| De Palestijnse kwestie vanuit het perspectief van Israël. Achtergronden bij het harde israëlische antwoord op de tweede intifada. (Jonathan Vandenbroeck) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Het lijkt niet overdreven te stellen dat nooit eerder de buitenlandse kritiek op Israël zo hevig was, en dat bijgevolg nooit eerder de nood aan een verklarende context voor de Israelische politiek tegenover de Palestijnen in Israël en de bezette gebieden groter was. Tijdens de tweede Intifada vielen er in de periode tussen 29 september 2000 en 15 juli 2006 al 4658 doden, waarvan 3651 doden aan Palestijnse kant en 1007 aan Israëlische kant (B’Tselem, 2006). De dood van Arafat op 11 november 2004 en de beroerte en effectieve terugtrekking van Sharon uit de politiek op 4 januari 2006 boden een mogelijkheid voor een nieuw begin met nieuwe hoofdrolspelers en nieuwe ideeën, maar voorlopig lijkt een duurzame vrede tussen Israël en de Palestijnen nog heel ver weg.
Dat een dergelijke vrede nog steeds niet gerealiseerd is, is volgens verschillende waarnemers te wijten aan de wijze waarop Israël heeft teruggeslagen na het uitbreken van de tweede Intifada. In deze thesis zal er getracht worden om via een literatuurstudie een verklarende context te schetsen voor de harde reactie van Israël op het uitbreken van de Al-Aqsa Intifada in september 2000. De onderzoeksvraag die als een rode draad door deze thesis zal lopen is dan ook waarom Israël de afgelopen zes jaar een dergelijke harde politiek tegenover de Palestijnen heeft gevoerd.
De zoektocht naar de achtergronden die de Israëlische respons op de Intifada kunnen helpen verklaren, wordt toegespitst op drie factoren: het politieke systeem van Israël, het etnische karakter van de Israëlische democratie, en de veiligheidskwestie. Bij elk van deze factoren wordt de invloed op het Israëlische beleid tegenover de Palestijnen onder de loep genomen om zo tot een dieper inzicht te komen wat betreft de achtergronden bij politieke beslissingen van de Israëlische regering tijdens de tweede Intifada.
Israël is naar internationale normen een minuscuul land van 20.325 km² met 6.600.000 inwoners, dat zichzelf als het thuisland ziet van de 13,5 miljoen Joden[1] ter wereld. In de bijna zestig jaar na haar onafhankelijkheid vond er door de uitgebreide immigratie van Joden een meer dan vertienvoudiging plaats van de Israëlische bevolking, 8,3 miljoen van alle Joden leven echter nog steeds in de diaspora. Tijdens de jaren vijftig en zestig waren veel van deze migranten Joodse vluchtelingen uit landen als Irak, Iran, en Noord-Afrika, maar op het einde van de twintigste eeuw kwam de meerderheid van de migranten uit de voormalige Sovjet-Unie. Na een summiere voorgeschiedenis van Israël vormt het politieke systeem van Israël het onderwerp van het tweede deel van deze eindverhandeling. Er zal worden nagegaan wat de gevolgen zijn van de door breuklijnen verdeelde Israëlische maatschappij, de unieke rol van religie in Israël, het type van politieke besluitvorming, de hervormingen van het kiesstelsel en de demografische (r)evolutie op de Israëlische politiek in de bezette gebieden sinds september 2000.
Vervolgens wordt er uitvoerig ingegaan op de positie van de twintig procent Arabische Israëli’s in de Israëlische maatschappij, en dit aan de hand van de controversiële typering van de Israëlische democratie als een etnische democratie door de Israëlische politieke socioloog Sammy Smooha. Israël kan namelijk niet omschreven worden als een consensusdemocratie omdat de mechanismen die dit type van regime beschrijven afwezig zijn in een aanzienlijk segment van het Israëlische staatsbestel, meer bepaald bij de Arabische minderheid. Terwijl burgerlijke en politieke rechten officieel voor alle burgers gelden, heeft Israël de controle over de staat en het partijsysteem door de Joodse meerderheid geïnstitutionaliseerd. De achtergestelde positie van een dergelijke grote minderheid heeft ongetwijfeld een invloed op de vrijheidsgraden van de Israëlische regering in haar beleid in de bezette gebieden. Indien de Arabische burgers van Israël via politieke vertegenwoordiging hun stem kunnen laten gelden, zal dat waarschijnlijk een positief gevolg hebben voor de Palestijnen in de bezette gebieden. Indien het de Arabische Israëli’s structureel onmogelijk gemaakt wordt om zich op doeltreffende wijze te mobiliseren, dan zullen ze een dergelijke verzachtende invloed niet kunnen laten gelden.
In het vierde en laatste deel tenslotte worden de gevolgen besproken van het veiligheidsdilemma waar de staat Israël mee geconfronteerd wordt sinds het uitbreken van de tweede Intifada en de enorme golf van Palestijnse zelfmoordaanslagen. Er wordt nagegaan of de enorme militaire capaciteit van Israël van pas is gekomen in het conflict met de Palestijnen en er zal worden aangetoond dat het defensiebeleid van Israël een constante poging was tot het vermijden van gezichtsverlies tegenover de eigen bevolking en de Arabische wereld, en vooral gericht was op de korte termijn en ter geruststelling van de publieke opinie. De strijd tussen Israël en Palestina is in vele opzichten een ‘war over world public opinion’. Israëli’s hebben het gevoel dat er een fundamenteel misverstand is over het conflict met de Palestijnen. In Europa zien veel mensen de situatie als de machtige Israëli’s die de zwakke Palestijnen aanvallen, terwijl Israëli’s zichzelf zien als een kleine natie die omringd wordt door talrijke vijandige moslimstaten en een strijd voor haar overleving voert. Israël is een landje dat ondanks de heterogene samenleving toch gekenmerkt wordt door een hoge graad van solidariteit en indien nodig erg snel de rangen kan sluiten, dit als gevolg van de turbulente geschiedenis van het Joodse volk en de unieke ontstaansgeschiedenis van de staat Israël. Omwille van het onveiligheidsgevoel dat de Israëlische burgers bindt, is de consensus over de rol van het leger heel groot, wat een grote invloed heeft op de Israëlische maatschappij.
Quasi elke dag gaven nieuwe ontwikkelingen in Israël deze verhandeling mee vorm. En elke keer weer was het verbazingwekkend te zien hoe een dergelijk klein land met minder inwoners dan België de wereldopinie op een dergelijke wijze kon beroeren. De symbolische waarde van de strijd tussen Israël en de Palestijnen overstijgt blijkbaar die van andere conflicten in de wereld. De zoektocht naar wetenschappelijke bronnen om meer inzicht te krijgen in de psyche van de fel belaagde staat Israël leverde gigantisch veel materiaal op, maar het grootste deel hiervan gaf blijk van een duidelijke bias voor een van beide partijen. Naar sommige van deze artikels die zich (al dan niet bewust) bezondigen aan partijdigheid wordt toch verwezen, maar in die enkele gevallen werd geprobeerd de partijdigheid er uit te filteren. Veel van de gebruikte bronnen komen uit Israëlische vakbladen zoals ‘Israel Affairs’ en ‘Israel Studies’ en werden interessant geacht om te zien wat de Israëlische academici de laatste vijftien jaar over Israël geschreven hebben. Ondanks het feit dat er in Israël een brede Amerikaans-Angelsaksische stroming bestaat en talloze Israëlische academici regelmatig in het Engels publiceren, is het wel jammer dat er door de taalbarrière geen gebruik kon gemaakt worden van Hebreeuwse bronnen. Er is getracht om ver van subjectieve analyses te blijven, en de conclusies die gedistilleerd werden uit de overvloed van materiaal zijn gebaseerd op vaststellingen in plaats van op persoonlijke meningen.
Wat wel een persoonlijke overtuiging is, is de vaststelling dat de nood aan een (gedeeltelijke of exhaustieve) verklarende context voor het handelende optreden van Israël tegenover de Palestijnen in een tijdperk van polarisatie en extremisme als het huidige, elke dag even urgent blijft.
De geschiedenis van het grondgebied dat vandaag Israël en de bezette gebieden in de Gazastrook en op de Westelijke Jordaanoever omvat wordt gewoonlijk verteld vanuit één van de twee dominante vertelperspectieven: een Zionistische of Palestijnse. De zichtbaarheid van het ene perspectief over de andere hangt vaak af van het politieke machtsevenwicht.
Vanuit het standpunt van Israël begint het verhaal in bijbelse tijden. Na de koninkrijken van David en Salomon volgde de ineenstorting van de Joodse staat tijdens het Romeinse tijdperk. De Romeinen verbanden de Joden waardoor ze wereldwijd verspreid geraakten, totdat ze in de 19de eeuw het land Palestina terug voor zich begonnen te winnen. Het volk in diaspora koesterde zijn thuisland in zijn gebeden, en het bleef er aan verbonden via de voortgezette aanwezigheid van een kleine Joodse minderheid in het gebied. Het verlangen naar een thuisland voor de Joden in Palestina werd de hoeksteen van het Zionisme[2]. Als reactie op de groeiende onzekerheid van de Joden in een vijandig christelijk klimaat, en onderdeel van een wijdere opkomst van het nationalisme op het continent, ontstond er in de 19de eeuw in Europa een modern Joods nationalisme (Kerremans, 2004, p. 90). De wens om een einde te maken aan de slechte toestand van de Europese Joden, de wens om een natie te worden, en de visie van een terugkeer naar Palestina, werden allemaal weerspiegeld in het platform van het eerste Zionistische congres dat in 1897 in Bazel bijeenkwam.
Groot-Brittannië sympathiseerde met het Zionistische project en wilde Palestina koloniseren als onderdeel van de concurrentiestrijd met de andere koloniale grootmachten over de resten van het afbrokkelende Ottomaanse Rijk. De Eerste Wereldoorlog bood de gelegenheid om de imperialistische Britse strategie te laten samensmelten met het Zionistische project. De Britten hadden al tijdens de oorlog getracht zowel de steun van de Joden als van de Palestijnen te verwerven in de strijd tegen de Ottomanen, door middel van twee tegenstrijdige beloftes. In november 1917 verkondigde Lord Balfour, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, het engagement van zijn regering om een nationaal thuisland voor de Joden te bouwen, op voorwaarde dat dit de belangen van de oorspronkelijke Palestijnse bevolking geen schade zou berokkenen.
De Palestijnen verwierpen deze nieuwe identiteit die aan hun thuisland werd opgedrongen, en zagen de Hussein-MacMahon Brieven[3] uit 1915 als een toezegging voor een Palestijnse staat (Kerremans, 2004, pp. 90-91). Zij streefden naar onafhankelijkheid, eerst binnen een pan-Arabische republiek en later, toen dit niet bleek te lukken, naar een onafhankelijke natiestaat. Beide dromen van onafhankelijkheid kregen niet enkel te maken met de Zionistische beweging, maar ook met de Europese grootmachten die hun nieuwe bezittingen in de Arabische wereld zo lang mogelijk wilden controleren. Na bemiddeling van de Amerikaanse president Woodrow Wilson werd een compromis voorgesteld: de League of Nations vaardigde aan de koloniale machten een mandaat uit om de stap van hun kolonies naar onafhankelijkheid te superviseren en te verzekeren. Dit kon echter niet verhinderen dat dit belangenconflict tot een antikoloniale beweging leidde in het hele Midden-Oosten, die tot gevolg had dat de Europeanen tegen halverwege de 20ste eeuw werden verdreven uit de regio.
