekomen. Hierdoor geven zij niet alleen een beeld van het verleden, maar tonen zij ook de manier, waarop dat verleden in het heden een plaats heeft gekregen. Met dagboeken hebben de interviews gemeen, dat zij een bepaalde mate van spontaniteit bevatten. Niet iedere zin wordt door de verteller nauwkeurig afgewogen of genuanceerd, zoals dat bij memoires vaak wel het geval is. Vaak komt duidelijk de vertwijfeling van de geïnterviewde naar voren. Verder zijn de interviews in staat om het emotionele aspect van een verleden gebeurtenis treffend weer te geven. De poëtische kracht van het gesproken woord neemt de toehoorder mee in het verleden. Hij kan zich zodoende inleven in de geschiedenis van de geïnterviewde en op die manier het verleden beter begrijpen.

 Anderzijds zijn interviews sterk verbonden aan de periode, waarin zij tot stand zijn gekomen. De verteller spreekt meer vanuit het heden en kijkt meer beschouwend naar het verleden dan een dagboek- of memoireschrijver. Deels heeft dit verschil te maken met de situatie, waarin veel interviews worden afgenomen. In een officieel gesprek met een historicus zullen informanten eerder geneigd zijn een afgewogen, genuanceerd beeld van de geschiedenis te geven, dan in een dagboek of memoire.[57] Daarnaast hebben mensen die deelnemen aan een interviewproject vaak heel andere motieven dan schrijvers van dagboeken en memoires. Zo bevinden de meeste SMGI-informanten zich in het laatste stadium van hun leven. Zij willen nog één keer hún verhaal vertellen en op die manier tot de conclusie komen dat het goed was. In dat geval is het niet wenselijk om over te komen als een harde ongenuanceerde persoonlijkheid. Memoire- en dagboekschrijvers hebben hier veel minder ‘last’ van. Zij willen vooral getuigen van de gruwelijke omstandigheden, die zij hebben meegemaakt en laten hun emoties meer de vrije loop.

Tenslotte wil ik nog wijzen op een specifieke beperking van de SMGI-collectie: aangezien de interviews meer dan een halve eeuw na de onafhankelijkheid van Indonesië tot stand kwamen, kon slechts één generatie geïnterviewd worden. Veel mensen, die in de periode 1930-1962 een aantal jaren in Indië hadden verkeerd, waren immers overleden. De groep informanten bestaat voornamelijk uit voormalig kampkinderen, wat invloed kan hebben op het beeld, dat uit de verschillende interviews naar voren komt.[58] Zo schrijft Esther Captain, dat kinderen zich veel gemakkelijker aanpasten aan de kampsituatie dan hun ouders. Zij waren niet anders gewend en konden daardoor niet met weemoed terugverlangen naar een tijd waarin alles beter was. Hierdoor aanvaardden zij, waar hun moeder weerstand bleef bieden.[59]

 

 

2.5. Ter afsluiting

 

Uit deze paragraaf is gebleken, dat bij het interpreteren van dagboeken, memoires en interviews rekening gehouden moet worden met verschillende factoren, die van invloed kunnen zijn op de inhoud van de bron. Zo speelt in de herinnering aan het Indisch kampverleden het tijdsverloop een belangrijke rol. Wat en hoe iets gezegd wordt – als het al gezegd wordt – is deels afhankelijk van de periode waarin de bron tot stand kwam. Een belangrijke vraag hierbij is in welke mate de maatschappij en het individu de verleden gebeurtenis, waar alles om draait, hebben verwerkt. Mede op basis hiervan – ook culturele, sociale en politieke factoren spelen een rol – heeft zich in de herinnering aan het Indische kampverleden een ontwikkeling voltrokken, die hoogstwaarschijnlijk terug te vinden is in de verschillende bronnen.  Daarnaast kent ieder egodocument bepaalde valkuilen. Hun overeenkomst is dat zij merendeels het gevolg zijn van de subjectieve aard van de bron. Egodocumenten komen tot stand op basis van individuele waarneming en herinnering, kennen vaak een verborgen agenda of onbewuste motieven en soms wordt het wordingsproces beïnvloed door derden, zoals een ghostwriter of een interviewer. Hierdoor achten veel historici egodocumenten niet bruikbaar voor het doen van historisch feitenonderzoek. In de subjectiviteit zit echter ook de grote waarde van het egodocument. De verteller is in staat de lezer of toehoorder mee te nemen naar het verleden. Zijn directe manier van vertellen en zijn emoties zorgen voor een direct contact met wat ooit was. Hierdoor wordt het onbegrijpelijke enigszins bevattelijk en kan men zich inleven in de tijdsgeest van toen.

