De rechtstreekse Premierverkiezing in Israël in 1996 en 1999 met een analyse van de campagnes. (Pieter Vanheuverzwijn)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

“Attemps at reform, when they fail, strengthen what they seek to abolish, as he that struggles tightens
those cords he does not succeed in breaking.”
(Charles Caleb Colton)

 

Inleiding

 

            Israël is een land dat vaak in de aandacht staat. De aanhoudende problemen met de Palestijnen in eigen land en de conflicten met de Arabische buren maken de situatie onhoudbaar. Deze zaken hebben dan ook een enorme invloed op het politieke wezen in Israël en ook zeker op de campagnes in de verkiezingsjaren. Dit werk belicht echter een ander feit dat een enorme invloed had op het politieke landschap en de bijhorende campagnes. Namelijk de electorale hervormingen die er toen toe geleid hebben dat Israël gedurende een zekere periode het enige land ter wereld werd dat zijn eerste minister rechtstreeks verkoos.

Israël had dit hybride systeem te danken aan een jarenlange onvrede over de politieke situatie. Het Israëlische parlement, de Knesset, kende een hoge fragmentatie door de extreme polarisatie van het partijsysteem. Dit kende zijn climax bij Israël’s eerste geslaagde motie van wantrouwen op 15 maart 1990. Twee jaar later werd de Basic Law: The Government goedgekeurd die de electorale hervormingen met zich meebracht. Dit systeem werd in 1996 voor de eerste keer toegepast, waarna het in 1999 en 2001 nogmaals gebruikt is. Daarna is het experiment reeds stopgezet.

Dit werk handelt specifiek over de campagnes voor de verkiezingen van 1996 en 1999. In deze twee jaren werden er naast Knessetverkiezingen, tegelijkertijd maar gescheiden, rechtstreekse verkiezingen voor de premier uitgeschreven. Het zijn de campagnes voor de rechtstreekse premieverkiezing die hier onderzocht worden. Deze campagnes zullen een ander karakter hebben en uiterst specifieke kenmerken.

Hier zullen we onderzoeken welke effecten dit zijn. Rechtstreekse verkiezingen zouden tot presidentialisering van parlementaire systemen leiden. In hoeverre klopt deze stelling? Draaien de verkiezingen enkel rond de de premierkandidaten of is er toch nog plaats voor inhoudelijke campagnes gebaseerd op de specifieke ideologieën van de partijen? Het nieuwe electorale systeem moest de toekomstige eerste ministers sterker maken tegenover de  andere partijen. De legitimatie van een rechtstreekse verkiezing na een persoonlijke campagne moest hier dus voor zorgen. In welke mate werd dit uitgespeeld in de campagnes en vooral is Israël geslaagd in dit opzet?

 

Dit werk bestaat uit vier delen. In het eerste deel wordt een historisch overzicht gegeven van Israël als politieke onafhankelijke staat. Er wordt met andere woorden gekeken naar het electorale systeem, het partijensysteem, de campagnes enzovoort. We beschrijven hoe Israël’s twee grootste partijen, Likud en Labor, gegroeid zijn tot wat ze zijn. Verder zien we hoe de geschiedenis van Israël kan ingedeeld worden in vier grote periodes met verschillende partijsystemen. De laatste ingezet natuurlijk door de electorale hervormingen van 1992.

Het tweede deel gaat dan ook over die electorale hervorming. Eerst wordt de reden voor deze drastische maatregel toegelicht. Vervolgens bekijken we hoe deze hervorming tot stand is kunnen komen. Ook wordt een duidelijke inhoudsbepaling van dit nieuw electoraal systeem gegeven om verwarring met andere en meer gekende rechtstreekse verkiezingen te vermijden. Tenslotte wordt nog een schets gegeven  van enkele voor- en nadelen van zulk een systeem.

Het derde en vierde deel gaan respectievelijk over de verkiezingen van 1996 en van 1999. In beide delen wordt begonnen met een situatieschets van de toestand in Israël bij de aanhef van de campagnes. De specifieke kenmerken worden toegelicht. De meeste aandacht wordt gegeven aan de strijd van de twee grootste kandidaten. Toch wordt nog aandacht geschonken aan de kleinere partijen en aan de verdergaande polarisatie van het politieke landschap.

 

 

1. Politieke geschiedenis van Israël

 

            Dit werk gaat over de verkiezingen van 1996 en 1999 en meer specifiek over  de campagnes daarbij. Tijdens deze twee kiesjaren had Israël een zeer ongewoon kiessysteem en dit had dan ook een enorme invloed op het politieke landschap. Maar dit is lang niet zo geweest. Om het politieke leven in Israël beter te begrijpen en vooral dan de reden tot zulke radicale electorale hervormingen, gaan we eerst even de politieke geschiedenis van Israël onder de loep nemen. Vóór de verkiezingen van 1996 kan men de politieke situatie in Israël in drie verschillende periodes indelen. En elke periode heeft dan ook zijn specifiek partijsysteem. Ook bekijken we al een beetje waarom de electorale hervormingen zo nodig waren.

 

 

1. Multipartijsysteem met een dominante partij, van 1948 tot 1965

 

Israël werd in 1948 een onafhankelijk land. Na lang beraad werd er geopteerd voor een zuiver proportioneel kiesstelsel via evenredige vertegenwoordiging waarbij heel het land als één kiesdistrict werd beschouwd. Er werd een kiesdrempel ingesteld maar deze bedroeg slechts één procent. Het parlement in Israël heet de Knesset en haar leden worden Members of Knesset genoemd hier verder afgekort door MK. De Knesset telt 120 leden. Het logische gevolg was dat Israël van in de beginne enorm veel partijen telde.

Deze periode werd ook gekenmerkt door de absolute dominantie van Mapai, een centrum arbeiderspartij. Deze partij had de grootste achterban, ook dankzij het feit dat Israël toen niet echt een samenhangende oppositie had. Eén van Mapai’s grootste troeven was dat ze Histadrut controleerde. Histadrut was de federatie van de vakbonden en op dat moment de grootste werkgever van het land voor arbeid. David Ben-Gurion, de leider van Mapai, was dan ook de voorzitter van Histadrut. Ook controleerden ze de Jewish Agency en dit was het orgaan dat verantwoordelijk was voor de immigratie van nieuwe Joden. Verkiezingen in die tijd bepaalden slechts wie Mapai als coalitiepartners zou nemen. Meestal was dit één partij van links, één van rechts en nog één religieuze. De partijen die sowieso uitgesloten waren, waren de extreem rechtse zoals Herut ( waar Likud is uit voort gekomen) en de communisten. Deze periode werd gekenmerkt door het feit dat alle partijen vertrokken uit hun ideologie en elkaar zo bekampten.

Begin was de oprichter van Herut en zou dertig jaar lang de partij blijven leiden. De partij stond een exclusief Joods etnonationalisme voor. Verder stonden ze voor discipline en sterk hiërarchisch leiderschap en de territoriale integriteit van het moederland. Veel belang werd gehecht aan de krijgskrachten. Herut gebruikte toen dan ook de volgende leuze:

In blood and fire Judea fell; in blood and fire it will rise again. (Mendilow, 2003, p.34)

 

Het predikte de doctrine van heroïsche actie en van nationale en individuele trots.

