| Grenzen aan de Unie: een analyse van Europa’s geografische ambities in het licht van het liberaal intergouvernementalisme. (Lotte Drieghe) |
| home | lijst scripties | inhoud |
‘Europa im 16.Jahrhundert’; het opschrift van een grote, oude landkaart die mijn kamer siert. De kaart heeft veel weg van een lappendeken waar maar zelden een natuurlijk obstakel de grens tussen twee territoria vormt. Eerder dan natuurlijke afbakeningen zijn de grenzen resultanten van macht, compromis, en vooral oorlog.
Dit Europa heeft nog een lange en bloederige weg voor zich en lange tijd lijkt een europa van machtsevenwicht, allianties, invloed en gewapende conflicten een onontkoombaar feit te zijn, een wetmatigheid. Zelfs tot diep in de twintigste eeuw verdrinkt Europa in het bloed van miljoenen soldaten en burgers, om oorlogen waarvan de oorzaken en redenen eerder terug te vinden zijn in allianties en een instabiel machtsevenwicht dan een reële kostenbaten analyse.
Toch is dit voor velen van ons een Europa van een ver verleden. Hoewel slechts een aantal decennia geleden het continent nog tot één groot oorlogsfront werd omgevormd, is voor vele Europese burgers het idee dat er een gewapend conflict zou ontstaan tussen Europese lidstaten een onrealistische, haast absurdistische gedachte.
Het feit dat oorlog niet meer als een reële optie wordt gezien om een conflict tussen de Europese lidstaten te beslechten, hebben we te danken aan de oprichting van de EGKS, en de verdere ontwikkeling ervan tot de Europese Unie. Door het laten samenvallen van eigen, nationale belangen met de belangen van een groter geheel, aan de hand van het creëren van een gemeenschappelijke markt, wordt van het gebruik van gewapende acties afgezien, omdat men zo ook de eigen nationale belangen schaadt.
Ondertussen is de Unie lang niet meer te herleiden tot het ooit bedoelde vredesproject en behelst zij heel wat meer dan alleen het voorkomen van gewapende conflicten tussen de lidstaten. Vele stappen ondernomen in het kader van een verdere Europese integratie, kunnen niet meer worden verklaard als een poging de vrede tussen de staten te bewaren. Niet langer worden enkel de geopolitieke belangen van een land behartigd, maar ook economische, sociale, culturele, … desiderata van de verschillende lidstaten spelen een prominente rol binnen het Europese integratieproject.
Maar de gevolgen van het steeds verder integreren, komen natuurlijk vooral de leden ten goede en waar de lidstaten ten volle kunnen meebepalen hoe de Unie er morgen zal uitzien, moeten niet-leden allerlei beslissingen willens nillens overnemen, omdat het niet volgen van een bepaalde beslissing hun een ernstig nadeel oplevert, bijvoorbeeld het al dan niet volgen van een bepaalde productnorm. Dat zelfs het initiële vredesproject enkel werkt voor zij die lid zijn van de Europese Unie, en niet voor alle staten op het Europese continent, werd nog pijnlijk aangetoond door de balkanoorlogen die duidelijk maakten dat een Europese Unie nog geen garantie is voor een oorlogloos Europa.
Je zou dus kunnen stellen dat naarmate de Unie meer staten integreert, de kans op een gewapend conflict tussen de Europese staten afneemt; naarmate de eigen belangen van staten meer en meer gaan samenvallen met de belangen van Unie, gaan steeds minder staten oorlog zien als een alternatief om conflictsituaties te gaan oplossen. Maar lidmaatschap dient niet alleen geopolitieke belangen. Ook de voordelen die de Unie met zich mee brengt in de eerder low-politic-domeinen worden bij verdere uitbreiding door een steeds grotere groep ervaren. Zo heeft bijvoorbeeld het bereikte welvaartsniveau binnen de lidstaten een enorme aantrekkingskracht op niet-leden. (Lagendijk en Wiersma, 2001: 16-17)
Deze redenering is natuurlijk net iets te makkelijk; want hoe meer lidstaten er toetreden tot de Europese Unie, hoe meer tegenstellingen er boven komen drijven. Met andere woorden, naarmate de Unie verder uitbreidt, wordt het steeds moeilijker de gedeelde belangen gedeeld te houden.
De afweging die hier moet worden gemaakt tussen enerzijds het mechanisme van gedeelde belangen ten volle laten werken en anderzijds het tegengaan van een zogenaamde empirial overstrech, doet heel wat stof opwaaien binnen het construct van de Europese Unie. Dat dit debat vaak naast de kwestie wordt gestreden, waarbij veelal culturele, godsdienstige en xenofobe argumenten worden misbruikt, hoeft geen betoog. De Europese Unie is een koude, politieke, seculiere structuur die niet wordt gekleurd door godsdienst of cultuur en bijgevolg moet men mogelijke uitbreidingen niet aan zulks gaan afwegen. Als Filip Dewinter argumenteert dat Turkije een islamitisch land is en islamitische landen niet thuis horen in de Europese Unie (G. 2004, 13 december) debatteert deze geheel naast de inhoud van de werkelijke discussie, wanneer Karel Van Miert daarentegen aanhaalt dat het Europese huis nog niet in orde is voor dergelijke uitbreiding (Goossens, 2004, 21 december), lijkt dit een meer plausibel argument om een beleidsbeslissing op af te wegen.
Ook de verdragrechterlijke basis omtrent uitbreidingen van de Unie leidt ons niet veel verder in de zoektocht naar Europa’s geografische ambities; de enige verwijzing ernaar vind je in terug Artikel 49 ‘elke Europese staat die de in artikel 6, lid 1, genoemde beginselen in acht neemt, kan verzoeken lid te worden van de Unie’.(Verdrag betreffende de Europese Unie, titel XIII, art. 49) De beginselen in artikel 6 die moeten worden onderschreven zijn: vrijheid, democratie, eerbieding van rechten van de mens en fundamentele vrijheden, en die van de rechtstaat. Het is dus duidelijk dat ook een juridische invalshoek ons niet veel wijzer maakt.(Verdrag betreffende de Europese Unie, titel I, art. 6)
De vraag waar de grenzen van de Europese Unie kunnen getrokken worden, kan men dan ook beter beantwoorden vanuit een politiektechnisch kader; aan de hand van een analyse omtrent de mogelijke belangen, waarden en gevolgen van een uitbreiding voor de Unie enerzijds en de potentiële kandidaten anderzijds, onderzoeken welke landen al dan niet tot de Unie zouden kunnen toetreden.
Dit is dan ook het opzet van mijn eindwerk, waarin ik zal trachten Europa’s geografische ambities uit te tekenen tegen de achtergrond van het liberaal intergouvernementalisme als theoretische omkadering. (zie hoofdstuk I).
Natuurlijk is deze problematiek niet in één onderzoek te bevatten, en zullen nog vele aspecten onaangeroerd blijven. Zo zal ik mij vooral toeleggen op die zaken die vanuit de theoretisch omkadering op de voorgrond treden zoals de economische belangen bij al dan niet verdere uitbreiding van de verschillende lidstaten en hun macht aan de onderhandelingstafel.