In de hoofdstukken 4 en 5 zal ik verschillende dagboeken, memoires en interviews interpreteren. Op de bruikbaarheid van de theoretische aspecten, die ik in dit hoofdstuk heb besproken, zal ik in hoofdstuk 6 terugkomen. Het volgende hoofdstuk zal toewerken naar het daadwerkelijke onderwerp van mijn thesis: het beeld van Japanse kampbewakers in de Indische kampen. Naast drie belangrijke publicaties over de Indische kampgeschiedenis zal ik een aantal theoretische noties bespreken, die een mogelijke verklaring geven voor de manier waarop Japanners werden beoordeeld.

 

 

Hoofdstuk 3. Visies op de kampgeschiedenis

 

In de loop der jaren hebben verschillende schrijvers hun licht laten schijnen op de oorlog in Nederlands-Indië. Dit hoofdstuk gaat over de visies op het Indische kampverleden. Dora van Velden, zelf iemand die het kamp had overleefd, schreef in 1963 haar proefschrift over de Japanse burgerkampen. Zij beperkte zich hierin niet alleen tot de Indische kampen, maar onderzocht ook de internering van mensen buiten Indië. Het werk van Van Velden is door veel historici aangehaald. Lou de Jong teerde in deel 11B van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog zelfs grotendeels op haar bevindingen. In ruim honderd bladzijden schetste hij de situatie in de Indische kampen. Vanaf de jaren zeventig begon het aantal wetenschappelijke publicaties toe te nemen. Er kwamen boeken uit over gebeurtenissen en omstandigheden in afzonderlijke kampen en een uitgebreide atlas met daarin de gegevens van een groot aantal burger- en krijgsgevangenkampen in Nederlands-Indië.[60] Het duurde echter tot 2002 voor een nieuw overzichtswerk werd geschreven. In Achter het Kawat was Nederland onderzocht Esther Captain de ontwikkeling in de herinnering van en perceptie op het kampverleden. Zij maakte daarvoor gebruik van dagboeken en memoires uit verschillende perioden.

In dit hoofdstuk zal ik het werk van de drie bovengenoemde auteurs bespreken. Hierbij zal ik vooral aandacht hebben voor de manier, waarop zij de internering benaderen. Hoe staan zij tegenover de Japanners en in hoeverre kunnen zij zich inleven in gedachten en motieven van geïnterneerden? In paragraaf 2 van dit hoofdstuk wil ik aandacht besteden aan één van mijn eigen invalshoeken op het onderwerp ‘internering’. Aan de orde zal komen de manier waarop mensen reageren op hun onderdrukkers. Ik bespreek hiervoor een gedeelte van het bekende Weapons of the Weak van James C. Scott en een aantal publicaties over identificatie met de onderdrukker. In hoofdstuk 6 zal ik nagaan in hoeverre deze concepten van toepassing zijn op de internering van burgers in Nederlands-Indië

 

 

3.1. Literatuur over de Japanse kampen

 

3.1.1. Dora van Velden. Grote cultuurverschillen

 

Dora van Velden was lerares Nederlands en Geschiedenis in Batavia, toen de oorlog in de Pacific uitbrak. In oktober 1942 werd zij geïnterneerd in het Kramat-kamp. Tien maanden later verhuisde zij naar kamp Tjideng, waar zij zou blijven tot oktober 1945. Na de oorlog zette zij haar carrière als lerares in Indië voort om in 1954 terug te keren naar Nederland. Hier gaf zij tot 1958 les – onderbroken door een kortstondig dienstverband in Indonesië – waarna zij zich ging toeleggen op haar promotie.

