Islamofobie: een nieuwe vorm van racisme? (Tom Demeestere)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

INLEIDING

 

Het einde van de Koude Oorlog betekende het einde van de bipolariteit. Hiermee kwam de tweestrijd van de supermachten, die gedurende lange tijd het belangrijkste discours vormde in het internationale systeem, ook tot een einde. De wereld zat niet langer gevangen in het keurslijf van de Koude Oorlog waardoor nieuwe maatschappelijke, politieke, sociale en economische ontwikkelingen eindelijk terug een belangrijker plaats kregen op de internationale agenda. Er kwam aldus aandacht voor ‘problemen zonder paspoort’ die door heel de internationale gemeenschap dienden te worden aangepakt. Er kwamen mondiale conferenties over het lot van de vrouw, ecologie, mensenrechten… Veel grensoverschrijdende problemen kregen aldus een plaats op de internationale agenda wat moest meehelpen om welvaart, welzijn, vrede en stabiliteit in de wereld te bespoedigen.

 

Racisme is sinds lange tijd één van die grensoverschrijdende problemen alsook het bestrijden ervan. Dat er al veel inspanningen zijn gedaan in de strijd tegen racisme, in de wereld en binnen staten, valt niet te ontkennen. Dat we nog niet zover staan als we zouden willen in deze strijd, is een feit waar we ook niet omheen kunnen. Het probleem met racisme is dat het blijkbaar niet wil uitsterven en actief dient bestreden te worden. Racisme is van alle tijden althans in de betekenis waarin racisme hier zal worden behandeld. Het is een ideologie en het is er één die duurzaam is. Daarenboven blijkt racisme als ideologie een dynamisch gegeven. Het is een ‘wezen’ dat zich aanpast aan de tijd, aan onze maatschappelijke context en dat telkens opnieuw gedrag voortbrengt dat niet strookt met onze pretenties van democratie, gelijkheid, tolerantie, de rule of law… Het dynamische karakter uit zich ook in de betekenissen die het aanneemt. Op de één of andere manier slaagt deze ideologie erin om telkens nieuwe verschijningsvormen aan te nemen. Racisme als ideologie heeft dan ook een hele evolutie doorgemaakt en op haar pad heeft ze nu blijkbaar een nieuw slachtoffer gevonden…

 

Moslims zijn vandaag de nieuwe verworpenen der aarde. Het is nog niet zover gekomen dat alles wat misgaat in onze samenlevingen de schuld is van moslims, maar de aanzet tot een dergelijk gedachtegoed is wel frequent aanwezig, hoewel ik misschien wel wat te pessimistisch ben in deze. Op de één of andere manier zijn moslims de schietschijf geworden voor racistische denkbeelden. Het gedrag van groepen mensen binnen onze westerse democratieën wordt gekenmerkt door een angst ten aanzien van Islam en moslims en deze angst resulteert nu éénmaal in een specifiek gedrag: Islamofobie. Het is de huidige manier van omgaan met moslims voor groepen van mensen. Daarenboven heeft de manier waarop moslims in het huidige maatschappelijke discours worden voorgesteld, bijgedragen aan de manier waarop moslims worden behandeld.

 

Hieruit kunnen we opmaken dat ons handelen vaak meer wordt ingegeven door de perceptie dan door de realiteit en hierin schuilt een groot gevaar! Het hoeft niet te verbazen dat de Koude Oorlog hierin deels zijn oorsprong vond. Het waren botsende veiligheidsconcepten met betrekking tot de positie van Duitsland in de nieuwe wereldorde en wederzijdse perceptie, die ervoor gezorgd hebben dat we in een Koude Oorlog gesukkeld zijn. Stalin zag het Westen als een omgeving waarin een nieuwe Hitler zou kunnen groeien en het Westen zag in Stalin een nieuwe Hitler. Dergelijke perceptie kan leiden tot een zelfvervullende voorspelling. In die logica kwam er aan westerse zijde bijvoorbeeld een heuse campagne tegen het communisme en tegen het ‘rode gevaar’. Dit hele discours tegen het ‘rode gevaar’ was niets meer dan beeldvorming, een mentale constructie in functie van de eigen belangen zijnde het bevorderen van een open markt, het kapitalisme en de democratie. Met de implosie van de Sovjetunie in 1991 kwam er een einde aan deze beeldvorming.

 

De jaren ’90 werden aldus een transitiedecennium, een overgangsperiode waarin men op zoek ging naar de nieuwe machtsverhoudingen en stabiliteit. Met de aanslag op de Twin Towers op 11 september 2001 kregen de Amerikanen een nieuwe mogelijkheid om zich te profileren. Na aanvankelijk gestreden te hebben tegen het nazisme en het communisme hadden ze nu een ‘nieuwe’ vijand het terrorisme. Met de ‘war on terrorism’ is meteen ook de beeldvorming ten aanzien van moslims in een stroomversnelling terecht gekomen. Er dook een groot doembeeld op in de maatschappij van een agressieve Islam, moslims werden gelijkgeschakeld met fundamentalisten en Islam werd gezien als strijdig met de westerse waarden en idealen. De reactie van samenlevingen was er één van Islamofobie. Met het terrorisme is de Arabische wereld en vooral de Arabische cultuur onder vuur komen te liggen. Hoewel Islamofobie geen rechtstreekse exponent is van de ‘war on terrorism’ is het toch zo dat de gebeurtenissen van 9/11 hebben bijgedragen aan de beeldvorming en het islamofobe discours ten aanzien van moslims. Laat ons stellen dat het de druppel was die de emmer deed overlopen wat niet wegneemt dat de emmer in feite al vol was. Wachten tot het water verdampt lijkt mij geen optie vandaar dit schrijven in de hoop dat de emmer aan het wankelen wordt gebracht…

 

In het eerste hoofdstuk zal de methodologie worden toegelicht om het concept Islamofobie te ontrafelen in zoveel mogelijk aspecten. Vanuit een sociaal-constructivistische invalshoek zal getracht worden om op een alternatieve manier te denken over ‘moslim-zijn’ en zullen we Islamofobie gaan onderzoeken als een mentale constructie, een discours dat opgekomen is tegen een maatschappelijke achtergrond van onzekerheid. De manier waarop dit discours wordt geconstrueerd, wie het gebruikt en waartoe het dient, zouden als dusdanig moeten kunnen achterhaald worden.

 

Een tweede hoofdstuk zal de maatschappelijke achtergrond weergeven waartegen het discours zich afspeelt. Mensen handelen tegen een bepaalde achtergrond en binnen een constellatie van machtsverhoudingen. Het einde van de Koude Oorlog bracht een transitieperiode met zich mee en binnen een dergelijke context van onzekerheid ontstaat een nieuwe beeldvorming, waarvan verwacht wordt dat die zekerheden met zich zal meebrengen.

 

In het derde hoofdstuk zal de rol van ‘terrorisme’ worden besproken. Het is duidelijk dat 9/11 de internationale relaties heeft beïnvloed en voor een meer ‘gespannen’ sfeer heeft gezorgd. Het hele discours rond de ‘war on terrorism’ is dan ook een katalysator geweest voor het ‘anti-moslim discours’ en heeft onrechtstreeks voor een toename gezorgd van negatieve gevoelens ten aanzien van de Arabische wereld. De manier waarop het ‘internationale terrorisme’ werd naar voor gebracht als ‘het nieuwe grote gevaar’ zal dan ook worden belicht.

 

In een volgend hoofdstuk zal het concept racisme worden uitgediept. Racisme als ideologie heeft al een hele evolutie doorgemaakt en heeft dan ook zijn stempel gedrukt op de maatschappij en blijft dit doen. Er zal vooral worden stilgestaan bij de creatie van deze ideologie en haar uitwerking in de maatschappij. Om de verschillende dynamieken van het racisme te vatten, zal er ook stilgestaan worden bij de discoursvorming die verbonden is aan de racistische ideologie. Speciale aandacht gaat daarbij naar de relatie tussen racisme en het ‘race discours’. Om te kunnen achterhalen wat de relatie is tussen Islamofobie en racisme dienen we namelijk een goed begrip te hebben van beide.

 

Het vijfde hoofdstuk zal dan ook de evolutie van Islamofobie proberen na te gaan en moet een beter beeld scheppen van dit concept en een antwoord geven op de vraag of het al dan niet nuttig is om een dergelijke classificatie te maken. Er zal getracht worden om aan te tonen dat er achter Islamofobie een mentale constructie, een discours schuilt. Daarnaast zal een overzicht worden gegeven van hoe de voornaamste autoriteiten zich ten aanzien van deze concepten profileren. Zo zal ondermeer de houding ten aanzien van deze problematiek door de VN worden nagegaan en zullen de onderzoeksresultaten van het Runnymede Trust betreffende Islamofobie belicht worden. Ook de visies van andere autoriteiten zoals de CAIR, de FAIR en Europa (EUMC) ten aanzien van het concept Islamofobie zullen worden bekeken.

 

De (mis)concepties ten aanzien van Islam en de Oriënt zullen aan bod komen in hoofdstuk zes via het bekijken van denkbeelden en door te kijken naar de aparte rol die wordt toegekend aan ‘de Orient’ in de media. Mogelijke misconcepties zullen worden aangetoond en ook de rol van het klassieke orientalisme in het debat, dat opnieuw naar voor kwam met het terrorisme. Daarbij zal ook gekeken worden naar de manier waarop moslims zelf kijken naar het fameuze ‘fundamentalisme’ en hoe men zelf ook anders kan kijken naar concepten als ‘jihad’ en ‘islamisme’.

 

Hoofdstuk zeven bekijkt het racisme dat zich voortdurend heeft aangepast aan zijn tijd en tot op vandaag zijn invloed blijft uitoefenen in de samenleving. Vandaar dat we een blik zullen werpen op de situatie van de joden in de 12e eeuw en de vervolging als vorm van maatschappelijke organisatie in plaats van uitsluiting of discriminatie. Machtsstructuren spelen hierbij een grote rol, zowel in het discours van Islamofobie als racisme, en zullen nader worden bekeken door een blik te werpen op de positie van moslims in Rusland en door te kijken naar India waar Islamofobie ook voet aan wal heeft gekregen. Islamofobie zou bijgevolg ook geen puur ‘westers’ fenomeen zijn.

