Individualiseringstendensen op het spoor. Een onderzoek naar waardeverandering m.b.t. het gezin aan de hand van de EVS-data. (Leen Vandecasteele)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

Vanaf het midden van de jaren tachtig is de term ‘individualisering’ zowel in de sociologische gemeenschap als in het brede maatschappelijke veld pasmunt geworden. De term wordt veelvuldig gebruikt om allerlei ontwikkelingen, gedragingen en opvattingen te karakteriseren. Het sociologisch discours rond individualisering situeert zich echter meestal op een theoretisch niveau. De ruime literatuur rond processen van individualisering is bitter weinig met empirisch materiaal gestaafd.

Deze verhandeling heeft als doelstelling het empirisch gehalte van deze individualiseringstendensen in kaart te brengen. We spitsen ons toe op waardeoriëntaties m.b.t. het gezin en primaire relaties aan het eind van de twintigste eeuw. Daarbij vragen we ons af in welke mate waardeveranderingen in deze periode kunnen gekarakteriseerd worden als processen van individualisering.

 Alvorens met het echte werk van start te gaan buigen we ons in het eerste hoofdstuk over de begrippen waarde en waardeverandering. Aan de hand van de voornaamste literatuur gaan we op zoek naar de basiskenmerken van waarden en stellen we een operationele definitie voor ons onderzoek op. Daarna bekijken we door welke mechanismen waardeverandering wordt gestuurd.

 In het tweede hoofdstuk dan gaan we van start met een schets van de ruime gezinscontext van de tweede helft van de twintigste eeuw. We onderzoeken welke socio-demografische veranderingen hun invloed laten gelden op het gezins- en relatieleven. Daarna wordt het tijd om verder in te gaan op het individualiseringsproces. We trachten de geschetste verandering op het gezinsvlak te kaderen binnen de individualiseringsthese. De laatste jaren kende het discours rond individualisering een ruime verspreiding en toepassing. Wetenschappers, beleidsmensen, journalisten, critici en columnisten allerhande gebruiken het begrip te pas en te onpas om de aan de gang zijnde ontwikkelingen in de samenleving te beschrijven. Het begrip wordt in heel verschillende contexten gebruikt en krijgt niet zelden ook een ideologische lading. Deze ruime verspreiding en toepassing van het begrip, zowel in het wetenschappelijk, het gevulgariseerd wetenschappelijk als het ideologisch taalgebruik kan ervoor zorgen dat men door het bos de bomen niet meer ziet. Een duidelijke afbakening van het concept dringt zich op. Vooral ook met het oog op wetenschappelijk empirisch onderzoek van het proces is dit geen overbodige luxe. Aan de hand van de literatuur van de voornaamste individualiseringstheoretici proberen we het begrip uiteen te leggen in een aantal toetsbare dimensies en processen. Daarbij besteden we ook aandacht aan de veruitwendigingen van het individualiseringsproces op het vlak van gezin en relaties. Als aanvulling op de individualiseringsthese gaan we in het tweede hoofdstuk ook in op enkele economische en structurele verklaringen voor de veranderingsprocessen die zich vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw in de gezinscontext afspelen.

 Na deze twee eerder theoretische hoofdstukken kunnen we aan de slag voor het empirisch onderzoek. We onderzoeken in welke mate we de verschillende aspecten, veruitwendigingen en processen verbonden aan het individualiseringsconcept in onze data terugvinden. De onderzoeksgegevens vormen de drie Belgische datasets van de European Value Studies. Met behulp van deze datasets kunnen waardeveranderingen tussen 1981, 1990 en 1999 in kaart gebracht worden.

Hoofdstuk vier heeft als doel via beschrijvende statistieken het individualiseringsconcept te verkennen in de data. We gaan op zoek naar de drie basisdimensies van individualisering: zelfontplooiing, keuzevrijheid en detraditionalisering. Daarnaast worden ook de veruitwendigingen van individualisering op het gezinsvlak behandeld. We toetsen of de nieuwe geïndividualiseerde waardeoriëntatie doorgedrongen is in de opvattingen over man-vrouwrollen, succesfactoren voor een geslaagd huwelijk en in de opvoedingswaarden. Belangrijk bij dit alles is dat we nagaan in welke mate het geïndividualiseerde denken toeneemt in de bestudeerde periode. Daarnaast gaan we in op de samenhang tussen de verschillende bestudeerde gezinswaarden. Eén van de uitingsvormen van het individualiseringsproces is namelijk de fragmentering van waarden. Omdat opvattingen in toenemende mate onderhevig zijn aan persoonlijke beslissingen zouden waarden minder samenclusteren tot herkenbare patronen. Algemeen wordt verondersteld dat de gezinswaarden traditioneel sterk samenclusterden. Een samenhangende ideologie omtrent huwelijk, voortplanting, seksualiteit en geslachtsrollen kenmerkte het tradtionele gezinsethos. We onderzoeken of de samenhang tussen de verschillende gezinswaarden gedurende de laatste twee decennia van de twintigste eeuw verzwakt.

 In hoofdstuk vijf dan wordt het effect van sociale kenmerken op waardeoriëntaties bestudeerd. We onderzoeken of we bepaalde trendsetters kunnen terugvinden bij de nieuwe geïndividualiseerde waardeoriëntatie en in welke mate er sprake is van een diffusie-effect. Enkele auteurs in het individualiseringsdebat gaan er nogal gemakkelijk vanuit dat het effect van achtergrondvariabelen vermindert over de tijd. Omdat de waardeoriëntatie meer en meer het voorwerp wordt van individuele keuzevrijheid zouden ze minder voorspeld kunnen worden door sociale collectiviteiten waartoe individuen behoren. Deze theoretische veronderstellingen zijn echter zelden of nooit empirisch onderbouwd. Onze data bieden de ideale gelegenheid om empirische evidentie voor dit zogenaamde privatiseringsproces te zoeken. Daarnaast wordt in dit hoofdstuk eveneens uitgezocht op welke manier we inzicht kunnen krijgen in de mechanismen van leeftijd- generatie- en periode-effecten. We vragen ons af of het effect van leeftijd dat algemeen teruggevonden wordt in waardeonderzoek terug te brengen is tot de generatie waartoe een persoon behoort of eerder een aanduiding is van de levensfase waarin een bepaald individu is terecht gekomen. Een derde mogelijkheid is dat vooral de periode waarin men leeft doorslaggevend is voor de waardeoriëntatie van een persoon en dat waardeverandering die met de leeftijd lijkt mee te gaan vooral verklaard wordt door de periode. We zoeken een manier om deze effecten van leeftijd, generatie en periode te onderscheiden.

 In het besluit vatten we de theoretische inzichten en de belangrijkste resultaten van het onderzoek samen en formuleren we een aantal conclusies.

 

 

Hoofdstuk 1. Een waardeonderzoek

 

In de verhandeling pogen we op zoek te gaan naar veranderingen in waardeoriëntaties. Het is dan ook interessant in dit eerste hoofdstuk even stil te staan bij het begrip waarde en een operationele definitie voor ons onderzoek op te stellen. In een tweede paragraaf spitsen we ons specifiek op waardeverandering toe. We onderzoeken wat de literatuur ons leert over de mogelijkheid van waardeveranderingen en bekijken enkele mechanismen van waardeverandering.

 

 

1. Het begrip waarde geconceptualiseerd[8]

 

Over wat waarden precies zijn bestaat niet één algemeen geldende definitie. Er bestaan grondige meningsverschillen en het lijkt wel alsof iedereen voor zich afzonderlijk uitmaakt wat onder het begrip valt. Sociologen, psychologen en filosofen verwoorden elk vanuit hun eigen discipline veel uiteenlopende interpretaties. Zo is bekend dat Lautman, iemand die zich uitgebreid met deze definiëring beziggehouden heeft, bij het doornemen van 4000 boeken en artikels op zowat 180 verschillende definities gestoten is (Halman, 1991, p. 20). Zoals te begrijpen valt is het in het bestek van deze verhandeling niet de bedoeling om een exhaustieve beschrijving te geven van alle verschillende definities en interpretaties. Wel zullen we proberen uit enkele veelgebruikte definiëringen uit de sociale wetenschappen gemeenschappelijke elementen te halen om op die manier tot een operationele definitie voor ons onderzoek te komen.

 

1.1. Opvattingen over het wenselijke

 

Waarden zijn opvattingen over het wenselijke. Het is interessant een onderscheid te maken tussen ‘wens’ en ‘wenselijk’, tussen ‘desire’ en ‘desirable’. Bij ‘desire’ gaat het om een wens, een voorkeur, de term ‘desirable’ voegt daar een morele lading aan toe. Bij wenselijkheden gaat het om principes, idealen, deugden… De term verwijst naar ideologie en wordt in termen van het ermee eens zijn of goed en kwaad geëvalueerd. Het gaat niet langer om wat ‘I want’, maar om wat ‘I ought’, wat ik zou moeten betrachten. Een waarde mag niet gelijk gesteld worden met een wenselijkheid, met iets wat wenselijk is, maar moet veeleer gezien worden als een opvatting over het wenselijke.

 

1.2. Zowel subjectief als afspiegeling van het collectieve

 

Becker, Van Enckevort en Enschedé stellen dat er grofweg twee visies op waarden zijn (Becker, J.W, e.a., 1983, pp. 16-17). De ene visie ziet waarden vooral vanuit het individu en koppelt het waardebegrip aan behoeftebevrediging en motivatie. Volgens een andere opvatting zijn waarden vooral te beschouwen op het algemene niveau van de samenleving en zijn ze meer verbonden met doeleinden, richtlijnen voor gedrag en een evaluatie van gedrag. Volgens de auteurs houden deze twee groepen van opvattingen nauw verband met elkaar en is het verschil ertussen vaak analytisch van aard. Duidelijk is dus dat er bij het definiëren van het waardebegrip blijkbaar twee aspecten naar voor komen: het individuele en het sociale. Verschillende auteurs geven aan dat we om de notie ‘waarde’ volledig te kunnen vatten zowel rekening moeten houden met het individuele als met het sociale aspect. Volgens Waeghe zijn waarden enerzijds de uitdrukking van de wensen van de actor zelf en anderzijds onderworpen aan de normen die gelden in de interactie (Waeghe, 1997, pp. 55-56). Ook Van Deth en Scarbrough proberen de twee componenten te verzoenen door ervan uit te gaan dat individuen tot hun waarden komen via participatie in een groep of gemeenschap (Van Deth & Scarbrough, 1995, pp. 33-37). De band tussen het individuele en het sociale karakter van waarden moet nog even toegelicht worden. Zowel Parsons als Durkheim geven aan dat waarden duidelijk iets anders zijn dan een optelling van individuele preferenties of de zoektocht naar een gemene deler (Waeghe, 1997, p. 56). Volgens Parsons zijn waarden wenselijkheden die op vele concrete situaties betrekking hebben en dus een algemeen karakter hebben. Het algemeen karakter van waarden betekent echter niet dat een bepaalde waarde ‘algemeen geldig’ is en dus door iedereen aangehangen wordt. Niet alle mensen hoeven een bepaalde waarde aan te hangen of in dezelfde mate aan te hangen (Becker, J.W. e.a., 1983, pp. 18-19). Ook Durkheim benadrukt dat mensen niet alle aspecten van collectieve voorstellingen moeten onderkennen opdat het om sociale data zou gaan (Waeghe, 1997, p. 56).

 

1.3. Een ‘onobserveerbaar’ karakter

 

Waarden zijn niet empirisch observeerbaar. Ze verschijnen ons niet als objecten maar eerder als a priori ‘s die niet observeerbaar of meteen meetbaar zijn.