Deze golf stopte niet in Palestina, waar Groot-Brittannië sinds 1920 een mandaat over had. De opkomende Palestijnse nationale beweging werd gedreven door twee factoren: een einde maken aan de Britse overheersing, en de groeiende Zionistische aanwezigheid in het land een halt toeroepen. Het Zionistische project was echter gebaseerd op het uitbreiden van Joodse nederzettingen in Palestina door de aankoop van grondgebied en een extensieve Joodse immigratie. Met resultaat: Arabische grondbezitters verkochten hun land aan de Joden. De Zionistische leiders legden de funderingen voor de toekomstige Israëlische staat op dit gebied, op een moment dat de Palestijnse meerderheid worstelde met de Britse koloniale macht.
De opkomst van het fascisme en nazisme in Europa versterkte het gevoel van de noodzaak aan een eigen staat bij de Zionisten, maar deed de wensen van de plaatselijke bevolking ook naar de achtergrond verdwijnen. Deze laatste maakte in 1936 nog steeds tweederde uit van de bevolking, maar in diezelfde periode werd er door de Joodse leiders al gesproken over een eventuele transfer van de Palestijnen naar het buitenland. Een Palestijnse opstand tegen het Britse bewind en het Zionisme in 1936-1939 werd onderdrukt en de plaatselijke gemeenschap bleef zonder leiding achter doordat vele politici verbannen werden. De Arabische buurlanden begonnen hierop wel hun invloed uit te oefenen. De Joden waren er na de Holocaust van overtuigd dat een eigen staat, zoals immers beloofd door de Britten, een kwestie van overleven was. Verschillende Westerse landen deelden die mening maar waren zich tevens bewust van de risico’s (Kerremans, 2004, p. 91). In februari 1947 had Groot-Brittannië genoeg van zijn probleemkolonie, en besliste om de regio te zullen verlaten als een onderdeel van de algemene trend van dekolonisatie van het Britse Rijk (Coughlin, 1998, pp. 106-107). In de VN werd daarop koortsachtig naar een oplossing gezocht. Maar de Joodse kolonisten en de lokale Palestijnse bevolking beleefden het slot van het Britse bestuur op een erg verschillende manier. De Joden hadden een infrastructuur opgebouwd voor een toekomstige staat, terwijl de Palestijnen nog steeds hoopten dat de Arabische wereld hen zou redden.
Op 29 november 1947 keurde de Algemene Vergadering een verdelingsplan goed dat door een speciale commissie voor Palestina[4] was voorgesteld. Zowel de Joden als de Palestijnen waren ontevreden met dit plan (Kerremans, 2004, p. 91). Een opsplitsing was vooral onaanvaardbaar voor de Palestijnen, die het Zionisme als een kolonialistische beweging zagen die hun thuisland met geweld wilde afnemen[5]. De Palestijnse weigering en de dreiging van de Arabische wereld om de opsplitsing met geweld te bestrijden, deed de VN niet van gedachte veranderen, en ze voerde het plan om het land ongeveer in twee te delen uit. De Britten vertrokken in mei 1948. Nog voordat ze hun terugtrekking begonnen waren in maart, hadden Zionistische leiders al beslist dat de Arabische weigering om een opsplitsing door te voeren het Joodse volk het recht gaf om twee plannen uit te voeren: een groter deel van Palestina toe eigenen dan aan de Joden was toegewezen door de Verenigde Naties[6], én om met geweld de Palestijnen te verdrijven die in de gebieden woonden die vitaal geacht werden voor de creatie van een Joodse staat. Op 14 mei 1948 riep David Ben-Goerion de onafhankelijkheid van Israël uit, waarop de volgende dag 20.000 soldaten van vijf naburige Arabische landen Palestina binnenvielen en streden tegen een even groot aantal Joodse soldaten aan de grenzen van de nieuwe staat (Coughlin, 1998, pp. 106-107). Het Israëlische leger bood met succes weerstand en veroverde 30 procent meer land dan in het VN-verdelingsplan voorzien was. Een belangrijk gevolg van de Arabische nederlaag was dat de VS, Groot-Brittannië en Frankrijk in 1950 het Tripartite Akkoord sloten waarin ze beloofden dat ze de Arabische wereld[7] en Israël evenredig zouden bewapenen in de hoop de situatie te stabiliseren (Kerremans, 2004, pp. 92-93).
Ondanks de oorlog ging binnen Israël de etnische zuivering van Palestijnen die twee maand eerder begonnen was, onverminderd voort. Honderden dorpen werden vernietigd, steden werden ontvolkt, en tientallen bloedbaden werden aangericht toen de Palestijnen werden verdreven. De Joodse troepen bezetten uiteindelijk 78 procent van het Mandaatgebied Palestina, waarin 900.000 Palestijnen naast 600.000 Joden hadden samengeleefd. De Joodse staat werd zo een fait accompli. De 22 procent die overbleef van het Mandaat werd verdeeld onder Jordanië (dat de huidige Westelijke Jordaanoever annexeerde) en Egypte (dat de Gazastrook innam). Ongeveer 150.000 Palestijnen bleven achter in Israël. Diegenen die verdreven werden, belandden in vluchtelingenkampen verspreid over de regio.
In het begin van de jaren zestig begonnen de Palestijnen zich te herstellen van het trauma van 1948, dat ze ‘al-naqba’[8] noemden. De wederopstanding, geleid door bewoners van de vluchtelingenkampen, was gebaseerd op VN Resolutie 194 die in december 1948 goedgekeurd was, en die de onvoorwaardelijke terugkeer van de vluchtelingen naar hun woningen eiste. Veel van deze huizen waren echter al lang verdwenen, met de grond gelijk gemaakt door de Israëli’s die er bossen hadden geplant of Joodse nederzettingen. De vluchtelingen richtten Fatah op, een organisatie die de wens om terug te keren belichaamde en die een guerrillacampagne startte om de Palestijnse zaak te bevorderen. De Arabische wereld, onder het leidingschap van Gamal Abdel Nasser van Egypte, onderschreef deze doelstelling. Ze besliste dat het tijd werd dat er van Palestijnse zijde meer verzet kwam tegen Israël, en stichtte de Palestine Liberation Organization (PLO). Nasser voerde een politiek van brinkmanship door Israël te bedreigen met sancties en oorlog. Deze strategie zorgde ervoor dat Israël in 1967 een zesdaagse blitzkrieg uitvoerde als een pre-emptieve daad om zich te verdedigen tegen wat ze het pan-Arabische plan om Israël te vernietigen noemde (Kerremans, 2004, pp. 147-149) . Op het einde van de Zesdaagse Oorlog in juni 1967 controleerde Israël 100 procent van Palestina. En veel meer dan dat: het bezette de Golan Hoogte van Syrië en het schiereiland Sinaï van Egypte. Fatah, die haar geloof in de Arabische wereld aan het verliezen was, nam de PLO over.
Tussen 1967 en 1973 werden er verschillende pogingen ondernomen, eerst door de VN, dan door de VS, om het netelige probleem op te lossen. In de visie van de vredesonderhandelaars werd Palestina ingekrompen tot de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook. De kwestie van de etnische zuivering van 1948 werd als zodanig compleet genegeerd. Voor een dergelijke overeenkomst was er dan ook geen Palestijnse gesprekspartner. Een Syrisch-Egyptische verrassingsaanval in de context van de Koude Oorlog in oktober 1973, die de Jom Kippour Oorlog inleidde, trachtte de balans te herstellen, maar dit loonde enkel voor de Egyptenaren, want Israël herstelde zich van de verrassing en heroverde met succes haar grondgebied op Syrië (Kerremans, 2004, p.151). Egypte kreeg haar grondgebied terug nadat hun president, Anwar al-Sadat, een historisch bezoek bracht aan Jeruzalem in november 1977, en vervolgens een vredesverdrag ondertekende met de eerste minister van Israël, Menachem Begin[9]. De Jom Kippoer Oorlog had Israël geleerd hoe strategisch belangrijk de bezette gebieden waren en zonder ijzersterke garanties voor vrede zou het daar geen afstand van doen (Kerremans, 2004, p. 253). Begin moedigde dus tijdens de vredesonderhandelingen de uitbreiding van de Joodse nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook aan. Hij stond ook toe dat zijn defensieminister, Ariel Sharon, de PLO trachtte uit te wissen als de organisatie die de Palestijnen vertegenwoordigde.
Na 1967 had de PLO geprobeerd zich in Jordanië te vestigen, maar dit deed daar de vrees voor een mogelijke Palestijnse staatsgreep in Jordanië ontstaan. Vliegtuigkapingen in het begin van de jaren zeventig gaven Jordanië een reden om de PLO te verjagen. Zij verplaatsten zich naar het zuiden van Libanon, van waaruit ze een guerrillaoorlog voerden tegen Israël. In 1982 viel Sharon echter Libanon binnen en slaagde er in om de organisatie te verdrijven naar Tunesië. Zelfs zonder de steun van de PLO probeerde de bevolking in de bezette gebieden de Israëlische militaire bezetting van zich af te schudden. In december 1987 begon de eerste Intifada of Palestijnse opstand. Een hele reeks vredesinitiatieven was hiervan uiteindelijk het gevolg, waarvan het belangrijkste de ‘Israëlisch-Palestijnse Beginselverklaring’ was dat in het kader van het Oslo proces op 13 september 1993 in Washington, DC ondertekend werd (Kerremans, 2004, p. 254). Dit nieuwe hoofdstuk in het vredesproces resulteerde in een bilateraal akkoord tussen de PLO en Israël. Het stelde de Jordaniërs ook in staat om een vredesverdrag met Israël te ondertekenen in 1994. Het Israëlisch-Palestijns vredesproces duurde zeven jaar. Uiteindelijk, in de zomer van 2000, leken president Bill Clinton en de Israëlische eerste minister, Ehud Barak, de Palestijnse leider Yasser Arafat een uitweg te bieden. Maar de onderhandelingen mislukten en eind 2000 barstte de Al-Aqsa Intifada los (Kerremans, 2004, p. 258).
De frustratie en ontbering in het bezette Palestina was de voedingsbodem voor een fundamentalistische islamitische beweging die in de jaren die volgden een terreuroorlog begon tegen Israël, met als voornaamste strategie zelfmoordaanslagen. Elke dergelijke bomaanslag was de aanleiding voor Israël om terug te slaan met collectieve straffen, waaronder het vernielen van huizen, verdrijvingen en liquidaties.
Na bijna zes jaar Intifada is de situatie er voor de Palestijnen niet veel beter op geworden. De situatie in de gebieden is somber, en verslechtert nog elke dag. Het afbreken van het Oslo-vredesproces en het terug oplaaien van het geweld heeft het leven gekost aan 4658 mensen, waarvan 3651 doden aan Palestijnse kant en 1007 aan Israëlische kant. De ‘road map’ naar de vrede, die met veel bombarie gelanceerd werd door het Kwartet[10] op 2 juni 2003, was een maat voor niks. Een vrijwillig akkoord tussen de partijen is uitgesloten omwille van de enorme asymmetrie in macht tussen hen: Israël is te sterk en de Palestijnen zijn te zwak.
Een van de meest problematische aspecten van de huidige situatie is dat onder het beleid van Sharon en zijn opvolger Olmert er feiten op het terrein werden verwezenlijkt die enorm moeilijk zullen zijn, zo niet onmogelijk, om nog te veranderen. De regering gaat maar verder met de Joodse nederzettingen uit te breiden op de Westelijke Jordaanoever, met het bouwen van huizen en het leggen van wegen die de nederzettingen verbinden met Israël. Ondanks de grote internationale weerstand gaat de regering ook verder met de constructie van de ‘scheidingsmuur’ die de onteigening van Palestijns grondgebied met zich meebrengt en ondraaglijke levensomstandigheden creëert voor de burgerbevolking. De omheining betekent ook een de facto annexatie van grote stukken van de Westelijke Jordaanoever bij Israël. Het lijkt weinig waarschijnlijk dat deze scheidingsmuur ooit ontmanteld zal worden of dat de grond waarop ze gebouwd wordt, teruggeven zal worden aan de eigenaars. In de tussentijd moet de beproefde Palestijnse burgerbevolking het stellen met meer dan 700 checkpoints. Door de maatregelen van de Likoedregering wat betreft de voortgezette uitbreiding van nederzetting en grondinname wordt het grondgebied voor de Palestijnen steeds kleiner, en wordt de basis voor een toekomstige tweestatenoplossing steeds verder ondermijnd.
