Mediatisering en globalisering van een sporttak: triatlon. Case study de Ironman van Hawaï. (Roel Noukens)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Algemene inleiding

 

De hedendaagse mens zoekt meer dan ooit naar nieuwe uitdagingen. Uitdagingen die ze vinden in allerhande domeinen van de samenleving en dus ook in de sport. Triatlon is een sport die perfect past in de huidige sportcultuur. Het is geen alledaagse sport en ze is misschien wel het voorbeeld bij uitstek van een sport gecreëerd door onze toenemende geïndividualiseerde samenleving. Eeen samenleving van de postmoderne mens die zijn eigen grenzen tracht af te tasten, zijn eigen keuzes tracht te verantwoorden en dit ook in sport probeert te verwezenlijken. Triatlon is een sport waarop de media en de globalisering een invloed hebben kunnen op uitoefenen van bij de start. Dit is een unieke vertreksituatie, vermits de meer populaire sporten hebben kunnen teren op een langere bestaansgeschiedenis. Het wetenschappelijk en maatschappelijk belang van dit thesisonderwerp ligt dan ook in het feit dat wij een jonge, niet zo bekende en populaire sport behandelen.

 Deze eindverhandeling is onderverdeeld in twee grote delen waarvan het eerste deel bestaat uit een literatuurstudie. Aan de hand van boeken, tijdschriften, brochures, krantenartikels, internetbronnen en enkele interviews trachten we meer inzicht te verwerven in het onderzoeksdomein.

Het eerste deel is opgebouwd rond vier grote thema’s: sport, mediatisering, globalisering en triatlon.

In het eerste hoofdstuk bespreken we verschillende aspecten van sport. We laten verschillende auteurs aan het woord om zo de betekenis van sport te verduidelijken. Sport heeft een lange geschiedenis, maar wij beperken ons tot de geschiedenis van de moderne sport. Sport is populair en drijft vele mensen in hun dagelijks bestaan. Sport is dan ook een wezenlijk deel van onze huidige populaire cultuur. Nadat we het fenomeen sport bespreken als populaire cultuur, beindigen we dit hoofdstuk met de relatie tussen sport en het begrip diffusie en de genderongelijkheid in de sport.

In het volgende hoofdstuk staat het begrip mediatisering centraal. Daarin bespreken we de geschiedenis van sport in de media en de huidige relatie tussen de media en sport. Verder bespreken we enkele kenmerken van sportjournalistiek en de relatie tussen sport, media en gender.

Het derde hoofdstuk is gewijd aan het begrip globalisering. Een complex begrip dat al een hele geschiedenis heeft en vanuit vele invalshoeken benaderd kan worden. Globalisering wordt verduidelijkt aan de hand van de twee termen glocalisering en grobalisering. Daarnaast gaan we ook dieper in op de verschillende soorten en gevolgen van globalisering. Tenslotte bespreken we de relatie tussen sport en globalisering.

In hoofdstuk 5 richten we ons op triatlon. We behandelen de geschiedenis van deze jonge sport en bespreken verschillende kenmerken van triatlon. We geven onder andere een antwoord op volgende vragen: ‘Wat is triatlon?’, ‘Waarom doen mensen aan triatlon?’ en ‘Is het nu triatlon of triathlon?’. We beindigen dit hoofstuk met een bespreking van de triatlonsport in België.

Het volgende hoofdstuk is volledig gewijd aan de Ironman wedstrijd van Hawaï. Vermits het onderzoek in het tweede deel van deze eindverhandeling specifiek gericht is op deze wedstrijd wordt er in de literatuursturdie een apart hoofdstuk aan gewijd.

In de laatste twee hoofdstukken worden twee specifieke vragen beantwoord. Is triatlon een gemediatiseerde sport? En is triatlon een geglobaliseerde sport?

In het tweede deel van de eindverhandeling staat ons eigen onderzoek centraal, meer bepaald de berichtgeving rond de Ironman wedstrijd van Hawaï in de geschreven pers. Via een inhoudsanalyse willen we de berichtgeving onderzoeken in de geschreven pers rond de Ironman wedstrijd in Hawaï in de periode 1978 – 2004. Eerst lichten we enkele theoretische aspecten van ons onderzoek toe om vervolgens de resultaten te bespreken.

 

 

DEEL I: Literatuuronderzoek

 

1. Sport

 

Inleiding

 

Sport is een fenomeen dat een belangrijke rol speelt in het leven van vele mensen. Sport heeft verschillende linken met veel andere aspecten van het maatschappelijke leven en is niet langer een vrijetijdsaangelegenheid. In het dagelijkse leven zien we de groei van actieve en passieve sportbeoefening. Er is een toename van verschillende sportachtige activiteiten, een stijging van het aantal sportaccommodaties en een steeds groeiende sportindustrie. Sport verwerft steeds meer een maatschappelijk belangrijke rol onder meer bij de opvoeding, gezondheid en integratie van mensen. (De Knop & Piéron, 2000, p. 7)

Sport heeft verschillende betekenissen afhankelijk van tijd, plaats en de discipline van waaruit men sport bestudeert. Volgens Francis Bacon (in De Knop & Hoyng, 1998, p. 15) zouden bepaalde lichaamsoefeningen verschillende ziekten genezen: wandelen is goed voor de maag, paardrijden een remedie tegen hoofdpijn, etc. Antropologen hebben geobserveerd dat aan sport- en spelvormen bij bepaalde volkeren een juridische functie werd toegekend om bijvoorbeeld eigendommen of partners aan te duiden.

 Wij lichten in dit eerste hoofdstuk de algemene betekenis en de geschiedenis van de moderne sport toe. Vervolgens bespreken we het fenomeen sport als populaire cultuur en de relatie met het begrip diffusie. Tenslotte bespreken we de genderongelijkheid in de sport.

 

1.1. De betekenis van sport

 

Over de ontstaansgeschiedenis van het begrip sport bestaan uiteenlopende visies. Volgens Leonard (in De Knop & Hoyng, 1998, pp. 15-16) is het begrip sport afgeleid van het Latijnse woord ‘desporto’, wat ‘to carry away’ betekent. Men wordt als het ware opgeslorpt, meegevoerd door de sportactiviteit, de bekende ‘runners high’ is hiervan een voorbeeld. Miermans (in De Knop en Hoyng, 1998, pp. 15-16) zegt echter dat het begrip sport is afgeleid van het Latijnse woord ‘disportare’, wat zich vermaken, zich ontspannen of verstrooien betekent. Het is een verwijzing naar tijdverdrijf dat gekenmerkt is door plezier, spot, spel en scherts. Zowel Dejonghe (2001, p. 5) als De Knop (1998, pp. 15-16) schrijven dat in de dertiende eeuw het Franse woord ‘desporter’, zich ontspannen, geïntroduceerd wordt in Engeland. Het is in het zestiende-eeuwse Engeland dat deze term getransformeerd wordt naar ‘disport’. Wat een verwijzing is naar de drang van de mensen om destijds hun aandacht af te wenden van de hardheid van het dagelijkse leven, door te participeren aan vrolijke, speelse en vaak fysieke activiteiten. In de achttiende eeuw krijgt sport zijn specifieke moderne betekenis. Vanaf dat moment wordt de betekenis van sport verruimd. Sport staat voor lichaamsoefeningen die een functie van ontspanning en vermaak verschaffen en ook het competitie element doet zijn intrede.

Tot rond 1965 is er sprake van een overzichtelijk en eenvoudig bewegingscultureel landschap. Sport was duidelijk gedefinieerd en de scheiding tussen sport en niet sport was helder en scherp. Maar zoals voor vele maatschappelijke terreinen luidden de zestiger jaren ook voor sport een periode in van grote ingrijpende veranderingen en ontwikkelingen, er is sprake van een soort identiteitscrisis in de moderne sport. Crum (1992, pp. 1-3) beschouwt de versporting van de samenleving als belangrijkste oorzaak voor de toegenomen onduidelijkheid omtrent het begrip sport. Hierbij verwijst versporting van de samenleving naar een algemene maatschappelijke opwaardering en een groei in de deelname en de aandacht voor sport. De versporting van de samenleving heeft twee gezichten: enerzijds de toegenomen versporting en anderzijds de ontsporting van de samenleving. Ten eerste wordt de meritocratische sport onder invloed van de sporttechnologie, de mediatisering en commercialisering steeds radicaler doorgezet. Hier geldt het Olympische principe van steeds sneller, sterker en hoger te gaan. Het resultaat hiervan is een vercommercialiseerde en door de media geënsceneerde internationale topsport. Daar tegenover staat de ontsporting van de samenleving. Onder meer de herontdekking van het lichaam en de opwaardering van de lichamelijkheid zijn hier belangrijk. Sporten zoals bodybuilding, fitness, surfen en skiën zijn hier enkele voorbeelden van. Het resultaat van deze versporting van de samenleving is dat we onder sport al lang niet meer enkel wedstrijdsport kunnen verstaan. Sport staat vandaag voor topsport, recreatiesport, avontuursport, gezondheidssport, multisport, etc. Waar sport vroeger een toonbeeld was van jeugdigheid, is het nu een activiteit voor jong en oud, dik en dun, man en vrouw, validen en minder-validen.

Crum (1992, pp. 29-30) maakte een eigen indeling van sport aan de hand van verschillende dominante motieven:

De Knop (1998, p. 17) onderscheidt twee karakteristieken in zijn definiëring van sport. Ten eerste is er steeds sprake van lichamelijke of fysieke activiteit; daarnaast is er een vorm van competitie die geregeld wordt door formele en georganiseerde condities. Sport heeft volgens De Knop betrekking op een geïnstitutionaliseerde competitieve fysieke activiteit.

