Individualiseringstendensen op het spoor. Een onderzoek naar waardeverandering m.b.t. het gezin aan de hand van de EVS-data. (Leen Vandecasteele)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

Vanaf het midden van de jaren tachtig is de term ‘individualisering’ zowel in de sociologische gemeenschap als in het brede maatschappelijke veld pasmunt geworden. De term wordt veelvuldig gebruikt om allerlei ontwikkelingen, gedragingen en opvattingen te karakteriseren. Het sociologisch discours rond individualisering situeert zich echter meestal op een theoretisch niveau. De ruime literatuur rond processen van individualisering is bitter weinig met empirisch materiaal gestaafd.

Deze verhandeling heeft als doelstelling het empirisch gehalte van deze individualiseringstendensen in kaart te brengen. We spitsen ons toe op waardeoriëntaties m.b.t. het gezin en primaire relaties aan het eind van de twintigste eeuw. Daarbij vragen we ons af in welke mate waardeveranderingen in deze periode kunnen gekarakteriseerd worden als processen van individualisering.

 Alvorens met het echte werk van start te gaan buigen we ons in het eerste hoofdstuk over de begrippen waarde en waardeverandering. Aan de hand van de voornaamste literatuur gaan we op zoek naar de basiskenmerken van waarden en stellen we een operationele definitie voor ons onderzoek op. Daarna bekijken we door welke mechanismen waardeverandering wordt gestuurd.

 In het tweede hoofdstuk dan gaan we van start met een schets van de ruime gezinscontext van de tweede helft van de twintigste eeuw. We onderzoeken welke socio-demografische veranderingen hun invloed laten gelden op het gezins- en relatieleven. Daarna wordt het tijd om verder in te gaan op het individualiseringsproces. We trachten de geschetste verandering op het gezinsvlak te kaderen binnen de individualiseringsthese. De laatste jaren kende het discours rond individualisering een ruime verspreiding en toepassing. Wetenschappers, beleidsmensen, journalisten, critici en columnisten allerhande gebruiken het begrip te pas en te onpas om de aan de gang zijnde ontwikkelingen in de samenleving te beschrijven. Het begrip wordt in heel verschillende contexten gebruikt en krijgt niet zelden ook een ideologische lading. Deze ruime verspreiding en toepassing van het begrip, zowel in het wetenschappelijk, het gevulgariseerd wetenschappelijk als het ideologisch taalgebruik kan ervoor zorgen dat men door het bos de bomen niet meer ziet. Een duidelijke afbakening van het concept dringt zich op. Vooral ook met het oog op wetenschappelijk empirisch onderzoek van het proces is dit geen overbodige luxe. Aan de hand van de literatuur van de voornaamste individualiseringstheoretici proberen we het begrip uiteen te leggen in een aantal toetsbare dimensies en processen. Daarbij besteden we ook aandacht aan de veruitwendigingen van het individualiseringsproces op het vlak van gezin en relaties. Als aanvulling op de individualiseringsthese gaan we in het tweede hoofdstuk ook in op enkele economische en structurele verklaringen voor de veranderingsprocessen die zich vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw in de gezinscontext afspelen.

 Na deze twee eerder theoretische hoofdstukken kunnen we aan de slag voor het empirisch onderzoek. We onderzoeken in welke mate we de verschillende aspecten, veruitwendigingen en processen verbonden aan het individualiseringsconcept in onze data terugvinden. De onderzoeksgegevens vormen de drie Belgische datasets van de European Value Studies. Met behulp van deze datasets kunnen waardeveranderingen tussen 1981, 1990 en 1999 in kaart gebracht worden.

Hoofdstuk vier heeft als doel via beschrijvende statistieken het individualiseringsconcept te verkennen in de data. We gaan op zoek naar de drie basisdimensies van individualisering: zelfontplooiing, keuzevrijheid en detraditionalisering. Daarnaast worden ook de veruitwendigingen van individualisering op het gezinsvlak behandeld. We toetsen of de nieuwe geïndividualiseerde waardeoriëntatie doorgedrongen is in de opvattingen over man-vrouwrollen, succesfactoren voor een geslaagd huwelijk en in de opvoedingswaarden. Belangrijk bij dit alles is dat we nagaan in welke mate het geïndividualiseerde denken toeneemt in de bestudeerde periode. Daarnaast gaan we in op de samenhang tussen de verschillende bestudeerde gezinswaarden. Eén van de uitingsvormen van het individualiseringsproces is namelijk de fragmentering van waarden. Omdat opvattingen in toenemende mate onderhevig zijn aan persoonlijke beslissingen zouden waarden minder samenclusteren tot herkenbare patronen. Algemeen wordt verondersteld dat de gezinswaarden traditioneel sterk samenclusterden. Een samenhangende ideologie omtrent huwelijk, voortplanting, seksualiteit en geslachtsrollen kenmerkte het tradtionele gezinsethos. We onderzoeken of de samenhang tussen de verschillende gezinswaarden gedurende de laatste twee decennia van de twintigste eeuw verzwakt.

 In hoofdstuk vijf dan wordt het effect van sociale kenmerken op waardeoriëntaties bestudeerd. We onderzoeken of we bepaalde trendsetters kunnen terugvinden bij de nieuwe geïndividualiseerde waardeoriëntatie en in welke mate er sprake is van een diffusie-effect. Enkele auteurs in het individualiseringsdebat gaan er nogal gemakkelijk vanuit dat het effect van achtergrondvariabelen vermindert over de tijd. Omdat de waardeoriëntatie meer en meer het voorwerp wordt van individuele keuzevrijheid zouden ze minder voorspeld kunnen worden door sociale collectiviteiten waartoe individuen behoren. Deze theoretische veronderstellingen zijn echter zelden of nooit empirisch onderbouwd. Onze data bieden de ideale gelegenheid om empirische evidentie voor dit zogenaamde privatiseringsproces te zoeken. Daarnaast wordt in dit hoofdstuk eveneens uitgezocht op welke manier we inzicht kunnen krijgen in de mechanismen van leeftijd- generatie- en periode-effecten. We vragen ons af of het effect van leeftijd dat algemeen teruggevonden wordt in waardeonderzoek terug te brengen is tot de generatie waartoe een persoon behoort of eerder een aanduiding is van de levensfase waarin een bepaald individu is terecht gekomen. Een derde mogelijkheid is dat vooral de periode waarin men leeft doorslaggevend is voor de waardeoriëntatie van een persoon en dat waardeverandering die met de leeftijd lijkt mee te gaan vooral verklaard wordt door de periode. We zoeken een manier om deze effecten van leeftijd, generatie en periode te onderscheiden.

 In het besluit vatten we de theoretische inzichten en de belangrijkste resultaten van het onderzoek samen en formuleren we een aantal conclusies.

 

 

Hoofdstuk 1. Een waardeonderzoek

 

In de verhandeling pogen we op zoek te gaan naar veranderingen in waardeoriëntaties. Het is dan ook interessant in dit eerste hoofdstuk even stil te staan bij het begrip waarde en een operationele definitie voor ons onderzoek op te stellen. In een tweede paragraaf spitsen we ons specifiek op waardeverandering toe. We onderzoeken wat de literatuur ons leert over de mogelijkheid van waardeveranderingen en bekijken enkele mechanismen van waardeverandering.

 

 

1. Het begrip waarde geconceptualiseerd[8]

 

Over wat waarden precies zijn bestaat niet één algemeen geldende definitie. Er bestaan grondige meningsverschillen en het lijkt wel alsof iedereen voor zich afzonderlijk uitmaakt wat onder het begrip valt. Sociologen, psychologen en filosofen verwoorden elk vanuit hun eigen discipline veel uiteenlopende interpretaties. Zo is bekend dat Lautman, iemand die zich uitgebreid met deze definiëring beziggehouden heeft, bij het doornemen van 4000 boeken en artikels op zowat 180 verschillende definities gestoten is (Halman, 1991, p. 20). Zoals te begrijpen valt is het in het bestek van deze verhandeling niet de bedoeling om een exhaustieve beschrijving te geven van alle verschillende definities en interpretaties. Wel zullen we proberen uit enkele veelgebruikte definiëringen uit de sociale wetenschappen gemeenschappelijke elementen te halen om op die manier tot een operationele definitie voor ons onderzoek te komen.

 

1.1. Opvattingen over het wenselijke

 

Waarden zijn opvattingen over het wenselijke. Het is interessant een onderscheid te maken tussen ‘wens’ en ‘wenselijk’, tussen ‘desire’ en ‘desirable’. Bij ‘desire’ gaat het om een wens, een voorkeur, de term ‘desirable’ voegt daar een morele lading aan toe. Bij wenselijkheden gaat het om principes, idealen, deugden… De term verwijst naar ideologie en wordt in termen van het ermee eens zijn of goed en kwaad geëvalueerd. Het gaat niet langer om wat ‘I want’, maar om wat ‘I ought’, wat ik zou moeten betrachten. Een waarde mag niet gelijk gesteld worden met een wenselijkheid, met iets wat wenselijk is, maar moet veeleer gezien worden als een opvatting over het wenselijke.

 

1.2. Zowel subjectief als afspiegeling van het collectieve

 

Becker, Van Enckevort en Enschedé stellen dat er grofweg twee visies op waarden zijn (Becker, J.W, e.a., 1983, pp. 16-17). De ene visie ziet waarden vooral vanuit het individu en koppelt het waardebegrip aan behoeftebevrediging en motivatie. Volgens een andere opvatting zijn waarden vooral te beschouwen op het algemene niveau van de samenleving en zijn ze meer verbonden met doeleinden, richtlijnen voor gedrag en een evaluatie van gedrag. Volgens de auteurs houden deze twee groepen van opvattingen nauw verband met elkaar en is het verschil ertussen vaak analytisch van aard. Duidelijk is dus dat er bij het definiëren van het waardebegrip blijkbaar twee aspecten naar voor komen: het individuele en het sociale. Verschillende auteurs geven aan dat we om de notie ‘waarde’ volledig te kunnen vatten zowel rekening moeten houden met het individuele als met het sociale aspect. Volgens Waeghe zijn waarden enerzijds de uitdrukking van de wensen van de actor zelf en anderzijds onderworpen aan de normen die gelden in de interactie (Waeghe, 1997, pp. 55-56). Ook Van Deth en Scarbrough proberen de twee componenten te verzoenen door ervan uit te gaan dat individuen tot hun waarden komen via participatie in een groep of gemeenschap (Van Deth & Scarbrough, 1995, pp. 33-37). De band tussen het individuele en het sociale karakter van waarden moet nog even toegelicht worden. Zowel Parsons als Durkheim geven aan dat waarden duidelijk iets anders zijn dan een optelling van individuele preferenties of de zoektocht naar een gemene deler (Waeghe, 1997, p. 56). Volgens Parsons zijn waarden wenselijkheden die op vele concrete situaties betrekking hebben en dus een algemeen karakter hebben. Het algemeen karakter van waarden betekent echter niet dat een bepaalde waarde ‘algemeen geldig’ is en dus door iedereen aangehangen wordt. Niet alle mensen hoeven een bepaalde waarde aan te hangen of in dezelfde mate aan te hangen (Becker, J.W. e.a., 1983, pp. 18-19). Ook Durkheim benadrukt dat mensen niet alle aspecten van collectieve voorstellingen moeten onderkennen opdat het om sociale data zou gaan (Waeghe, 1997, p. 56).

 

1.3. Een ‘onobserveerbaar’ karakter

 

Waarden zijn niet empirisch observeerbaar. Ze verschijnen ons niet als objecten maar eerder als a priori ‘s die niet observeerbaar of meteen meetbaar zijn.

Deze zienswijze brengt enkele vragen met zich mee. In de eerste plaats moeten we ons afvragen welke status waarden dan wel hebben als we aannemen dat ze geen empirisch observeerbare entiteiten zijn. Waarden worden opgevat als onderliggende oriëntaties die het gedrag en de attitudes van individuen kunnen sturen in een specifieke context. Het zijn hypothetische constructen die als zodanig niet empirisch waarneembaar zijn. Ze nemen de vorm aan van disposities en in die zin wordt de betekenis van waarden alleen duidelijk in een specifieke context (Van Deth & Scarbrough, 1995, p. 38). Hoe de relatie tussen waarden, attitudes en gedrag precies opgevat moet worden, wordt in de volgende paragraaf uitgelegd.

Ook voor de onderzoeker die waarden wil meten, duiken vragen op. Als waarden niet observeerbaar zijn, moeten we ons de vraag stellen hoe we er dan op een empirische wijze uitspraken over kunnen doen. Hoe kunnen we verbale uitspraken in een survey-interview als een uitdrukking van waarden zien? Sommige auteurs beweren dat waarden alleen maar kunnen worden achterhaald door mensen er rechtstreeks naar te vragen. Deze zienswijze is echter nogal moeilijk houdbaar want vaak is men zich zijn eigen waarden niet eens bewust of het is te moeilijk die onder woorden te brengen. Over het algemeen is men het er dan ook over eens dat het meten van waarden slechts op een indirecte manier kan gebeuren. Waarden kunnen worden afgeleid uit uitspraken van mensen of uit teksten via een inhoudsanalyse. Survey-onderzoekers meten attitudes en men neemt aan dat die in een bepaalde richting gestuurd worden door achterliggende waarden. Bij het analyseren van survey-onderzoek kunnen we nu op zoek gaan naar een welbepaald patroon in de antwoorden van mensen op een aantal attitudevragen. Dergelijk patroon noemen we een waardeoriëntatie. De statistische technieken die daarvoor gebruikt kunnen worden, worden dikwijls aangeduid met de term latente structuurmodellen (Becker, J.W. e.a., 1983, pp. 22-24; Van Deth & Scarbrough, 1995, pp. 37-42).