2. Het politieke systeem in Israël
‘Israel has no foreign policy, only domestic politics.’ Deze oude quote van Henry Kissinger (Barari, 2004, p. 6) vat het goed samen: Israël wordt gekenmerkt door een politiek systeem waarbij het buitenlandse beleid, en vooral het beleid tegenover de Arabische wereld en de Palestijnen, gedomineerd wordt door binnenlandse factoren. Een politiek systeem bovendien dat in het laatste decennium stevig naar de rechterzijde is verschoven.
In Israël kan men een specifieke combinatie terugvinden van een land met kenmerken van een internationale grootmacht op vlak van militaire slagkracht en macht, en met andere kenmerken van een piepklein landje. Dit laatste speelt af en toe mee in het buitenlandse beleid. Als er enkele Israëlische soldaten vermist worden, leeft het hele land bijvoorbeeld mee. Een ander voorbeeld is als in de woonplaats van minister van defensie Peretz Hezbollah-raketten inslagen, verandert hij ‘plots’ van een relatieve ‘duif’ in een ‘havik’. Iedereen is verplicht drie jaar legerdienst te vervullen, en een zeer groot deel van de bevolking maakt deel uit van de militaire reserve. Daar komt bij dat de meeste van de soldaten in de bezette gebieden eigenlijk nog kinderen zijn tussen achttien en twintig jaar oud. Als er soldaten verdwijnen, voelt iedereen zich persoonlijk betrokken omdat iedereen het gevoel heeft dat het ook hen had kunnen overkomen. Dit is een verschil met Westerse landen die minder gemilitariseerd zijn, en waar de subjectieve afstand tussen militairen en burgers groter is.
Nadat Ehud Barak en Labour, Benyamin Netanyahu en Likoed in juni 1999 versloegen werd, Ariel Sharon door een gedemoraliseerde Likoed-partij gekozen als tijdelijke voorzitter. Minder dan twee jaar later versloeg Sharon Barak tijdens speciale verkiezingen in februari 2001 met een record van 60 procent van alle stemmen. Sharon ging door op dit elan en vormde een regering van nationale eenheid. Nadat die coalitie uit elkaar viel, waardoor de algemene verkiezingen van 2003 werden uitgeschreven, leidde Sharon Likoed naar een enorme overwinning, en drie jaar later in 2006 deed Olmert met Kadima hetzelfde. Zo komt het dat gedurende de hele periode[11] van de tweede Intifada de politieke rechterzijde aan de macht was in Israël, en dat de linkerzijde moest toekijken vanop de zijlijn. De aanleiding van deze verbazingwekkende en verreikende verandering in de Israëlische politiek ligt in het falen van het Oslo-vredesproces en vooral in de tweede Intifada die er op volgde. De Sharon-clan heeft sinds 2001 de politieke lijnen uitgetekend in Israël en dat heeft ernstige gevolgen gehad voor de manier waarop de Intifada bestreden werd.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de zwaar verdeelde Israëlische samenleving en op de politieke verschuivingen die samenvielen met de tweede Intifada en van invloed zijn geweest op de Israëlische respons hierop. Er worden een aantal historische ontwikkelingen in het Israëlische politieke systeem geschetst die culmineerden in het begin van de 21ste eeuw, en er zal worden aangetoond wat de invloed van deze evolutie was op de Israëlische respons op de tweede Intifada.
2.1 Breuklijnen in de Israëlische samenleving
De Israëlische maatschappij wordt gekenmerkt door vier steeds dieper wordende breuklijnen, waarvan de eerste twee betrekking hebben tot de hele bevolking, en de andere twee enkel de Joodse meerderheid betreffen (Hazan, 1999, pp. 110-111). De breuklijnen zijn: a) socio-economisch, b) Joden en Arabieren, c) seculiere en religieuze Joden, en d) Ashkenazi- en Sephardi-Joden. Terwijl de nationale en etnische breuklijnen (b en d) geen ontstaan van politiek gesegmenteerde en coöperatieve subculturen tot gevolg hadden, leidden de twee overblijvende breuklijnen (klasse en religie) tot zowel een sociale segmentatie als een politieke verzuiling. De eerste breuklijn heeft de andere drie breuklijnen bovendien bestendigd. De verschillen tussen Israëli’s van Joodse afkomst en Israëli’s van Arabische afkomst, tussen seculiere en ultra-orthodoxe Joden, en tussen de ‘Westerse’ Ashkenazi-Joden van Centraal- en Oost-Europese afkomst en de ‘oosterse’ Sephardi-Joden van Mediterrane afkomst, lopen op hun beurt allemaal over een socio-economische breuklijn. De religieus-seculiere breuklijn verdeelt de meerderheid in Israël en geldt tegelijk als basis van politieke mobilisatie en sociaal en cultureel separatisme. De ideologische breuklijn draagt dus een ernstig conflictpotentieel voor de Israëlische maatschappij en politiek in zich.
Het verkiezingsstelsel in Israël werd doorheen haar geschiedenis gekenmerkt door een vorm van extreme proportionele vertegenwoordiging (Sartori, 1999, p. 25). Een combinatie van verschillende factoren[12] zorgde ervoor dat de graad van proportionaliteit erg hoog lag (Bogdanor, 1993). Dit proportionele systeem bracht in combinatie met het enorme heterogene karakter van de Israëlische maatschappij een multipartijenstelsel voort. Ondanks de aanwezigheid van verschillende partijen was het partijsysteem redelijk stabiel tot 1977. De reden hiervoor was dat Labour[13] heel machtig was en in de eerste dertig jaar na de onafhankelijkheid van Israël een sleutelrol vertolkte in de politiek. Hoewel ze nooit een absolute meerderheid behaalde in het parlement en dus nood had aan coalitiepartners, maakte ze steeds deel uit van de regering. In de eerste decennia van de onafhankelijkheid van Israël was de socio-economische breuklijn dus overwegend eenzijdig, met het socialistische kamp dat overheerste op de bourgeoisgroep. In deze omstandigheden waren de nadelen van het extreem proportionele kiesstelsel niet zichtbaar. Labour slaagde er in om zonder veel moeite te regeren en de kleinere partijen waren niet in staat om de stabiliteit van de regering te ondermijnen (Kenig, 2005, p. 557).
Deze situatie veranderde in 1977 na de historische verkiezingsnederlaag van Labour en de formatie van de eerste Likoedregering[14]. Deze verkiezingen veranderden ook de balans van het partijsysteem, dat in een bipolair systeem veranderde waarin de religieuze partijen een sleutelrol toebedeeld kregen. Aangezien de twee grote partijen geen absolute meerderheid behaalden, moesten ze de religieuze partijen trachten te overtuigen om steun te krijgen voor een coalitie. De religieuze partijen waren dus in staat om de twee grote partijen te gijzelen met hun steeds extremere voorwaarden (Hazan, 1996, p. 22). Omwille van de hevige competitie tussen de twee belangrijkste partijen kregen de kleinere partijen op die manier een belangrijke strategische rol[15]. Ze konden namelijk meer politieke invloed uitoefenen dan hun proportionele kracht hen eigenlijk toeliet.
2.2 Religie en politiek in Israël
Religie speelt een cruciale rol in Israël, waar er geen absolute scheiding is tussen kerk en staat. Israël is het enige land ter wereld waar het Jodendom de religie is van de meerderheid van de bevolking, en het is een staat die zichzelf als Joods én als democratisch beschouwt[16]. Om deze Joodse identiteit te behouden en te beschermen, worden verschillende maatregelen gehanteerd. De rol van religie is hierbij van enorm belang (Smooha, 2002, p. 485). De religieuze partijen, met hun streven naar een zo groot mogelijk Joods land, hebben in niet geringe mate bijgedragen tot de politiek tegenover de Palestijnen. De religieuze gemeenschap in Israël wordt verdeeld tussen de religieuze Zionistische partijen enerzijds en de religieuze niet-Zionistische partijen anderzijds. De historische achtergrond van beide kampen en de rol die ze speelden vóór en na de onafhankelijkheid van Israël hebben bijgedragen tot hun rol tijdens de tweede Intifada. Door middel van overeenkomsten zoals het historische partnerschap en het status quo akkoord, die gebaseerd waren op het wederzijdse besef dat samenwerken noodzakelijk was voor het overleven van de staat Israël, slaagde de machtselite er in om jarenlang een politiek van consensus en tegemoetkoming te voeren tegenover de religieuze partijen (Don Yehiya, 1999, p. 85). Maar op het einde van de twintigste eeuw bleef er van deze akkoorden niet veel meer over en ruimden de principes van compromis en consensus plaats voor een meerderheidsbesluitvorming en een positionering van de religieuze partijen aan de havikenzijde van de breuklijn aangaande het beleid tegenover de Palestijnen.
Het religieuze politieke kamp in Israël bestaat dus uit de (nationaal) religieuze Zionistische partijen en de religieuze (ultra-orthodoxe) niet-Zionistische partijen. De religieuze Zionisten namen het Zionisme, de nationale Joodse beweging, en haar doelstelling om een Joods thuisland te creëren over. De religieuze niet-Zionisten echter, verzetten zich tegen het oprichten van een Joodse Staat voorafgaand aan de komst van de ‘Messias’. De religieuze Zionistische partijen werkten steeds samen met de seculiere Zionistische partijen in het proces van staatsvorming, en namen deel aan de nationale instellingen voor en na de onafhankelijkheid. De religieuze niet-Zionistische partijen kozen voor een isolationistische benadering door zich autonoom op te stellen tegenover de rest van de maatschappij en door de nationale instellingen te boycotten. De samenwerking tussen de seculiere Zionisten en de religieuze Zionisten leidde tot een gematigde en pragmatische opstelling van beide zijden tegenover religie, terwijl de isolationistische kloof die de religieuze niet-Zionisten veroorzaakten, tot een extremistische en niet-conformistische religieuze houding leidde. Dit proces werd versterkt door het feit dat de religieuze Zionistische beweging van oorsprong minder extreem was ten opzichte van religie, terwijl de religieuze niet-Zionisten ultra-orthodox waren in hun religieuze standpunten, en streefden naar een overeenstemming van alle aspecten van het dagelijkse leven met de religieuze leer[17] (Hazan, 1999, p. 113).
Ondanks de verschillen tussen de twee religieuze groepen in Israël, delen ze beide de erkenning dat de religieuze overheid het recht heeft om de beslissingen en activiteiten van de religieuze partijen te beïnvloeden. In dit opzicht zijn de religieuze partijen in Israël erg verschillend van de meeste religieuze partijen in Europa, waar autonomie en wederzijdse non-interventie meestal de definiërende eigenschappen zijn van de relatie tussen geloof en partij. Meer nog, de electorale steun van de Israëlische religieuze partijen komt bijna uitsluitend van het religieuze electoraat, in tegenstelling tot de meeste relevante Europese religieuze partijen, die ook proberen om stemmen te halen bij kiezers zonder een duidelijke confessionele voorkeur. Wat religieuze partijen in Israël en Europa wel gemeenschappelijk hebben, is dat ze beiden pluralistisch zijn op socio-economisch vlak. De religieuze partijen in Israël zijn dus erg verschillend van de christendemocratische partijen in Europa omdat de voornaamste bezorgdheid van de Israëlische religieuze partijen religie is, terwijl de Europese christendemocratische partijen zich wel identificeren met geloof en geloofsprincipes, maar religie niet laten primeren (Hazan, 1999, p. 114). De Europese religieuze partijen kunnen omschreven worden als partijen die er naar streven om het geloof te verdedigen, terwijl de Israëlische religieuze partijen streven naar de vooruitgang en uitbreiding van de rol van religie.