 

 

1. METHODOLOGIE

 

Aangezien het concept Islamofobie is opgekomen tegen een maatschappelijke achtergrond van onzekerheid en op die manier ook vorm heeft gekregen zullen we het constructivisme hanteren als een eerste invalshoek om de maatschappelijke realiteit te bekijken.

 

 

1.1 HET CONSTRUCTIVISME

 

Binnen het constructivisme wordt de nadruk gelegd op de macht van het discours. Hierbij wordt de relatie bestudeerd tussen taalgebruik enerzijds en de manier waarop dit taalgebruik vorm geeft aan de sociale structuur en het gedrag van actoren bepaalt anderzijds. Met taalgebruik bedoelt men hier elke handeling die een boodschap inhoudt. Het gehanteerde discours draagt bij tot het zelfbeeld van de actoren, hun identiteit, en van daaruit formuleren ze hun belangen. Op basis van die belangen past men zijn gedrag aan deze mentale constructie aan. Concreet resulteert het gedrag in Islamofobie.

 

Het constructivisme binnen de sociologie wordt onderbouwd door drie principes:

 

Hieruit volgen twee overwegingen. Een eerste daarvan is dat men aandacht moet hebben voor intersubjectiviteit. Hiermee wordt bedoeld dat de wijze waarop actoren een specifieke situatie interpreteren, bepaalt hoe ze zich zullen gedragen. De manier waarop men de handelingen van de moslimsgemeenschap of een lid uit die gemeenschap interpreteert, zal dus in sterke mate bepalen hoe men daartegenover zal reageren. Het is het geheel van de context die aanleiding geeft tot een bepaald gedrag en die context is afhankelijk van de inbreng van alle actoren die de context tot stand brengen.

 

Een tweede overweging is dat het constructivisme wenst af te stappen van de agent-structuur dichotomie door beide te integreren. Structuur en agent zijn immers wederzijds bepalend. Hiermee wordt bedoeld dat de structuur een invloed uitoefent op de actoren, want hij bestaat al, maar omgekeerd kunnen de actoren ook invloed uitoefenen op de structuur aangezien deze niet vast staat en dus kan gewijzigd worden. De structuur van onze samenleving mag dan al een invloed uitoefenen op onze gedragingen ten opzichte van moslims, wat soms ook wel structureel of institutioneel racisme wordt genoemd, dit wil niet zeggen dat de structuur niet kan veranderd worden. Door de context of de situatie anders te interpreteren kunnen we de structuur veranderen.

 

Het constructivisme stelt dus dat identiteiten en belangen niet vast staan. Het is nodig om na te gaan hoe deze identiteiten en belangen worden geconstrueerd en dus na te gaan hoe ze vorm hebben gekregen in en door interacties (Coolsaet, 2004, pp 182-184). Binnen het constructivisme heeft men vooral aandacht voor mentale constructies en bijgevolg zullen we Islamofobie behandelen als een mentale constructie. Het is een sociaal fenomeen, dat tot stand is gekomen tegen een achtergrond van onzekerheid, waarbij bepaalde belangen worden behartigd en nieuwe identiteiten gecreëerd.

 

 

1.2 DE GRAMSCIAANSE BENADERING

 

Een tweede belangrijke invalshoek zijn de gedachten van Gramsci met betrekking tot macht. Ideologie doet dienst als een legitimering van de bestaande machtsverhoudingen en als een verantwoording van de manier waarop een samenleving functioneert. Bij ideologie wordt weinig stilgestaan omdat het iets is dat onderhuids werkt, waarvan men zich niet bewust is. Macht behoeft dus legitimiteit en daartoe is ideologie, wat op zich een discours inhoudt, het perfecte instrument. Om uit te leggen wie dit discours uitdraagt en hoe het discours alomtegenwoordig wordt, daar komen de ideeën van Gramsci om de hoek.

 

Gramsci stelde dat binnen een samenleving, machtsstructuren de bestaande maatschappelijke omgeving/toestand verstevigen. Volgens Gramsci zijn er twee soorten macht. Er bestaat enerzijds macht op basis van dwangmiddelen en anderzijds macht op basis van consensus. In het eerste geval komt macht neer op het vermogen van actor X om actor Y te dwingen al dan niet iets te doen, wat deze niet zou gedaan hebben indien X hem niet gedwongen had. Het is echter vooral de tweede notie van macht die ons hier interesseert namelijk deze op basis van consensus. Macht op basis van consensus dient gezien te worden als moreel gezag, legitimiteit, instemming, aanvaarding, iets als werkelijkheid/realiteit beschouwen. Als men beide samen voegt, krijg je hegemonie.

 

Hegemonie komt dus neer op macht die op zijn beurt het resultaat is van dwang en instemming. Het is op die manier dat een samenleving dus ook hegemonistische discours kent. Een hegemonistisch discours kan gezien worden als een discours dat legitimiteit verschaft aan de bestaande machtsverhoudingen en aan de bestaande organisatie van maatschappelijke structuren. Het is aldus een klasse van machtigen die dit discours verspreidt en op die manier erin slaagt eigen belang voor te stellen als algemeen belang.

 

Om uit te leggen hoe dit discours wordt verspreid, dienen we volgens Gramsci te kijken naar het concept van bovenbouw-onderbouw van Marx. Gramsci stelt dat de bovenbouw op zijn beurt ook dient opgesplitst te worden tussen de staat en de civiele samenleving. Ideaaltypisch zijn deze gescheiden maar in werkelijkheid staan beide in interactie en heeft de staat dus middelen om een rol te spelen in de maatschappij. De staat heeft instellingen, instituties die mensen beïnvloeden in hun gedrag. Hierbij spelen intellectuelen een belangrijke rol. Zij creëren de ideeën, normen en waarden die de bestaande structuur ondersteunen en in stand houden. Op deze manier wordt de ideologie of het hegemonistische discours van de machtigen verspreid.

 

Hoe kan deze hegemonie dan doorbroken worden? Vanuit de maatschappij kunnen drukkingsgroepen ontstaan die alternatieve visies ontwikkelen voor de maatschappelijke realiteit. Deze vinden geleidelijk ingang in de consensus waardoor een nieuwe hegemonische consensus ontstaat. Deze leidt tot een mentale constructie waarin machts- of dominantiepatronen geleidelijk aan veranderen en er aldus een nieuwe werkelijkheid ontstaat (Coolsaet, 2004, pp 174-175).

 

Het huidige discours ten aanzien van moslims dient dan ook vanuit dit perspectief benaderd te worden. Islamofobie is in deze optiek een gedrag waarvoor een legitimerend hegemonistisch discours wordt geconstrueerd vanuit de racistische ideologie. Een mentale constructie die de discriminatie van moslims moet legitimeren. Het discours waarbij moslims worden gelijkgeschakeld met fundamentalisten of als aanhangers van een agressieve Islam moet zo instemming, legitimiteit verschaffen aan de bestaande machtsstructuren. Op deze manier wordt Islamofoob gedrag ten aanzien van moslims als normaal ervaren. Het feit dat racisme als ideologie nog steeds kan beschouwd worden als hegemonistisch moet mede verklaren waarom er Islamofoob gedrag is ten aanzien van de moslim gemeenschap. Er zit nog steeds racisme in onze instellingen, in onze maatschappelijke structuren en de ideologie is nog steeds aanwezig in de ‘common sense’ van velen. (institutioneel racisme)

 

 

1.3 HET SOCIAAL CONSTRUCTIVISME: CULTUUR, DISCOURS, IDENTITEIT

 

Ook het sociaal-constructivisme heeft een aantal analytische principes die geschikt zijn voor het onderzoeken van Islamofobie. Het komt neer op drie grote principes die ons zullen helpen om de maatschappelijke context van onzekerheid, waaraan het Islamofobe discours deels zijn bestaan te danken heeft, te interpreteren door het de status van mentale constructie toe te kennen.

 

De huidige wereldpolitiek wordt gekenmerkt door een vermeende ‘terugkeer van cultuur’ als bron van onzekerheid en als object van analyse. Een andere visie hierop is dat cultuur niet is teruggekeerd maar er altijd is geweest. Alle sociale onzekerheden worden cultureel geproduceerd in dit opzicht. Op die manier worden onzekerheden beschouwd als cultureel, in de zin dat ze geproduceerd worden in en door de context waarbinnen mensen betekenis geven aan hun handelingen, ervaringen en hun leven. Cultuur houdt dus in zich een veelheid van discours waardoor betekenissen worden geproduceerd met inbegrip van de discours over cultuur zelf. De veelheid aan discours impliceert dus ook dat betekenissen elkaar kunnen betwisten, bekampen (Weldes, 1999, pp 1-2).

 

Het zijn dus discours die binnen het sociaal-constructivisme geanalyseerd worden, waarbij de vraag wordt gesteld wat ze doen. Men gaat onzekerheden beschouwen als mentale constructies en niet als premissen die vaststaan op zich. Die mentale constructies dragen bij om de werkelijkheid te deconstrueren, waardoor onzekerheden het resultaat worden van culturele en sociale productie en niet gewoon een natuurlijk gegeven zijn. In tegenstelling tot de algemeen aanvaarde visie, die objecten van onzekerheid en onzekerheden zelf behandelt als natuurlijk/evident, behandelt men onzekerheden hier als wederzijds samengestelde culturele en sociale constructies. Onzekerheid op zich is het product van processen van identiteitsconstructie waarbinnen het ‘zelf’ en de ‘andere’ zijn gevormd. Vandaar dat we de aanname kunnen maken dat identiteit en onzekerheid geproduceerd worden in een gemeenschappelijk vormend proces. Onzekerheid versterkt de mentale constructie van identiteit en identiteit moet terug zekerheid brengen in de mentale constructie van onzekerheid.

 

Elke identiteit ontstaat in relatie tot een reeks verschillen die sociaal erkend worden. Die verschillen zijn essentieel voor het bestaan van de identiteit. Identiteit kan enkel tot stand komen in relatie tot wat het niet is, de verschillen. De verschillen worden op hun beurt gevormd in relatie tot de identiteit. Identiteiten zijn dus altijd afhankelijk en relationeel en ze worden dus gevormd, gemaakt. Als er druk komt op een identiteit dan vraagt dit de omschakeling van enkele verschillen in ‘anders zijn’, de verschillen worden dan als negatief voorgesteld. Identiteit veronderstelt dus differentiatie om te kunnen bestaan en transformeert verschil in ‘anders-zijn’ om het eigen bestaan te verzekeren.

