De japanse en chinese politieke betrekkingen sinds 1972. In de schaduw van een onverwerkt Japans oorlogsverleden. (Chen Li)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

7 augustus 2004 was een bewogen dag. In het "Arbeidersstadion" speelden de voetbalploegen van China en Japan om de Beker van Azië, een match gewonnen door de Japanners. Zoals bij vorige gelijkaardige matchen hadden Chinese supporters met fluitjesconcerten het Japans nationaal volkslied overstemd. Deze keer kwam het na de match tot anti-Japanse demonstraties die ondanks de aanwezigheid van 16.000 politiemannen uit de hand liepen. Dit incident illustreerde hoe moeilijk de Chinese overheid het heeft om de anti-Japanse gevoelens in het land te kanaliseren.

 

Op 5 april 2005 werd in het Chinese Chengdu, Changsha, Beijing......in totaal in 28 steden betoogd uit protest tegen Japan als permanent lid van de Verenigde Naties. Op 16 april 2005 werd er in acht steden van China – waaronder Shanghai – geprotesteerd. Tienduizenden jonge betogers kwamen in de grote steden op straat. Japanse consulaten en restaurants werden bekogeld. Japanners werden hardhandig aangepakt. Een Chinese internetpetitie tegen het permanente lidmaatschap werd door 20 miljoen mensen ondertekend. De voornaamste aandachtstrekkers waren: het overdreven effect op Chinezen n.a.v. de demonstraties tegen Japan in Zuid-Korea over het betwiste Takeshima; de goedkeuring van de Japanse geschiedenisboeken die de Japanse militaire invasie in China op een nationalistische wijze interpreteren. Bovendien waren er nog andere factoren waar ze niet gelukkig mee waren. Zo was er bijvoorbeeld de opname van Taiwan als gemeenschappelijke bondgenoot van de alliantie tussen de Verenigde Staten en Japan[1]; de territoriale disputen over de Senkaku-eilanden (in het Chinees: Diaoyutai)[2] en de potentiële gasvelden in de Oost-Chinese Zee en het feit dat Japanse premiers en hun ministers herhaaldelijk het Yasukuni-schrijn bezochten. Na Zuid-Korea sloegen de betogingen van China tegen Japan over naar Hongkong. Docenten en studenten stuurden vanuit die stad brieven naar de Japanse premier Koizumi Jun’ichirô waarin ze hem voorhielden de Japanse oorlogsmisdaden niet weg te moffelen. Chinese betogers verbrandden vlaggen en vernielden Japanse auto's. Ze koelden hun woede op Japanse bedrijven en bekogelden de ambassade met stenen en flessen. De minister van Buitenlandse zaken van Japan, Nobutaka Machimura, drong bij de Chinese regering aan op excuses en eiste dat Japanse bedrijven en werknemers beschermd werden (in Beijing verblijven 7500 Japanners). Een Chinese woordvoerder van de regering stelde dat men de 'overdreven reactie van enkele individuen' niet goedkeurde, maar voegde daaraan toe dat de protesten aantonen dat Chinese burgers ‘niet tevreden zijn met de verkeerde houding van Japan tegenover de geschiedenis’. Beijing heeft Tôkyo ook geen verontschuldigingen aangeboden, niettegenstaande het feit dat premier Koizumi Jun’ichirô tijdens zijn verklaring op 22 april 2005 kenbaar maakte dat in Jakarta "diepe spijt" over de agressie van Japan in oorlogstijd bestaat en dit gevoel van spijt bestaat reeds sedert verscheidene decennia.

Het Canadese adviesbureau voor beleggers BCA liet toen weten dat de anti-Japanse protesten in China ‘zeer ernstig’ genomen moeten worden, omdat het probleem groter is dan de kwestie over Taiwan. ‘Dergelijke spanningen drijven de risico’s op, zowel mondiaal als regionaal’. Dit is in het bijzonder belangrijk voor Japan aangezien het ‘erg op China vertrouwt voor de export van kapitaalgoederen’, aldus BCA Research.[3]

 

Het conflict tussen Japan en China wordt steeds grimmiger. Volgens een onderzoek van de Japanse regering in 1980 voelde 78,6 % van de Japanners zich welwillend t.a.v. China en slechts 14,7 % niet. China’s imago veranderde onmiddellijk na het incident in 1989 op het Tiananmenplein. Toen waren er plots maar 51,6 % mensen die “vriendelijk gestemd” waren t.o.v. China en 43,1 % “negatief gestemden”. In de jaren ‘90 was er enerzijds een discussie omtrent de Straat van Taiwan en de theorie over de “dreigende”opkomst van China. Een vergelijkbaar onderzoek[4] in 2004 liet zien dat er nog slechts 37,6 % mensen “positief gestemd” waren t.o.v. China tegenover 58,2% “negatief gestemden”.

Volgens een onderzoek over de beeldvorming van Japan bij Chinezen door het ‘Instituut inzake Japanse Studies’ stelden slechts 6,3 % van de ondervraagden dat ze “positief” stonden  tegenover Japanners. 53% verklaarde resoluut negatief te staan tegenover Japan. Bovendien bestond de top drie van Chinese denkbeelden over Japan uit: “de Japanse kerselaars” (“cherry blossoms”), “de Japanse militaire invasie” en “de Fujiberg”. Het imago van Japan onder de Chinese bevolking is vrij negatief. Volgens hen vormt de militaire leider Tôjô Hideki van WO II het meest typische voorbeeld voor de Japanse mentaliteit. Zelfs zestig jaar na de oorlog is het beeld nog steeds hetzelfde.

 

In deze scriptie zal ik dieper ingaan op de politieke relaties tussen Japan en China sinds de officiële diplomatie in 1972. In eerste instantie besteed ik aandacht aan de voornaamste problemen bij de Japans-Chinese betrekkingen sinds 1972. Ik richt mij daarenboven in het bijzonder tot het historisch probleem tussen beide landen. Hete hangijzers zijn het interpreteren van het Japans oorlogsverleden in de geschiedenisboeken en de kwestie van het Yasukuni-schrijn.

Daarna ga ik in op de fundamentele redenen voor de spanningen tussen beiden. Ik geef vooral argumenten aan met betrekking tot de interpretatie van de Japanse oorlogsgeschiedenis tussen beide landen. Hierna ga ik in op de objectieve redenen, namelijk de buitenlandse en de binnenlandse politiek van beide landen; en de subjectieven redenen namelijk, het Japanse nationalisme. Dit gaat hand in hand met de theorie van de “dreiging” van China als “supermacht” tegenover de theorie van het Chinees patriotisme.

Vervolgens behandel ik het “Nieuwe Denken” van de Chinese politieke wetenschappers. Daarna ga ik een prognose schetsen van de Japans-Chinese betrekkingen in de 21ste eeuw.

 

 

DEEL I: Historische achtergrond van de politieke relatie tussen Japan en China van het begin tot het normaliseren van de diplomatie (57 n. Chr – 1972)

 

In dit hoofdstuk bespreek ik hoe de actuele politieke relatie tussen Japan en China onder

premier Tanaka Kakuei in 1972 tot stand kwam. Ik schets de verhouding en de evolutie tussen deze twee landen na de normalisatie van de diplomatie tot premier Abe Shizô in 2006 aan de macht kwam in Japan. Om hiertoe te komen moet ik eerst een historische overzicht geven van de relatie tussen de twee landen vanaf het begin tot de Meiji-periode (1867/8-1912).

 

 

1.1 De relatie tussen Japan-China van het begin tot de Meiji-periode (57 n. Chr – 1868)

 

De relatie tussen de twee landen bestond van het begin van de diplomatieke periode tot op heden uit drie fases:

De eerste fase start in 57 n.Chr. wanneer de koning van wanonanokuni[5] een diplomatieke afgezant naar de oostelijke Han stuurde en duurt tot en met de Meiji-restauratie in 1868. Tijdens deze periode had Japan kennis genomen met de glorie en de teloorgang van de opeenvolgende Chinese dynastieën, de invastie van Chinggiskhan en Khubilai in Japan en de isolatie van het land door de Edo bakufu. Maar ook in deze tijden voerde Japan de Chinese cultuur in. China was het culturele centrum. Japan trachtte enthousiast de Chinese cultuur te importeren. De relatie tussen China en Japan was die van “het sterke en het zwakke type” (Japan was zwak, China was sterk). De relaties tussen de twee landen waren gebaseerd op vriendelijke diplomatie.(Eigen vertaling van “Het beleid van Hu Jintao t.o.v. Japan”, C.L.)

 

Tijdens deze eerste fase had de relatie tussen China en Japan reeds een speciaal karakter. Gedurende eeuwen – vooral in de zesde tot de negende eeuw – heeft de Chinese cultuur een grote invloed uitgeoefend (schrift, filosofie, bestuur...), alhoewel de inbreng van de Chinese cultuur in toenemende mate gejapaniseerd werd. China had evenwel nooit aspiraties om Japan echt te onderwerpen. Alleen onder de Mongolen was er een poging tot invasie, maar de vloot werd in 1281 door de goddelijke wind (kamikaze) vernietigd.