In de eerste halve eeuw van haar bestaan ontwikkelde er zich in Israël een traditie van tegemoetkoming en consensus tussen de elites van de twee belangrijkste kampen, de socialisten en de religieuzen, die de gevaren van een onderling conflict voor het overleven van de staat Israël erkenden en door middel van compromis een toewijding tot het overleven van het systeem toonden (Hazan, 1999, p. 115). Deze praktijk dateerde uit de periode voor de onafhankelijkheid. Gegeven het vrijwillige karakter van de allereerste Israëlische instellingen, die geen soevereine macht hadden en bestonden temidden van massale immigratiegolven, kon een overwicht van één van beide kampen immers enkel relatief zijn. De positie die het socialistische kamp verwierf gedurende de tien jaren voorafgaand aan de onafhankelijkheid, maakte het tot de grootste politieke speler, maar niet zonder de nood aan coalitiepartners om te kunnen regeren. De nood aan oprichting van instituties in een vrijwillig kader had een sterke nadruk op interne solidariteit tot gevolg. Door de noodzaak om samen te werken werd er op zoek gegaan naar een grote eensgezindheid bij de verschillende bewegingen om zo de overheid te legitimeren. Het seculiere socialistische leiderschap trachtte zowel de religieuze Zionisten als de religieuze niet-Zionisten te behagen.
De verhouding die zich ontwikkelde tussen de socialisten en de religieuze Zionisten wordt het ‘historische partnerschap’ genoemd (Hazan, 1999, p. 115-116). Tegen het begin van de twintigste eeuw namen de religieuze Zionisten deel aan regelingen die de macht verdeelden tussen de vrijwillige instellingen van de Joodse gemeenschap. Na hevige confrontaties over kwesties zoals onderwijs ontwikkelde zich een traditie van compromis die werd uitgeoefend door de oprichting van twee onderwijsinstellingen, de ene seculier en de andere religieus. Dit patroon werd voortgezet in de periode van het Britse Mandaat in het interbellum en ook in de eerste dertig jaar van Israëlische onafhankelijkheid. Het partnerschap was gebaseerd op een coalitie van de grootste socialistische partij en de grootste religieuze Zionistische partij, zelfs wanneer die tweede eigenlijk niet nodig was. De religieuze Zionisten namen voortdurend deel aan de regering, afgezien van enkele erg korte periodes. Deze coalitie werd ondersteund door expliciete elite afspraken, zoals de proportionele verdeling van tewerkstelling. De verhouding tussen de socialistische leiders en de religieuze niet-Zionisten is gebaseerd op een document dat bekend werd als het ‘status quo akkoord’[18]. De status quo was een dynamische oplossing, want haar bepalingen wijzigden volgens de alternaties in de machtsbalans en door nieuwe omstandigheden. Samengevat was het een pragmatische oplossing voor de spanningen tussen religieuzen en seculieren, die het komen tot een compromis vergemakkelijkte en aanmoedigde.
Om de orthodoxe religieuze groeperingen tevreden te stellen en om te voorkomen dat ze zouden vervreemden van wat een onafhankelijke seculiere staat aan het worden was, aanvaardden de burgerlijke overheden dus vanaf het ontstaan van Israël religieuze normen in hun orthodoxe interpretatie en legden die op aan de gehele bevolking. De kwesties die voor wrijvingen zorgden, waren onder andere onderwijs, de persoonlijke status (huwelijk, echtscheiding, begrafenis, etc), regelgeving rond koosjere voeding, en de werking van publieke diensten op de Sabbat (openbaar vervoer, ontspanning, etc) (Yonah, 2005, p. 106). Het sociale conflict dat deze ontwikkeling creëerde, is te wijten aan het feit dat slechts een minderheid, ongeveer 20 procent van de Israëlische bevolking, tot het orthodoxe Jodendom behoort. Dat neemt echter niet weg dat de Joodse identiteit in Israël niet noodzakelijk seculier is. Hoewel een kleine minderheid zichzelf identificeert als orthodox, beschouwt een iets kleinere minderheid (ongeveer 25-30 procent) zichzelf als seculier (Hazan, 1999, p. 112). De meerderheid van de bevolking in Israël kan bestempeld worden als ‘traditioneel’: zij die sommige religieuze gebruiken uitoefenen (Shetreet, 1997, p. 194). Deze groep percipieert het Joodse geloof eerder als een manier om Joodse gewoontes en tradities te bewaren. Daarom is een meerderheid in Israël voorstander van sommige aspecten van het Jodendom in het Israëlisch openbaar leven, en een vorm van verhouding tussen geloof en staat in Israël.
Israëlische en Joodse identiteiten hebben dus de neiging om te overlappen en religie speelt een prominente rol in de uitdrukking van de Israëlische identiteit. Een absolute scheiding van religie en staat in Israël is daarom onwaarschijnlijk (Hazan, 1999, pp. 112-113). Het principe van scheiding van geloof en staat zou immers betekenen dat een rechtstreekse steun van de staat aan religieuze diensten verboden is. In Israël steunen de meeste politieke partijen de voortgezette subsidiëring van religieuze instellingen, hoewel er de laatste tijd steeds meer stemmen opgaan die een scheiding van religie en staat bepleiten. Velen die het idee van een scheiding verwerpen, gaan niet akkoord met de religieuze partijen en haar kiezers wat betreft de gewenste aard en reikwijdte van de link tussen religie en staat en de middelen om de Joodse identiteit van de Israël te bewaren (Don Yehiya, 1999, p. 107). De huidige toestand is niettemin geen totale integratie maar ook geen totale scheiding. Het gaat om een complexe situatie die geen van beide zijdes volledig tevreden stelt, maar die ongetwijfeld nog een tijd zal voortgezet worden in de nabije toekomst.
Gelijkheid was een belangrijk principe in het pacificatieproces van de seculiere en religieuze Israëli’s, maar in tegenstelling tot de Westerse liberale democratische normen was de gelijkheid dus gebaseerd op groepen, en niet invidueel (Steinberg, 2001, p. 99). De neiging van de politieke elite om de religieuze groepen het hof te maken en te betrekken in de processen van natie- en coalitievorming heeft ook altijd een hoge prijs gehad. En dat zou duidelijk blijken toen door verschillende factoren het politieke systeem in Israël steeds meer opschoof naar een meerderheidsvorm van besluitvorming, waardoor de religieuze partijen op het einde van de 20ste eeuw voor het eerst gedwongen werden om politieke kleur te bekennen.
2.3 Evolutie van consensus- naar meerderheidsbesluitvorming
Israël werd dus voor het grootste deel van haar bestaan gekenmerkt door consensusbesluitvorming. Daar is in de recente periode verandering in gekomen. Elementen van meerderheidsbesluitvorming doken in Israël op omwille van drie redenen: de Zesdaagse Oorlog en haar territoriale gevolgen, het verschijnen van een tweepartijsysteem, en veranderingen binnen de religieuze subcultuur (Hazan, 1999, pp. 124-133). Deze veranderingen strekken zich uit over een periode van 39 jaar, van 1967 tot 2006, en vertegenwoordigen een geleidelijke verschuiving in de richting van een meerderheidstype en weg van een consensuspolitiek. Deze verschuiving is allerminst voltooid en in Israël is er nog geen sprake van een volledige meerderheidsbesluitvorming, maar er zijn aanzienlijke stappen genomen weg van een besluitvorming gericht op consensus en compromis. Binnen de overkoepelende religieuze groep deed zich een opvallende evolutie voor. De kloof tussen de twee vijandige politieke subculturen in het religieuze kamp werd op het einde van de twintigste eeuw overbrugd door de accommoderende praktijken van de elites. De inherente spanning tussen seculiere en religieuze perspectieven en politieke opvattingen is vooral duidelijk geworden in de context van het nationale over het vredesproces en de politiek tegenover de Palestijnen. Terwijl in de eerste twintig jaar na het ontstaan van Israël het buitenlandse beleid en het veiligheidsbeleid geen belangrijke rol speelden in het religieus-seculiere debat, kwam daar na de Zesdaagse oorlog, die een serie van veranderingen inluidde, verandering in.
2.3.1 De Zesdaagse Oorlog
De Zesdaagse Oorlog in 1967 leidde tot een heropening van het ideologische debat over de doelstellingen van het Zionisme[19] en de middelen en de wijze waarop deze bereikt moesten worden, en veranderde het sociale en politieke landschap in Israël op drastische wijze. De snelle overwinning van Israël, ondanks de grote coalitie van tegenstanders, werd door sommige figuren binnen het religieuze kamp geïnterpreteerd als “miraculeus” (Steinberg, 2001, p. 102). Het grondgebied dat tijdens de oorlog veroverd werd, werd door velen aan de rechterzijde van de Israëlische politiek beschouwd als een langverwachte correctie van de grenssituatie na de onafhankelijkheid. Het Zionisme, waaraan volgens sommigen uiting moest worden gegeven in de vorm van Joodse nederzettingen in het hele Land van Israël, zag nu een nieuwe kans voor expansie. Het gevolg was de opkomst van alweer een nieuwe breuklijn in de Israëlische politiek, gebaseerd op het grondgebied: een linkerzijde (de minimalistische Zionisten) die bereid was om veroverd grondgebied uit te wisselen in ruil voor vrede, en een rechterzijde (de maximalistische Zionisten) die van een territoriale concessie niet wilde weten. Zo ontstond er een onderverdeling in de ‘hawks’, die een harde aanpak verkiezen in de relaties met de Arabische wereld en de Palestijnen en de ‘doves’, die zich meer diplomatisch opstellen. Sinds het uitbreken van het onderlinge geweld eind 2000 is het verschil tussen beiden bovendien kleiner geworden. Deze nieuwe breuklijn zou al gauw de dominante dimensie van partijcompetitie worden in Israël (Shamir & Arian, 1999).
De uitkomst van de Zesdaagse Oorlog veranderde ook de Israëlische democratie op een fundamentele wijze, en veranderde de benadering van de religieuze sectoren van de maatschappij wat betreft de kwesties van veiligheid, grondgebied, en grenzen. Onmiddellijk na de oorlog werden er organisaties opgericht met als doelstelling het bouwen van Joodse nederzettingen in de veroverde gebieden. Hoewel deze koloniale bewegingen niet exclusief religieus van karakter waren, maakten de religieuzen er deel van uit. De religieuze partijen en leiders waren echter prominent aanwezig, en hun rol werd steeds groter (Steinberg, 2001, p. 102). De Zesdaagse Oorlog diende dus als de motor van een aantal belangrijke veranderingen in de Israëlische realiteit en houding. De Zesdaagse Oorlog plaatste Israël in een zekere optimistische dagdroom; de Yom Kippoeroorlog zes jaar later betekende een ontwaken uit deze droom (Rolef, 1999, p. 191).