Toch hoop ik via dit onderzoek een bijdrage te leveren in het wetenschappelijke debat omtrent de grenzen van de Europese Unie, waaruit eventueel verder onderzoek kan worden gevoerd, of desnoods blijkt dat het liberaal intergouvernementalisme geen houvast kan bieden in de zoektocht naar Europa’s geografische ambities.
Welk deeltje van deze problematiek ik precies wil ontrafelen en op welke wijze ik probeer een antwoord te formuleren op mijn onderzoeksvraag, wordt in rest van dit hoofdstuk uit de doeken gedaan.
De onderzoeksvraag
Deze analyse heeft dus tot doel te onderzoeken waar Europa’s geografische ambities liggen; welke landen de Unie al dan niet zou willen opnemen in de club en dit bekeken vanuit het liberaal intergouvernementalistische perspectief. Maar wat houdt deze doestelling nu concreet in?
We zouden de specifieke vraagstelling als volgt kunnen omschrijven:
a. Welke zijn de belangen van de (belangrijkste) lidstaten inzake uitbreiding van de Europese Unie?
b. Kan een compromis tussen de lidstaten ontstaan wat een verdere uitbreiding van de Unie betreft, en zo ja, hoe zal dit compromis eruit zien?
Deze onderzoeksvragen zullen zeer theoretisch worden benaderd, waarbij ik niet zozeer de reële grenzen zal uittekenen dan wel een ideaaltype zal proberen te construeren van het ‘genre’ land dat in aanmerking zal komen om lid te worden van de Unie. We gaan met andere woorden op zoek naar welke karakteristieken een land moet bezitten zodat bij lidmaatschap van de Unie de belangen van de oude lidstaten worden gediend of toch gevrijwaard blijven.
Om zulke analyse te voeren moeten we dus eerst op zoek naar de belangen van de lidstaten inzake uitbreiding (hoofdstuk II), om daarna te bestuderen waar conflict en compromis zullen ontstaan bij onderhandelingen over potentiële nieuwkomers in de Unie (hoofdstuk III).
Aangezien we vertrekken vanuit het liberaal intergouvernementalisme (vanaf hier steeds afgekort als LI) als theoretische onderbouwing, zal ik, zoals al duidelijk werd in de onderzoeksvraag, vooral aandacht hebben voor de belangen van de lidstaten, hun onderhandelingsmacht,hun economische kenmerken, … . Dat de grenzen van de Unie misschien ook door andere variabelen worden bepaald, is hierbij minder relevant daar dit een invraagstelling van de theoretische validiteit is en ik in de eerste plaats op zoek ga naar Europa’s geografische grenzen, en slechts in mindere mate Moravcsiks theorie aan een falsificatietoets wil onderwerpen. (Billiet en Wage, 2001: 54) In principe zijn beide doelstellingen ook onverzoenbaar in een zelfde onderzoek, omdat zowel het LI als het vraagstuk omtrent Europa’s grenzen voor de respectievelijke doelstellingen in een afhankelijke positie worden geplaatst. Je kan met andere woorden niet en op zoek gaan naar Europa’s grenzen aan de hand van de premissen van het LI, en in een zelfde studie de validiteit van de theorie onderzoeken.
Een hele waaier aan denkrichtingen en theoretische stromingen zijn voorhanden waartegen een onderzoek over Europese politiek kan worden gevoerd. Waarom ik daaruit net het LI haal, heeft verschillende redenen. Hoewel ik later uitgebreid op deze theoretische stroming terugkom, geef ik nu reeds kort weer waarom ik deze theorie gekozen heb.
Eerst en vooral is het LI een ideale theorie om nieuwe theoretische gissingen en ontwikkelingen binnen de Europese Unie te onderzoeken en te verklaren. Zo behoort het LI wel tot de traditionele denkrichtingen binnen de Europese integratietheorieën, maar geeft zij een meer gesofisticeerde en nauwgezette fundering voor de analyse. Ook kan de theorie in aantal algemene aannames worden samengevat, die pretenderen de kern van de Europese samenwerking te kunnen verklaren. (Schimmelfenning, 2004: 75)
Daarnaast is het LI een zogenaamde grand theory, die vooral de grote stappen naar Europese integratie tracht te verklaren. (Schimmelfenning, 2004: 75) De beslissing van de Unie een land al dan niet lid te maken van de club is dan ook een historische beslissing; de keuze een land te laten toetreden verandert het aanzien van de Unie grondig en heeft een sterke invloed hebben op het functioneren van de Unie in haar totaliteit. (Vos, 2005: 2)
Ook is er de wijdverspreide aanvaarding dat het LI een groot deel van de gedragingen van een staat binnen de Europese Unie kan verklaren. (Schimmelfenning, 2004: 75) Daar bij eventuele uitbreiding de Europese Raad de belangrijkste knopen doorhakt, sluit het LI ook in dit opzicht goed aan bij het onderzoeksopzet. (Kochenov, 2005: 17 en 19)
Verder is het LI een benadering die initieel beschreven werd als een kaderwerk voor het analyseren van EU beleidsdomeinen waarbij met unanimiteit wordt beslist, waar beslissingen tot het al dan niet uitbreiden toe behoren. (Cini, 2003: 103)
Tot slot zijn aan een uitbreiding heel wat economische belangen en gevolgen verbonden, die op zeer verschillende wijze kunnen ervaren worden door de lidstaten, en ook daar legt het LI sterk de klemtoon op. (Moravcsik en Vachudova, 2002: 2)
Het LI lijkt dus inderdaad de uitgelezen theorie om dit onderzoek te voorzien van de nodige wetenschappelijke basis. De helderheid en het weinig complexe karakter van de theorie (Schimmelfenning, 2004: 75) zorgt ervoor dat zelfs een summiere samenvatting (zie hoofdstuk I) van de theorie voldoende is om het onderzoek te kunnen lezen en bevatten.
Stand van zaken
Als ik me even verdiept in de literatuur omtrent de grenzen van de Unie wordt al snel duidelijk dat mijn analyse nog geen wetenschappelijke voorgangers kent, en ik dus een vooral verkennend onderzoek zal voeren in een zoektocht naar Europa’s grenzen in een liberaal intergouvernementalistisch kader. Wanneer ik echter beide deelonderwerpen, het LI en de grenzenproblematiek apart onder de loep neem, vind ik natuurlijk heel wat meer materiaal, die een houvast kunnen bieden tijdens de analyse. Aangezien ik een apart hoofdstuk wijd aan Moravcsik’s LI, zal ik mij hier beperken tot een stand van zaken in lectuur omtrent Europa’s geografische ambities.
Wat mij vooral opviel bij het doornemen van de literatuur hierover, is het, ondanks de recente populariteit van het onderwerp, weinig wetenschappelijke karakter van dit studiedomein, waarbij argumenten zelden worden onderbouwd door academische kennis.