 

Er bestaat dus een politiek van identiteit en onderscheiding/verschil via dewelke verschil kan getransformeerd worden in ‘anders-zijn’. Als dit gebeurd is, wordt dit ‘anders-zijn’ een bron van onzekerheid. Een identiteit is dan onzeker of staat onder bedreiging niet enkel door mogelijke acties van de ‘ander’ om de ware identiteit te beschadigen maar alleen al door het ‘anders-zijn’ van de andere. Verschil en ‘anders-zijn’ staan dus in een dubbele relatie tot identiteit, enerzijds construeren ze de identiteit en anderzijds bedreigen ze de identiteit. Dergelijke argumentatie ondersteunt de aanname dat onzekerheid verwikkeld is in het proces dat identiteit tot stand brengt en er bijgevolg ook een effect van is, eerder dan dat onzekerheid een extern/natuurlijk gegeven is dat bedreiging veroorzaakt. We nemen dus aan dat onzekerheid op verscheidene manieren voortvloeit uit het culturele proces van identiteitsconstructie en dat onzekerheden culturele producties zijn. (Weldes, 1999, pp 10-12)

 

De analytische principes waarmee sociaal-constructivisten te werk gaan, zijn de volgende:

 

  1. Wat verstaan wordt onder realiteit is sociaal geconstrueerd.

  2. Constructies van werkelijkheid, reflecteren, bepalen en vertegenwoordigen machtsrelaties. Bepaalde agenten of groepen spelen een vooraanstaande rol in de productie en de reproductie van deze realiteiten.

  3. Een kritische constructivistische aanpak deconstrueert/denaturaliseert dominante constructies, biedt richtlijnen voor de transformatie van de ‘common sense’ en bevordert de inbeelding van alternatieve leefwerelden. Het kritische constructivisme is daarbij reflexief.

 

 

1.4 DE WERKWIJZE VAN HET SOCIAAL-CONSTRUCTIVISME

 

1) Dat onzekerheden sociaal geproduceerd worden, komt voort uit het feit dat mensen handelen ten opzichte van objecten, met inbegrip van andere actoren, op basis van de betekenis die de objecten hebben voor hen. Constructivisme maakt dus de aanname dat mensen handelen op basis van de betekenissen die dingen voor hen hebben. Deze betekenissen zijn cultureel gevormd omdat ze mogelijk gemaakt worden door bepaalde discours die voorzien in categorieën om de wereld te kunnen verstaan/begrijpen. Het is in die zin dat identiteiten (eigen identiteit en identiteiten van anderen) en onzekerheden, in plaats van een extern/natuurlijk gegeven te zijn, groeien in een proces van representatie en het is via dit proces dat individuen de wereld voor zichzelf en anderen gaan omschrijven. Die representaties definiëren en vormen de wereld. De representaties kennen belangen toe, definiëren relaties en door dit te doen creëren ze onzekerheden, die op hun beurt bedreigingen vormen voor de identiteiten. Zo werd de notie ‘het Westen’ geconstrueerd door een reeks representaties van gevaar in de periode van de Koreaanse Oorlog. De representaties kenden belangen toe waardoor de belangen en de identiteit kwetsbaar werden voor onzekerheden. Op die manier ontstond er een ‘westerse identiteit’.

 

De samenstelling van identiteiten is vaak een wederkerig proces. Het verwezenlijken van de eigen identiteit, bedreigt op zich de identiteit van anderen, die ook een identiteit realiseren al dan niet in respons op de andere identiteit[1]. Beide identiteiten zijn dus onderling gevormd door een relatie van onzekerheid. Bijgevolg kan bv. een object als het internet aanleiding geven tot de constructie van identiteiten. De gemeenschap van hackers wordt door de staat beschouwd als een bedreiging (informatie die onder staatgeheim valt) die onzekerheid meebrengt voor haar belangen en identiteit. Omgekeerd kan de staat een bedreiging betekenen voor de hacker-gemeenschap (vervolging, vrijheidsberoving) en aldus onzekerheid impliceren voor hun belangen en hun identiteit. Het internet vertegenwoordigt in dit opzicht een bron van onzekerheid die aanleiding geeft tot de vorming van tegenover elkaar staande identiteiten.

 

Zoals eerder gesteld houdt cultuur een veelheid aan discours in zich waardoor de wereld dus vaak op verschillende, competitieve manieren wordt gerepresenteerd. Dit betekent ook dat elke representatie omstreden kan zijn en dus actief moet worden gereproduceerd. Betekenissen zijn niet vast of definitief, ze zijn echter voortdurend onderhevig aan verandering en altijd tijdelijk/provisioneel. Dominante discours moeten zichzelf dus voortdurend reproduceren om hun constructies van de wereld en de door hun geclaimde onzekerheden te verdedigen tegen uitdagingen. Het definiëren van zekerheden en onzekerheden vergt dus ideologische arbeid. De alternatieve discours die de dominante discours uitdagen, pogen dus op hun beurt de onzekerheden te herarticuleren om de dominante representaties aan te vechten. Dit is mogelijk omdat discours niet perfect coherent zijn en interne tegenstellingen en lacunes in zich houden. Daardoor kan er dus weerstand zijn tegen een dominant discours of kan het dominante discours een transformatie ondergaan. Het is in die zin dat cultuur het slagveld vormt van met elkaar in strijd zijnde discours.

 

Discours dienen hier niet louter opgevat te worden als retoriek. Discours zijn samengesteld uit linguïstische en niet-linguïstische handelingen. Discours hebben dus concrete en significante materiële effecten in die zin dat ze sociale capaciteiten en middelen verdelen en aldus handelingen mogelijk maken. De linguïstische dimensie komt erop neer dat discours een middel zijn om categorieën (identiteit, verschil) te construeren. De linguïstische en niet-linguïstische dimensie samen maken discours een middel om sociale feiten te produceren (zoals onzekerheden).

 

2) De door de discours gegenereerde constructies van de realiteit , voorzien in mogelijkheden en limieten. Ze maken het mogelijk om te handelen, maar stellen ook grenzen aan het handelen. Deze constructies van wat kan en wat niet kan, worden ‘common sense’ of aangenomen als evidentie wanneer ze erin geslaagd zijn om de relatie tussen specifieke constructies en de realiteit te doen overeenstemmen[2]. Anders gezegd zijn constructies geslaagd als ze worden beschouwd als de natuurlijke weergave van de realiteit. Of nog anders gezegd als de constructies van de realiteit worden beschouwd als juist/waar. Op die manier worden sociale constructies als een natuurlijk gegeven gezien zodat hun sociale oorsprong en hun constructieve aard worden verdoezeld[3]. Daarenboven wordt alles dat buiten het dominante discours valt - discours die een alternatieve wereld of leefstijl propageren - voorgesteld als ideologisch, onwaarschijnlijk, fictie of nonsens. Stuart Hall noemde de creatie van de common sense dan ook “ the moment of extreme ideological closure “.

 

Bijgevolg zijn discours domeinen van sociale macht op twee manieren. Eerst en vooral zijn sommige discours machtiger dan andere omdat ze gelokaliseerd zijn in en deel uitmaken van de institutionele macht. In het geval van bv. de staat, hebben staatsambtenaren toegang tot staatsinformatie waarover velen niet beschikken, hebben ze geprivilegieerde toegang tot de media en hebben hun representaties het voordeel van een constitutionele legitimiteit te genieten. Dominante discours worden en blijven dus dominant deels omwille van de machtsrelaties die hen ondersteunen. In gevallen waar de legitimiteit van dominante discours niet wordt uitgedaagd, worden deze representaties hegemonisch. Ze krijgen dan instemming door het grootste deel van hun publiek of van het volledige publiek en concurrerende representaties worden onschadelijk gemaakt. Discours impliceren ook machtsrelaties op een andere manier. Discours brengen de macht met zich mee om de wereld te definiëren en te vormen, waardoor deze representaties op zich belangrijke bronnen van macht zijn. In dit opzicht moet men over kennis beschikken om macht te hebben en omgekeerd om kennis te hebben moet men over macht beschikken. Foucault stelt dan ook dat “power and knowledge directly imply one another“.

 

Vraag die overblijft, is door wie de discours van gevaar of onzekerheid worden geproduceerd. In ‘statist societies’ worden deze onzekerheden voornamelijk gevormd in het domein dat we de staat noemen. Een staat is een culturele productie die tot stand komt door ‘statist discourses’. Deze vormen de staat en stellen de staat voor als een subject. Deze representaties geven aan de staat een subjectstatus met een specifieke identiteit en belangen die met die identiteit verbonden zijn.

 

In die zin zijn het de individuen die werkzaam zijn binnen de staat die een centrale rol spelen in het construeren van onzekerheden. Het zijn dus staatsambtenaren die de autoriteit hebben zekerheden en onzekerheden te definiëren en om de beste oplossing te vinden voor mogelijke bedreigingen of gevaren. De staat mag hier echter niet te eng gezien worden. Gramsci spreekt in deze van de ‘uitgebreide staat’ die ook discours van onzekerheid produceert via scholen, kerken, media en andere instellingen van de civiele maatschappij. Binnen de civiele maatschappij bestaan er echter talloze gemeenschappen die zelf ook een identiteit ontwikkelen. Het is uiteindelijk in de botsing van deze verschillende identiteiten dat de politiek van ‘anders-zijn’ en de culturele productie van onzekerheid kan gevonden worden.

 

3) Het laatste gehanteerde principe binnen het sociaal-constructivisme, het deconstrueren/ denaturaliseren, dient om afstand te nemen van de agent om eerder de structuren die werkzaam zijn te onderzoeken. De common sense of de consensus die aanwezig is bij de agent dient dus kritisch te worden onderzocht, want deze is niet DE waarheid of realiteit. Voor Gramsci was common sense niets meer dan wijdverspreide en ongecoördineerde kenmerken van een algemene denkwijze. Wat het proces van denaturalisatie doet, is het onfamiliair of vreemd maken van de common sense overtuigingen en zo de constructie die erachter zit blootleggen. Het deconstrueren is dus het zichtbaar maken van de constructieve status van discours, representaties en de common sense.