In 1963 kwam haar proefschrift De Japanse burgerkampen uit. Hierin bespreekt zij de internering van Europeanen in Zuidoost-Azië tijdens Tweede Wereldoorlog. Het boek werd in wetenschappelijke kring positief ontvangen en Van Velden werd geroemd vanwege haar objectieve benadering. Lou de Jong sprak over ‘één van de beste boeken, die in ons land over de Tweede Wereldoorlog geschreven zijn’ en ook internationaal kreeg het werk goede recensies.[61]   Eén van de interessante aspecten aan de studie van Van Velden is de aandacht voor de psychologische component van het kampleven.[62] Zij probeert een beeld te schetsten van wat er tijdens de gevangenschap omging in het hoofd van geïnterneerden. In die context spreekt zij bijvoorbeeld over de rol van het Nederlandse kamphoofd. Deze moest over speciale eigenschappen beschikken, wilde hij zijn taak goed kunnen uitvoeren. Zo mocht hij niet de één bevoordelen boven de ander en zelf ook geen privileges opeisen. Daarnaast moest hij met tact optreden, zowel richting medegeïnterneerden als richting Japanse bewakers. De functie van kampcommandant vroeg om moed, sociale intelligentie, en een onbaatzuchtig optreden.[63]

Egoïsme kwam volgens Van Velden tijdens de internering niet vaker voor dan onder normale omstandigheden. Daar stond tegenover, dat veel mensen hun slechte eigenschappen niet langer konden camoufleren. Zo werd er in het kamp veel gestolen en was het moeilijk om kinderen ‘strikte eerlijkheid bij te brengen’. Daarnaast werd slecht gedrag in de moeilijke omstandigheden van het kamp eerder opgemerkt. Sommigen vielen tijdens de internering hard door de mand, terwijl anderen van wie men het niet had verwacht, plotseling over veel medegevoel bleken te beschikken.[64]  Volgens Van Velden was het belangrijk, dat geïnterneerden zich aanpasten aan de omstandigheden in het kamp. Zij die het eerst de situatie accepteerden en ‘zich realiseerden dat het onmogelijke hier mogelijk was, (..) waren het beste af’. Mensen die bleven vasthouden aan hun vooroordelen ten opzichte van Aziaten hadden het moeilijk; net als mensen die zich nooit verdiept hadden in de oosterse cultuur. Hoewel Van Velden in haar boek verder weinig aandacht besteed aan de raciale structuur in de Indische samenleving, is zij zich bewust, dat voor mensen die zich altijd superieur hadden gevoeld ten opzichte van Aziaten, de internering een extra vernederende ervaring moet zijn geweest.[65]

 Over het algemeen hadden vrouwen minder moeite om zich aan te passen dan mannen. Dit komt onder meer tot uiting in het sterftecijfer, dat in de vrouwenkampen tweeëneenhalf keer minder hoog lag. Vrouwen zorgden goed voor zichzelf. Zij waren gewend het huishouden te doen, zelfs al hadden zij vóór de oorlog mensen in dienst gehad. Mannen daarentegen liepen er al snel onverzorgd bij en gaven zich over aan vertwijfeling. Zij leefden minder met het oog op de toekomst en hadden minder geduld dan vrouwen.[66]

 Behalve voor de wereld van de kampbewoners, heeft Van Velden ook oog voor de Japanse cultuur en de rol die deze heeft gespeeld in het leven van geïnterneerden. In het hoofdstuk de Japanners, de oorlog en de gevangenen geeft zij een verhelderend beeld van de Japanse culturele achtergronden.

 Zo was de keizer voor Japanners van goddelijke afstamming. Zijn besluiten werden zonder enige weerstand opgevolgd. Als afstammeling van de keizer beschouwde de Japanner zichzelf als van nature goed. In zijn ziel lag de juiste weg besloten. De Japanner zag zijn cultuur en ideologie als superieur, iets wat nog eens werd versterkt door antiwesterse propaganda in de jaren vóór de oorlog. In die periode werd het Japanse volk een sterke minachting bijgebracht voor de westerse democratie en het westerse individualisme.[67]

 In de dagelijkse omgang speelden wederzijdse verplichtingen een belangrijke rol. Het aanbieden van een geschenk, al was het iets kleins als een sigaret, maakte een Japanner verplicht iets terug te geven. Dit had voor geïnterneerden, die niet bekend waren met de Japanse cultuur, belangrijke gevolgen. Als zij dachten aardig te zijn voor een Japanner en hem iets aanboden, kon hij een grote wrok ten opzichte van hen ontwikkelen, omdat hij nu verplicht was iets terug te doen.