Ruw geschetst kunnen we de meeste auteurs onderverdelen in zij die voor en zij die tegen verdere uitbreiding zijn, maar daarmee is natuurlijk nog niets gezegd. De redenen die worden aangehaald tegen een verdere uitbreiding van de Unie zijn talrijk en van velerlei aard, maar slechts weinige redeneringen zijn opgebouwd vanuit de nodige politieke en/of wetenschappelijke achtergrond. Zoals reeds in de inleiding gesteld is de Europese Unie een koele, politieke en seculiere instelling en bijgevolg dienen discussies omtrent de uitbreiding van die instelling worden gevoerd vanuit politiektechnische overwegingen.
Toch grijpen auteurs van wetenschappelijke papers en boeken vaak terug naar redenen als religie en cultuur in een poging de grenzen van de Unie in kaart te brengen. Zo verwijst ook Kaplan (in Lagendijk en Wiersma, 2001: 30 en 31) naar het orthodoxe geloof wanneer hij stelt dat Roemenië niet meer tot de Unie zou behoren. Vele tegenstanders van een uitbreiding in oostelijke richting volgen Huntingtons breuklijn (1997), waarbij men stelt dat op de huidige oostgrens een andere cultuur leeft die niet in te passen valt binnen de contouren van de Europese Unie. (Hoewel weinigen problemen hebben met Griekenland als lid, terwijl dit volgens Huntington (Huntington, 1997) ook niet in de Unie thuishoort)
Een ander vaak terugkomend argument is dat de Unie steeds minder Europees zou worden door het steeds opschuiven van de grenzen in oostelijke richting waardoor het ‘oude Europa’ zowel geografisch als politiek steeds minder in het centrum komt te liggen.
Daarentegen is Van Miert (Goossens, 2004, 21 december) één van de weinigen die stelt dat Europa intern niet klaar is voor een grootse uitbreiding, bijvoorbeeld het opnemen van Turkije bij de Unie, omdat de verschillende instituties van de Unie zouden blokkeren als gevolg een te grote oneensheid tussen de verschillende leden. Moravcsik en Vachudova (2002: 3)echter beweren dat niet het aantal conflicten zal toenemen, maar de reeds bestaande trends binnen de unie lichtjes zullen worden versterkt.
Een optie die door velen wordt aanhangen is het creëren van een bufferzone, waarbij de groep van landen die de grenzen rond de Unie vormt een geprivilegeerde relatie met de Unie kan opbouwen. Zowel Pötterberg, Rocard als Santer (in Bolkestein, 2004), allen belangrijke figuren binnen het Europese construct, pleiten voor een soort van partnerschap met een aantal buurlanden van de Unie.
Daar tegenover staan natuurlijk zij die de Unie enkel tijdelijke grenzen willen aanmeten, omdat grenzen in se politiek zijn en bijgevolg veranderbaar. (Garton Ash in Lagendijk en Wiersma, 2001: 44) Ook Davies stelt dat diversiteit een hoofdkenmerk is van de Unie, waarbij Duitsland net zoveel van Nederland verschilt als Kroatië van Servië.(Davies in Lagendijk en Wiersma: 44 en 45)
Toch zijn de meeste auteurs niet zomaar onder te verdelen als voor of tegen een verdere uitbreiding van de Europese Unie en verschilt de keuze van landen die zouden kunnen of mogen toetreden van schrijven tot schrijven. Wel kunnen de algemene redenen voor het al dan niet toelaten van een land meestal worden teruggebracht onder een aantal algemene stellingen, zoals hierboven beschreven.
Eigelijk kunnen we vooral stellen dat ondanks de groeiende populariteit van het onderwerp, er weinig wetenschappelijke analyses terug te vinden zijn over de vraag waar Europa’s grenzen moeten worden uitgetekend. Het debat wordt bovenal gevoed met intuïtieve argumenten, persoonlijke ervaringen binnen ideologische dogma’s, niet zelden met een zekere vooringenomenheid tegenover mogelijke kandidaten. Het is dan ook mijn opzet een bescheiden bijdrage te leveren in de poging het debat omtrent Europa’s geografische ambities een meer wetenschappelijk karakter te geven.
In het laatste deel van dit inleidende hoofdstuk wordt aangegeven hoe ik dit zal pogen te realiseren.
De rode draad
Ook de opbouw van deze paper wordt in grote mate bepaald door de theoretische onderbouw van dit onderzoek en na het lezen van het eerste hoofdstuk zal dan ook duidelijker worden waarom ik precies voor deze indeling kies. Toch geef ik hier reeds weer hoe het onderzoek is gestructureerd en motiveer ik ook deze keuze, zodat steeds duidelijk is waarom wat waar geschreven staat. In wat volgt geef ik je met andere woorden de rode draad doorheen dit schrijven mee.
De theoretische onderbouw wordt in het eerste hoofdstuk uit de doeken gedaan, daar deze de basis vormt voor het gehele verdere onderzoek. In dit hoofdstuk wordt Moravcsiks liberaal intergouvernementalisme in een notendop weergegeven waarbij ook meteen de link wordt gelegd naar het eigen onderzoek; waar nodig worden bepaalde redeneringen verder uitgediept en de meeste belangrijke premissen, in functie van het onderzoek, worden extra onderstreept.
In een tweede hoofdstuk gaan we opzoek naar de belangen van de – economisch gezien – grootste lidstaten in het uitbreidingsdebat, waarbij voor elk van de drie redenen tot internationaal samenwerken (volgens het LI) wordt bestudeerd hoe de regeringsstandpunten ten aanzien van dit onderwerp worden gevormd. We zoeken met andere woorden waarom lidstaten wel of niet bereid zullen zijn een land op te nemen in de Unie.
Ten slotte gaan we in het laatste hoofdstuk aan de onderhandelingstafel zitten en trachten we op basis van de bevindingen in hoofdstuk twee te ontdekken waar conflict en compromis ontstaan wanneer over verdere uitbreiding wordt gedebatteerd. Vanuit de theorie omtrent internationale onderhandelingen zoeken we uit waar internationale samenwerking kan ontstaan ten aanzien van een potentiële lidstaat. Meer specifiek analyseren we aan welke kenmerken een land voldoen zodat het opnemen van dit land de belangen van de lidstaten behartigd. We plaatsen dus de bevonden nationale belangen naast elkaar en gaan daarbij op zoek of via een aantal onderhandelingsstrategieën toepasbaar binnen de institutionele setting van de Europese Raad tot een compromis inzake uitbreiding kan gekomen worden of niet omdat er teveel tegenstellingen tussen de belangen van de oude lidstaten bestaan.
Bij wijze van test zullen de resultaten van de analyse worden afgetoetst aan de laatste uitbreiding van de Unie; deze naar oosten centraal Europa: passen de nieuwe lidstaten in het profiel opgesteld aan de hand van het LI?
Doorheen de twee laatste hoofdstukken zal regelmatig naar het eerste hoofdstuk worden verwezen teneinde gemaakte keuzes te verklaren of in de juiste context te plaatsen.
In een laatste deeltje geven we kort weer hoe het gehele onderzoek is verlopen en waar er eventueel problemen zijn opgedoken. Ook poog ik een zo sluitend mogelijk antwoord te formuleren op de onderzoeksvragen en verklaar indien nodig waarom ik het antwoord een deel schuldig blijf. Verder geef ik ook weer in welke mate ik er ben in geslaagd de ook bredere doelstellingen te vervullen: het uitbreidingsdebat in een meer wetenschappelijk kader plaatsen en ontdoen van populistische pseudo-wetenschappelijke argumenten.