 

Het sociaal-constructivisme in zijn geheel probeert dan ook de natuurlijke aannames veroorzaakt door de dominante representaties van de wereld uit te dagen. Een kritische analyse doet dus niet wat een theorie van probleemoplossing doet. Probleemoplossende theorieën nemen de wereld zoals ze deze vinden en zien de bestaande sociale verhoudingen, machtsrelaties en instituties voor hun organisatie als een raamwerk. Het doel van een dergelijke ‘gegeven’ organisatie is het doen werken van die relaties en instellingen om zo effectief bronnen van problemen op te lossen. Men gaat er dus niet van uit dat de realiteit slechts een mentale constructie is en er ook anders had kunnen uitzien. Een kritische theorie daarentegen gaat juist de natuurlijke status van de realiteit in vraag stellen. Ze daagt dus de realiteit of common sense uit door de constructies die eraan ten grondslag liggen, zichtbaar te maken en bloot te leggen. Op die manier probeert een kritische theorie aan te tonen dat een andere wereld mogelijk is en dat we die als we willen ook nog zelf kunnen construeren…(Weldes, 1999, pp 13-21)

 

 

2. MAATSCHAPPELIJKE CONTEXT

 

Nieuwe discours ontstaan altijd tegen een maatschappelijke achtergrond. Het discours van de ‘war on terrorism’, het discours dat zich richt tegen moslims en het ‘wij’ tegen ‘zij’ discours in het algemeen zijn hiervan allemaal voorbeelden. De realiteit mag dan wel een mentale constructie zijn alsook de onzekerheden die eruit voortvloeien, ze bepalen toch ons handelen en onze gedragingen. Vandaar dat we ook voor het huidige gedrag ten aanzien van moslims de ‘geconstrueerde’ realiteit moeten belichten. Aanvangspunt hiervoor is het einde van de Koude Oorlog en aldus de implosie van de Sovjetunie in 1991. Deze gebeurtenissen hebben bijgedragen tot het ontstaan van nieuwe discours, andere machtsstructuren, nieuwe mentale constructies en aldus nieuwe of getransformeerde identiteiten en onzekerheden.

 

Na het einde van de Koude Oorlog had men een nieuwe wereldorde voor ogen. Het zou een wereld worden zonder oorlog, met welvaart voor iedereen. Er zou op basis van het internationale recht een nieuwe wereldorde komen en er was een ongebreideld optimisme aanwezig in de internationale relaties om dit te verwezenlijken. Tien jaar later is dit optimisme verdwenen. Zowel een wereld zonder oorlogen als welvaart voor iedereen lijken niet langer mogelijk. Het einde van deze idealen wordt gesymboliseerd door de keldering van de Thaise baht in 1997 en de terreuraanslagen van elf september 2001 (Coolsaet, 2005, p 17).

 

 

2.1 SYMPTOMEN VAN ONZEKERHEID

 

De transitiejaren hebben ons wakker geschud waarbij de nieuwe wereldorde eerder wordt gezien als een wereldorde vol chaos en onzekerheid. De structurele en conjuncturele oorzaken voor wat men ‘systemische onzekerheid’ is gaan noemen, komen later aan bod. Met de onzekerheid, die de nieuwe wereldorde in opbouw met zich meebracht, kwamen ook andere tendensen aan de oppervlakte in de jaren ’90.

 

2.1.1 RELIGIEUS EXTREMISME

 

In de loop van de jaren ’70 was er een religieuze revival in de wereld. In de moslimwereld uitte zich dat onder de vorm van een fundamentalistische (salafistische) stroming, die een terugkeer voorspiegelde naar de schijnbaar eenvoudige wereld ten tijde van de Profeet Mohammed[4]. De Iraanse revolutie van 1979, die neerkwam op de sji’ietische machtsgreep onder leiding van Ayatollah Komeiny, bracht het pro-westerse regime van de Sjah ten val. Het Islamisme brak daarmee definitief door op de internationale scène. Toen ongeveer tien jaar later in Afghanistan de oorlog eindigde, doordat de Sovjettroepen zich terugtrokken, geloofden sommigen, zowel in de moslimwereld als in het Westen, dat de wederopstanding van de moslimwereld een feit was. De succesvolle Afghaanse jihad had de hoop doen groeien voor jihadi-activisten van Egypte tot Bosnië en van Saoedi-Arabië tot Algerije, om te trachten in eigen land de moslimbevolking te mobiliseren tegen de lokale bestaande regimes. Dit ‘islamitische’ terrorisme eiste in de jaren ’90 in Algerije alleen al 150.000 mensenlevens[5].

 

Toen het rond de jaren ’90 steeds duidelijker werd dat de nationale pogingen om ‘zuivere’ moslimregimes te vestigen overal mislukten, besloten enkele jihadi-activisten, zoals de Saoedi Osama bin Laden en de Egyptenaar Ayman al-Zawahiri om een andere strategie te hanteren. Een grote symbolische slag tegen de Verenigde Staten moest een nieuwe stimulans geven aan/in de wereldwijde jihad[6]. Op deze manier moest men de massa’s kunnen aansporen om de strijd tegen de lokale regimes op te nemen.

 

2.1.2 DE OPKOMST VAN EXTREEMRECHTS

 

In Europa kwam er een andere parallelle tendens aan de oppervlakte: de opmars van extreemrechtse en rechts-populistische partijen. Deze bestendigden zichzelf in de jaren ’80 (de zwarte zondag in België als meest gekend voorbeeld hiervan), slaagden er in de jaren ’90 in om verder uit te groeien door succesvolle verkiezingsuitslagen en streven nu naar effectieve deelname binnen de politieke machtsconstellatie.

 

Overal in Europa ontstonden dus extreemrechtse partijen met als gemeenschappelijk kenmerk de strijd tegen de toegenomen migratie uit niet-Europese staten en het ‘geconstrueerde’ onbehagen dat eruit voortkwam. Migratiestromen zorgen steeds voor wrevel in samenlevingen en deze keer speelden de nationalistisch geïnspireerde partijen daar gretig op in[7]. Hierdoor werd het politieke klimaat beheerst door het debat rond integratie en multiculturalisme. De sociale relaties tussen moslims en niet-moslims werden het voorwerp van contestatie.

 

2.1.3 EEN UNIVERSEEL ONBEHAGEN

 

De incentive voor beide gelijktijdige bewegingen was een universeel onbehagen. Zowel het religieuze extremisme met zijn terroristische uitloper als de extreemrechtse (populistische) formaties hebben met elkaar gemeen dat ze simpele oplossingen en identitaire referentiepunten aanreiken voor de complexiteit in de wereld. Het is dan ook niet verwonderlijk dat men in beide ‘kampen’ het ‘Wij-tegen-Zij’ discours hanteert.

 

Vandaag is er dan ook één kenmerk dat de mensen uit alle continenten verenigt namelijk het gedeelde ongenoegen over de gang van zaken in de wereld en in eigen land, vandaar dat we spreken van een universeel onbehagen. Net zoals in de jaren ’30 beleven we tijden van onzekerheid en ongeloof in de maakbaarheid van de samenleving (Coolsaet, 2005, pp 21-24).

 

Mensen beschouwen zichzelf als een speelbal van de maatschappij en gedragen zich daar ook naar. De huidige situatie waarin Islamofoob gedrag en het anti-moslim discours voor sommigen nieuwe zekerheden zijn geworden, dient bekeken te worden binnen het kader van systemische onzekerheid. Het universeel onbehagen, het zoeken naar nieuwe zekerheden via religieus extremisme of via het steunen van extreemrechtse (populistische) formaties, het algemene ‘wij tegen zij’ discours en het zondebokfenomeen dat vooral moslims in zijn vizier neemt, zijn allemaal symptomen van een wereld die gekenmerkt wordt door systemische onzekerheid.

 

 

2.2 OORZAKEN VAN SYSTEMISCHE ONZEKERHEID

 

De transitiejaren brachten een nieuwe maatschappelijke achtergrond van systemische onzekerheid met zich mee. Belangrijke vraag is echter hoe deze nieuwe maatschappelijke achtergrond of mentale constructie van systemische onzekerheid tot stand kwam? De maatschappelijke context van systemische onzekerheid is het gevolg van een samengaan van structurele en conjuncturele oorzaken. De structurele oorzaken zijn het einde van de Koude Oorlog en het einde van de bipolariteit. Ze zijn structureel omdat de Koude Oorlog en de bestaande bipolariteit de wereld hadden opgedeeld in twee kampen wat ervoor zorgde dat er een zekere stabiliteit, voorspelbaarheid en zekerheid was binnen de internationale relaties ondanks het negatieve karakter van deze toestand. Het verdwijnen van deze opdeling zorgde dus voor een eerste onzekerheid, men wist niet wat er ging gebeuren.

 

De conjuncturele oorzaken zijn een viertal lange termijntrends. Deze lange termijntrends zijn op zich niet nieuw aangezien het cyclische processen zijn. De wereld werd in de jaren ’90 met deze lange termijntrends geconfronteerd:

 

 

Doorgaans vallen deze cycli niet samen in de tijd en wordt de onzekerheid die voortvloeit uit één cyclus gecompenseerd door de blijvende zekerheden en ijkpunten in andere cycli. In de transitieperiode was dit echter niet het geval. Zowel op het niveau van het internationale systeem, de staat, de samenleving en het individu werden de ijkpunten, zekerheden onderuit gehaald door één van de bovenstaande lange termijntrends. We spreken dan ook van systemische onzekerheid omdat tijdens het transitiedecennium de bestaande ijkpunten of zekerheden op alle niveaus tegelijkertijd in beweging waren. De confrontatie met deze lange termijntrends, het zichtbaar en voelbaar worden ervan, samen met het einde van de Koude Oorlog en van de bipolariteit zorgde ervoor dat men het gevoel kreeg van een chaotische wereld, van wereldwanorde in plaats van de ‘New World Order’ geproclameerd door Bush in het begin van de jaren ’90 (Coolsaet, 2005, pp 29-31).

 

Het samenvallen van de vier lange termijntrends en de onzekerheden die ermee samen gaan hebben de behoefte aan nieuwe zekerheden vergroot. Daar waar men verwachtte dat de staat een antwoord zou ontwikkelen op de nieuwe onzekerheden, bleef de staat in gebreke. Onderzoek in Nederland gaf aan dat vele Nederlanders het gevoel hadden dat hun veilige en vertrouwde samenleving snel aan het verdwijnen was. Indien een samenleving te snel verandert, worden burgers onzeker. De Nederlanders verwachten dan ook dat er hen een hardere en meer competitieve samenleving te wachten staat, met toenemende criminaliteit en toenemende spanningen tussen allochtonen en autochtonen (Sociaal en cultureel rapport, 2004).