Deze zienswijze brengt enkele vragen met zich mee. In de eerste plaats moeten we ons afvragen welke status waarden dan wel hebben als we aannemen dat ze geen empirisch observeerbare entiteiten zijn. Waarden worden opgevat als onderliggende oriëntaties die het gedrag en de attitudes van individuen kunnen sturen in een specifieke context. Het zijn hypothetische constructen die als zodanig niet empirisch waarneembaar zijn. Ze nemen de vorm aan van disposities en in die zin wordt de betekenis van waarden alleen duidelijk in een specifieke context (Van Deth & Scarbrough, 1995, p. 38). Hoe de relatie tussen waarden, attitudes en gedrag precies opgevat moet worden, wordt in de volgende paragraaf uitgelegd.

Ook voor de onderzoeker die waarden wil meten, duiken vragen op. Als waarden niet observeerbaar zijn, moeten we ons de vraag stellen hoe we er dan op een empirische wijze uitspraken over kunnen doen. Hoe kunnen we verbale uitspraken in een survey-interview als een uitdrukking van waarden zien? Sommige auteurs beweren dat waarden alleen maar kunnen worden achterhaald door mensen er rechtstreeks naar te vragen. Deze zienswijze is echter nogal moeilijk houdbaar want vaak is men zich zijn eigen waarden niet eens bewust of het is te moeilijk die onder woorden te brengen. Over het algemeen is men het er dan ook over eens dat het meten van waarden slechts op een indirecte manier kan gebeuren. Waarden kunnen worden afgeleid uit uitspraken van mensen of uit teksten via een inhoudsanalyse. Survey-onderzoekers meten attitudes en men neemt aan dat die in een bepaalde richting gestuurd worden door achterliggende waarden. Bij het analyseren van survey-onderzoek kunnen we nu op zoek gaan naar een welbepaald patroon in de antwoorden van mensen op een aantal attitudevragen. Dergelijk patroon noemen we een waardeoriëntatie. De statistische technieken die daarvoor gebruikt kunnen worden, worden dikwijls aangeduid met de term latente structuurmodellen (Becker, J.W. e.a., 1983, pp. 22-24; Van Deth & Scarbrough, 1995, pp. 37-42).

 

1.4. Attitudes en gedrag : een complexe relatie

 

In vrijwel alle definities van waarden komt de band met gedrag op één of andere manier tot uitdrukking. Waarden zouden een invloed hebben op de handelingen van individuen. Hoe die invloed zich manifesteert, is in eerste instantie niet helemaal duidelijk. We kunnen niet spreken van een directe relatie tussen een waarde en een concrete handeling. Zo is het bijvoorbeeld nogal moeilijk om aan te geven welk gedrag met de abstracte waarde ‘schoonheid’ overeenstemt. De afstand tussen waarde en gedrag is als het ware te groot. De invloed van waarden op gedrag kunnen we wel begrijpen via de tussenliggende attitude. Een attitude of houding wordt gelokaliseerd in het individu (Becker, J.W. e.a., 1983, p. 19) en wordt opgevat als een predispositie tot gedrag. In die zin liggen attitudes ‘dichter’ bij het concrete gedrag van individuen. Waarden nu kunnen beschouwd worden als elementen ‘achter’ attitudes. Een patroon in de antwoorden op enkele attitude-items in een survey wijst erop dat een onbserveerbaar fenomeen of proces aan het werk is. We gebruiken dus het onobserveerbaar concept waarde om een niet-empirisch fenomeen te verklaren. (Van Deth & Scarbrough, 1995, pp. 29-41)

Bovenstaande uiteenzetting moet op een paar punten genuanceerd en verduidelijkt worden. In de eerste plaats moet duidelijk gemaakt worden dat de relatie waarde-attitude-gedrag niet opgevat mag worden als een éénrichtingsverkeer in de zin dat waarden altijd aan de basis liggen van attitudes en attitudes op hun beurt het concrete gedrag richting geven. Zoals Festinger met zijn onderzoeken bewezen heeft, kan de invloed evengoed andersom gelden, als bijvoorbeeld een individu eerst een gedrag stelt en later op basis van dat gedrag een bepaalde attitude en waarde gaat aanhangen. (Nuttin, 1999, pp. 196-204 en pp. 220-237). Ten tweede kunnen we samen met de psychologen Fishbein en Ajzen stellen dat waarden slechts één van de componenten zijn ter verklaring van gedrag. Daarnaast zijn ook de concrete context van het handelen belangrijk, de normen van de groep… (Nuttin, 1999, pp. 204-205). Ten slotte is het is ook mogelijk dat een persoon verschillende elkaar tegenstrijdige waarden hanteert, denken we maar aan de rationele onverzoenbaarheid van de waarden vrijheid en gelijkheid. (Becker, J.W. e.a., 1983, pp. 18-19)

De band tussen waarden en gedrag is zeker niet onbetwist gebleven! Sommige auteurs probeerden aan te tonen dat de overeenstemming tussen waarden van individuen en hun gedrag gebrekkig is. Interessant in het kader van ons onderzoek zijn de bevindingen van Huismans waaruit bleek dat veranderende waarden m.b.t. vrouwenemancipatie en wonen niet altijd concrete houdingen van mensen veranderden (Becker, J.W. e.a., 1983, pp. 26-27). Barber, Axinn en Thornton (Barber, Axinn & Thornton, 2000) besluiten dan weer dat er een sterke relatie bestaat tussen attitudes en waarden enerzijds en gedragingen m.b.t. gezinsvorming, onderwijs, loopbaan, consumptie… anderzijds. Zo werd aangetoond dat wie positief staat t.o.v. huwen en het krijgen van kinderen ook op jongere leeftijd zal kiezen voor het huwelijk en kinderen. Een positieve attitude m.b.t. de uitbouw van een carrière remt het huwen, huwelijksvruchtbaarheid en voorhuwelijkse geboorten af, maar deze attitudes bevorderen het samenwonen.

 

 

2. Verandering in waardeoriëntaties

 

2.1. Is waardeverandering mogelijk?

 

Volgens Felling, Peters en Scheepers mogen we de snelheid van waardeveranderingen niet overschatten. Waardeoriëntaties worden over het algemeen gekenmerkt door een relatief grote continuïteit en stabiliteit. Ze kunnen weliswaar veranderen, maar deze veranderingen gaan langzaam omdat we te maken hebben met historisch gegroeide collectieve opvattingen over wat goed en belangrijk is. Waarden behoren tot de culturele inventaris van een samenleving (Felling, Peters & Scheepers, 2000, pp. 100-101).

Becker vraagt zich af of geheel nieuwe waarden wel zo vaak ontstaan. Waardeverandering heeft volgens hem meer te maken met het op de voor- of achtergrond treden van bepaalde waarden of de aanpassing ervan. Volgens hem zijn er drie omstandigheden waarin waarden kunnen veranderen. Ten eerste gaan mensen hun waarden veranderen wanneer ze inconsistenties tussen waarden ontdekken, de verandering gebeurt zodanig dat de inconsistentie verdwijnt. Een tweede geval waarbij we van waardeverandering kunnen spreken, is wanneer personen nieuwe informatie krijgen, vooral als die uit prestigieuze bron afkomstig is. Wanneer iemand, ten derde, in een situatie terechtkomt waarin hij/zij zich afwijkend van zijn waarden moeten gedragen, gaat die persoon heel dikwijls ook zijn waarden aanpassen aan de nieuwe situatie. Dit gebeurt om de spanning te reduceren die de nieuwe situatie met zich meebrengt. Waardeverandering manifesteert zich in een veranderende intensiteit van de waardeaanhang, veranderende centraliteit, meer of minder institutionalisering van de waarde… (Becker, J.W. e.a., 1983, pp. 24-26).

 

2.2. Mechanismen van waardeverschuivingen.

 

We kunnen de doorbraak van nieuwe waarden ten eerste begrijpen als een uitdrukking van de trendsetter- en diffusietheorie. Volgens de trendsetterhypothese zijn bepaalde sociale groepen trendsetter bij het doorzetten van één of andere ontwikkeling. Dat zijn de groepen die het meest betrokken zijn bij die ontwikkeling. De diffusietheorie dan stelt dat andere sociale groepen de trend in een later stadium overnemen. Dit kan resulteren in een inhaaleffect als de oorspronkelijke trendsetters niet nog verder evolueren of in tegengestelde richting veranderen (Middendorp, 1979, pp. 170-171).

Ten tweede moeten we bij het vergelijken tussen groepen een onderscheid maken tussen richting en tempo van de waardeverandering. Een verschil in de richting van het veranderingsproces treedt op wanneer bij bepaalde groepen in de samenleving een waardeoriëntatie sterker wordt, terwijl die bij andere groepen niet verandert of zwakker wordt. Een tempoverschil betekent dat bepaalde oriëntaties bij de ene groep in mindere of meerdere mate sterker of zwakker wordt dan bij andere groepen.

Het is ten derde ook belangrijk inzicht te krijgen in de mechanismen van cohorten-, leeftijds- en periode-effecten (Kerkhofs e.a., 1992, p. 35; Dobbelaere e.a., 2000, pp. 222-223; Hagenaers, 1998, pp. 211-215; Becker, H.A., 1991b; Lesthaeghe & Surkyn, 1988, pp. 17-23). Een eerste patroon is de situatie waarbij het cohorteneffect domineert. Een cohorte of generatie is een groep mensen die in eenzelfde periode geboren zijn. Men gaat ervan uit dat elke cohorte tijdens de socialisatie in een gemeenschappelijke periode de eigen opinies vormt en dat deze gedurende de rest van het leven min of meer gelijk blijven. Natuurlijk zijn er binnen de cohorte personen bij wie de waarden in de ene of de andere richting evolueren, maar gemiddeld genomen blijft de waardeoriëntatie van een cohorte over de tijd stabiel. Waardeverandering in de maatschappij treedt op wanneer nieuwe generaties aantreden en oude generaties uitsterven. Bij een model waarin het leeftijdseffect primeert daarentegen veranderen waarden van personen over de levensloop. Naarmate personen verouderen nemen ze de waardeoriëntaties van hun voorgangers over. De verschillende fasen van de levensloop (bijvoorbeeld: studententijd, huwelijk en ouderschap of pensioen) zijn van doorslaggevend belang bij het bepalen van de waarde. Omdat de jongere generaties op het vlak van waarden telkens slechts de plaats van hun voorgangers innemen blijft het gemiddelde van de hele samenleving ongeveer constant. Ten slotte onderkennen we het periode-effect waarbij de hele samenleving op een bepaald ogenblik een waardeverschuiving doormaakt als gevolg van de omstandigheden waarin ze terechtkomt.

 

 

3. Besluit: een operationele definitie

 

Uit de literatuurstudie kunnen we nu een waardedefinitie opstellen die we zullen hanteren voor ons onderzoek. Waarden zijn opvattingen over het wenselijke die niet meteen observeerbaar zijn. Ze hebben een morele connotatie en wijzen op ‘wat zou moeten’. In het waardebegrip verzoenen we een collectieve en een individuele dimensie. We concipiëren waarden als hypothetische, onderliggende constructen die attitudes in een bepaalde richting sturen, attitudes zijn op hun beurt de onmiddellijke voorlopers van gedrag. De invloed kan ook omgekeerd gelden in de zin dat attitudes of gedrag waarden gaan sturen. Het bewijs voor empirische evidentie van waarden is het feit dat we een bepaald patroon kunnen vinden in de antwoorden op een aantal attitudevragen, dit patroon noemen we een waardeoriëntatie. Wanneer we het dan over waardeverandering hebben benadrukken zowel Becker als Felling e.a. dat waardeverandering in de zin van het ontstaan van nieuwe waarden die de oude vervangen niet zo vaak voorkomt. Omdat waarden tot de culturele inventaris van een collectiviteit behoren is dit eerder een traag proces. Volgens Becker manifesteert de waardeverandering zich op individueel niveau meestal door het op de voor- of achtergrond treden van bepaalde waarden. Nieuwe waarden vinden vaak ingang volgens het mechanisme van de trendsetter- en diffusietheorie. Tussen verschillende sociale groepen kan een verschil in tempo en richting optreden.