Tot slot wordt ook een korte aanzet tot eventueel verder onderzoek gegeven; welke aspecten verder dienen uitgediept te worden en hoe kan dit verkennend onderzoek kan worden verder gezet.
Moravcsiks liberaal intergouvernementalisme
Zoals reeds werd aangegeven in de inleiding, is Moravcsiks liberaal intergouvernementalisme de uitgelezen theorie om Europa’s geografische ambities in kaart te brengen.
Maar wat houdt dat LI nu juist in? Wat zijn de premissen en aannames die Moravcsiks theorie gestalte geven in een poging het construct van de Europese Unie te verklaren? En welke aspecten van het LI zijn het meest relevant voor mijn onderzoek?
Om deze en meer vragen te beantwoorden lijkt het mij nuttig alvorens aan het eigenlijke onderzoek te beginnen even stil te staan bij mijn theoretisch kader, daar dit een zeer grote impact heeft op hoe de studie uiteindelijk gevoerd en gevormd wordt. Niet alleen geeft de theoretische invalshoek dit onderzoek een wetenschappelijk karakter, maar ook bepaalt deze in grote mate hoe de onderzoeksvraag wordt ingevuld en waarop de klemtoon wordt gelegd. Zo zal ik bijvoorbeeld vooral aandacht hebben voor de belangen en gedragingen van de nationale staten binnen internationale samenwerking, en dit binnen een eerder economisch perspectief, maar daarover later meer. (Cini, 2003: 103)
In dit hoofdstuk zal ik dus, na de meer algemene en typerende kenmerken van het LI te hebben beschreven, in een aantal pagina’s het meest essentiële van de theorie uit de doeken doen, waarbij ik vooral die zaken zal benadrukken die belangrijk zijn voor het verdere onderzoek. Bij wijze van besluit zal ik aangeven hoe ik het LI zal trachten te gebruiken in het onderzoek naar de grenzen van de Europese Unie.
Dit hoofdstuk vormt met andere woorden een leidraad doorheen de analyse en verklaart de keuzes die worden gemaakt in het onderzoek.
Het liberaal intergouvernementalisme omkaderd
Alvorens de kern van Moravcsiks theorie uit de doeken te doen, zal ik dus eerst even stil staan bij een aantal algemene karakteristieken van het LI, die van belang zijn voor het begrijpen en plaatsen van de theorie of nuttig blijken in het kader van mijn onderzoek.
Wanneer ik op zoek ga naar de basis van het LI, vallen twee zaken onmiddellijk op: een eerste punt is dat er eigelijk slechts één naam ten volle aan de theorie kan verbonden worden; deze van Andrew Moravcsik (1993), professor aan de universiteit van Harvard en dus ook de ‘ontwerper’ van het LI. Dit feit staat niet in de weg dat Moravcsiks theorie één van de meest invloedrijke verklaringen van het Europese integratieproces is. (Cini, 2003: 103; Schimmelfennig, 2004: 76)(zie ook inleidend hoofdstuk) Dit brengt natuurlijk ook met zich mee dat ik in grote mate op zijn werk ben aangewezen voor deze onderzoek.
Daarnaast wordt het mij al snel duidelijk dat de theorie wordt gesorteerd onder de Realistische school en intergouvernementalistische benaderingen. Toch kan je er in dit geval van uit gaan dat de vlag de lading niet helemaal dekt. Moravcsik (1998: 5) vertrekt voor zijn analyse van de Europese Unie vanuit de klassieke theorieën over internationale politiek, maar blijft niet trouw aan de basisprincipes van één school en hoewel hij zelf beweert zijn theorie te plaatsen binnen een Realistisch kader, (Moravcsik, 1998: 19) kan niet worden ontkend dat ook vele andere scholen het LI kleuren. (Schimmelfennig, 2004: 76 en 77; Moravcsik, 1993: 480, Moravcsik, 1997: 544)
De reden voor het gebruik van de klassieke theorieën over internationale politiek en economie, internationale onderhandelingen en regimetheorieën als basis voor de analyse is terug te vinden in Moravcsiks idee dat de Unie niet als een ongekende nieuwe politieke constructie mag worden bestudeerd. (Moravcsik, 1993: 474 en 480) Ook al is de Unie een unieke institutie, het behoeft geen sui generis theorie. (Moravcsik, 1993: 474; 1998: 19)
Maar hoe analyseren we de Unie dan wel? Volgens het LI kunnen we de Unie definiëren als een succesvol intergouvernementeel regime ontworpen om economische interdependentie te managen door onderhandelde politieke samenwerking. (Moravcsik, 1993: 474; Cini, 2003: 103) Meer algemeen kan integratie gezien worden als een proces waarbij men een reeks van onderliggende objectieven of belangen definieert, onderhandelt voor fundamentele akkoorden omtrent samenwerking, en ten slotte gepaste internationale instituties selecteert om hen vast te zetten. (Moravcsik, 1998: 5) Deze opvatting over internationale integratie ligt aan de basis van Moravcsiks Liberaal intergouvernemantalisme, dat in het volgend deeltje wordt uit de doeken gedaan.
De theorie
In een poging Moravcsiks liberaal intergouvernementalisme te begrijpen lijkt het nuttig even stil te staan bij Putnams theorie (1987: 10 en 11) over de link tussen binnenlandse politiek en internationale samenwerking. Putnam (1987: 10; 1988: 434) stelt dat internationale economische samenwerking best kan begrepen worden als een two-level-game: op het nationale niveau proberen groepen hun belangen behartigd te zien door druk uit te oefen op hun regering, zodat deze een voor die drukkingsgroepen voordelig beleid voert. Politici gaan op hun beurt macht trachten te vergaren door het opbouwen van coalities rond deze drukkingsgroepen. Op het internationale niveau gaan regeringen pogen hun eigen vrijheid te maximaliseren door aan de eisen van de binnenlandse drukkingsgroepen te voldoen en negatieve gevolgen van buitenlandse ontwikkelingen te minimaliseren.
Deze twee ‘games’ worden gelijktijdig gespeeld, waardoor het beleid dat wordt gevoerd door een regering eigelijk als een resultante van zowel binnenlandse als internationale krachten kan worden gezien. (Putnam, 1987: 10; Rosamond, 2000: 135 en 136)
Hoewel Moravcsik (1993: 481; Cini, 2003: 102; Rosamond, 2000: 136) de term two-level-game niet expliciet gebruikt, tracht ook hij internationale samenwerking, meer bepaald de Europese integratie, te verklaren aan de hand van een two-level-game, waarbij zich zowel op nationaal als internationaal niveau processen afspelen, die een invloed hebben op het tot stand komen van een samenwerking tussen staten. (Rosamond, 2000: 136 en 137; Fairbrass and Jordan, 2001: 504) Laten we nu eens gaan kijken hoe dit precies in zijn werk gaat.