Een andere verplichting die door Japanse bewakers erg belangrijk werd gevonden, was het buigen. De geïnterneerde erkende door deze handeling, dat de Japanner bepaalde rechten over hem bezat. Als hij weigerde of het met te weinig eerbied deed naar de mening van de bewaker, dan kon deze in woede ontsteken. Hij vond het vanzelfsprekend, dat de geïnterneerde zich aanpaste aan zijn superieure cultuur.[68]

Een ander fenomeen, dat Van Velden bespreekt, is de Japanse schaamtecultuur. De Japanner wilde ten koste van alles voorkomen, dat anderen hem iets kwalijk namen. Als niemand wist van zijn stommiteiten of misdaden, was er echter niets aan de hand. Zo kon een Japanse kampcommandant zonder moeite vreselijk huishouden in het kamp, ‘totdat omwonenden er schande van begonnen te spreken’. Daarnaast was het de gewoonte ook anderen niet tot schaamte te bewegen. Klachten van geïnterneerden werden daarom niet op prijs gesteld, want dit betekende gezichtsverlies voor de persoon aan wie de klacht gericht was.[69]

 Verder vonden Japanners het volgens Van Velden moeilijk om logisch na te denken. Zij konden fantasie en werkelijkheid moeilijk uit elkaar houden en waren niet kritisch. Geïnterneerden hadden dagelijks met deze eigenschap te stellen, ‘als hun veel werd beloofd en weinig gegeven, als hun kampen als ideale oorden werden beschreven’. De kampbewoners konden zich in dit opzicht niet aanpassen. Zij waren niet in staat de kampen te zien, ‘zoals de Japanners voorwenden dat ze waren’.[70]

 Iets anders waar geïnterneerden mee te maken kregen, waren de driftbuien van Japanners. Deze waren gevolg van het feit, dat hen als kind niet was geleerd pesterijtjes en vernederingen sportief op te nemen. Als iets hem niet beviel, gaf de Japanner zich over aan zijn woede. Schaamte over zo’n driftbui kende hij niet. Het was iets, dat hoorde bij zijn natuur.[71]

 Het betoog van Van Velden maakt duidelijk, dat er grote cultuurverschillen bestonden tussen Japanners en geïnterneerden:

 

‘Men stond in levensopvattingen en gedrag mijlenver van elkaar af en geen van beide partijen deed moeite de andere te begrijpen. Zelfs met goede wil was dat ongetwijfeld nog niet gelukt, zozeer ging men uit van andere praemissen.’[72]

 

Japanners en de geïnterneerden konden elkaar maar moeilijk begrijpen en zij deden vanwege hun superioriteitsgevoel ten opzichte van elkaar ook geen moeite hieraan iets te veranderen. Vandaar ook dat veel geïnterneerden geen haat konden voelen ten opzichte van Japanners. Het was meer afkeer, schrijft Van Velden.[73]

 

Het hoofdstuk over de Japanse psyche was het meest becommentarieerde gedeelte van de Japanse burgerkampen. Wetenschappers prezen Van Velden’s poging het racistische vijandbeeld van Japanners te nuanceren, maar voor oud-geïnterneerden waren deze beschrijvingen een reden om het boek af te keuren. Zij vonden een wetenschappelijke beschrijving van de bezettinggeschiedenis gevaarlijk. Teveel begrip voor de Japanse misdaden zou immers leiden tot vergiffenis. Hun leed mocht niet vergeten worden.[74] 

 

3.1.2. Lou de Jong: een Nederlands perspectief

 

Lou de Jong heeft in zijn standaardwerk over de Tweede Wereldoorlog liefst drie delen gewijd aan de geschiedenis van Nederlands-Indië. Het eerste deel (11A) behandelt de geschiedenis van Indië, vanaf het moment dat Nederlanders in de zestiende eeuw voor het eerst in de archipel waren verschenen tot de capitulatie van het KNIL op 8 maart 1942. De twee boeken van deel 11A kwamen eind 1984 uit en oogstten veel kritiek. Prof. dr. I.J. Brugmans en drs. C. Kwantes schreven in hun voorwoord, dat De Jong te nadrukkelijk de negatieve kanten van de Nederlandse aanwezigheid in Indië had belicht en voorbij was gegaan aan de rijkdom die het bedrijfsleven en de overheid hadden gebracht, ook voor de autochtone bevolking van de archipel. [75] Een aantal Indische Nederlanders voelde zich zo gegriefd door het antikoloniale vertoog van De Jong, dat zij in 1985 naar de arrondissementsrechtbank in Den Haag stapten met de eis dat hij de hoofdstukken over het kolonialisme zou herschrijven. Uiteindelijk werd die eis afgewezen.[76]