Herut begon vanaf 1955 sterk te worden maar weigerde onder geen beding om met Mapai in de regering te stappen. Ze gingen wel met de General Zionists gesprekken aan om gezamenlijk Mapai te verslaan. In 1964 richtte Begin een eigen factie op binnen de Histadrut om het monopolie van Mapai tegen te gaan.

Nog meer tegenslag volgde voor Mapai want David Ben-Gurion stapte na zijn laatste premierschap in 1963 uit de partij om een nieuwe arbeidersoppositie partij op te richten, namelijk Rafi. Onder andere Shimon Peres volgde hem.

 

 

1.2. Clusterpartijen, van 1965 tot 1977

 

Vóór de campagne voor de verkiezingen van 1965 zagen twee nieuwe partijen het levenslicht. Ten eerste een alliantie tussen Herut en de Liberals die Gahal genoemd werd. Deze twee partijen kwamen eigenlijk op bijna alle vlakken niet overeen. Hun enige grote gemeenschappelijk punt was hun afkeer tegen Mapai. Herut had op dat moment nog heel radicale programmapunten die volledig botsten met deze van de Liberals. Zo was Herut gekant tegen elke onderhandeling met de Arabische staten en wou ze geen diplomatieke banden met Duitsland. (Mendilow, 2003, p.44)

Door deze gebeurtenissen zocht Mapai ook een manier om zich te versterken. Ze deed vele voorstellen aan de partijen links van haar: Mapam en Ahdut Ha’avoda. Mapam werd toch als iets te radicaal beschouwd en men opteerde voor de tweede. Er werd een alliantie aangegaan maar eigenlijk slokte Mapai de kleine fracties op. De alliantie werd de Alignment genoemd.

Dit was dan ook de periode van de clusterpartijen. Deze partijen wouden met zo een breed mogelijk programma een zo groot mogelijke bevolkingsgroep aanspreken. Deze periode werd dan ook gekenmerkt door een vervaging van de ideologische verschillen tussen de partijen. Verder was er ook een serieuze polarisatie van het politieke landschap. De strijd tussen regering en oppositie was losgebarsten. De twee grote clusterpartijen werden dan ook naar het centrum getrokken. De clusterpartijen waren als het ware paraplu’s over verschillende facties die vroeger onafhankelijke partijen waren. De facties behielden wel hun eigen leiders en besluitvorming. Tussen de facties werden gewoon expliciete akkoorden gesloten voor de cluster. Vooral in de jaren zestig kunnen we spreken van echte catchall partijen met een neerwaartse trend wat ideologische basis betreft. Dit werd nog eens versterkt door de opkomst van de televisie als het campagnemiddel bij uitstek vanaf de verkiezingen van 1969. Dit medium maakte het de partijen mogelijk om algemene boodschappen aan een zo breed mogelijk publiek te geven doorspekt van emotionele retoriek en visuele beelden.

Maar toch waren er wel wat verschillen tussen Gahal en de Alignment. Gahal kan een conglomeraat partij genoemd worden. Het was een partnership tussen de vroegere partijen en was gebaseerd op de kleinste gemene deler van alle partijen. Zo had elke factie haar eigen programma maar had de cluster één groot programma, algemeen genoeg om de verschillen te kunnen overstijgen. De facties behielden hun volledige partijstructuur van de partijleiding tot de lokale afdelingen. We kunnen echt spreken van een verregaand electoraal pact tussen evenwaardige delen.

De Alignment is meer van het type clusterpartij die proportioneel ingedeeld was. Dit was een clusterpartij waarvan de delen in het geheel zijn opgegaan. De facties hadden geen contact meer met de onderste lagen van hun vroegere structuur. De postjes in de organen van de clusterpartij werden proportioneel verdeeld onder de facties. Direct contact met het publiek ging dus uit van de gehele partij.

Het clusterpartijsysteem heeft het toch nog vrij lang uitgehouden. Maar de kristallisatie en uiteindelijk de destabilisatie heeft langzaam maar effectief zijn werk gedaan. Er zijn veel verklaringen voor het wegvallen van het systeem. Een heel belangrijke was de Zesdaagse oorlog en vooral haar gevolgen. Het is uiterst belangrijk hier op te merken dat in 1967 naar aanleiding van deze oorlog een regering van nationale eenheid werd gevormd. Deze regeringsdeelname heeft Herut eindelijk legitimiteit gegeven en zo heeft ze zich kunnen tonen als een verantwoordelijke partij. Herut kon nu ook verwezenlijkingen naar voor schuiven om zich te promoten, zoals de overwinningen in de oorlog en de economische groei die er op volgde.

Na de drie nee’s van de Arabische liga op vrede, erkenning en onderhandelingen heeft heel de Israëlische politieke wereld een rechtsgaande beweging ondergaan. De regering die normaal als duiven beschouwd konden worden, werd nu ook duidelijk een bolwerk van haviken.

Dit alles had tot gevolg dat er nog minder verschil bestond tussen de twee clusterpartijen. Het grootste verschil was misschien zelfs dat de Alignment sprak over de “territories” en Gahal over de “Liberated territories”. Ook nadat Gahal in 1970 terug naar de oppositie vertrok, bleven de ideologische verschillen minimaal.

Ondertussen bleven de clusters wel groeien, zo vervoegden kleine partijen zoals Rafi de Alignment. Later volgde Mapam zelfs ook. De partij werd nog wel altijd de Alignment genoemd maar heette toen officieel de Labor-Mapam Alignment. Maar aan de andere kant van het politieke spectrum was er meer aan de gang. De Free Center Party, de Land of Israel Labor Movement en de leden van Rafi die niet tot de Alignment wilden behoren, vormden samen La’am wat letterlijk ‘voor het volk’ betekent. La’am kwam vervolgens bij Gahal en Likud was geboren. (Mendilow, 2003, pp.71-72)

De Yom Kippur oorlog werd perfect door Likud gebruikt in de campagnes van 1973 en 1977. Met slogans zoals

            “Down with outdated Socialism.”

            “Give change a chance” (Mendilow, 2003, p.82)

 

Door deze strategie en dankzij de legitimiteit verworven op het eind van de jaren zestig kende Likud electorale successen. In de verkiezingen van 1973 steeg ze van 26 naar 30,2 procent terwijl Labor zakte van 46,2 naar 39,6 procent. En in de verkiezingen van 1977 versloeg Likud Labor zelfs. 1977 was dus het einde van de Labordominantie, voor het eerst sinds de onafhankelijkheid van Israël zaten zij niet in de regering.

Andere en dus kleinere partijen hadden het zeer moeilijk in deze periode en waren praktisch verplicht om in de clusters op te gaan. Zeker het vermelden waard is de opkomst van de Democratic Movement for Change (DMC) in de campagne voor de  verkiezingen van 1977. Deze partij kan als een rechtstreeks gevolg van het clustersysteem gezien worden en gaat er als eerste partij tegen in. De partij kiest niet op voorhand voor Labor of Likud maar wil in zee gaan met diegene die de voorgestelde hervormingen van de DMC zou uitvoeren.