 

1.4. Attitudes en gedrag : een complexe relatie

 

In vrijwel alle definities van waarden komt de band met gedrag op één of andere manier tot uitdrukking. Waarden zouden een invloed hebben op de handelingen van individuen. Hoe die invloed zich manifesteert, is in eerste instantie niet helemaal duidelijk. We kunnen niet spreken van een directe relatie tussen een waarde en een concrete handeling. Zo is het bijvoorbeeld nogal moeilijk om aan te geven welk gedrag met de abstracte waarde ‘schoonheid’ overeenstemt. De afstand tussen waarde en gedrag is als het ware te groot. De invloed van waarden op gedrag kunnen we wel begrijpen via de tussenliggende attitude. Een attitude of houding wordt gelokaliseerd in het individu (Becker, J.W. e.a., 1983, p. 19) en wordt opgevat als een predispositie tot gedrag. In die zin liggen attitudes ‘dichter’ bij het concrete gedrag van individuen. Waarden nu kunnen beschouwd worden als elementen ‘achter’ attitudes. Een patroon in de antwoorden op enkele attitude-items in een survey wijst erop dat een onbserveerbaar fenomeen of proces aan het werk is. We gebruiken dus het onobserveerbaar concept waarde om een niet-empirisch fenomeen te verklaren. (Van Deth & Scarbrough, 1995, pp. 29-41)

Bovenstaande uiteenzetting moet op een paar punten genuanceerd en verduidelijkt worden. In de eerste plaats moet duidelijk gemaakt worden dat de relatie waarde-attitude-gedrag niet opgevat mag worden als een éénrichtingsverkeer in de zin dat waarden altijd aan de basis liggen van attitudes en attitudes op hun beurt het concrete gedrag richting geven. Zoals Festinger met zijn onderzoeken bewezen heeft, kan de invloed evengoed andersom gelden, als bijvoorbeeld een individu eerst een gedrag stelt en later op basis van dat gedrag een bepaalde attitude en waarde gaat aanhangen. (Nuttin, 1999, pp. 196-204 en pp. 220-237). Ten tweede kunnen we samen met de psychologen Fishbein en Ajzen stellen dat waarden slechts één van de componenten zijn ter verklaring van gedrag. Daarnaast zijn ook de concrete context van het handelen belangrijk, de normen van de groep… (Nuttin, 1999, pp. 204-205). Ten slotte is het is ook mogelijk dat een persoon verschillende elkaar tegenstrijdige waarden hanteert, denken we maar aan de rationele onverzoenbaarheid van de waarden vrijheid en gelijkheid. (Becker, J.W. e.a., 1983, pp. 18-19)

De band tussen waarden en gedrag is zeker niet onbetwist gebleven! Sommige auteurs probeerden aan te tonen dat de overeenstemming tussen waarden van individuen en hun gedrag gebrekkig is. Interessant in het kader van ons onderzoek zijn de bevindingen van Huismans waaruit bleek dat veranderende waarden m.b.t. vrouwenemancipatie en wonen niet altijd concrete houdingen van mensen veranderden (Becker, J.W. e.a., 1983, pp. 26-27). Barber, Axinn en Thornton (Barber, Axinn & Thornton, 2000) besluiten dan weer dat er een sterke relatie bestaat tussen attitudes en waarden enerzijds en gedragingen m.b.t. gezinsvorming, onderwijs, loopbaan, consumptie… anderzijds. Zo werd aangetoond dat wie positief staat t.o.v. huwen en het krijgen van kinderen ook op jongere leeftijd zal kiezen voor het huwelijk en kinderen. Een positieve attitude m.b.t. de uitbouw van een carrière remt het huwen, huwelijksvruchtbaarheid en voorhuwelijkse geboorten af, maar deze attitudes bevorderen het samenwonen.

 

 

2. Verandering in waardeoriëntaties

 

2.1. Is waardeverandering mogelijk?

 

Volgens Felling, Peters en Scheepers mogen we de snelheid van waardeveranderingen niet overschatten. Waardeoriëntaties worden over het algemeen gekenmerkt door een relatief grote continuïteit en stabiliteit. Ze kunnen weliswaar veranderen, maar deze veranderingen gaan langzaam omdat we te maken hebben met historisch gegroeide collectieve opvattingen over wat goed en belangrijk is. Waarden behoren tot de culturele inventaris van een samenleving (Felling, Peters & Scheepers, 2000, pp. 100-101).

Becker vraagt zich af of geheel nieuwe waarden wel zo vaak ontstaan. Waardeverandering heeft volgens hem meer te maken met het op de voor- of achtergrond treden van bepaalde waarden of de aanpassing ervan. Volgens hem zijn er drie omstandigheden waarin waarden kunnen veranderen. Ten eerste gaan mensen hun waarden veranderen wanneer ze inconsistenties tussen waarden ontdekken, de verandering gebeurt zodanig dat de inconsistentie verdwijnt. Een tweede geval waarbij we van waardeverandering kunnen spreken, is wanneer personen nieuwe informatie krijgen, vooral als die uit prestigieuze bron afkomstig is. Wanneer iemand, ten derde, in een situatie terechtkomt waarin hij/zij zich afwijkend van zijn waarden moeten gedragen, gaat die persoon heel dikwijls ook zijn waarden aanpassen aan de nieuwe situatie. Dit gebeurt om de spanning te reduceren die de nieuwe situatie met zich meebrengt. Waardeverandering manifesteert zich in een veranderende intensiteit van de waardeaanhang, veranderende centraliteit, meer of minder institutionalisering van de waarde… (Becker, J.W. e.a., 1983, pp. 24-26).

 

2.2. Mechanismen van waardeverschuivingen.

 

We kunnen de doorbraak van nieuwe waarden ten eerste begrijpen als een uitdrukking van de trendsetter- en diffusietheorie. Volgens de trendsetterhypothese zijn bepaalde sociale groepen trendsetter bij het doorzetten van één of andere ontwikkeling. Dat zijn de groepen die het meest betrokken zijn bij die ontwikkeling. De diffusietheorie dan stelt dat andere sociale groepen de trend in een later stadium overnemen. Dit kan resulteren in een inhaaleffect als de oorspronkelijke trendsetters niet nog verder evolueren of in tegengestelde richting veranderen (Middendorp, 1979, pp. 170-171).

Ten tweede moeten we bij het vergelijken tussen groepen een onderscheid maken tussen richting en tempo van de waardeverandering. Een verschil in de richting van het veranderingsproces treedt op wanneer bij bepaalde groepen in de samenleving een waardeoriëntatie sterker wordt, terwijl die bij andere groepen niet verandert of zwakker wordt. Een tempoverschil betekent dat bepaalde oriëntaties bij de ene groep in mindere of meerdere mate sterker of zwakker wordt dan bij andere groepen.

Het is ten derde ook belangrijk inzicht te krijgen in de mechanismen van cohorten-, leeftijds- en periode-effecten (Kerkhofs e.a., 1992, p. 35; Dobbelaere e.a., 2000, pp. 222-223; Hagenaers, 1998, pp. 211-215; Becker, H.A., 1991b; Lesthaeghe & Surkyn, 1988, pp. 17-23). Een eerste patroon is de situatie waarbij het cohorteneffect domineert. Een cohorte of generatie is een groep mensen die in eenzelfde periode geboren zijn. Men gaat ervan uit dat elke cohorte tijdens de socialisatie in een gemeenschappelijke periode de eigen opinies vormt en dat deze gedurende de rest van het leven min of meer gelijk blijven. Natuurlijk zijn er binnen de cohorte personen bij wie de waarden in de ene of de andere richting evolueren, maar gemiddeld genomen blijft de waardeoriëntatie van een cohorte over de tijd stabiel. Waardeverandering in de maatschappij treedt op wanneer nieuwe generaties aantreden en oude generaties uitsterven. Bij een model waarin het leeftijdseffect primeert daarentegen veranderen waarden van personen over de levensloop. Naarmate personen verouderen nemen ze de waardeoriëntaties van hun voorgangers over. De verschillende fasen van de levensloop (bijvoorbeeld: studententijd, huwelijk en ouderschap of pensioen) zijn van doorslaggevend belang bij het bepalen van de waarde. Omdat de jongere generaties op het vlak van waarden telkens slechts de plaats van hun voorgangers innemen blijft het gemiddelde van de hele samenleving ongeveer constant. Ten slotte onderkennen we het periode-effect waarbij de hele samenleving op een bepaald ogenblik een waardeverschuiving doormaakt als gevolg van de omstandigheden waarin ze terechtkomt.

 

 

3. Besluit: een operationele definitie

 

Uit de literatuurstudie kunnen we nu een waardedefinitie opstellen die we zullen hanteren voor ons onderzoek. Waarden zijn opvattingen over het wenselijke die niet meteen observeerbaar zijn. Ze hebben een morele connotatie en wijzen op ‘wat zou moeten’. In het waardebegrip verzoenen we een collectieve en een individuele dimensie. We concipiëren waarden als hypothetische, onderliggende constructen die attitudes in een bepaalde richting sturen, attitudes zijn op hun beurt de onmiddellijke voorlopers van gedrag. De invloed kan ook omgekeerd gelden in de zin dat attitudes of gedrag waarden gaan sturen. Het bewijs voor empirische evidentie van waarden is het feit dat we een bepaald patroon kunnen vinden in de antwoorden op een aantal attitudevragen, dit patroon noemen we een waardeoriëntatie. Wanneer we het dan over waardeverandering hebben benadrukken zowel Becker als Felling e.a. dat waardeverandering in de zin van het ontstaan van nieuwe waarden die de oude vervangen niet zo vaak voorkomt. Omdat waarden tot de culturele inventaris van een collectiviteit behoren is dit eerder een traag proces. Volgens Becker manifesteert de waardeverandering zich op individueel niveau meestal door het op de voor- of achtergrond treden van bepaalde waarden. Nieuwe waarden vinden vaak ingang volgens het mechanisme van de trendsetter- en diffusietheorie. Tussen verschillende sociale groepen kan een verschil in tempo en richting optreden.

 

 

Hoofdstuk 2. Een onvoorstelbare omwenteling in de gezinscontext

 

In deze verhandeling gaan we in op individualiseringstendensen in de gezinssfeer. Om de waardering voor gezinsaspecten goed te begrijpen, is het echter noodzakelijk de brede gezinscontext in overweging te nemen. Daarom geven we in wat volgt eerst een beschrijving van de socio-demografische processen die zich vanaf de tweede helft van de twintigste eeuw binnen gezinnen afgespeeld hebben. In tweede instantie kaderen we deze demografische processen in de individualiseringsthese. We gaan in op het individualiseringsproces en de gevolgen voor de gezinssfeer. Ten slotte bekijken we hoe in economische en structurele theorieën tegen deze veranderingen aangekeken wordt.

 

 

1. Een afbrokkeling van het traditionele gezinspatroon: de tweede demografische transitie onder de loep !

 

Na de eerste wereldoorlog viert de traditionele gezinsvorming hoogtij. Trouwen, en liefst jong is de boodschap! Eens het gezin gesticht, komen er al vlug meerdere kinderen in huis. Er is sprake van een babyboom die tot ongeveer het midden van de jaren ‘60 geduurd heeft. Deze situatie is het gevolg van een ontwikkeling die al zichtbaar werd bij de overgang naar het industriële tijdperk: een voortdurende vermindering van de belemmeringen die het aangaan van een huwelijk in de weg konden staan. Een bloeiende economie zorgt voor een gunstige arbeidsmarkt, waardoor men zich het huwelijk en het krijgen van kinderen kan veroorloven. Ook de overheidsmaatregelen voor gezinsondersteuning zijn een incentive om een gezin te vormen. In het traditionele gezinstype horen liefde, seksualiteit, huwelijk en voortplanting noodzakelijk samen. Een huwelijk wordt gesloten op basis van liefde en voor het hele leven. Seksualiteit is voorbehouden aan gehuwden en het krijgen van kinderen is daar een vanzelfsprekend gevolg van. Er is ook een grote invloed van de kerk en het geloof op de manier waarop aan het gezinsleven uiting wordt gegeven. De Parsoniaanse conceptie van de ideale gezinsvorm is het meest populair. Bij deze gezinsvorm is er een sterke functiedeling voor man en vrouw: de man is kostwinner en zijn taken liggen dan ook buiten het gezin, terwijl de vrouw gericht is op het huishouden, de kinderen en affectieve taken binnen het gezin. (van den Elzen, 1998, p. 48; Halman, 1991, p. 187; Zwaan, 1993, pp. 240-264).

Het toppunt van het succes van dit gezinspatroon is tegelijkertijd de aanzet van ingrijpende veranderingen. Vanaf de jaren ‘60 is er sprake van een dalende huwelijks- en hertrouwintensiteit, een toenemende echtscheidingskans en een toename van de pluriformiteit van leefvormen (Van den Troost, 2000, p. 132). Daarnaast doet zich een daling voor van het geboortecijfer, in sommige Westerse landen zelfs tot onder het vervangingsniveau (van den Elzen, 1996, p. 30). Het geheel van deze veranderingen wordt door sommige auteurs aangeduid als de ‘tweede demografische transitie’ (Lesthaeghe, 1987). Hieronder bespreken we deze veranderingen één voor één wat meer in detail.

 

1.1. Dalende huwelijksintensiteit en stijgende echtscheidingscijfers

 

In alle hooggeïndustrialiseerde landen doet zich een sterke daling van de huwelijksintensiteit voor. Tussen 1980 en 1998 daalde het huwelijkscijfer in Vlaanderen van 39.000 tot 25.000 (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Algemene Zaken en Financiën, Afdeling Algemene Administratieve diensten, 1999). Het huwelijk lijkt dus minder populair te worden. Welke tendensen kunnen we hierin onderscheiden? Jongeren blijken de stap naar het huwelijk minder vroeg te zetten, er is een stijging waar te nemen van de gemiddelde huwelijksleeftijd. Het huwelijk geldt minder als collectief teken van volwassenheid en wordt maatschappelijk ook minder vereist. Daarnaast is het huwelijk ook niet meer noodzakelijk voor het aangaan van een liefdesrelatie met het andere geslacht en voor het onderhouden van seksuele betrekkingen. De ‘heilige viereenheid’ huwelijk, voortplanting, liefde en seksualiteit werd losgekoppeld. Dit heeft tot gevolg dat ook minder vaste relatievormen mogelijk worden, zonder zich direct te binden in een huwelijk. Ook andere samenlevingsvormen, zoals ongehuwd samenwonen, al dan niet als voorbereiding op het huwelijk worden populair. Maar uitstel van het huwen betekent voor de meesten geen afstel. Het huwelijk blijft een belangrijk levensideaal, al vermindert deze visie onder de jongste generatie. Bij een groter wordende groep wordt de stap naar het huwelijk dan ook niet meer gezet. Ongehuwd samenwonen lijkt daar een interessant alternatief te zijn. (Zwaan, 1993, pp. 262-263)

Er worden niet alleen minder huwelijken gesloten, een huwelijk wordt ook vaker dan vroeger weer ontbonden. In 1970 waren er in België 6.400 echtscheidingen, dit aantal steeg tot 27.000 in 1997. Eén vierde à één derde van de huwelijken eindigt via een echtscheiding (Lammertyn e.a., 2001, p. 29). Het huwelijk kent dus duidelijk een verminderde stabiliteit en duurzaamheid. Mensen trouwen wel, maar blijven in veel mindere mate bij elkaar tot de dood van één van de twee partners een einde maakt aan het huwelijk. Het aantal gescheidenen dat hertrouwt, was lange tijd groter dan de helft. Vanaf het midden van de jaren zeventig is ook bij deze groep de huwelijksintensiteit verminderd.