 In december 1985 verscheen 11B van Koninkrijk der Nederlanden. Opmerkelijk genoeg werd dit deel veel positiever ontvangen. Zo schreef de eerder nog zo kritische indoloog dr. J. van Baal:

 

‘Werd 11A ontsierd door een antikoloniaal vooroordeel waardoor een vertekend beeld ontstond van de betekenis en de deugden van de sinds het einde van de vorige eeuw opgebouwde koloniale staat, van die vooringenomenheid ontbreekt hier vrijwel ieder spoor.’[77]

 

In dit deel schrijft De Jong voornamelijk over het lot van de Indische bevolking tijdens de Tweede Wereldoorlog. Vanzelfsprekend bespreekt hij ook de internering. Hoofdstuk 9 Geïnterneerden begint hij met het opsommen van de kampen in en buiten Indië, terwijl hij tegelijkertijd een hiërarchie aanbrengt: welke kampen waren het slechtst en waardoor werd dat veroorzaakt? Hij benadrukt dat gezinsscheidingen, de toegankelijkheid van eten, de periode van internering, etc. hierbij van doorslaggevende invloed zijn geweest.

Daarnaast is volgens De Jong de overgang van civiel naar militair bestuur een belangrijk breekpunt in het kampleven van de geïnterneerden geweest.[78] Zo kwamen er vanaf april 1944, het begin van de militaire fase, steeds meer inspecties, uitgevoerd door Japanse soldaten en werd iedere dag een aantal malen appèl afgenomen. Ook moesten zowel vrouwen als mannen gaan werken en werden veel aspecten van het dagelijks leven, zoals onderwijs, het vieren van feestdagen, naar de kerk gaan en corresponderen met familie en bekenden in de militaire fase (op den duur) verboden. De teneur van De Jongs schrijven is dan ook dat de omstandigheden in de kampen verslechterden naarmate de oorlog vorderde en dat de geïnterneerden steeds meer vrijheden kwijtraakten. [79]

Een tweede punt waar De Jong de nadruk op legt, is het isolement van geïnterneerden. In het begin werden de vrouwenkampen op Java niet afgesloten. Tot maart 1943 kon men zich betrekkelijk vrij buiten het kamp begeven. Vanaf augustus 1943 ging de poort echter dicht en dat bleef zo tot de bevrijding. Geïnterneerden hadden nauwelijks nog contact met de buitenwereld, laat staan met familie en vrienden in het eveneens bezette Nederland. Soms wachtte men maanden op post van echtgenoten, en als die dan eindelijk kwam, bleek zij vaak al vele maanden, soms jaren eerder verstuurd te zijn. Door de Nederlandse regering gestuurde voedselpakketten van het Rode Kruis kwamen maar zeer zelden aan in de kampen, met name als gevolg van obstructie door Japanners. Hetzelfde kon gezegd worden van geldzendingen.

De nieuwsvoorziening in de kampen was gebrekkig. Radio’s en Europese kranten waren streng verboden. Desondanks zagen sommigen kans om in het geheim een radio te houden en werden er nu en dan Japanse kranten verspreid. Verder dwarrelde af en toe een lading pamfletten het kamp in afkomstig van Nederlandse vliegtuigen. Hierin stond informatie over de stand van zaken in de oorlog en de aanmoediging om vol te houden. Omdat de geïnterneerden over het algemeen weinig wisten over het oorlogsverloop, deden vaak de meest wilde geruchten de ronde.[80]

Wat schrijft De Jong over Japanners? We moeten ons volgens hem realiseren dat de Japanners het kampregiem bepaalden. Dit beleid leek oorspronkelijk niet eens ongunstig. Volgens de voorschriften dienden geïnterneerden rechtvaardig behandeld te worden en zouden zij betaald krijgen voor hun werkzaamheden ten gunste van het kamp. Daarnaast zouden er voldoende medicijnen aanwezig zijn. ‘Merkwaardig’ noemt De Jong echter het op Java toegepaste reglement, dat geïnterneerden dankbaar moesten zijn voor de bescherming die zij kregen van de Japanners. Zij moesten gehoorzaam zijn aan de Japanse bevelen en klagen werd niet op prijs gesteld.