Een tweede omschrijving van sport vinden we bij de Amerikaan Guttmann (in Dejonghe, 2001, p. 3). Hij omschrijft sport als ‘speelse fysieke activiteiten’. Speels betekent dat de wedstrijden niet gericht zijn op het bereiken van een bepaald nut en dat er naast de fysieke inspanningen ook een zekere intellectuele bekwaamheid vereist is. Volgens deze definitie van Guttmann kan men dammen en schaken door de afwezigheid van fysieke inspanningen niet klasseren als sporten. Maar schaken en dammen zijn dit wel door de aanwezigheid van een hoge mate aan geestelijke inspanning. In een latere fase maakte Guttmann een onderscheiding tussen de vormen spel, spelen, competitieve spelen en sporten. Dit resulteert in een organigram waarbij de oorsprong ligt bij het spel. (zie figuur 1) In een latere fase komt Guttmann via enkele tweedelingen tot een nieuwe omschrijving van het begrip sport. Sport is voor hem een georganiseerd, competitief en fysiek spel.

 

Figuur 1: Logische deductie van spel naar sport.

Spel
Bestaat uit

SPONTAAN SPEL en GEORGANISEERD SPELEN

Bestaat uit

NIET COMPETITIEVE SPELEN en COMPETITIEVE SPELEN

Bestaat uit

INTELLECTUELE SPELEN en FYSIEKE SPELEN OF SPORT

Bron: Dejonghe, 2001, p. 3.

 

Deze nieuwe omschrijving van sport door Guttmann is niet vrij van kritiek. Het competitie-element in zijn omschrijving van sport zorgt er namelijk voor dat activiteiten die wij categoriseren onder vrijetijdsbesteding en recreatie uit de boot vallen. Jogging, wandelen en fietsen behoren bijgevolg niet onder de omschrijving sport maar wel onder de noemer recreatie. Als sport een deelverzameling activiteiten van spel is kan men concluderen dat sport enkel intrinsiek is en er geen extrinsieke motivatie aan te pas komt. Het gevolg daarvan is dat professionele sport buiten de definitie sport valt. De weergave van Guttmann is dus bediscussieerbaar, sport heeft wel degelijk spelelementen, maar het is geen subcategorie van spel. Het begrip sport situeert zich binnen een continuüm tussen spel en arbeid. Sport is een rationeel speelse activiteit die extrinsiek wordt beloond. Naarmate er meer beloning is, heeft het de neiging om arbeid te zijn. Hoe minder de beloning, hoe meer de deelname gebaseerd is op intrinsieke motivatie, en situeert het zich meer in de richting van spel. (De Knop & Hoyng, 1998, pp. 18-19)

Een tweede auteur die een opdeling maakt tussen spelen, spel en sport is Levine (in Dejonghe, 2001, p. 4). Het grote verschil tussen spelen en spel is volgens hem de aard van reglementering. Spelen is voor hem een spontane activiteit met een vrijwillig karakter. Er komen weinig reglementen aan te pas en men kan vluchten uit de realiteit. Daarnaast speelt ook geluk een belangrijke rol en tussen de diverse spelen door is er weinig continuïteit. Spel vereist behendigheid en ervaring en er is competitie met gestandaardiseerde regels. Sport vertegenwoordigt volgens Levine een Darwinistische evolutie in de richting van competitie en een hoog niveau van trainen en vaardigheid. Sport wordt gewaardeerd door zowel deelnemer als toeschouwer. Atleten kunnen via deze weg hun inkomen verhogen, sociale status verkrijgen en opwaartse sociale mobiliteit verwerven.

 

1.2. Geschiedenis van de moderne sport

 

In de geschiedenis van de sport is er een duidelijke evolutie te herkennen. In de periode 1700-1900 evolueerden de traditionele spelen naar moderne sporten. Traditionele sporten waren niet meer lokaal gebonden en sporten doorliepen vanaf toen diverse moderniseringsfasen. Dit proces van transformatie van sportachtig vermaken in gestandaardiseerde sporten die internationale erkenning verwierven, wordt ‘versporting’ genoemd. We bespreken eerst het verschil tussen traditionele sporten en moderne sporten, vervolgens de vijf versportingsfasen van Maguire.

In de middeleeuwen bestonden er vier sporttypes: tornooien, jacht en andere activiteiten waarbij dieren ‘gebrutaliseerd’ werden, boogschietwedstrijden en volksspelen. Deze sporten waren hoofdzakelijk klassenspecifiek. Tornooien en jacht waren het privilege van ridders en landedellieden, de stedelijke middenstand beoefende voornamelijk boogschieten en volksspelen. Dierenbrutaliteiten behoorden tot het gewone volk. Traditionele spelen hanteerden rudimentaire regels, waren plaatsgebonden en zeer gewelddadig. Feestdagen, tradities en de lokale omgeving lagen vaak aan de basis van het organiseren van dergelijke spelen. Naarmate de tijd veranderde verminderde de religieuze factor. De spelen hadden ook een opvoedende rol en werden als positief ervaren op weg naar volwassenheid. Traditionele spelen vonden plaats in een wereld van ongestandaardiseerde terreinen, met vage en onduidelijke ruimtelijke begrenzingen en er waren geen tijd-ruimte limieten. De opkomst van moderne sporten met nationale en internationale omkadering had een dalende populariteit van de traditionele spelen tot gevolg. (Dejonghe, 2001, pp. 6-7)

Moderne sporten kunnen best omschreven worden door middel van de aan of afwezigheid van een aantal duidelijk onderscheiden karakteristieken i.p.v. door een specifieke chronologie. Allen Guttmann (1994, pp. 2-3) onderscheidt zeven kenmerken van moderne sport:

 

Het is de combinatie van deze kenmerken die de moderne sporten onderscheiden van de traditionele sporten. Maguire (1999, pp. 79-89) spreekt van vijf versportingsfasen. In de eerste twee versportingsfasen vindt de geleidelijke overgang van traditionele spelen naar moderne sporten plaats. Engeland is de bakermat van de moderne sport en het is dan ook daar dat de eerste moderne sporten ontstaan. Elias brengt het versportingsproces in relatie met het civilisatieproces. Voor de periode van de industrialisering had sport vooral de betekenis van vermaak en plezier. (zie supra) De modernisering zorgde voor een verschuiving, sport werd minder spel en meer ‘display’ wat uitstallen of zich ontplooien betekent. Het brutale, het ruwe van sport verdwijnt langzaam en het vreedzaam beoefenen van sport treedt op de voorgrond. In de eerste fase verschijnen de eerste moderne sporten zoals cricket, paardrijden en boksen. In de tweede fase in de negentiende eeuw krijgen sporten als voetbal, rugby, tennis en atletiek een steeds modernere vorm.

In de derde versportingsfase verspreidden deze Engelse sporten zich naar het Europees continent. Deze derde fase duurde van 1870 tot 1920. In het laatste kwartaal van de negentiende eeuw ontstaan de eerste internationale sportorganen en er is een toenemend aantal competities tussen nationale teams. Het globaliseringproces in de sportwereld blijkt ook uit het uitreiken van de titels zoals wereldkampioen.

In de vierde sportfase, die van 1920 tot 1930 duurt, verspreiden sporten zoals baseball, basketbal, ijshockey en volleybal zich over de wereld. In deze fase zijn het vooral deze Amerikaanse sporten die dominant zijn. Management, administratie en de marketing van sport werd georganiseerd volgens Amerikaanse principes.

In de vijfde sportiseringsfase ontstaan er nieuwe sporten zoals windsurfen, snowboarden en triatlon.

 

1.3. Sport als populaire cultuur

 

In 2003 liepen enkele voetballers van Anderlecht een defilé in Milaan voor de Belgische modeontwerper Dirk Bikkembergs. Een jaar later draagt iedereen het herkenbare logo van de ontwerper, Bikkembergs is ‘in’. Sportnieuws op de radio en televisie, de kleren die we dragen, de petjes op ons hoofd of de scheermesjes die gepromoot worden door David Beckham. We worden in ons dagelijks leven vaak bewust, maar nog meer onbewust geconfronteerd met sport. Zonder enige twijfel is sport één van de grootste passies van de twintigste eeuw. Het spreekt miljoenen mensen aan: actieve beoefenaars, supporters, televisiekijkers, etc. Kortom, sport laat bijna niemand onberoerd.

Zoals in het bovenstaande hoofdstuk reeds werd vermeld is de verschijning van sport een integraal deel van het civilisatieproces. Het civiliseren van de cultuur en bijgevolg ook de sport luidde de intrede in voor de moderne sporten. In de jaren zestig tenslotte zorgde de versporting in de samenleving ervoor dat de meeste sporten voor iedereen toegankelijk werden. Sport maakt vaak deel uit van de cultuur van een land. Voetbal is een wereldwijd verspreide sport maar andere sporten zoals basketbal in de Verenigde Staten en cricket in Australië nemen een centrale positie in binnen de eigen populaire cultuur. (Boyle & Haynes, 2000, p. 1)

Vroeger was er nog een duidelijke scheiding tussen sporten voor de hogere en lagere klasse. Tennis en golf bijvoorbeeld waren uitsluitend voor de hogere klasse. De sportbeoefening in de Middeleeuwen gebeurde ook aan de hand van de heersende klasseverdelingen.Vandaag is er (een) sport voor iedereen.

 

1.4. Sport en diffusie

 

De relatie sport en diffusie is een onderdeel van het grotere principe van de internationalisering van de sport. Diffusie is ‘the process by wich an innovation is communicated through certain channels over time among the members of a social system.’ De onderstaande tabel toont aan dat de historische groei van een sport als een expansievorm kan beschouwd worden met de karakteristieken van een innovatiediffusie. (Dejonghe, 2001, p. 40)

 

Tabel 1: Sport als innovatiediffusie

Elementen van de innovatie diffusie

Algemene karakteristieken

Sport in dit concept

Uitvinding

Precondities voor diffusie

Reglementering van een sport

Innovatie

De uitvinding waarnemen als een innovatie

Een sport waarnemen als een innovatie

Communicatie

· Diffusie

· Diffusieproces

De manier waarop een innovatie zich verspreidt:

1. een nieuw idee

2. individu A kent de innovatie

3. individu B heeft geen kennis van de innovatie

De manier waarop sport zich verspreidt. Een nieuwe sport:
land A kent de sportinnovatie
Land B kent de sportinnovatie niet

Tijdsevolutie

Adoptieperiode

1. bewustwordingsfase

2. probeerfase

3. adoptie

1. kennis van het bestaan van de sport

2. introductie van de sport

3. oprichten van een nationale sportbureaucratie

 

Paracme (=decline)

Verwerping van de sport

Bron: Dejonghe, 2001, p. 40.