 

1.2. Nieuwe leefvormen

 

We hebben al even het ongehuwd samenwonen aangehaald. Deze vorm van samenleven heeft een grote opmars gekend: op 10 jaar tijd is het aantal 21-24-jarige vrouwen dat ongehuwd samenwoont, gestegen van 4 tot 8% (Lammertyn e.a., 2001, p. 29). Tussen 1992 en 1996 schommelde het ongehuwd samenwonen tussen de 7,1% en 9,7% (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Algemene Zaken en Financiën, Afdeling Algemene Administratieve diensten, 2000). In de jaren ‘60 werd deze vorm van samenleven nog concubinaat genoemd en algemeen veroordeeld, terwijl het nu een leefvorm is die in wijd verbreide kring aanvaard en bekend is. Het ongehuwd samenwonen kan een premaritaal of postmaritaal karakter hebben, ofwel komt het voor als alternatief voor het huwelijk. Premaritaal samenwonen betekent dan samenwonen voorafgaand aan en als voorbereiding op het huwelijk. Postmaritaal samenwonen komt voor wanneer gescheiden mensen opnieuw samenwonen met een (andere) partner. In het algemeen wordt aangenomen dat het samenleven meer als een fase voorafgaand aan het huwelijk beschouwd moet worden. Het is geen echt alternatief, maar het gaat vaak om een soort proefhuwelijk. Het ongehuwd samenwonen neemt af als de leeftijd toeneemt en vooral als er kinderen komen, kiezen veel samenwoners alsnog voor het huwelijk (Halman, 1991, p. 186). Daarentegen stellen Matthijs en Van den Troost (Matthijs & Van de Troost, 1998, p. 113) dat ongehuwd samenwonen toch een alternatief voor het huwelijk wordt. Het is vooral een stedelijk fenomeen dat zich vaker voordoet bij vrijzinnigen en ongelovigen dan bij katholieken (Nuelant, 1999, p. 241).

Niet alleen het ongehuwd samenwonen, maar ook het alleen wonen is toegenomen. Of men uit vrije wil kiest voor het alleen zijn moet echter betwijfeld worden. Ook voor het alleenstaand ouderschap wordt slechts door een gering aantal mensen vrijwillig gekozen. Vaak zijn de alleenwoners oudere vrouwen die hun man verloren hebben en het leven nu alleen verder zetten (Zwaan, 1993, pp.256-262 ; Lammertyn e.a., 2001, p. 30).

Een andere verandering op het vlak van leefvormen zijn de zogenaamde stiefgezinnen of nieuw samengestelde gezinnen, die gevormd worden wanneer één van de twee partners na de scheiding opnieuw een gezin sticht. In een stiefgezin is minstens één kind niet het biologische kind van één van de ouders. Kinderen uit een vorige relatie of huwelijk zijn dus de bepalende factor. Vroeger ontstonden stiefgezinnen vooral door hertrouw na verweduwing, nu is dat anders en ontstaat deze gezinsvorm vooral door hertrouw of ongehuwd samenwonen na (feitelijke of wettelijke) scheiding (Van Bavel, 1995, p. 222). De relaties binnen nieuw gevormde gezinnen worden complex: mijn kinderen, uw kinderen, onze kinderen met de daaraan verbonden verschillende regelingen, gevoeligheden en conflicten (Lammertyn e.a., 2001, p. 29).

 

1.3. Vruchtbaarheid en seksualiteit

 

Vanaf het midden van de jaren ‘60 is een sterke afname van het aantal geboorten te constateren. België heeft de overgang doorgemaakt van een land met een relatief hoge vruchtbaarheid (in Westers perspectief) naar een land met een lage vruchtbaarheid. De breuk ligt in het begin van de jaren ‘70 toen het vruchtbaarheidscijfer onder het vervangingsniveau van 2,1 kinderen per vrouw duikelde (Lammertyn e.a., 2001, p. 29). Deze nooit eerder voorgekomen demografische kentering heeft enorme gevolgen op bevolkingssociologisch vlak: denken we maar aan de verschijnselen ontgroening en vergrijzing. De daling van de vruchtbaarheid gaat ook gepaard met een uitstel van de geboorte van het eerste kind. In België is de leeftijd van de moeder bij de geboorte van haar eerste kind gestegen van 24 jaar in 1970 tot 26 jaar en 9 maand in 1992. In het Vlaams Gewest was de gemiddelde leeftijd van de moeder bij de geboorte van haar eerste kind in 1996 gestegen tot 27,2 jaar (D’Hondt – Van Opdenbosch, P., 1997). De toegenomen scholingsgraad van vrouwen en daaraan gekoppeld de toegenomen buitenshuise tewerkstelling van vrouwen vanaf de jaren ‘60 zijn belangrijke verklaringsfactoren voor deze vruchtbaarheidsdaling.

De sterke daling van de vruchtbaarheid vanaf het midden van de jaren ‘60 wijst op het ontstaan van wat demografen wel eens de ‘perfect anticonceptionele samenleving’ genoemd hebben. Anticonceptiva zijn in grote getale beschikbaar, zeer effectief en het gebruik ervan is algemeen aanvaard. Wat lange tijd in handen van de natuur geweest is, het aantal kinderen, het tijdstip en de planning ervan, is nu een kwestie van ‘cultuur’, van keuze (Zwaan, 1993, p.249). We kunnen dus spreken van een loskoppeling van seksualiteit en voortplanting. Seksualiteit heeft een zelfstandiger positie verworven en wordt ook positiever gewaardeerd. Lustbeleving is een nastrevenswaardig doel geworden en seksualiteit is meer gericht op individuele persoonsontwikkeling, daar waar het vroeger meer gezinsgericht was. Vooral vrouwen zijn nu meer dan ooit in staat een eigen seksueel leven te leiden zonder telkens het risico op zwangerschap. (Zwaan, 1993, p. 272; Lammertyn e.a., 2001, p. 30)

In dit kader eveneens belangrijk is de sterke toename van het aantal buitenechtelijke geboorten. Dit wijst op een loskoppeling tussen huwelijk en voortplanting.

 

 

2. Theoretische kadering in de individualiseringsthese

 

In navolging van Beck e.a. kunnen we de socio-demografische veranderingen zien als een uitdrukking van het voortschrijdend individualiseringsproces. Individualisering betreft de waarden, normen, opvattingen… over hoe een individu aan zijn/haar levensloop en het samenleven met andere mensen vorm geeft. Het heeft zijn repercussies op tal van deeldomeinen van het maatschappelijk leven. Hieronder gaan we iets dieper in op het fenomeen individualisering en we proberen het te kaderen in de bredere modernisering. We bekijken ook de gevolgen voor het gezin en vragen ons af of de trends in de hele samenleving in dezelfde mate zichtbaar zijn. Ten slotte proberen we, met het oog op empirische operationalisatie, de verschillende aspecten van individualisering op een rijtje te zetten.

 

2.1. Individualisering: het begrip verkend

 

Het containerbegrip individualisering wordt in de literatuur en ook in de dagelijkse omgang frequent gebruikt om allerhande houdingen, gedragingen en tendensen te verklaren, maar dikwijls wordt daarbij vergeten het begrip duidelijk te omlijnen. Hier zullen we daar een poging toe ondernemen. Na een literatuurstudie besluiten we tot drie basiskenmerken: detraditionalisering, keuzevrijheid en zelfontplooiing.

Detraditionalisering is het proces dat wordt gekenmerkt door de verminderde invloed van traditionele instituties en een relativering van traditionele waarden en normen. Individuen distantiëren zich in toenemende mate van de kerk, het huwelijk, politieke partijen, vakbonden… Dit uit zich in een verminderde participatie aan of lidmaatschap van die instituties, maar ook de daarbij horende waarden en normen boeten aan betekenis in. Door de staat, religie of traditie opgelegde rolpatronen of referentiekaders storten in. Of zoals Lammertyn het beschrijft: ‘ Het feit geboren te zijn in een katholiek gezin verplicht mensen niet langer voor de CVP te stemmen, zich aan te sluiten bij alle takken van het ACW, naar de K.U.Leuven te gaan… stuk voor stuk zaken die vroeger min of meer voor de hand lagen’ (Lammertyn e.a., 2001, p. 20). Beck duidt ook op het feit dat de kracht uitgaande van sociale categorieën zoals klasse en gender aan het teruglopen is (Beck & Beck-Gernsheim, 1996, pp. 24).

Individualisering kenmerkt zich ten tweede door een toegenomen keuzevrijheid voor individuen. Dit tweede aspect van individualisering hangt sterk samen met het eerste. Wanneer waarden niet meer bepaald worden door traditionele instituties zoals de kerk worden individuen daar zelf verantwoordelijk voor. De nadruk wordt gelegd op de autonomie van een persoon en het maken van eigen keuzes. Op vele domeinen is deze keuzemogelijkheid gegarandeerd; het individu kan daar actief op inspelen en zelf zijn/haar biografie uitschrijven. Meer nog, het individu wordt verwacht, zelfs verplicht zelf zijn/haar leven vorm te geven: de keuzemogelijkheid wordt een keuzedwang. Iedereen wordt de ontwerper van zijn/haar eigen biografie. Beck spreekt van een overgang van de gestandaardiseerde biografie naar een keuzebiografie, een reflexieve biografie, een do-it-yourself biografie (Beck & Beck-Gernsheim, 1996, p. 25).

Ten derde wordt in het individualiseringsdiscours door een aantal auteurs uitgebreid aandacht besteed aan de nadruk op zelfontplooiing (van den Elzen, 1996, p. 30). Eén en ander kan bekeken worden vanuit de ideeën van Maslow en Inglehart. Maslow vertrekt van een behoeftehiërarchie van motivaties. Van zodra de fysische behoeften en de behoefte aan zekerheid vervuld zijn, treedt een verschuiving op naar de psychische behoefte aan erkenning en zelfontplooiing. Maslows theorie vormt de directe grondslag voor Ingleharts schaal van materialisme en postmaterialisme. Een materialistische oriëntatie wordt gekenmerkt door de hoge prioriteit die toegekend wordt aan fysische en economische veiligheid en aan economische groei. Postmaterialisme legt de nadruk bij aspecten van sociale emancipatie en persoonlijke ontwikkeling (Lesthaeghe & Meekers, 1987, p. 141).

Individualisering is niet een gegeven dat zomaar uit het niets ontstaan is. Zoals hieronder aangetoond zal worden, kadert het in de bredere moderniseringscontext. Er zijn ook een aantal concrete oorzaken en mogelijkheidsvoorwaarden voor het proces aan te geven. Een eerste belangrijke voedingsbodem is de algemene verhoging van de levensstandaard die de materiële mogelijkheid biedt voor het loskomen van de traditionele levensloop. De toegenomen opleidingsmogelijkheden vervolgens, wapenen individuen met de nodige competenties om een geïndividualiseerde levensloop uit te bouwen. Ook de toegenomen mobiliteit en competitie op de arbeidsmarkt en de uitbouw van het arbeidsrecht gaven een stevige impuls aan de individualiseringstendens (Beck, 1992, pp. 92-95).

Het is ten slotte belangrijk in te zien dat individualisering in geen geval een synoniem is van vereenzaming, egoïsme of individualisme. Sociale relaties verdwijnen niet maar hebben wél andere kenmerken gekregen. Relaties en groepen krijgen een meer vlottend, tijdelijk karakter en kenmerken zich door een toenemende interindividuele maakbaarheid (Laermans, 1992, pp. 69-70). Op de gevolgen en de betekenissen van individualisering voor relaties binnen de gezinscontext en de primaire leefwereld komen we hieronder nog terug.

 

2.2. Afgeleide processen

 

De combinatie van de drie basiskenmerken brengt afgeleide processen als privatisering en fragmentering met zich mee. Een sterk doorgedreven detraditionalisering, keuzevrijheid en nadruk op zelfontplooiing brengt met zich mee dat waarden steeds minder worden gevormd en bepaald door sociale collectiviteiten waarvan mensen deel uitmaken en dus minder samenhangen met sociale kenmerken zoals het behoren tot een bepaald geboortecohort, sociale klasse, opleidingsniveau… In een geïndividualiseerde samenleving verwachten we dat individuen zelf bewust hun opvattingen en houdingen vormen en zich daarbij minder laten leiden door de collectieve identiteiten waartoe ze behoren. Door de individualiseringstendens zijn waarden minder het gevolg van ervaringen die systematisch samenhangen met het lidmaatschap van een bepaalde collectiviteit of bevolkingscategorie, zoals vrouw zijn, Vlaming zijn, geboren zijn in een lage sociale klasse… Het wordt steeds moeilijker te spreken over de typische opvattingen van bijvoorbeeld de katholieken, arbeiders, hoog opgeleiden of jongeren (Felling e.a., 2000, p. 102; Elchardus, 1999, pp. 133-146). In wat volgt duiden we dit proces aan met de term privatisering.

Individualisering in de zin van fragmentering van waardeoriëntaties betekent dat er steeds minder samenhang bestaat tussen verschillende opvattingen en waarden (Felling e.a., 2000, pp. 43-44). De meeste theorieën over waarden veronderstellen dat waarden niet los van elkaar bestaan, maar samenclusteren tot zogenaamde waardepatronen. Volgens de individualiseringsthese zou deze clustering van waardeoriëntaties tot herkenbare patronen langzaam afbrokkelen omdat de opvattingen van mensen in toenemende mate een zaak is geworden van persoonlijke beslissingen.

 

2.3. Een onderdeel van reflexieve modernisering

 

De toenemende individualisering moeten we zien als een onderdeel van het moderniseringsproces. Daaronder verstaat men het veranderingsproces dat zich sinds het einde van de middeleeuwen in de westerse wereld heeft voltrokken en dat bestaat uit een groot aantal onderling samenhangende structurele en culturele veranderingen (Felling e.a., 2000, p. 31). We denken daarbij aan veranderingen in de economie (opkomst van kapitalisme en industrialisering), in de sociale en politieke sector (bvb. formalisering, urbanisatie, massaonderwijs en democratisering van de staat) en in de culturele sfeer (bvb. secularisering en individualisering). Het moderniseringsproces is geen lineaire aangelegenheid. Ulrich Beck onderscheidt twee stadia.

De eerste moderniteit ontstaat met de overgang naar de industriële samenleving. Onder invloed van de ideeën van wetenschappelijke rationaliteit en verlichting wordt de middeleeuwse standenmaatschappij vervangen door een nieuwe industriële maatschappij. Er treedt een proces van functionele differentiatie op waarbij de verschillende maatschappelijke subsectoren zoals economie, politiek, onderwijs en religie zich verzelfstandigen en specialiseren. Voor het gezin betekent dit een proces van functieverlies. Denk maar aan de economische, religieuze en opleidingsfuncties die door andere instituties overgenomen worden. Het gezin zelf blijft instaan voor reproductieve, socialisatie- en emotionele functies (Espenshade, 1985, pp.234-235; Van den Troost, 2000, p. 135). Een nieuwe maatschappij werkt met nieuwe opdelingen en onderscheidingen: het klassenonderscheid wordt belangrijk en het leven vormt zich rond geslachtsgebonden patronen en leefwijzen; hierbij denken we aan de typische situatie met de mannelijke kostwinner en de vrouw aan de haard. In de eerste moderniteit zijn ook al de eerste tekenen van individualisering te bespeuren. Die zijn echter ook sterk gebonden aan klasse en geslacht. Zo wordt in de begoede klassen aandacht besteed aan opleiding en zelfontplooiing. Vanaf de industriële revolutie begeven ook de meeste mannen zich als kostwinner buitenshuis om te werken. Op de arbeidsmarkt krijgen ze (min of meer) de kans om een eigen loopbaan uit te tekenen. We zien dus dat de mogelijkheid van een geïndividualiseerde levensloop niet voor iedereen voorhanden is. De vraag wie aanspraak kan maken op bepaalde vrijheidsrechten wordt grotendeels ontologisch beantwoord, bijvoorbeeld op basis van geslacht, afkomst, klasse enzovoort (Beck, 1998, p. 73). Zo wordt de vrouw haar recht om buitenshuis te werken ontzegd op basis van haar geslacht. Het zijn enkel de mannen die hun eigen biografie uitbouwen op de arbeidsmarkt ten koste van de vrouwen. Die bevinden zich namelijk in een afhankelijke positie door het verrichten van onbetaalde thuisarbeid (Beck-Gernsheim, 1995, p.56-58).