 

 

1.3. Partijblokken, van  1977 -1988

 

            De clusterpartijen hebben dus grote schokken moeten opvangen door de Yom Kippur oorlog in 1973. Meer en meer werden zij ook langs beide kanten aangevallen door nieuwe en kleinere ideologische partijen. Zij dongen naar de kiezers die terug op zoek waren naar programmatische partijen. Ook bleven de interfactionele conflicten zich opstapelen. Likud en Labor begrepen hun fout en kwamen in actie. Op sommige vlakken zoals de socio-economische was het verschil gewoonweg niet meer te merken. Likud reageerde als eerste en schoof terug op naar rechts. Later schoof Labor na haar slechte prestaties in 1981 en 1988 ook weg van het centrum zij het dan naar de linkerkant. Het resultaat waren twee duidelijke partijblokken die tegenover elkaar stonden aan beide kanten van het politieke spectrum. Het centrum bleef gedurende lange tijd onbezet. Men kan hier dus spreken van een gematigd pluralistisch systeem in de typologie van Sartori. Beide partijen werden geassocieerd met de etnische en socio-economische sectoren die voor hen stemden. En dit duwde hen enkel verder uiteen.

Likud stond op barsten. Zo erkende de Liberals de ‘shlemut Ha’moledet’ niet, letterlijk de eenheid van het moederland. Ook de Camp David akkoorden zorgden binnen Likud voor een linker en een rechter groep die steeds verder van elkaar begonnen te staan. Deze akkoorden deden velen van Likud afscheuren, zo werd er rechts van Likud een nieuwe partij gevormd namelijk Tehiya. Ook de Liberals wouden maar al te graag bij Likud weg maar het probleem was dat ze electoraal niets meer voorstelden en dus volledig afhankelijk waren van Likud.

De campagne van 1977 is de laatste van de catchall tactieken geweest. In 1981 konden we weer van ideologisch gebaseerde campagnes spreken. Likud nam de buitenlandse en defensie zaken voor haar rekening. Labor hield het meer op de fouten van de Likudregeringen en hoe zij het anders zou aanpakken.

Herut bepaalde binnen de Likud de ideologische koers en dit met zelfvertrouwen. Dit bracht Labor aanvankelijk in moeilijkheden, ze hadden aanvankelijk moeite om hun plaats te vinden. De Alignment had nog geen sterke basisideologie om Likud te counteren. Mapam dreigde vaak met afscheuring maar toch bleef de partij intact.

In 1983 kwam de regering in moeilijkheden onder andere door de moeilijkheden met Libanon en het opstappen van Begin. De verkiezingen werden vervroegd en de Alignment trok samen sterk ten strijde tegen Likud en de nieuwe leider Yitzhak Shamir. De Alignment toonde zich als de vertegenwoordiger van de nationale eenheid. Ze overstegen klasses en etnieën. Ook brachten ze geen expressieve emotionele retoriek. Dit allemaal in grote tegenstelling tot Likud.

De slogans van Labor waren de volgende

            This cannot go on, the government must be changed.

The economy is sick. You deserve stability and peace of mind. Only an experienced leadership can bring prosperity.

            The Alignment is the only hope. (Mendilow, 2003, p. 115)

 

Likud toonde fotos van Arafat met de volgende slogan:

He backs labor. So do King Hussein, Ahmed Jibril [leider van extremistische groep binnen PLO]. (mendilow, 2003, p. 119)

 

De Likud beschuldigde Labor er ook van veel linkser te zijn dan ze liet uitschijnen. En dat de meest linkse partijleden het zwijgen werden opgelegd in de campagne om zo gematigder over te komen.

Labor sloeg gevat terug met de zin

The Likud must really be in trouble if they have to mobilize Arafat en Jibril in this way. (Mendilow, 2003, p. 120)

 

Maar Likud bleef hameren op de hypocrisie van Labor. Het bleef herhalen dat Mapam nog steeds lid was van het socialistische Alignment.

Nieuw in deze campagne was de idee van Labor om populaire komediespelers en satirische sketches te gebruiken voor de campagne.

Labor won de verkiezingen van 1984 waarop de afscheuring van Mapam toch volgde. Labor kon 54 zetels voorleggen in de Knesset maar dit waren er dus 7 te weinig voor een minimale meerderheid. Likud kwam samen met haar coalitiepartners en Shas ook maar aan 54 zetels. Dit toont nogmaals de verhoogde polarisatie van het Israëlische politieke systeem aan. In 1984 werd dan vervolgens een monstercoalitie aangegaan die 97 MKs achter zich had. Elke partij zat in de regering op de Arabische en de extreme polen na. Deze laatste groep bestond voornamelijk uit Mapam en Tehiya. Er werd gewerkt met een wisselende premier. De eerste twee jaar was Shimon Peres van Labor de eerste minister. Shamir nam de twee laatste jaren voor zijn rekening. Alhoewel deze regering geen lang leven voorspeld werd was het de langst zittende regering ooit van Israël. Er waren zeker strubbelingen en enkele beslissingen konden op de veto’s rekenen van de andere partijen vooral dan op vredesvlak maar toch bleef de regering samen.

Het verschil tussen de campagne van 1988 en de twee vorige is dat deze volledig in handen was van politiekers en specialisten en niet meer zo hard van de media. En ook Labor was nu volledig overgeschakeld van catchall technieken naar ideologische oriëntatie.

Labor werd nu geleid door Peres en deze was zeer populair bij de Arabieren en het was dan ook op dit punt dat Likud hem bleef aanvallen. Labor deed trouwens enorm veel moeite om kiezers aan te spreken. Ze hadden het vooral op de zwevende kiezer gemunt. Want na een onderzoek van de partij bleken drie op tien ondervraagden nog niet te weten voor wie ze zouden stemmen. Deze groep kreeg verscheidene brieven en telefoongesprekken van Peres’ campagnecentrum. Ook dit werd een nieuwe tactiek in de volgende campagnes.

De campagnes van 1988 werden echt gekenmerkt door propaganda to the point. Er werd niet met modder gesmeten naar andere partijen. Er waren zelfs geen uithalende slogans naar andere partijen. Ook de professionele ingehuurde entertainers werden achterwege gelaten.

De uitslag van de verkiezing kan als een kleine overwinning van rechts beschouwd worden. Likud zakte van 43 naar 40 zetels en Labor van 44 naar 43. Opnieuw werd een regering van nationale eenheid ingesteld. Maar Labor hield het deze keer geen hele ambtsperiode vol en liet de regering vallen. Likud vormde na lang overleg met andere partijen een nieuwe regering. Hierdoor maakte de regering een enorme sprong naar rechts. In deze periode kan de klassieke links-rechts tegenstelling in Israël beschouwd worden als de duiven-haviken tegenstelling.

Labor zat in een moeilijke periode maar het aanstellen van Rabin leek hier ommekeer in te brengen. Rabin was enorm populair in eigen land en had goede banden met de Verenigde Staten. Voor de campagne van 1992 koos hij ervoor om het falen van de regering op economisch vlak aan te pakken. Israël had door de val van het communisme weer een enorme immigratiegolf gekend en beide grote partijen deden dan ook al het mogelijke om deze nieuwe groep binnen te halen. Rabin hield het op een sterk inhoudelijke campagne met beloftes voor sociale en economische hervormingen. Labor deed er alles aan om de nationale prioriteiten niet meer te laten samenvallen met de veiligheidsproblematiek. Ook Meretz en Tzomet deden hier een oproep toe.