 

Moderne sporten kunnen in tegenstelling tot traditionele sporten beschouwd worden als een innovatie. Ze worden in verband gebracht met het mondialiserings- en civiliseringsproces. De ruimtelijke diffusie van moderne sporten breidde zich uit vanuit de oorsprongregio’s naar de rest van de wereld. Sport als innovatiediffusie is een modernisatie-effect van het Europees kolonialisme. Ten tijde van de vele Europese kolonisten veronderstelde men dat modernisering de lokale sociale bevolking vooruit zou helpen op economisch en sociaal gebied. Ze waren ervan overtuigd om de eigen Europese cultuur over te brengen via economische, politieke en militaire druk. Sport paste perfect binnen deze redenering en het werd een element van culturele homogenisering. Zowel Europa, Noord-Amerika en recentelijk Zuidoost-Azië zijn de regio’s waar sport wordt uitgevonden en innovaties hun oorsprong vinden.

In de periode 1870-1920 werden de veelal Engelse prestatiesporten verspreid via het zogenaamde bureneffect naar continentaal Europa. Een gevolg hiervan is bijvoorbeeld de rugby gekte in Frankrijk. De migratie van vele onderdanen zorgde er tevens voor dat Britse sporten verspreid werden naar gebieden zoals Nieuw-Zeeland en Australië. En ook hier is het voorbeeld van rugby toepasselijk, bijvoorbeeld de All Blacks het nationale rugby team van Nieuw-Zeeland. Ook cricket vond zo zijn weg in Indië, één van de verre kolonies van het Britse rijk.

In het interbellum verschoof de internationale dominantie meer en meer naar de Verenigde Staten. De typisch Britse kenmerken zoals fairplay werden vervangen door het Amerikaanse consumentisme. Het belang van management en marketing veranderde de sporten tot hun moderne mediavorm. De opmars van de Amerikaanse ideologie en sportdominantie werd echter een halt toegeroepen door de Koude oorlog. De controle over de internationale sportfederaties werd verloren en Oosterse gevechtssporten braken door.

De internationalisatie van een sport wordt officieel gelinkt met de oprichtingsdatum van de internationale sportfederatie. Het primaire doel van een internationale organisatie is het reglementeren en optimaliseren van internationale evenementen. Één van de voorwaarden hiervoor is de ruimtelijke diffusie van de desbetreffende sport. De tijdsperiode die passeert tussen het introduceren en het oprichten van een nationale associatie is gelijk aan de innovatie-beslissingsperiode. (Zie tabel 1) (Dejonghe, 2001, p. 40-43)

 

1.5. Genderongelijkheid in de sport

 

Net als in andere domeinen van de samenleving bestaan er in de sport dominante opvattingen over biologisch bepaalde sekseverschillen. De consequenties hiervan voor de positie van mannen en vrouwen in de samenleving en de waardering van mannelijkheid en vrouwelijkheid staan steeds opnieuw ter discussie. De vaak heersende mannelijke betekennissen worden continu uitgedaagd en bevestigd. Sport is m.a.w. nooit sociaal neutraal. (Elling, 2003, pp.10-12)

Tijdens de ontwikkeling van de moderne sport op het eind van de negentiende eeuw heerste er een dominante sekse-ideologie. Zo werd het vrouwen verboden om bepaalde sporten te beoefenen en functies te bekleden. Zware en langdurige fysieke inspanningen werden als schadelijk beschouwd voor de reproductieve organen en functies van vrouwen. Bepaalde bewegingen werden verboden omdat ze aanstootgevend zouden zijn. De dominante sekse-ideologie kwam ook tot uiting in de wedstrijdsport. Onder meer de oprichter van de moderne Olympische Spelen Baron Pierre De Coubertin, was een fel tegenstander van sportende vrouwen. Dit druiste volgens hem in tegen de wetten van de natuur, vrouwen hadden maar één taak: de mannelijke winnaars huldigen met lauwerkransen. De Olympische Spelen waren in zijn ogen dan ook enkel van belang om de mannelijkheid van jonge atleten te versterken. (Elling, 2003, pp.10-12) Vanuit hogere sociale klassen kwam er langzaam meer begrip voor de positieve uitwerking van sport op de gezondheid. Veel vrouwen uit de midden- en hogere klassen leden namelijk aan allerlei (geestes) ziekten. Hiervoor zijn diverse redenen op te noemen onder meer vanwege hun maatschappelijke positie en het letterlijk verstikkende effect van het korset, waardoor zelfs borstkasvervormingen optraden. Meer fysieke beweging zou een positieve invloed hebben op hun baar- en zorgcapaciteiten en ook bijdragen tot een sterker nageslacht.

Sport wordt vandaag algemeen als gezond en belangrijk beschouwd en dat voor beide geslachten. Toch zijn velen er van overtuigd dat bepaalde sporttakken uitsluitend geschikt zijn voor mannen zoals bijvoorbeeld voetbal, rugby en vechtsporten. Anderzijds zijn er dan ook typische vrouwensporten zoals turnen en kunstschaatsen. (Elling, 2003, pp. 10-12) In bijna alle spelsporten zijn de speeltijden korter en de afstanden in individuele tijdsporten zoals bijvoorbeeld zwemmen, waren lange tijd korter dan die van mannen. Vrouwen zijn zeker niet ondergeschikt om extreme lichamelijke prestaties te verrichten zoals het lopen van een marathon, of het volbrengen van een triatlon. (Elling, 2002, p.76) Toch bestaan er in de sport nog steeds ongelijke sekseverhoudingen en de mogelijkheden zijn voor vrouwen en mannen nog steeds niet gelijkgesteld. (Elling, 2003, pp.10-12)

Andere sociale variabelen, zoals leeftijd, sociale klasse, religie, etniciteit en seksuele voorkeur beïnvloeden ook het denken omtrent mannelijkheid en vrouwelijkheid in de sport. Meisjes mogen maar tot op een bepaalde leeftijd ‘jongensachtig’ gedrag vertonen zoals klimmen in bomen en meespelen bij de plaatselijke voetbalploeg. Volgens Elling (2003, p. 13) wordt ‘meisjesachtig’ gedrag bij jongens al op jonge leeftijd niet getolereerd, dit soort gedrag wordt vaak in verband gebracht met homo zijn en dat past niet bij sport. Mannen en vrouwen uit de lagere sociaal-economische klassen doen vaker aan sport dan hun seksegenoten in de midden- en hogere klassen. De keuze valt vooral op exclusieve mannen of vrouwensporten zoals gymnastiek, wielrennen en voetbal. De meeste topsporters komen uit de midden- of hogere klasse.

In het begin van de twintigste eeuw predikten de kerkelijke stromingen de ongeschiktheid van beweging en sport voor vrouwen, maar ook voor mannen. Zij moesten hun energie niet verspillen aan onnodige lichaamsbeweging maar zich vooral wijden aan geestelijke bezigheden. De internationale beweging Christian Muscularity propageerde daarentegen wel een gezond en sterk lichaam voor mannen. De sociaal-religieuze YMCA (The Young Men’s Christian Association) bijvoorbeeld combineerde religieuze propaganda met educatie en sport, meerbepaald basketbal en volleybal. (Elling, 2003, pp. 12-15)

De culturele verschillen in de opvatting over sport blijkt bijvoorbeeld uit de andere opvatting van mannelijkheid in Japan bij het Sumoworstelen. Voetbal wordt in de meeste Westerse landen aanzien als een typische ‘mannensport’. In Noord Amerika is het eerder een vrouwensport die als ‘soft’ geld in vergelijking met het daar meer dominante American Football. (Elling, 2003, pp. 12-15) (Elling, 2002, p.70)

Anno 2005 wordt mannelijke homoseksualiteit in het algemeen nog sterk geassocieerd met vrouwelijkheid en lesbisch zijn met mannelijkheid. Sportdeelname staat hiermee in verband. Lesbische vrouwen zouden dan vooral mannensporten beoefenen en homomannen zouden eerder participeren in typische ‘vrouwensporten’ zoals turnen en dansen. Deze dominante beeldvorming beïnvloedt ook de daadwerkelijke sportbeoefening. Sommige meisjes gaan zo bijvoorbeeld expliciet voetbal kiezen vanwege het lesbische imago. (Elling, 2003, pp. 12-15) (Elling, 2002, p. 78)

We kunnen concluderen dat zowel mannen als vrouwen vandaag nog het slachtoffer zijn van uitsluiting en dit wegens structurele belemmeringen maar ook omwille van seksistisch en homofobe beeldvorming. (Elling, 2003, p. 19)

 

 

2. Mediatisering

 

Inleiding

 

De twintigste eeuw is voor een groot deel gedomineerd en gedocumenteerd door de massamedia. Volgens Rowe (1999, p. 24) bevatten deze massamedia de instituties en technieken waardoor gespecialiseerde sociale groepen symbolische inhouden kunnen uitzaaien naar grote heterogene en geografische verspreide publieken. Een andere definitie van massamedia vinden we terug bij MacPherson, Curtis & Loy (1989, p.146). ‘De term massamedia beschrijft een proces dat een relatief kleine groep mensen toelaat snel en tezelfdertijd te communiceren met een groot deel van de bevolking.’ Massamedia zoals dagbladen, film, radio en televisie uitzendingen hebben een groot effect uitgeoefend op het creëren van een populaire cultuur in deze eeuw. Sport maakte daar een belangrijk deel van uit en is deze eeuw sterk verstrengeld geraakt met media en televisie in het bijzonder. Deze toenemende invloed van de media op de verschillende domeinen van onze samenleving noemt men mediatisering.