Met de ingang van de jaren ‘60 zien we een overgang in het moderniseringsproces. Felling, Peeters en Scheepers spreken van een versnelling die vooral gekenmerkt zou worden door detraditionalisering en verregaande individualisering (Felling, 2000, pp. 31-32). Beck spreekt van een overgang naar de tweede of reflexieve modernisering. Reflexieve modernisering betekent een radicalisering van het moderniseringsproces, het proces wordt vervolledigd en veralgemeend (Beck, 1997, pp. 16-17). Beck spreekt ook wel eens over de ‘modernisering van de moderniteit’. Het vreemde en uitdagende in Becks theorie is de idee dat de tweede moderniteit haar grondslag vindt in de eerste maar tegelijk de uitgangspunten ervan ondermijnt. De traditionele klassenopdelingen en geslachtsrollen die de kern uitmaakten van de eerste moderniteit worden onderuitgehaald door een ver doorgedreven radicalisering van de modernisering. Zo zet het individualiseringsproces zich door bij brede bevolkingslagen. Dit kan mede gebeuren doordat omstreeks het midden van de twintigste eeuw de basisvoorwaarden daarvoor voorhanden zijn. We denken aan de stijging van de levensstandaard, arbeidsmobiliteit, scholingsmogelijkheden, de sociale wetgeving… (Beck, 1992, pp. 92-95). Allen maken een democratisering van individualiseringsprocessen mogelijk. Zo gaan voortaan ook vrouwen hun eigen biografie uittekenen door zich aan te bieden op de arbeidsmarkt. De vrouw beschouwt zichzelf niet langer als verlengstuk van het gezin, maar als individu met overeenkomstige rechten en belangen, en met haar eigen toekomst en keuzes (Beck, 1995, p.60). Dit individualiseringsproces heeft ook verrijkende gevolgen voor het kerngezin. Voor een koppel is het niet meer vanzelfsprekend dat men huwt, kinderen krijgt… Of men huwt en wanneer, of men samenwoont, of men kinderen krijgt binnen of buiten het huwelijk… is allemaal onderwerp van vrije keuze en onderhandeling geworden. Het lijkt wel of het proces van functionele differentiatie van de 20ste eeuw zich in de tweede moderniteit ook voltrekt op microniveau. Dit wordt dan expressieve segmentering genoemd: het losweken van partnerschap, huwelijk, seksualiteit en vruchtbaarheid (Mathijs, 2000, p.105).

 

2.4. Gevolgen voor primaire relaties

 

Sedert de tweede helft van de 20ste eeuw manifesteren de gevolgen van modernisering en individualisering zich in verschillende levenssferen. Beck beschrijft dit tijdperk als ‘the age of side-effects’, duidend op het grote belang van de consequenties van modernisering (én de kennis ervan). Volgens hem maken precies de gevolgen van een geradicaliseerde modernisering de kern uit van de reflexieve modernisering. De in de eerste paragraaf beschreven demografische veranderingen kunnen als een uitdrukking van de geïndividualiseerde waardeoriëntatie gezien worden. Hieronder gaan we in op het hoe en waarom van de verminderde aantrekkingskracht van het huwelijk, het brozer worden van relaties… waarvan de empirische evidentie al in de eerste paragraaf gegeven werd. We kaderen de gegeven socio-demografische veranderingen in de individualiseringsthese. Daarnaast besteden we aandacht aan de gevolgen voor de interne gezinsverhoudingen. We bekijken de veranderde perceptie op en vormgeving van de man-vrouw relatie en de relatie met kinderen in gezinsverband.

 

2.4.1. Detraditionalisering op het vlak van primaire relaties

 

De bovenbeschreven socio-demografische veranderingen zeggen genoeg: het instituut huwelijk doet het niet meer. Uitstel en afstel van het huwelijk en een toenemende echtscheidingskans zijn duidelijke aanwijzingen voor een detraditionalisering op dit vlak. Tegelijk kunnen we stellen dat het relationele en gezinsleven vorm krijgt in andere samenlevingsvormen: ongehuwd samenwonen, hertrouwen, stiefgezinnen, LAT-relaties… zijn maar enkele voorbeelden van de mogelijkheden. Het traditionele ja-woord: ‘in goede en kwade dagen en tot de dood ons scheidt…’ is dan ook niet meer aangepast aan de geïndividualiseerde context. Een huwelijk wordt niet meer voor heel het leven gesloten maar is meer en meer onderhevig aan de voortdurend veranderende mogelijkheidsvoorwaarden van het hier en nu.

Ook de moraal die eeuwenlang door de kerk werd opgelegd, staat vanaf het midden van de jaren ‘60 onder vuur. De kerk verspreidde eeuwenlang een moraal waarbij seksualiteit enkel en alleen in functie van de voortplanting stond, homoseksualiteit en echtscheiding werden als een zonde voorgesteld en over het algemeen diende seksualiteit zoveel mogelijk onderdrukt te worden. Op die manier heeft de kerk een niet te onderschatten impact gehad op het relationele leven van mensen. Vanaf het midden van de 20ste eeuw ontstaat een tegenbeweging; men gaat in tegen de eeuwenlange institutionele bevoogding door de kerk en ijvert voor een individuele morele autonomie. Homoseksualiteit wordt gaandeweg uit de taboesfeer gehaald, het gebruik van anticonceptiva raakt algemeen verspreid, de plezierwaarde van seksualiteit wordt benadrukt, het uitvoeren van abortus wordt mogelijk… Dit zijn maar een paar voorbeelden van de tanende invloed van de kerkelijke waarden.

 

2.4.2. Een relatie: een risicovolle onderneming

 

De keuzevrijheid die individualisering met zich meebrengt is niet altijd makkelijk te dragen (Beck, 1995, p.52). Samenleven met iemand verhoogt de stress–factor nog. Twee verschillende mensen met andere waarden en normen, andere ideeën en wensen moeten immers samen beslissingen treffen over allerhande zaken. De uitkomst van zo’n beslissingsproces is onvoorspelbaar en risicovol : hoe complexer de beslissingen, hoe groter de kans dat ze uitmonden in meningsverschillen en ruzies. Wanneer partners aan een relatie beginnen, ligt niets nog op voorhand vast. Een koppel moet elke dag opnieuw hun relatie uitvinden, op elk moment is een koersverandering mogelijk. Men wordt zich ook bewust van gevaren: wat als beide partners plots een totaal verschillende koers verkiezen? (Beck-Gernsheim, 1995, p. 55). Volgens Laermans hebben relaties een vlottend karakter gekregen. Wanneer het geïndividualiseerde individu zich niet langer kan vinden in een liefdes-, huwelijks- of vriendschapsrelatie, gaat hij/zij op zoek naar anderen bij wie men zich wel thuis voelt (Laermans, 1992, p. 69). Vaak houden partners al van bij de start van hun huwelijk of zelfs vroeger rekening met het onzekere en het ongekende (Matthijs, 2000, pp. 114). Daarnaast wordt de individuele levensloop van personen danig gestuurd door externe factoren zoals de arbeidsmarkt met zijn flexibiliteiteisen. De eisen van de arbeidsmarkt zijn vaak moeilijk te verzoenen met het gezinsleven wat de zaken er alleen maar moeilijker op maakt.

 

2.4.3. De noodzakelijkheid van kwaliteitsvolle relaties

 

Hoewel het onderhouden van een succesvolle relatie moeilijker geworden is, wordt een kwaliteitsvolle relatie in de reflexieve modernisering ook meer en meer een emotionele noodzaak. Het feit dat de traditionele instituties en normen op hun retour zijn maakt individuen onzeker. De vanzelfsprekendheid is zoek en het individu krijgt te maken met een innerlijke onrust en onzekerheid. Het gezin wordt beschouwd als een soort veilige thuishaven in een vreemde wereld die sterk onderhevig is aan verandering (Beck, 1995, pp.48-49). Dit wil zeggen dat wanneer de oude banden hun betekenis verliezen onze emotionele en mentale stabiliteit afhankelijk is van de steun van de mensen die dicht bij ons staan. ‘Alles wat verloren is gegaan, wordt plots gezocht in de andere. … De verheerlijking van de liefde is recht evenredig met wat de moderniteit de mensen heeft doen achterlaten. Geen God, geen priesters, geen klasse, geen buren… wel JIJ. En de omvang van JIJ is recht evenredig met de omvang van de leegte’ (Beck, 1992, pp. 113-114). Het proces van functionele differentiatie heeft het gezin een belangrijke functie gelaten: de emotionele. Men heeft nood aan bevestiging van het eigen zelf en dit wordt bereikt door de erkenning die men krijgt van de ander (Beck, 1995, p. 51). Binnen de relatie wordt de nadruk gelegd op intimiteit, emoties, geborgenheid… Kortom: kwaliteit van de relatie wordt belangrijk en daar wil men wel een stuk van zichzelf in investeren. De belangrijkste pijlers voor een succesvolle relatie zijn autonomie, zelfontplooiing, intimiteit en wederzijds respect en vertrouwen (van den Elzen, 1996, pp. 30-31).

 

2.4.4. Naar een toenemende gelijkheid voor man en vrouw !

 

Wanneer we de machtsverhoudingen binnen het gezin bekijken kunnen we stellen dat er sprake is van een overgang van een bevelshuishouding naar een onderhandelingshuishouding (De Swaan, 1989, pp. 81-116). Tot de jaren ’50 kon in het gezin een duidelijke hiërarchie onderscheiden worden, de man was de baas en verantwoordelijk voor alle belangrijke beslissingen. Met de overgang naar de onderhandelingshuishouding worden beslissingen maar genomen na negotiatie. Onder invloed van de individualiseringstendens kenmerken de gezinsverhoudingen zich door egalitarisme en is er meer aandacht voor individuele zelfontplooiing van man en vrouw. Binnen het gezin staan man en vrouw op gelijke voet. Respect, communicatie en onderhandeling zijn dan ook sleutelwoorden geworden voor een geslaagde relatie.

Ook de traditionele rolpatronen staan op de helling. Waar in de eerste helft van de 20ste eeuw de man als kostwinner zorgde dat er brood op de plank kwam, gaan nu in heel wat gezinnen beide partners buitenshuis werken. De nadruk op zelfontplooiing heeft er, samen met onder andere de toegenomen scholingsgraad voor gezorgd dat heel wat vrouwen een job buiten het gezin ambiëren. Het percentage buitenshuis werkende vrouwen kende een hoge vlucht en evolueerde van 31,5% in 1961 over 31,8% in 1970 naar 57,8% in 1991. Bij deze cijfers is echter een opmerking geboden. Als we naar de specifieke invulling van de jobs voor vrouwen kijken, constateren we dat vrouwen vooral deeltijdse en flexibele arbeid verrichten. Daarenboven zijn vrouwen vooral in de lagere functies oververtegenwoordigd (Lammertyn e.a., 1998, pp. 2-4). Vooroordelen van werkgevers, de moeilijke combinatie van gezin en carrière en de mindere aspiraties bij vrouwen zelf zorgen ervoor dat minder vrouwen tot de top doorstoten.

De actieve participatie van de vrouw, niet enkel op de arbeidsmarkt, maar ook in het gehele sociale leven, heeft echter niet overal even ingrijpende veranderingen in de taakverdeling binnen het gezin teweeg gebracht. Die verloopt nog vaak via de oude patronen. Dit betekent dat de vrouw, die nu wel buitenshuis gaat werken, verantwoordelijk blijft voor het meeste huishoudelijk werk. Vooral de mannen blijken minder enthousiast wanneer het gaat om roldoorbrekend gedrag. Volgens Beck ligt een verklaring voor deze situatie in het feit dat de huidige individualisering een totaal verschillende betekenis heeft voor mannen en vrouwen. Dit is logisch als we de historische context van de zaken in rekening nemen. Voor mannen betekent individualisering in de tweede moderniteit een toegenomen competitie, meer huishoudelijk werk… terwijl het voor vrouwen een overwegend positieve betekenis heeft: meer opleiding, meer kansen, minder huishoudelijk werk… (Beck, 1995, p. 22) Mannen ervaren de verandering in vrouwen vaak als een aanval op hun status en zelfvertrouwen (Beck-Gernsheim, 1995, p. 65). Bovendien zijn ze er vaak van overtuigd dat gelijkheid gemakkelijk verzoend kan worden met de oude taakverdeling tussen de seksen. (Beck, 1995, p.22). Een ander probleem hierbij is dat er bij velen een discrepantie ontstaan is tussen het discours dat men aanhangt en het feitelijke gedrag dat tentoongespreid wordt. Individualisering voor beide seksen vraagt een discours van vrijheid en gelijke kansen voor man en vrouw. Velen beweren dan ook dat kansen en ontplooiingsmogelijkheden voor de vrouw belangrijk zijn, maar tegelijkertijd blijven ze binnen het gezin opgezadeld zitten met een hele stapel huishoudelijk werk. Men zegt wel eens dat het bewustzijn de reële feiten voorbijloopt (Lammertyn e.a., 2001, pp. 28-31).

 

2.4.5. Kinderen: volwaardige spelers in de gezinscontext

 

Individualisering komt ook tot uiting in de opvoeding. De jeugd als fase van het leven die oorspronkelijk de voorbereiding was op een volwassen leven van verantwoordelijkheid en eigen keuzes wordt nu zelf geïndividualiseerd. Dit impliceert dat er niet langer doeleinden of zekerheden zijn die zo maar opgelegd kunnen worden aan jonge mensen, zij creëren zelf hun toekomst (Beck, 1998, p.78). Ook voor kinderen worden de aspecten keuzevrijheid en zelfontplooiing belangrijk. Ze worden aangemoedigd om mondige, onafhankelijke en verantwoordelijke personen te worden. Dit alles heeft uiteraard ook gevolgen voor de relatie ouders-kinderen binnen het gezin. Kinderen worden steeds vaker bij beslissingen betrokken, en zeker bij beslissingen die henzelf betreffen, denken we maar aan kledij of studiekeuze (du Bois-Reymond, 1993, p.127). De Swaan spreekt in deze context van de overgang van een bevelshuishouding naar een onderhandelingshuishouding (De Swaan, 1989, pp. 81-116).

 

2.5. Niet iedereen gelijk voor de individualisering

 

Hoewel individualisering een toenemende en sterk zichtbare trend is, moeten we toch inzien dat een geïndividualiseerde waardeoriëntatie niet overal in de samenleving in dezelfde mate doorgedrongen is. Voor Beck is het duidelijk dat ‘dé’ individualisering niet bestaat. Hij stelt ook: ‘it is necessary, therefore, to check each group, milieu and region to determine how far individualization processes –overt or covert- have advanced within it’ (Beck, 1996, p. 28).