Likud verloor acht zetels en had er nog maar 32, Tehiya verloor al haar drie zetels maar Tzomet steeg van twee naar acht zetels. Aan de linkerkant behaalde Labor 44 zetels en Meretz twaalf.

 

 

1.4. Vierde periode

 

De vierde periode is dus deze vanaf 1996, de eerste verkiezing waarbij de nieuwe electorale hervormingen worden toegepast. De rechtstreekse primerverkiezing zal een enorme invloed hebben zowel op het politiek landschap, op de campagnes voor de verkiezingen als op het partijsysteem. De electorale hervorming wordt in het volgend deel onder de loep genomen. En deel drie en vier handelen respectievelijk over de verkiezingen van 1996 en 1999. Het partijsysteem en zeker de kiescampagnes worden daar dus beschreven.

 

 

1.5. Besluit

 

Israël is duidelijk niet een typische parlementaire staat. Het heeft een merkwaardig partijlandschap dat inspeelt op situaties. Men kan bijgevolg duidelijke periodes afbakenen qua politieke bewegingen. De periode van de Labordominantie en de clusterpartijen ligt al in het verleden. Maar de periode van de partijblokken is belangrijk voor dit werk. Zulk een systeem in een puur proportioneel stelsel met een lage kiesdrempel leidt tot een enorme polarisatie en fragmentatie van het systeem. En dit systeem werd dan ook hoe langer hoe meer onwerkbaar. Dit wordt in volgende delen onderzocht.

 

 

2. De electorale hervorming

 

            Wat ons aantrekt in de campagnes in Israël van 1996 en 1999 is natuurlijk de electorale hervorming. Voor het eerst ter wereld wordt een premier rechtstreeks verkozen en dit zal een meer dan geringe invloed hebben op de campagnevoering. Maar eerst zullen we bekijken waarom zulk een hervorming nodig was en hoe dit gegroeid is in Israël. Vervolgens bekijken we de nieuwe Basic Law: The Government van 1992. Voor welke vorm is uiteindelijk gekozen? Tendeert deze keuze naar een presidentieel regime of is het allemaal niet zo maximalistisch? Hoe kunnen we dit hybride stelsel classificeren en hoeveel macht  zal de rechtsreeks verkozen premier hebben? Tenslotte is er nog een klein overzicht van de toenmalige kritiek op de hervormingen.

 

 

2.1. Oorzaak en geschiedenis van de hervorming

 

2.1.1. Algemeen

 

            In 1992 werd dus de nieuwe Basic Law : The Government goedgekeurd die zorgde voor de eerste rechtstreekse premierverkiezing ter wereld. Voor het eerst werd in Israël aan het electorale systeem gesleuteld. Sinds 1948 heerste er in Israël één van de puurste parlementaire systemen ter wereld met evenredige vertegenwoordiging via de ‘Hagenbach-Bischoff’ (sinds 1973, daarvoor werd Hare gebruikt) formule waarbij heel Israël als één kieskring werd beschouwd. Het aantal zetels dat elke partij behaalde was praktisch volledig proportioneel met het aantal stemmen dat deze partij had behaald. Ook was er maar een kiesdrempel van slechts één procent. Deze zaken werden gewaarborgd in artikel 4 van de Knesset Basic Law. Israël kent geen grondwet maar zogenaamde grondwettelijke bepalingen staan dus in zulke Basic Laws. Maar deze kunnen dan bijgevolg wel gewijzigd worden door een gewone absolute meerderheid in de Knesset. (De Knesset heeft 120 leden)

Een gevolg van dit systeem is natuurlijk dat er een vertegenwoordiging van een groot aantal partijen was. Sinds 1949 heeft geen enkele partij ooit een meerderheid van zetels in de Knesset gehad. De President onderhandelde met enkele parlementaire fracties vóór hij aan een MK vroeg om een regering te samenstellen. Normaal gezien ging dit recht naar de grootste fractie. Dit verplicht de grootste fractie dan ook om in een onderhandelingsproces met andere partijen te treden om een regeringsmeerderheid te behalen. Dit brengt verscheidene problemen met zich mee. Men kan spreken van twee soorten ‘payoffs’ die de kleinere partijen eisen in ruil voor hun steun aan de grote partij. ‘Office-related payoffs’ gaan over de toewijzing van postjes, kleinere partijen die bepaalde ministerportefeuilles gaan opeisen. Ten tweede spreken we over ‘policy-related payoffs’. (Kremnitzer & Goldman, 1997, p.4) Hier zullen de kleinere partijen bepaalde voorwaarden stellen op beleidsniveau: enkele van hun strijdpunten laten opnemen in het regeringsakkoord. Het is duidelijk dat in een zulk proportioneel kiessysteem sommige partijen onevenredige machtsposities kunnen innemen.

Een volgend argument tegen het oorspronkelijke kiessysteem is uiteraard het onstabiele karakter van de gemaakte coalities. Als er een veelheid van partijen is, zijn er ook vaak diepe ideologische kloven te vinden tussen de onderlinge partijen. Het was in Israël dan bijna ook onmogelijk om als regering één beleid naar buiten te dragen waar alle regeringspartijen zich volledig in konden vinden. Om dit te compenseren werden kleinere partijen belangrijke ministerportefeuilles toegekend zodat deze bepaalde beleidsmaatregelen zouden goedkeuren waar ze oorspronkelijk (ideologisch) tegen gekant waren. Het probleem was dan ook dat in Israël veel regeringen vielen, van zodra postjes een bepaald beleid niet meer konden compenseren. (Nachmias & Senad, 1999, p.271) Bij dit argument is niet enkel het onevenredige een probleem maar ook het feit dat de Israëlische coalities uiterst onstabiel waren. Ook kregen deze partijen vaak vetorechten wat een consistent beleid ook bemoeilijkt.

In de volgende tabel worden de fractionalisatie factors van de Knesset gegeven, berekend via de formule van Rae. In de rij 1996* werden Likud, Gesher en Tzomet gesplitst.

 

K staat hier voor het aantal zetels dat partij i heeft behaald in Knesset j

 

Tabel 2.1: Fractionalisatie-index Knesset(Rae) van 1949 tot 1996

1949

0,79

1951

0,8

1955

0,83

1959

0,79

1961

0,81

1966

0,78

1969

0,72

1974

0,7

1977

0,77

1981

0,67

1984

0,76

1988

0,77

1992

0,77

1996

0,82

1996*

0,86

            Bron: Nachmias & Senad, 1999, p.287

 

De volgende tabel geeft de fractionalisatie-indexen van de Israëlische regeringen volgens de formule van Rae. Ook hier staat 1996* voor de splitsing van de lijst Likud, Gesher en Tzomet.