In dit hoofdstuk bespreken we de geschiedenis van sport in de media en de huidige relatie tussen de media en sport. Vervolgens bespreken we enkele kenmerken van sportjournalistiek en de relatie tussen sport, media en gender.

 

2.1. De geschiedenis van sport in de media

 

Sport heeft een rijke literatuur en de eerste artikels verschenen voor het eerst midden in de achttiende eeuw in Engeland. Sport maakte maar een zeer beperkt deel uit van de berichtgeving. De kosten om een krant te drukken waren redelijk hoog en sport kon in het begin niet optornen tegen ‘gewoon’ nieuws. Één aspect van de sportartikels in kranten was het communiceren en het legitimeren van georganiseerde sport zoals bijvoorbeeld in het paarderennen. De groei van de sportpers werd onder meer gestimuleerd door het gokken dat steeds populairder werd in de periode 1800-1870. De Kerk had ook een grote invloed, centraal in hun visie op sport was dat het mensen kon ’verbeteren’. Sport had volgens de Kerk een spirituele en lichamelijke deugdzaamheid. (Boyle & Haynes, 2000, pp. 24)

Het is ook geen toeval dat de instituties die de printmedia verspreidden eind zeventiende en begin achttiende eeuw zoals de kerk, het leger en het onderwijs dezelfde media zijn waarin de moderne sporten voor het eerst verschenen eind achttiende eeuw en midden negentiende eeuw.

De eerste sportkranten op het Europees continent ontstonden rond 1900. De Italiaanse sportkrant Gazetta Dello Sport verscheen voor het eerst aan de vooravond van de eerste moderne Olympische Spelen van Athene in 1896. Net zoals de Britse sportkranten begon ook La Gazetta sportevenementen te sponsoren. De introductie van de wielerwedstrijd Giro Ciclistico, beter bekend als de Ronde van Italië, is hiervan een voorbeeld. Wielrennen en motorsport spelen ook een belangrijke rol in het ontstaan van de Franse sportkrant L’auto-Velo in 1900. Henri Desgrange, stichter van de krant en tevens oprichter van de Tour de France, veranderde L’Auto-Velo na de bevrijding van Frankrijk van naam tot L’Equipe. Hij stimuleerde ook nieuwe Europese competities in het voetbal, basketbal en atletiek. Tenslotte is er in Spanje nog de sportkrant El Mundo Deportivo, opgericht in 1906. (Boyle & Haynes, 2000, p.28)

Met de komst van de radio in 1922 werden de nationale en lokale kranten bedreigd. Radio had immers het voordeel rechtstreeks bericht te kunnen geven op de plaats van het gebeuren. Het onmiddellijke karakter van de radio en de uitzendingen ter plaatse gaven voor de sportfans een ongekende toegang tot de sport. Voor iedere radiozender betekende sportverslaggeving een enorme uitbreiding van luisteraars en sponsors. Het effect is vergelijkbaar met de intrede van digitale televisie en betaaltelevisie op het einde van de twintigste eeuw. In Engeland bijvoorbeeld waren de verslaggeving van sportwedstrijden zoals de FA (Football Association) Cup final, Wimbledon en de Grand National ook een manier om een eigen nationale cultuur op te bouwen. De radio gaf deze sportwedstrijden een grotere bekendheid en bereikte een steeds groter publiek. (Boyle & Haynes, 2000, pp. 33-35)

Van alle massamedia heeft televisie ons huidig beeld over sport het meest beïnvloed. Televisie bracht grote evenementen zoals de wereldbeker voetbal en de Olympische Spelen in de huiskamers. Met de intrede van Eurovision in 1954 konden de eerste live beelden verstuurd worden. In 1954 en 1958 werden de wereldbekers voetbal in Zwitserland en Zweden uitgezonden en in 1960 de Olympische Spelen van Rome. Met het verbond van de European Broadcasters Union (EBU) kreeg de sport een nog groter internationaal karakter en werd sport over de hele wereld verspreid. Naarmate de jaren zeventig vorderden kwamen ook andere sporten in beeld. De bokswedstrijd tussen George Foreman en Mohammed Ali in 1974, de ‘Rumble of the Jungle’ zorgde voor een ongekende populariteit van het zwaargewichtboksen. Het gevecht is dankzij televisie een legende geworden in de populaire cultuur van de twintigste eeuw. (Boyle & Haynes, 2000, pp. 38-44)

Aan het einde van de twintigste eeuw doet ook de ICT (Informatie en Communicatie Technologie) zijn intrede. De jongste jaren springen meer en meer competities en sporten op de internettrein. Het is een manier om de sport meer aandacht en publiciteit te geven. Internet vormt de toekomstige bron van inkomsten door onder meer sponsoring en marketing. Naast internet, is het ook mogelijk om bijvoorbeeld sportuitslagen en tussenstanden te ontvangen via gsm toestellen. (Jouret, 2000, p. 11)

 

2.2. Sport en de massamedia

 

De band tussen sport en de media was er al van in het begin, maar de relatie tussen de twee voornaamste massafenomenen van onze samenleving is nog nooit zo sterk geweest als vandaag. Wanneer de televisie zijn intrede doet, meer dan een halve eeuw geleden, krijgt de sport een planetaire dimensie. (Jouret, 2000, p.1)

We leven in een samenleving waarin de sterrenstatus van voetbalmiljonairs zoals Michael Owen en David Beckham voor een groot deel is veroorzaakt door de belangstelling van de media. Reclamespots, televisieoptredens en marketing zorgen ervoor dat deze sporthelden een nooit eerder geziene rijkdom hebben verworven. Dit staat in schril contrast met topspelers uit vorige generaties. (Boyle & Haynes, 2000, p. 2)

De media oefenen verschillende effecten uit op sport. Één van de effecten is dat de media vaak belangrijke aspecten van een sport doen veranderen om de spektakelwaarde ervan op te drijven. De media kneedt als het ware bepaalde sporten volgens zijn behoeften. Hoofdzakelijk gemediatiseerde sporten moeten zich aanpassen aan de wensen van de tv-makers. Het klassiek voorbeeld is dat van de invoering van de tiebreak in de tennis in 1971. Via deze maatregel kan de maximale duur van een wedstrijd beter voorspeld worden. In het tafeltennis bijvoorbeeld zijn de balletjes groter geworden en hebben ze een andere kleur gekregen. (Jouret, 2000, p. 6)

Een ander effect van de media op de sport is wellicht de grotere belangstelling van het publiek en een toename van het aantal leden van bepaalde clubs. (Jouret, 2000, p. 6) Niet iedereen is ervan overtuigd dat de mediatisering van een sport ervoor kan zorgen dat het publiek meer aan die bepaalde sport zal gaan doen. Het resultaat van een studie van Wladimir Andreff en Jean-Francois Nys toont aan dat er in het algemeen en op langere termijn geen enkel verband zou bestaan tussen het aantal beoefenaars van een bepaalde discipline en de mediabelangstelling. Raymond Thomas is ervan overtuigd dat de media wel degelijk tot meer sporten kan aanzetten. De voorwaarde hiervoor is dat de sport over vedetten moet beschikken waar het publiek zich mee kan identificeren. De twee standpunten verschillen duidelijk en een concrete conclusie kan niet worden gemaakt (Jouret, 2000, p. 8) Toch kan men het effect van het succes van Kim Clijsters en Justine Henin-Hardenne in België niet ontkennen. Er is een duidelijke toename van het aantal jonge tennissers, het zogenaamde Kim en Justine effect. Meer dan 90 % van de nieuwe sporters hebben zich de voorbije jaren bij een tennisclub ingeschreven. In 1994 waren er 106.508 leden ingeschreven bij de Vlaamse Tennisfederatie, in 2005 zijn er dat 150.209. (Decaestecker, 26.02.2005, p. 17) In de toekomst zal blijken of ook de nieuwe wielergod Tom Boonen zo een effect teweeg kan brengen in de wielersport.

Topsport biedt de mogelijkheid om een spektakel te organiseren en te commercialiseren. Het spektakel kan door de invloed van de media op zijn beurt de aanleiding geven voor een hele reeks maatschappelijke en culturele praktijken. Vrienden komen samen op kaffee om naar een rechtstreeks uitgezonden tennis of voetbalmatch te zien. Jongeren geraken gefascineerd en kiezen voor een sport na het zien van sensationele beelden. Onder meer triatleet Rugter Beke startte met zijn sport na het zien van triatlonwedstrijden op de Vlaamse televisie. (Beke, 08.04.2005) Het is een uiterst ingewikkeld en veelvoudig terugkoppelingsproces, waar de media een belangrijke rol in speelt. (Jouret, 2000, p. 4)

In de toekomst zal de kloof tussen de sterk gemediatiseerde sporten en de sporten die het scherm niet of nauwelijks halen, alleen maar breder en dieper worden. De sportwereld staat op punt te evolueren naar een verzelfstandiging van de gecommercialiseerde en gemediatiseerde topsport. De intrede van digitale televisie met gespecialiseerde zenders of themazenders zal een toename van het aanbod als gevolg hebben. Deze zenders zullen waarschijnlijk zeer gevarieerde en gediversifieerde programma’s brengen, wegens een te beperkt budget om de uitzendrechten van grote competities zoals bijvoorbeeld de Champions League binnen te halen. Op deze manier kunnen kleinere minder populaire en vaak ook vrouwensporten aanbod komen. Het zijn vooralsnog de extreme of gevaarlijke sporten die steeds meer zendtijd krijgen. Het gaat om nieuwe, sensationele sporten die zowel de sportieve eisen als de behoeften van de media perfect kunnen combineren. Boardercross[1] en skysurfing[2] zijn enkele voorbeelden. (Jouret, 2000, p. 10)

Een andere uitweg voor de minder gemediatiseerde sporten is het internet. Het World Wide Web kan ook een oplossing zijn voor wedstrijden die te lang duren voor televisieverslaggeving zoals bijvoorbeeld de Whitbread Around the World Yacht Race, een zeilwedstrijd van negen maanden lang. Via e-mails op regelmatige basis, vergezeld met audio en andere info, konden de internetgebruikers op de hoogte blijven van de wedstrijd. (Boyle & Haynes, 2000, pp. 220-221) Websites worden door radio en televisiezenders gebruikt om de eigen uitzendingen aan te kondigen, randinformatie aan te bieden onder de vorm van artikels, audio en video, grafieken online discussies en flash animaties. De sportliefhebber kan door middel van het internet op elk moment van de dag terecht bij zijn of haar mediabron voor de meest up to date sport informatie. Media en sport en de ervaringen die daarmee gepaard gaan veranderen zeer snel.