 Hierboven werd reeds aangegeven dat de prille individualiseringstendensen van de 19de en begin 20ste eeuw strikt voorbehouden waren voor mannen en de hoogste sociale klassen. Enkel in de begoede klasse was er aandacht voor ontplooiing en opleiding. Daarenboven werd enkel aandacht besteed aan de opleiding en beroepsmogelijkheden van mannen. Vrouwen begaven zich immers niet op de arbeidsmarkt.

Maar ook in de tweede helft van de twintigste eeuw zijn niet alle bevolkingsgroepen even gevoelig voor de nieuwe waarden. De meest auteurs geven aan dat individualisering zich het eerst doorzet bij de hogere sociale klassen en hooggeschoolden (Laermans, 1992, pp. 67-69; Felling e.a., 2000, pp. 39-40; Lesthaeghe & Surkeyn, 1988, p. 17). De hogere sociale klassen hebben de materiële middelen om zich een geïndividualiseerde levensloop te veroorloven. Ze kunnen het zich permitteren om af te wijken van de traditionele normen. Hooggeschoolden langs de andere kant hebben het culturele kapitaal om te functioneren in een geïndividualiseerde levensloop. Ze zijn sterker gewapend om bijvoorbeeld op de arbeidsmarkt hun eigen biografie uit te tekenen. Er is ook sprake van generationele verschillen in de zin dat jongeren sterker geïndividualiseerd zijn dan ouderen (Laermans, 1992, pp. 67-69; Felling e.a., 2000, pp. 39-40; Lesthaeghe & Surkeyn, 1988, p. 17). Jongeren zijn gesocialiseerd in de moderne samenleving, met meer op zelfontplooiing en keuzevrijheid gerichte waarden. De generationele verschillen laten een breuk zien bij de tweede wereldoorlog. Generaties die na WO II opgroeiden onderschrijven sterker geïndividualiseerde waarden dan de vooroorlogse generaties (Laermans, 1992, p. 68). Wat de invloed van bovengenoemde kenmerken betreft moeten we wel opletten voor een verkeerde interpretatie. Het lijkt ons aannemelijk dat jongeren vaker hoger geschoold zullen zijn en dat veel hooggeschoolden ook tot de hoogste sociale klassen behoren. Doordat deze kenmerken nauw samenhangen zou er sprake kunnen zijn van een schijnverband, of toch gedeeltelijk. Het is aangewezen, waar mogelijk, de gecontroleerde of partiële invloed van deze variabelen te onderzoeken.

We kunnen stellen dat hooggeschoolden, jongeren en personen uit een hogere sociale klasse voor de huidige individualiseringstendens als trendsetter optreden. We kunnen ons afvragen of individualisering ook over andere groepen van de samenleving verspreid geraakt, in welke mate dit het geval is en of er sprake is van een inhaaleffect. Deze en vele andere vragen vormen het voorwerp van onderzoek.

 

2.6. Besluit: de dimensies van individualisering

 

Na de literatuurstudie is het mogelijk in het individualiseringsbegrip een aantal aspecten of dimensies te onderscheiden. Hieronder stellen we, met het oog op verdere operationalisering, die dimensies nog even duidelijk.

 Het begrip individualisering omvat drie basisprocessen. Ten eerste is er de nadruk op zelfontplooiing. Postmaterialistische waarden als emancipatie, erkenning en persoonlijke ontwikkeling staan centraal. Daarnaast manifesteert individualisering zich door een toenemende detraditionalisering. Daarmee wordt bedoeld dat de populariteit van traditionele instituties zoals staat, kerk, politieke partijen, vakbonden, maar ook bijvoorbeeld de institutie huwelijk afneemt. Ook traditionele opvattingen en normen, zoals bijvoorbeeld opgelegd door het geloof, verliezen aan belang. Een derde aspect van individualisering is de nadruk op individuele keuzevrijheid. Individualisering uit zich in een toenemende nadruk op autonomie, eigen verantwoordelijkheid, zelfcontrole en vrijheid voor individuen.

Van deze drie basiskenmerken afgeleid zijn de processen van privatisering en fragmentering van waardeoriëntaties. Privatisering betekent dat waardeoriëntaties of waardepatronen steeds minder samenhang vertonen met allerlei sociale kenmerken en dat daarom sociale groeperingen steeds minder consistent getekend en gekarakteriseerd kunnen worden in termen van waardeoriëntaties (Felling e.a., 2000, p. 104). Fragmentering houdt in dat er steeds minder samenhang bestaat tussen verschillende opvattingen en waarden. Opvattingen op verschillende levensdomeinen clusteren minder en minder samen tot herkenbare patronen.

 Wat betreft de veruitwendiging op het vlak van relaties veronderstellen we dat de kwaliteit van de relatie belangrijker wordt. Geïndividualiseerde personen leggen de nadruk meer op het emotionele, intimiteit, respect en vertrouwen… Binnen een relatie worden partners als gelijken beschouwd, er is heel wat aandacht voor het uitwisselen van meningen en onderhandelingen en ook vrouwen krijgen de kans om zich te ontplooien op de arbeidsmarkt. Terzelfder tijd worden relaties ook kwetsbaarder. Individualisering zorgt ervoor dat relaties een meer vlottend karakter krijgen en op ieder moment in vraag gesteld kunnen worden. Ook het huwelijk wordt in veel gevallen niet meer voor heel het leven gesloten.

 Individualisering manifesteert zich ten slotte ook binnen de opvoedingswaarden. Waarden als autonomie, verantwoordelijkheid en zelfstandigheid worden meer benadrukt maar ook bijvoorbeeld ontplooiingskansen voor kinderen worden steeds belangrijker.

 

 

3. Economische en structurele theorieën van gezinsveranderingen

 

In deze verhandeling zullen we ons vooral toespitsen op de culturele, waardegeoriënteerde evolutie zoals die in punt twee geschetst werd. Toch moeten we er aandacht voor hebben dat de individualiseringsthese niet de enige verklaring is voor de veranderingen die zich vanaf de jaren ‘60 in de gezinscontext voorgedaan hebben. Hieronder presenteren we als aanvulling enkele andere interessante gezichtspunten. De theorieën van Becker en Easterlin leggen de nadruk op economische en structurele factoren. Guttentag en Seccord geven een demografisch-structurele verklaring voor de veranderde vormgeving van relaties.

 

3.1. Becker: de winsten van het huwelijk [9]

 

De basisidee achter Beckers theorie is het principe van vergelijkend voordeel uit de handelstheorie. Net zoals twee landen pas een handelsovereenkomst zullen sluiten als ze er beiden voordeel kunnen uit halen, zullen twee partners maar huwen als de uitkomst voor beide partners positief is. Traditioneel was het zo dat de man zich specialiseerde in buitenhuisarbeid en de vrouw in het beheer van het huishouden. Beide partners brachten hun capaciteiten samen in een ‘handelsovereenkomst’ en de totale winst was voor beide partners positief. Wanneer vrouwen zich nu massaal naar de arbeidsmarkt begeven, vermindert voor hen de aantrekkelijkheid van een huwelijk. De winst eruit, inkomen via buitenhuisarbeid van de man, vermindert. Bij lagere vruchtbaarheid wordt de seksespecifieke taakverdeling daarenboven minder noodzakelijk en opnieuw verliest het huwelijk een deel van zijn aantrekkelijkheid. Als het huwelijk minder aantrekkelijk wordt, wordt tezelfdertijd echtscheiding aantrekkelijker. Ook de mogelijkheid om als ongehuwde met kinderen een bijstandsinkomen te verwerven, vermindert volgens Becker de oorspronkelijke aantrekkelijkheden van het huwelijk. Wanneer een vrouw de arbeidsmarkt betreedt stijgt voor haar bovendien de relatieve kost van het krijgen van kinderen. Een baan is immers moeilijk te verzoenen met een goed draaiend gezinsleven. Het gevolg is een verminderde vruchtbaarheid.

 

3.2. Easterlin: het relatieve inkomen [10]

 

Centraal in deze economisch-structurele theorie staat het relatief inkomen. Dat is de verhouding tussen het potentieel inkomen van een koppel ten opzichte van hun materiële aspiraties. Het potentieel inkomen verwijst naar de jobmogelijkheden, het inkomen, promotiekansen… De materiële aspiraties worden beïnvloed door de eigen ervaringen als kind. Wanneer het relatief inkomen van jongvolwassenen hoog is, zullen ze weinig economische druk voelen en meer geneigd zijn te huwen en kinderen voort te brengen. Bij een laag relatief inkomen doet zich de omgekeerde trend voor. Het relatief inkomen wordt in belangrijke mate bepaald door de relatieve grootte van de cohorte waartoe men behoort. Personen geboren in periodes met lage geboorteratio komen op een arbeidsmarkt met een klein aanbod aan arbeidskrachten. Daardoor hebben ze goede economische vooruitzichten: een goede job, hoog inkomen, promotiekansen… Dit verhoogt het relatieve inkomen. Een voorbeeld hiervan is de kleine generatie geboren in de jaren ’30. Zij kwamen op een gunstige arbeidsmarkt en brachten in de jaren ’50 de babyboomgeneratie voort. De babyboomgeneratie ondervond grote concurrentie op de krappe arbeidsmarkt van de jaren ‘70, met als gevolg huwelijksuitstel en een negatieve druk op de vruchtbaarheid. Terzelfder tijd waren de aspiraties van de babyboomgeneratie groot, want ze waren opgegroeid in de veelbelovende jaren ’50 en ’60. Toegepast op echtscheiding stelt Easterlin dat echtparen afkomstig uit een kleine geboortecohorte geen probleem zullen hebben het traditioneel leefpatroon, met de man als kostwinner en de vrouw als thuiswerkster, na te komen. Koppels uit een omvangrijke cohorte zullen die verwachte sociale rollen minder gemakkelijk vervullen. De vrouw zal zich door economische druk genoodzaakt voelen buitenshuis te gaan werken, de man kan zich schuldig voelen zijn gezin niet te kunnen onderhouden, het koppel kan niet zoveel kinderen hebben als het zou wensen… Dit alles zorgt voor een toenemende kans op echtscheiding, nog eens vermeerderd door de groeiende financiële onafhankelijkheid van de vrouw en de afwezigheid van kinderen om het gezin bijeen te houden. Als tweede beïnvloedende factor van echtscheiding ziet Easterlin een seculiere trend veroorzaakt door de seksuele revolutie, toenemende secularisering… Het effect van die trend wordt volgens Easterlin versterkt of verzacht door de generatiegrootte.

 

3.3. Guttentag en Seccord: veranderende sekseratio [11]

 

Guttentag en Seccord vertrekken van de idee dat een discrepantie tussen het aantal beschikbare mannen en vrouwen op huwbare leeftijd een effect heeft op de dyadische macht die de twee seksen kunnen uitoefenen in een partnerrelatie (Van den Troost, 2000, p. 134). Wanneer de sekseratio hoog is en de mannen in de meerderheid zijn, worden vrouwen gewaardeerd als een schaars goed. De traditionele sekserollen zijn overheersend, en economische zelfstandigheid van vrouwen wordt afgeremd. Ze streven naar economische mobiliteit door een man te huwen van een hogere socio-economische klasse. Aan de kant van de mannen ligt een sterke culturele nadruk op engagement in het huwelijk: men huwt veel en snel, er is een hoge vruchtbaarheid en weinig echtscheiding. Wanneer aan de andere kant vrouwen in de meerderheid zijn, treedt een ander patroon op. Mannen bevinden zich in een gunstige ruilrelatie, er zijn meer vrouwen waaruit ze kunnen kiezen en ze blijven minder lang bij dezelfde vrouw. Er wordt een lagere waarde toegekend aan het huwelijk en de familie. Vrouwen echter voelen zich in deze situatie machteloos en ongewaardeerd. Ze zullen hun afhankelijkheid van de man trachten te verminderen en de genderrollen herdefiniëren. Het traditionele huwelijksmodel boet aan belang in en maakt plaats voor alternatieve leefvormen. De naoorlogse babyboom zorgde voor zo’n situatie. Doordat vrouwen gemiddeld huwen met een man die twee jaar ouder is, beschikten vrouwen die geboren waren in 1947 (twee jaar na de start van de toename van het geboortecijfer) over een kleiner aanbod van mannen. Deze situatie zorgde voor spanningen op de huwelijksmarkt en veranderingen in de man-vrouw relaties. Guttentag en Seccord zien de veranderde sekseratio na de oorlog in de eerste plaats als de aanzet van het hele proces van veranderingen dat we hierboven beschreven hebben. Het is niet zo dat de minieme verschuivingen in de sekseratio die tussen twee opeenvolgende jaren optreedt telkens opnieuw een effect heeft op het latere relationeel gedrag van een bepaalde geboortecohorte. De situatie van de plotse babyboom kort na de oorlog zorgde voor een uitzonderlijke situatie van een betekenisvol verschil in de sekseratio, wat de aanzet was van een veranderingsproces.

 

 

4. Besluit: een veranderde waardeoriëntatie m.b.t. het gezin

 

De jaren ‘60 gaven de aanzet voor een groot aantal veranderingen in de gezinssfeer. De demografische gegevens liegen er niet om: er is sprake van een verminderde vruchtbaarheid, stijgende echtscheidingscijfers en een verminderd aantal huwelijken. Daarnaast winnen nieuwe leefvormen zoals het ongehuwd samenwonen steeds meer aan populariteit. Alles lijkt erop te wijzen dat het traditionele gezinsethos sterk onder druk is komen te staan sinds de tweede helft van de twintigste eeuw. De talrijke auteurs die bijgedragen hebben tot het individualiseringsdebat bieden hier een schitterende verklaring voor. Waarden als keuzevrijheid, detraditionalisering en zelfontplooiing kennen vanaf de jaren ‘60 een sterke aanhang bij de jongere generatie, de hooggeschoolden en de hogere klassen, maar geraken stilaan ook meer en meer verspreid over brede lagen van de samenleving. Naast de cultureel getinte verklaring vanuit individualisering en als aanvulling erop zijn ook de inzichten van Becker, Easterlin en Guttentag en Seccord interessant. Zij bieden een meer economische en structurele kijk op de veranderde beleving en vormgeving van het gezinsleven sinds de jaren ‘60.