 

 

1.2 De relatie tussen Japan en China van de Meiji-periode (1867/68-1912) tot het normaliseren van de diplomatieke betrekkingen (1972)

 

De tweede fase was vanaf de Meiji-restauratie tot de normalisatie van de Chinese- en Japanse diplomatie in 1972. Tijdens deze periode was er de de Sino-Japanse oorlog (of: Nisshin Sensô) in 1894. Vanaf 1931 tot 1945 viel Japan China binnen. De kenmerken van de relatie tussen China en Japan tijdens deze periode zijn als volgt te definiëren: Japan was het enige geïndustraliseerde land in Azië geworden. China was een half-feodaal en half-koloniaal land. In 1949 werd China uiteindelijk onafhankelijk. De relatie tussen China en Japan was die van “het sterke en het zwakke type”. (Japan was sterk, China was zwak). De twee landen raakten voor een lange periode in oorlogstoestand.

In 1949 werd de Volksrepubliek China opgericht. In 1952 werd Japan ook onafhankelijk. Tussen deze twee onafhankelijke landen werd als voorwaarde gesteld dat beide landen diplomatieke betrekkingen zouden onderhouden op gelijke voet. Vanaf de jaren ’50 tot ’60 waren de Chinees-Japanse betrekkingen echter fundamenteel vijandig en zelfs verbroken met uitzondering van een aantal beperkte uitwisselingen in de private sector van de twee landen. Omdat het normaliseren van de diplomatieke betrekkingen tussen China en Japan in 1972 een realiteit werd, ontstond uiteindelijk een uitwisseling tussen de twee landen.(Eigen vertaling van “Het beleid van Hu Jintao t.o.v. Japan” C.L.)

 

Vanaf de Meiji-restauratie, wanneer Japan ook territoriale expansie nastreefde, werd de relatie gespannen en vaak vijandig. Op 1 augustus brak de de eerste Sino-Japanse oorlog (Nisshin Sensô) uit. Zowel te land als ter zee bleek Japan de sterkste te zijn. In april 1895 werd het Verdrag van Shimonoseki ( Shimonoseki Jôyaku) ondertekend. China moest[6]:

 

In het begin van de twintigste eeuw begon Japan in toenemende mate te veranderen. De traditionele gevoelens van superioriteit – Shinkoku als goddelijk land – werden opnieuw gedefinieerd in een modern nauwelijks verholen racisme. Het woord ‘Shina’ in het Japans werd nu opnieuw gebruikt in sommige publicaties van de rechts- conservatieve nationalisten. Het woord is als “iets wat erger klonk dan ‘jood’ in de mond van een Europeaan.[7]

Tijdens de Eerste Wereldoorlog krijgt Japan de kans om haar belangen in Oost-Azië uit te breiden. Op 18 januari 1915 richt Japan de ’21 eisen’ tot China. Dit is een poging om China onder controle te krijgen. Hierin eist Japan onder meer dat:

 

In de eerste jaren van de Shôwa-periode (1926-1989) heerst er een economische depressie in Japan door de beurscrash van de VS in 1929. Daarnaast kampt Japan met het probleem van overbevolking. De Japanners leven in de veronderstelling dat beide problemen opgelost kunnen worden door een gebiedsuitbreiding. De regering tracht de moeilijke tijden te verzachten door een invasie in het Chinese vasteland. In de nacht van 18 op 19 september 1931 vallen leden van het Japanse Guandong-leger of kantôgun zonder medeweten van het hoofdkwartier in Tôkyô het Chinees garnizoen in Mukden aan. Als voorwendsel gebruiken ze de  zogezegde Chinese poging om de spoorlijn ten Noorden van de stad te vernielen. Ondanks tegenstand van de regering en de militaire top in Tôkyô zet het Guandong-leger zijn veroveringen in Mantsjoerije verder. In februari 1932 wordt de vazalstaat Manshûkoku gesticht. In maart 1934 wordt Puyi (1906-1967), de laatste keizer van de Chinese Qing-dynastie, aangesteld als keizer van Manshûkoku. Door de tegenstand van de internationale gemeenschap voelt Japan de noodzaak zich in maart 1933 terug te trekken uit Manshûkoku. Daarop volgt een massale invasie in China onder het mom van ‘Azië bevrijden van de Westerse invloed’. Op 7 juli 1937 is er een incident tussen Chinese en Japanse militairen op de Marco Polo-brug nabij Beijing. Daarna valt Japan op 13 december 1937 Nanjing binnen. Dit incident wordt in China “Het bloedbad van Nanjing” genoemd. In augustus 1940 verkondigt Japan het idee van een ‘Greater East Asia Co-Prosperity Sphere’ of Daitôa kyôeiken. De opzet is het stichten van een groot pan-Aziatisch rijk, waarbij Japan, Manshûkoku, Korea en China de industriële basis vormen en de Zuidoost-Aziatische landen de vereiste grondstoffen leveren en tevens een enorme afzetmarkt garanderen. Tijdens de tweede Sino-Japanse oorlog (vanaf ’37 tot ’45) kwamen naar schatting 15 à 30 miljoen Chinezen om, met als tragisch dieptepunt de massamoord in Nanjing, waar 150 000 tot 300 000 burgers werden afgeslacht in 7 weken tijd. De materiële schade is bovendien niet te berekenen. Na de ‘Grote Oost-Aziatische Oorlog’ – in  het Japans de zogenaamde daitôa sensô – die de toenmalige Japanse regering als een bevrijdingsstrijd verkondigde verliep de relatie tussen beide landen vijandig. In 1972 werd de diplomatieke relatie met China hersteld, hoewel er pas in oktober 1978 officieel een eind kwam aan de Sino-Japanse Oorlog.

 

 

DEEL II: Het Japans-Chinese buitenlands beleid van 1972 tot 2006

 

“The purpose of foreign policy is not to provide an outlet for our own sentiments of hope or indignation; it is to shape real events in a real world”.

-John Fitzgerald Kennedy

 

 

Veiligheid en buitenlandse zaken gaan hand in hand. Volgens Von Clausewitz[8] is diplomatie een andere manier van oorlog voeren. Oorlogsvoering stopt waar diplomatie begint. Nochtans stopt het conflict niet als men de wapens neerlegt. Diplomatie en oorlog zijn beiden vormen van conflict. Het ene is gewelddadig en het andere niet. Het gebrek aan diplomatieke betrekkingen betekent steeds conflict: de VS en Iran zijn daar perfecte voorbeelden van. Ze hadden geen directe diplomatieke relaties maar werden geholpen door de diensten van Zwitserland, die tussenbeide kwamen om het geweld tegen te houden.[9] Tussen Japan en China is er een gelijkaardige situatie. In de schaduw van het onverwerkte Japanse oorlogsverleden, raakten de Japans-Chinese diplomatieke betrekkingen verbroken. Naar aanleiding van de ‘Nixon-schok’ werd de normalisatie van de staatsbetrekkingen een feit.

 

 

2.1 Japans-Chinese historische gezamenlijke verklaring van 1972: het normaliseren van de diplomatieke relatie

 

Het hernemen van de diplomatie begon met het beroemde Nixon Shokku of  de “Nixon-schok”. De “Nixon-schok” is het verrassingsbezoek in 1971 van Richard Nixon aan China dat de plotse verzoening tussen China en Amerika tot gevolg had. De Eerste minister Tanaka Kakuei reisde in 1972 naar China. Dit bezoek heeft geleid tot de ondertekening van een gezamenlijke verklaring (Gezamenlijk Communiqué van de Regering van Japan en de Regering van de Volksrepubliek China) op 29 september 1972. Hiermee werd vijandschap en onderlinge wrijving van bijna tachtig jaar beëindigd en werden diplomatieke betrekkingen  tussen de twee staten hersteld. In deze verklaring erkende Tôkyô de overheid van Beijing, én bovendien erkende men dat Taiwan een wettelijk deel van China is. De eisen van oorlogsherstellingen bedragen een equivalent van 50 miljard US-dollar. Japan en China kwamen ook overeen om een verdrag van vrede, vriendschap en handel af te sluiten.

 

‘Het Verdrag van Vrede en Vriendschap tussen Japan en de Volksrepubliek China’ werd ondertekend op 12 augustus en werd uitgevoerd op 23 oktober 1978. Het hernemen van de diplomatie betekent ook dat de de VS, China en Japan nu allen onder één dak zitten en samen een strategisch bondgenootschap vormen tegen de Sovjet-Unie.[10] Het partnerschap tussen Japan, China en de VS is stabiel gebleven tot de ineenstorting van de Sovjet-Unie op het einde van de Koude Oorlog.[11]

 

 

2.2 Algemene internationaal-politieke ontwikkelingen van Japan en China

 

Japan’s globale buitenlandse politieke agenda wordt bepaald door zijn nood aan veiligheid. Japan en China zitten in het Noordoost-aziatisch veiligheidscomplex. Dit complex heeft zes belangrijke leden: Japan, China, Noord- en Zuid-Korea en Rusland en de Verenigde Staten. Deze laatste als de globaal hegemonische macht met aanzienlijke belangen in de regio inclusief de voorwaarts ingezette troepen in Zuid-Korea en Japan. Taiwan en ASEAN zijn ook lid maar de drie belangrijkste leden van dit geheel zijn Japan, China en de Verenigde Staten[12].

 

2.2.1 Japan-V.S.-China tijdens de Koude Oorlog periode (1972-1989/91)

 

Japan is een semi-souvereine staat die inzake politiek en veiligheid afhangt van de V.S. met een zwakke geopolitieke positie. Na de Tweede Wereldoorlog bouwde Japan reeds een dichte politiek-militaire verhouding met de Verenigde Staten op bij de controle van de Sovjetuitbreiding. De Japanse defensiebegroting groeide en Japan werd meer en meer actief in het verlenen van buitenlandse hulp aan landen van strategisch belang.