In Europa is er een geleidelijke opmars van het aantal satellietzenders die zich mengen in de debatten van uitzendrechten van grote sportevenementen. Het gevaar schuilt in het feit dat deze satellietzenders, die vaak zeer kapitaalkrachtig zijn, de uitzendrechten van grote sportwedstrijden opkopen. In Groot-Brittannië kocht Sky de rechten op van de Ryder Cup maar in Groot-Brittannië nemen ze hiertegen maatregelen Zo staan Wimbledon en de FA cup op een speciale lijst van evenementen van de overheid die moeten worden uitgezonden via de landelijke televisie: BBC. Sattelietzenders proberen ook hun greep op de sportwereld te verstevigen door bijvoorbeeld voetbalclubs over te nemen of aandelen te kopen. (Houlihan, 2003, p. 348) Het IOC en de FIFA (Fédération Internationale de Football Association) hebben de toenaderingen van satellietzender BskyB afgewend omdat dergelijke uitzendingen niet het hoogst mogelijke publiek zou bereiken. In de Verenigde Staten speelt het marktprincipe nog meer en is er helemaal geen sprake van overheidstussenkomst zoals in Groot-Brittannië. De weg voor een verdere commercialisering van de sport op het gebied van uitzendrechten ligt in de Verenigde Staten dan ook volledig in handen van de markt. (Stead, 2003, p. 188)

In al deze verschillende vormen van massamedia treedt een toenemende specialisatie op. De laatste jaren is er een specifiek aanbod van sporttijdschriften, sportzenders, veelal betaal of satellietzenders, radiostations en websites. (Stead, 2003, p. 185)

 

2.3. Kenmerken van sportjournalistiek

 

De media hebben drie unieke en belangrijke kenmerken. Ten eerste informeren ze ons over mensen en evenementen. Ten tweede geven ze interpretaties over wat er gebeurt in de wereld en ten derde bieden ze ons verschillende soorten entertainment aan. Wanneer deze drie kenmerken zijn verenigd spreekt men van ‘interpretatieve infotainment’. De media vormen een brug tussen ons en de rest van de wereld. Zij verbinden ons met informatie, ervaringen, mensen, beelden en ideeën die anders nooit deel zouden uitmaken van ons leven. Maar het stukje realiteit dat wij zien, lezen en horen is onderhevig aan verschillende processen. etc. In de sportwereld bepalen producers, cameramensen en schrijvers niet enkel welke sporten we te zien krijgen maar ook op welke beelden de nadruk zal worden gelegd en welk soort commentaar we horen. Producers van gemediatiseerde sporten herschapen een sportevenement om het publiek en toeschouwers te entertainen. (Coakley, 1998, pp. 368-369)

 Vandaag spreekt men van ‘videated sports’. Dit zijn sporten die worden gepresenteerd door middel van het gebruik van videotechnologie. Deze wordt gebruikt om dramatische, spannende en gestyleerde beelden te maken om zo de kijkers en de hoofdsponsors te vermaken. De invloed van deze ‘videated sports’ is afhankelijk van hoeveel informatie we via de media of directe ervaringen ontvangen. Het is nu éénmaal zo dat dominante ideologieën over ras, gender en nationalisme worden opgevangen door de berichten in de media. (Coakley, 1998, pp. 398-399)

Men is zich er vaak niet van bewust dat de beelden en de verslaggeving met zorg is uitgekozen in functie van het dramatiseren van een sportwedstrijd. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld ligt de nadruk op actie, competitie, agressie, individueel heroïsme, individuele prestaties, het omgaan met pijn, ploegenspel en het belang van scores om het uiteindelijke succes te meten. Dit leidt er soms toe dat de wedstrijd op televisie vaak aanzien wordt als de ‘echte’ wedstrijd i.p.v. de wedstrijd in het stadion. Kerry Temple (in Coakley, 1998, pp. 368-369) verklaart het als volgt:

 

‘It’s not just games you’re watching. It’s soap operas, complete with story lines and plots and plots twists. And good guys and villains, heroes and underdogs. And all this gets scripts into cliffhanger morality plays… And you get all caught up in this until you begin to believe it really matters.’ (1992)

 

Kenmerkend voor sportverslaggeving op televisie is het gebruik van melodramatische elementen uit de soap opera. Men gebruikt stereotype karakters en verhaallijnen, men bouwt spanning en drama op en neemt deze ook weer weg en men verkent enkele thema’s. Dit zijn enkele componenten die gebruikt worden in sportverslaggeving. De vraag waarrond de media het hele verhaal opbouwen is de vraag ‘Wie zal er winnen?’. Als een wedstrijd te voorspelbaar wordt verliest het immers zijn aantrekkingskracht en veranderen kijkers van programma. De media tracht via diverse technieken de televisiekijker aan de buis te houden. Één van deze technieken is de combinatie van opgenomen beelden en live verslaggeving. Producers hebben zo meer beelden ter beschikking en kunnen dan ook de meest dramatische gebeurtenissen en populaire beelden uitzenden in prime time. Ze kunnen m.a.w. een echt verhaal creëren. Tijdens de Olympische Spelen van Atlanta in 1996 maakte de Amerikaanse zender NBC gebruik van deze techniek – ‘plausibly live’ - tijdens hun verslaggeving. (Kinkema & Harris, 1998, pp. 32-33)

Één van de redenen waarom sportverhalen zo succesvol zijn is dat het verhaal na één uitzending niet stopt. De meeste populaire sportevenementen op de televisie bestaan uit langdurige competities. De vraag naar wie er zal winnen is dus van toepassing zowel op iedere wedstrijd als gedurende de hele competitie of seizoen. Butler (in Kinkema & Harris, 1998, pp. 32-33) stelt dat het gebrek aan een duidelijk afgebakend seizoen in bijvoorbeeld tennis en golf een reden is waardoor deze sporten een minder groot publiek aantrekken.

De narratologische benadering van de mediatisering in de sport kan drie vormen aannemen. Sportverslaggeving kan ten eerste een totaalverhaal zijn. Het gaat hier dan over een geënsceneerd totaalverhaal met voor- en nabeschouwingen en anticiperende verslagen. Een voetbalwedstrijd is bijvoorbeeld een totaalspektakel dat duizenden toeschouwers trekt. De wereldbeker voetbal of de Olympische Spelen zijn dus niet louter artificieel. Ten tweede kan sportverslaggeving ook een tautologisch verhaal zijn. De overvloedige commentaren, eindeloze herhalingen van sportverslaggeving kunnen beschouwd worden als een tautologisch verhaal. Deze wijze van verslaggeving moet vooral de onzekerheid en de onvoorspelbaarheid van het spektakel camoufleren. Sportverslaggeving kan ook de vorm aannemen van een totalitair verhaal. Volgens Jean-Marie Brohm (in Jouret, 2000, p. 3) zijn grote sportevenementen die gemediatiseerd zijn op zich een soort van vervreemding. Andere auteurs, zoals Pascal Duret wijzen juist op de autonomie van het publiek, dat niet altijd alles slikt wat de verslaggevers vertellen. De kijker oordeelt zelf over de spektakelwaarde van het evenement. Deze autonomie moet echter voortdurend opnieuw worden veroverd.

 

2.4. Media, sport en gender

 

Één van de kenmerken van de sportverslaggeving is dat de beeldvorming over sport in sterke mate wordt bepaald door de media. De massamedia creëren belangrijke culturele informatie en houden deze ook in stand. De wijze waarop mensen zichzelf percipiëren en hoe dat anderen hen behandelen, wordt voor een groot deel bepaald door representatie in de media. Zo laat de media onder meer uitschijnen dat sportparticipatie voor jongens meer gepast is dan voor meisjes, dat mannen van natuur uit superieur zijn ten opzichte van. vrouwen in de sport en vrouwensporten minder belangrijk zijn dan mannensporten. Het bewijs hiervoor is talrijk aanwezig. Het aandeel mannensporten in de verslaggeving in alle media is ongeveer 85 %. De aandacht van vrouwelijke sporten op de televisie is in de loop der jaren toegenomen, maar bedraagt slechts 15 % van de totale uitzendtijd. Opvallend is dat de vrouwelijke sporten die wel in de aandacht komen van de media de nadruk leggen op elegantie en esthetiek, kenmerken van typische vrouwensporten. Vrouwen gymnastiek tijdens de Olympische zomerspelen en kunstschaatsen tijdens de Olympische winterspelen zijn hiervan een voorbeeld. Mannensporten waaraan de media aandacht schenkt benadrukken vooral typische mannelijke kenmerken zoals de fysieke sterkte en snelheid. De gegevens tonen aan dat typische vrouwelijke en mannelijke kenmerken nadrukkelijk aanwezig zijn in de berichtgeving. Uit de gegevens blijkt ook dat sportmedia de stereotiepe beelden van mannelijkheid en vrouwelijkheid bevestigen. (Coakley, 1998, pp. 385-386) Vrouwelijke en mannelijke topsporters spreken bepaalde beelden van mannelijkheid en vrouwelijkheid ook soms tegen. Vrouwelijke judoka’s die geen traan laten, staan in schril contrast met huilende mannelijke voetballers die in tranen uitbarsten na het verliezen van een wedstrijd. Dit zijn beelden die ingaan tegen de traditionele beelden van mannen en vrouwen. (Elling, 2003, pp. 17-18)