2.3.2 Tweepartijenstelsel
Het Israëlische partijsysteem werd bijna dertig jaar lang gekenmerkt door de dominantie van één kamp, en meer bepaald door één partij binnen dat kamp, waardoor het gelijkenissen vertoonde met het Italiaanse partijsysteem uit dezelfde periode (Hazan, 1999, p. 125). In tegenstelling tot het Italiaanse systeem eindigde de éénpartijdominantie van Israël al in de jaren zeventig. In 1977, in de nasleep van de Yom Kippoeroorlog in 1973, won Likoed voor het eerst de verkiezingen. De eerste verkiezingsresultaten na de Zesdaagse Oorlog van 1967 toonden al aan dat de kloof tussen de twee tegengestelde kampen duidelijk verkleinde, en in minder dan tien jaar bereikte het een pariteit, waardoor voorgoed een einde werd gemaakt aan de dominantie van het socialistische kamp. Verkiezingen begonnen te resulteren in twee even grote partijen, Labour en Likoed, hoewel beide geen meerderheid behaalden. Het Israëlische partijsysteem verschoof zo naar een competitieve bipolaire structuur, waardoor de centraal gepositioneerde religieuze partijen de rol van onderhandelaars in handen kregen, en steeds machtiger werden. De religieuze partijen gebruikten deze macht om bij de regering te lobbyen om de nederzettingen te stimuleren, en werkten voortdurend om de Joodse soevereiniteit en controle in de bezette gebieden[20] uit te breiden en te versterken (Steinberg, 2001, p. 102). Er kwam een einde aan het ‘historisch partnerschap’, omdat de religieuze partijen nu in staat waren om ieder kamp de noodzakelijke meerderheid om een coalitie te vormen, te bezorgen. Terwijl de twee grote partijen in een hevige competitie verzeild geraakten om de steun van de kleinere religieuze partijen, speelden die beide partijen succesvol tegen elkaar uit. Ze vroegen niet alleen een veel hogere prijs voor hun deelname aan een coalitie, maar dreigden er voortdurend mee om de regering ten val te brengen en verhoogden constant hun eisen.
2.3.3 Veranderingen binnen de religieuze subcultuur
Binnen het religieuze kamp voltrok zich een metamorfose. De religieuze Zionistische partij, de National Religious Party (NRP), die tot dan het religieuze kamp had gedomineerd, verloor haar dominantie[21]. Ze werd tegelijkertijd betrokken bij niet-religieuze aspecten van het politieke leven in Israël; en terwijl een nieuwe lichting het leiderschap van de partij overnam, vond ze meer toenadering tot diegenen die zich verzetten tegen territoriale concessies, de rechterzijde in Israël. De NRP werd ook extremer wat betreft religieuze materies en militanter wat betreft haar eisen hierover. De intense betrokkenheid in het politieke debat rond het Israëlisch-Arabische conflict zorgde in combinatie met haar politieke organisatie voor een versterking van haar sociale eenheid.
De religieuze niet-Zionisten begonnen op hun beurt in dezelfde periode voor het eerst standpunten in te nemen over niet-religieuze kwesties (Hacohen, 2001, p. 187). Ook zij verschoven naar de rechterzijde en namen nationalistische principes aan. Het gevolg was een kleiner wordende kloof tussen de twee types van religieuze partijen. De religieuze extremisten werden nationalistischer, terwijl de religieuze nationalisten extremistischer werden (Liebman, 1993). Maar in tegenstelling tot de religieuze Zionisten verhoogden de religieuze niet-Zionisten hun vertegenwoordiging[22], die diende om de spanningen rond religieuze kwesties te verharden. Dit verhoogde zowel de invloed als de zichtbaarheid van ultra-orthodoxe religieuze elementen in de Israëlische politiek en maatschappij.
Terwijl oude politieke partnerschappen en overeenkomsten sneuvelden, werden zelfs de status quo akkoorden heropend voor debat en conflict. Met als resultaat dat fragiele coalitieafspraken de norm werden en ‘minimal winning coalitions’ steeds frequenter werden (Hazan, 1999, p. 126). Religieuze confrontatie hield steeds vaker verband met zowel etnische breuklijnen als met de dominante verdeeldheid over de toekomst van de grondgebieden. Omwille van de extreme eisen van sommige religieuze partijen halverwege de jaren ’80, bereikten de twee grote partijen een punt waarop ze niet langer een coalitie konden aangaan met dergelijke partijen, door de te verwachten terugslag van het seculiere electoraat. Dit leidde tot een periode van regeringen van nationale eenheid, van 1984 tot 1990. In tegenstelling tot de grote coalitieregeringen in Europa, waren deze een ultieme poging om een systeem te redden dat het punt van instabiliteit al voorbij was. Sinds 1967 zijn coalitieregeringen in Israël ofwel te klein ofwel te groot geweest. Op het einde van de jaren ’80 werd het voor alle betrokkenen duidelijk dat het systeem nood had aan hervormingen.
2.4 Electorale hervormingen
In het zog van bovenstaande ontwikkelingen keurde de Knesset in 1992 een nieuwe wet goed: ‘Basic Law: The Government’[23] (Ottolenghi, 2002, p. 137), die Israël heel even de unieke positie gaf van het enige land te zijn met rechtstreekse verkiezing van de eerste minister[24]. De invoering van de rechtstreekse verkiezing van de eerste minister, die het slechts drie verkiezingen zou uithouden[25], was meer nog dan louter een electorale hervorming, een verandering van het gehele politieke systeem; en het creëerde een bizar hybride systeem dat de kenmerken van parlementarisme combineerde met die van presidentialisme (Hazan, 1996, p. 35). Onder het nieuwe systeem had elke kiezer twee stemmen. De eerste stem was bedoeld voor de parlementaire verkiezingen waarmee de verdeling van parlementaire zetels beslecht zou worden onder hetzelfde systeem als vóór de hervorming. De tweede stem was voor de rechtstreekse verkiezing van de eerste minister, en was gelijkaardig aan het Franse presidentiële kiesstelsel. Om verkozen te worden in de eerste ronde moest een kandidaat een absolute meerderheid[26] behalen. In het geval dat geen van de kandidaten een meerderheid behaalde, moesten de twee kandidaten met de meeste stemmen elkaar in een tweede ronde beslechten (Stellman, 1996). De gevolgen van deze hervorming waren echter niet volgens de verwachting. Het oude systeem werd de schuld gegeven van het falen om politieke stabiliteit en de parlementaire meerderheden te leveren die nodig waren voor de besluitvorming over een eventuele vrede met de Palestijnen. Het doel van de invoering van de rechtstreekse premierverkiezing was om het systeem opnieuw te stabiliseren door de keuze van de eerste minister uit de handen van politici en kleine partijen te nemen die namelijk niet altijd het algemeen belang boven hun sectoriële en individuele belangen stelden (Medding, 1999, p. 205). Maar de uitkomst was dat het vernieuwde systeem de mogelijkheid van ministers om stabiele en duurzame coalities te vormen, die een effectiever regeren zouden verzekeren, zowaar nog verminderde (Ottolenghi, 2002, p. 153)
Hoewel de rechtstreekse verkiezing het kiessysteem voor de Knesset niet veranderde, had het een grondig effect op het stemgedrag. Terwijl enkel de kandidaten van de twee grote partijen in de eerste minister race overbleven, gebruikten de kiezers het principe van de dubbele stem om een ‘split-voting[27]’ strategie toe te passen (Lijphart, Bowman & Hazan, 1999, p. 49). Men stemde voor één van de twee kandidaten van Likoed of Labour, waarmee men een mening kon geven wat betreft de ideologische breuklijn (havik of duif). Voor het parlement werd in de praktijk echter op één van de kleinere partijen gestemd, waarmee men de sektarische voorkeur kon geven. Terwijl het nieuwe systeem was ingevoerd om juist die versplintering tegen te gaan, bleek het daar enkel tot bij te dragen. In 1996 was de stijging van de partijfragmentatie nog gematigd, van 4,4 naar 5,6 effectieve partijen, maar in 1999 was de stijging enorm, namelijk van 5,6 naar 8,7 effectieve partijen. In de verkiezingen van 1999 wonnen de sektarische partijen[28] op een ongeziene manier aan electorale sterkte, door 47 van de 120 zetels in de Knesset te veroveren. Het was de eerste keer in de geschiedenis dat het geaggregeerde aantal zetels van de sektarische partijen de geaggregeerde macht van de twee grote partijen overtrof (Kenig, 2005, p. 559).
De noodzaak om een absolute meerderheid van de stemmen te behalen om zo de eerste rechtstreeks verkozen premierverkiezingen te winnen in 1996, dwong de twee grote partijen[29], Likoed en Labour, om de religieuze kiezers voor zich te winnen. Maar tegen 1996 was de religieuze subcultuur bijna volledig naar de rechterzijde verschoven, en nam die een duidelijk standpunt in over de overwegend seculiere kwestie waar de campagne rond draaide: het vredesproces. Het gevolg was dat de meeste religieuze partijen openlijk hun steun uitspraken voor de kandidaat van de rechterzijde, Benjamin Netanyahu, en zelfs campagne voerde voor hem. Benjamin Netanyahu’s overwinning, met 50,5 procent van de stemmen, toonde drie dingen aan. (1) De Israëlische maatschappij werd verdeeld in twee even grote kampen; (2) de religieuze subcultuur behoorde duidelijk tot een van deze twee kampen; (3) het meerderheidssysteem leidde er enkel toe dat de twee vorige factoren nog versterkt worden (Hazan, 1999, p. 127). De invoering van meerderheidsverkiezingen leidde tot een duidelijke winnaar en maakte de sociale verdeeldheid zowel duidelijk als meetbaar.
In tegenstelling tot het oude proportionele kiessysteem, dat er in geslaagd was om een schijn van consensus te behouden door de religieuze partijen toe te staan om een belangrijke rol te spelen in een partijsysteem zonder een duidelijke winnaar, dwongen meerderheidsverkiezingen het religieuze kamp bovendien om voor het eerst een kant te kiezen. In de verkiezingen van 1996 werd duidelijk zichtbaar dat de scheidingslijn die de politieke ‘haviken’ en ‘duiven’ van elkaar scheidt, min of meer identiek was geworden met de lijn die de religieuzen van de seculieren scheidt (Cohen & Susser, 1996, p. 834). Zowel de nationale religieuze Zionistische als de ultra-orthodoxe niet-Zionistische gemeenschappen daagden massaal op aan de havikzijde van de breuklijn. Als een resultaat van de rechtstreekse premierverkiezing steeg de partijfragmentatie, hoewel die gedeeltelijk een weergave was van de steeds heterogener wordende Israëlische maatschappij, tot op een punt dat ze nog nauwelijks werkbaar was. De resulterende fragiliteit van coalities hinderde op haar beurt de pogingen van de eerste minister om een beleid te voeren (Ottolenghi, 2002, p. 153).
In maart 2001 werd het wetsvoorstel goedgekeurd dat de invoering van de rechtstreekse verkiezing van de eerste minister na amper drie verkiezingen terug ongedaan maakte. De verkiezingen van 2003, met de terugkeer naar het vroegere kiesstelsel, brachten geen eenduidig resultaat wat betreft de invloed van het opnieuw gewijzigde kiesstelsel op de partijfragmentatie. Labour leed de grootste nederlaag in haar geschiedenis, door slechts 19 zetels te behalen. Maar de andere grote partij, Likoed, verdubbelde wel haar parlementaire vertegenwoordiging, van 19 naar 38 zetels. De geaggregeerde macht van de twee grote partijen steeg aanzienlijk, van 45 naar 57 zetels. Ondanks het feit dat het effect op het stemgedrag niet zo groot was als algemeen verwacht werd, had de terugkeer naar het oude systeem van een enkele stem een afremmend effect op de fragmentatie van het partijstelsel. Het aantal partijen die verkozen werden voor het parlement zakte van 15 naar 13. En het effectieve aantal partijen zakte aanzienlijk van 8,7 naar 6,2 (Kenig, 2005, 563). In de verkiezingen van maart 2006 haalde de nieuwe centrumpartij Kadima met Ehud Olmert[30] 29 zetels; Labour, geleid door Amir Peretz haalde opnieuw 19 zetels, en Likoed en Shas 12 zetels. Het Likoed van Netanyahu werd dus weggeblazen want het verloor maar liefst 26 zetels. De verkiezingsresultaten van 2006 wijzen op de opkomst van een pragmatisch Israëlisch centrum wat een weergave is van een electoraat dat het conflict met de Palestijnen beu is (Gutman & Stinson, 29.03.2006, p. 11).