In de jaren 70 en 80 werd een nieuwe machtsverhouding in Noordoost-Azië noodzakelijk. Ten eerste werd de diplomatieke betrekking tussen de Verenigde Staten en China genormaliseerd in 1971. Ten tweede werd de mogelijke uitbreiding van de militaire macht van de Sovjet-Unie tegengehouden. Ten derde waren de Amerikaanse troepen in Japan verminderd door de Koreaanse oorlog. Hiermee is het drieledige bondgenootschap tussen Japan-V.S.-China tegenover de Sovjet-Unie na de “Nixon schok”en het normaliseren van de diplomatieke betrekkingen tussen Japan en China in 1972 tot stand gekomen. De relatie V.S.-Japan enerzijds en de relatie China-Verenigde Staten anderzijds zijn de belangrijkste bilaterale relaties in de wereld. Het drieledig bondgenootschap zorgde voor relatieve stabiele Japans-Chinese diplomatieke betrekkingen vanaf het normaliseren van de diplomatie tot de ineenstorting van de Sovjet- Unie in 1991 en het incident van Tiananmen in 1989.

 

Veel geleerden zien de relatie tussen V.S.-Japan-China als een bondgenootschap, waarin de drie machten tegenover elkaar balanceren. Japan heeft grote economische belangen en investeringen in China. Deze laatste wenst dat deze investeringen qua kapitaal en technologie voortduren en wil dus een goede relatie met Japan. China is een zeer grote militaire en nucleaire macht met intercontinentale raketten. Het is ook een permanent lid van de V.N.- Veiligheidsraad. Op het eerste zicht is de combinatie van politieke macht, omvang en militaire sterkte een aantrekkelijk alternatief voor de V.S. en Japan. Maar het onverwerkte Japanse oorlogsverleden blijft nog steeds een schaduw werpen op de Japans-Chinese staatsrelatie. In het belang van beiden vermijden Japan en China tijdens de Koude Oorlog om oude wonden open te rijten. Na het verdwijnen van de gemeenschappelijke bedreiging van Sovjet-Unie als grootmacht, steekt het historische probleem opnieuw de kop op. 

 

2.2.2 Japan -V.S. en China in de jaren ‘90

 

Bij de keuze van de bondgenoten in Oost-Azië is China voor Japan normaal gezien de eerste keuze omdat het één derde van de Noord-aziatische veiligheidsdriehoek omvat. Maar sinds de jaren ‘90 is er een bijkomende moeilijkheid opgedoken nl. het fenomeen “het opkomende China en het stagnerende Japan”. Over de vraag hoe in Japan op de Chinese opkomst wordt gereageerd, zijn de meningen verdeeld.

Enerzijds beschouwen de rechts-conservatieve politici de “supermacht” China als een bedreiging en vrezen zij dat ze een ambitieuze regionale overheerser zal worden. Ze geloven zelfs dat het een moderne koloniale macht in negentiende-eeuwse stijl zou worden.  Als China een goede bondgenoot van Japan wordt, zal Japan in ieder geval het “kleine broertje” zijn. Japan zou een enorme politieke tol moeten betalen, en zijn trots zou geschaad zijn. De rechts-conservatieve dominante LDP zou ook geconfronteerd worden met zijn standpunt tegenover het oorlogsverleden in China. Een hoge ambtenaar van het Japanse ministerie van Buitenlandse Zaken beschreef de Chinese woede op Japanse oorlogsdaden in WO II naar aanleiding van een interview: “misunderstanding that frustrates the Japanese people [because of China’s lack of understanding as to what Japan’s real intentions were” [13]. Dat is ook één van de redenen waarom China het veiligheidsverdrag tusssen de V.S. en Japan stilzwijgend accepteert. Japan vreest ook inkijk van buitenaf als het een nauwe samenwerking zou hebben in een Sino-Europees verbond.

Anderzijds willen sommige Japanners economische samenwerking met China nastreven. Japan wil dus zijn alliantie met de V.S. behouden bij het behandelen van het globaal strategisch belang en de spanning met China verminderen.

Kortom, na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en de incidenten op- en rond Tiananmen (het Plein van de Hemelse Vrede) in 1989, werd de machtsverhouding tussen de bondgenoten Japan en de Verenigde Staten enerzijds en China anderzijds gevormd.

 

2.2.3 Japan-V.S. en Chinees multipolair beleid na 11 september 2001

 

Om de “War on terror” (bestrijding van terrorisme) van de V.S. te steunen, stuurde de regering Koizumi de zogenaamde Japanse verdedigingstroepen naar Irak na 11 september 2001. Hiermee versterkte Japan zijn bondgenootschap met de V.S. en speelde een  internationale rol. Bij de stijgende spanningen met Noord-Korea wou de rechts-conservatieve regering van Koizumi de Pacifistitische grondwet uit 1946 herzien en het befaamde artikel 9 van de grondwet afschaffen. Om de Japanse veiligheid te versterken zorgden de twee bondgenoten er ook voor dat Taiwan mee onder de paraplu van de “U.S.-Japan Joint Defense” stapte, want zoals hierboven vermeld behoort Taiwan in de marge ook tot het Japanse veiligheidscomplex. Hoe ziet het Chinees internationaal beleid daarentegen na de aanslagen van 11 september er uit? China kiest voor een flexibel beleid. Na de toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie in 2001, betracht China nauwe betrekkingen met verschillende internationale organisaties, in het bijzonder met de Europese Unie. In 2004 neemt de Europese Unie de plaats in van Japan en wordt de grootste handelspartner van China. Terwijl China voor Japan de grootste handelspartner blijft. Verder participeert China aan multilaterale fora en internationale gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties, zoals het ASEAN Regional Forum. China geeft bovendien leiding aan de zes-partijenbesprekingen over Noord-Korea. Kortom, China wil “vreedzaam opkomen”, samenwerken met talrijke andere landen, streven naar vrede en welvaart, samen met Japan-V.S. bondgenoten.

 

 

DEEL III: De Japans-Chinese politieke betrekkingen vanaf het normaliseren van de  diplomatie tot en met de Koizumi periode ( 1972-2006)

 

3.1 Samenvatting van de Japans-Chinese relatie tijdens de pre-koizumi Jun’ichirô periode ( 1972-2001).

 

Van 1946 tot 1972 zijn de diplomatieke betrekkingen tussen Japan en China op een historisch dieptepunt beland. Er is geen diplomatie tussen beide landen, want Japan had zich tijdens zijn bezetting van China (1937-1945) schuldig gemaakt aan vele wandaden tegenover het Chinese volk, vooral tijdens het bloedbad van Nanjing in 1937. De verhoudingen tussen beide landen worden tot op heden getekend door dit verleden.

 

3.1.1 Japans-Chinese historische gezamenlijke verklaring van 1972: Het keerpunt van de Japans-Chinese diplomatieke betrekking.

 

Na het normaliseren van de staatsbetrekkingen groeit de Chinees-Japanse handel snel.  In januari 1974 komt een driejarig handelsakkoord tot stand. In april 1978 komt er een geschil omtrent de Senkaku-eilanden (Chinese benaming: Diaoyutai)[14].

Het hernemen van de diplomatie betekent ook dat de V.S., China en Japan nu allen een nieuw strategisch bondgenootschap vormen tegen de Sovjet-Unie[15]. Het partnerschap tussen Japan, China en de V.S. is stabiel gebleven tot de ineenstorting van de Sovjet-Unie op het einde van de Koude Oorlog.

Onder het bondgenootschap wordt de modernisering van China als heilzaam aanzien. De normalisering van de buitenlandse betrekkingen zorgt ook voor een goed klimaat tussen beide landen, tenminste op economisch vlak. Op diplomatiek niveau blijft het er eerder koeltjes aan toegaan. De handel tussen beiden explodeert als het ware.

 

3.1.2 Ontwikkeling van wederzijdse belangen (de jaren ’80)

 

Onder eerste minister Nakasone Yasuhiro bouwt Japan een dichte politiek-militaire verhouding met de Verenigde Staten op bij de controle over de Sovjet-Unie. De Japanse defensiebegroting groeit, en Japan wordt meer en meer actief in het verlenen van buitenlandse hulp. In 1982 zijn er eerst tal van rellen over Japanse geschiedenisboeken die de invasies van Japan in de jaren '30 en '40 minimaliseerden en verbloemden. Bij de gewone Chinese burger is die revisie van de Japanse geschiedenisboeken natuurlijk onaanvaardbaar. Op 21 april, 15 augustus en 18 oktober 1983 brengt de premier een bezoek  aan het Yasukunischrijn (waar oorlogscriminelen vereerd worden). Premier Nakasone Yasuhiro was de eerste premier sinds Wereldoorlog II, die officieel het Yasukuni-schrijn bezocht. Peking maakt zich zorgen over de mogelijke heropleving van het Japans militarisme. Midden 1983 beslist het de banden met Japan hard te maken. De groei van Sovjet’s militaire macht in Oost-Azië in de vroege jaren '80 zet China en Japan ertoe aan om samen te werken inzake veiligheidskwesties, te waken over de Sovjet-invloed en zo de regionale stabiliteit te bevorderen. Het wederzijds economisch belang versterkt de Chinees-Japanse relatie en het vasteland China wordt de zesde grootste handelspartner van Japan. Japan beschouwt China als significante bron van grondstoffen. Voorzitter CCP Hu Yaobang van Japan beantwoordt het bezoek van Nakasone in 1986. In 1989 zijn er ook in China allerhande gebeurtenissen die de fragiele band tussen beide landen dreigen te verbreken. Vooral de verwijdering van de partij van Hu Yaobang in 1987 is schadelijk voor een vlotte relatie tussen China en Japan omdat Hu persoonlijke banden met Nakasone en andere Japanse leiders heeft opgebouwd. De zware onderdrukking van studentenprotesten door de Chinese regering op en rond het Tiananmenplein of het Plein van de Hemelse Vrede lokt wereldwijd zwaar protest uit. Japan reageert met het intrekken van financiële hulp (ODA)[16] maar isoleert China niet. In de jaren ’80 boekt de Chinees-Japanse relatie aldus aanzienlijke vooruitgang.