De fundamenten van het LI worden gevormd door drie essentiële elementen: de assumptie dat staten zich rationeel gedragen, een liberale theorie over nationale belangenvorming en een intergouvernementalistische analyse die de interstatelijke onderhandelingen verklaart. “De veronderstelling dat staten rationeel gedrag vertonen voorziet in een algemeen kader voor analyses, waarin de kosten en baten van economische interdependentie de primaire determinanten zijn van nationale belangen, terwijl de relatieve intensiteit van die belangen, het bestaan van alternatieve coalities en de mogelijkheid voor ‘package deals’ de basis vormen voor een intergouvernementele analyse voor het oplossen van ‘verdeelconflicten’ tussen regeringen. Regimetheorieën worden gebruikt als vertrekpunt voor aan analyse over condities onder dewelke regeringen macht willen delegeren naar internationale instituties.”(Moravcsik, 1993: 480)
Toegepast op de Europese Unie, veronderstelt het LI dus dat alle beslissingen gemaakt door de Unie een resultaat zijn van onderhandelingen tussen staten die als rationele actoren hun belangen verdedigen, waarbij deze belangen op hun beurt worden gevormd door druk van binnenlandse sociaal-economische groepen. Een akkoord wordt bereikt op basis van de kleinst gemene deler en met duidelijk uitgezette krijtlijnen waarbinnen de soevereiniteitsoverdracht gebeurt. (Cini, 2003: 103 en 104; Forster, 1998: 350; Schimmelfennig, 2004: 78) Integratie van de Europese staten wordt met andere woorden bepaald door economische belangen, relatieve (onderhandelings)macht en geloofwaardige verbintenissen, (Moravcsik, 1998: 5) waarbij staten een centrale positie wordt toebedeeld. (Rosamond, 2000: 37 en 38)
De integratie tussen staten wordt door Moravcsik (1993: 481; Rosamond, 2000: 137) voorgesteld als een proces dat zich afspeelt in twee opeenvolgende fases (zie figuur 1). In een eerste fase definiëren regeringen een set van belangen, waarbij internationale samenwerking mogelijk in die belangen voorziet (de vraagzijde voor integratie); een volgende fase besstaat erin te onderhandelen tussen staten in een poging in deze belangen te voorzien door middel van integratie (de aanbodzijde). Terwijl de vraagzijde de voordelen van samenwerking accentueert, duid de aanbodzijde vooral op de beperkingen van mogelijke gevolgen van integratie.
Om deze fases te verklaren worden twee afzonderlijke theorieën gebruikt, zodat een meer genuanceerde verklaring van de Europese Unie ontstaat; een liberale theorie ter verklaring van de vorming van staatsbelangen en een intergouvernementele analyse voor interstatelijke onderhandelingen en het oprichten van instituties. (Fairbrass en Jordan, 2001: 504; Moravcsik, 1993: 482; Rosamond, 2000: 136 en 137) Deze twee fases worden in de volgende pagina’s verder uitgewerkt, ook omdat deze de grote rode draad doorheen mijn analyse vormen.
Figuur 1: Het liberaal intergouvenmentalistisch kader voor analyses

De L in het Liberaal intergouvernementalisme
In een eerste fase verklaart het LI hoe de belangen van staten gevormd worden, die de vraag tot internationale samenwerking in zich dragen en dit vanuit een liberaaltheoretische invalshoek. (Cini, 2003: 103; Fairbrass en Jordan, 2001: 504; Rosamond, 2000: 236 en 137)
Nationale belangen, zo stelt Moravcsik (1993: 481; 1998: 24) kunnen het best begrepen worden als de wijze waarop regeringen trachten gehoor te geven aan druk van binnenlandse sociaal-economische groepen.
Deze groepen in een maatschappij vormen preferenties die, in lijn met de liberale school, sterk beïnvloed worden door de beperkingen en mogelijkheden die de steeds toenemende economische interdependentie tussen staten met zich mee brengen. (Cini, 2003: 103 en 104).
Regeringen, die tot belangrijkste doel hebben zichzelf in het zadel te houden, gaan trachten sterke coalities rond hen op te bouwen door die preferenties van de dominante, vooral economische groepen, te gaan aggregeren tot staatsbelangen. (Moravcsik, 1993: 483; Fairbrass en Jordan, 2001: 504; Forster, 1998: 350; Schimmelfennig, 2004: 77)
De economische interdependentie, gekenmerkt door een toenemende grensoverschrijdende handel in goederen, diensten en productiefactoren, heeft ook gevolgen voor de politieke wereld daar deze zoals reeds eerder aangegeven in grote mate de inhoud van de economische preferenties bepaalt. Hierdoor worden regeringen een internationaal samenwerken te creëren omdat dit opportuun is voor de belangrijkste economische groepen in de Europese landen. (Cini, 2003: 104; Moravcsik, 1993: 485)
Nationale belangen worden met andere woorden vertaald in een internationale samenwerking, wanneer regeringen door zulke samenwerking hun controle over binnenlandse politieke processen vergroten, en deze regeringen toelaat doelstellingen te bereiken die zonder niet mogelijk waren geweest. (Moracvsik, 1993: 485)
Specifiek voor de Unie onderscheidt Moravcsik (1993: 488) drie categorieën beleidsobjectieven, die geconstrueerd worden op basis van nationale belangen: liberalisatie van de handel in goederen en diensten, de voorziening van socio-economische collectieve goederen en de voorziening van niet-economische collectieve goederen.