In navolging van Van Velden schrijft De Jong dat er in de kampen twee culturen tegenover elkaar stonden, die elkaar niet begrepen. Japanners voelden zich superieur ten opzichte van de verslagen Nederlanders, terwijl de Nederlanders een grote afkeer en minachting koesterden voor Japanners. ‘Voorschriften die voortvloeiden uit het Japanse cultuurpatroon troffen hen als pure willekeur’. Net als Van Velden brengt De Jong dit onbegrip niet duidelijk in verband met het superioriteitsgevoel, dat veel Europeanen hadden ten opzichte van Aziaten. Beide schrijvers houden weinig rekening met de raciale verhoudingen in Nederlands-Indië.[81]

Een andere kritiek op de Jong is, dat hij zich teveel heeft gericht op de vrouwenkampen. In zijn werk ontbreekt een gestructureerde beschrijving van de mannenkampen. Kwantes vindt dat De Jong, wat dit onderwerp betreft, meer onderzoek had mogen doen. Hij had bijvoorbeeld ex-geïnterneerden kunnen interviewen.[82] Daarnaast wordt ook De Jongs’ opmerking, dat de situatie van mannen in de kampen moeilijker was dan die van vrouwen, aangevochten. Volgens Van Baal waren, zeker gedurende het laatste oorlogsjaar, de ‘materiële omstandigheden in de vrouwenkampen gedecideerd slechter dan in die der mannen’.

 

‘Dat er desondanks procentueel meer mannelijke geïnterneerde overleden zijn dan vrouwen, heeft een andere oorzaak. Die vrouwen hadden hun kinderen bij zich en voor die kinderen moesten zij zorgen. Zij konden zich niet veroorloven wat wij mannen wel konden: het hoofd neerleggen om eenvoudig dood te gaan.’[83]

 

Tenslotte is het de vraag in hoeverre de kritiek op deel 11A De Jong heeft beïnvloed in het schrijven van 11B. Igor Cornelissen vergeleek in Vrij Nederland beide delen met elkaar en vond dat het geheel de kritische toon in deel 11A rechtvaardigde. Alleen op deze manier kon De Jong tonen, waarom het Indonesische volk onverschillig stond ten opzichte van de Nederlandse nederlaag en alleen zo kon hij duidelijk maken waarom velen collaboreerden met de Japanners.[84] In 11B geeft De Jong nauwelijks blijk van antikoloniale opvattingen, maar dat is ook niet nodig. Hij beschrijft vooral het leed van de Indische bevolking tijdens de oorlog en daarvoor was voornamelijk de Japanse bezetter verantwoordelijk. Minder dan Van Velden toont hij daarom begrip voor de Japanse cultuur, al tracht ook hij hun volksaard te definiëren.[85] De indruk die dit bij de lezer achterlaat, is beschreven door Gerlof D. Homan:

 

‘Of the ninety-six thousand to one hundred thousand who were interned, 13.6 percent died as a result of callous, brutal, and sadistic treatment and the lack of medical care and food. The history of the POW and civilian internment camps, so graphically described by De Jong, still fills many with anger and anguish.’[86]

 

Het hoofdstuk van De Jong over de internering is meer beschrijvend dan het boek van Van Velden, maar kent ook de scheiding tussen goed en fout, die zo kenmerkend is voor zijn werk. Hij belicht de internering meer vanuit het oogpunt van de geïnterneerden en heeft minder aandacht voor de ‘foute’ Japanners.

 

3.1.3. Esther Captain: Racistische beschrijvingen tijdens en na de oorlog

 

Esther Captain schreef in 2002 Achter het Kawat was Nederland. Indische oorlogservaringen en -herinneringen 1942-1995, waarin zij dagboeken en memoires analyseert van mensen die de oorlog meemaakten in Japanse interneringskampen op Noord-Celebes, Sumatra en Java.