 

3.1.3 Een opkomend China en een stagnerend Japan (jaren ’90)

 

Rond 1990 werkte Japan samen met de Verenigde Staten als bondgenoot bij het behartigen van het globaal strategisch belang. Na de ineenstorting van de Sovjet-Unie en de incidenten op en rond Tiananmen (het Plein van de Hemelse Vrede) in 1989, wordt een machtsverhouding gevormd tussen de bondgenoten Japan en de Verenigde Staten enerzijds en China anderzijds. Sedert 1989 verandert Japan zijn houding tegenover China. Dit is te wijten aan drie factoren: 

 

Vooreerst is er de economische frustratie van Japan. Onder de CCP- leider Deng Xiaoping werpt China de revolutionaire ideologie overboord en wil snelle economische groei . In de jaren ‘90 komt Japan terecht in een economische recessie. LDP is verzwakt en de oppositiepartijen kunnen deze recessie het evenmin oplossen.

 

Ten tweede is er de verandering van de binnenlandse politiek in Japan: de pro-China politici van de toenmalige Tanaka-regering waren niet langer van belang bij het ontleden van de Japanse politiek.

 

Ten derde wordt het Ministerie van Buitenlandse Zaken beïnvloed door de anti-Chinese ideeën van het Bureau voor Noordamerikaanse Zaken wegens de banden inzake veiligheid met de V.S.. Japan is een semi-souvereine staat die qua politiek en veiligheid afhangt van de V.S. en een zwakke geopolitieke positie heeft.

 

Niettemin kent in de jaren 90 de handel tussen beide landen weer een grote bloei. Dit weerspiegelt zich in latere diplomatieke betrekkingen. Keizer Akihito bezoekt China in oktober 1992, en verwoordt er dat een goeie band tussen Japan en China essentiëel is voor de toekomst van Oost-Azië. Het bezoek geeft een duidelijke aanwijzing dat Japan dichtere banden met China in zijn economisch en strategisch belang overweegt.

In 1995 ontvangt China van premier Murayama Tomiichi een officiële verontschuldiging voor de wandaden die het Japanse leger beging in China en de rest van Oost-Azië tijdens de tweede Sino-Japanse oorlog. Maar binnen de LDP zijn er nog altijd verschillende meningen omtrent de toespraak van premier Murayama. Dit gaat zo door tot in de late ’90-er jaren. In mei en  augustus 1995 voert China ondergrondse nucleaire testen uit. Zo wordt er weer gesproken over de potentiële dreiging van China. Bovendien voert Beijing in 1995 en 1996 ook testen met kruisraketten in de Straat van Taiwan om Taipei te intimideren. In 1996 bouwt een rechtse Japanse organisatie een vuurtoren op Senkaku-eiland.

In november1998 bezoekt president Jiang Zemin Tôkyô. Jiang bekritiseert Tôkyô tijdens zijn bezoek aan Japan door herhaaldelijk over het verleden te spreken. Hij vraagt ondermeer een schriftelijk excuus voor de Japanse oorlogsmisdaden tegen China en een stimulans voor “de drie nee’s” tegeover Taiwan. De Japanse publieke opinie en de media laten zich negatief uit over het staatsbezoek. Een pragmatisch aanpak van China t.a.v. Japan is dan het bezoek van eerste minister Zhu Rongji in 2000. Tijdens zijn bezoek neemt Zhu een houding van “smiling diplomatie”aan, hij minimaliseert de historische problemen.

Na het Tiananmen-incident proberen de westerse landen de VRC te isoleren. Japan staat aan het hoofd van geïndustrialiseerde landen bij het herstel van een dichte economische en politieke relatie met China, hervat de hulp van miljoenen dollars ((ODA) aan China en verhoogt zijn bezoeken aan China. Kortom, in de jaren ’90 kenmerkt de relatie tussen Japan en China zich door het fundamentele fenomeen: een opkomend China en een stagnerend Japan. China is zich aan het ontwikkelen en is zijn plaats aan het opeisen op de internationale en politieke scène. Het brandpunt van Japan en de V.S. verplaatst zich nu meer naar China in Oost-Azië.

 

 

3.2 De relatie tussen Japan en China onder premier Koizumi Jun’ichirô (2001-2006)

 

In april 2001 wordt Koizumi Jun’ichiro eerste minister. Hij promoot de U.S.-Japan veiligheidsrelatie, legt zijn  prioriteit niet in Azië maar in China.

Na de aanslag van 11 september 2001 stuurt hij manschappen naar Irak om het bondgenootschap met Amerika te versterken. Hij wil van Japan een invloedrijke politieke speler maken op wereldniveau door het een vaste zit in de V.N.-Veiligheidsraad  te proberen bezorgen, maar China heeft zijn veto uitgesproken tegen de Japanse toetreding als antwoord op zijn nationalistische tendenzen.  Koizumi brengt vijf bezoeken aan het Yasukuni-schrijn (Yasukuni jinjia) en verwacht hierbij de steun van the Japan Bereaved Families’ Association of de Oorlogsvereniging voor families van Oorlogsslachtoffers (Nihon Izoku-kai). In het schrijn eert men de zielen van 2,5 miljoen Japanse gesneuvelden, waaronder die van veertien oorlogsmisdadigers uit de Tweede Wereldoorlog. Daarnaast leidt de herziening van de Japanse geschiedenisboeken tot felle anti-Japan demonstraties in China. De passage waarin gesproken wordt over ‘een groot aantal Chinezen’ die gedood zijn bij de Japanse verovering van Nanjing in 1937, vindt China veel te eufemistisch. De schatting van het aantal doden variëert tussen 150.000 en 300.000. Onder Koizumi zijn de Japans-Chinese politieke betrekkingen verslechterd. In 2001 geeft Tôkyô Lee Teng-hui, voormalig president een visum om zich in een Japanse kliniek te laten verzorgen. Het handelsconflict in de lente van 2001 voegdtn nieuwe negatieve elementen toe aan de bilaterale relatie. In mei 2002 heeft de Chinese politie Noord-Koreanen die asiel aanvroegen in het Japans consulaat in Shenyang opgepakt. Dat zet kwaad bloed en tast de geloofwaardigheid aan van het ministerie van Buitenlandse Zaken. Als China met een nucleaire onderzeeër de Japanse Wateren binnendringt in november 2004, vindt 59 % van de mensen in Japan dat er een slechte verhouding bestaat tussen China en Japan, 71% wantrouwt China. Afgezien van deze moeilijkheden en onzekerheid werken China en Japan op economisch gebied toch intensief samen. De bilaterale handel bedraagt in 2004 zo’n 150 miljard dollar. Daarmee heeft China de Verenigde Staten   als grootste handelspartner van Japan overtroffen. Kortom, onder Koizumi kende de Sino-Japanse relatie een negatieve wending.

In oktober 2006 is premier Abe Shizô aan de macht gekomen. Het feit dat hij tijdens zijn verkiezingscampagne beloofde om te proberen de relaties met China te verbeteren wijst er op dat hij een pragmatische riching zou hanteren nl. dat politiek nooit in de weg mag staan van economie. Met andere woorden, het Japanse politieke beleid ondermeer t.o.v. China mag de Japanse economie niet hinderen.

 

 

DEEL IV: De voornaamste politieke problemen van de Japans-Chinese relaties sinds 1972

 

4.1 Het fenomeen van “koude politiek en warme economie”: nood aan elkaar en toch ook elkaar afstoten

 

Voor anderhalve eeuw zag Japan een verzwakt China t.g.v oorlogen en de gevolgen van de Grote Sprong Voorwaarts, de Culturele revolutie waarbij de klassetrijd centraal werd geplaatst, terwijl de economie verdrukt werd. Daarentegen kende Japan sinds het Meiji-tijdperk een snelle modernisering na zijn falen in WO II en stond het aan de leiding. De Japannners waren voor méér dan een eeuw gewoon aan het fenomeen van een sterk Japan tegenover een zwak China.