In de berichtgeving is er een duidelijk verschil merkbaar als het gaat over grote sportevenementen en de dagelijkse sportberichtgeving. In de ‘reguliere’ sportberichtgeving is er voornamelijk aandacht voor mannelijke sporten, terwijl vrouwen sterk ondervertegenwoordigd blijven. Gegevens uit een Engelse studie uit 1998 tonen aan dat 90.2 % van de sportprogramma’s op BBC1 betrekking hadden op mannen evenementen. 6.7 % was gewijd aan vrouwensport en 3.1 % aan gemengde verslaggeving. Ook de gemiddelde duur van een verslag op BBC 1 over vrouwen of mannen evenementen verschilt significant. De gemiddelde duur voor vrouwen was 17 minuten versus 42 minuten voor mannen. In de geschreven pers is het verschil mogelijks nog groter. 99.5 % van de sport gerelateerde artikels uit de Sun hadden betrekking op mannelijke sportevenementen. 88.5 procent van de sport gerelateerde artikels uit The Times ging over mannensporten, 10.9 % over vrouwensporten en 0.6 % over gemixte sporten. (Bernstein, 2002, p. 417)

De berichtgeving rond een groot sportevenement zoals de Olympische Spelen en meerbepaald de televisie verslaggeving verschilt duidelijk van dat van de dagelijkse sportberichtgeving. Vrouwensport en vrouwelijke sporters zijn dan wel relatief veel in beeld tijdens de Olympische Spelen. Uit een studie over de berichtgeving van NBC tijdens de Olympische Spelen van Atlanta blijkt dat vrouwen bijna evenveel zendtijd kregen als mannen. De onderzoekers concluderen dat NBC er in geslaagd is om de berichtgeving van mannen- en vrouwensporten gelijk te stellen en dat op twee manieren. Enerzijds in het aantal verschillende evenementen en anderzijds in het totale hoeveelheid minuten die gespendeerd werden aan sport van iedere gender groep. Maar de resultaten gaven ook aan dat vrouwelijke sporters meer aandacht kregen van de media wanneer zij deelnamen aan de sociaal aanvaarde individuele sporten. 61 % van de verslaggeving over vrouwen was bestemd voor het zwemmen, duiken en gymnastiek, waarvan gymnastiek 34 %. (Bernstein, 2002, p. 418)

Buiten de grote sportevenementen krijgen de vrouwen ook bij andere specifieke evenementen meer aandacht zoals schaats- of tenniskampioenschappen. Vrouwentennis is het enige voorbeeld waar vrouwen gelijke of meer aandacht krijgen dan de mannen. Ondanks de grotere media aandacht zijn bijvoorbeeld de prijzengelden nog steeds niet evenredig. Er is meer aandacht voor de vrouwelijke verschijning van de tennissters zoals bijvoorbeeld Anna Kournikova en Maria Sharapova. De looks en het imago van sommige speelsters zijn vaak doorslaggevender dan het geleverde spel. Tijdens de editie van Wimbledon in 2000 waren er voor iedere foto van winnares Lindsay Davenport 20 voor Anna Kournikova. (Bernstein, 2002, p. 423)

In vergelijking met de mannenevenementen wordt er echter minder moeite gedaan om de vrouwenevenementen op een spannende manier te presenteren. Mannenevenementen worden vaak geconstrueerd als een melodrama of thriller waaraan een historische betekenis is verbonden. Vrouwensporten worden vaker als een soort vriendelijk buurtspelletje voorgesteld. Mannen worden hoofdzakelijk als onafhankelijke en sterke personen afgebeeld. Vrouwen worden ook regelmatig als fysiek sterk voorgesteld, maar de vrouw is nog steeds afhankelijk van haar mannelijke coach, vader of vriend. Vrouwen worden ook als mentaal zwak afgebeeld. De verslaggeving van vrouwen in de sport is dus vaker triviaal en ambivalent. (Elling, 2003, pp. 17-18)

 

 

3. Globalisering

 

Inleiding

 

In de twintigste eeuw zijn er maar weinig internationale ontwikkelingen geweest die zoveel aandacht hebben gekregen als het begrip ‘globalisering’. Het is uitgegroeid tot een modewoord. Iedereen neemt het in de mond, te pas en te onpas. Voor velen is het de oorzaak van wereldwijde kommer en kwel, voor anderen een bron van globale mogelijkheden. Voorstanders zien in globalisering wereldwijde groei, en een kans voor meer mensen om volwaardig deel te nemen aan het maatschappelijke en economische leven. Critici zien vooral een toenemende ongelijkheid, verdere economisering en McDonaldisering van het leven. Een duale maatschappij, waar het ieder voor zich is, het milieu wordt geplunderd, kortom een neerwaartse spiraal naar een maatschappij die door niemand wordt gewenst. (Naert & Coppieters, 2000, p.11)

Globalisering is een proces dat op alle aspecten van de samenleving een invloed uitoefent. Wij zullen daarvan de belangrijkste domeinen bespreken. De term globalisering wordt ook vaak gelijkgesteld met begrippen als Amerikanisering, McDonaldisering en cultureel imperialisme. Wat deze termen betekenen en hoe ze in het globaliseringdebat kunnen worden geplaatst zal aan de hand van de inzichten van Robertson en Ritzer worden verklaard.

 

3.1. Globalisering door de eeuwen heen

 

Een vaak gehoord argument is dat globalisering iets nieuws zou zijn. Niets blijkt minder waar. In feite is globalisering al net zo oud als de mensheid. Natuurlijk is het niet altijd hetzelfde geweest. Er zijn verschillende perioden te herkennen, met allemaal hun eigen kenmerken van globalisering. De verspreiding van de Islam en het Christendom, de veroveringen onder het Romeinse Rijk, de ontdekking van Amerika door Columbus, zijn voorbeelden die aangeven dat globalisering niets nieuws is. Het feit dat mensen vaak denken dat globalisering iets nieuws is, komt omdat we nu veel meer met onze neus op de gevolgen worden gedrukt. Helaas zijn dat vaak de negatieve gevolgen van globalisering. Mensen zijn vandaag ook veel meer op de hoogte van wat er in hun omgeving en de rest van de wereld gebeurt. Om de huidige globalisering beter te kunnen begrijpen is het goed om weten wat globalisering voorheen inhield en welke verschillende perioden er te onderscheiden zijn. David Held e.a. (2004b, pp. 417-435) onderscheiden vier perioden van globalisering door de eeuwen heen:

 

3.1.1. Premoderne globalisering

 

In deze periode stonden vooral de agrarische expansie en de verspreiding van wereldreligies centraal. Het merendeel van de mensen op de wereld leefde in die periode van de landbouw en veeteelt. Naast de landbouw was religie een belangrijk aspect in het leven. Mensen verplaatsten zich onder meer naar andere gebieden om daar hun geloofsovertuiging te prediken en mensen te bekeren. Dit kan dus al worden gezien als een vorm van globalisering. De handel die er bestond was dan ook voornamelijk gericht op de agrarische sector en vond eerder plaats tussen regio’s of woongebieden, daar er destijds nog niet echt sprake was van landsgrenzen. De handel die werd gevoerd met andere gebieden vond plaats over lange afstand, overwegend in Euroazië. De globalisering in deze periode wordt ‘thin globalization’ genoemd, vermits de beschavingen van Oceanië en Amerika gescheiden bleven van die in Euroazië en Afrika. (Held e.a., 2004b, pp. 415-418)

 

3.1.2. Vroeg moderne globalisering

 

De periode tussen 1500 en 1850 is de tijd van de grote Europese ontdekkingsreizigers. Europa was het centrum van de wereld en stuurde zijn zonen de wereld rond om nieuwe overzeese gebieden te ontdekken. Als gevolg hiervan en kenmerkend voor deze periode zijn de demografische stromingen tussen Europa, Noord en Zuid-Amerika en Oceanië. Deze werden versterkt door de politieke en militaire expansie, dat mee aan de basis lag van een Europees wereldrijk. Er ontstonden nieuwe vormen van economische globalisering zoals de grote handelsorganisaties, bijvoorbeeld de Verenigde Oost-Indische Compagnieën (VOC). Door al deze ontwikkelingen kwamen steeds meer plaatsen en mensen op aarde in contact met Europa. Centraal in deze periode staat dan ook de kolonisatie van landen door Europese landen. Men kan nog niet spreken van een echte globale expansie, vermits het voornamelijk was geconcentreerd op Noord- en Zuid Amerika en Oceanië. Tegen het einde van deze periode namen veel Noord-Amerikaanse koloniën afstand van Groot-Brittannië, net zoals vele Zuid-Amerikaanse landen onafhankelijk werden van Spanje en Portugal. (Held e.a., 2004b, pp. 418-421)

 

3.1.3. Moderne globalisering

 

In de periode van de moderne globalisering blijft het Westen de dominante actor in de wereld. De periode tussen 1850 en 1945 is er een van grote Europese migraties naar de Verenigde Staten. Ieren, Polen, Noren, emigreren naar de Verenigde Staten - ‘The promised land’ - om daar een nieuw leven op te bouwen. Samen met de Verenigde Staten oefent Europa nu druk uit op de wereld en Europa verliest zo zijn positie als enige wereldmacht. Deze westerse wereld bepaalt nu de regels in de wereld en verspreidt zijn ideologieën en opvatting op alle vlakken van de maatschappij. Het is in deze periode dat globalisering echt mondiaal is geworden. Mede aan de basis hiervan is het Europese koloniale systeem dat de verschillende delen van de wereld samenbrengt. Het koloniseren door Europese staten gaat onverminderd door, het vergeten continent Afrika is ditmaal aan de beurt. Het is tevens een periode waar de uitvindingen van vele technologische snufjes er voor zorgen dat de hele wereld met elkaar in contact word gebracht. Na de uitvindingen zoals de telegraaf, de telefoon en de radio is de factor afstand niet meer van belang. Spoorwegen worden aangelegd en men kan nu in eenzelfde tijd veel grotere afstanden afleggen dan voorheen. Er wordt echter een abrupt einde gesteld aan deze periode van globalisering door WOI. (Held e.a., 2004b, pp. 421-424)

 

3.1.4. Huidige globalisering

 

De huidige globalisering begint volgens David Held e.a. (2004b, pp. 424-430) na de Tweede Wereldoorlog. Zowel tijdens als na de Koude oorlog worden er mondiale militaire samenwerkingen geformeerd. Het internationaal recht ontstaat, net zoals regionale en mondiale wetgevingen en internationale organisaties zoals de Verenigde Naties en Unicef. Er komt een golf van dekolonisatie en steeds meer gekoloniseerde landen worden onafhankelijk, zoals bijvoorbeeld Congo in 1960. De meeste aspecten van globalisering vinden plaats op wereldniveau. Het voorbeeld bij uitstek is de economische globalisering. De wereldhandel, de financiële markt en de productie van goederen zijn hier een aantal voorbeelden van. Globalisering is mondiaal, vermits overal op de wereld dezelfde situaties voorkomen. Zo vind je bijvoorbeeld overal ter wereld billboards terug van dure merkproducten. Maar het mes snijdt aan twee kanten. Deze economische globalisering is in zekere zin ook beperkt, daar maar een klein gedeelte van de bewoners op de wereld er positief gebruik van kan maken. Het verschil tussen arm en rijk is in deze periode op verschillende terreinen groter geworden.