 

M staat hier voor het aantal zetels behaald door partij i die zetelt in coalitieregering j

 

Tabel 2.2 : fractionalisatie-index Israëlische regeringen (Rae) van 1949 tot 1996

1949

0,46

1952

0,67

1955

0,69

1961

0,58

1966

0,60

1969

0,61

1974

0,28

1977

0,59

1979

0,52

1981

0,40

1984

0,67

1990

0,59

1996

0,70

1996*

0,81

            Bron: Nachmias & Senad, 1999, p.289

 

2.1.2. Praktijk

 

De eerste dertig jaar kwamen er nochtans geen stemmen op voor verandering daar deze periode werd gekenmerkt door een absolute dominantie van de toenmalige arbeiderspartij. De uitslagen waren altijd voorspelbaar en daar alle macht bij Labor lag, zagen zij dan ook geen reden in om hier iets aan te veranderen. (Hazen, 1996, p. 23) De Laborpartij kon in deze periode zeker als een centrumpartij beschouwd worden zowel op religieus vlak als op het vlak van het veiligheidsprobleem. Als de grootste partij een centrumpositie bekleedt, brengt dit enkele voordelen met zich mee. De centrumpositie is de meest aangewezene om regeringsonderhandelingen te starten. Een vaster beleid is mogelijk daar de regering een beleid zal kunnen voeren dat dicht bij haar basisideologie aanleunt. De dominante partij heeft langs beide kanten van het politieke spectrum kleinere partijen aanleunen en kan dus dreigen met de andere richting in zee te gaan. Bijgevolg is er minder kans op ‘office-related payoffs’.

De problemen kwamen later. Langzamerhand werd het Israëlische politieke landschap gekenmerkt door twee grote partijen en een enorme waaier van kleinere. Maar Israël had dus zeker geen tweepartijen systeem. Geen van de twee partijen kon in zijn eentje regeren en moest een coalitie aangaan. Maar dit ging van kwaad naar erger, steeds meer en meer partijen moesten in de regering opgenomen worden door de fractionalisatie van het Israëlische politieke landschap. Het probleem is dan ook dat deze kleine partijen een enorme macht hadden, niet in verhouding tot hun electorale uitslagen. Extreme en religieuze partijen konden hun punten doorduwen of lieten regeringen vallen. Dit zorgde uiteraard voor menige crisissen.

Na de verkiezingen van 1984 bleek dat zowel Likud als Labor wel minstens zeven coalitiepartners nodig hadden om een regering te kunnen vormen. Op dit moment hebben ze dan ook samen een regering van nationale eenheid gevormd.

Alhoewel deze regering nog redelijk goed draaide dankzij het wisselend premierschap en enkele successen op economisch en buitenlands gebied, wou geen van beide nog een tweede regering van nationale eenheid. Maar de verkiezingen van 1988 waren niet anders. Met veel tegenzin werd opnieuw een regering aangegaan door de twee grote partijen. Maar twee jaar later viel deze regering reeds. Labor kon niet meer leven met de onbuigzame reactie van de Likudpartij op de vredesvoorstellen van de Verenigde Staten. Ook had Likudpremier Shamir zijn minister van buitenlandse zaken, Shimon Peres van Labor, ontslagen wegens de mogelijke vredesonderhandelingen met de Arabische buren. De rest van de Laborministers nam ook ontslag maar de regering kon nog steeds op een meerderheid rekenen in de Knesset. (Diskin, 1995, p.40)

Maar op 15 maart 1990 zorgde Labor dan ook met een nipte 61 zetels voor de eerste geslaagde motie van wantrouwen in de geschiedenis van de Israëlische politieke geschiedenis en maakte definitief een einde aan de periode van nationale eenheid.( Kremnitzer. & Goldman, 1997, p.4) Likud had vervolgens drie maanden nodig om een regering met de kleinste meerderheid te vormen en had hiervoor enorm veel toegevingen voor moeten doen. Deze maanden werden algemeen beschouwd als de spreekwoordelijke druppel. De onderhandelingen die Likud moest voeren met de seculiere rechtse partijen en de religieuze partijen waren zo afgrijselijk dat zelfs Rabin verwijst naar zijn eigen Laborpartij als een “stinking exercice”. (Diskin, 1995, p.40) Op dit moment kwamen zowel in de politiek als bij de bevolking massaal veel stemmen op in het voordeel van electorale hervormingen.

 

 

2.2. Aanloop tot hervorming

 

            In 1977 onderging the Alignment ( de groep rond Labor) een enorm verlies. De partij verloor maar liefst 19 zetels. Ze waren dan ook niet meer de grootste partij, ze moesten Likud voor het eerst in de geschiedenis voorlaten. Ook veel kleinere partijen zagen het licht en groeiden. Opmerkelijk voor veel van deze partijen is het feit dat deze kunnen kiezen om in een coalitie met bijvoorbeeld Likud te stappen maar met de volgende verkiezingen gerust gesprekken aan te gaan met Labor. Bijgevolg zal Likud nu in 1977, maar later ook Labor nooit meer de dominantie kunnen bereiken die de voorbije jaren het politiek toneel van Israël kleuren. (Diskin, 1995, p.36)

In 1977 zag ook de Democratic Movement for Change (DMC) het licht. Deze nieuwe centrumseculiere partij had in zijn programma een belangrijke electorale hervorming opgenomen. Alhoewel er toen voor de eerste maal in Israël een commissie werd opgericht met de vraag naar hervormingen op electoraal vlak, stierf het DMC een stille dood in 1981.

De partij van Rubinstein, Shinui (dat letterlijk verandering betekent), had wel twee zetels in de Knesset van 1981. Deze partij deed in 1986 een grondwettelijk voorstel. De partij wou dat de eerste minister in aparte verkiezingen rechtstreeks verkozen werd en dat ook de helft van de Knesset direct verkozen zou worden in meerdere kieskringen. Tenslotte stond de partij ook een soort van “Bill of Rights” voor. Deze partij werd wel populair bij de Israëlische bevolking met hun hervormingen. Het feit dat kleinere partijen machtiger werden, bemoeilijkte uiteraard ook voorstellen tot hervormingen. Vooral religieuze partijen die nu praktisch steeds noodzakelijk waren voor coalities, gebruikten hun vetorecht vaak tegen zulke voorstellen. Want dergelijke veranderingen zouden nefast voor hen zijn.

In 1984 vormden Labor en Likud dus samen een regering van nationale eenheid. Labor en Likud maakten toende volgende afspraak:

No change in the electoral system will take place unless both parties confirm it. (Diskin, 1995, p.37)

 

De partijen richtten wel samen een comité op die de zaak moest bekijken.

In 1986 ontstond ook de ‘Public Committee for a Constitution for Israel’ uit een groep academici. Ook zij stonden een rechtstreekse verkiezing van de premier voor in aparte verkiezingen. Door het ongenoegen over het toenmalig systeem won deze ‘neutrale’ groepering aan populariteit en zette de focus vast op de electorale hervormingen.

Ook de steun van de bevolking werd hierbij belangrijk. De Israëliërs zijn vaak politiek verdeeld maar nu was er toch een consensus te vinden over de ontgoocheling met het huidige systeem. In bijna alle opiniepolls uitgevoerd in deze periode, verklaarde minstens 70 procent van de ondervraagden dat ze voor een electorale hervorming stonden. De belangrijkste argumenten waren: “erger kan het niet”, “hervorming is enigste oplossing”. (Diskin, 1995 p.37)

Na de nieuwe regering van nationale eenheid in 1988 werd dus ook opnieuw gezamenlijk een comité opgericht om bestaande voorstellen tot electorale hervorming te onderzoeken. Uit dit comité kwam er zelfs een gezamenlijk akkoord maar dit is nooit in de plenaire vergadering van de Knesset geraakt. Het vallen van de regering in 1990 schortte de onderhandelingen in de commissie wel op.