 

Sinds 1980 groeit de Chinese economie gemiddeld met 9 à 10 % (of zelfs iets meer) per jaar, terwijl de Japanse jaarlijkse economische groei stagneert of gemiddeld juist boven of zelfs beneden de nulgroei staat(zie fig 0.1)[17]. Recente prognoses stellen dat China tegen 2020 dezelfde economische omvang zal  hebben als de Verenigde Staten nu. China begint a.h.w. de “Fabriek van de wereld” te worden. Als dat zo doorgaat zal het geologisch en politiek landschap van Oost-Azië er over twintig jaar helemaal anders uitzien. Door de globalisatie is China in het voordeel , en dit niet alleen met de arbeidsintensieve textielindustrie maar ook over heel de lijn IT-industrie inbegrepen (fig 02)[18]. Het is niet te verwonderen dat de vooruitgang van China ook negatieve gevoelens gewekt heeft bij de Japanse elite, de media enz.(fig 0,6). Men ziet er een bedreiging in voor Japan. Toch zien veel Japanners China als een grote kans voor Japanse investeringen en handel (fig 03)[19]. Sinds 2003 heeft de import uit Japan die van V.S. overtroffen (fig 04)[20]. Ook de Japans FDI (investeringen) zijn beduidend gestegen (Fig.0.5)[21].

 

De bilaterale banden tussen beiden zijn complex en hebben vele gezichten. Deze dualiteit van het fenomeen van “koude politiek en warme economie” kan als volgt verklaard worden:

De economische opkomst van China en stagnering van Japan. Vormt China een militaire dreiging voor Japan of is China aan het vreedzaam opkomen? 2)De vergroting van economische wederzijdse afhankelijkheid door de globalisatie. Zolang China aan het ‘opkomen’ is, kan het dit niet zonder Japan, en China’s economische groei is de sleutel tot het behoeden van Japan voor economische stagnering. Beide landen kunnen zich dus geen confrontatie veroorloven. Bovendien is het ook nodig voor Japan om een goede samenwerking met China te hebben om het  Noord-Koreaprobleem op te lossen. Economisch gezien gaan de twee supermachten ook regelmatig met elkaar op de vuist hoewel ze sterke economische banden hebben met elkaar. Dit land is ondertussen al een grotere exporteur dan Japan. Niet alleen het exporteren van producten is een punt van concurrentie tussen de twee landen, Ook territoriale conflicten, het gaat hem hier vooral over grondstoffen die er aanwezig zijn zoals olie en gas. Beiden zijn essentieel voor economische groei. China heeft veel grondstoffen nodig om zijn snelle economische groei te ondersteunen en verder te kunnen zetten. Japan is ook één van de grootste olie- en gasverbruikers ter wereld. Een oplossing voor deze problemen is nog niet in zicht. Met de toenemende invloed van China neemt ook de rivaliteit tussen Peking en Tôkyô toe. Zoals reeds eerder vermeld, vreest Japan een Chinese dominantie, waardoor Japan zijn leidende economische rol in Azië zou verliezen in het voordeel van China. Natuurlijk brengt dit nog meer stress bij de Sino-Japanse relaties. Dat uit zich onder meer in gespannen diplomatieke verhoudingen. De laatste twee jaar zitten de buurlanden met een problematiek in het Japanse permanente lidschap bij het V.N.-Veiligheidsraad, oliecontracten in Centraal-Azië en Afrika en fossiele brandstoffen in de Oost-Chinese Zee en historische problemen. Terwijl de economische verhouding goed blijft: Japan voorziet China van technologie terwijl China aan Japan producten levert die deze niet meer zelf vervaardigt. Na verloop van tijd zal China voor Japan de belangrijkste handelspartner worden. Hoewel ze dus economisch concurrenten zijn, kunnen ze ook niet zonder elkaar. Deze nood aan elkaar en toch ook elkaar afstoten lijkt als een rode draad door de Sino-Japanse relaties te lopen.

 

 

4.2 De problematiek van het Japanse permanente lidschap bij het V.N-Veiligheidsraad

 

De Chinese premier Wen Jiabao verklaarde op een persconferentie dat Japan ‘de geschiedenis vierkant onder ogen moet zien’. De Chinese betogingen van april 2005 tegen een geschiedenisboek, waarin Japan begane oorlogsmisdaden wegmoffelt of bagatelliseert, zouden volgens Wen voor Japan aanleiding moeten zijn voor de overweging om een permanente zetel in de Veiligheidsraad van de VN te heroverwegen.

“De respons van het volk zou de Japanse regering moeten dwingen tot diepgaand zelfonderzoek...alleen een land dat de geschiedenis respecteert en het vertrouwen wint van de bevolking in Azië en de wereld, kan een zware verantwoordelijkheid dragen in de internationale gemeenschap.”[22]

Volgens premier Wen Jiabao is Japan niet klaar voor een plaats in de VN-Veiligheidsraad als het niet met een eerlijke blik naar zijn eigen geschiedenis kan kijken.

Alleen een land dat de geschiedenis respecteert, neemt verantwoordelijkheid voor het verleden en wint zo het vertrouwen van de mensen in Azië.”[23]

 

 

4.3 Energieconflicten: Gas- en olievoorraden in de Senkaku-eilanden en de Siberische oliepijplijn

 

Voor 2005 raken China en Japan in territoriale conflicten over de Senkaku-eilanden (zie voetnoet 2) doordat Japan die eilanden bij hun grondgebied rekent. Bijgevolg heeft Japan  een excuus om zijn exclusieve economische zone te laten rekenen. Want in het gebied liggen vooral de gas- en olievoorraden. Japan heeft 40 jaar lang geweigerd om toestemming te geven voor het boren in dat gebied.

Verder is er een conflict omtrent de pijplijn in Oost-Siberië. Oorspronkelijk zou deze veel korter zijn en eindigen in Skovorodino, een Siberische stad op 37 mijl van de Chinese grens en dan verder gaan in de richting van Noord-China. In een latere variant zou men de pijplijn splitsen in Skovorodino, waarbij één derde van de olie naar China zou gaan, terwijl de rest zou afgeleid worden naar Vostochny en de open markt. Uiteindelijk biedt Japan echter hogere prijzen dan China om de hele voorraad ter beschikking te hebben. Het zijn ook voorraden waar anderen in geïnteresseerd zijn om hun groeiende economieën te ondersteunen. Met haar snelle industriële expansie en een jaarlijkse economische groei van 8 à 9%per jaar is China sinds 2003 de tweede-grootste olieverbruiker ter wereld na de VS. De vraag naar olie zal er tegen 2025 meer dan verdubbelen. China is sinds 1993 een importeur van olie en was tussen 2000 en 2004 goed voor 37% van de globale toename in vraag naar olie; dit is geen irrelevante factor in de globale oliemarkt. Hoewel het gebruik ervan er eerder op een laag pitje staat, kent China sinds begin 2004 ook een merkbare toename in de vraag naar aardgas. Het aardgasverbruik, dat nu 3% van de energiebehoeften dekt, zou tegen 2010 moeten verdubbelen. China’s eigen petroleumwinning heeft haar grens bereikt en kent vanaf 2003 zelfs een zekere stagnatie, al zijn er mogelijk nog onontgonnen reserves in de provincie Xinjiang. Hoe dan ook, het is voor 90% van haar petroleum en 63% van haar gas afhankelijk van import[24].

Maar China kan niet op tegen de financiële kracht van Japan en Rusland  en is er huiverig voor om afhankelijk te zijn van één koper. Japan biedt 7 miljard dollar aan goedkope leningen voor de constructie van de pijplijn en nog eens miljarden meer om Japanse oliebedrijven te stimuleren om petroleum te winnen in Oost-Siberië. Door de hele pijplijn in de richting van de Japanse Zee af te leiden, zou Japan met 1,6 miljoen vaten per dag voor zijn oliebevoorraading zorgen.

Omdat zowel China als Japan voor hun oliebevoorrading voor 75 procent steunen op het Midden-Oosten, hebben beide landen een hevige strijd geleverd voor de grootste en duurste oliepijplijn van de wereld. Uiteindelijk sloot Rusland het contract met Japan, de tweede- grootste importeur van olie in de wereld.

 

 

4.4 De problemen van het Japanse onverwerkte oorlogsverleden: geen goede oplossing in zicht

 

Een onderzoek rond de historische problemen betekent uiteraard een studie van de argumenten. Vooreerst zijn er de feiten. Daarna ga ik in op het analyseren ervan[25].

 

4 november 1948:

25 criminelen van de A-klasse worden door het internationale militaire gerechtshof in het VerreOosten schuldig bevonden, 7 worden ter dood veroordeeld en 16 krijgen levenslang. Van de 70 Japanners die voor misdaden van klasse A zijn aangehouden, worden er slechts 28 terechtgesteld. Alle niet veroordeelde misdadigers van klasse A worden in 1948 in vrijheid gesteld. De meesten van hen keren onmiddellijk terug naar de Japanse politieke arena. In december 1958 wordt de laatste Japanse oorlogsmisdadiger vrijgelaten.

 

december 1954:

Mamoru SHIGEMITSU wordt Japans minister van Buitenlandse Zaken. SHIGEMITSU was vroeger minister van buitenlandse zaken in het Tôjô-kabinet en was een tot 7 jaar veroordeelde schuldig bevonden oorlogsmisdadiger van klasse A.

 

1956:

Nobusuke KISHI wordt Japans minister van Buitenlandse Zaken. Hij diendt als minister van Handel en Industrie en als vice-minister van Munitie in het Tôjô-kabinet. Nobusuke KISHI werd als oorlogsmisdadiger van klasse A aangeklaagd, maar zonder proces in 1948 vrijgelaten. Op 25 februari 1957 wordt hij minister-president van Japan (1957-60).

1960:
Er wordt een publiek monument opgericht, met de inscriptie “Tombe van de Zeven Martelaren in Japan “, ter ere van de zeven oorlogsmisdadigers van klasse A die door het Internationaal militair Gerechtshof  in Het Verre Oosten ter dood werden veroordeeld.