 

 

Hoofdstuk 2. Een onvoorstelbare omwenteling in de gezinscontext

 

In deze verhandeling gaan we in op individualiseringstendensen in de gezinssfeer. Om de waardering voor gezinsaspecten goed te begrijpen, is het echter noodzakelijk de brede gezinscontext in overweging te nemen. Daarom geven we in wat volgt eerst een beschrijving van de socio-demografische processen die zich vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw binnen gezinnen afgespeeld hebben. In tweede instantie kaderen we deze demografische processen in de individualiseringsthese. We gaan in op het individualiseringsproces en de gevolgen voor de gezinssfeer. Ten slotte bekijken we hoe in economische en structurele theorieën tegen deze veranderingen aangekeken wordt.

 

 

1. Een afbrokkeling van het traditionele gezinspatroon: de tweede demografische transitie onder de loep !

 

Na de eerste wereldoorlog viert de traditionele gezinsvorming hoogtij. Trouwen, en liefst jong is de boodschap! Eens het gezin gesticht, komen er al vlug meerdere kinderen in huis. Er is sprake van een babyboom die tot ongeveer het midden van de jaren ‘60 geduurd heeft. Deze situatie is het gevolg van een ontwikkeling die al zichtbaar werd bij de overgang naar het industriële tijdperk: een voortdurende vermindering van de belemmeringen die het aangaan van een huwelijk in de weg konden staan. Een bloeiende economie zorgt voor een gunstige arbeidsmarkt, waardoor men zich het huwelijk en het krijgen van kinderen kan veroorloven. Ook de overheidsmaatregelen voor gezinsondersteuning zijn een incentive om een gezin te vormen. In het traditionele gezinstype horen liefde, seksualiteit, huwelijk en voortplanting noodzakelijk samen. Een huwelijk wordt gesloten op basis van liefde en voor het hele leven. Seksualiteit is voorbehouden aan gehuwden en het krijgen van kinderen is daar een vanzelfsprekend gevolg van. Er is ook een grote invloed van de kerk en het geloof op de manier waarop aan het gezinsleven uiting wordt gegeven. De Parsoniaanse conceptie van de ideale gezinsvorm is het meest populair. Bij deze gezinsvorm is er een sterke functiedeling voor man en vrouw: de man is kostwinner en zijn taken liggen dan ook buiten het gezin, terwijl de vrouw gericht is op het huishouden, de kinderen en affectieve taken binnen het gezin. (van den Elzen, 1998, p. 48; Halman, 1991, p. 187; Zwaan, 1993, pp. 240-264).

Het toppunt van het succes van dit gezinspatroon is tegelijkertijd de aanzet van ingrijpende veranderingen. Vanaf de jaren ‘60 is er sprake van een dalende huwelijks- en hertrouwintensiteit, een toenemende echtscheidingskans en een toename van de pluriformiteit van leefvormen (Van den Troost, 2000, p. 132). Daarnaast doet zich een daling voor van het geboortecijfer, in sommige Westerse landen zelfs tot onder het vervangingsniveau (van den Elzen, 1996, p. 30). Het geheel van deze veranderingen wordt door sommige auteurs aangeduid als de ‘tweede demografische transitie’ (Lesthaeghe, 1987). Hieronder bespreken we deze veranderingen één voor één wat meer in detail.

 

1.1. Dalende huwelijksintensiteit en stijgende echtscheidingscijfers

 

In alle hooggeïndustrialiseerde landen doet zich een sterke daling van de huwelijksintensiteit voor. Tussen 1980 en 1998 daalde het huwelijkscijfer in Vlaanderen van 39.000 tot 25.000 (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Algemene Zaken en Financiën, Afdeling Algemene Administratieve diensten, 1999). Het huwelijk lijkt dus minder populair te worden. Welke tendensen kunnen we hierin onderscheiden? Jongeren blijken de stap naar het huwelijk minder vroeg te zetten, er is een stijging waar te nemen van de gemiddelde huwelijksleeftijd. Het huwelijk geldt minder als collectief teken van volwassenheid en wordt maatschappelijk ook minder vereist. Daarnaast is het huwelijk ook niet meer noodzakelijk voor het aangaan van een liefdesrelatie met het andere geslacht en voor het onderhouden van seksuele betrekkingen. De ‘heilige viereenheid’ huwelijk, voortplanting, liefde en seksualiteit werd losgekoppeld. Dit heeft tot gevolg dat ook minder vaste relatievormen mogelijk worden, zonder zich direct te binden in een huwelijk. Ook andere samenlevingsvormen, zoals ongehuwd samenwonen, al dan niet als voorbereiding op het huwelijk worden populair. Maar uitstel van het huwen betekent voor de meesten geen afstel. Het huwelijk blijft een belangrijk levensideaal, al vermindert deze visie onder de jongste generatie. Bij een groter wordende groep wordt de stap naar het huwelijk dan ook niet meer gezet. Ongehuwd samenwonen lijkt daar een interessant alternatief te zijn. (Zwaan, 1993, pp. 262-263)

Er worden niet alleen minder huwelijken gesloten, een huwelijk wordt ook vaker dan vroeger weer ontbonden. In 1970 waren er in België 6.400 echtscheidingen, dit aantal steeg tot 27.000 in 1997. Eén vierde à één derde van de huwelijken eindigt via een echtscheiding (Lammertyn e.a., 2001, p. 29). Het huwelijk kent dus duidelijk een verminderde stabiliteit en duurzaamheid. Mensen trouwen wel, maar blijven in veel mindere mate bij elkaar tot de dood van één van de twee partners een einde maakt aan het huwelijk. Het aantal gescheidenen dat hertrouwt, was lange tijd groter dan de helft. Vanaf het midden van de jaren zeventig is ook bij deze groep de huwelijksintensiteit verminderd.

 

1.2. Nieuwe leefvormen

 

We hebben al even het ongehuwd samenwonen aangehaald. Deze vorm van samenleven heeft een grote opmars gekend: op 10 jaar tijd is het aantal 21-24-jarige vrouwen dat ongehuwd samenwoont, gestegen van 4 tot 8% (Lammertyn e.a., 2001, p. 29). Tussen 1992 en 1996 schommelde het ongehuwd samenwonen tussen de 7,1% en 9,7% (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Algemene Zaken en Financiën, Afdeling Algemene Administratieve diensten, 2000). In de jaren ‘60 werd deze vorm van samenleven nog concubinaat genoemd en algemeen veroordeeld, terwijl het nu een leefvorm is die in wijd verbreide kring aanvaard en bekend is. Het ongehuwd samenwonen kan een premaritaal of postmaritaal karakter hebben, ofwel komt het voor als alternatief voor het huwelijk. Premaritaal samenwonen betekent dan samenwonen voorafgaand aan en als voorbereiding op het huwelijk. Postmaritaal samenwonen komt voor wanneer gescheiden mensen opnieuw samenwonen met een (andere) partner. In het algemeen wordt aangenomen dat het samenleven meer als een fase voorafgaand aan het huwelijk beschouwd moet worden. Het is geen echt alternatief, maar het gaat vaak om een soort proefhuwelijk. Het ongehuwd samenwonen neemt af als de leeftijd toeneemt en vooral als er kinderen komen, kiezen veel samenwoners alsnog voor het huwelijk (Halman, 1991, p. 186). Daarentegen stellen Matthijs en Van den Troost (Matthijs & Van de Troost, 1998, p. 113) dat ongehuwd samenwonen toch een alternatief voor het huwelijk wordt. Het is vooral een stedelijk fenomeen dat zich vaker voordoet bij vrijzinnigen en ongelovigen dan bij katholieken (Nuelant, 1999, p. 241).

Niet alleen het ongehuwd samenwonen, maar ook het alleen wonen is toegenomen. Of men uit vrije wil kiest voor het alleen zijn moet echter betwijfeld worden. Ook voor het alleenstaand ouderschap wordt slechts door een gering aantal mensen vrijwillig gekozen. Vaak zijn de alleenwoners oudere vrouwen die hun man verloren hebben en het leven nu alleen verder zetten (Zwaan, 1993, pp.256-262 ; Lammertyn e.a., 2001, p. 30).

Een andere verandering op het vlak van leefvormen zijn de zogenaamde stiefgezinnen of nieuw samengestelde gezinnen, die gevormd worden wanneer één van de twee partners na de scheiding opnieuw een gezin sticht. In een stiefgezin is minstens één kind niet het biologische kind van één van de ouders. Kinderen uit een vorige relatie of huwelijk zijn dus de bepalende factor. Vroeger ontstonden stiefgezinnen vooral door hertrouw na verweduwing, nu is dat anders en ontstaat deze gezinsvorm vooral door hertrouw of ongehuwd samenwonen na (feitelijke of wettelijke) scheiding (Van Bavel, 1995, p. 222). De relaties binnen nieuw gevormde gezinnen worden complex: mijn kinderen, uw kinderen, onze kinderen met de daaraan verbonden verschillende regelingen, gevoeligheden en conflicten (Lammertyn e.a., 2001, p. 29).

 

1.3. Vruchtbaarheid en seksualiteit

 

Vanaf het midden van de jaren ‘60 is een sterke afname van het aantal geboorten te constateren. België heeft de overgang doorgemaakt van een land met een relatief hoge vruchtbaarheid (in Westers perspectief) naar een land met een lage vruchtbaarheid. De breuk ligt in het begin van de jaren ‘70 toen het vruchtbaarheidscijfer onder het vervangingsniveau van 2,1 kinderen per vrouw duikelde (Lammertyn e.a., 2001, p. 29). Deze nooit eerder voorgekomen demografische kentering heeft enorme gevolgen op bevolkingssociologisch vlak: denken we maar aan de verschijnselen ontgroening en vergrijzing. De daling van de vruchtbaarheid gaat ook gepaard met een uitstel van de geboorte van het eerste kind. In België is de leeftijd van de moeder bij de geboorte van haar eerste kind gestegen van 24 jaar in 1970 tot 26 jaar en 9 maand in 1992. In het Vlaams Gewest was de gemiddelde leeftijd van de moeder bij de geboorte van haar eerste kind in 1996 gestegen tot 27,2 jaar (D’Hondt – Van Opdenbosch, P., 1997). De toegenomen scholingsgraad van vrouwen en daaraan gekoppeld de toegenomen buitenshuise tewerkstelling van vrouwen vanaf de jaren ‘60 zijn belangrijke verklaringsfactoren voor deze vruchtbaarheidsdaling.

De sterke daling van de vruchtbaarheid vanaf het midden van de jaren ‘60 wijst op het ontstaan van wat demografen wel eens de ‘perfect anticonceptionele samenleving’ genoemd hebben. Anticonceptiva zijn in grote getale beschikbaar, zeer effectief en het gebruik ervan is algemeen aanvaard. Wat lange tijd in handen van de natuur geweest is, het aantal kinderen, het tijdstip en de planning ervan, is nu een kwestie van ‘cultuur’, van keuze (Zwaan, 1993, p.249). We kunnen dus spreken van een loskoppeling van seksualiteit en voortplanting. Seksualiteit heeft een zelfstandiger positie verworven en wordt ook positiever gewaardeerd. Lustbeleving is een nastrevenswaardig doel geworden en seksualiteit is meer gericht op individuele persoonsontwikkeling, daar waar het vroeger meer gezinsgericht was. Vooral vrouwen zijn nu meer dan ooit in staat een eigen seksueel leven te leiden zonder telkens het risico op zwangerschap. (Zwaan, 1993, p. 272; Lammertyn e.a., 2001, p. 30)

In dit kader eveneens belangrijk is de sterke toename van het aantal buitenechtelijke geboorten. Dit wijst op een loskoppeling tussen huwelijk en voortplanting.