Twee zaken moeten nog vermeld daar deze een belangrijke invloed zullen hebben op het in kaart brengen van de nationale belangen ten aanzien van de uitbreidingsproblematiek. Een eerste punt is dat een samenwerking tussen staten vooral als een optie wordt beschouwd wanneer men via deze weg de negatieve gevolgen van een beleid voor een andere regering wil elimineren. Denken we hierbij aan protectionistische barrières, competitieve devaluatie en een laks milieubeleid. (Moravcsik, 1993: 485; Moracvsik, 1998: 35)
Daarnaast wordt de regering in internationale onderhandelingen zowel gesterkt als gedwongen bepaalde preferenties te behartigen door dominante sociale groepen wanneer de kosten en baten van alternatieve beleidsopties significant, ondubbelzinnig en riskant zijn. Als de kosten en baten van een alternatief beleid daarentegen diffuus, ambigu of insignificant zijn, is de druk op de regering heel wat losser. (Moravcsik, 1993: 488)
Het wordt dus duidelijk dat een onderzoek naar Europa’s geografische ambities vanuit liberaal intergouvernementalistische invalshoek niet kan gevoerd worden zonder een degelijke studie naar de binnenlandse politieke processen in verscheidene landen ten aanzien van Europa’s mogelijke grenzen. Een begrip van de binnenlandse politiek is met andere woorden een voorwaarde voor, en geen aanvulling bij een analyse van strategische interactie tussen staten. (Cini, 2003: 103; Moravcsik, 1998: 481; Rosamond, 2000: 137)
De I in het liberaal Intergouvernementalisme
Het tot stand komen van de eigenlijke samenwerking tussen staten wordt verklaard in het tweede deel van Moravcsiks theorie, waarbij hij, gebruik makend van een Realistisch, intergouvernementeel kader, de interstatelijke onderhandelingen analyseert, en uiteindelijk ook, in een zogenaamde derde fase de creatie van instituties verklaart. (Moravcsik, 1993: 482, Moravcsik, 1998: 7)
Voor deze analyse verlaat Moravcsik het liberale pad en worden regeringen, dit maal in lijn met het intergouvernementalisme, als unitaire actoren beschouwd eens zij als vertegenwoordigers van hun land optreden, waarbij supranationale instellingen een minimale impact hebben op de beslissingen genomen in het kader van de Europese Unie. (Cini, 2003: 104; Moravcsik, 1994: 612)
In een poging de interstatelijke onderhandelingen, gehouden in het kader van de Europese Unie, te analyseren, baseert het LI zich op volgende aannames: een eerste is de premisse dat het onderhandelen op Europees niveau volledig vrijwillig gebeurt in die zin dat noch militaire dwang noch economische sancties als middel voor het forceren van een akkoord worden gebruikt. Tweede punt is dat regeringen die onderhandelen binnen het Europese construct relatief informatierijk zijn, en dus bijvoorbeeld een kennisvoordeel tegenover andere regeringen geen geldige reden vormt ter verklaring van de Europese onderhandelingsresultaten. Een laatste aanname veronderstelt lage transactiekosten voor interstatelijke onderhandelingen. Eens aan deze premissen voldaan, kunnen we ervan uitgaan dat de mate van samenwerking tussen staten een weerspiegeling is van de belangen van de verschillende regeringen. (Moravcsik, 1993: 499; Rosamond, 2000: 137 en 138, Schimmelfennig, 2004: 76)
Maar ondanks dit gunstige onderhandelingsklimaat blijft de relatieve macht van een regering de primaire determinant voor het verklaren van de onderhandelingsresultaten. Deze machtsverhoudingen tussen de verschillende staten wordt bovenal bepaald door intensiteit van nationale preferenties ten aanzien van een internationale samenwerken; de mate waarin deze kosten en baten duidelijk en voorspelbaar zijn zal voor een groot deel verklaren hoe belangrijk zo een samenwerkingsakkoord is voor desbetreffende regering. (Cini, 2003: 104; Moravcsik, 1998: 8) Welke inspanningen een regering wil leveren teneinde een samenwerking op een bepaald domein tot stand te brengen zal dus sterk afhankelijk zijn van de wenselijkheid van zulk een samenwerking, die bepaald wordt door de omvang van de potentiële winsten voor het desbetreffende land. Wanneer deze relatief groot zijn, zal de regering de kans op een niet-akkoord willen inperken, en komt zij zo in een ondergeschikte, zwakkere onderhandelingspositie. (Moravcsik, 1993: 499) De regeringen die met andere woorden het meeste voordeel halen uit een akkoord, zijn dan ook bereid grotere compromissen te aanvaarden teneinde een samenwerking te installeren. (Moravcsik, 1998: 8)
Uit voorgaande veronderstellingen over internationale onderhandelingen kunnen nog twee belangrijke gevolgen worden onderscheiden: een regering zal pas instemmen een samenwerking tot stand te brengen wanneer ook voor hen de baten de kosten overstemmen en bijgevolg is bijna elk akkoord Pareto-efficiënt.(Cini, 2003: 104; Moravcsik, 1998: 7) Een tweede punt is dat samenwerking steeds zijn basis zal vinden in de kleinste gemene deler in de nationale belangen, omdat ook de minst bereidwillige regering zich akkoord moet verklaren. Dit wil echter niet zeggen dat het uiteindelijke akkoord een weerspiegeling is van de belangen van deze regering. (Moravcsik, 1993: 501; Forster, 1998: 350)
Wanneer internationale onderhandelingen kunnen worden gedefinieerd binnen de bovenstaande krijtlijnen, reiken onderhandelingstheorieën drie scenario’s aan die de onderhandelingen kunnen determineren.
Een eerste is een simpele maar geloofwaardige dreiging een samenwerking te weigeren ten voordele van superieur alternatief (Moravcsik, 1995: 612). Regeringen die een aantrekkelijk alternatief kunnen voorleggen, zullen niet geneigd zijn een weinig voordelige samenwerking te aanvaarden. Dit is de meest fundamentele vorm van onderhandelingsmacht. Het meest voor de hand liggende alternatief is het behouden van het huidige status quo, de keuze tussen samenwerking of de unilaterale weg behouden. Wanneer we dit scenario toepassen op de Europese integratie, blijken de grote, relatief onafhankelijke landen de meeste invloed te bezitten daar zij relatief weinig winnen tegenover hun kleinere, meer open buurlanden en dit zowel bij onderhandelingen over liberalisatie als onderhandelingen die de voorziening in publieke goederen betreft. (Moravcsik, 1993: 500, Moravcsik, 1998: 63)
Naast een simpele weigering tot samenwerking kunnen staten ook coalities vormen (Moravcsik, 1995: 612), waarin de dreiging te worden uitgesloten zit ingebed, waarbij mogelijk negatieve gevolgen van de coalitie hun te beurt kunnen vallen. Zij die de mogelijkheid hebben een alternatieve coalitie aan te gaan komen in een sterkere onderhandelingspositie te zitten. De Pareto-efficiëntie ligt hier in het feit dat deelname aan de onderhandelingen minder schadelijk is dan het huidige status quo te behouden. Voor de volledigheid moet ook gemeld dat uitsluiting positief kan worden ervaren, in dit geval treedt free-ride gedrag op. (Cini, 2003: 104; Moravcsik, 1993: 504; Moravcsik, 1998: 64)
Een laatste determinant is de mogelijkheid tot package deals (Moravcsik, 1995: 612), waarbij vooral de regeringen die sterk verschillen wat de intensiteit van staatsbelangen voor verschillende beleidsdomeinen betreft voordeel kunnen halen uit package deals. (Moravcsik, 1993: 506; Moravcsik, 1998: 65)
Wat vooral moet onthouden worden omtrent internationaal onderhandelen is dat de macht van individuele staten een zeer grote rol speelt wanneer wordt onderzocht wiens belangen meespelen. Logischerwijs wordt bij een analyse over Europese integratie vooral naar de belangen van de grootste staten gekeken, zijnde Frankrijk, Groot-Brittannië en Duitsland. (Cini, 2003: 104, Moravcsik, 1993: 500)
Een laatste fase in de analyse van de Europese Unie is de institutionele delegatie, waarbij regeringen bereid zijn een deeltje van hun soevereiniteit af te staan in een poging de geloofwaardigheid van een akkoord te versterken, of anders gesteld zodat regeringen elkaar kunnen controleren en verplichten gedane akkoorden na te komen.(Moravcsik, 1998: 9)
Meer specifiek onderscheidt Schimmelfennig (2004: 78; Moravcsik, 1993: 507)twee redenen waarom staten een deel van hun soevereinteit gaan overdragen naar door hen opgerichte internationale instituties; een eerste is dat instituties helpen een collectief superieur akkoord te bereiken door het verlagen van de transactiekosten voor verdere onderhandelingen en het reduceren van de onzekerheid over de belangen en gedragingen van andere staten door het verstrekken van de noodzakelijke informatie. Tweede reden is het verlagen van de kosten voor het controleren van staten en het sanctioneren bij niet-uitvoering en een akkoord.