 

 

Hoofdstuk 3. Over het onderzoek

 

1. Data en concepten

 

1.1. Een Europees project voor het meten van waardeveranderingen: de Europese waardestudies

 

In 1978 rezen de eerste ideeën voor de European Value Studies, een onderzoek naar de waarden van de West-Europeanen. De bedoeling was het typisch Europese waardesysteem te achterhalen. In 1981 gebeurde het veldwerk van de eerste ronde in de meeste landen van de toenmalige Europese Gemeenschap. Ook enkele landen uit Oost-Europa en andere werelddelen sloten aan. De vragenlijsten werden in de verschillende landen afgenomen bij een steekproef respondenten vanaf 15 jaar. Uit de eerste resultaten bleek dat er geen typisch Europees waardesysteem bestond, want in Noord-Amerika, waar de vragenlijst ook werd afgenomen bleek dat grotendeels dezelfde waarden aangehangen werden. Om enkele hypothesen uit de eerste bevraging, ondermeer m.b.t. generatieverschillen, bevestigd te zien werd in 1990-1991 een tweede bevraging georganiseerd. Hierbij werd het onderzoek ook geografisch uitgebreid. In 1999 ten slotte werd de derde onderzoeksgolf gelanceerd, nu in alle Europese landen, exclusief Noorwegen. (Dobbelaere e.a., 2000, pp. 7-8)

Traditioneel worden in de vragenlijsten van de Europese Waardestudies volgende domeinen bevraagd: arbeid en vrije tijd, gezin en seksualiteit, politiek, godsdienst en ethiek. Op die manier bekomt men een brede range van waarden op de belangrijkste vlakken in de samenleving. Beweren dat de Europese Waardestudies een exhaustief overzicht van alle waarden geven, zou een overschatting zijn. Zo worden waarden als veiligheid en zekerheid slechts zijdelings behandeld. Het waardeonderzoek peilt daarnaast slechts terloops naar de waarde gezondheid terwijl uit de Eurobarometer blijkt dat deze waarde van primordiaal belang is (Kerkhofs e.a., 1992, p.9).

Om vergelijking doorheen de tijd te kunnen bekomen, bleven veel vragen bij de drie ronden dezelfde. Dit maakt een analyse van deze data bijzonder boeiend, waardeveranderingen gedurende de laatste twintig jaar kunnen opgespoord worden. Het weze wel duidelijk dat de drie waardesurveys gebaseerd zijn op verschillende steekproeven. Dit brengt met zich mee dat we geen informatie hebben over waardeveranderingen bij individuen of zeer specifieke groepen. Om waardeveranderingen op individueel vlak te kunnen nagaan, is een panelonderzoek aangewezen, waarbij dezelfde personen driemaal ondervraagd worden.

Een tekort aan het onderzoek in België is het feit dat de steekproef bij de drie rondes op een verschillende manier getrokken werd. De non-respons voor de drie jaren is onbekend en de selectiviteit verbonden met de non-respons kan bijgevolg anders geprofileerd zijn. (Dobbelaere e.a., 2000, p. 225)

In deze verhandeling werken we voornamelijk met de data van het domein gezin en seksualiteit. Hoewel hier en daar wel koppelingen kunnen gemaakt worden met andere onderwerpen zoals ethiek of politiek. We beperken ons tot de Belgische data van de drie bevragingen.

 

1.2. Concepten en operationalisatie

 

In hoofdstuk twee bespraken we reeds de dimensies en uitingsvormen van het concept individualisering. Hier willen we daar iets concreter op ingaan en geven we aan hoe het concept in onze data te operationaliseren valt. Aangezien we werken met bestaande datasets zijn we voor de operationalisatie van ons concept sterk gebonden aan de in de waardeonderzoeken voorkomende variabelen. De operationalisatiefase bestond dan ook voornamelijk uit het opzoeken van bruikbare variabelen in de vragenlijsten van de Europese Waardeonderzoeken. We selecteerden uit de vragenlijsten vragen die in de drie rondes voorkwamen. Omdat in de drie vragenlijsten wel wat variatie in de vragen optrad, konden niet alle relevante variabelen opgenomen worden.

In eerste instantie werd voor de drie aspecten van het concept individualisering, zelfontplooiing, keuzevrijheid en detraditionalisering, telkens een tweetal variabelen geselecteerd. Voor wat betreft het aspect zelfontplooiing baseren we ons op twee vragen uit de onderzoeken. Een eerste vraag gaat over een aantal veranderingen die in de nabije toekomst zouden kunnen optreden in onze manier van leven. Daarbij werd gevraagd of de respondent een grotere nadruk op persoonlijke ontwikkeling een verandering ten goede of ten slechte zou vinden. Een andere vraag in het onderzoek gaat over de plicht van ouders t.o.v. hun kinderen. Moeten ouders zo hard hun best doen voor hun kinderen dat het ten koste van hun eigen welzijn mag gaan of mag men niet verwachten dat ouders hun welzijn opofferen ten behoeve van hun kinderen en moeten ouders hun eigen leven leiden? Voor wat betreft het aspect detraditionalisering gaan we in eerst instantie in op de verzwakking van de traditionele institutie huwelijk. In de vragenlijsten komt een vraag voor waarin gepeild wordt of de respondenten het huwelijk een verouderde instelling vinden. We bekijken ook of traditionele waarden en normen, zoals opgelegd door bijvoorbeeld de traditionele kerkleer aan belang inboeten. We focussen op de relatiesfeer aan de hand van de mening van respondenten over de toelaatbaarheid van buitenechtelijke verhoudingen, homoseksualiteit, abortus en echtscheiding. Een andere vraag daarbij heeft betrekking op de manier waarop men aankijkt tegen de situatie waarin een vrouw haar kind alleen wil opvoeden, omdat ze geen vaste relatie met een man wil. Voor de dimensie keuzevrijheid wordt ten eerste nagegaan in welke mate de respondent zijn/haar leven zelf kan bepalen. Ten tweede wordt nagegaan hoe de respondent de waarden vrijheid en gelijkheid waardeert ten opzichte van elkaar.

 Naast de drie basisdimensies van het concept individualisering zijn er nog een aantal veruitwendigingen van het concept die specifiek op de relaties binnen de gezinscontext betrekking hebben. Hierboven spraken we over de toenemende nadruk op kwaliteit binnen de relatie, over de veranderende opvoedingswaarden en over de gelijkwaardigheid van beide partners binnen een relatie en nieuwe kansen voor de vrouw. Om deze aspecten te onderzoeken selecteerden we drie vragen waarbij de respondenten telkens een reeks items moesten beoordelen. De eerste vraag peilt naar de factoren die bijdragen tot een succesvol huwelijk. Een tweede reeks items handelt over de rollen van mannen en vrouwen en in een derde vraag wordt gepeild naar het belang dat de respondent hecht aan verschillende opvoedingswaarden.

 Ten derde kunnen we de processen van privatisering en fragmentering van waardeoriëntaties eveneens als veruitwendigingen van individualisering beschouwen. Hoe we die processen verder empirisch in kaart brengen komt later aan bod.

 Zoals in het eerste hoofdstuk reeds aangegeven werd, gaan we ervan uit dat meerdere opvattingen samen verwijzen naar een achterliggende waarde. De antwoorden op een aantal attitudevragen en -items zouden dan telkens gestuurd worden door een latente waardeoriëntatie. Concreet in ons onderzoek vormen de aspecten keuzevrijheid, detraditionalisering, zelfontplooiing, kwaliteitsdimensie van de relatie, roldoorbrekend denken en de geïndividualiseerde opvoedingswaarde de achterliggende waardeoriëntaties van de specifieke attitude-items. Met behulp van factoranalyses kunnen we op empirische wijze deze achterliggende dimensies bepalen.

 

 

2. Onderzoeksvragen en hypothesen[12]

 

In ons onderzoek zijn we geïnteresseerd in waardeverschuivingen m.b.t. primaire relaties zoals die zich voordoen gedurende de laatste twee decennia van de twintigste eeuw. Uit de literatuur bleek dat er vanaf de jaren ’60 van de twintigste eeuw een tendens tot individualisering op te merken valt. Dit concept valt uiteen in drie aspecten: zelfontplooiing, keuzevrijheid en detraditionalisering. Wij onderzoeken in eerste instantie of deze drie aspecten van individualisering toenemen tussen 1981 en 1999 (H1). We veronderstellen daarbij dat individualisering een continu proces is dat zich stelselmatig uitbreidt over een steeds grotere groep van de samenleving.

De trend naar een geïndividualiseerde waardeoriëntatie uit zich ook in de waarden m.b.t. verschillende aspecten van het gezin. We onderzoeken de waarden i.v.m. geslachtsspecifieke rolpatronen, de succesfactoren voor een geslaagd huwelijk en de opvoedingswaarden. Via factoranalyse pogen we telkens één of meerdere onderliggende dimensies in de reeksen items te onderscheiden. De daaruit gecreeërde schalen gebruiken we dan voor verdere analyse. Een eerste veronderstelling betreft de rolpatronen. We nemen aan dat de traditionele geslachtsspecifieke rollenverdeling tussen mannen en vrouwen in steeds meerdere mate verworpen wordt tussen 1981 en 1999 (H2). Voor wat betreft de factoren die bijdragen tot een succesvol huwelijk werd in het verleden werd al heel wat analysewerk verricht, zowel op basis van de EVS-datasets als met andere onderzoeksgegevens. Principale componenten- en factoranalyses toonden aan dat er waarden i.v.m. homogamie, expressieve of kwaliteitswaarden en materiële waarden te onderscheiden zijn (Van den Troost, 2000; van den Elzen, 1998; Dobbelaere e.a., 2000, pp. 225-230). Binnen het traditionele gezinsethos is er een sterke nadruk op de homogamienorm. Deze vereist dat partnerrelaties worden gevormd binnen de eigen etnische, sociale, religieuze en/of leeftijdsgroep. Homogame relaties zouden in die optiek ook garant staan voor een hogere huwelijkssatisfactie (Van den Troost, 2000, p. 136). Op basis van de literatuur over individualisering veronderstellen we dat de homogamienorm steeds meer vervangen wordt door waarden die de kwaliteit van de relatie benadrukken (H3). Wat betreft de opvoedingswaarden tenslotte stellen we dat de autonome ontwikkeling van kinderen benadrukt worden (H4). We verwachten dat waarden zoals zelfstandigheid, verantwoordelijkheid en ontplooiing meer en meer de plaats innemen van de traditionele opvoedingswaarden.

Nadat we de verschillende indicatoren verkend hebben zijn we geïnteresseerd in de samenhang tussen de bestudeerde gezinswaarden. Het traditionele gezinsethos werd gekenmerkt door een samenhangende ideologie omtrent huwelijk, voortplanting, seksualiteit en geslachtsrollen. De waardering van deze verschillende aspecten vertoonde een sterke samenhang. Wij kunnen ons afvragen of we in de tweede moderniteit terug naar een samenhangend gezinsethos evolueren, wat dan meer geïndividualiseerd georiënteerd zou zijn. Zullen personen die geïndividualiseerd denken over bijvoorbeeld abortus ook expressiever denken over de rolpatronen binnen een relatie, of hebben beide houdingen geen verband? We veronderstellen in het licht van de literatuur over fragmentering dat er steeds minder samenhang zal bestaan tussen verschillende opvattingen en waarden bij eenzelfde persoon. De opvattingen over verschillende aspecten van de gezinssfeer zijn immers telkens opnieuw een zaak van persoonlijke beslissing, en er is als zodanig niet één uniform geïndividualiseerd waardepatroon aan te duiden (H5).

In de samenleving zijn bepaalde groepen aan te duiden waar de geïndividualiseerde waardeoriëntatie sterker leeft dan bij andere. Meestal behoren hooggeschoolden, personen uit de hogere sociale klassen en jongeren tot die groep. De hogere sociale klassen hebben de materiële middelen om zich een geïndividualiseerde levensloop te permitteren. Een hogere scholing aan de andere kant biedt het benodigde cultureel kapitaal om (geïndividualiseerde) participatie op bijvoorbeeld de arbeidsmarkt te verzekeren. We kunnen zeggen dat deze drie groepen als trendsetter optreden (H6). We veronderstellen dat ze hoger zullen scoren op variabelen die individualisering meten. Nu kunnen we op basis van de literatuur nog enkele andere trendsetters localiseren voor de meer specifieke aspecten van individualisering. Wat de detraditionalisering van waarden betreft, hebben we aandacht voor de invloed van kerkbetrokkenheid en regio. We gaan ervan uit dat individuen met een sterke kerkbetrokkenheid hun waardesysteem vormgeven vanuit de traditionele religieuze zingeving. Onze hypothese is dat ze op de indicatoren van detraditionalisering nog sterker de traditionele waardeoriëntatie zullen aanhangen. Personen die een sterke kerkelijke betrokkenheid vertonen zullen sterker vasthangen aan de traditionele instelling van het huwelijk. Het loskomen van de kerkelijke moraal brengt ook een meer tolerante houding t.o.v. seksualiteit, abortus, alleenstaand moederschap… met zich mee (H7). We veronderstellen voorts dat in Wallonië waar de industrialisering en de daarmee gepaard gaande secularisering vroeger zijn intrede deed het traditionele denken minder sterk zal zijn dan in Vlaanderen (H8). Op basis van de theorie van Becker kunnen we uitspraken doen over een specifiek aspect van detraditionalisering, namelijk de verminderde invloed van instituties zoals het huwelijk. De inzichten van Becker leren ons dat wanneer een vrouw de arbeidsmarkt betreedt, de aantrekkelijkheid van het huwelijk voor haar vermindert (H9). Als we deze redenering verder volgen kunnen we enkele bijkomende en meer specifieke hypothesen formuleren. Als een vrouw tewerkgesteld is in een hogere functie zal voor haar de winst van een huwelijk nog verminderen (H10). Hetzelfde geldt voor gehuwde vrouwen die hoofdkostwinner zijn (H11). Voor deze vrouwen is het huwelijk geen economische noodzaak, en we veronderstellen dat het instituut huwelijk bij deze groepen lager gewaardeerd zal worden. We bekijken ook het effect van burgerlijke staat op de waardeoriëntatie. Omdat gehuwden bewust voor het huwelijk gekozen hebben veronderstellen we dat ze minder zullen oordelen dat het huwelijk een verouderde instelling is. Ze scoren dus traditioneler op deze indicator dan bijvoorbeeld gescheiden en ongehuwden. Onze hypothese is dat ongehuwden en gescheidenen trendsetter zijn bij het beschouwen van het huwelijk als een verouderde instelling (H12). Ten slotte kunnen we veronderstellen dat mannen behoudender zullen staan tegenover de traditionele rolverdeling tussen de seksen (H13). Uit de literatuurstudie blijkt immers dat mannen en vrouwen tegengestelde belangen hebben bij een wijziging van de traditionele rolverdeling. Voor vrouwen brengt die alleen maar kansen en nieuwe mogelijkheden met zich mee, voor mannen meer competitie en verantwoordelijkheid in het huishouden. Vrouwen zullen de traditionele rolpatronen meer verwerpen dan mannen.

Benevens het lokaliseren van de trendsetters, onderzoeken we ook of er in de datasets van de Europese Waardestudies empirische evidentie te vinden is voor de trendsetter- en diffusietheorie. Individualisering is een proces dat zich gaandeweg uitbreidt over de hele samenleving. Na de trendsetters overspoelt het stelselmatig de andere delen van de bevolking. We veronderstellen dat groepen die in eerste instantie weinig of niet geïndividualiseerd zijn over de verschillende bevragingen hun achterstand inhalen (H14). Zien we inderdaad in de loop van de jaren een verspreiding van geïndividualiseerde waarden en waar staan we nu? Zijn anno 2000 alle bevolkingsgroepen in dezelfde mate geïndividualiseerd? We onderzoeken ook of in de data het zogenaamd inhaaleffect terug te vinden is, waarbij bepaalde groepen die in eerste instantie weinig of niet geïndividualiseerd waren, op een later tijdstip hun achterstand inhalen.