De titel van het proefschrift verwijst naar het verlangen, dat veel geïnterneerden hadden naar hun vaderland. In hun gedachten lag achter het kawat (de omheining van het kamp) Nederland en niet in de eerste plaats Nederlands-Indië. Anderzijds wijst de titel op het isolement van de Nederlandse samenleving in Indië. Deze bevond zich achter het bamboe, afgesloten van de buitenwereld. Wat dat betreft was de internering een voortzetting van de vooroorlogse verhoudingen in de Indische maatschappij: Indonesiërs en Nederlanders leefden grotendeels gescheiden van elkaar.[87]

In haar boek bespreekt Captain de manier, waarop mensen zijn omgegaan met hun internering. Zij legt de nadruk op koloniale ideeën over sekse en ras en wil weten in hoeverre deze het leven van (ex)geïnterneerden hebben bepaald.[88] Daarnaast vraagt zij zich af, hoe herinneringen aan de kamptijd na de oorlog zijn veranderd; en in hoeverre de wisselwerking tussen heden en verleden op deze ontwikkeling van invloed is geweest.[89]

Captain heeft veel aandacht voor rolomkeringen, die tot stand kwamen tijdens de internering. Zo moesten vrouwen gedurende hun gevangenschap typische mannentaken uitvoeren, zoals het beschermen van het gezin en het uitvoeren van zwaar lichamelijk werk. Mede hierdoor kon na de oorlog het beeld ontstaan van de vrouw als heldin. Het werd ingezet om het contrast tussen de ‘geëmancipeerde’ Europeanen en de ‘primitieve’ Japanners zo groot mogelijk te laten schijnen. De kampvrouw werd neergezet als kenau, die haar kinderen ten koste van alles had beschermd. De Japanners hadden niet tegen haar opgekund.[90]

Dit beeld veranderde in de jaren zeventig, toen voormalig kampkinderen de pen ter hand gingen nemen. Zij refereerden ook aan de zwaktes van hun moeder. Het bleek dat ‘achter het boegbeeld van moedige vrouwen kinderen konden schuilgaan die onder de dapperheid van hun moeder hadden geleden’.[91] Vrouwen hadden wel degelijk moeten lijden en zich opgeofferd voor anderen, maar hun optreden was ook ten koste gegaan van de zorg voor hun kinderen.

Behalve dat vrouwen mannentaken op zich moesten nemen en andersom – mannen moesten op hun beurt het huishouden gaan bijhouden – vond nog een belangrijke rolomkering plaats in het bezette Indië: de Japanners namen de Nederlanders al hun politieke, bestuurlijke en financiële macht af, terwijl de Indonesiërs juist stegen in de hiërarchie. Niet alleen bleven zij buiten de kampen en waren zij bevrijd van de Nederlandse overheersing, zij werden ook belast met de bewaking van de Nederlanders in de interneringskampen.[92] Desondanks wijzen veel geïnterneerden op de hulp, die zij kregen van de Indonesische bevolking. Zo werd door Indonesiërs veelvuldig eten de kampen binnengesmokkeld en bleven bedienden nog lang contact zoeken met hun geïnterneerde bazen. Het was deze situatie, die bij veel Nederlanders de verwachting schiep, dat na de oorlog samen met de Indonesiërs een nieuw Nederlands-Indië kon worden opgebouwd.[93]

Toen direct na de capitulatie van Japan onafhankelijkheidsstrijders Java onveilig begonnen te maken, konden veel mensen dit aanvankelijk maar moeilijk geloven. Pas in de jaren vijftig en zestig begon het tot hen door te dringen, dat een groot deel van de Indonesiërs lijnrecht tegenover hen had gestaan. Deze desillusie was één van de redenen voor de ‘stille jaren’. Praten over Indonesië en de Indonesiërs werd taboe. In de jaren zeventig werd die stilte weer doorbroken, mede dankzij de memoires van voormalig kampkinderen. Zij waren minder op de hoogte van de oude koloniale verhoudingen en daardoor geneigd een meer gelijkwaardige relatie aan te gaan met de Indonesiërs, al bleek dit in de praktijk moeilijk te realiseren.[94]

 

In Achter het kawat besteed Captain ook aandacht aan de manier waarop Japanners tijdens de oorlog worden geportretteerd. Volgens haar gebeurt dit op twee manieren. Enerzijds worden Japanners neergezet als ultieme ander, als vijand, anderzijds zijn er mensen, die zich beperken tot meer neutrale, afstandelijke beschrijvingen. Captain heeft veel dagboekfragmenten gevonden, waarin onbegrip ten opzichte van Japanners de boventoon voert. Japanners worden neergezet als schaamteloos en primitief. Mensen die persoonlijk te maken kregen met Japanners en daardoor meer inzicht opdeden in hun doen en laten, wisten vaak niet hoe zij hier mee om moesten gaan. De