 

Het feit dat de staat niet met zekerheden kwam aandraven voor de samenleving, zorgde ervoor dat het individu op zichzelf aangewezen was, wat ondermeer de opkomst van ‘identity politics’ verklaart. Mensen mobiliseren zich vandaag opnieuw rond oude eisen langs etnische, religieuze, raciale en culturele lijnen. Een UNDP-rapport over culturele identiteit omschreef het gevaar van dergelijke ‘identity politics’ als volgt: “ These struggles over cultural identity, if left unmanaged or managed poorly, can quickly become one of the greatest sources of instability within states and between them – and in so doing, trigger conflict that takes development backwards. Identity politics that polarize people and groups are creating fault lines between us and them” (Human Development Report, 2004).

 

Op het niveau van de samenleving zorgde de maatschappelijke context van onzekerheid voor een (her)ontdekking van identitaire kenmerken als religie en natie. Deze identitaire kenmerken moesten de rol vervullen van anker van zekerheid in een omgeving gekenmerkt door onzekerheid (Coolsaet, 2005, pp 61-63).

 

Het is vooral dit samengaan van onzekerheid en het ontwikkelen van andere/nieuwe identiteiten dat van belang is in de ontwikkeling van een anti-moslim discours en het Islamofoob gedrag dat eruit voortvloeit. Het zijn de belangen, aangetast door de onzekerheid, van groepen mensen binnen de samenleving die aanleiding zullen geven tot het vormen van een nieuwe identiteit waarbij het realiseren van die nieuwe identiteit zal botsen met andere identiteiten. Als legitimering voor deze nieuwe identiteit en de nieuwe belangen dient er een discours geconstrueerd te worden en dat discours is wat we Islamofobie noemen…

 

 

3. DE ROL VAN TERRORISME

 

In het hele discours van Islamofobie wordt er dus zoveel mogelijk naar argumentatie gezocht, ideologisch strijdmateriaal om het gehanteerde discours te rechtvaardigen en om het de status van een hegemonistisch discours te bezorgen. Het is duidelijk dat men heil heeft gevonden in het discours omtrent de ‘war on terrorism’. Hoewel Islamofobie zeker en vast geen rechtstreekse exponent is van de ‘war on terrorism’ moeten we toch het terrorisme belichten als katalysator van het ‘anti-moslim’ discours.

 

 

3.1 INVLOED VAN HET ‘TERRORISME DISCOURS’

 

3.1.1 TERRORISME ALS OBSTRUCTIE VOOR ANDERE DISCOURS

 

Het terrorisme vormt eerst en vooral een katalysator voor het ‘anti-moslim’ discours omdat alle politieke energie wordt opgeslorpt door de strijd tegen het terrorisme. Daardoor is er ondermeer een ideologische tijdbom aan het tikken, die niet onschadelijk wordt gemaakt, in de vorm van een algemeen ‘Wij-tegen-Zij’ discours. Een dergelijk discours zet aan tot identitaire egelstelling en draagt het risico in zich om af te glijden naar een botsing tussen gemeenschappen, zowel in als tussen landen. Amin Maalouf stelde in zijn ‘Les identités meurtrières’ dat elke mens een ‘complexe’ en ‘samengestelde’ identiteit bezit. Wanneer iemand zich door discriminatie bedreigd voelt in één van de deelaspecten van zijn identiteit, zeker in het geval van taal en religie, dan zal dat ene bedreigde aspect de hele identiteit gaan domineren. De solidariteit tussen soortgenoten kan dan leiden tot een geconstrueerde groep die zich gaat gedragen als een ‘moorddadig roofdier’ zoals we gezien hebben in Rwanda en Joegoslavië.

 

Het algemene ‘Wij-tegen-Zij’ discours ligt aan de basis van het toenemende anti-semitisme en racisme, maar ook van het hysterische klimaat rond het multiculturalisme – en integratiedebat. Het kristalliseert zich vandaag vooral in het groeiende onbegrip tussen niet-moslims en moslims en als een botsing tussen het westen en de Islam of -zoals Huntington het verwoord- tussen het westen en de rest van de wereld. Het is dan ook de manier waarop de strijd tegen het terrorisme de laatste jaren gevoerd werd, die het wantrouwen tussen beide versterkt heeft en de culturele, religieuze en etnische tegenstellingen in de wereld verscherpt (Coolsaet, 2005, p 82).

 

Doordat het terrorisme de internationale agenda helemaal opslorpt, komt er geen vooruitgang in het ontladen van het ‘Wij-tegen-Zij’ discours. Daarentegen wordt onder de vlag van de ‘war on terrorism’[8] een oorlog begonnen in Irak die het ‘Wij-tegen-Zij’ discours nog aanwakkert. Het ideologische doel van de Irak oorlog was namelijk het installeren van een democratische voorpost in het Midden-Oosten. Merk op dat op deze manier ‘Wij’ weer wordt voorgesteld als superieur ten opzichte van ‘Zij’ en weinig bijdraagt aan het ontladen van de spanningen tussen ‘wij’ en ‘zij’. Daarenboven wordt terrorisme gezien als het nieuwe grote gevaar en direct geassocieerd met moslims. Een mogelijke gedachtegang in dit opzicht ziet er als volgt uit: “Elke moslim gelooft in de Koran, de Hadith en de Sharia en wordt bijgevolg verwacht ook te geloven in de jihad[9]. Het feit dat de terroristen religieuze extremisten zijn of onder die vlag handelen, vormt bijgevolg evidentie dat elke moslim een mogelijke bedreiging vormt en dus een mogelijke terrorist is. Het terrorisme wordt dus voorgesteld als het ‘nieuwe’ grote gevaar”. Dit is compleet absurd en hoewel wat simplistisch voorgesteld dient dit aan te tonen hoe men tot een mogelijke mentale constructie komt over moslims in deze wereld. Het voorstellen van het terrorisme als het nieuwe gevaar zorgt voor een (onterechte) associatie die dus ook moslims gaat voorstellen als het nieuwe gevaar in en voor ‘onze’ wereld.

 

Het feit dat jihadi-terroristen hun daden op basis van religieuze gronden rechtvaardigen, zorgt ervoor dat Islam als religie, als gevaarlijk wordt gezien. Men associeert Islam vandaag met een religie die terroristische daden rechtvaardigt of beter in zich draagt. Dit is natuurlijk niet wat Islam uitdraagt maar via discours omtrent de ‘jihad’ wordt Islam voorgesteld/geconstrueerd als een agressieve religie die één van de gronden vormt waarop terroristen handelen. Elke moslim die de Islam belijdt, wordt in dit opzicht gezien als iemand die terroristische daden niet afkeurt.

 

In dit opzicht ziet men een moslim eerder als iemand die de terroristische daden gedoogt omdat hij dezelfde religie aanhangt als de religie die wordt gehanteerd door jihadi-terroristen om hun handelen te rechtvaardigen/legitimeren[10]. Hierin kan dus ook een verklaring worden gezien waarom men negatief/Islamofoob gedrag vertoont ten aanzien van moslims als gemeenschap[11]. Kortom het terrorisme zorgt voor bijkomende mentale constructies, met betrekking tot belangen, identiteiten en onveiligheden, die het ‘anti-moslim’ discours intensifiëren.

 

3.1.2 TERRORISME ALS INTERNATIONALE AGENDA

 

Terrorisme is dus naast de reële bedreiging die het vormt ook een mentale constructie van onzekerheid/onveiligheid die identiteiten en belangen transformeert. De internationale agenda wordt vandaag opgeslorpt door het terrorisme en de strijd tegen terrorisme. “ Terrorism changed the agenda of the World “ stelde de Spaanse premier Aznar eind 2001 (Wall Street Journal; 2001). Dat terrorisme het belangrijkste onderwerp is binnen de huidige internationale relaties kan verdedigd worden, maar kan ook aangevochten worden. Voor vele niet-westerse landen zijn er grotere bedreigingen dan het internationale terrorisme. Burgeroorlogen, georganiseerde misdaad, aids, armoede en ecologische vraagstukken vormen in andere delen van de wereld een grotere bron van onveiligheid/onzekerheid dan terrorisme. Blijkbaar wordt de internationale agenda nog sterk bepaald door wat de ‘machtige’ staten zien als bedreiging. Met andere woorden de onzekerheid die nu wordt gekoppeld aan ‘terrorisme’ zou er anders uitzien indien de internationale machtsstructuren er anders zouden uitzien (Coolsaet, 2005, pp 81-82). Zoals eerder al gesteld in de methodologie zijn het dus individuen die werkzaam zijn binnen de staat of in het internationale systeem die een centrale rol spelen in het construeren van onzekerheden. Het zijn dus staatsambtenaren die de autoriteit hebben zekerheden en onzekerheden te definiëren en om de beste oplossing te vinden voor ‘bedreigingen of gevaren’.

 

Wat het discours rond terrorisme hier ook aantoont, is dat de samenstelling van identiteiten vaak een wederkerig proces is. Het verwezenlijken van de eigen identiteit, bedreigt op zich de identiteit van anderen, die ook een identiteit realiseren al dan niet in respons op de andere identiteit. Beide identiteiten zijn dus onderling gevormd door een relatie van onzekerheid. De onzekerheid in deze is ‘terrorisme’ en draagt dus bij aan de constructie van de ‘westerse’ identiteit en de ‘moslim’ identiteit in reactie daarop. In veel Arabische en moslimlanden alsook bij moslims in het Westen vinden we een spiegelbeeld van de angst in het Westen voor de Islam. In een groot deel van de moslimwereld leeft het gevoel dat de Islam aan de schandpaal staat, terwijl niet-moslims de Islam vrezen. Onder Arabische moslims leeft de opvatting dat het Westen hen onder de duim wil houden. Het idee is er dan ook wijdverspreid dat het Westen tegen hen is. Vandaar het gevoel dat zij zich tegen het Westen moeten verdedigen en dat de westerse oorlog tegen het terrorisme in realiteit een oorlog tegen de Islam is. In de moslimwereld leeft het idee dat de Islam bedreigd wordt en dit verklaart het toegenomen gevoel van solidariteit onder moslims over de wereld. Het is via dit gevoel van marginalisering dat men jonge ‘kwade’ moslims vindt/rekruteert die bereid zijn tot zelfmoordaanslagen en terreuraanslagen. De oorlog in Irak heeft die motivatie nog ververst en er wordt handig gebruik van gemaakt als propagandamiddel door jihadi-extremisten. (Coolsaet, 2005, p 220)

 

 

3.2 TERRORISME ANDERS BEKEKEN

 

We kunnen dus stellen dat het terrorisme discours enigszins wordt misbruikt in functie van de eigen belangen. Men zou het hele ‘anti-moslim’ discours kunnen helpen ontladen indien men terrorisme op een juiste manier ging voorstellen. Een juiste manier betekent hier een analyse van wat terrorisme dan wel precies is eerder dan het discours dat wordt opgehangen aan dit begrip.