 

 

2. Theoretische kadering in de individualiseringsthese

 

In navolging van Beck e.a. kunnen we de socio-demografische veranderingen zien als een uitdrukking van het voortschrijdend individualiseringsproces. Individualisering betreft de waarden, normen, opvattingen… over hoe een individu aan zijn/haar levensloop en het samenleven met andere mensen vorm geeft. Het heeft zijn repercussies op tal van deeldomeinen van het maatschappelijk leven. Hieronder gaan we iets dieper in op het fenomeen individualisering en we proberen het te kaderen in de bredere modernisering. We bekijken ook de gevolgen voor het gezin en vragen ons af of de trends in de hele samenleving in dezelfde mate zichtbaar zijn. Ten slotte proberen we, met het oog op empirische operationalisatie, de verschillende aspecten van individualisering op een rijtje te zetten.

 

2.1. Individualisering: het begrip verkend

 

Het containerbegrip individualisering wordt in de literatuur en ook in de dagelijkse omgang frequent gebruikt om allerhande houdingen, gedragingen en tendensen te verklaren, maar dikwijls wordt daarbij vergeten het begrip duidelijk te omlijnen. Hier zullen we daar een poging toe ondernemen. Na een literatuurstudie besluiten we tot drie basiskenmerken: detraditionalisering, keuzevrijheid en zelfontplooiing.

Detraditionalisering is het proces dat wordt gekenmerkt door de verminderde invloed van traditionele instituties en een relativering van traditionele waarden en normen. Individuen distantiëren zich in toenemende mate van de kerk, het huwelijk, politieke partijen, vakbonden… Dit uit zich in een verminderde participatie aan of lidmaatschap van die instituties, maar ook de daarbij horende waarden en normen boeten aan betekenis in. Door de staat, religie of traditie opgelegde rolpatronen of referentiekaders storten in. Of zoals Lammertyn het beschrijft: ‘ Het feit geboren te zijn in een katholiek gezin verplicht mensen niet langer voor de CVP te stemmen, zich aan te sluiten bij alle takken van het ACW, naar de K.U.Leuven te gaan… stuk voor stuk zaken die vroeger min of meer voor de hand lagen’ (Lammertyn e.a., 2001, p. 20). Beck duidt ook op het feit dat de kracht uitgaande van sociale categorieën zoals klasse en gender aan het teruglopen is (Beck & Beck-Gernsheim, 1996, pp. 24).

Individualisering kenmerkt zich ten tweede door een toegenomen keuzevrijheid voor individuen. Dit tweede aspect van individualisering hangt sterk samen met het eerste. Wanneer waarden niet meer bepaald worden door traditionele instituties zoals de kerk worden individuen daar zelf verantwoordelijk voor. De nadruk wordt gelegd op de autonomie van een persoon en het maken van eigen keuzes. Op vele domeinen is deze keuzemogelijkheid gegarandeerd; het individu kan daar actief op inspelen en zelf zijn/haar biografie uitschrijven. Meer nog, het individu wordt verwacht, zelfs verplicht zelf zijn/haar leven vorm te geven: de keuzemogelijkheid wordt een keuzedwang. Iedereen wordt de ontwerper van zijn/haar eigen biografie. Beck spreekt van een overgang van de gestandaardiseerde biografie naar een keuzebiografie, een reflexieve biografie, een do-it-yourself biografie (Beck & Beck-Gernsheim, 1996, p. 25).

Ten derde wordt in het individualiseringsdiscours door een aantal auteurs uitgebreid aandacht besteed aan de nadruk op zelfontplooiing (van den Elzen, 1996, p. 30). Eén en ander kan bekeken worden vanuit de ideeën van Maslow en Inglehart. Maslow vertrekt van een behoeftehiërarchie van motivaties. Van zodra de fysische behoeften en de behoefte aan zekerheid vervuld zijn, treedt een verschuiving op naar de psychische behoefte aan erkenning en zelfontplooiing. Maslows theorie vormt de directe grondslag voor Ingleharts schaal van materialisme en postmaterialisme. Een materialistische oriëntatie wordt gekenmerkt door de hoge prioriteit die toegekend wordt aan fysische en economische veiligheid en aan economische groei. Postmaterialisme legt de nadruk bij aspecten van sociale emancipatie en persoonlijke ontwikkeling (Lesthaeghe & Meekers, 1987, p. 141).

Individualisering is niet een gegeven dat zomaar uit het niets ontstaan is. Zoals hieronder aangetoond zal worden, kadert het in de bredere moderniseringscontext. Er zijn ook een aantal concrete oorzaken en mogelijkheidsvoorwaarden voor het proces aan te geven. Een eerste belangrijke voedingsbodem is de algemene verhoging van de levensstandaard die de materiële mogelijkheid biedt voor het loskomen van de traditionele levensloop. De toegenomen opleidingsmogelijkheden vervolgens, wapenen individuen met de nodige competenties om een geïndividualiseerde levensloop uit te bouwen. Ook de toegenomen mobiliteit en competitie op de arbeidsmarkt en de uitbouw van het arbeidsrecht gaven een stevige impuls aan de individualiseringstendens (Beck, 1992, pp. 92-95).

Het is ten slotte belangrijk in te zien dat individualisering in geen geval een synoniem is van vereenzaming, egoïsme of individualisme. Sociale relaties verdwijnen niet maar hebben wél andere kenmerken gekregen. Relaties en groepen krijgen een meer vlottend, tijdelijk karakter en kenmerken zich door een toenemende interindividuele maakbaarheid (Laermans, 1992, pp. 69-70). Op de gevolgen en de betekenissen van individualisering voor relaties binnen de gezinscontext en de primaire leefwereld komen we hieronder nog terug.

 

2.2. Afgeleide processen

 

De combinatie van de drie basiskenmerken brengt afgeleide processen als privatisering en fragmentering met zich mee. Een sterk doorgedreven detraditionalisering, keuzevrijheid en nadruk op zelfontplooiing brengt met zich mee dat waarden steeds minder worden gevormd en bepaald door sociale collectiviteiten waarvan mensen deel uitmaken en dus minder samenhangen met sociale kenmerken zoals het behoren tot een bepaald geboortecohort, sociale klasse, opleidingsniveau… In een geïndividualiseerde samenleving verwachten we dat individuen zelf bewust hun opvattingen en houdingen vormen en zich daarbij minder laten leiden door de collectieve identiteiten waartoe ze behoren. Door de individualiseringstendens zijn waarden minder het gevolg van ervaringen die systematisch samenhangen met het lidmaatschap van een bepaalde collectiviteit of bevolkingscategorie, zoals vrouw zijn, Vlaming zijn, geboren zijn in een lage sociale klasse… Het wordt steeds moeilijker te spreken over de typische opvattingen van bijvoorbeeld de katholieken, arbeiders, hoog opgeleiden of jongeren (Felling e.a., 2000, p. 102; Elchardus, 1999, pp. 133-146). In wat volgt duiden we dit proces aan met de term privatisering.

Individualisering in de zin van fragmentering van waardeoriëntaties betekent dat er steeds minder samenhang bestaat tussen verschillende opvattingen en waarden (Felling e.a., 2000, pp. 43-44). De meeste theorieën over waarden veronderstellen dat waarden niet los van elkaar bestaan, maar samenclusteren tot zogenaamde waardepatronen. Volgens de individualiseringsthese zou deze clustering van waardeoriëntaties tot herkenbare patronen langzaam afbrokkelen omdat de opvattingen van mensen in toenemende mate een zaak is geworden van persoonlijke beslissingen.

 

2.3. Een onderdeel van reflexieve modernisering

 

De toenemende individualisering moeten we zien als een onderdeel van het moderniseringsproces. Daaronder verstaat men het veranderingsproces dat zich sinds het einde van de middeleeuwen in de westerse wereld heeft voltrokken en dat bestaat uit een groot aantal onderling samenhangende structurele en culturele veranderingen (Felling e.a., 2000, p. 31). We denken daarbij aan veranderingen in de economie (opkomst van kapitalisme en industrialisering), in de sociale en politieke sector (bvb. formalisering, urbanisatie, massaonderwijs en democratisering van de staat) en in de culturele sfeer (bvb. secularisering en individualisering). Het moderniseringsproces is geen lineaire aangelegenheid. Ulrich Beck onderscheidt twee stadia.

De eerste moderniteit ontstaat met de overgang naar de industriële samenleving. Onder invloed van de ideeën van wetenschappelijke rationaliteit en verlichting wordt de middeleeuwse standenmaatschappij vervangen door een nieuwe industriële maatschappij. Er treedt een proces van functionele differentiatie op waarbij de verschillende maatschappelijke subsectoren zoals economie, politiek, onderwijs en religie zich verzelfstandigen en specialiseren. Voor het gezin betekent dit een proces van functieverlies. Denk maar aan de economische, religieuze en opleidingsfuncties die door andere instituties overgenomen worden. Het gezin zelf blijft instaan voor reproductieve, socialisatie- en emotionele functies (Espenshade, 1985, pp.234-235; Van den Troost, 2000, p. 135). Een nieuwe maatschappij werkt met nieuwe opdelingen en onderscheidingen: het klassenonderscheid wordt belangrijk en het leven vormt zich rond geslachtsgebonden patronen en leefwijzen; hierbij denken we aan de typische situatie met de mannelijke kostwinner en de vrouw aan de haard. In de eerste moderniteit zijn ook al de eerste tekenen van individualisering te bespeuren. Die zijn echter ook sterk gebonden aan klasse en geslacht. Zo wordt in de begoede klassen aandacht besteed aan opleiding en zelfontplooiing. Vanaf de industriële revolutie begeven ook de meeste mannen zich als kostwinner buitenshuis om te werken. Op de arbeidsmarkt krijgen ze (min of meer) de kans om een eigen loopbaan uit te tekenen. We zien dus dat de mogelijkheid van een geïndividualiseerde levensloop niet voor iedereen voorhanden is. De vraag wie aanspraak kan maken op bepaalde vrijheidsrechten wordt grotendeels ontologisch beantwoord, bijvoorbeeld op basis van geslacht, afkomst, klasse enzovoort (Beck, 1998, p. 73). Zo wordt de vrouw haar recht om buitenshuis te werken ontzegd op basis van haar geslacht. Het zijn enkel de mannen die hun eigen biografie uitbouwen op de arbeidsmarkt ten koste van de vrouwen. Die bevinden zich namelijk in een afhankelijke positie door het verrichten van onbetaalde thuisarbeid (Beck-Gernsheim, 1995, p.56-58).

Met de ingang van de jaren ‘60 zien we een overgang in het moderniseringsproces. Felling, Peeters en Scheepers spreken van een versnelling die vooral gekenmerkt zou worden door detraditionalisering en verregaande individualisering (Felling, 2000, pp. 31-32). Beck spreekt van een overgang naar de tweede of reflexieve modernisering. Reflexieve modernisering betekent een radicalisering van het moderniseringsproces, het proces wordt vervolledigd en veralgemeend (Beck, 1997, pp. 16-17). Beck spreekt ook wel eens over de ‘modernisering van de moderniteit’. Het vreemde en uitdagende in Becks theorie is de idee dat de tweede moderniteit haar grondslag vindt in de eerste maar tegelijk de uitgangspunten ervan ondermijnt. De traditionele klassenopdelingen en geslachtsrollen die de kern uitmaakten van de eerste moderniteit worden onderuitgehaald door een ver doorgedreven radicalisering van de modernisering. Zo zet het individualiseringsproces zich door bij brede bevolkingslagen. Dit kan mede gebeuren doordat omstreeks het midden van de twintigste eeuw de basisvoorwaarden daarvoor voorhanden zijn. We denken aan de stijging van de levensstandaard, arbeidsmobiliteit, scholingsmogelijkheden, de sociale wetgeving… (Beck, 1992, pp. 92-95). Allen maken een democratisering van individualiseringsprocessen mogelijk. Zo gaan voortaan ook vrouwen hun eigen biografie uittekenen door zich aan te bieden op de arbeidsmarkt. De vrouw beschouwt zichzelf niet langer als verlengstuk van het gezin, maar als individu met overeenkomstige rechten en belangen, en met haar eigen toekomst en keuzes (Beck, 1995, p.60). Dit individualiseringsproces heeft ook verrijkende gevolgen voor het kerngezin. Voor een koppel is het niet meer vanzelfsprekend dat men huwt, kinderen krijgt… Of men huwt en wanneer, of men samenwoont, of men kinderen krijgt binnen of buiten het huwelijk… is allemaal onderwerp van vrije keuze en onderhandeling geworden. Het lijkt wel of het proces van functionele differentiatie van de 20ste eeuw zich in de tweede moderniteit ook voltrekt op microniveau. Dit wordt dan expressieve segmentering genoemd: het losweken van partnerschap, huwelijk, seksualiteit en vruchtbaarheid (Mathijs, 2000, p.105).