 

12 juni 1965:

Professor Saburo IENAGA van de Tôkyo Universiteit van Onderwijs poneert een rechtszaak tegen de Japanse minister van Onderwijs voor het onwettig doorlichten van de referenties naar het bloedbad van Nanjing in 1937 in zijn geschiedenishandboeken. Professor IENAGA werd sinds het einde van de jaren ‘50 door het ministerie van Onderwijs verplicht steeds weer zijn handboek te herzien .

 

17 oktober 1978:

De zeven geëxecuteerde oorlogsmisdadigers van klasse A worden in het Yasukuni-schrijn geborgen. Het Yasukuni-schrijn is Japans nationaal schrijn om de goddelijke geesten te vereren van de Japanse oorlogsdoden die zich hebben opgeofferd voor Japan.

 

Juni 1982:

Het Japanse ministerie van Onderwijs en Cultuur verdraait de geschiedenis over de Japanse invasie van China middels het Japanse doorlichtingssysteem van handboeken.

 

15 augustus 1985:

Op de 40ste gedenkdag van de Japans overgave woont Yasuhiro NAKASONE, in zijn officiële functie van minister-president van Japan, een eredienst bij aan het Yasukuni-schrijn. NAKASONE is de eerste naoorlogse Japanse minister-president die op die manier hulde  bewijst.

 

April 1988:

Seisuko OKUNO, de Japanse minister van Onroerend Goed van het TAKESHITA-kabinet, verklaart in het bijzijn van keizer Hirohito bij het Yasukuni-schrijn dat Japan geen agressor was, maar dat het tijdens de Tweede Wereldoorlog alleen tegen het witte kolonialisme vocht.


September 1988:

ISHIKI, directeur-generaal van het Japans Bureau voor Militaire Geschiedenis, zei dat hij als deelnemer aan de oorlog en na zorgvuldige studie van de oorlogsgeschiedenis niet denkt dat de Japanse invasie in China agressie was.

 

7 december 1988:

De burgemeester van Nagasaki, Hitoshi MOTOJIMA, zegt dat keizer Hirohito verantwoordelijk was voor de oorlog. Rechtse groeperingen lanceren onmiddellijk een heftige intimidatiecampagne tegen hem. Sommige groeperingen verlangen zelfs zijn dood.

 

12 april 1989:

Tijdens het bezoek van Chinese minister-president aan Japan betuigt Keizer Hirohito van Japan zijn “spijt” over de ongelukkige geschiedenis tussen China en Japan.

 

Juni 1990:

Tadao SHIMIZU, Japan’s directeur-generaal van het Arbeid Veiligheidsbureau, ontkent welke betrokkenheid dan ook bij de rekrutering van militaire seksslaven, de zogenoemde “troostvrouwen”, als hij wordt ondervraagd in het Diet (Japans parlement).

 

September 1990:

De voormalige Japanse wetgever Shintaro ISIHARA (in 1999 werd hij gekozen tot gouverneur van Tôkyo) noemt het bloedbad van Nanjing een verzinsel.

 

Januari 1991:

Shintaro ISHAHARA ontkent nogmaals publiekelijk het bloedbad van Nanjing.

 

4 augustus 1993:

De Japanse regering breng een rapport uit waarin voor het eerst de misleiding, dwang en officiële betrokkenheid bij het rekruteren van “troostvrouwen” wordt toegegeven.

23 augustus 1993:

In zijn politieke toespraak voor het Japanse Diet betuigt de minister-president van Japan, Morihiro HOSOKAWA, “diepe wroeging en verontschuldiging” voor de agressieoorlog van Japan.

 

Mei 1994:

Japan’s minister van Justitie, Shigeto NAGANO, een veteraan uit de TweedeWereldoorlog en voormalig stafchef van het Japanse Leger, verklaart dat het bloedbad van Nanjing was verzonnen en dat Japan geen agressor was in de oorlog.

 

Augustus 1994:

Japan’s minister van Milieu Shin SAKURAI van het MURAYAMA-kabinet, verklaart dat de Japanse bezetting een zegen was voor de buurlanden van Japan.

 

24 november 1994:

De Internationale Commissie van Juristen (een internationale niet-gouvernementele organisatie van 45 eminente juristen, vertegenwoordigers van de verschillende wetsystemen in de wereld) concluderen in een speciaal rapport dat “troostvrouwen” onmiskenbaar werden gedwongen, misleid, onderdrukt en ontvoerd om de Japanse krijgsmacht van seksuele diensten te voorzien.

 

Februari 1995:

Seisuke OKUNO, een prominente Japanse wetgever en voormalige minister van Justitie en minister van Onderwijs in Japan, organiseert een nationale campagne, getiteld “Generaal Comité van de Burgerbeweging voor de Vijftigste Gedenkdag van het Einde van de Oorlog”. Uiteindelijk worden 4.5 miljoen handtekeningen verzameld om te opponeren(?) tegen de erkenning van en de verontschuldiging voor het Japanse oorlogsgedrag door het Diet van Japan.

 

Maart 1995:

Shingo NISHIMURA, Vice-Minister van Defensie in het Japanse parlement, verklaart dat Japan zich voor de 50ste gedenkdag van de Tweede Wereldoorlog opnieuw moest verontschuldigen en haar kinderen en kleinkinderen moest herinneren aan Japan’s misdadige verleden dat Japan beroofde van zijn eergevoel en zelfrespect.

 

29 mei 1995:

De Japanse conservatieven en nationalisten organiseren in Tôkyo een belangrijke jamboree, getiteld “Een Eerbetoon, Waardering en Vriendschap: een Viering van de Symbiose van Aziatische Naties”, om de Japanse bevrijdingsoorlog van Azië te herdenken. De Japanse Oostaziatische oorlog wordt voorgesteld als een moedige strijd tegen Westers kolonialisme.

 

9 juni 1995:

Om de 50ste gedenkdag van het einde van de Tweede Wereldoorlog te vieren, neemt het Lagerhuis (Huis van Afgevaardigden) van het Japanse Diet een “Geen-Oorlog-resolutie” aan. Om de verschillen tussen de politieke partijen plaats te geven, wordt de resolutie zo verwaterd dat het geen brede en ondubbelzinnige “verontschuldiging” aan slachtoffers insluit. Van de 502 afgevaardigden van het Lagerhuis ondersteunen er 230 de resolutie en onthouden zich er 241 van stemming. Het Hogerhuis (Raad van State) besloot de stemming ongedaan te maken vanwege het onvermogen de partijverschillen te coördineren.

 

19 juli 1995:

Het Aziatische Vrouwenfonds wordt door de Japanse regering opgericht voor de voormalige seksslavinnen van het Keizerlijke Japanse Leger. Het fonds dient geheel te worden verzameld door particuliere giften om projecten te financieren die zijn gericht op verbetering van medische en maatschappelijke omstandigheden voor vrouwen. Heel weinig “comfort-vrouwen” accepteren een betaling door het fonds. De slachtoffers verlangen rechtstreekse verontschuldiging en vergoeding door de Japanse regering.

 

8 augustus 1995:

Yoshinobu SHIMAMURA, Japan’s minister van Onderwijs in het MURAYAMA-kabinet, maakt duidelijk dat het niet nodig was voor Japan om nog meer “spijt” te betuigen voor het koloniale optreden in oorlogstijd.

 

15 augustus 1995:

Japan’s Minister-president, Tomiichi MURAYAMA, uit in een persoonlijke verklaring zijn gevoelens van “diepe wroeging” en “oprechte verontschuldiging” voor het koloniale bewind en de agressieve handelingen van het imperiale Japan. Op dezelfde dag brengen acht ministers van MURAYAMA’s kabinet hulde aan het Yasukuni-schrijn.

 

7 december 1995:

De ‘New York Times’ verwerpt een door de Liberale Jongerenpartij in Japan geplaatste advertentie. De advertentie bevattverklaringen die Japan’s oorlogsmisdaden in de Tweede Wereldoorlog ontkenden.

 

4 januari 1996 :

De speciale verslaggever van de Verenigde Naties voor geweld tegen vrouwen brengt aan de VN-Commissie voor Mensenrechten gedetailleerd verslag uit over misdaden tegen “troostvrouwen”.

 

19 januari:

Duitsland verklaarde 27 januari tot nationale gedenkdag voor de slachtoffers van het nazisme.

 

4 maart:

Een panel van deskundigen van de Internationale Arbeidsorganisatie (een gespecialiseerde VN instantie die de bevordering nastreeft van sociale gerechtigheid en internationaal erkende mensen- en arbeidsrechten) rapporteert dat het Japanse gebruik van “troostvrouwen” tijdens de oorlog een schending is van de Conventie voor Dwangarbeid van 1930.

 

4 juni:

116 leden van de Liberale Democratische Partij (LDP) uit het Hoger- en Lagerhuis van het Japanse Diet lanceren een liga die weigert toe te geven dat Japan een agressieoorlog heeft gevoerd. Zij bekritiseren Japanse schoolboeken die het Imperiale Japanse Leger negatief voorstellen en zij verlangen specifiek het schrappen van alle referenties naar de “troost-vrouwen”.

 

1996 4 juni:

Seisuke OKUNO, prominent Japans wetgever en voormalig minister van Onderwijs en minister van Justitie, ontkent dat de Japanse regering ooit de “troostvrouwen” tot militaire seksuele slavernij heeft gedwongen.