 

3.2.1 TERRORISME ALS DE ‘NIEUWE’ BEDREIGING?

 

Elke generatie die te maken krijgt met terrorisme denkt dat het terrorisme een nieuw verschijnsel is en daarbij wordt terrorisme telkens weer op een sokkel gezet als grootste bedreiging voor de mensheid. Terrorisme is echter van alle tijden, alle werelddelen en kent allerlei zingevingen. Het feit dat het er niet altijd is, maar komt en gaat in golven en er veel tijd verstrijkt tussen deze golven, zorgt ervoor dat men telkens opnieuw denkt dat het hier een nieuw fenomeen betreft. Golven van ‘internationaal terrorisme’ komen voor in specifieke tijdvakken, waarin een te snel evoluerende wereld grote groepen mensen, volken of landen het gevoel geeft, gemarginaliseerd te zijn. Dit gevoel van aan de zijlijn van de samenleving te staan, vormt de kweekgrond waarop terroristische groepen inspelen om de terreur te rechtvaardigen en om legitimiteit te verschaffen aan hun doelstellingen of belangen. Hoe nieuw terrorisme is en wat terrorisme inhoudt wordt hierna verder verduidelijkt.

 

Als we kijken naar gegevensbanken die de manifestaties van internationaal terrorisme bijhouden zoals de RAND Corporation en het jaarlijkse rapport ‘Patterns of Global Terrorism’, zien we dat op basis van relatieve cijfers de grafieken een neerwaartse curve van een afnemend aantal aanslagen weergeven[12]. Zo blijkt ondermeer dat de jaren 2002 en 2003 de terreurarmste waren van de afgelopen 32 jaar volgens het ‘Patterns’ rapport. Het is niet de eerste maal dat deze dalende trend werd vastgesteld. Wel merkten een aantal experts op dat er ook een parallelle trend is van een hoger slachtofferaantal per terroristische aanslag. Dus er zijn minder aanslagen maar per aanslag wel meer slachtoffers. Nadere analyse bracht echter aan het licht dat dit hogere slachtofferaantal per aanslag vooral een gevolg was van het dramatische dodental op elf september. Het definitieprobleem met betrekking tot terrorisme indachtig moet men deze cijfers omzichtig bekijken. Maar deze indicatieve cijfers moeten aantonen dat het gevoel rond het nieuwe gevaarlijke fenomeen van terrorisme alvast genuanceerd moet worden (Coolsaet, 2005, pp 197-202).

 

3.2.2 DE EVOLUTIE VAN ‘HET’ TERRORISME

 

Naast het feit dat terrorisme geen nieuw gegeven is, dienen we ook even stil te staan bij wat we dan dienen te verstaan onder terrorisme. Het woord wordt gemakkelijk in de mond genomen maar een éénduidige definitie van terrorisme is er feitelijk niet. Één van de belemmeringen hiertoe is dat het terrorisme als strategie en methode in de tijd en ruimte verschuivingen doormaakt. Zo sprak men in de jaren ’60 van een ‘modern’ terrorisme. Dit ‘moderne’ refereert naar de gewijzigde modus operandi bv. vliegtuigkapingen of gijzelingen en gewijzigde kwalitatieve aspecten zoals stijging van het aantal slachtoffers per aanslag, stijging van het aantal incidenten en het gebruik van de media door terroristen. In de jaren ’70 interpreteerde men terrorisme als een fenomeen dat uitsluitend gericht was op het psychologische effect bij het grote publiek. In de jaren ’80 en ’90 verschoof de aandacht naar de willekeur bij de keuze van doelwitten en de ideologische verschuiving van seculiere naar religieuze beweegredenen. De voortdurende evolutie van het terrorisme in tactiek, strategie en doelwitten, en de evolutie doorheen tijd en ruimte maken een éénduidige definiëring moeilijk.

 

3.2.3 DE BETEKENISSEN VAN TERRORISME

 

Een andere hinderpaal met betrekking tot het terrorisme is de emotionele geladenheid van de term. Met het verloop van de Franse Revolutie kreeg het woord zijn vigerende betekenis: een scheldwoord met criminele implicaties. Bij wie de term hanteert is een negatieve politieke connotatie aanwezig. De ideologische constructie van de term ‘terrorisme’ is slechts een functie van macht. Daarbij moeten we er ons van bewust zijn dat de term ‘terrorisme’ soms gekleefd wordt op daden van politieke aard die gebruik maken van methodes die niet stroken met de bestaande en algemeen aanvaarde normen van politieke actie. Het is dan ook soms moeilijk een onderscheid te maken tussen terrorisme en andere vormen van politiek geweld. Het grootste probleem in het duiden van terrorisme is de gelijkschakeling ervan met guerrilla, vrijheidsstrijd of politiek geweld. Wat voor de ene terrorisme is, maakt volgens de andere deel uit van een vrijheidsstrijd. In die zin kan terrorisme dus ook gezien worden als een mentale constructie die door ‘slachtoffer’ en ‘dader’ anders gepercipieerd worden. Het is het verschil tussen willekeurig geweld en geweld met een boodschap. Het is dan ook vaak de boodschapper die in de brokken deelt, terwijl men met de boodschap weinig of geen rekening houdt. Terrorisme maakt in die zin dus een discours uit omdat het belangen weerspiegelt. De belangen van hen die hun belangen willen verzekeren en de belangen van hen die deze belangen nog moeten afdwingen/verkrijgen. Het is de belangenstrijd die in deze optiek de term voorziet van een betekenis.

 

Daar waar men in de jaren ’50-’60 het revolutionaire geweld van sommigen nog ziet als een gerechtvaardigde vrijheidsstrijd, zien we dat de internationale omgeving zich minder tolerant toont vanaf de jaren ’70. Terrorisme reflecteert dus historische tijdvakken waarbij de betekenis van de term afhankelijk is van de maatschappelijke en veranderende omgeving. Zoals al eerder gesteld, moeten dominante discours zichzelf dus voortdurend reproduceren om hun constructies van de wereld en de door hun geclaimde onzekerheden te verdedigen tegen uitdagingen. Ook het terrorisme discours moet zichzelf voortdurend reproduceren om als dominant discours de internationale relaties te bepalen. Aangezien terrorisme vandaag wordt beschouwd als één van de belangrijkste internationale agendapunten blijkt het terrorisme discours daarin te slagen door zichzelf voor te stellen als nieuw en uiterst gevaarlijk.

 

Aangezien terrorisme in feite een gecontesteerd begrip vormt, is het misschien beter om een aantal distinctieve/consensus kenmerken aan te duiden om te omschrijven wat terrorisme dan wel mag zijn; de essentie van terrorisme:

 

 

Terrorisme wordt dan ook soms beschouwd als uniek binnen het spectrum van geweld door het samenspel van allesoverheersende doelstellingen, de ideologie die het terrorisme heiligt en het niet-discriminerende karakter van de daad. De manier waarop de doelstellingen worden nagestreefd strookt niet met de bestaande normen van politieke actie. De doelwitten zijn doorgaans de symbolen van de macht van de tegenstander. Het neveneffect is wijdverspreide angst en intimidatie (Coolsaet, 2005, pp 203-206).

 

3.2.4 HET INTERNATIONAAL TERRORISME

 

De term ‘internationaal’ terrorisme zoals het ‘al-Qaeda-terrorisme’ waarmee we geconfronteerd werden, laat zich echter ook niet éénduidig vatten en verschilt ook qua betekenis naargelang het tijdvak. Het jihadi-terrorisme zoals dat van al-Qaeda bevat vier elementaire ingrediënten.

 

  1. het is terreur door groepen, die geen instrumenten zijn in handen van staten en die geen staatsbelangen dienen

  2. de groepen zijn over de grenzen heen met elkaar verbonden in een wereldwijd opererend terreurnetwerk[13]

  3. ze houden er eenzelfde ideeëngoed op na en ze verantwoorden hun terreurdaden vanuit een gemeenschappelijke, universele, revolutionaire ideologie die specifieke en concrete binnenlandse eisen en conflicten overstijgt

  4. hun daden jagen een schokgolf door de internationale gemeenschap wat zorgt voor angst en obsessie ten aanzien van ‘terrorisme’

 

Als we deze elementen bekijken zien we dat het ‘internationaal’ terrorisme niets nieuws is. In de afgelopen honderd jaar zijn er drie golven van dergelijk internationaal terrorisme: het anarchistische terrorisme, het extreemrechtse panfascistische terrorisme en het jihadi-terrorisme. Het is niet de bedoeling om deze allemaal te gaan analyseren, enkel aantonen wat de reactie was van de maatschappij ten aanzien van dit ‘nieuwe’ gegeven. Het blijkt dat de reactie vergelijkbaar was met de huidige ‘paniekgolf’ met betrekking tot het jihadi-terrorisme. Tijdens de jaren 1880-’90 met de opkomst van het anarchistische terrorisme, waarbij de anarchisten onder meer tot doel hadden de arbeidersklasse te ontdoen van de marginalisering waaraan ze ten prooi viel, kreeg men soortgelijke reacties als met het jihadi-terrorisme nu. Op straat werd elke arbeider als een potentiële terrorist beschouwd. Men leefde in de ban van de aanslagen. Op dezelfde manier werd het terrorisme uitgeroepen tot een grote bedreiging. In sommige landen werd zelfs het leger in staat van paraatheid gebracht en in de pers sprak men van ‘dolle honden’ (Coolsaet, 2005, pp 207-210).