 

2.4. Gevolgen voor primaire relaties

 

Sedert de tweede helft van de 20ste eeuw manifesteren de gevolgen van modernisering en individualisering zich in verschillende levenssferen. Beck beschrijft dit tijdperk als ‘the age of side-effects’, duidend op het grote belang van de consequenties van modernisering (én de kennis ervan). Volgens hem maken precies de gevolgen van een geradicaliseerde modernisering de kern uit van de reflexieve modernisering. De in de eerste paragraaf beschreven demografische veranderingen kunnen als een uitdrukking van de geïndividualiseerde waardeoriëntatie gezien worden. Hieronder gaan we in op het hoe en waarom van de verminderde aantrekkingskracht van het huwelijk, het brozer worden van relaties… waarvan de empirische evidentie al in de eerste paragraaf gegeven werd. We kaderen de gegeven socio-demografische veranderingen in de individualiseringsthese. Daarnaast besteden we aandacht aan de gevolgen voor de interne gezinsverhoudingen. We bekijken de veranderde perceptie op en vormgeving van de man-vrouw relatie en de relatie met kinderen in gezinsverband.

 

2.4.1. Detraditionalisering op het vlak van primaire relaties

 

De bovenbeschreven socio-demografische veranderingen zeggen genoeg: het instituut huwelijk doet het niet meer. Uitstel en afstel van het huwelijk en een toenemende echtscheidingskans zijn duidelijke aanwijzingen voor een detraditionalisering op dit vlak. Tegelijk kunnen we stellen dat het relationele en gezinsleven vorm krijgt in andere samenlevingsvormen: ongehuwd samenwonen, hertrouwen, stiefgezinnen, LAT-relaties… zijn maar enkele voorbeelden van de mogelijkheden. Het traditionele ja-woord: ‘in goede en kwade dagen en tot de dood ons scheidt…’ is dan ook niet meer aangepast aan de geïndividualiseerde context. Een huwelijk wordt niet meer voor heel het leven gesloten maar is meer en meer onderhevig aan de voortdurend veranderende mogelijkheidsvoorwaarden van het hier en nu.

Ook de moraal die eeuwenlang door de kerk werd opgelegd, staat vanaf het midden van de jaren ‘60 onder vuur. De kerk verspreidde eeuwenlang een moraal waarbij seksualiteit enkel en alleen in functie van de voortplanting stond, homoseksualiteit en echtscheiding werden als een zonde voorgesteld en over het algemeen diende seksualiteit zoveel mogelijk onderdrukt te worden. Op die manier heeft de kerk een niet te onderschatten impact gehad op het relationele leven van mensen. Vanaf het midden van de 20ste eeuw ontstaat een tegenbeweging; men gaat in tegen de eeuwenlange institutionele bevoogding door de kerk en ijvert voor een individuele morele autonomie. Homoseksualiteit wordt gaandeweg uit de taboesfeer gehaald, het gebruik van anticonceptiva raakt algemeen verspreid, de plezierwaarde van seksualiteit wordt benadrukt, het uitvoeren van abortus wordt mogelijk… Dit zijn maar een paar voorbeelden van de tanende invloed van de kerkelijke waarden.

 

2.4.2. Een relatie: een risicovolle onderneming

 

De keuzevrijheid die individualisering met zich meebrengt is niet altijd makkelijk te dragen (Beck, 1995, p.52). Samenleven met iemand verhoogt de stress–factor nog. Twee verschillende mensen met andere waarden en normen, andere ideeën en wensen moeten immers samen beslissingen treffen over allerhande zaken. De uitkomst van zo’n beslissingsproces is onvoorspelbaar en risicovol : hoe complexer de beslissingen, hoe groter de kans dat ze uitmonden in meningsverschillen en ruzies. Wanneer partners aan een relatie beginnen, ligt niets nog op voorhand vast. Een koppel moet elke dag opnieuw hun relatie uitvinden, op elk moment is een koersverandering mogelijk. Men wordt zich ook bewust van gevaren: wat als beide partners plots een totaal verschillende koers verkiezen? (Beck-Gernsheim, 1995, p. 55). Volgens Laermans hebben relaties een vlottend karakter gekregen. Wanneer het geïndividualiseerde individu zich niet langer kan vinden in een liefdes-, huwelijks- of vriendschapsrelatie, gaat hij/zij op zoek naar anderen bij wie men zich wel thuis voelt (Laermans, 1992, p. 69). Vaak houden partners al van bij de start van hun huwelijk of zelfs vroeger rekening met het onzekere en het ongekende (Matthijs, 2000, pp. 114). Daarnaast wordt de individuele levensloop van personen danig gestuurd door externe factoren zoals de arbeidsmarkt met zijn flexibiliteiteisen. De eisen van de arbeidsmarkt zijn vaak moeilijk te verzoenen met het gezinsleven wat de zaken er alleen maar moeilijker op maakt.

 

2.4.3. De noodzakelijkheid van kwaliteitsvolle relaties

 

Hoewel het onderhouden van een succesvolle relatie moeilijker geworden is, wordt een kwaliteitsvolle relatie in de reflexieve modernisering ook meer en meer een emotionele noodzaak. Het feit dat de traditionele instituties en normen op hun retour zijn maakt individuen onzeker. De vanzelfsprekendheid is zoek en het individu krijgt te maken met een innerlijke onrust en onzekerheid. Het gezin wordt beschouwd als een soort veilige thuishaven in een vreemde wereld die sterk onderhevig is aan verandering (Beck, 1995, pp.48-49). Dit wil zeggen dat wanneer de oude banden hun betekenis verliezen onze emotionele en mentale stabiliteit afhankelijk is van de steun van de mensen die dicht bij ons staan. ‘Alles wat verloren is gegaan, wordt plots gezocht in de andere. … De verheerlijking van de liefde is recht evenredig met wat de moderniteit de mensen heeft doen achterlaten. Geen God, geen priesters, geen klasse, geen buren… wel JIJ. En de omvang van JIJ is recht evenredig met de omvang van de leegte’ (Beck, 1992, pp. 113-114). Het proces van functionele differentiatie heeft het gezin een belangrijke functie gelaten: de emotionele. Men heeft nood aan bevestiging van het eigen zelf en dit wordt bereikt door de erkenning die men krijgt van de ander (Beck, 1995, p. 51). Binnen de relatie wordt de nadruk gelegd op intimiteit, emoties, geborgenheid… Kortom: kwaliteit van de relatie wordt belangrijk en daar wil men wel een stuk van zichzelf in investeren. De belangrijkste pijlers voor een succesvolle relatie zijn autonomie, zelfontplooiing, intimiteit en wederzijds respect en vertrouwen (van den Elzen, 1996, pp. 30-31).

 

2.4.4. Naar een toenemende gelijkheid voor man en vrouw !

 

Wanneer we de machtsverhoudingen binnen het gezin bekijken kunnen we stellen dat er sprake is van een overgang van een bevelshuishouding naar een onderhandelingshuishouding (De Swaan, 1989, pp. 81-116). Tot de jaren ’50 kon in het gezin een duidelijke hiërarchie onderscheiden worden, de man was de baas en verantwoordelijk voor alle belangrijke beslissingen. Met de overgang naar de onderhandelingshuishouding worden beslissingen maar genomen na negotiatie. Onder invloed van de individualiseringstendens kenmerken de gezinsverhoudingen zich door egalitarisme en is er meer aandacht voor individuele zelfontplooiing van man en vrouw. Binnen het gezin staan man en vrouw op gelijke voet. Respect, communicatie en onderhandeling zijn dan ook sleutelwoorden geworden voor een geslaagde relatie.

Ook de traditionele rolpatronen staan op de helling. Waar in de eerste helft van de 20ste eeuw de man als kostwinner zorgde dat er brood op de plank kwam, gaan nu in heel wat gezinnen beide partners buitenshuis werken. De nadruk op zelfontplooiing heeft er, samen met onder andere de toegenomen scholingsgraad voor gezorgd dat heel wat vrouwen een job buiten het gezin ambiëren. Het percentage buitenshuis werkende vrouwen kende een hoge vlucht en evolueerde van 31,5% in 1961 over 31,8% in 1970 naar 57,8% in 1991. Bij deze cijfers is echter een opmerking geboden. Als we naar de specifieke invulling van de jobs voor vrouwen kijken, constateren we dat vrouwen vooral deeltijdse en flexibele arbeid verrichten. Daarenboven zijn vrouwen vooral in de lagere functies oververtegenwoordigd (Lammertyn e.a., 1998, pp. 2-4). Vooroordelen van werkgevers, de moeilijke combinatie van gezin en carrière en de mindere aspiraties bij vrouwen zelf zorgen ervoor dat minder vrouwen tot de top doorstoten.

De actieve participatie van de vrouw, niet enkel op de arbeidsmarkt, maar ook in het gehele sociale leven, heeft echter niet overal even ingrijpende veranderingen in de taakverdeling binnen het gezin teweeg gebracht. Die verloopt nog vaak via de oude patronen. Dit betekent dat de vrouw, die nu wel buitenshuis gaat werken, verantwoordelijk blijft voor het meeste huishoudelijk werk. Vooral de mannen blijken minder enthousiast wanneer het gaat om roldoorbrekend gedrag. Volgens Beck ligt een verklaring voor deze situatie in het feit dat de huidige individualisering een totaal verschillende betekenis heeft voor mannen en vrouwen. Dit is logisch als we de historische context van de zaken in rekening nemen. Voor mannen betekent individualisering in de tweede moderniteit een toegenomen competitie, meer huishoudelijk werk… terwijl het voor vrouwen een overwegend positieve betekenis heeft: meer opleiding, meer kansen, minder huishoudelijk werk… (Beck, 1995, p. 22) Mannen ervaren de verandering in vrouwen vaak als een aanval op hun status en zelfvertrouwen (Beck-Gernsheim, 1995, p. 65). Bovendien zijn ze er vaak van overtuigd dat gelijkheid gemakkelijk verzoend kan worden met de oude taakverdeling tussen de seksen. (Beck, 1995, p.22). Een ander probleem hierbij is dat er bij velen een discrepantie ontstaan is tussen het discours dat men aanhangt en het feitelijke gedrag dat tentoongespreid wordt. Individualisering voor beide seksen vraagt een discours van vrijheid en gelijke kansen voor man en vrouw. Velen beweren dan ook dat kansen en ontplooiingsmogelijkheden voor de vrouw belangrijk zijn, maar tegelijkertijd blijven ze binnen het gezin opgezadeld zitten met een hele stapel huishoudelijk werk. Men zegt wel eens dat het bewustzijn de reële feiten voorbijloopt (Lammertyn e.a., 2001, pp. 28-31).