Vaak wordt leeftijd als belangrijke variabele aangegeven om een geïndividualiseerde waardeoriëntatie te verklaren. Hierboven werd al even aangehaald dat jongeren tot de trendsetters behoren en dat we dus verwachten dat jongeren meer geïndividualiseerd denken dan ouderen. Het effect van leeftijd in studies die waarden vergelijken over de tijd is echter een complex fenomeen dat met het nodige inzicht benaderd moet worden. In de vakliteratuur (Becker, H.A., 1991b, Hagenaars, 1998) wordt een onderscheid gemaakt tussen leeftijds- cohorten- en periode-effecten. Met betrekking tot deze thematiek is het belangrijk in te zien dat wij in onze data een cohorten- en periode-effect, maar niet zozeer een leeftijdseffect verwachten. We veronderstellen dat de jongste generaties meer geïndividualiseerd zullen zijn dan oudere generaties. Jongeren zijn immers gesocialiseerd in een modernere samenleving met een meer op zelfontplooiing en keuzevrijheid gerichte waardeoriëntatie. De tweede wereldoorlog laat een breuk zien. De vooroorlogse generaties zouden nog traditioneler denken. In wat volgt baseren wij ons op deze socialisatietheorie om het verschil tussen de generaties te verklaren[13]. Een leeftijdseffect aan de andere kant, waarbij een generatie een waardeverschuiving meemaakt telkens ze in een andere levensfase terechtkomt verwachten we niet te vinden voor de individualiseringswaarde. Het feit dat een bepaalde generatie meer geïndividualiseerd gaat denken naarmate ze ouder wordt, schrijven we niet toe aan het leeftijdseffect maar wel aan een periode-effect. Volgens de diffusietheorie verwachten we dat alle generaties een verschuiving meemaken naar meer individualisering. Zowel de jongere als de oudere generaties evolueren naar een meer geïndividualiseerde waardeoriëntatie, zij het weliswaar in verschillend tempo misschien. De trend naar meer individualisering is inherent aan het tijdperk van de reflexieve modernisering waarin we leven en allen, zowel jong als oud, zijn eraan onderhevig. Hoewel een duidelijk inzicht in leeftijds-, cohorte- en periode-effecten frequente metingen over een periode van 30 à 40 jaar vereist, zullen we in onze data waar mogelijk cohortes en leeftijdsgroepen met elkaar vergelijken over de tijd. We veronderstellen daarbij dat individualisering onderhevig is aan een cohorten- en periode-effect (H15).

Uit de literatuur blijkt dat individualisering zich manifesteert in privatisering van waardeoriëntaties. Dit betekent dat waarden steeds minder worden gevormd en bepaald door sociale collectiviteiten waarvan mensen deel uitmaken en dus minder samenhangen met sociale kenmerken zoals het behoren tot een bepaald geboortecohort, sociale klasse, geloof of opleidingsniveau (H16). Deze hypothese lijkt in eerste instantie niet te verzoenen met de opvatting dat individualisering zich vooral voordoet bij hoog opgeleiden, jongeren,… De trendsetter- en diffusietheorie spreekt echter ook over een geleidelijke verspreiding van geïndividualiseerde waarden over de ganse bevolking en in die zin zouden waarden naarmate de tijd vordert minder en minder samenhangen met opleidingsniveau, sociale klasse en leeftijd. We kunnen echter ook onderzoeken of er differentiële trends te merken zijn in privatisering. Zo vragen we ons onder meer af of bijvoorbeeld jongeren meer geprivatiseerd zijn. Dit kan zich uiten doordat hun waarden minder gebonden zijn aan geloof, geslacht, burgerlijke staat… We veronderstellen dat jongeren, hooggeschoolden en personen uit de hogere sociale klassen meer geprivatiseerd zijn (H17).

 

 

3. De respondenten nader bekeken

 

Alvorens over te gaan tot het testen van de hypothesen bekijken we de drie datasets naar de verdeling van enkele socio-demografische kenmerken.

 

Tabel 3.1. Aandeel respondenten naar enkele socio-demografische kenmerken (België, 1981-1990-1999, in percentage)

 

 

1981

1990

1999

 

 

1981

1990

1999

GESLACHT

 

 

 

 

BURGERLIJKE STAAT

 

 

 

Man

47,02

48,82

46,34

 

Gehuwd

65,81

59,28

57,95

vrouw

52,98

51,18

53,66

 

weduwe/weduwnaar

10,07

9,38

8

N

1142

2792

1912

 

officieel gescheiden

1,15

3,22

7,85

 

 

 

 

 

gescheiden levend

0,88

1,79

1,94

1.1.1.1.1.1 REGIO

 

 

 

 

Alleenstaand

22,08

19,59

23,38

Vlaanderen

57,12

55,87

42,94

 

N

1132

2792

1912

Wallonië

42,88

26,33

31,07

 

 

 

 

 

Brussel

 

17,8

25,99

 

 

 

 

 

N

1145

2792

1912

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

SOCIAAL-ECONOMISCHE STATUS

 

 

 

1.1.1.1.1.2 LEEFTIJD

 

 

 

 

hogere, middenhoge klasse

27,69

41,46

25,81

15-24

24,3

13,97

10,18

 

Middenklasse

33,01

19,23

23,72

25-34

18,27

19,91

19,58

 

geschoolde of halfgeschoolde handarbeiders

28,03

23,64

30,82

35-44

15,84

18,02

20,58

 

45-54

13,05

15,51

18,16

 

ongeschoolde handarbeiders-
werklozen

11,27

15,67

19,65

55-64

12,69

15,29

12,55

 

65-74

10,8

13,43

12,18

 

N

1145

2699

1674

75 +

5,04

3,87

6,77

 

 

 

 

 

N

1111

2792

1905

 

 

 

 

 

 

Wat hierbij opvalt is het lage aandeel 75 plussers (in 1981, 1990 en 1999 respectievelijk 5,04%; 3,87% en 6,77%). Daartegenover staat in 1981 een groot percentage jongeren; 24,3% van de respondenten is jonger dan 25 jaar. Waarschijnlijk is er ook een lichte oververtegenwoordiging van vrouwen en een ondervertegenwoordiging van Vlamingen in de datasets. Nu kunnen we ons voorstellen dat deze situaties van over- en ondersampling een vertekening van andere achtergrondkenmerken met zich meebrengen. Zo zal er met een grote groep jonge respondenten een oververtegenwoordiging van het aandeel alleenstaanden zijn. Een verkeerde verhouding tussen de regio’s kan dan weer zijn invloed hebben op de verdeling van de sociaal-economische status van de respondenten. Maar wat nog belangrijker is, is de invloed die deze over- en ondervertegenwoordigingen hebben op de resultaten die we verkrijgen i.v.m. houdingen en waardeoriëntaties. Vooral bij een vergelijking tussen een aantal datasets is het belangrijk om telkens opnieuw op een adequate wijze de populatie te weerspiegelen. Op die manier kunnen we accurater de veranderingen in waardeoriëntaties op het spoor komen.

 Om te corrigeren voor deze vertekende verdelingen van de datasets zullen we weegcoëfficiënten aanmaken. Die passen we dan toe op bijvoorbeeld frequentietabellen zodat het gewicht die een bepaalde categorie, bvb. de jongeren, uitoefent op het resultaat overeenkomt met hun aandeel in de populatie. Nu zijn in de datasets al een aantal weegcoëfficiënten voorhanden. Voor de dataset van 1990 is er een weegvariabele die corrigeert voor de provincies. In de steekproef is er immers een oversampling van West-Vlaanderen, Limburg en de Duitstaligen. Voor de dataset van 1999 bestaat er al een weegvariabele wg_ls die gewogen is naar geslacht en leeftijd. Een andere weegcoëfficiënt voor die dataset is wg_lsb en die is gewogen naar leeftijd, geslacht en regio. Op die manier kan de ene weegcoëfficiënt, wg_ls, gebruikt worden als de regio’s apart geanalyseerd worden of bij een vergelijking tussen de regio’s. Wg_lsb kan dan gebruikt worden voor uitspraken over België als geheel. Voor het aanmaken van onze weegvariabelen moeten we rekening houden met de weegcoëfficiënten die reeds in de dataset terug te vinden zijn. Om vergelijking van gewogen gegevens tussen de datasets mogelijk te maken zou het ideaal zijn moesten we ook voor de datasets van 1981 en 1990 telkens twee weegcoëfficiënten kunnen aanmaken, één voor leeftijd en geslacht en een andere die corrigeert voor leeftijd, geslacht en regio.

Voor het aanmaken van de weegcoëfficiënten vergelijken we de verdeling naar een aantal achtergrondkenmerken zoals die in onze dataset voorkomt met de verdeling in de populatie, zoals die in de bevolkingsstatistieken van het betreffende jaar terug te vinden is. De verhouding van beide percentages per categorie vormt de respectievelijke weegcoëfficiënt voor die categorie. Hieronder bespreken we in het kort welke weegcoëfficiënten we aangemaakt hebben, hoe we daarbij te werk zijn gegaan en welke moeilijkheden we ondervonden hebben en dit voor de twee datasets afzonderlijk.

 Voor de dataset van 1981 stelt zich al een eerste probleem. De dataset bevat enkel de indeling Vlamingen/Franstaligen. De Brusselaars kunnen dus niet gedetecteerd worden in de gegevens en we kunnen geen frequentietabel naar geslacht, leeftijd en gewest weergeven. Dit is echter noodzakelijk voor het aanmaken van de variabele die weegt naargelang geslacht, leeftijd en regio omdat in de bevolkingsstatistieken (Nationaal instituut voor de statistiek, 1983, pp. 6-7; NIS, 1982, p. 188) met een opdeling naar gewest gewerkt wordt. Daarom maken we in eerste instantie enkel een weegvariabele die gewogen is naar geslacht en leeftijd. Om nu toch te kunnen corrigeren voor de regio maken we een tweede weegvariabele door de eerste te vermenigvuldigen met een bepaalde coëfficiënt naargelang de taalgroep Vlamingen/Franstaligen. Deze praktijk kunnen we echter enkel toepassen als de verdeling naar sekse en leeftijd niet verschilt binnen de categorieën van deze taalgroep. Anders treedt er opnieuw vertekening op. Na een test met proc anova kunnen we besluiten dat het mogelijk is op deze manier een weegvariabele naar geslacht, leeftijd en regio aan te maken. Ter illustratie geven we hieronder de frequentieverdelingen naar geslacht en leeftijd voor en na weging met de weegvariabele die corrigeert voor geslacht, leeftijd en regio.

 

Tabel 3.2: Frequentieverdeling naar geslacht en leeftijd voor weging (België, 1981)

Frequentie

 

Percentage

leeftijd

geslacht

Totaal

 

man

Vrouw

 

15-24

132

137

269

 

11,91

12,36

24,28

 

25-34

111

91

202

 

10,02

8,21

18,23

 

35-44

91

85

176

 

8,21

7,67

15,88

 

45-54

59

85

144

 

5,32

7,67

13

 

55-64

57

84

141

 

5,14

7,58

12,73

 

65-74

56

64

120

 

5,05

5,78

10,83

 

75 +

21

35

56

 

1,9

3,16

5,05

 

Totaal

527

581

1108

 

47,56

52,44

100

 

Frequency Missing = 37

 

Tabel 3.3: Frequentieverdeling naar geslacht en leeftijd na weging met wg_lsr81 (België, 1981)

Frequentie

 

Percentage

leeftijd

geslacht

Totaal

 

man

vrouw

 

15-24

114,22

109,35

223,57

 

10,30

9,86

20,16

 

25-34

106,36

101,63

207,99

 

9,59

9,16

18,75

 

35-44

82,45

80,64

162,79

 

7,41

7,27

14,68

 

45-54

85,62

87,38

173,00

 

7,72

7,88

15,60

 

55-64

68,33

74,35

142,69

 

6,16

6,70

12,87

 

65-74

51,15

67,82

118,96

 

4,61

6,12

10,73

 

75 +

27,53

52,50

80,02

 

2,48

4,73

7,22

 

Totaal

535,35

573,67

1109,02

 

48,27

51,73

100

 

Frequency Missing = 37

Uit de tabellen blijkt dat dat, zoals verwacht, vooral voor de jongste en de oudste leeftijdsgroep gecorrigeerd werd. Tussen de geslachten werden enkele kleine correcties aangebracht. Uit de tabellen 4 en 5 blijkt dat ook voor de taalgroep slechts minieme correcties aangebracht werden.

 

Tabel 3.4: Frequentieverdeling naar regio voor weging (België, 1981)

regio

Frequentie

Percentage

Vlamingen

654

57,12

Walen

491

42,88

Totaal

1145

100

 

Tabel 3.5: Frequentieverdeling naar regio

na weging met wg_lsr81 (België, 1981)

regio

Frequentie

Percentage

Vlamingen

669

58,44

Walen

476

41,56

Totaal

1145

100

 

Voor wat betreft de dataset van 1990 maken we ook niet op de gewone manier een weegvariabele voor leeftijd, geslacht en gewest aan. De reden hiervan is dat de regionale vertekening in deze dataset zich vooral op het vlak van de provincies voordoet. We maken een weegvariabele aan voor geslacht en leeftijd en daarna vermenigvuldigen we die met de reeds bestaande weegvariabele voor de provincies. Op die manier wordt gewogen voor geslacht, leeftijd en provincie. Opnieuw moeten we eerst testen of de verdeling naar geslacht en leeftijd niet verschillend is binnen de categorieën van provincie. Een test met proc anova laat ons zien dat de gemiddeldes van leeftijd, geslacht en een combinatievariabele van leeftijd en geslacht niet significant verschillen binnen de verschillende provincies. In tabel 3.6 en 3.7 presenteren we de frequentietabellen naar geslacht en leeftijd, zowel voor de ongewogen als voor de gewogen gegevens. Zoals voor de dataset van 1981 werd ook in 1990 vooral gecorrigeerd voor de jongste en de oudste leeftijdsgroep. Ditmaal was er zowel voor de jongste als de oudste leeftijdscategorie een ondervertegenwoordiging in de steekproef. Vooral bij vrouwen van boven de 75 was er in de steekproef een duidelijke ondervertegenwoordiging. Het weze duidelijk dat de percentages van de verdeling na weging overeenkomen met de percentages zoals we die in de bevolkingsstatistieken terugvinden (NIS, 1991, pp. 134-135, pp.144-145, pp.154-155, pp.164-165). Na weging wordt de populatie dus correct gerepresenteerd in de steekproef.