Nogmaals vier voorstellen van Knessetleden voor electorale hervormingen (alle vier stonden rechtstreekse premierverkiezing voor), die overigens van verschillende plaatsen uit het politieke spectrum kwamen, werden voorgelegd. De vier nieuwe voorstellen werden in de Knesset gebracht en alle vier geraakten ze door de eerste lezing. Gezamenlijk werd nu naar een oplossing gezocht.

Vroegere uitgewerkte voorstellen werden herbeken zoals:

1)      20 multi-member kieskringen met 4 verkozenen elk, de overige 60 zetels blijven nationaal verdeeld

2)      60 single-member kieskringen, de overige 60 zetels nationaal verdeeld en een verhoging van de kiesdrempel tot 2,5 %

Maar deze voorstellen konden niet op veel steun rekenen. De oplossing zou bijgevolg gezocht worden bij een andere verkiezing voor het hoofd van de uitvoerende macht. (Hazen, 1994, p.41). Ook het succes van het rechtstreeks verkiezen van lokale autoriteiten sinds 1977 droeg bij tot deze denkrichting.

 

Toch waren er problemen. Likud, dat op dat moment de meerderheid voorzat, had binnen de partij nog geen eensgezindheid gevonden over de electorale hervormingen en wou een stemming in de Knesset dus nog even uitstellen. Zo had sterke man Shamir zich erg tegen deze hervormingen gekeerd. De voorzitter en Likudlid, Shilansky, hield de plenaire stemming dan ook tegen. Maar na een klacht bij het Israëlisch Hooggerechtshof werd deze toch  verplicht om de stemming te laten doorgaan. Maar op dat moment had Likud echter reeds besloten om het voorstel af te keuren. Het voorstel ging dus terug naar de bevoegde commissie en kwam in januari terug voor een tweede kans. Het resultaat van de stemming was als volgt: 57 vóór, 57 tegen, 2 onthoudingen en 5 afwezigen. Een gelijke stand, zij het niet dat de Knesset uit 120 leden bestaat en er blijkbaar 121 stemmen zijn geteld. De voorzitter wou eerst geen herstemming toelaten maar na ettelijke dreigementen met een nieuwe klacht vond deze toch plaats en waren er 57 stemmen vóór en 56 tegen met dezelfde onthoudingen en afwezigen. Op 18 Maart 1992 keurde de Knesset de nieuwe Basic Law: The Government goed. (Hazen 1996, p. 26)

 

 

2.3. Inhoud van de hervorming

 

            Een meerderheid was dus gevonden voor electorale hervorming. Door publieke campagnes en steun van vele prominente Israëliërs was ook de bevolking volledig te vinden voor zulke maatregelen. De voorstanders benadrukten het effect dat deze hervormingen zouden hebben. Ze zouden voor representatievere en effectievere instituties zorgen. De leider wordt rechtstreeks verkozen en heeft hierdoor een enorme legitimatie. Hiermee kan deze een effectieve en stabiele coalitieregering bouwen. De hervormingen zouden de fragmentatie van de Knesset verminderen en veel macht van de kleinere partijen afnemen. Hiermee bleef het parlementair systeem intact en werden de problemen opgelost.

 

Op 18 maart 1992 keurde de Knesset de ‘Basic Law: the Government’ goed. Artikels 3 en 13 van de nieuwe ‘Basic Law: the Government’ vormen het nieuwe electorale systeem voor Israël. In het nieuwe systeem worden de Knesset en de eerste minister tegelijkertijd, maar los van elkaar verkozen voor een periode van vier jaar. De Israëlische kiezer zal dus twee verschillende stemmen uitbrengen, één op een partijlijst voor de Knesset en één voor één van de kandidaten die voor het premierschap gaan. De kiezer kiest onafhankelijk en mag dus een kandidaat voor het premierschap steunen en voor een compleet andere partij stemmen voor de Knesset.

De Knesset blijft gekozen worden via het strikte proportionele lijstenkiessysteem waar Israël als één kieskring beschouwd wordt. De kiesdrempel wordt wel verhoogd tot anderhalve procent.

Maar de eerste minister wordt verkozen via het tweeronden systeem (Artikel 13), analoog met het systeem waarmee ook bijvoorbeeld de Franse president verkozen wordt. Om in de eerste ronde verkozen te worden, moet een kandidaat een absolute meerderheid van de stemmen verwerven. Als dit niet het geval is volgt er twee weken later een tweede ronde met de twee kandidaten die het hoogst gescoord hebben in de eerste ronde.

The prime minister is to be chosen based on general, national, direct, equal and secret elections. (Artikel 3b)

 

De eerste minister is dan bijgevolg gelegitimeerd in zijn functie en mag zelf zijn kabinet samenstellen (artikel 3c). Dit kabinet moet tussen de acht en de achttien leden tellen en de helft inclusief de premier moeten leden van de Knesset zijn (artikel 33a). Maar een investituurstemming in de Knesset is noodzakelijk vóór de regering in functie kan gaan. De Knesset kan ook een motie van wantrouwen uitspreken met een absolute meerderheid van haar leden (dus minstens 61) waarmee ze de eerste minister ontslaat maar ook zichzelf ontbindt (artikel 19a). Anderzijds kan ook de eerste minister in samenspraak met de, eerder symbolische, Israëlische president de Knesset ontbinden maar dan is hij zelf ook wel verplicht om op te stappen (artikel 22a). Dus in beide gevallen zijn nieuwe verkiezingen voor beide nodig. De Knesset kan ook een minister ontslaan met een buitengewone meerderheid van 70 van de 120 zetels (artikel 35c). Tenslotte kan de Knesset de eerste minister uit zijn functie ontheffen zonder zichzelf te ontbinden maar hier is een meerderheid van 80 zetels voor nodig; in dat geval moeten dus enkel voor de premier nieuwe verkiezingen worden uitgeschreven (artikel 27a). (Jewish Virtual Library, z.d.)

De vereiste eigenschappen voor het kandidatuurschap tot premier staan uitgewerkt in Artikel 8. De kandidaat moet ouder dan dertig zijn en moet één van de Knessetlijsten trekken. Een premier die zeven jaar zijn functie heeft uitgeoefend kan in de volgende verkiezingen niet meer opkomen.( Kremnitzer & Goldman, 1997, p.5)

 

 

2.4. Voorstanders en opposanten van de hervorming

 

De voorstanders van de hervormingen waren initieel heel euforisch. De onderhandelingsproblemen tot regeringsvorming zouden voorgoed voorbij zijn. Op het einde van de kiesdag is de identiteit van de nieuwe eerste minister al bekend. En deze zal een exclusieve macht hebben tegenover de andere partijen. Een macht die de anderen niet kunnen bereiken: de legitimiteit van het rechtstreeks verkozen worden, de rechtstreekse keuze van het volk. Dit heeft tot gevolg dat de kleinere partijen een minder onevenredige macht kunnen uitoefenen en dat de regering zich zal kunnen concentreren op zaken van de nationale agenda en niet meer op belangen van kleinere groepen wat voor een veel stabieler beleid zal zorgen. De nieuwe regeringen zullen effectiever zijn daar het parlement minder macht heeft. Het orgaan moet zichzelf ontbinden wil het de regering ontslaan.