 

2.4.5. Kinderen: volwaardige spelers in de gezinscontext

 

Individualisering komt ook tot uiting in de opvoeding. De jeugd als fase van het leven die oorspronkelijk de voorbereiding was op een volwassen leven van verantwoordelijkheid en eigen keuzes wordt nu zelf geïndividualiseerd. Dit impliceert dat er niet langer doeleinden of zekerheden zijn die zo maar opgelegd kunnen worden aan jonge mensen, zij creëren zelf hun toekomst (Beck, 1998, p.78). Ook voor kinderen worden de aspecten keuzevrijheid en zelfontplooiing belangrijk. Ze worden aangemoedigd om mondige, onafhankelijke en verantwoordelijke personen te worden. Dit alles heeft uiteraard ook gevolgen voor de relatie ouders-kinderen binnen het gezin. Kinderen worden steeds vaker bij beslissingen betrokken, en zeker bij beslissingen die henzelf betreffen, denken we maar aan kledij of studiekeuze (du Bois-Reymond, 1993, p.127). De Swaan spreekt in deze context van de overgang van een bevelshuishouding naar een onderhandelingshuishouding (De Swaan, 1989, pp. 81-116).

 

2.5. Niet iedereen gelijk voor de individualisering

 

Hoewel individualisering een toenemende en sterk zichtbare trend is, moeten we toch inzien dat een geïndividualiseerde waardeoriëntatie niet overal in de samenleving in dezelfde mate doorgedrongen is. Voor Beck is het duidelijk dat ‘dé’ individualisering niet bestaat. Hij stelt ook: ‘it is necessary, therefore, to check each group, milieu and region to determine how far individualization processes –overt or covert- have advanced within it’ (Beck, 1996, p. 28).

 Hierboven werd reeds aangegeven dat de prille individualiseringstendensen van de 19de en begin 20ste eeuw strikt voorbehouden waren voor mannen en de hoogste sociale klassen. Enkel in de begoede klasse was er aandacht voor ontplooiing en opleiding. Daarenboven werd enkel aandacht besteed aan de opleiding en beroepsmogelijkheden van mannen. Vrouwen begaven zich immers niet op de arbeidsmarkt.

Maar ook in de tweede helft van de twintigste eeuw zijn niet alle bevolkingsgroepen even gevoelig voor de nieuwe waarden. De meest auteurs geven aan dat individualisering zich het eerst doorzet bij de hogere sociale klassen en hooggeschoolden (Laermans, 1992, pp. 67-69; Felling e.a., 2000, pp. 39-40; Lesthaeghe & Surkeyn, 1988, p. 17). De hogere sociale klassen hebben de materiële middelen om zich een geïndividualiseerde levensloop te veroorloven. Ze kunnen het zich permitteren om af te wijken van de traditionele normen. Hooggeschoolden langs de andere kant hebben het culturele kapitaal om te functioneren in een geïndividualiseerde levensloop. Ze zijn sterker gewapend om bijvoorbeeld op de arbeidsmarkt hun eigen biografie uit te tekenen. Er is ook sprake van generationele verschillen in de zin dat jongeren sterker geïndividualiseerd zijn dan ouderen (Laermans, 1992, pp. 67-69; Felling e.a., 2000, pp. 39-40; Lesthaeghe & Surkeyn, 1988, p. 17). Jongeren zijn gesocialiseerd in de moderne samenleving, met meer op zelfontplooiing en keuzevrijheid gerichte waarden. De generationele verschillen laten een breuk zien bij de tweede wereldoorlog. Generaties die na WO II opgroeiden onderschrijven sterker geïndividualiseerde waarden dan de vooroorlogse generaties (Laermans, 1992, p. 68). Wat de invloed van bovengenoemde kenmerken betreft moeten we wel opletten voor een verkeerde interpretatie. Het lijkt ons aannemelijk dat jongeren vaker hoger geschoold zullen zijn en dat veel hooggeschoolden ook tot de hoogste sociale klassen behoren. Doordat deze kenmerken nauw samenhangen zou er sprake kunnen zijn van een schijnverband, of toch gedeeltelijk. Het is aangewezen, waar mogelijk, de gecontroleerde of partiële invloed van deze variabelen te onderzoeken.

We kunnen stellen dat hooggeschoolden, jongeren en personen uit een hogere sociale klasse voor de huidige individualiseringstendens als trendsetter optreden. We kunnen ons afvragen of individualisering ook over andere groepen van de samenleving verspreid geraakt, in welke mate dit het geval is en of er sprake is van een inhaaleffect. Deze en vele andere vragen vormen het voorwerp van onderzoek.

 

2.6. Besluit: de dimensies van individualisering

 

Na de literatuurstudie is het mogelijk in het individualiseringsbegrip een aantal aspecten of dimensies te onderscheiden. Hieronder stellen we, met het oog op verdere operationalisering, die dimensies nog even duidelijk.

 Het begrip individualisering omvat drie basisprocessen. Ten eerste is er de nadruk op zelfontplooiing. Postmaterialistische waarden als emancipatie, erkenning en persoonlijke ontwikkeling staan centraal. Daarnaast manifesteert individualisering zich door een toenemende detraditionalisering. Daarmee wordt bedoeld dat de populariteit van traditionele instituties zoals staat, kerk, politieke partijen, vakbonden, maar ook bijvoorbeeld de institutie huwelijk afneemt. Ook traditionele opvattingen en normen, zoals bijvoorbeeld opgelegd door het geloof, verliezen aan belang. Een derde aspect van individualisering is de nadruk op individuele keuzevrijheid. Individualisering uit zich in een toenemende nadruk op autonomie, eigen verantwoordelijkheid, zelfcontrole en vrijheid voor individuen.

Van deze drie basiskenmerken afgeleid zijn de processen van privatisering en fragmentering van waardeoriëntaties. Privatisering betekent dat waardeoriëntaties of waardepatronen steeds minder samenhang vertonen met allerlei sociale kenmerken en dat daarom sociale groeperingen steeds minder consistent getekend en gekarakteriseerd kunnen worden in termen van waardeoriëntaties (Felling e.a., 2000, p. 104). Fragmentering houdt in dat er steeds minder samenhang bestaat tussen verschillende opvattingen en waarden. Opvattingen op verschillende levensdomeinen clusteren minder en minder samen tot herkenbare patronen.

 Wat betreft de veruitwendiging op het vlak van relaties veronderstellen we dat de kwaliteit van de relatie belangrijker wordt. Geïndividualiseerde personen leggen de nadruk meer op het emotionele, intimiteit, respect en vertrouwen… Binnen een relatie worden partners als gelijken beschouwd, er is heel wat aandacht voor het uitwisselen van meningen en onderhandelingen en ook vrouwen krijgen de kans om zich te ontplooien op de arbeidsmarkt. Terzelfder tijd worden relaties ook kwetsbaarder. Individualisering zorgt ervoor dat relaties een meer vlottend karakter krijgen en op ieder moment in vraag gesteld kunnen worden. Ook het huwelijk wordt in veel gevallen niet meer voor heel het leven gesloten.

 Individualisering manifesteert zich ten slotte ook binnen de opvoedingswaarden. Waarden als autonomie, verantwoordelijkheid en zelfstandigheid worden meer benadrukt maar ook bijvoorbeeld ontplooiingskansen voor kinderen worden steeds belangrijker.

 

 

3. Economische en structurele theorieën van gezinsveranderingen

 

In deze verhandeling zullen we ons vooral toespitsen op de culturele, waardegeoriënteerde evolutie zoals die in punt twee geschetst werd. Toch moeten we er aandacht voor hebben dat de individualiseringsthese niet de enige verklaring is voor de veranderingen die zich vanaf de jaren ‘60 in de gezinscontext voorgedaan hebben. Hieronder presenteren we als aanvulling enkele andere interessante gezichtspunten. De theorieën van Becker en Easterlin leggen de nadruk op economische en structurele factoren. Guttentag en Seccord geven een demografisch-structurele verklaring voor de veranderde vormgeving van relaties.

 

3.1. Becker: de winsten van het huwelijk [9]

 

De basisidee achter Beckers theorie is het principe van vergelijkend voordeel uit de handelstheorie. Net zoals twee landen pas een handelsovereenkomst zullen sluiten als ze er beiden voordeel kunnen uit halen, zullen twee partners maar huwen als de uitkomst voor beide partners positief is. Traditioneel was het zo dat de man zich specialiseerde in buitenhuisarbeid en de vrouw in het beheer van het huishouden. Beide partners brachten hun capaciteiten samen in een ‘handelsovereenkomst’ en de totale winst was voor beide partners positief. Wanneer vrouwen zich nu massaal naar de arbeidsmarkt begeven, vermindert voor hen de aantrekkelijkheid van een huwelijk. De winst eruit, inkomen via buitenhuisarbeid van de man, vermindert. Bij lagere vruchtbaarheid wordt de seksespecifieke taakverdeling daarenboven minder noodzakelijk en opnieuw verliest het huwelijk een deel van zijn aantrekkelijkheid. Als het huwelijk minder aantrekkelijk wordt, wordt tezelfdertijd echtscheiding aantrekkelijker. Ook de mogelijkheid om als ongehuwde met kinderen een bijstandsinkomen te verwerven, vermindert volgens Becker de oorspronkelijke aantrekkelijkheden van het huwelijk. Wanneer een vrouw de arbeidsmarkt betreedt stijgt voor haar bovendien de relatieve kost van het krijgen van kinderen. Een baan is immers moeilijk te verzoenen met een goed draaiend gezinsleven. Het gevolg is een verminderde vruchtbaarheid.

 

3.2. Easterlin: het relatieve inkomen [10]

 

Centraal in deze economisch-structurele theorie staat het relatief inkomen. Dat is de verhouding tussen het potentieel inkomen van een koppel ten opzichte van hun materiële aspiraties. Het potentieel inkomen verwijst naar de jobmogelijkheden, het inkomen, promotiekansen… De materiële aspiraties worden beïnvloed door de eigen ervaringen als kind. Wanneer het relatief inkomen van jongvolwassenen hoog is, zullen ze weinig economische druk voelen en meer geneigd zijn te huwen en kinderen voort te brengen. Bij een laag relatief inkomen doet zich de omgekeerde trend voor. Het relatief inkomen wordt in belangrijke mate bepaald door de relatieve grootte van de cohorte waartoe men behoort. Personen geboren in periodes met lage geboorteratio komen op een arbeidsmarkt met een klein aanbod aan arbeidskrachten. Daardoor hebben ze goede economische vooruitzichten: een goede job, hoog inkomen, promotiekansen… Dit verhoogt het relatieve inkomen. Een voorbeeld hiervan is de kleine generatie geboren in de jaren ’30. Zij kwamen op een gunstige arbeidsmarkt en brachten in de jaren ’50 de babyboomgeneratie voort. De babyboomgeneratie ondervond grote concurrentie op de krappe arbeidsmarkt van de jaren ‘70, met als gevolg huwelijksuitstel en een negatieve druk op de vruchtbaarheid. Terzelfder tijd waren de aspiraties van de babyboomgeneratie groot, want ze waren opgegroeid in de veelbelovende jaren ’50 en ’60. Toegepast op echtscheiding stelt Easterlin dat echtparen afkomstig uit een kleine geboortecohorte geen probleem zullen hebben het traditioneel leefpatroon, met de man als kostwinner en de vrouw als thuiswerkster, na te komen. Koppels uit een omvangrijke cohorte zullen die verwachte sociale rollen minder gemakkelijk vervullen. De vrouw zal zich door economische druk genoodzaakt voelen buitenshuis te gaan werken, de man kan zich schuldig voelen zijn gezin niet te kunnen onderhouden, het koppel kan niet zoveel kinderen hebben als het zou wensen… Dit alles zorgt voor een toenemende kans op echtscheiding, nog eens vermeerderd door de groeiende financiële onafhankelijkheid van de vrouw en de afwezigheid van kinderen om het gezin bijeen te houden. Als tweede beïnvloedende factor van echtscheiding ziet Easterlin een seculiere trend veroorzaakt door de seksuele revolutie, toenemende secularisering… Het effect van die trend wordt volgens Easterlin versterkt of verzacht door de generatiegrootte.