 

Terrorisme is niet nieuw in de zin dat het alleen wordt gebruikt door religieuze extremisten want nog niet zo lang geleden, hanteerden anarchisten hetzelfde instrument om de situatie van arbeiders aan te klagen binnen de samenleving. Daarnaast incorporeerden fascistische regimes terroristische groepen in hun strategie om de fascistische ideologie te laten zegevieren. Terrorisme is dus niet nieuw en dient niet enkel gezien te worden als iets dat extremistische moslims hanteren. Anders gezegd zijn het niet de extremistische moslims die gezorgd hebben voor ‘HET’ terrorisme, ze hebben wel gezorgd voor ‘een’ nieuwe golf van terrorisme.

 

Het doembeeld dat blijkbaar opduikt bij een terroristische golf heeft zich dus nu ook weer genesteld in de hoofden van de internationale samenleving. En ook nu zien velen in moslims een bedreiging als potentiële terroristen. Blijkbaar worden er geen lessen getrokken uit de geschiedenis en nemen staten hier opnieuw hun verantwoordelijkheid niet op om hun bevolking te informeren en de onzekerheden draaglijker te maken. Degelijke informatie zou ook de beeldvorming ten aanzien van moslims en Islam verbeteren. Het beeld dat mensen nu hebben is een doembeeld en er wordt weinig gedaan van overheidswege om dit beeld te ontkrachten. Het terrorisme discours wordt in die zin alleen al misbruikt omdat men het ware/juiste verhaal achter het begrip niet vertelt. Dergelijke informatie zou zijn dat, al-Qaeda en de groepen die ermee verbonden worden, niet meer zijn dan extremistische splintergroepen in de moslimwereld, die niet verbonden zijn met de grote islamitische bewegingen die kiezen voor de democratische weg of geweld althans van de hand wijzen. Zij hebben geen politiek project, tenzij met geweld aan de macht komen. Daartoe beroepen zij zich op een geperverteerde simplistische interpretatie van de islam en rekruteren in populaties die zich uitgesloten voelen in de samenleving waarin ze wonen (Coolsaet, 2005, pp 219). Deze laatste zin zou dan kunnen bijdragen tot een positieve houding van diegenen (moslims) die zich niet achter dergelijk jihadi-terrorisme scharen of zich ‘bezondigen’ aan een simplistische islam, wat op zijn beurt weer bijdraagt aan het ontladen van het algemene ‘wij-tegen-zij’ discours. Dergelijke informatietaken  zijn weggelegd voor de media maar zoals we zullen zien, blijken deze de beeldvorming niet te neutraliseren.

 

3.2.5 OORZAKEN VAN HET ‘TERRORISME’

 

Als we de rol van terrorisme ten aanzien van het ‘anti-moslim’ discours willen begrijpen, dienen we ook te kijken naar de oorzaken van dit terrorisme. Terrorisme is verbonden met het ‘anti-moslim’ discours omdat dit discours juist bijdraagt en in ‘uitzonderlijke’ gevallen een incentive vormt om over te gaan tot terrorisme. Men kan dus stellen dat ze elkaar versterken en op elkaar inwerken.

 

De mondiale grondoorzaak komt tot stand door algemeen verspreide en gedeelde gevoelens van vernedering, verbittering, marginalisering en belegering, die leven in moslim- en migrantengemeenschappen en die autochtonen en niet-moslims zich nauwelijks kunnen inbeelden. Deze gevoelens vloeien voort uit het huidige ‘anti-moslim’ discours dat al een hele tijd aan het inwerken is op de samenlevingen. De lokale grondoorzaken zijn legio en divers en verschillen van continent tot continent: oude separatistische eisen (Xinjiang); een sociale, politieke economische impasse voor honderdduizenden jongeren in Arabische landen (Algerije, Marokko) tot en met een falende integratie van tweede- en derde-generatie jongeren in migrantengemeenschappen met een moslimachtergrond (België, Nederland).

 

In West-Europa werd er een trend tot zelfradicalisering geconstateerd. Jongeren uit migranten-gemeenschappen met een Noord-Afrikaanse achtergrond blijken gevoelig te zijn voor een vorm van zelfradicalisering/zelfrekrutering, als gevolg van een proces van individuele her-identificatie[14]. Dit proces van zelfradicalisering vertaalt zich langs een religieus discours, maar heeft met godsdienst niets te maken, wel met een haperende integratie. Jongeren van de tweede en derde generatie uit de migratie zijn veel gevoeliger dan hun ouders betreffende hun erkenning als volwaardige burgers, doordat ze niet langer in staat zijn zich te vereenzelvigen met het land van herkomst van hun ouders. Daar ze geconfronteerd worden in hun natuurlijke omgeving met discriminaties van allerlei vormen, vinden deze jongeren vaak hun heil in de religie, als enige identificatiepool die hen rest. Een heel beperkt aantal onder hen radicaliseren en komen uit bij het terrorisme, waarin ze een identiteit vinden als lid van een voorhoede die opkomt voor hun geloofsgenoten. Dit proces van radicalisering is niet zo verschillend van het proces dat leidt tot criminele jongerenbendes (Coolsaet, 2005, pp 228-229).

 

Dit proces van zelfradicalisering staat meer algemeen bekend als ‘Hansen’s law’: de eerste generatie immigranten behouden hun culturele identiteit binnen de grotere gemeenschap waarin ze zijn terechtgekomen. De tweede generatie neigt tot assimilatie van de cultuur van de grotere gemeenschap naargelang de regio waarin men is terechtgekomen. De derde generatie gaat opnieuw op zoek naar de eigen roots en de duurzaamheid van de cultuur van hun voorouders. Door deze zoektocht naar hun eigen taal, religie en gebruiken komen ze in conflict met de cultuur van de grotere gemeenschap. Migratie dreigt in dit opzicht aanleiding te geven tot nog meer racisme, discriminatie indien ze niet juist wordt behandeld (Vorster, 2002, p 1).

 

Het sterk gepolariseerde debat over multiculturalisme en integratie in de Europese landen draagt bij tot het creëren van een maatschappelijk klimaat waarbij individuen en vriendengroepjes zich geroepen voelen om met de daad het onrecht te wreken, zoals hun anarchistische voorgangers[15]. Ze beschouwen zich als de voorhoede van een ‘defensieve jihad’ en vinden een identiteit als leden van een revolutionaire familie die ageert in naam van de oemma, de mythische islamitische gemeenschap. Deze zelfradicalisering is dus een nieuwe trend. Het is een constructie van een nieuwe identiteit die voor moslims hun zekerheid in de samenleving moet vormen. Het ontsporen van deze identiteitsconstructie is momenteel wel uitzonderlijk, maar als het ‘anti-moslim’ discours blijft aanhouden dan zou deze trend toch wel eens uit de hand kunnen lopen. Groot-Brittannië bv. kent een snel groeiend onbegrip tussen moslims en niet-moslims waarbij een vijfde van de Britten overweegt extreemrechts te stemmen (Coolsaet, 2005, p 229). Islamofobie maakt zich dus meester van de Britse samenleving en vormt dus een realiteit.

 

Buiten Europa brengen heel andere vormen van lokale dynamiek individuen tot terreur. De vaak geponeerde stelling van armoede als oorzaak van terrorisme behoort hier niet toe. Er is namelijk geen causaal verband tussen beide. Aangezien armoede in bepaalde werelddelen vrij constant is, zou het terrorisme ook een continue aard moeten kennen, wat niet het geval is daar het in golven voorkomt. Daarenboven is Afrika misschien wel het continent met de grootste armoede terwijl er in de armste Afrikaanse landen weinig of geen terrorisme voorkomt. De grondoorzaken van het terrorisme zijn afhankelijk van de regio: separatistische bewegingen, onderdrukking en repressie van moslimminderheden en politiek extremisme. Deze oorzaken spelen vooral een belangrijke rol in Azië. In het Midden-Oosten is de belangrijkste grondoorzaak de maatschappelijke impasse in tal van Arabische landen[16]. Met de uitholling van de legitimiteit van het koloniale project en de daarmee gepaard gaande dekolonisering werden de koloniale regimes tijdens hun laatste jaren sterk autoritair om alsnog vast te houden aan hun gekoloniseerde gebieden. Daardoor werd echter elke vorm van seculiere oppositie uitgesloten waardoor een politieke ruimte werd gecreëerd die later door islamisten met hun religieus discours werd opgevuld (Coolsaet, 2005, pp 230-231). Meer dan men soms aanneemt, vinden veel hedendaagse problemen een (gedeeltelijke) oorsprong in het kolonisatietijdperk, dat meer erfenissen heeft nagelaten dan men denkt en waarvoor men misschien wel wat meer verantwoordelijkheid mag opnemen…

 

 

3.3 CASUS XINJIANG: HET ‘TERRORISME DISCOURS’ TOEGEPAST

 

Het terrorisme discours wordt echter ook actief gebruikt en bijgevolg misbruikt om moslims te marginaliseren. Een treffende casus van wat het terrorisme discours impliceert, valt te constateren in de provincie Xinjiang in China dat ‘aanvankelijk’ bevolkt werd door voornamelijk Oeigoeren.

 

3.3.1 HISTORISCHE EVOLUTIE VAN STREVEN NAAR SEPARATISME

 

Xinjiang is een atypisch deel van China, dat eerder aansluit bij Centraal-Azië dan bij China. Het is een heel groot gebied met een populatie van maar 18 miljoen inwoners en vormt een thuis voor meerdere Turkssprekende etnische moslimgroepen waarvan de ‘Uighurs’ of Oeigoeren de grootste groep vormen van 8 miljoen inwoners. Van oudsher is er steeds een sterke Oeigoerse oppositie geweest tegen het Chinese beleid in Xinjiang. In de periode 1944-1949 zag een onafhankelijke staat ‘East Turkestan Republic’ het licht in het Westen van Xinjiang, daarin gesteund door de Sovjetunie. Met de communistische machtsovername in China rond 1949 en met de vorming van de ‘People’s Republic of China’ kwam Xinjiang onder de effectieve controle van de centrale Chinese regering (HRW rapport, 2001, pp 1-2).