Aan de hand van definities van een aantal wetenschappers proberen we in het volgend hoofdstuk te bepalen wat globalisering in het begin van de éénentwintigste eeuw nu juist inhoudt. Vervolgens gaan we dieper in op het globaliseringproces.

 

3.2. Globalisering

 

Volgens George Ritzer is globalisering ‘the worldwide diffusion of practices, expansion of relations across continents, organization of social life on a global scale, and growth of a shared global consciousness’. Rowe et al definiëren globalisering als een ‘set van krachten die een complex en onweerstaanbaar systeem van wereld economie, politieke en culturele afhankelijkheid produceert.‘ (Jackson & Melnick, 2002, p.430)

Voor Rowe is globalisering enerzijds een technische term die een beschrijving geeft van economische, politieke, technologische en communicatieve verbondenheid die gedurende eeuwen is geëvolueerd. Anderzijds verwijst globalisering naar ‘een snel veranderend proces op elk niveau, dat enorm snel is geaccelereerd sinds het einde van de twintigste eeuw en systematisch locale structuren en praktijken heeft doen afbrokkelen en zich dreigend aankondigt in een globale cultuur’. In het midden van dit theoretisch spectrum staat de natiestaat. Dit is zoweel een politiek-juridisch organisatie als een vertegenwoordiging van de eigen cultuur. (Rowe, 2003, p. 282)

Voor Antony Giddens (1990, pp. 63-77) omvat globalisering: ‘the intensification of world-wide social relations which link distinct localities in such a way that local happenings are shaped by events occurring miles and miles away and vice versa’ De wereld wordt als het ware kleiner maar de omvang en intensiteit van wereldwijde onderlinge verbanden zijn gestegen. De centrale elementen in deze beschouwing zijn de wereldeconomie, het internationale systeem van natie staten, de wereldwijde verspreiding van technologie en verdeling van arbeid, en een systeem van militaire bondgenoten en verdragen. (Maguire, 1999, p.13)

Roland Robertson (in Ritzer, 2003, pp. 71-73) brengt een overzicht van enkele elementen van de globaliseringtheorie. Een eerste vraag is of globalisering homogeniteit of heterogeniteit bevordert, of een mix van beiden? Ten tweede zoekt hij naar de relatie tussen het locale en het globale. Ten derde zoekt stelt Robertson zich de vraag wat de motor is achter heel het globaliseringsproces. De eerste twee vragen liggen in elkaars verlengde, vermits homogeniteit en globaliteit enerzijds en heterogeniteit en lokaliteit anderzijds samen worden geassocieerd.

Enkele bemerkingen van Panić (Panic, 2005, p. 4) sluiten nauw aan bij deze vragen van Robertons. Zo stelt hij zich de vraag of globalisering verwijst naar iets dat betrekking heeft op een relatief klein aantal landen of zoals het woord zegt, voor heel de wereld? En betekent globalisering meer dan enkel en alleen maar economische integratie en afhankelijkheid?

Als we het over de globaliseringtheorie hebben komen er dus drie elementen naar voren. Ten eerste wat is de relatie tussen het globale en het locale? Ten tweede zorgt globalisering voor meer heterogeniteit of homogeniteit? En ten slotte welke zijn de sleutelbegrippen, de drijvende krachten achter de term globalisering? Een antwoord op deze vragen vinden we terug in de begrippen glocalisering en grobalisering. De eerste term werd ontwikkeld door Robertson. Het verwijst naar het centrale element in zijn theorie: de sterk verbonden relatie tussen homogeniteit-heterogeniteit en het globale-locale. De term glocalisering negeert echter nog elementen die toch onder de noemer van globalisering kunnen worden geplaatst. Ritzer probeert met de term grobalisering hierop een antwoord te bieden en zo een meer gebalanceerde kijk te ontwikkelen binnen het globaliseringsdebat. Beide begrippen bestaan gelijktijdig onder de brede noemer van globalisering. In wat volgt gaan we dieper in op beide begrippen.

 

3.3. Glocalisering

 

De term ‘glocalisation’ is een samensmelting van de Engelse woorden global en local. Het locale moet verstaan worden als een aspect van het globale, ze zijn niet wederzijds exclusief. (Beck, 2000, p. 48) Binnen de visie van glocalisering is de wereld steeds meer pluralistischer aan het worden. De glocalisering theorie is gevoelig voor verschillen in en tussen gebieden in de wereld. Individuen en locale groepen hebben de kracht om zich aan te passen, nieuwe elementen te integreren in de glocaliserende wereld. De mens is hier een creatief individu. De media en andere sleutelelementen die aan de basis lagen van culturele verandering eind twintigste en begin éénentwintigste eeuw oefenen geen dwingende rol uit. Ze voorzien in materiaal dat gebruikt kan worden door individuen en groepen in de meer geglocaliseerde gebieden van de wereld.

Glocalisering is nauw verwant met drie begrippen, soms worden ze ook gebruikt als synoniem. Heterogeniteit is een term die de nadruk legt op diversiteit, een belangrijk kenmerk van glocalisatie. Hiertegenover staat de homogeniteit die kenmerkend is voor grobalisatie. De mix van het globale en het locale of hybriditeit is een tweede verwant begrip van glocalisatie en staat tegenover de uniformiteit van grobalisatie. Creolisatie tenslotte verwijst naar de creolisatie van taal. Het woord creool verwijst oorspronkelijk naar mensen van gemengde rassen. In de glocaliseringscontext wordt het gebruikt als een combinatie, een vermenging van talen. Het tegenovergestelde hiervan is purificatie, kenmerkend voor grobalisatie, waar alternatieve talen worden geweerd en uitgesloten opdat de puurheid van een taal of het ras niet zou worden aangetast. (Ritzer, 2003, pp.73-79)

 

3.4. Grobalisering

 

De term ‘grobalisation’ werd gecreëerd door Ritzer (2003, pp. 73-79), die hiermee tegengewicht wilt geven aan het begrip glocalisering. Grobalisation verwijst naar het Engelse woord ‘grow’. Grobalisering focust op de imperialistische ambities van naties, bedrijven en organisaties en hun wens om zich op te dringen in verschillende gebieden op deze wereld. Hun hoofddoel is hun eigen macht, invloed en soms ook voordelen en winst te zien groeien in de wereld. Binnen de grobalisering theorie wordt de wereld steeds meer gelijk, zij minimaliseren dan ook de verschillen in en tussen gebieden in de wereld. Individuen en groepen worden niet in staat geacht om zich aan te passen, om innovaties uit te voeren binnen een gegrobaliseerde wereld. Grote machtsstructuren overheersen het individu zodat zij niet meer de mogelijkheden hebben om zich zelf en hun wereld te ontwikkelen. Sociale processen zijn hoofdzakelijk unidirectioneel en zeer gedetermineerd. Locale culturen en gewoontes worden aan banden gelegd door de steeds toenemende ‘grobal’ cultuur. In de gebieden waar grobalisering op de voorgrond treedt heeft de media een zeer bepalende rol ten opzichte van. individuen en groepen.

De term grobalisering omvat diverse subprocessen zoals onder meer kapitalisme, Amerikanisering en McDonaldisering. Ondanks dat ze apart worden besproken moeten we erop wijzen dat ze een sterke verbondenheid vertonen. Zo kan bijvoorbeeld McDonalidsering ook besproken worden onder het proces van Amerikanisering. Wij opteren ervoor om de indeling van Ritzer verder te volgen en de drie begrippen afzonderlijk te bespreken.

 

3.4.1. Kapitalisme

 

Er is geen enkele kracht die zowel in het verleden als in het heden zoveel heeft bijgedragen aan heel de globalisering en de grobalisering in het bijzonder, dan kapitalisme. Karl Marx zag al in dat kapitalistische bedrijven genoodzaakt waren om hun activiteiten uit te breiden. Al in de eerste kapitalistische bedrijven waren er reeds globale ambities. Wanneer de mogelijkheden om grote winsten te maken verdwenen in hun eigen landen, moesten ze hun heil proberen te vinden in het buitenland. Met de komst van de Koude Oorlog werd er een rem geplaatst op heel het grobaliseringsproces. Na de val van de muur van Berlijn en het wegebben van het communistische ideeëngoed werden de wegen weer geopend en kreeg het kapitalistische principe weer vrij spel. Tegen het einde van de twintigste eeuw introduceerden ook landen als Rusland en China steeds meer kapitalistische elementen in hun samenleving en economie.