 

3.3. Guttentag en Seccord: veranderende sekseratio [11]

 

Guttentag en Seccord vertrekken van de idee dat een discrepantie tussen het aantal beschikbare mannen en vrouwen op huwbare leeftijd een effect heeft op de dyadische macht die de twee seksen kunnen uitoefenen in een partnerrelatie (Van den Troost, 2000, p. 134). Wanneer de sekseratio hoog is en de mannen in de meerderheid zijn, worden vrouwen gewaardeerd als een schaars goed. De traditionele sekserollen zijn overheersend, en economische zelfstandigheid van vrouwen wordt afgeremd. Ze streven naar economische mobiliteit door een man te huwen van een hogere socio-economische klasse. Aan de kant van de mannen ligt een sterke culturele nadruk op engagement in het huwelijk: men huwt veel en snel, er is een hoge vruchtbaarheid en weinig echtscheiding. Wanneer aan de andere kant vrouwen in de meerderheid zijn, treedt een ander patroon op. Mannen bevinden zich in een gunstige ruilrelatie, er zijn meer vrouwen waaruit ze kunnen kiezen en ze blijven minder lang bij dezelfde vrouw. Er wordt een lagere waarde toegekend aan het huwelijk en de familie. Vrouwen echter voelen zich in deze situatie machteloos en ongewaardeerd. Ze zullen hun afhankelijkheid van de man trachten te verminderen en de genderrollen herdefiniëren. Het traditionele huwelijksmodel boet aan belang in en maakt plaats voor alternatieve leefvormen. De naoorlogse babyboom zorgde voor zo’n situatie. Doordat vrouwen gemiddeld huwen met een man die twee jaar ouder is, beschikten vrouwen die geboren waren in 1947 (twee jaar na de start van de toename van het geboortecijfer) over een kleiner aanbod van mannen. Deze situatie zorgde voor spanningen op de huwelijksmarkt en veranderingen in de man-vrouw relaties. Guttentag en Seccord zien de veranderde sekseratio na de oorlog in de eerste plaats als de aanzet van het hele proces van veranderingen dat we hierboven beschreven hebben. Het is niet zo dat de minieme verschuivingen in de sekseratio die tussen twee opeenvolgende jaren optreedt telkens opnieuw een effect heeft op het latere relationeel gedrag van een bepaalde geboortecohorte. De situatie van de plotse babyboom kort na de oorlog zorgde voor een uitzonderlijke situatie van een betekenisvol verschil in de sekseratio, wat de aanzet was van een veranderingsproces.

 

 

4. Besluit: een veranderde waardeoriëntatie m.b.t. het gezin

 

De jaren ‘60 gaven de aanzet voor een groot aantal veranderingen in de gezinssfeer. De demografische gegevens liegen er niet om: er is sprake van een verminderde vruchtbaarheid, stijgende echtscheidingscijfers en een verminderd aantal huwelijken. Daarnaast winnen nieuwe leefvormen zoals het ongehuwd samenwonen steeds meer aan populariteit. Alles lijkt erop te wijzen dat het traditionele gezinsethos sterk onder druk is komen te staan sinds de tweede helft van de twintigste eeuw. De talrijke auteurs die bijgedragen hebben tot het individualiseringsdebat bieden hier een schitterende verklaring voor. Waarden als keuzevrijheid, detraditionalisering en zelfontplooiing kennen vanaf de jaren ‘60 een sterke aanhang bij de jongere generatie, de hooggeschoolden en de hogere klassen, maar geraken stilaan ook meer en meer verspreid over brede lagen van de samenleving. Naast de cultureel getinte verklaring vanuit individualisering en als aanvulling erop zijn ook de inzichten van Becker, Easterlin en Guttentag en Seccord interessant. Zij bieden een meer economische en structurele kijk op de veranderde beleving en vormgeving van het gezinsleven sinds de jaren ‘60.

 

 

Hoofdstuk 3. Over het onderzoek

 

1. Data en concepten

 

1.1. Een Europees project voor het meten van waardeveranderingen: de Europese waardestudies

 

In 1978 rezen de eerste ideeën voor de European Value Studies, een onderzoek naar de waarden van de West-Europeanen. De bedoeling was het typisch Europese waardesysteem te achterhalen. In 1981 gebeurde het veldwerk van de eerste ronde in de meeste landen van de toenmalige Europese Gemeenschap. Ook enkele landen uit Oost-Europa en andere werelddelen sloten aan. De vragenlijsten werden in de verschillende landen afgenomen bij een steekproef respondenten vanaf 15 jaar. Uit de eerste resultaten bleek dat er geen typisch Europees waardesysteem bestond, want in Noord-Amerika, waar de vragenlijst ook werd afgenomen bleek dat grotendeels dezelfde waarden aangehangen werden. Om enkele hypothesen uit de eerste bevraging, ondermeer m.b.t. generatieverschillen, bevestigd te zien werd in 1990-1991 een tweede bevraging georganiseerd. Hierbij werd het onderzoek ook geografisch uitgebreid. In 1999 ten slotte werd de derde onderzoeksgolf gelanceerd, nu in alle Europese landen, exclusief Noorwegen. (Dobbelaere e.a., 2000, pp. 7-8)

Traditioneel worden in de vragenlijsten van de Europese Waardestudies volgende domeinen bevraagd: arbeid en vrije tijd, gezin en seksualiteit, politiek, godsdienst en ethiek. Op die manier bekomt men een brede range van waarden op de belangrijkste vlakken in de samenleving. Beweren dat de Europese Waardestudies een exhaustief overzicht van alle waarden geven, zou een overschatting zijn. Zo worden waarden als veiligheid en zekerheid slechts zijdelings behandeld. Het waardeonderzoek peilt daarnaast slechts terloops naar de waarde gezondheid terwijl uit de Eurobarometer blijkt dat deze waarde van primordiaal belang is (Kerkhofs e.a., 1992, p.9).

Om vergelijking doorheen de tijd te kunnen bekomen, bleven veel vragen bij de drie ronden dezelfde. Dit maakt een analyse van deze data bijzonder boeiend, waardeveranderingen gedurende de laatste twintig jaar kunnen opgespoord worden. Het weze wel duidelijk dat de drie waardesurveys gebaseerd zijn op verschillende steekproeven. Dit brengt met zich mee dat we geen informatie hebben over waardeveranderingen bij individuen of zeer specifieke groepen. Om waardeveranderingen op individueel vlak te kunnen nagaan, is een panelonderzoek aangewezen, waarbij dezelfde personen driemaal ondervraagd worden.

Een tekort aan het onderzoek in België is het feit dat de steekproef bij de drie rondes op een verschillende manier getrokken werd. De non-respons voor de drie jaren is onbekend en de selectiviteit verbonden met de non-respons kan bijgevolg anders geprofileerd zijn. (Dobbelaere e.a., 2000, p. 225)

In deze verhandeling werken we voornamelijk met de data van het domein gezin en seksualiteit. Hoewel hier en daar wel koppelingen kunnen gemaakt worden met andere onderwerpen zoals ethiek of politiek. We beperken ons tot de Belgische data van de drie bevragingen.

 

1.2. Concepten en operationalisatie

 

In hoofdstuk twee bespraken we reeds de dimensies en uitingsvormen van het concept individualisering. Hier willen we daar iets concreter op ingaan en geven we aan hoe het concept in onze data te operationaliseren valt. Aangezien we werken met bestaande datasets zijn we voor de operationalisatie van ons concept sterk gebonden aan de in de waardeonderzoeken voorkomende variabelen. De operationalisatiefase bestond dan ook voornamelijk uit het opzoeken van bruikbare variabelen in de vragenlijsten van de Europese Waardeonderzoeken. We selecteerden uit de vragenlijsten vragen die in de drie rondes voorkwamen. Omdat in de drie vragenlijsten wel wat variatie in de vragen optrad, konden niet alle relevante variabelen opgenomen worden.

In eerste instantie werd voor de drie aspecten van het concept individualisering, zelfontplooiing, keuzevrijheid en detraditionalisering, telkens een tweetal variabelen geselecteerd. Voor wat betreft het aspect zelfontplooiing baseren we ons op twee vragen uit de onderzoeken. Een eerste vraag gaat over een aantal veranderingen die in de nabije toekomst zouden kunnen optreden in onze manier van leven. Daarbij werd gevraagd of de respondent een grotere nadruk op persoonlijke ontwikkeling een verandering ten goede of ten slechte zou vinden. Een andere vraag in het onderzoek gaat over de plicht van ouders t.o.v. hun kinderen. Moeten ouders zo hard hun best doen voor hun kinderen dat het ten koste van hun eigen welzijn mag gaan of mag men niet verwachten dat ouders hun welzijn opofferen ten behoeve van hun kinderen en moeten ouders hun eigen leven leiden? Voor wat betreft het aspect detraditionalisering gaan we in eerst instantie in op de verzwakking van de traditionele institutie huwelijk. In de vragenlijsten komt een vraag voor waarin gepeild wordt of de respondenten het huwelijk een verouderde instelling vinden. We bekijken ook of traditionele waarden en normen, zoals opgelegd door bijvoorbeeld de traditionele kerkleer aan belang inboeten. We focussen op de relatiesfeer aan de hand van de mening van respondenten over de toelaatbaarheid van buitenechtelijke verhoudingen, homoseksualiteit, abortus en echtscheiding. Een andere vraag daarbij heeft betrekking op de manier waarop men aankijkt tegen de situatie waarin een vrouw haar kind alleen wil opvoeden, omdat ze geen vaste relatie met een man wil. Voor de dimensie keuzevrijheid wordt ten eerste nagegaan in welke mate de respondent zijn/haar leven zelf kan bepalen. Ten tweede wordt nagegaan hoe de respondent de waarden vrijheid en gelijkheid waardeert ten opzichte van elkaar.

 Naast de drie basisdimensies van het concept individualisering zijn er nog een aantal veruitwendigingen van het concept die specifiek op de relaties binnen de gezinscontext betrekking hebben. Hierboven spraken we over de toenemende nadruk op kwaliteit binnen de relatie, over de veranderende opvoedingswaarden en over de gelijkwaardigheid van beide partners binnen een relatie en nieuwe kansen voor de vrouw. Om deze aspecten te onderzoeken selecteerden we drie vragen waarbij de respondenten telkens een reeks items moesten beoordelen. De eerste vraag peilt naar de factoren die bijdragen tot een succesvol huwelijk. Een tweede reeks items handelt over de rollen van mannen en vrouwen en in een derde vraag wordt gepeild naar het belang dat de respondent hecht aan verschillende opvoedingswaarden.

 Ten derde kunnen we de processen van privatisering en fragmentering van waardeoriëntaties eveneens als veruitwendigingen van individualisering beschouwen. Hoe we die processen verder empirisch in kaart brengen komt later aan bod.

 Zoals in het eerste hoofdstuk reeds aangegeven werd, gaan we ervan uit dat meerdere opvattingen samen verwijzen naar een achterliggende waarde. De antwoorden op een aantal attitudevragen en -items zouden dan telkens gestuurd worden door een latente waardeoriëntatie. Concreet in ons onderzoek vormen de aspecten keuzevrijheid, detraditionalisering, zelfontplooiing, kwaliteitsdimensie van de relatie, roldoorbrekend denken en de geïndividualiseerde opvoedingswaarde de achterliggende waardeoriëntaties van de specifieke attitude-items. Met behulp van factoranalyses kunnen we op empirische wijze deze achterliggende dimensies bepalen.

 

 

2. Onderzoeksvragen en hypothesen[12]

 

In ons onderzoek zijn we geïnteresseerd in waardeverschuivingen m.b.t. primaire relaties zoals die zich voordoen gedurende de laatste twee decennia van de twintigste eeuw. Uit de literatuur bleek dat er vanaf de jaren ’60 van de twintigste eeuw een tendens tot individualisering op te merken valt. Dit concept valt uiteen in drie aspecten: zelfontplooiing, keuzevrijheid en detraditionalisering. Wij onderzoeken in eerste instantie of deze drie aspecten van individualisering toenemen tussen 1981 en 1999 (H1). We veronderstellen daarbij dat individualisering een continu proces is dat zich stelselmatig uitbreidt over een steeds grotere groep van de samenleving.