 

De huidige onrust in Xinjiang is terug te vinden in ‘de bezetting’ door de Chinese overheid over de jaren heen. De twee voornaamste oorzaken van de onrust, rellen en aanslagen zijn de massale immigratie van Han-Chinezen naar deze provincie en de sociale marginalisatie van de populatie in Xinjiang. Deze immigratie van Han-Chinezen gebeurde (en nu nog) via twee kanalen. In 1954 werd de hoofdstad van Xinjiang, Uruntsji, via een spoorweg verbonden met de rest van China. Via deze spoorweg kon men eerst en vooral gemakkelijker immigreren. In 1954 moest men in Xinjiang ook de aanwezigheid van, Bintuangs, een paramilitaire organisatie ondergaan. Na ’54 werd een massale immigratie van Han-Chinezen georkestreerd om het onrustige Xinjiang op te nemen in China om aldus de controle te versterken over dit gebied (De Cordier, 2005, pp 159-162).

 

De Bintuang bestaat uit boeren-soldaten die een koloniale missie werden toevertrouwd rond de jaren ’50 en die zijn uitgegroeid tot een institutie in de provincie, een gemeenschap op zich. Ze hebben de economische macht in handen, alsook de agricultuur, en vormen het penitentiaire systeem van de verschillende heropvoeding - en werkkampen (De Cordier, 2005, p 77). De Bintuangs bestaan bijna volledig uit Han-Chinezen en tellen rond de twee miljoen personen. Deze gemeenschap heeft zijn eigen universiteiten, eigen hospitalen, eigen nieuwe steden en dus hun eigen politiemacht waarbij ze enkel verantwoording afleggen ten aanzien van Peking (Monde Diplomatique, 2002, pp 8-9).

 

Begin jaren ’90, met de implosie van de Sovjetunie, kwam er een nieuwe golf van separatisme waarbij de Oeigoeren opnieuw een onafhankelijke staat voor ogen hadden met als doel/incentive het beleid van marginalisering door de Chinese overheid ongedaan te maken. De manier om dit te bereiken was via de daad aangezien er met ‘deze gemeenschap’ geen dialoog werd overwogen door de Chinese overheid.

Repressie, immigratie van Han-Chinezen en verdere marginalisering zijn ‘de dialoog’ die China aangaat met Xinjiang. Het separatisme manifesteert zich dan ook vooral in de vorm van onrusten, rellen en gerichte aanslagen. Het is van sterk belang om erop te wijzen dat het separatisme hier een heel oude eis is en dat de huidige marginalisering van de Oeigoeren, die met de implosie van de Sovjetunie was geïntensifieerd, deze eis terug op de voorgrond heeft gebracht. Die marginalisatie door de Chinese overheid manifesteert zich op allerlei wijzen.

 

3.3.2 MARGINALISATIE VAN DE OEIGOEREN

 

Eerst en vooral is er een duidelijke sociale kloof tussen de Oeigoeren en de Han-Chinezen in Xinjiang. In het dorps – en stadsbeeld komen die verschillen duidelijk naar voor. Aan de ene kant heb je de nieuw opgerichte Chinese steden en aan de andere kant de eerder armzalige huisjes van de Oeigoeren. De infrastructuur in de Chinese stadsgedeelten is daarbij beter dan deze in de Oeigoerse gedeeltes. Ook het onderwijs en de opvoeding zijn een groot punt van wrevel geworden voor de Oeigoeren. Indien Oeigoeren onvoldoende de Chinese taal machtig zijn, dan is het heel moeilijk voor hen om aan werk te geraken, terwijl als men een Chinese opvoeding krijgt, men wordt geconfronteerd met assimilatie waarbij alle aspecten van de Oeigoerse identiteit worden overboord gegooid. Daarenboven is een Chinese opleiding nog geen garantie aangezien men ook arbeidsplaatsen gaat reserveren voor Chinezen.

 

Naargelang de moskeeën worden gesloten of vernietigd, de Oeigoerse scholen niet de nodige financiering krijgen waar ze recht op hebben en religieuze praktijken het doelwit zijn van repressie, zorgen deze spanningen in de regio voor golven van opstanden of worden deze spanningen de kop ingedrukt door middel van harde repressie door de autoriteiten. Deze spanningen vertalen zich ook in een samenleving waarin men met getrokken messen tegenover elkaar staat. Een taxichauffeur, die zelf Han-Chinees is, ziet het als volgt: “Ce sont des fous, ces gens: qui a jamais entendu parler de ce ‘Turkestan oriental’? Ce sont des criminels, des terroristes! La seule chose à faire avec eux, c’est de tous les arrêter et de les tuer. Ils ne comprennent rien d’autre.” . En ook de officiële autoriteiten kennen eenzelfde ‘subtiele’ houding. Een willekeurige samenscholing zorgt meteen voor het optreden van een massa ordehandhavers. De politie is gemachtigd om eenieder die zijn paspoort niet bij heeft op te pakken. Ook in de berechting is men scherper dan ergens anders in China want volgens Amnesty International is Xinjiang de enige plaats in China waar politieke gevangen blijven ter dood veroordeeld worden.(Monde Diplomatique, 2002, pp 8-9)

 

Ook Human Right Watch wijst op de marginalisering ten aanzien van de Oeigoeren. Zo is het aantal schendingen van godsdienstvrijheid over de laatste jaren sterk toegenomen. Imams moeten voldoen aan politieke vereisten en religieuze leiders moeten aan de kant van de overheid staan. Imams die de autoriteiten niet bevallen, worden het slachtoffer van represailles. In mei 2001 werden zeven imams gearresteerd en twee ‘underground’ moskeeën werden vernietigd, de aanklachten werden echter niet publiek gemaakt. Daarnaast zijn er ook schendingen van de vrijheid van vereniging en de vrijheid van expressie. De bestaande verenigingen worden hierbij sterk gecontroleerd door de overheid en ondergaan rectificatie indien nodig of worden gewoon ontbonden. Traditionele vergaderingen als de ‘meshrep’ waar jonge Oeigoeren elkaar ontmoeten om gemeenschapskwesties te bespreken werden in 1994 formeel verboden omdat het ‘illegale organisaties’ waren en omdat ze ‘reactionaire en separatistische ideeën’ aanwakkerden. Een hulpfonds voor armen opgericht door een zekere Osman Yimit, betekende de arrestatie en veroordeling tot zeven jaar cel voor deze man, omdat zijn organisatie niet geregistreerd was en omdat ze zou deel uit maken van separatistische activiteiten.

 

Onder de Oeigoeren bestaat er ook wrevel ten aanzien van de populatie Han-immigranten en hun economische en politieke dominantie. De beleidsposten zonder macht worden daarbij toegekend aan Oeigoeren, terwijl de echte administratieve en politieke macht berust bij Han-Chinezen in overeenstemming met de belangen van de Communistische Partij.

 

Institutioneel racisme en discriminatie van moslims in het algemeen vindt dan ook plaats van het onderwijsniveau tot het tewerkstellingsniveau, waarbij de distinctieve religieuze en linguïstische kenmerken van moslims worden gebruikt als voorwendsel om hen niet te moeten te werk te stellen aangezien de werkgevers niet uitgerust zijn om tegemoet te komen aan hun ‘speciale behoeften’. Deze wrevel ten aanzien van de immigratie van Han-Chinezen is misschien deels te verklaren door de overvloed/invasie aan/van immigranten. In de periode van de jaren ’90 is de Han-populatie in Xinjiang gestegen met 31% waardoor de Oeigoeren bijna dreigen een minderheid te worden. Daar waar er in 1949 maar 6% Han waren in Xinjiang zijn dat er nu 40% (HRW rapport, 2001, p 6-7).

 

3.3.3 OORZAKEN VOOR TOEGENOMEN MARGINALISATIE

 

Deze schets van de situatie in Xinjiang is nodig om aan te tonen dat de Chinese overheid, met de implosie van de Sovjetunie een waar marginaliseringbeleid is gaan voeren ten aanzien van de regio Xinjiang en de Oeigoeren. De reden hiervoor is dat de provincie Xinjiang een aantal belangen vertegenwoordigt voor China en dat separatisme onverenigbaar is met die belangen. Wat ik tracht duidelijk te maken is dat voor de aanslagen op de Twin Towers in 2001, de Chinese overheid haar marginaliseringsbeleid kaderde binnen het afwijzen van de separatistische eisen. Over terrorisme of religieus extremisme als motief/reden voor het gehanteerde beleid, werd door de Chinese overheid weinig gewag gemaakt.

 

Het gehanteerde beleid moest in de eerste plaats het separatisme tegen gaan door harde repressie, door massale Han-immigratie en door een economische liberalisering naar de moslims (Oeigoeren) toe om hen te doen afzien van hun politieke eisen[17]. Het is pas met 9/11 dat men dit beleid (van anti-separatisme) gaat kaderen binnen de ‘war on terrorism’ en dat het separatisme wordt gelijkgeschakeld met terrorisme en religieus extremisme.

 

Xinjiang vertegenwoordigt dus meerdere Chinese belangen. Het is een heel strategisch grensgebied en dus van belang voor de territoriale integriteit van China. Daarnaast wordt de grote maar ‘lege’ provincie gehanteerd als ‘bevolkingskolonie’ voor de overbevolking waarmee China geconfronteerd wordt. In de provincie bevinden zich ook de zones waar het Chinese leger zijn nucleaire tests uitvoert. Het laatste en meest doorslaggevend belang is van economische aard namelijk de natuurlijke rijkdommen die zich in Xinjiang bevinden[18]. Xinjiang is namelijk rijk aan olie, aardgas en kolen en het China met zijn huidige economische groei kan dergelijke bronnen goed gebruiken (De Cordier, 2005, pp 72-76).

 

Het hoeft niet te verbazen dat de nieuwe eis van separatisme en de daarmee gepaard gaande rellen, onrust en opstanden zich juist gaan manifesteren met de implosie van de Sovjetunie. De voormalige Sovjetunie valt namelijk uiteen in 15 onafhankelijke republieken (GOS) waarvan er drie staten zijn die grenzen aan Xinjiang. Hoewel er op politiek-etnisch vlak geen grote verbondenheid is tussen deze staten en Xinjiang, toch heeft de nieuwe onafhankelijkheid van deze staten een sterke symboolwaarde voor de separatisten. Het hoeft ook niet te verbazen dat met de implosie van de Sovjetunie in 1991 ook de Chinezen hun bele