Het kapitalistische economische systeem oefent een zeer belangrijke invloed uit op politiek niveau. Een speciale rol is weggelegd voor de Verenigde Staten. Hun wens om democratie te zien zegevieren over dictatoriale regimes, militaire regimes of nazaten van het communistische principe is nauw verbonden met het kapitalistische systeem. Democratische systemen zijn namelijk meer geneigd om het kapitalistische systeem over te nemen en staan meer open voor de soms vijandelijke invallen van kapitalistische bedrijven van andere landen, in het bijzonder de Verenigde Staten. In de gevallen waar een samenleving niet wil evolueren richting ‘democratie’, is de Amerikaanse overheid niet verlegen om via hun militaire inmenging het desbetreffende land een duwtje in de rug te geven. Het recente voorbeeld van Irak spreekt voor zich. (Ritzer, 2003, pp. 80 - 82)

 

3.4.2. Amerikanisering

 

‘Globalization has a distinctly American face; It wears Mickey Mouse ears, it eats Big Macs, it drinks Coke or Pepsi and it does its computing on an IBM or Apple laptop, using Windows 98, with an Intel Pentium II processor and a network link from Cisco systems’. (Friedman in Ritzer, 2000, p.177)

 

Dit voorbeeld beschrijft perfect wat Amerikanisering betekent namelijk het proces waarbij de Amerikaanse cultuur, producten en meningen worden opgedrongen aan andere culturen ten koste van de eigen binnenlandse cultuur. Dit proces verwijst niet enkel naar het importeren van de Amerikaanse nationale cultuur en Amerikaanse producten, maar het breidt zich uit tot waarden en normen, idealen en gedragspatronen die mee worden overgenomen. (Jackson & Melnick, 2002, p. 429) Van Elteren definieert Amerikanisering als: ‘The idea of a global homogenization under the hegemony of American popular culture.’ (Van Elteren, 1996, p. 65) Het Amerikaanse industriële model, de Amerikaanse media en in het bijzonder Hollywood en de populaire Amerikaanse muziek, de verkoop van de uitzendrechten van Amerikaanse sporten zoals de NBA basketbalcompetitie aan buitenlandse televisiezenders, Coca Cola, Pepsi, jeans, computer software het zijn allemaal voorbeelden van Amerikanisering.

 

3.4.3. McDonaldisering

 

George Ritzer definieert McDonaldisering: ‘as the process by which the principles of the fast food restaurant are coming to dominate more sectors of society.‘ (Ritzer, 2000, p. 1) Ook bij het begrip McDonaldisering komt het debat van het globale en het locale terug. McDonaldisering wordt door sommigen aanzien als een éénzijdig proces van Amerikaans cultureel imperialisme. Voor anderen zorgen de locale omgevingen voor een transformatie van een systeem zoals McDonaldisering. McDonaldisering is dan geen vorm van cultureel imperialisme maar een lokaal fenomeen. Ondanks dat het basismenu in iedere McDonald’s overal ter wereld wordt geserveerd, heeft Mcdonald’s wel lokale gerechten en specialiteiten toegevoegd aan zijn menukaart in vele landen. Volgens de president van McDonald’s International is het doel van zijn bedrijf ‘to become as much a part of the local culture as possible’. (Ritzer, 2000, pp. 172-177) McDonaldisering heeft vier dimensies: effciëntie, berekenbaarheid, betrouwbaarheid, winstgevend zijn en controle. Een eerste dimensie van McDonald’s is op de meest efficiënte methode een bepaald doel bereiken. Berekenbaarheid is een tweede dimensie. Dit betekent dat de organisatie van een evenement de nadruk legt op berekenbare voordelen. Een voorbeeld hiervan is het Amerikaanse ‘how bigger is better’ syndroom. Kwantiteit neemt de bovenhand op kwaliteit. De derde dimensie van McDonaldiseringisation is de voorspelbaarheid, of dezelfde ervaring aanbieden in alle gebieden. De laatste dimensie is over de klanten, een beperkt aantal keuzes aanbieden, maar ook controle over de werknemers. (Duke, 2002, pp. 7-8) (Ritzer, 2000, pp. 11-14)

 

3.5. Soorten globalisering

 

Globalisering is dus een zeer breed proces dat men vanuit verschillende invalshoeken kan benaderen. Ruud Lubbers, voormalig Minister – President van Nederland, en Ignacio Ramonet, hoofdredacteur van Le Monde Diplomatique onderscheiden drie ontwikkelingen in verband met globalisering: economische, technologische en politieke globalisering. Zelf zullen we enkel de economische en politieke invalshoek bespreken, aangevuld met het onderwerp van culturele globalisering. In tegenstelling tot de termen glocalisering en grobalisering heeft de onderstaande verdeling betrekking op de volgens ons drie belangrijkste domeinen of invalshoeken waar globalisering zich afspeelt. Glocalisering en grobalisering vertelden ons iets meer over het niveau waarop deze domeinen zich afspeelden.

 

3.5.1. Economische globalisering

 

Ondernemingen zoals Philips, Unilever of Shell zijn al een tijdje global, lang voordat de huidige betekenis van globalisering zijn intrede deed. De economische component van globalisering heeft een grote voorsprong op de politieke. Het vrij verkeer van goederen, diensten en kapitaal binnen de Europese Unie, de invloed van de GATT (General Agreement on Tariffs and Trade) en nu de WTO (World Trade Organisation) en NAFTA (North American Free Trade Agreement), hebben de economische globalisering enorm versneld. De economische tak is in feite de bron voor de technologische, politieke en culturele globalisering. (Naert & Coppieters, 2002, pp. 12-13)

 

3.5.2. Politieke globalisering

 

De politieke globalisering is het minst ontwikkeld. Denk maar aan de huidige en moeizame stemmingen in de Europese lidstaten omtrent de Europese grondwet. In 1989 bij de val van de Berlijnse muur leekt het er even op dat politieke globalisering zich in een versneld tempo zou voltrekken. Er werd wereldwijd gekozen voor markt en democratie. Dertig jaar geleden leefde men nog in een samenleving met drie werelden. Een eerste wereld koos voor markteconomie en een democratie met meerdere partijen. De tweede wereld, die van de communistische landen, koos voor planeconomie. De derde wereld behoorde niet tot de eerste of tweede wereld. Dit waren de zogenaamde niet-gebonden landen, die bezig waren met het loskoppelen van het kolonialisme. Met de val van de muur kwam er een einde aan deze trilogie. Het gekende gevolg is dat markt en democratie zich verder, wereldwijd hebben verspreid. Noord-Korea en Cuba – twee landen van de ax of evil volgens President George Bush Junior – zijn nog twee vertegenwoordigers van de tweede wereld. Ondanks de verder doorgedreven markteconomie en democratie. (Naert & Coppieters, 2002, pp. 184-185)

 

3.5.3. Culturele globalisering

 

We kunnen duidelijk stellen dat er in de laatste decennia een fenomenale groei is geweest van culturele goederen. De ontwikkeling en de verspreiding van informatie-en communicatietechnologie is hierin een belangrijke component. Net zoals bij het globaliseringproces zijn er ook op cultureel vlak duidelijke verschillen te herkennen tussen bepaalde regio’s en soms continenten in de wereld. Ondanks dit verschil zijn alle categorieën – printmedia, muziek, cinema, fotografie, radio en televisie – substantieel gegroeid. Globalisering van de technologie bijvoorbeeld refereert naar de snelheid waarmee nieuwe technologie zich verspreid over de wereld. De beschikbaarheid van nieuwe technologieën groeit dagelijks. En misschien wel het belangrijkste aspect van de technologische globalisering is dat afstand en tijd als het ware geen rol meer spelen. Men download vanuit New York software, gemaakt in Australië. De mogelijkheden van de huidige telecommunicatie maken het mogelijk om in real time over eender wat, waar ter wereld te beschikken. (Naert & Coppieters, 2002, pp. 12-13)

Globalisering en meerbepaald grobalisering wordt aanzien als een vorm van transnationale expansie van gemeenschappelijke codes, gewoontes, m.a.w. een zekere homogeniteit. Deze trend naar homogenisering wordt vaak geassocieerd met cultureel imperialisme of de groeiende internationale invloed van één bepaalde cultuur vaak het Westen en de Amerikaanse cultuur maar ook bijvoorbeeld de Japanse cultuur. De Amerikaanse cultuur is zeer duidelijk aanwezig binnen het domein van culturele globalisering denk maar aan de Amerikaanse invloed op het gebied van popmuziek, computer hard- en software en films. (Held, 2004a, pp. 49-52) Japanisering heeft in Europa niet zo een grote invloed maar speelt wel een grote rol in Azië. Igarashi definieert Japanizering als:

 

‘… te penetration of Japanese popular culture and the subsequent influence it has in East Asia. This is being abetted by the large-scale economic penetration of Japanese business into East Asia which began in the late 1980s and which is happening alongside this penetration of popular culture.’ (Chiba e.a., 2001, p. 206)

 

De theorie van cultureel imperialisme wordt dan ook het vaakst gebruikt om culturele globalisering te omschrijven.

 

 

3.6. De gevolgen van globalisering

 

Globalisering heeft een positieve bijklank en lijkt bovendien veel voordelen te bezitten. Globalisering wordt vaak gepresenteerd als een noodzakelijk en gunstig proces. Producten worden bijvoorbeeld goedkoper en worden sneller en in een grotere variëteit geleverd. Maar globalisering heeft ook verregaande negatieve consequenties op vele niveaus.

Op het economisch vlak neemt de dominantie van financiële markten toe. En de dictatuur van de financiële markten treft al lang niet meer enkel de economisch zwakke landen. Wie kapitaal of investeerders wil aantrekken op de global financial market dient zich te schikken naar de eisen en de verlangens van de kapitaalverschaffers. Het IMF (Internationaal Monetair Fonds) heeft bijvoorbeeld maar één recept voor alle landen in de Derde Wereld. Het adviseert of dwingt hen absolute prioriteit te geven aan de uitbreiding van de export en de afbetaling van de buitenlandse schuld. Loonreducties, inkrimping van personeelsbestanden, etc het zijn allemaal negatieve economische gevolgen van globalisering.