Of een institutie wordt opgericht en de mate van autonomie die zij verkrijgt hangt af van de potentiële voordelen die een akkoord met zich meebrengen; als deze groot zijn, maar de inspanningen van regeringen de uitvoering van het akkoord te verzekeren inefficiënt, dan zal een internationale intitutie worden opgericht. (Moravcsik, 1998: 9; Schimmelfennig, 2004: 80)
Toch hebben deze instituties volgens Moravcsik weinig of geen inspraak bij het tot stand komen van belangrijke EU-akkoorden, en worden hun pogingen mee te onderhandelen zinloos en overbodig geacht. Het is dan ook logisch dat de Raad en de Europese Raad als belangrijkste instellingen worden aangeduid, daar deze eigelijk vooral een forum voor onderhandelen tussen vertegenwoordigers van lidstaten zijn. (Cini, 2003: 105)
Deze fase is echter veel minder relevant voor mijn analyse daar het LI ervan uitgaat dat de Europese Unie het best kan verklaard worden als een set van rationele keuzes gemaakt door nationale regeringen, (Moravcsik, 1998: 18) waarbij alle beslissingen gemaakt binnen de Europese Unie, uiteindelijk een resultaat zijn van onderhandelingen tussen staten. (Cini, 2003: 104) Hoewel instituties als het Europese parlement en de Raad juridisch gezien ook inspraak hebben bij een akkoord tot al dan niet uitbreiding, blijkt het in de praktijk vooral de Europese raad te zijn die haar goedkeuring moet geven. Eens zij haar beslissing heeft genomen volgen de andere instellingen zonder discussie. (Vos, 2005: 11)
Het liberaal intergouvernementalisme en mijn onderzoek
Nu we de grote lijnen van Moravcsiks theorie hebben uitgetekend, kunnen we eens gaan kijken hoe we het onderzoek daarbinnen kunnen plaatsen en welke elementen van de theorie speciaal nuttig zijn voor het in kaart brengen van Europa’s geografische ambities.
Zoals reeds in de inleiding vermeld zullen we de analyse in twee fases laten verlopen waarbij we, analoog met de opdeling die Moravcsik maakt(1993: 482; Fairbrass and Jordan, 2001: 504; Rosamond, 2000: 136 en 137), in een eerste deel op zoek gaan daar de nationale belangen van de staten geconstrueerd door de preferenties van de dominante –meestal economische - groepen in een maatschappij. Daar volgens het LI de meest fundamentele invloed op buitenlandse politiek, zoals reeds eerder in dit hoofdstuk aangegeven, de identiteit van belangrijke sociale groepen, de oorsprong van hun belangen en hun relatieve invloed op binnenlandse politiek zijn (Moravcsik, 1993: 483), lijkt mij een hoofdstuk hieraan wijden een conditio sine qua non opdat mijn onderzoek zou kunnen slagen.
Een tweede fase bestaat erin deze preferenties samen te leggen en aan de hand van onderhandelingstheorieën (zie pagina’s 21 en 22) de mogelijke scenario’s wat de grenzen van de Unie betreft te construeren. Hierbij dient te worden gesteld dat binnen de variatiemogelijkheden met Pareto-efficiëntie, het moeilijk is de uiteindelijk grenzen van de Unie te voorspellen. (Moravcsik, 1993: 504) Daarom zal ik me in dit onderzoek beperken tot het weergeven van de verschillende mogelijke scenario’s, in plaats van te pretenderen het eensluidend antwoord op de onderzoeksvraag te kunnen opstellen.
De premissen en argumenten van het LI die bepalend zijn voor de vorm en inhoud van mijn analyse en bijgevolg een aantal belangrijke keuzes zullen verklaren gemaakt in functie van het onderzoek worden hier nog even op een rijtje gezet.
Zoals de theorie al doet vermoeden zullen vooral de lidstaten van de Unie als de grote actoren worden naar voor geschoven; Europese integratie wordt gezien als een weerspiegeling van belangen van de lidstaten, niet die van de supranationale instellingen. (Cini, 2003: 105; Moravcsik, 1993: 474; Moravcsik, 1998: 1; Schimmelfennig, 2004: 76)
Logisch gevolg hieruit is de klemtoon op de grote intergouvernementele onderhandelingen voor het analyseren en verklaren van de Europese integratie. (Moravcsik, 1998: 1 en 2) Het zullen dan ook deze onderhandelingen zijn, meestal in de hoedanigheid van een Europese Raad, die zullen beslissen over een mogelijke verdere uitbreiding.
Het feit dat lidstaten als belangrijkste actoren worden gezien heeft ook tot gevolg dat de beslissingen genomen in het kader van de Europese Unie de relatieve macht van de lidstaten weerspiegelen, waarbij de grootste lidstaten tot de machtigste spelers worden gerekend (zie pagina 22). In deze analyse zal ik dan ook vooral aandacht hebben voor de belangen van de – economisch gezien - grootste lidstaten. (Cini, 2003: 104 en 105, Moravcsik, 1993: 500)
Verder moet ook nog worden onderstreept dat de nationale belangen een weerspiegeling zijn van een evenwicht tussen de verschillende binnenlandse economische belangen waarbij de regering een gate-keeper rol krijgt tussen de binnenlandse en internationale politiek. (Fairbrass en Jordan, 2001: 504) Het is met andere woorden de regering die beslist welke belangen er uiteindelijk worden verdedigd binnen de Europese Unie.
Natuurlijk kent deze theorie ook een aantal kritieken, maar de meeste zijn minder relevant voor dit onderzoek. Zo is er de opmerking dat de theorie vooral historische beslissingen analyseert (Cini, 2003: 106; Schimmelfennig, 2004: 81), maar zoals in de inleiding vermeld is de beslissing een land op te nemen in de Unie ontegensprekelijk een historisch beslissing, die het aanzien van de Unie grondig verandert en een sterke invloed heeft op het functioneren van de Unie in haar totaliteit. (Vos, 2005: 2)
Een aantal kritieken zijn echter ook in deze context van belang, zo stelt Schimmelfennig (2003: 82) bijvoorbeeld dat Moravcsik te weinig aandacht heeft voor de ‘integratiedynamiek’, zo wordt bijvoorbeeld de invloed van de supranationale instellingen gebagatelliseerd.
Een derde een laatste veelgenoemde kritiek is het overschatten van het belang van economische preferenties, terwijl in realiteit een waaier aan drukkingsgroepen een invloed uitoefenen op de regering en daarbuiten. (Cini, 2003: 106) Deze kritiek sluit aan bij de multilevelsgovernance-theorie, die de staat als een van de vele actoren beschouwt, en niet als centrale structuur binnen het Europese construct. (Fairbrass and Jordan, 2001: 505)
Hoewel deze kritieken niet te onderschatten zijn en zeker een voorwerp voor verder onderzoek kunnen worden, zal ik mijn onderzoek toch baseren op de basisaannames van het LI, daar deze analyse geen falsificatie voor het LI is en ik mij niet bevoegd acht deze theorie zonder verder onderzoek aan te passen.