Meer nog is de uitslag een zoveelste weergave van het gevoel dat overheerst bij de Israëlische bevolking, die een onderhandelde oplossing voor het lange termijnconflict met de Palestijnen heeft opgegeven (Plitnick, 2006, p. 18). Het buitenlandse beleid en kwesties die te maken hadden met de laatste fase van de Oslo-onderhandelingen domineerden de Israëlische politiek na 1999. De prominente aanwezigheid van het vredesproces in de Israëlische politiek is geen nieuw fenomeen, maar er heeft een fundamentele verandering plaatsgevonden in de manier waarop de Israëlische bevolking zich verhoudt tot het vredesproces. Na de Zesdaagse Oorlog geloofden de Israëli’s steeds meer dat ze in staat waren om de betrekkingen met de Arabische staten en de Palestijnen te kunnen vormgeven. Met als resultaat dat het ideologische debat over de toekomst van de bezette gebieden een belangrijk onderdeel van het politieke discours werd.
De resultaten van de laatste verkiezingen in Israël in 2006 staven de stelling dat de overgang naar het rechtstreekse kiesstelsel slechts bijdroeg tot een verdere partijfragmentatie. Het systeem van een dubbele stem had een diepgaand effect op zowel stemgedrag als op partijstrategie. Het bestaan van het kiesstelsel met twee stemmen nam voor sommige kiezers het incentief weg om een strategische stem op een van de grote partijen uit te brengen, en creëerde de mogelijkheid van de ‘split-voting’. Het nieuwe kiessysteem moedigde de elites van de grote partijen en campagneleiders bovendien ook aan om zich te richten op de race om de post van de eerste minister ten kosten van de partijlijst. De resultaten vanaf 2003 bevestigen de verwachting dat een terugkeer naar het oude systeem van een enkele stem een vermindering van de partijfragmentatie tot gevolg zou hebben. Door de druk op de kiezers om weer op de grote partijen te stemmen op te voeren, en door de mogelijkheid van ‘split-voting’ weg te nemen, bracht de terugkeer van het vroegere kiesstelsel inderdaad een afname in de fragmentatie van het partijsysteem met zich mee.
De electorale hervormingen dwongen het religieuze blok dus om openlijk partij te kiezen voor de rechterzijde in Israël, wat de bestaande binnenlandse spanningen niet ten goede kwam, en wat ook niet zomaar teruggedraaid werd met het afvoeren van het nieuwe kiesstelsel. De religieus-seculiere breuklijn in Israël begon vrijwel geheel te overlappen met de havik-duif breuklijn. Deze overlapping verdiepte de kloof tussen beide kampen en vermindert de kans om tot een haalbare politieke formule te komen die de kloof tussen hen kon overbruggen en die zou helpen om een continue nationale steun te mobiliseren voor het vredesproces. De gematigdere linkerzijde kreeg het electoraal steeds moeilijker wat gevolgen had voor het algemene politieke discours in Israël.
2.5 Demografische veranderingen
Sinds haar ontstaan wordt Israël gekenmerkt door een erg specifieke relatie met immigratie[31]. De massale immigratie in het eerste decennium van haar bestaan deed de Joodse bevolking van Israël verdubbelen en had een dramatische impact op de demografische samenstelling van de bevolking[32] (Hacohen, 2001, p. 177). Tussen 1989 en 2002 zijn er 900.000 immigranten vanuit de voormalige Sovjet-Unie gearriveerd in Israël. Dit gebeurde op een tijdstip dat Israël aan het veranderen was. Voeg daar de 120.000 bij die in de jaren zeventig migreerden, en dat maakt van de Russische Joden en hun niet-Joodse familieleden de grootste etnische groep in Israël (Horowitz, T., 2005, pp. 117-118). De basis voor deze migratiegolven is de ‘Wet van de Terugkeer’ die in 1950 werd goedgekeurd en die Joden toelaat om vrij naar Israël te emigreren en definieert wie in aanmerking komt voor een dergelijke immigratie (Knesset, 2003). De oorspronkelijke wet garandeerde Joden uit de hele wereld de Israëlische nationaliteit. In 1970 werd ze geamendeerd zodat ook de mensen met Joodse roots en mensen die gerelateerd waren met Joden inbegrepen werden[33]. Door de enorme immigratie, vooral vanuit Rusland maar ook vanuit Ethiopië[34], en door het grote aandeel niet-Joden hierin, barstte er in Israël een debat los om de Wet van de Terugkeer te herzien (Horowitz, T., 2005, p. 119). Dit bracht de kwestie over het karakter van de Israëlische maatschappij weer aan de oppervlakte, en het verhoogde de negatieve sentimenten tegenover iedereen die niet Joods is (Brownfeld, 2000, pp. 67-68). Dit heeft een duidelijke impact gehad op het strenge beleid tegenover de Palestijnen in de bezette gebieden.
Wat de situatie van de migranten in Israël zo uniek maakt, is dat ze een speciale status kregen die verschillende implicaties had voor hun politieke belang als groep. Elke immigrant krijgt namelijk onmiddellijk bij aankomst in Israël automatisch de Israëlische nationaliteit, met inbegrip van stemrecht voor alle verkiezingen zonder enige vorm van beperking (Hacohen, 2001, p. 185). Met als resultaat dat elke grote golf van immigranten een erg groot electoraal potentieel had om de machtsbalans tussen partijen te veranderen en om het politieke systeem door elkaar te schudden. In de verkiezingen sinds de start van de tweede Intifada waren de stemmen van de Russische Israëli’s dan ook van cruciaal belang. Samen met andere groepen in Israël zijn ook Russische immigranten na de verslechtering van de situatie tussen Israël en de Palestijnen nog verder naar de rechterzijde van de politieke regenboog opgeschoven (Khanin, 2004, p. 164). En de Russische stem is na de verkiezingen van 1999 dan ook massaal naar de rechterzijde gegaan.
Vanaf de jaren zeventig had de Labourpartij een stevig verbond met de Russische immigranten. Tegen het einde van de jaren negentig kreeg Labour echter te maken met een daling van meer dan tweederde van haar ‘Russische’ leden[35] (Khanin, 2004, p. 147). In 1999 geraakte Ehud Barak (Labour) in de rechtstreekse premierverkiezing nog verkozen dankzij iets meer dan 50 procent van de Russische stemmen. Maar vanaf de verkiezing ging het bergaf met deze steun en dit was vooral te wijten aan de breuk tussen de Russische gemeenschap, die overwegend een rechtse ideologische had, en de regering van Barak op het terrein van buitenlands beleid en nationale veiligheid. De meerderheid van de Russische immigranten, met inbegrip van diegenen die in 1999 nog op Barak stemden, aanvaardden de voorstellen van de linkerzijde voor het Israëlisch-Arabische conflict en territoriale concessies niet (Khanin, 2004, p. 148). Verschillende crises in de Barak-regering en zijn nederlaag tijdens de (laatste) premierverkiezingen van 2001 zorgden voor een verdere daling van wat er nog overbleef van de invloed van Labour bij de Russische migrantengemeenschap.
Het karakter van de Israëlische bevolking en het gebrek aan ervaring met democratische instellingen bij de Russische nieuwkomers hebben bovendien een bijkomende hindernis toegevoegd aan het opleggen van tolerantere en meer pluralistische normen (Steinberg, 2001, p. 96). De overgrote meerderheid van de Russische immigranten had geen ervaring met een liberale democratie, en deze mensen werden opgenomen in een politieke cultuur die verkiezingen en politieke processen als middelen zag voor de dominantie en controle over de verdeling van publieke middelen. Toen deze groepen hun eigen partijen begonnen te vormen en politieke macht verwierven (zoals Shas of de Russische partijen), hebben ze hetzelfde patroon gevolgd, door het democratische proces te gebruiken om hun beperkte sectoriële belangen te verdedigen en uit te breiden. Het resultaat was dat, hoewel democratische processen en instellingen verankerd zijn, de pluralistische normen en instellingen relatief zwak en kwetsbaar blijven.
2.6 Besluit
Israël wordt gekenmerkt door een kleine heterogene maatschappij die sinds 1977 te maken heeft gehad met een groeiende fragmentatie van het politieke systeem. Er vond een erosie plaats van een fundamentele consensus in Israël op het vlak van de betekenis van het Zionisme en het afbakenen van de landsgrenzen. Het huidige politieke systeem in Israël wordt bovendien gekenmerkt door een verminderde capaciteit om compromissen voort te brengen.
Bijna dertig jaar lang was de Labour-partij de grootste en meest dominante partij in Israël, wat er voor zorgde dat de zwakheden in het Israëlisch politieke systeem gecamoufleerd werden. Naarmate er meer partijen aan de uiteinden van het spectrum verschenen, werd het coalitievormingsproces echter steeds ingewikkelder. Het puur proportionele karakter van het kiesstelsel in combinatie met de problemen waarmee een land dat voortdurend in staat van oorlog verkeert te maken krijgt, maakten dat het Israëlische partijsysteem gepolariseerd en gefragmenteerd werd. Tussen Labour en Likoed ontstond een hevige competitie in het dingen naar de steun van de kleinere partijen, die de twee opbieders tegen elkaar uitspeelden. Ze vroegen een hoge prijs voor hun samenwerking en dreigden er voortdurend mee de regering te laten vallen als hun steeds verdergaande eisen niet ingewilligd werden. Zo kwam het dat de balans van de macht in het huidige tweepartijsysteem in handen kwam van extremistische en religieuze elementen, die standpunten verkondigden die indruisten tegen de opinie van een groot deel van de Israëlische bevolking, en ook tegen deze van de twee grote partijen die echter gedwongen werden bepaalde ideeën over te nemen als ze in staat wilden blijven om te regeren.
Naast de mislukking van het Oslo-vredesproces zijn de oorzaken hiervoor de steeds dieper wordende breuklijnen in de Israëlische maatschappij en de onderverdeling van de Israëlische maatschappij in subgroepen, waarbij vooral religie een enorme rol speelt. In Israël geldt namelijk geen absolute scheiding van Kerk en staat, en hoewel slechts 20 procent van de bevolking tot het orthodoxe Jodendom behoort, bestaat er brede consensus over het Joodse karakter van de staat. Door overeenkomsten als het historische partnerschap en de status quo werden de aanwezige spanningen tussen het seculiere en religieuze kamp jarenlang onder controle gehouden. In tegenstelling tot de Westerse democratische normen was de gelijkheid die gehanteerd werd bij deze overeenkomsten, gericht op consensus en pacificatie, gebaseerd op groepen en niet op individuen. Op het einde van de twintigste eeuw bleef er van deze consensus niet veel meer over en ruimden de principes van compromis plaats voor een vorm van meerderheidsbesluitvorming. Het uitblijven van politieke stabiliteit en ruime parlementaire meerderheden, die nodig waren voor de besluitvorming voor een eventuele vrede met de Palestijnen, werd geweten aan het kiesstelsel. Hervormingen drongen zich op en in de verkiezingen van 1996, 1999 en 2001 werd de premier rechtstreeks verkozen, waardoor Israël van een puur parlementair systeem naar een meer presidentieel systeem toegroeide. De hervorming van het kiesstelsel had echter het tegengestelde effect en verhoogde de versplintering van het politieke systeem nog meer.