De voorstanders halen vier kernwoorden in hun argumentatie naar voor.

 

Toch waren heel wat tegenkantingen tegen deze gekozen hervorming. Hier zijn verscheidene argumenten voor. Een eerste argument is dat, hoewel de hervorming de onderhandelingsmacht van kleine partijen wou afzwakken, ze deze juist sterker heeft gemaakt. Bij het vorige systeem hadden de kleine partijen deze macht enkel bij de coalitieonderhandelingen. Nu krijgen ze de mogelijkheid op hetzelfde moment maar ook nog eens op twee extra momenten namelijk de twee ronden van de rechtstreekse premierverkiezing. De (kandidaten van) grote partijen gaan de (kandidaten van de) kleine partijen afkopen die aan dezelfde kant van het politieke spectrum liggen opdat deze hun kandidatuur zouden intrekken en de kandidaat van de grote partijen zouden steunen. De constante nood van de steun van de kleinere partijen verzwakt het systeem verder en verder.

Ten tweede werd er ook voorspeld dat de grote partijen veel Knessetzetels aan kleinere partijen zouden verliezen. Door het feit dat de verkiezing voor de Knesset en de rechtstreekse verkiezing van de premier samenvielen en dat gesplitst stemmen mogelijk was, zouden vele kiezers dit dan ook doen. Bij het vorige systeem stemden vele kiezers strategisch. Deze stemden met andere woorden voor Labour of Likud terwijl zij ideologisch misschien voor een kleinere partij zouden stemmen. Zij deden dit omdat de partij met de meeste stemmen traditiegetrouw de premier levert en de regeringsonderhandelingen leidt. Een Laborstem was toen vaak een anti-Likudstem en vice-versa. (Nachmias & Senad, 1999, p.277). Het nieuwe systeem zou hier verandering in brengen. De premier werd los van de parlementaire verkiezingen rechtstreeks verkozen. Dus voor de Knessetverkiezingen zouden de kiezers hun favoriete partij kunnen aanduiden. Dit zou dan ook tot een hogere fractionalistie-index zorgen terwijl de hervormingen deze wouden doen dalen. Later zou dan ook blijken dat de veertiende Knesset nog nooit zo gefractionaliseerd zou zijn. En een hogere fractionalisatie bemoeilijkt coalitieregeringen nogmaals. Er zullen uiteindelijk nog meer payoffs zijn dan in het vorige systeem.

Een ander nieuw element door de hervormingen is het feit dat de nieuwe regering nood heeft aan een investituurstemming. Een regering moet minstens 61 Knessetleden achter zich krijgen. Dit democratisch element zorgt er op zijn beurt ook voor dat kleinere partijen te veel macht krijgen en mogelijkheden tot payoffs krijgen. Ook de motie van wantrouwen geeft de kleine coalitiepartners veel macht. Als zij een bepaalde beleidslijn niet willen slikken kunnen deze gemakkelijk een regering laten vallen.

Ook het hybride systeem wordt op zich aangevallen. Het is niet parlementair en dan ook weer niet presidentieel. In een parlementair systeem wordt de uitvoerende macht onrechtstreeks verkozen maar is ze afhankelijk van de wetgevende macht, ze moet verantwoording afleggen. In een presidentieel systeem wordt de uitvoerende macht rechtstreeks verkozen of toch alleszins het hoofd en deze kan dan de regering samenstellen. Maar deze staat dan onafhankelijk van de wetgevende macht en moet hier geen verantwoording tegenover afleggen. Met zijn nieuw systeem heeft Israël een parlementair systeem dat tendeert naar het presidentiële. Er is door de twee verkiezingen een scheiding tussen de twee machten gekomen waarmee het mogelijk is dat de partij van de premier niet de grootse partij is in de Knesset. Maar de uitvoerende macht is wel afhankelijk van de wetgevende. Dit zal zeker problemen met de werkbaarheid met zich meebrengen.

In de volgende tabel wordt een duidelijk bewijs gegeven voor deze stellingen. De gegevens zijn de uitkomsten in procenten van het aantal belangrijke budgettaire portefeuilles van een bepaalde partij gedeeld door de aantal zetels die de partij in kwestie behaalde. Grote partijen worden tegenover kleinere afgezet en religieuze worden met niet religieuze vergeleken (vanaf veertien zetels wordt een partij als groot bekeken). Het is duidelijk dat het nieuwe systeem, het eerst toegepast in 1996, de kleinere partijen een nog grotere onevenredige macht geeft. Het zijn vooral de religieuze partijen die ervan profiteren.

 

Tabel 2.3: Index voor toewijzen van belangrijke ministerportefeuilles aan partijen in bepaalde periodes

 

 

Grote partijen

Kleine partijen

Niet-religiueze partijen

Religieuze partijen

1950-1976;

1992-1995

0,962

0,551

0,822

0,703

1977-1992

0,657

1,494

0,568

2,895

1950-1995

0,833

0,951

0,714

1,633

1996

0,647

2,298

0,779

2,841

Bron: Nachmias & Senad, 1999, p.284

 

 

2.5. Besluit

 

            We onthouden hier dat er praktisch een nationale consensus bestond over de nood aan verandering. Ongekende polarisatie en fragmentatie maakten het systeem niet meer werkbaar. Kleinere communautaire partijen chanteerden als het ware de grote partijen en kregen zo een onevenredige macht.

Israël’s oplossing was een unicum in de wereld. Een hybride systeem dat nog volledig parlementair was maar waar de eerste minister dan wel rechtstreeks verkozen werd. Dus een parlementair systeem dat naar het presidentiële neigt. Maar de premier bleef verantwoordelijk voor de Knesset en kon dan ook door dit orgaan worden afgezet.

De voorstanders loofden dit systeem daar het eindelijk de legitimatie en de sterkte aan de premier zou schenken om de kleinere partijen te trotseren. Maar de sceptici waren ook aanwezig. Volgens hen zou dit systeem enkel tot meer polarisatie leiden en de premier bijgevolg nog zwakker maken.

 

 

3. De verkiezingen van 1996

 

Wij schrijven 1992. De Labor Party heeft de verkiezingen gewonnen. En over vier jaar zijn er opnieuw verkiezingen. Maar vier jaar later zou er veel veranderd zijn. Israël heeft dan geen puur proportioneel electoraal systeem meer. Het is de eerste keer dat de rechtstreekse premierverkiezing zal plaatsvinden. Deze verkiezingen zouden dan ook voor de eerste maal samenvallen, gelijktijdig met, maar gescheiden van de verkiezingen voor de 14de Knesset. Het zouden dan ook de eerste verkiezingen zijn met wederzijdse erkenning van de PLO en de staat Israël door de afloop van de Oslo-akkoorden. Ook zullen het de eerste verkiezingen zijn na de moord op premier Rabin. In deze vier jaren zal het moslimterrorisme zich ook hard laten gelden. En tenslotte is deze periode ook gekenmerkt door een sterke opkomst van de communautaire partijen. Voor de traditionele grote partijen is dit geen makkelijke periode, met veel van deze zaken is er geen ervaring. Hoe moesten ze op deze zaken anticiperen of reageren en in welke mate zouden ze de verkiezingen bepalen en moest er dus aandacht aan besteed worden in de campagnes naar deze verkiezingen toe.