In een ‘face-to-face’ ontmoeting met een voormalige Koreaanse seksslavin  ontkent Tadashi ITAGAKI, prominent Japans wetgever en een oorlogsveteraan, de betrokkenheid van het Japanse Imperiale Leger bij de gedwongen rekrutering van troostvrouwen”.

 

29 juli:

Japan’s minister-president, Ryutaro HASHIMOTO, brengt hulde aan het Yasukunischrijn. HASHIMOTO wordt de eerste in ambt zijnde minister-president die dit doet sinds minister-president NAKASONE in 1985.

 

15 augustus:

Japan’s minister-president, Ryutaro HASHIMOTO, biedt een dubbelzinnige “verontschuldiging” aan voor slachtoffers van de laatste oorlog. Op dezelfde dag betuigen zes ministers van het HASHIMOTO-kabinet hulde bij het Yasukunischrijn.

 

13 januari 1997:

Takami Eto, een prominent Japan wetgever en voormalig minister, verdedigt Japan’s koloniaal bewind in Korea van 1910-1945.

 

15 augustus:

Japan’s minister-president, Ryutaro HASHIMOTO, zegt dat hij “diep berouw” voelt voor de slachtoffers van de laatste oorlog. Op dezelfde dag betuigen acht ministers van het HASHIMOTO-kabinet en 74 leden van het Japanse parlement hulde bij het Yasukunischrijn.

 

26 september:

Het Japanse Hoge Gerechtshof beslist dat het schrappen van referenties naar Unit 731 en het 1937 Nanking Bloedbad uit Professor Saburo IENAGA’s geschiedenisboeken illegaal is. Tegelijkertijd steunt het Hoge Gerechtshof het recht van het ministerie om tekstboeken door te lichten door te verklaren dat het geen censuur schept, omdat het niet verbood dat het boek commercieel werd gepubliceerd.

December
Geen enkele bioscoop in Tokio is bereid de film “Don’t Cry Nanjing” door te lichten, een 1995 China-Hong Kong coproductie die het december 1937 Nanking bloedbad afbeeldde.

 

27 april 1998:

In het eerste vonnis van dit soort beslist een Japanse rechtbank op maandag dat de Japanse regering vergoeding moet betalen aan drie Zuid-Koreaanse “troost-vrouwen”. De rechtbank verordent de Japanse regering aan elk van de drie aanklagers 300,000 yen ($2,272) uit te betalen.

 

23 mei:

In Japan komt een Japanse film uit waarin generaal Hideki TOJO als Japan’s nationale held werd vereerd.

 

7 oktober:

Tijdens het bezoek aan Tokio van President Kim Dae-jung van Zuid-Korea betuigt Japan’s minister-president, Keizo OBUCHI, in een geschreven verklaring “diep berouw” en “oprechte verontschuldiging” aan het volk van Zuid-Korea voor Japan’s 35 jaar- lange koloniale bewind. Maar de Japanse regering kondigde geen veranderingen aan in haar vergoedingsbeleid voor “troost-vrouwen”.

 

9 augustus 1999:

Van de drie agressielanden in de Tweede Wereldoorlog, Duitsland, Italië en Japan, gebruikt alleen Japan na de oorlog nog dezelfde vlag. Op 9 augustus 199.. neemt het Japans parlement het wetsvoorstel aan om de ”hinomaru” (Rijzende Zon)  en  het “kimigayo” (Want Keizer Heers voor Altijd) wettelijk als Japan’s nationale vlag, respectievelijk volkslied te bestemmen. Beide items zijn symbolisch voor het Japanse militarisme en de Japanse agressieoorlog.

 

Juni 2001

In de nieuwste geschiedenisboekjes heeft Japan haar geschiedenis herschreven. “Comfort women” is uit de nieuwste geschiedenisboekjes verdwenen. Duizenden vrouwen werden in de tweede wereldoorlog gedwongen tot prostitutie. Alleen al in het voormalige Nederlands Indiё waren er tenminste 11 bordelen.

 

4.4.1 Het probleem van de  controversiële Japanse Geschiedenisboeken

 

Ruzie tussen landen over een schoolboek? Het kan. In 1982 was er een ernstige politieke controverse over de revisie van de Japanse geschiedenisboeken die handelen over het herinterpreteren van het oorlogsverleden. Sindsdien wordt de herziening van Japanse geschiedenisboeken als een van de voornaamste discussiepunten tussen de twee regeringen en het volk. In 2001 had Japanse regering goedgekeurde geschiedenisboeken die zelfs leidden tot felle anti-Japan demonstraties in China. De teksten in de boeken waarin gesproken wordt over ‘een groot aantal Chinezen’ die gedood zijn bij het “incident” van Nanjing in 1937, vond China veel te eufemistisch. De schatting over het aantal doden variëren namelijk van 150,000 tot 300.000. Eerder bagatelliseerden de schrijvers in de geschiedenisboeken van 1982 al de Japanse misdaden “invasie” (shinryaku) met het woord “binnengaan” (shinshutsu). Deze en nog andere uitspraken zijn volgens China een Japanse ontkenning van de wreedheden en oorlogsmisdaden, en dus onaanvaardbaar.

 

Dit boek werd door de “Vereniging voor de herziening van de geschiedenishandboeken”, (Atarashii rekishi kyôkasho o tsukuru-kai), geschreven. Die Vereniging werd in 1997 opgericht door de nationalist Nishio Kanji.[26] De Vereniging werkte een eigen handboek uit, waarin sommige historische feiten worden weggelaten en waarin de Japanse bezetting van Korea, China. enz.wordt afgeschilderd als oorlog om de Aziatische volkeren te bevrijden.

Een bekend figuur van die vereniging is Ishihara Shintarô. Hij was in 1999 verkozen tot gouverneur van Tôkyô. De rechts-populistische gouverneur argumenteerde dat Japan: “niet schuldig was t.o.v. de V.S, wel schuldig t.o.v. Azië” (Amerika ni taishite wa muzai, Ajia ni taishite wa yûzai)[27]. Hij verdedigde de revisionistische visie: de historische kijk waarbij de V.S. en Groot-Brittanië allebei schuldig waren aan de oorlog (Bei-Ei dôzai shikan). Volgens Tsukuru-Kai werd Japan tot die oorlog gedwongen, omdat het land bedreigd werd door ondermeer de Verenigde Staten en omdat Japan Azië wilde bevrijden van de westerse kolonisatie. De propaganda “Groot-Oostaziatische Gezamenlijke Welvaartssfeer” (Daitôa kyôeiken) van 1940, wordt hierbij gerechtvaardigd. Ook in de literatuur en de stripverhalen is de revisionistische visie in opmars. Eén van de vertegenwoordigers ervan is de populaire stripverhaalschrijver Kobayashi Yoshinori. In zijn indrukwekkende bestseller “de theorie over oorlog”(Sensô-ron), gepubliceerd in 1998, beweerde Kobayashi dat de verovering van Mantsjoerije in 1931 een nobele zaak voor de beschaving. Verder ontkende hij dat Mantsjoerije toen tot China behoorde. Vervolgens herinterpreteerde hij de Grote Oostaziatische Oorlog (Daitôa Sensô) als een bevrijdingsstrijd, een oorlog die Japan ondernomen had om Azië te bevrijden van het westerse imperialisme:

 

At that time, Asians did not even believe in their dreaming that they could win against the Whites. They were completely subdued and living in slavish conditions. [...] Somebody had to prove that it was possible to fight Euro-American white imperialism. This is what Japan has done. (Kobayashi 1998:31, cf. also 311)…”.

 

Zodoende is Manga-artiest Kobayashi zelfbewust en doelbewust bezig met een eigen revisionistische visie op de Japanse geschiedenis te schrijven om trots te zijn op “Japanner zijn”.

 

NRC-correspondent Hans van der Lugt vermeldde in zijn artikel (4 april 2001 NRC Webpagina's) over de schoolboekcontroverse dat de geschiedenis werd vervalst. Dit boek werd  op 137 plaatsen aangepast. De annexatie van  Korea in 1910 wordt gerechtvaardigd als iets dat “noodzakelijk was voor de Japanse veiligheid”. De “troostmeisjes”, die gedwongen werden zicht te prostitueren voor Japanse militairen, werden helemaal niet vermeld.[28] Het boek is het wapen van een sterk groeiende organisatie namelijk de Tsukuru-Kai, die een goed georganiseerde campagne voert om een herziene kijk op de Japanse geschiedenis doorgang te laten vinden in de Japanse maatschappij. De Zuid-Koreaanse regering reageerde erop dat het schoolboek een “verkeerd beeld”van de geschiedenis bij de Japanse kinderen zou overbrengen. De Chinese regering verklaarde dat dit geschiedenisboek “zwart, wit maakt”.

Negenhonderd Japanse historici hebben het nieuwe boek dan ook veroordeeld als een “onwetenschappelijke tekst die niet alleen de geschiedenis verminkt, maar ook alle academische prestaties van het naoorlogse geschiedenisonderzoek botweg ontkent”. Op die manier bepleitten de revisionisten een “heropleving van het chauvinistische geschiedenisonderricht van het vooroorlogs Japan. Het is een nationalistische neiging die de ideologie van “trouwe keizerlijke onderdanen” voortbrengt. “Zo’n boekje is vragen om moeilijkheden”, zegt oud-bankier J. Rost Onnes, die de afgelopen dertig jaar honorair consul van Japan was in Nederland. De Japanse minister van Handel Shoichi Nakagawa toonde zich bezorgd over de gevolgen van het anti-Japanse sentiment in China voor Japanse bedrijven. “Ik ben bezorgd. China is een land dat een markteconomie wil worden. We verwachten een passende reactie.”