Hoewel sinds 2003 het oude systeem terug geldt, konden bepaalde evoluties echter niet zomaar teruggedraaid worden. De invoering van de rechtstreekse premierverkiezing had de religieuze partijen namelijk gedwongen om voor het eerst in de Israëlische geschiedenis politiek kleur te bekennen. Het religieuze kamp koos openlijk partij voor de rechterzijde in Israël, wat de bestaande spanningen in het politieke systeem niet ten goede kwam. De breuklijn tussen seculieren en religieuzen viel in de periode van het uitbreken van de tweede Intifada samen met de breuklijn tussen duiven en haviken, en dit overlappen had gevolgen voor de Israëlische respons op de tweede Intifada en het beleid tegenover de Palestijnen in de bezette gebieden. Ze verdiepte de kloof tussen het seculiere en religieuze kamp nog verder waardoor de kans verkleinde om tot een haalbare politieke formule te komen die deze kloof kon overbruggen en die zou helpen om een stabiele nationale steun te mobiliseren voor het vredesproces.
Paradoxaal genoeg komen de religieuze kwesties op de voorgrond op een moment dat het partijstelsel er veel beter aan toe was geweest indien de accommoderende patronen van de eerdere periodes niet waren weggevaagd door sociale veranderingen en electorale hervormingen. De transitie naar meerderheidsbesluitvorming leidt er enkel toe dat de crisis in de Israëlische politiek, die generatielang met succes onder controle werd gehouden, verergert en gepolariseerd wordt. In een meerderheidsvorm van democratie worden principes van minderheidsrechten en consensus op basis van compromissen en pluralisme immers naar de achtergrond verdrongen. Aangezien religieuze partijen een zo groot mogelijk Israël nastreven, en omdat ze religieuze normen belangrijker achten dan de wet, hebben zij er mee voor gezorgd dat Israël zo hard terugsloeg tijdens de tweede Intifada.
Met slechts zestig jaar ervaring als een soevereine staat blijft de evolutie van de Israëlische maatschappij en de driehoeksverhouding tussen democratie, religieuze traditie en het veiligheidsbeleid enorm complex en veranderlijk. De toekomst van de Israëlische democratie hangt van veel factoren af, waaronder het machtsevenwicht tussen de religieuze en seculiere gemeenschappen én binnenin het religieuze kamp. Daar komt nog eens bovenop dat gebeurtenissen die niks te maken hebben met de politieke strijd tussen de religieuze en seculiere groepen al een grondige impact hebben gehad. Zoals de komst van een miljoen Russische immigranten waarvan een groeiend aantal niet beschouwd wordt als Joods en zichzelf niet met het Joods-zijn identificeert, maar dat wel onmiddellijk bij aankomst de Israëlische nationaliteit en stemrecht verwierf. Door deze enorme immigratie barstte er in Israël een debat los om de Wet van de Terugkeer te herzien, wat de kwestie over het karakter van de Israëlische maatschappij weer aan de oppervlakte bracht. Een dergelijk maatschappelijk debat verhoogde de negatieve sentimenten tegenover iedereen die niet Joods is, en dus ook tegenover de Palestijnen. Hoewel het overgrote deel van de Russische Israëli’s seculier is en zich verzet tegen het religieuze establishment, zijn ze relatief gezien ‘haviken’ inzake kwesties zoals het beleid tegenover de Palestijnen en het vredesproces, en zijn ze wat betreft deze kwesties allianties aangegaan met de conservatieve religieuze groepen in Israël. Er zijn bij wijze van spreken de laatste twintig jaar een miljoen conservatieve kiezers bijgekomen in Israël. Ook dit heeft bijgedragen tot het strenge beleid tegenover de Palestijnen.
De laatste vijftien jaar is er dus een opvallende ruk naar rechts waar te nemen in Israël, zowel bij de partijen als bij de bevolking. Sinds het begin van de tweede Intifada heeft Labour geen enkele van de drie verkiezingen meer gewonnen, en bijgevolg heeft het heropstarten van het vredesproces nog nauwelijks politieke prioriteit gekregen. Het is de linkerzijde in Israël, met Labour als belangrijkste exponent, die traditioneel voorstander is geweest van een vrede met de Palestijnen, een Palestijnse staat, territoriale concessies. Hoewel de partij naar Europese normen niet heel progressief te noemen is, heeft het verminderen van hun invloed in Israël tijdens de tweede Intifada er voor gezorgd dat er nog amper naar gematigde oplossingen gegrepen werd, en dat het vredesproces sinds 2001 naar de achtergrond is verdwenen. Bovendien ging dit gepaard met een fundamentele wijziging in de houding van de Israëlische bevolking. Na het opnieuw mislukken van het vredesproces en de start van de Al-Aqsa Intifada werd de ideologische verdeeldheid vervangen door een groeiende consensus. De Israëlische bevolking gelooft er namelijk niet meer in dat Israël de mogelijkheid heeft om de fundamentele standpunten van de Palestijnen te wijzigen. Althans, toch niet op korte termijn. De resultaten van de verkiezingen in 2001, 2003 en 2006, en de algemene consensus die deze weerspiegelden, moeten dan ook niet beschouwd worden als een tijdelijke deviatie, maar eerder als de weergave van een transformatie van de Israëlische politiek.
3. Israël, een etnische democratie?
‘(…) Because there is a need for Israel to remain a Jewish majority, we will have to give up part of the land of Israel in order to maintain a democratic, Jewish state’ (CNN, 28.11.2005). Deze uitspraak van de huidige Israëlische minister van Buitenlandse Zaken en vice-premier Tzipi Livni[36] verwoordt de wens van Israël om zowel een Joodse staat te zijn als een democratie, hoewel deze twee concepten elkaar op het eerste zicht tegenspreken. In de tien jaar na de moord op Rabin in november 1995 kregen de betrekkingen tussen Joodse en Arabische Israëli’s een ernstige deuk. Het vredesproces stopte waardoor de hoge verwachtingen van Arabische Israëli’s, die eenduidig partij trokken voor hun bloedverwanten op de Westelijke Jordaanoever en in de Gazastrook en Israël de schuld gaven voor de mislukking van het vredesproces, versplinterd werden. Er vond ook een omkering in het regeringsbeleid plaats van enerzijds het schenken van meer aandacht aan de noden van de Arabische Israëli’s, het beperken van discriminatie wat betreft subsidies en benoemingen, en het overleg met Arabische leiders; naar anderzijds een beleid van een bijna moedwillige verwaarlozing.
In 1996 mengden Balad, een nationalistische Arabische partij, en een fractie van de Islamitische Beweging zich voor het eerst in de parlementaire politiek, waardoor het Arabische politieke discours met succes geradicaliseerd werd. De Arabische Israëli’s werden erg getroffen door de economische recessie, wat bovenop hun frustratie en slechte situatie kwam. Het tot stilstand komen van de Palestijns-Israëlische vredesonderhandelingen in 2000 liet zowel de Arabische Israëli’s als Joodse Israëli’s ongelooflijk gedesillusioneerd en verweesd achter, en beide kanten beschuldigden elkaar van onverzoenlijkheid. De opstand van de Palestijnen in oktober 2000, en de sympathiebetuigingen vanwege de Arabische Israëli’s die daarop volgden, symboliseerden de verslechtering sinds 1996 van de Arabisch-Joodse betrekkingen in Israël.
De Arabische onrust deed de Joodse oriëntatie naar de Arabische minderheid toe nog meer verharden. Er was een aanzienlijke verhoging van wantrouwen van Joden tegenover Arabische Israëli’s: contacten met Arabische burgers werden vermeden, Arabische bedrijven werden geboycot, en Arabische Israëli’s werden uitgespuwd omdat ze deel uitmaakten van de Palestijnse ‘vijand’. Het doden van twaalf Arabische burgers bij een demonstratie gaf de aanleiding tot een verdere Arabische vervreemding van de staat en een verhoogd wantrouwen bij de Joden. De reactie van de Joden vervreemdde en beangstigde de Arabische Israëli’s. De stijging van revolutionaire en terroristische daden door Israëlische burgers van Arabische afkomst verwijderde de Joden op hun beurt nog meer van de Arabische bevolking. In mei 2002 voerde de Knesset verschillende wetsvoorstellen door om een kandidaat of een politieke partij te verhinderen om voor de Knesset op te komen als er sprake was van een uitspraak of steun voor een gewapende strijd of een terroristische organisatie of een staat die vijandig staat tegenover Israël. Het oproepen tot geweld of terrorisme werd ook een criminele daad. Aangezien de definitie van welke organisatie terroristisch is, bepaald wordt door de regering (en niet door de rechtbank), ligt de macht om te beslissen over vrijheid van meningsuiting en politieke activiteit van dissidenten (die vooral van Arabisch-Israëlische afkomst zijn) bij de regering.
Als een resultaat van globalisatie, regionalisatie, het universeel worden van minderheidsrechten, multiculturalisme en de opgang van etnisch nationalisme, is de liberale democratische natiestaat in het Westen in verval geraakt. Terwijl Westerse landen de natiestaat aan het ontkoppelen zijn en in de richting van een multiculturele burgerdemocratie ontwikkelen, zijn er andere landen die een alternatieve niet-burgerlijke vorm consolideren van een democratische staat die geïdentificeerd wordt en ondergeschikt is aan een enkele etnische natie.
Sammy Smooha[37], een prominente Israëlische politieke wetenschapper, ontwikkelde het begrip ‘etnische democratie’ dat heel veel aandacht kreeg en zowel een publieke als academische controverse ontlokte. Zijn argumentatie focust vooral op de verdeling tussen de Joodse meerderheid en de Palestijns-Arabische minderheid in Israël, omdat deze breuklijn het etnische karakter van de Israëlische democratie tegelijkertijd uniek, problematisch en ontvlambaar maakt. De positie van de twintig procent Arabische Israëli’s, die door de Israëlische bevolking beschouwd wordt als een bedreiging (op vlak van demografie en veiligheid), in Israël heeft ook gevolgen voor het beleid in de bezette gebieden. De hier naar voor gebrachte stelling is dat het feit dat Israël een etnische democratie is, omdat de Arabische Israëli’s geen volwaardige burgers zijn, van grote invloed is op de vrijheidsgraden van de Israëlische regering in het beleid tegenover de Palestijnen.
Het controversiële concept ‘etnische democratie’ wordt hier uitvoerig belicht, vervolgens toegepast op Israël, en tenslotte wordt er ingegaan op enkele kritieken op deze theorie.
3.1 Etnische democratie volgens Sammy Smooha
In het Westen zijn er twee ideaaltypische vormen van democratie om conflicten te beheersen in etnische en nationaal verdeelde samenlevingen. De klassieke en dominante vorm is de ‘liberale democratie’ zoals in de VS en Frankrijk, waarin de staat al haar burgers formeel gelijk behandelt en hen lid maakt van een gemeenschappelijke burgerlijke natie. De natiestaat behoudt en koestert hier één enkele taal, cultuur, identiteit en onderwijssysteem die de bevolking homogeniseert, integreert en assimileert. Etniciteit behoort hier tot de privé-sfeer.
De andere vorm is een ‘consensusdemocratie’[38], die bestaat in landen zoals België, Zwitserland, Canada en Spanje. De consensusdemocratie geeft etnische en nationale verschillen een prominente plaats in haar beleid, erkent de verschillende grote etnische groeperingen, en maakt gebruik van een serie van mechanismen om de etnische spanningen te beperken. Deze mechanismen zijn ondermeer machtsdeling (de inclusie van minderheden in de nationale machtsstructuur), proportionaliteit (het verdelen van inkomsten naargelang de grootte van de groep), gebruik van een vetomacht (om beslissingen te vermijden die de vitale belangen van de minderheid zouden schaden), en een politiek van onderhandeling, compromis, en consensusbesluitvorming in plaats van meerderheidsbesluitvorming (Lijphart, 1999, pp. 9-47).