We bekijken eerst de periode voor de campagnes van 1996 en dan vooral hor Labor en Likud deze ervaren want deze gebeurtenissen hebben een belangrijke invloed op de campagnes. Vervolgens gaan we dieper op de campagnes in. De specifieke kenmerken worden onder de loep genomen. Het belangrijkste wat we hier onderzoeken is de invloed van de electorale hervorming op deze campagne. Uiteindelijk staan we nog even stil bij de uitslag van de verkiezingen van 1996 en haar gevolgen.

 

 

3.1. De Jaren vóór de Campagne

 

            De Basic Law is goedgekeurd  wegens een nationaal groeiend ongenoegen met het toenmalig electoraal systeem en zijn gevolgen. De verkiezingen van 1992 tonen wederom aan waarom. De populaire Rabin slaagt erin om een regering te vormen. Door een sterke campagne en een goede relatie met de Verenigde Staten stijgt Labor tot 44 zetels en wordt weer de grootste partij. Maar de dertiende Knesset is wederom zwaar gefragmenteerd en kent een fractionalisatie-index van ongeveer 0.77. Likud zakt van 40 naar 32 zetels. Ook regeringspartner Tehiya betaalt, het verliest al zijn drie zetels. Grote winnaar is Tzomet die haar zetels verviervoudigt van twee naar acht. Tzomet wordt dus een belangrijke kracht aan de rechterkant waar Netanyahu in de campagne 1996 niet langs zou kunnen (zie infra). Aan de linkerkant stijgt Meretz van tien naar twaalf zetels. In een puur parlementair systeem waarvan Israël toen een sprekend voorbeeld was, zorgt fragmentatie in een parlement automatisch voor hetzelfde scenario in de uitvoerende macht. Alhoewel de coalitie onder leiding van Rabin toch iets minder sterk gefragmenteerd was dan vorige regeringen, versterken deze verkiezingen toch het geloof in de electorale hervormingen. Een iets hogere kiesdrempel en een sterkere Eerste Minister zouden de kleine partijen minder machtig maken. Rabin was toen een sterke en zeer populaire leider. Labor koos er dan ook voor om hem naar voor te schuiven met deze eigenschappen voor het premierschap met een campagne volledig op hem gericht zelfs op zijn persoonlijkheid. Dit ligt volledig in de lijn van wat er met de campagnes vóór de rechtstreekse verkiezing van de premier zal gebeuren.

De jaren van de Oslo akkoorden tot de 1996 campagne worden algemeen beschouwd als crisisjaren voor Likud. Likud stond eigenlijk nog altijd voor een sterke isolatie van de staat Israël, in hun partijplatform werd nog steeds met nadruk naar de holocaust verwezen en ze stonden een sterk nationalistisch zionisme voor. Maar toen bleek dat een grote meerderheid van de bevolking achter de Oslo-akkoorden stond, groeide het besef binnen de partij dat het tijd werd om de basispijlers van de partij te herbekijken.

De Oslo akkoorden droegen immers de erkenning van de PLO en toekomstige onderhandelingen met de Palestijnen met zich mee. Likud moest haar extreme ideologie omzetten in specifieke beleidsvoorstellen om zo als ernstig alternatief uit de bus te komen. Veel conservatieve Likudleden kwamen hiertegen in opstand. Maar de groep van progressieven haalde het toch. Gereputeerde leden lieten van zich horen. Een MK zei:

The platform was not drawn up by God and so it can be changed if reality demands it. (Mendilow, 2003, p172).

 

Een voorzitter van een districtsraad stuurde zijn mening in een brief rond naar andere partijleden:

We are outside the game like unruly spectators who wistle and scream … We must never act against the peace, against the nation. We must adopt the government’s peace plan and so work that the Likud become a partner to it. (Mendilow, 1999, p.191)

 

Netanyahu sprak niet over hoe het platform veranderd moest worden maar hoe het moest aangepast worden aan de realiteit. Ook Sharon zag dat er veranderingen nodig waren. Hij vond dat Likud een veel bredere oppositie moest worden zonder de basisideologie te verloochenen. Op 20 oktober 1993 stelde Sharon in de krant Ha’aratz dan ook het volgende over de politieke verandering die Likud moest ondergaan:

The platform could serve as a blueprint for a solution to the Palstinian problem that would ensure Israels sovereignity over the Territories, and the restriction of Arab autonomy to a degree that it would not become a source of danger. (Mendilow, 1999, p191)

 

Dergelijke uitspraak op dat moment was voor een topman van Likud enorm progressief en botste met ongeveer alles wat Likud de vorige jaren verkondigde.

Vele topmannen van Likud brachten dan ook voorstellen binnen om het partijplatform te veranderen en vervolgens werd dan ook een comité opgericht om deze voorstellen te bespreken. De voorzitter, MK Ben Elisar, formuleerde haar taak als volgt:

We shall offer clear alternatives [to the government’s policies] and determine how they will be presented to the Israelian public. (Mendilow, 1999, p191)

 

Maar door de verschillende meningen binnen de partij was dit comité niet echt succesvol. En hierbij kwamen nog eens de successen van de Laborregering betreffende haar vredesbeleid. Israël trok zich terug uit Gaza, vrede werd gesloten met Jordanië, vriendschappelijke contacten werden gelegd met de Maghrebstaten. De Laborregering kreeg hiervoor internationale erkenning en grote populariteit bij het Israëlische volk. En voor Likud werd het duidelijk dat er nog maar één oplossing mogelijk was, namelijk het aanvaarden van de Osloakkoorden.

In de polls van 1994 verloor Labor toch een stuk van zijn populariteit en Likud steeg electoraal. Een grote verdienste hieraan is hun volledig verzet tegen enige territoriale concessies wat betreft de Golan vlaktes. Deze schrik bestond daar de Laborregering onderhandelingen met Syrië plande. Ook het aanhoudend moslimterrorisme speelde eerder Likud in de kaart. Op het einde van 1994 bleek Netanyahu in de polls 10 procent boven Rabin te liggen. (Mendilow, 2003, p174).

Maar toch bleef Likud met een ideologische identiteitscrisis zitten, momenteel boden ze nog steeds te weinig alternatief voor het vredesbeleid van Labor. Hierbij kwam nog dat binnen Likud veel stemmen opkwamen om Netanyahu te vervangen door partijgenoot Meridor. Ze verweten Netanyahu vooral een te weinig pragmatische en realistische aanpak. Netanyahu zag als oplossing voor dit probleem een nauwere samenwerking met de rechterkant. De hieropvolgende samenwerking van deze  rechtse krachten legde in die tijd, dus nog steeds vóór de campagnes, vooral de nadruk op het falen van de regering op het veiligheidsvlak en de onbetrouwbaarheid van de Palestijnen als onderhandelingspartners. Zij kwamen vooral in opstand tegen een bepaalde politieke overtuiging die toen nogal wat aanhang kreeg, namelijk “territories for peace”. Meridor waarschuwde toen al voor deze oplossing. Hij vreesde dat té nauwe samenwerking met extreem rechts een te grote invloed zou hebben op zijn partij en dan vooral op een negatieve wijze op Likuds liberale en humanistische tradities. Hij zei hierover het volgende:

The Likud must never be t