De trend naar een geïndividualiseerde waardeoriëntatie uit zich ook in de waarden m.b.t. verschillende aspecten van het gezin. We onderzoeken de waarden i.v.m. geslachtsspecifieke rolpatronen, de succesfactoren voor een geslaagd huwelijk en de opvoedingswaarden. Via factoranalyse pogen we telkens één of meerdere onderliggende dimensies in de reeksen items te onderscheiden. De daaruit gecreeërde schalen gebruiken we dan voor verdere analyse. Een eerste veronderstelling betreft de rolpatronen. We nemen aan dat de traditionele geslachtsspecifieke rollenverdeling tussen mannen en vrouwen in steeds meerdere mate verworpen wordt tussen 1981 en 1999 (H2). Voor wat betreft de factoren die bijdragen tot een succesvol huwelijk werd in het verleden werd al heel wat analysewerk verricht, zowel op basis van de EVS-datasets als met andere onderzoeksgegevens. Principale componenten- en factoranalyses toonden aan dat er waarden i.v.m. homogamie, expressieve of kwaliteitswaarden en materiële waarden te onderscheiden zijn (Van den Troost, 2000; van den Elzen, 1998; Dobbelaere e.a., 2000, pp. 225-230). Binnen het traditionele gezinsethos is er een sterke nadruk op de homogamienorm. Deze vereist dat partnerrelaties worden gevormd binnen de eigen etnische, sociale, religieuze en/of leeftijdsgroep. Homogame relaties zouden in die optiek ook garant staan voor een hogere huwelijkssatisfactie (Van den Troost, 2000, p. 136). Op basis van de literatuur over individualisering veronderstellen we dat de homogamienorm steeds meer vervangen wordt door waarden die de kwaliteit van de relatie benadrukken (H3). Wat betreft de opvoedingswaarden tenslotte stellen we dat de autonome ontwikkeling van kinderen benadrukt worden (H4). We verwachten dat waarden zoals zelfstandigheid, verantwoordelijkheid en ontplooiing meer en meer de plaats innemen van de traditionele opvoedingswaarden.

Nadat we de verschillende indicatoren verkend hebben zijn we geïnteresseerd in de samenhang tussen de bestudeerde gezinswaarden. Het traditionele gezinsethos werd gekenmerkt door een samenhangende ideologie omtrent huwelijk, voortplanting, seksualiteit en geslachtsrollen. De waardering van deze verschillende aspecten vertoonde een sterke samenhang. Wij kunnen ons afvragen of we in de tweede moderniteit terug naar een samenhangend gezinsethos evolueren, wat dan meer geïndividualiseerd georiënteerd zou zijn. Zullen personen die geïndividualiseerd denken over bijvoorbeeld abortus ook expressiever denken over de rolpatronen binnen een relatie, of hebben beide houdingen geen verband? We veronderstellen in het licht van de literatuur over fragmentering dat er steeds minder samenhang zal bestaan tussen verschillende opvattingen en waarden bij eenzelfde persoon. De opvattingen over verschillende aspecten van de gezinssfeer zijn immers telkens opnieuw een zaak van persoonlijke beslissing, en er is als zodanig niet één uniform geïndividualiseerd waardepatroon aan te duiden (H5).

In de samenleving zijn bepaalde groepen aan te duiden waar de geïndividualiseerde waardeoriëntatie sterker leeft dan bij andere. Meestal behoren hooggeschoolden, personen uit de hogere sociale klassen en jongeren tot die groep. De hogere sociale klassen hebben de materiële middelen om zich een geïndividualiseerde levensloop te permitteren. Een hogere scholing aan de andere kant biedt het benodigde cultureel kapitaal om (geïndividualiseerde) participatie op bijvoorbeeld de arbeidsmarkt te verzekeren. We kunnen zeggen dat deze drie groepen als trendsetter optreden (H6). We veronderstellen dat ze hoger zullen scoren op variabelen die individualisering meten. Nu kunnen we op basis van de literatuur nog enkele andere trendsetters localiseren voor de meer specifieke aspecten van individualisering. Wat de detraditionalisering van waarden betreft, hebben we aandacht voor de invloed van kerkbetrokkenheid en regio. We gaan ervan uit dat individuen met een sterke kerkbetrokkenheid hun waardesysteem vormgeven vanuit de traditionele religieuze zingeving. Onze hypothese is dat ze op de indicatoren van detraditionalisering nog sterker de traditionele waardeoriëntatie zullen aanhangen. Personen die een sterke kerkelijke betrokkenheid vertonen zullen sterker vasthangen aan de traditionele instelling van het huwelijk. Het loskomen van de kerkelijke moraal brengt ook een meer tolerante houding t.o.v. seksualiteit, abortus, alleenstaand moederschap… met zich mee (H7). We veronderstellen voorts dat in Wallonië waar de industrialisering en de daarmee gepaard gaande secularisering vroeger zijn intrede deed het traditionele denken minder sterk zal zijn dan in Vlaanderen (H8). Op basis van de theorie van Becker kunnen we uitspraken doen over een specifiek aspect van detraditionalisering, namelijk de verminderde invloed van instituties zoals het huwelijk. De inzichten van Becker leren ons dat wanneer een vrouw de arbeidsmarkt betreedt, de aantrekkelijkheid van het huwelijk voor haar vermindert (H9). Als we deze redenering verder volgen kunnen we enkele bijkomende en meer specifieke hypothesen formuleren. Als een vrouw tewerkgesteld is in een hogere functie zal voor haar de winst van een huwelijk nog verminderen (H10). Hetzelfde geldt voor gehuwde vrouwen die hoofdkostwinner zijn (H11). Voor deze vrouwen is het huwelijk geen economische noodzaak, en we veronderstellen dat het instituut huwelijk bij deze groepen lager gewaardeerd zal worden. We bekijken ook het effect van burgerlijke staat op de waardeoriëntatie. Omdat gehuwden bewust voor het huwelijk gekozen hebben veronderstellen we dat ze minder zullen oordelen dat het huwelijk een verouderde instelling is. Ze scoren dus traditioneler op deze indicator dan bijvoorbeeld gescheiden en ongehuwden. Onze hypothese is dat ongehuwden en gescheidenen trendsetter zijn bij het beschouwen van het huwelijk als een verouderde instelling (H12). Ten slotte kunnen we veronderstellen dat mannen behoudender zullen staan tegenover de traditionele rolverdeling tussen de seksen (H13). Uit de literatuurstudie blijkt immers dat mannen en vrouwen tegengestelde belangen hebben bij een wijziging van de traditionele rolverdeling. Voor vrouwen brengt die alleen maar kansen en nieuwe mogelijkheden met zich mee, voor mannen meer competitie en verantwoordelijkheid in het huishouden. Vrouwen zullen de traditionele rolpatronen meer verwerpen dan mannen.

Benevens het lokaliseren van de trendsetters, onderzoeken we ook of er in de datasets van de Europese Waardestudies empirische evidentie te vinden is voor de trendsetter- en diffusietheorie. Individualisering is een proces dat zich gaandeweg uitbreidt over de hele samenleving. Na de trendsetters overspoelt het stelselmatig de andere delen van de bevolking. We veronderstellen dat groepen die in eerste instantie weinig of niet geïndividualiseerd zijn over de verschillende bevragingen hun achterstand inhalen (H14). Zien we inderdaad in de loop van de jaren een verspreiding van geïndividualiseerde waarden en waar staan we nu? Zijn anno 2000 alle bevolkingsgroepen in dezelfde mate geïndividualiseerd? We onderzoeken ook of in de data het zogenaamd inhaaleffect terug te vinden is, waarbij bepaalde groepen die in eerste instantie weinig of niet geïndividualiseerd waren, op een later tijdstip hun achterstand inhalen.

Vaak wordt leeftijd als belangrijke variabele aangegeven om een geïndividualiseerde waardeoriëntatie te verklaren. Hierboven werd al even aangehaald dat jongeren tot de trendsetters behoren en dat we dus verwachten dat jongeren meer geïndividualiseerd denken dan ouderen. Het effect van leeftijd in studies die waarden vergelijken over de tijd is echter een complex fenomeen dat met het nodige inzicht benaderd moet worden. In de vakliteratuur (Becker, H.A., 1991b, Hagenaars, 1998) wordt een onderscheid gemaakt tussen leeftijds- cohorten- en periode-effecten. Met betrekking tot deze thematiek is het belangrijk in te zien dat wij in onze data een cohorten- en periode-effect, maar niet zozeer een leeftijdseffect verwachten. We veronderstellen dat de jongste generaties meer geïndividualiseerd zullen zijn dan oudere generaties. Jongeren zijn immers gesocialiseerd in een modernere samenleving met een meer op zelfontplooiing en keuzevrijheid gerichte waardeoriëntatie. De tweede wereldoorlog laat een breuk zien. De vooroorlogse generaties zouden nog traditioneler denken. In wat volgt baseren wij ons op deze socialisatietheorie om het verschil tussen de generaties te verklaren[13]. Een leeftijdseffect aan de andere kant, waarbij een generatie een waardeverschuiving meemaakt telkens ze in een andere levensfase terechtkomt verwachten we niet te vinden voor de individualiseringswaarde. Het feit dat een bepaalde generatie meer geïndividualiseerd gaat denken naarmate ze ouder wordt, schrijven we niet toe aan het leeftijdseffect maar wel aan een periode-effect. Volgens de diffusietheorie verwachten we dat alle generaties een verschuiving meemaken naar meer individualisering. Zowel de jongere als de oudere generaties evolueren naar een meer geïndividualiseerde waardeoriëntatie, zij het weliswaar in verschillend tempo misschien. De trend naar meer individualisering is inherent aan het tijdperk van de reflexieve modernisering waarin we leven en allen, zowel jong als oud, zijn eraan onderhevig. Hoewel een duidelijk inzicht in leeftijds-, cohorte- en periode-effecten frequente metingen over een periode van 30 à 40 jaar vereist, zullen we in onze data waar mogelijk cohortes en leeftijdsgroepen met elkaar vergelijken over de tijd. We veronderstellen daarbij dat individualisering onderhevig is aan een cohorten- en periode-effect (H15).

Uit de literatuur blijkt dat individualisering zich manifesteert in privatisering van waardeoriëntaties. Dit betekent dat waarden steeds minder worden gevormd en bepaald door sociale collectiviteiten waarvan mensen deel uitmaken en dus minder samenhangen met sociale kenmerken zoals het behoren tot een bepaald geboortecohort, sociale klasse, geloof of opleidingsniveau (H16). Deze hypothese lijkt in eerste instantie niet te verzoenen met de opvatting dat individualisering zich vooral voordoet bij hoog opgeleiden, jongeren,… De trendsetter- en diffusietheorie spreekt echter ook over een geleidelijke verspreiding van geïndividualiseerde waarden over de ganse bevolking en in die zin zouden waarden naarmate de tijd vordert minder en minder samenhangen met opleidingsniveau, sociale klasse en leeftijd. We kunnen echter ook onderzoeken of er differentiële trends te merken zijn in privatisering. Zo vragen we ons onder meer af of bijvoorbeeld jongeren meer geprivatiseerd zijn. Dit kan zich uiten doordat hun waarden minder gebonden zijn aan geloof, geslacht, burgerlijke staat… We veronderstellen dat jongeren, hooggeschoolden en personen uit de hogere sociale klassen meer geprivatiseerd zijn (H17).

 

 

3. De respondenten nader bekeken

 

Alvorens over te gaan tot het testen van de hypothesen bekijken we de drie datasets naar de verdeling van enkele socio-demografische kenmerken.

 

Tabel 3.1