Deze twee ideaaltypes verschillen elk beduidend in de wijze waarop ze met etnische en nationale breuklijnen omgaan. Israël, dat algemeen aanvaard is als zijnde een democratie past niet in één van deze bekende types. Sammy Smooha stelt dan ook dat er een type democratie ontbreekt in de typologie van democratieën, en introduceert de term ‘etnische democratie’[39], die hij in de democratische sectie van het continuüm tussen democratie en non-democratie plaatst.
Een etnische democratie is een systeem dat de reikwijdte van burgerlijke en politieke rechten voor individuen en bepaalde collectieve rechten voor minderheden combineert met de institutionalisering van de controle door de meerderheid over de staat (Smooha, 1997, p. 199). Gedreven door een etnisch nationalisme identificeert de staat zich met een ‘etnische kernnatie’, en dus niet met haar ganse bevolking. De staat voert een beleid om een homogene natiestaat te creëren, een staat van en voor een welbepaalde etnische natie, en treedt op om de taal, cultuur, numerieke meerderheid, economische welzijn, en politieke belangen van deze groep te promoten. Hoewel ze burgerschap en stemrecht genieten, worden de minderheden als tweederangsburgers behandeld, uitgesloten van de nationale machtsstructuur, en aan een bepaalde controle onderworpen. Niet enkel worden zij die geen lid zijn van de etnische natie beschouwd als minder gewenst, maar zij worden ook als een serieuze bedreiging gezien voor het overleven en de integriteit van de etnische natie. De echte of gepercipieerde dreiging ligt in biologische vermenging, demografische overstroming, culturele achteruitgang, onveiligheid, weerspannigheid en politieke instabiliteit (Smooha, 2002, p. 478). Tegelijkertijd wordt het de minderheden volgens Smooha wel toegestaan om een democratische en vreedzame strijd te voeren om zo een incrementele verbetering van hun status te verwezenlijken[40].
Een etnische democratie verschilt duidelijk van de overige types van democratie. Het is geen liberale democratie want de staat erkent etnische verschillen en kent bepaalde collectieve rechten toe; en het is geen consensusdemocratie, want de staat is niet etnisch neutraal omdat ze wordt gecontroleerd en geregeerd door de meerderheid, terwijl de minderheden niet beschikken over autonomie of het delen van de macht. Buiten de twee hoofdtypes van democratie behoort het bovendien ook niet tot het racistische ‘Herrenvolk’-type[41] (van den Berghe, 1981), want burgerschap geldt voor iedereen en de minderheden kunnen gebruikmaken van de voordelen van burgerschap en van democratische middelen om hun belangen te behartigen. Een etnische democratie is volgens Smooha een systeem waarin twee tegenstrijdige principes vervat zitten: het democratische principe, dat wijst op gelijke rechten en gelijke behandeling van alle burgers; en het etnische principe, dat wijst op de doelstelling van een homogene natiestaat en het bevoordelen van de etnische meerderheid (Smooha, 1997, p. 200). Het politieke systeem is democratisch want alle permanente inwoners genieten individueel van politieke, culturele en sociale rechten, evenals mensen- en burgerrechten. De minderheid krijgt daar bovenop ook nog bepaalde collectieve rechten en krijgt soms zelfs beperkte autonomie. Leden van de minderheid mogen volgens Smooha in dit systeem een intense strijd voor gelijke rechten voeren zonder dat deze onderdrukt wordt door de staat of de meerderheid. Het is hen ook toegestaan om coalities te sluiten met meerderheidsgroeperingen. De democratie wordt echter ingeperkt door het gebrek aan gelijke rechten. De rechten van hen die geen lid zijn van de etnische natie zijn ondergeschikt aan de rechten van de leden ervan, en worden aangetast door discriminatie door de staat. De kwaliteit van de wetgeving en democratie wordt beperkt door overheidsmaatregelen die bedoeld zijn om de waargenomen dreiging vanwege de niet-leden af te wenden. De democratie functioneert als een ‘defensieve democratie’, een politiek systeem ontworpen om als erg bedreigend gepercipieerde groepen te bestrijden (Smooha, 2002, p. 478).
Er zijn vier condities waarvan de aanwezigheid bijdraagt tot de opkomst van een etnische democratie, en vier voorwaarden die bijdragen tot de stabiliteit ervan eenmaal ze er is (Smooha, 2002, pp. 479-480). Een eerste voorwaarde voor de opkomst is dat het etnische nationalisme en de etnische natie al voor het ontstaan van de staat of het politieke systeem bestonden[42]. Ten tweede dat er een (echte of gepercipieerde) bedreiging voor de etnische natie bestaat die een mobilisatie van de meerderheid vereist om de etnische natie te behouden. De (ideologische of pragmatische) toewijding van de meerderheid voor democratie, zonder dewelke een non-democratie zou opkomen, is een derde voorwaarde. Een vierde en laatste voorwaarde is een controleerbare grootte van de minderheid: wanneer het om een kleine en slecht georganiseerde minderheid gaat, kan de meerderheid opteren voor een werkbare etnische democratie zonder afstand te nemen van haar dominantie. Als het om een grote of te sterke minderheid gaat, is de kans groot dat de meerderheid voor een etnische non-democratie kiest als het te moeilijk is om een etnische democratie in stand te houden.
Een eerste voorwaarde voor de stabiliteit van een etnische democratie nadat ze doorgevoerd is, is de aanwezigheid van een duidelijke numerieke en politieke meerderheid van leden van de etnische natie. Een tweede voorwaarde is een voortdurend gevoel van bedreiging bij de meerderheid. Een derde voorwaarde is de afwezigheid van tussenkomst van een ‘extern thuisland’ waartoe de minderheid behoort. De kansen voor een etnische democratie om te overleven zijn groter als de buitenlandse staat waartoe de minderheid nationaal behoort de minderheid niet beschermt en niet optreedt om de etnische democratie te destabiliseren. Een vierde voorwaarde tenslotte is het uitblijven van interventie tegen of het aanwezig zijn van steun voor de etnische democratie vanwege de internationale gemeenschap. Het belang van deze laatste conditie stijgt omwille van de opgang van universele mensen- en minderheidsrechten, en de groeiende bereidheid van verschillende instanties om zich te mengen in de zaken van staten die duidelijk de universeel aanvaarde rechten schenden.
Israël wordt in de vakliteratuur, hoewel het beschouwd wordt als een “uniek geval” (Gutmann, 1989, p. 295), beschouwd als een liberale democratie met enkele consensuselementen en bepaalde tekortkomingen. Maar volgens Smooha is Israël eigenlijk een etnische democratie[43]. Door te onderzoeken wat de positie is van de Arabische Israëli’s aan de hand van het concept etnische democratie, wordt er gekeken in welke mate zij een invloed kunnen hebben op het beleid van Israël tegenover de Palestijnen.
3.2 Case van Israël
In een studie voor het Israel Democracy Institute vergelijkt Lijphart Israël met 24 andere democratische staten. Hij plaatst Israël in een aparte categorie omdat het erg hoog scoort op bepaalde consensusindicatoren (bijvoorbeeld de methode van proportionele verkiezingen), maar erg laag op andere (bijvoorbeeld dat Israël een unitaire en gecentraliseerde structuur heeft). Lijphart verklaart deze anomalie door het feit dat Israël een erg verdeelde maatschappij is die nood heeft aan een consensusbesluitvorming, maar tegelijkertijd een land is dat het zonder federalisering kan redden. Lijphart besluit dat Israël de algemene democratische standaarden bereikt en tot het Westerse democratische systeem behoort (Lijphart, 1993). Volgens Gabriel Sheffer is Israël bijna een ‘private liberale democratie’ geworden (Scheffer, 1996, p. 35), Neuberger analyseert Israël als een liberale democratie (Neuberger, 1998), en Alan Dowty maakt een onderscheid tussen “minder etnische” en “meer etnische” liberale democratieën en Israël zou tot de tweede categorie behoren (Dowty, 1999).
Deze classificaties gaan volgens Smooha voorbij aan drie zaken: het karakter van Israël als Joodse staat, haar toewijding voor de Joden in diaspora, en de diepe verdeeldheid tussen de Arabische minderheid en de Joodse meerderheid (Smooha, 1997, p. 202). Israël kan niet getypeerd worden als een vrije liberale democratie want dit zou enkel juist zijn als de Joodse staat omgevormd zou worden in een Israëlische staat. In een dergelijke staat zou etniciteit privé zijn, zouden Palestijnen en Joden de vrijheid hebben om zich onderling te assimileren, en zou er een nieuwe volledig Israëlische identiteit, nationalisme en natie moeten ontstaan. Maar de werkelijkheid is nog ver verwijderd van een dergelijke situatie. In Israël is er geen scheiding tussen religie en nationaliteit, tussen religie en etniciteit, en tussen religie en staat; waardoor Israël geen liberale democratie genoemd kan worden. Israël is geen liberale democratie omwille van de fundamentele contradictie tussen haar egalitair universalistisch-democratisch karakter en haar niet-egalitair Joods-Zionistische karakter (Smooha, 2002, p. 495). Israël is geen liberale democratie omdat haar grootste bezorgdheid het Joodse volk is en niet haar burgers; omdat er geen Israëlische burgernatie bestaat en omdat het Zionisme het ontstaan van een dergelijke entiteit tegenwerkt; omdat er geen formele gelijkheid van rechten bestaat tussen Arabische Israëli’s en Joden; omdat de Israëlische wet geen vermenging van bloed en gemengde huwelijken toelaat; omdat de basic laws Israël formeel Joods en democratisch maken en zeker niet liberaal of multicultureel; en omdat de etnische sporen in Westerse liberale democratieën verbleken wat betreft betekenis vergeleken met de centrale rol van religie en de etnische natie in Israël.
3.2.1 Democratie onder spanning
Van de 900.000 Palestijnen die in de regio woonden die uiteindelijk Israël werd, bleven er halverwege 1949 slechts 186.000 Palestijnen over in het land. Israël verstrekte automatische burgerschap aan de bewoners van Arabische afkomst, maar ze werden als potentieel disloyaal beschouwd en onder militair bewind geplaatst tot december 1966. Ongeveer de helft van hun land werd in beslag genomen. Israël heeft sinds het uitroepen van de onafhankelijkheid in 1948 miljoenen Joodse migranten geabsorbeerd maar heeft steevast geweigerd om de Arabische vluchtelingen te laten terugkeren (Smooha, 2002, p. 484). In de Zesdaagse Oorlog van 1967 bezette Israël het volledige grondgebied van het vroegere Mandaatgebied Palestina, waardoor Palestijnse burgers en niet-burgers samengebracht werden.
Tegen het midden van de jaren zeventig geraakten de Israëlische Palestijnen georganiseerd en startten een intense strijd voor vrede en gelijkheid. In 1976 voerden ze de eerste van vele algemene stakingen uit als protest tegen het in beslag nemen van grond, onvoldoende subsidiëren van lokale diensten en andere discriminerende toestanden. Tijdens de eerste Intifada[44] protesteerden de Arabische burgers van Israël uit solidariteit met de Palestijnen in de bezette gebieden. Ze protesteerden opnieuw tijdens de eerste week van de tweede Intifada in oktober 2000 tegen wat ze een inbreuk van Israël op het exclusieve recht van moslims op de Al-Aqsa moskee Haram al-Sharif noemden en tegen het opeenvolgend doden van Palestijnse demonstranten. De meeste Arabische Israëli’s hebben de verkiezing van de