Na deze korte synthese van het LI, en het onderstrepen van de belangrijkste aannames in het licht van het onderzoek, kan de opbouw van de analyse beter worden begrepen en kunnen keuzes gemaakt in functie van het onderzoek in de juiste theoretische context worden geplaatst. Dit hoofdstuk is met andere woorden de theoretisch-wetenschappelijke fundering voor de verdere analyse. Ik zal dit hoofdstuk dan ook gebruiken als theoretische houvast waarop geregelde ogenblikken zal worden naar teruggegrepen om redeneringen binnen de analyse te duiden en te motiveren.
Op zoek naar de nationale belangen van de Europese lidstaten, beschrijft dit hoofdstuk de sociaal-economische kenmerken van een land en de wijze waarop deze de staatsbelangen inkleuren. Aan de hand van een analyse omtrent de preferenties van de dominante drukkingsgroepen in een maatschappij en de wijze waarop deze door de politieke instituties worden geaggregeerd, zal ik trachten de nationale belangen van de Europese staten in kaart te brengen.
Natuurlijk zullen vooral die staatsbelangen onder de loep worden genomen waar de vraag naar een internationale samenwerking met niet-EU-leden inherent aan verbonden is. We gaan met andere woorden op zoek naar de ‘demand-side’ van de integratie. (zie supra) (Cini, 2003: 103; Moravcsik 1993: 481; Rosamond, 2000: 137) Eens de vraagzijde is uitgetekend, kunnen we vanuit deze gegevens analyseren op welke wijze een uitbreiding van de Unie deze belangen kan beantwoorden.
Specifiek voor de Europese Unie onderscheidt Moravcsik, (1993: 488), zoals reeds in hoofdstuk I aangehaald, drie categorieën belangen die door een internationaal samenwerken op Europees niveau kunnen en worden behartigd. Deze categorieën vormen dan ook een rode draad doorheen dit hoofdstuk.
Een eerste categorie beoogt het liberaliseren van de handel in private goederen en diensten en wordt op Europees niveau vertaald in het streven naar een interne markt. Dit streven naar liberalisatie is de kern van het integratieproject en heel wat Europese beleidsdomeinen zijn ontworpen in een poging te liberaliseren en verstoringen in de markt te elimineren. (Moravcsik, 1993: 488)
Het voorzien in socio-economische publieke goederen is een tweede groep belangen, die waken over de macro-economische stabiliteit, sociale zekerheid, ecologische bescherming, volksgezondheid en een aanvaardbare inkomensverdeling. Een internationale samenwerking zorgt voor de coördinatie van de nationale politiek inzake het corrigeren van de vrije markt en het voorzien in publieke goederen.
Tot slot worden ook op vlak van politieke samenwerking, EU instituties en algemene inkomensoverdrachten belangen gevormd en verdedigd. (Moravcsik, 1993: 494)
Voor elke categorie wordt, na een korte beschrijving van de mogelijke invloed die een uitbreiding heeft op de respectievelijke groep belangen, onderzocht hoe deze belangen door de (machtigste) Europese lidstaten worden ingevuld en wat met andere woorden hun te verdedigen objectieven zijn wanneer aanvragen tot lidmaatschap op de agenda van een Europese top staan.
Ook in dit hoofdstuk ben ik voor het theoretische kaderwerk sterk aangewezen op Moravcsiks essays, toch zal ik waar mogelijk aanvullen met andere theoretische analyses en ook de uitwerking van elk deeltje zal een eigen invulling krijgen.
Alvorens we starten met de analyse staan we nog even stil bij een eerder methodologische keuze gemaakt in het kader van dit onderzoek. In hoofdstuk I werd er reeds op gewezen dat alle belangrijke beslissingen gemaakt in het kader van de Europese Unie de relatieve macht van de lidstaten weerspiegelen, waarbij de –economisch gezien - grootste landen tot de machtigste spelers worden gerekend. (zie hoofdstuk I, p. 22) (Cini, 2003: 105)
Daar de (economisch) kleinere landen duidelijk meer voordelen halen uit een internationale samenwerking, zeker wat de liberalisering en het voorzien in socio-economische publieke goederen betreft, hebben zij een veel zwakkere positie aan de onderhandelingstafel dan de ‘grote’ landen van de Unie. (zie hoofdstuk I, p. 21)(Moravcsik, 1993: 500, Moravcsik, 1998: 63; Moravcsik en Vachudova, 2002: 4) We zullen in deze analyse dan ook vooral oog hebben voor de belangen van die grote lidstaten aangezien deze uiteindelijk de Europese integratie inkleuren.
Welke landen tot het clubje van de ‘groten’ behoren, bepalen we aan de hand van hun bruto binnenlands product als indicator voor de omvang van lands zijn economie. (De Clerq, 2002: 102) Wanneer we tabel 1, waar het bruto binnenlands product voor de verschillende staten is weergegeven, eens overlopen wordt duidelijk dat vier landen een significant grotere economie hebben dan de eenentwintig overige lidstaten, met name Duitsland, Frankrijk, Italië en Groot-Brittannië. De belangen van dit kwartet zullen dan ook onderwerp van onderzoek worden in dit essay.
Voor de volledigheid moet gezegd dat de vier – economisch gezien – grootste landen ook qua bevolkingsaantal de kroon spannen, maar deze samenhang tussen bruto binnenlands product en populatiegrootte zeker geen wetmatigheid is. Veel meer dan bevolkingsaantal is de mate van ontwikkeling een determinant voor de omvang van het bruto binnenlands product. (Cuyvers, Embrechts en Rayp, 2005: 446 tot 448)
Tabel 1: Bruto binnenlands product in marktprijzen en de bevolkingsaantallen in 2004
|
|
BBP in marktprijzen
(miljoen euro)
|
Bevolkingsaantal
(x 10³)
|
|
EU (25 landen) |
10421643.8 |
457189.0 |
|
EU (15 landen) |
9935749.3 |
383047.4 |
|
Eurozone |
7740572.3 |
308974.2 |
|
België |
288089.1 |
10396.4 |
|
Tsjechië |
86786.8 |
10211.5 |
|
Denemarken |
197221.7 |
5397.6 |
|
Duitsland |
2215650.0 |
82531.7 |
|
Estland |
9043.1 |
1351.1 |
|
Griekenland |
168417.2 |
11040.7 |
|
Spanje |
837316.0 |
42345.3 |
|
Frankrijk |
1648368.7 |
60200.0 |
|
Ierland |
148556.5 |
4027.7 |
|
Italië |
1388870.3 |
57888.2 |
|
Cyprus |
12468.7 |
730.4 |
|
Letland |
11144.9 |
2319.2 |
|
Litouwen |
18083.4 |
3445.9 |
|
Luxemburg |
27055.7 |
451.6 |
|
Hongarije |
81115.3 |
10116.7 |
|
Malta |
4276.6 |
399.9 |
|
Nederland |
488642.0 |
16258.0 |
|
Oostenrijk |
237038.6 |
8140.1 |
|
Polen |
203710.6 |
38190.6 |
|
Portugal |
142843.2 |
10474.7 |
|
Slovenië |
26146.3 |
1996.4 |
|
Slowakije |
33118.9 |