 

4.4.2 Het probleem van het Yasukuni-schrijn (Yasukuni jinja)

 

In november 2004 ontmoette Chinese president Hu Jingtao Japanse premier Koizumi; hij benadrukte: “De voornaamste reden van hedendaagse politieke problemen tussen China en Japan is dat Japanse politieke leiders het Yasakunischrijn vereren en bezoeken ”.[29] Waarom is het Yasukuni-schrijn een probleem? Wat is het Yasukuni-schrijn? Mogen de Japanse politieke leiders het schrijn bezoeken en vereren? Om te beginnen gaan we eerst even terug naar de geschiedenis van het schrijn.

 

De Geschiedenis van het Yasukuni-schrijn (Yasukuni-jinjia)

 

Het Yasukuni-schrijn is gesticht in 1869 om overleden soldaten te herdenken van burgeroorlogen in het begin van de Meji-periode (1868-1912). Oorspronkelijk werd het Shôkonsha (schrijn waar de zielen van de doden worden aanroepen) genoemd. Het was gevestigd in Kyôto. Dit schrijn werd in 1869 naar Tôkyô overgebracht en veranderde in juni van dat jaar van naam: Yasukuni jinjia (Yasukuni-schrijn). Yasukuni betekent “vreedzaam land”. Het kwam in dienst te staan van het staatsshintô (kokka shinto). Het werd het symbool voor de macht van de staat. Sedert het begin werd het schrijn beheerd door militair personeel en bewaakt door militaire politie (kenpeitai). Samen met het Ise en het Meji-jingu werd het Yasakuni-schrijn één van de drie belangrijkste schrijnen.

 

De doden eren was een belangrijke daad bij het opbouwen van de Japanse natie nl. het versterken van het nationaal bewustzijn. Het shintoïsme werd tot staatsgodsdienst verheven om de eenheid van het land te verzekeren. Het is een symbool voor het Japans nationalisme, de voedingsbodem van het Japans militarisme. Latere overleden soldaten van volgende oorlogen werden herdacht en geëerd als goden (kami) en de zielen van hun helden (eirei) eveneens.  Het betreft 2.466.344 doden[30].

 

Na W.O.II overleefde het Yasukuni-schrijn. Het blijft een oord waar de overleden soldaten worden herdacht en geëerd. Maar Het is een onafhankelijke religieuze corporatie (shûkyô hôjin) geworden in plaats van een staatsshintô (kokka shintô). Na de Tweede Wereldoorlog kwam een scheiding van staat en Shintô.

 

Tegenwoordig wordt het schrijn door de “Oorlogsvereniging voor families van Oorlogsslachtoffers” (Nihon Izoku-kai). bestuurd en de riten worden uitgevoerd door de Shintô-priesters. De oorlogsvereiniging die het schrijn steunt wil dat Yasukuni een nationaal monument worden. Het museum Yûshûkan van het schrijn tracht een programma aan te bieden om “ de waarheid van de moderne Japanse geschiedenis op een juistere manier te begrijpen (nihon kin gendai shi no shinjitsu wo yori tadashiku rikai shite itadaku tame) te programmeren. W.O.II  wordt aanzien als een “verdedigingsoorlog” en de “Aziatische bevrijdingstrijd” (ajia kaihô sensô)als strijd tegen Westers imperialisme; dus stierven de soldaten terecht door het vervullen van hun plicht voor een eerbare missie. Het museum vermeldt niet Nanjing (1937), maar wel tanks, bebloede uniformen enz. die toen  werden gebruikt. Dit staat in contrast met de definitie van het schrijn zelf als een heiwa kinenkan (vredesherdenking).

 

Onder het bestuur van de machtige, ïnvloedelijke oorlogsvereiniging (Izoku-kai) werden op 17 oktober 19787 geëxecuteerde oorlogsmisdadigers van klasse A,inclusief generaal Tôjô Hideki en de commando-officier Matsui Iwane van de Nanjingtroepen van W.O. II in het Yasukuni-schrijn geborgen.

15 augustus 1985:

Op de 40ste gedenkdag van de Japanse overgave woonde Nakasone Yasuhiro, in zijn officiële functie van minister-president van Japan, een eredienst in het Yasukuni-schrijn bij. Nakasone is de eerste naoorlogse Japanse minister-president die op die manier hulde bewees.

 

29 juli 1996:

Japan’s minister-president, voormalige voorzitter van de oorlogsvereniging (Nihon Izoku-kai), Hashimoto Ryûtaro, bracht hulde aan het Yasukuni-schrijn. Hashimoto werd de eerste in ambt zijnde minister-president die dit deed sinds minister-president Nakasone in 1985.

 

15 augustus 1996

Japan’s minister-president, Hashimoto Ryûtaro, bood een dubbelzinnige “verontschuldiging” aan voor slachtoffers van de laatste oorlog. Op dezelfde dag betuigden zes ministers van het Hashimoto-kabinet hulde aan het Yasukuni-schrijn.

 

15 augustus 1997:

Japan’s minister-president, Hashimoto Ryûtaro, zei dat hij “diep berouw” voelde voor de slachtoffers van de laatste oorlog. Op dezelfde dag betuigden 8 ministers van het Hashimoto-kabinet en 74 leden van het Japanse parlement hulde bij het Yasukuni-schrijn.

(http://www.gastdocenten.com/Documentatie/ontkenning.htm)

 

Het Yasakuni-probleem

 

Conflicten in de buitenlandse politiek

 

Vanaf 1975 werden offiiciële bezoeken aan het schrijn bekritiseerd door Korea en China, en in het bijzonder de bezoeken van 15 augustus. In 1978 werden 14 criminelen van categorie A toegevoegd aan het schrijn. Nakasone Yasuhiro is de eerste naoorlogse Japanse premier die het Yasukuni bezocht op 15 augustus. Het leidde tot een massaal buitenlands protest tegen zijn bezoek. Het wakkerde de sterke anti-Japanse gevoelens van de betogingslanden aan. Daarna was er geen eerste minister meer die het schrijn bezocht, en dit tot 1996 (Hashimoto Ryûtarô). De laaste jaren was het weer populair geworden onder eerste ministers om het schrijn te bezoeken. Premier Koizumi Jun’ichirô bezocht het ten minstens 5 maal. Het vereren van het schrijn wordt als een signaal van heropleving van militairisme voor de betogende landen. Door het schrijn te bezoeken ondersteunen de Japanse politici het rechts-conservatieve nationalisme. Het gaat samen met de controversiële geschiedenisboeken en toont dat de Japanse regering weigert te werken aan een constructieve toekomstgerichte oplossing tegenover zijn oorlogsverleden, waarbij er politieke spanning blijft tussen Japan en de betogende landen. De Chinese president Hu Jintao benadrukte het als volgt: “De voornaamste reden van hedendaagse politieke problemen tussen China en Japan is dat Japanse politieke leiders het Yasakuni-schrijn bezoeken en vereren ”.

 

Waarom mogen de Japanse politieke leiders het schrijn niet bezoeken en vereren? Om die vraag te kunnen beantwoorden, wil ik eerst volgende vragen onderzoeken:

 

Is het Yasukuni-schrijn een “religieuze corporatie” of een “niet-religieus instituut”?

Tijdens de Meiji-periode werd Yasukuni gesticht om de zielen van de overleden helden (eirei) te vereren en de opoffering van soldaten voor hun vaderland aan te moedigen. De overleden soldaten werden als goden (kami) herdacht. Het schrijn was oorspronkelijk een shintô-heligdom. Shintôisme was toen een staatsreligie. Het Yasukuni-schrijn hoorde ten  tijde van de Meiji-periode zowel bij de staat als bij het shintô-heiligdom. Na W.O.II is het een onafhankelijke religieuze corporatie (shûkyô hôjin) geworden, het is niet van de staat wegens de scheiding tussen staat en religie. De artikels 19 en 20 van de grondwet van 3 november 1946 beschrijven dit als volgt:

Artikel 19:

“Freedom of thought and conscience shall not be violated.”

Artikel 20

“(1) Freedom of religion is guaranteed to all. No religious organisation shall receive any privileges from the State, nor exercise any political authority.

(2) No person shall be compelled to take part in any religious acts, celebration, rite, or practice.

(3) The State and its organs shall refrain from religious education or any other religious activity.”

Dat wil zeggen dat “vrijheid van denken en geweten”en “ vrijheid van godsdienst” wordt ingesteld; het staatsshintô wordt afgeschaft. De scheiding van staat en Shintô houdt in dat het schrijn los staat van de staat . Het is een onafhankelijke religieuze corporatie.

 

Wanneer eerste ministers en andere regeringsleiders in functie  het shintoïstische Yasukuni-schrijn bezoeken brengen ze dan een religieus bezoek of een staatsbezoek? Zijn alle officiële bezoeken tegen de grondwet, die een scheiding van kerk en staat voorschrijft? Het artikel 89 van de grondwet beschrijft het als volgt :

 

“No public money or other property shall be expended or appropriated for the use, benefit, or maintenance of any religious institution or association, or for any charitable, educational, or benevolent enterprises