 

Tabel 3.6: Frequentieverdeling naar geslacht en leeftijd voor weging (1990)

Frequentie

 

Percentage

leeftijd

geslacht

Totaal

 

man

vrouw

 

15-24

202

188

390

 

7.23

6.73

13.97

 

25-34

279

277

556

 

9.99

9.92

19.91

 

35-44

252

251

503

 

9.03

8.99

18.02

 

45-54

218

215

433

 

7.81

7.70

15.51

 

55-64

202

225

427

 

7.23

8.06

15.29

 

65-74

165

210

375

 

5.91

7.52

13.43

 

75 +

45

63

108

 

1.61

2.26

3.87

 

Totaal

1363

1429

2792

 

48.82

51.18

100.00

 

Tabel 3.7.: Frequentieverdeling naar geslacht
en leeftijd na weging met wg_lsr90 (1990)

Frequentie

 

Percentage

leeftijd

geslacht

Totaal

 

man

vrouw

 

15-24

158,12

150,78

308,89

 

8,81

8,4

17,21

 

25-34

176,02

169,05

345,07

 

9,81

9,42

19,23

 

35-44

151,88

152,78

304,66

 

8,46

8,51

16,98

 

45-54

113,81

123,45

237,26

 

6,34

6,88

13,22

 

55-64

124,3

132,09

256,4

 

6,93

7,36

14,29

 

65-74

79,69

110,91

190,6

 

4,44

6,18

10,62

 

75 +

52,88

98.673

151,55

 

2,95

5,5

8,45

 

Totaal

856,702

937,729

1794,4

 

47,74

52,26

100

 

Tabel 3.8: Verdeling naar provincie

provincie

Percentage

.

55,87

Duitstaligen

5,37

Limburg

19,7

West-Vlaanderen

19,05

Totaal (100%)

2792

 

Tabel 3.9: Verdeling naar provincie na

voor weging (1990) weging met wg_lsr90 (1990)

provincie

Percentage

.

81,31

Duitstaligen

0,66

Limburg

7,26

West-Vlaanderen

10,77

Totaal (100%)

1794

 

 

Tabel 3.10: Verdeling naar gewest

regio

Percentage

Brussel

17,8

Vlaanderen

55,87

Wallonië

26,33

Totaal (100%)

2792

 

 

Tabel 3.11: Verdeling naar gewest na

voor weging (1990) weging met wg_lsr90 (1990)

regio

Percentage

Brussel

12,37

Vlaanderen

55,15

Wallonië

32,48

Totaal (100%)

1794

 

De verdelingen naar provincie tonen dat voor de provincies Limburg, West-Vlaanderen en de Duitstaligen een grondige herweging noodzakelijk is. De verdeling naar gewest na weging leert ons dat de oversampling van Brussel voor een stuk weggewerkt wordt door het wegen. Doordat we niet specifiek voor het gewest wegen zijn de percentages in deze verdeling echter nog niet helemaal exact. Na weging is er nog steeds een lichte ondervertegenwoordiging van Vlaanderen en een oververtegenwoordiging van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Een laatste opmerking heeft betrekking op de grootte van de steekproeven. Zoals uit onderstaande tabel blijkt verschillen de drie steekproeven van elkaar in grootte. Dit moet in rekening worden genomen wanneer aantallen, frequenties… worden vergeleken over de drie jaartallen heen. Hieronder wordt de steekproefgrootte voor en na weging weergegeven.

 

Tabel 3.12.: Steekproefgrootte naar dataset (België, 1981-1990-1999, frequenties)

Dataset

steekproefgrootte voor weging

Steekproefgrootte na weging.

1981

1145

1145

1990

2793

1794

1999

1912

1912

 

Zoals uit de tabel af te lezen valt, wordt voor de dataset van 1990 bij het wegen ook de steekproefgrootte aangepast. Om de interpretatie te vergemakkelijken, wordt in wat volgt zoveel mogelijk met percentages gewerkt.

 In deze paragraaf werd uiteengezet hoe en waarom weegcoëfficiënten aangemaakt werden. In wat volgt worden die weegcoëfficiënten zoveel mogelijk gebruikt. Toch zijn er een aantal technieken (o.a. t-test, factoranalyse…) waarbij het wegen niet mogelijk of niet aangeraden is. In die gevallen hebben we ons moeten verlaten op de ongewogen datasets. Omdat de weegcoëfficiënten meestal geen grote aanpassingen met zich meebrengen is deze werkwijze niet problematisch[14].

 

 

Hoofdstuk 4. Verkenning van het concept individualisering in onze data

 

In dit hoofdstuk gaan we verkennend op zoek naar het concept individualisering zoals dat in de Europese Waardestudies aan bod komt. Daartoe bestuderen we in eerste instantie de drie basisdimensies van het individualiseringsbegrip zoals ze uit de literatuur naar voor kwamen. In een tweede paragraaf bekijken we dan hoe individualisering zich manifesteert binnen de relaties die we in gezinnen aantreffen. Concreet gebruiken we voor de verschillende dimensies en uitingsvormen van de geïndividualiseerde waardeoriëntatie de indicatoren zoals we ze in hoofdstuk drie geoperationaliseerd hebben (cfr. paragraaf 1.2). Voor de duidelijkheid is in bijlage één de correcte formulering van de gebruikte vragen opgenomen.

 

 

1. De drie aspecten van individualisering

 

1.1. Zelfontplooiing, keuzevrijheid en detraditionalisering: op zoek naar de latente concepten.

 

Zoals hierboven al aan bod gekomen is, werken wij met de veronderstelling dat een waardeoriëntatie als latent concept fungeert. In de Europese Waardeonderzoeken werden aan de respondenten een aantal vragen voorgelegd waarvan we telkens veronderstellen dat ze te maken hebben met één van de drie dimensies van individualisering. Of deze veronderstelling klopt, moet blijken uit de analyse van de samenhang tussen de antwoorden op de gestelde vragen. Daar situeert zich nu een probleem. Uit de correlaties blijkt dat de samenhang tussen de gebruikte variabelen in de drie datasets zeer laag is. Het vinden van drie dimensies is dan ook onmogelijk. Ook factoranalyse levert geen bruikbaar resultaat op. Een uitzondering op deze situatie vormt de dimensie detraditionalisering. De correlaties tussen de ideeën over het huwelijk als instelling, de permissiviteitsschaal[15] en het item ‘moeder wil kind alleen opvoeden’, zijn telkens significant verschillend van nul[16]. Toch is ook hier geen enkele correlatie hoger dan 0,30 en bij factoranalyses op de drie datasets met enkel deze drie items voldoen niet alle ladingen aan het 0,40-criterium. Zodoende besluiten we ook met deze items geen schaal aan te maken. We kunnen ons afvragen in welke mate deze bevinding een teken is van het zogenaamde fragmenteringsproces. Fragmentering betekent dat opvattingen en waardeoriëntaties minder samenclusteren tot herkenbare patronen. Als onze bevinding een uiting is van dit proces zou de fragmentering al in sterke mate doorgedrongen zijn. Het is namelijk niet enkel zo dat de verschillende waardeoriëntaties (zelfontplooiing, keuzevrijheid, detraditionalisering) onderling weinig samenhangen; er is ook een heel zwakke samenhang tussen de attitude-items en stricto sensu kunnen we dus geen waardeoriëntaties onderscheiden. We vinden namelijk geen empirische steun voor het aanwezig zijn van latente concepten. Anderzijds kunnen de bevindingen van weinig of geen samenhang ook te wijten zijn aan gebrekkige data: hoge non-respons, fouten bij de dataverzameling … Alleszins, deze situatie weerhoudt ons ervan schalen aan te maken en we zijn dan ook genoodzaakt bij de verdere beschrijving en analyse van de gegevens telkens met de afzonderlijke vragen te werken. Deze bevindingen doen vragen stellen omtrent de van de drie onderscheiden dimensies in het individualiseringsbegrip. Empirisch werden deze aspecten aldus niet teruggevonden. Omwille van de sterke theoretische basis van onze conceptualisering presenteren we hieronder de gekozen variabelen alsnog naargelang de aspecten zelfontplooiing, keuzevrijheid en detraditionalisering. We beschouwen de verschillende besproken variabelen als indicatoren van de drie dimensies van het individualiseringsverschijnsel.

Hieronder worden de drie aspecten van individualisering besproken aan de hand van de frequentietabellen en grafieken van de bovengenoemde vragen uit de onderzoeken. Voor het opstellen van de frequentietabellen werd de weegcoëfficiënt voor België gebruikt. Tenzij anders vermeld wordt voor de gebruikte chikwadraattoetsen geen rekening gehouden met de categorieën weet niet/geen antwoord. Daar de frequentie van deze categorieën toch meestal relatief gering is en we meer geïnteresseerd zijn in de evolutie van de inhoudelijk relevante categorieën hebben we ervoor geopteerd ze niet te gebruiken voor de test. Een impliciete veronderstelling verbonden aan deze keuze is dat de respondenten uit deze categorieën zich over de verschillende antwoordmogelijkheden verdelen zoals de respondenten die wel een inhoudelijk antwoord op de vraag gaven. Dit is niet noodzakelijk het geval.

 

1.2. Zelfontplooiing

 

Als eerste aspect van het individualiseringsconcept behandelen we de nadruk op zelfontplooiing. Hieronder bestuderen we het aspect zelfontplooiing met behulp van enkele vragen uit de waardeonderzoeken.

Een eerste vraag peilt naar de mening van de respondent over een aantal veranderingen die in de nabije toekomst zouden kunnen optreden in onze manier van leven. Uit tabel 4.1. blijkt dat het merendeel van de respondenten een grotere nadruk op persoonlijke ontwikkeling een verandering ten goede zouden vinden. Deze percentages stijgen over de drie bevragingen. Frappant ook is de sterke daling in 1990 van het aandeel respondenten die een grotere nadruk op zelfontplooiing een slechte ontwikkeling zouden vinden. Tussen 1981 en 1990 daalt deze groep van 20,8% naar 2,87%, om dan in 1999 wel opnieuw te stijgen tot 4,83%.

 

Tabel 4.1.: Grotere nadruk op persoonlijke ontwikkeling
is een verandering ten goede/ten slechte/maakt niets uit
(België, 1981-1990-1999,in percentages, gewogen gegevens)

 

1981

1990

1999

goed

72,3

80,5

82,8

slecht

20,8

2,87

4,83

maakt niets uit

2,69

15,7

8,71

weet niet/geen antwoord

4,28

0,94

3,63

Totaal (100%)

1145,19

1794,43

1912

 

Tabel 4.2.: Grotere nadruk op persoonlijke
ontwikkeling is een verandering ten goede/
ten slechte/maakt niets uit (België,
1981-1990-1999, chikwadraattoetsen, gewogen gegevens)

 

chikwadraat[17]

df

p

1981-1990

307,549

1

< 0,0001

1981-1999

273,103

1

< 0,0001

1990-1999

21,738

1

< 0,0001

 

Om te testen of er tussen de verschillende datasets significante verschillen optreden in de waardering van de nadruk op persoonlijke ontwikkeling bestuderen we de chikwadraatstatistieken. Daarbij gaan we als volgt tewerk. We testen paarsgewijs of de datasets van elkaar verschillen voor wat betreft de verdeling op het kenmerk ‘nadruk op persoonlijke ontwikkeling’. In de tabel hierboven fungeert telkens de eerste steekproef (in de tijd) als pilootbevolking. Op basis van de verdeling in deze pilootbevolking berekenen we de verwachte frequenties in de andere populatie en de daarbij horende chikwadraatstatistiek. Dus bij de eerste test is de bevolking van 1981 pilootbevolking en we testen of de appreciatie voor persoonlijke ontwikkeling in 1990 identiek is aan die in 1981. Uit de tabel blijkt dat de chikwadraat van 307,549 significant verschilt van nul. De nulhypothese dat de steekproef van 1990 zich op dezelfde manier verdeelt als de steekproef van 1981 op het kenmerk ‘persoonlijke ontwikkeling’ moet verworpen worden. Verder blijkt uit de tabel dat ook de dataset van 1999 significant verschilt van de pilootbevolking van 1981 voor wat betreft de waardering voor persoonlijke ontwikkeling. Als we vervolgens de dataset van 1990 als piloot nemen en testen voor een verschil tussen 1990 en 1999 zien we dat de chikwadraatstatistiek van 21,738 heel wat lager is dan bij de vorige twee testen. Toch is ook hier de p-waarde gelijk aan nul en besluiten we dus tot een significante verandering in de waardering voor persoonlijke ontwikkeling. Een nadere studie leert ons dat vooral de categorie ‘verandering ten slechte’ voor deze situatie verantwoordelijk is. Deze categorie gaat immers met het leeuwenaandeel van de chikwadraat lopen (celchikwadraat = 20,9906). De bevinding dat de waardering voor persoonlijke ontwikkeling veranderd is in 1999 ten opzichte van 1990 is vooral te wijten aan het toegenomen percentage respondenten die persoonlijke ontwikkeling een verandering ten slechte vinden.

Een tweede indicator van het aspect zelfontplooiing betreft de zienswijze omtrent de verplichtingen van ouders ten opzichte van hun kinderen. Concreet moeten de respondenten kiezen tussen volgende twee stellingen :

A. Het is de plicht van ouders om hun best te doen voor hun kinderen zelfs al gaat dat ten koste van hun eigen welzijn.

B. Ouders moeten hun eigen leven leiden. Men moet hen niet vragen hun eigen welzijn op te offeren ten behoeve van hun kinderen.

We veronderstellen dat ouders die voor hun eigen leven kiezen sterker geïndividualiseerd zijn. Onze hypothese is dan ook dat stelling B over de verschillende bevragingen aan belang wint en dit ten koste van stelling A. De tabellen en grafieken op de volgende bladzijde tonen aan of dat inderdaad zo is.

 

Tabel 4.3.: Bereidheid van ouders tot offers ten behoeve van kinderen (België, 1981-1990-1999, in percentages, gewogen gegevens)

 

1981

1990

1999

ten koste van eigen welzijn

62,15

61,98

76,3

ouders moeten hun eigen leven leiden/
welzijn niet opofferen voor kinderen

 9,2

 19,89

 17,4

geen van beide/weet niet/geen antwoord

28,65

18,13

6,34

Totaal (100%)

1145,2

1734,4

1912

 

 

Tabel 4.4.: Bereidheid van ouders tot offers ten behoeve van kinderen (België, 1981-1990-1999, chikwadraattoetsen, gewogen gegevens)

 

chikwadraat[18]

df

p

1981-1990

291,846

2

< 0,0001

1981-1999

532,057

2

< 0,0001

1990-1999

215,724

2

< 0,0001

 

 

Figuur 4.3.: Bereidheid van ouders tot offers ten behoeve van kinderen (België, 1981-1990-1999, in percentages, gewogen gegevens)

 

 

De gegevens in bovenstaande grafiek en tabel liggen niet volledig in lijn van de verwachtingen. De evolutie tussen 1981 en 1990 is er één van meer nadruk op de waardering van zelfontplooiing van de ouders. Het percentage respondenten dat vindt dat ouders hun eigen leven hebben en hun welzijn niet moeten opofferen voor hun kinderen stijgt van 9,2% tot 19,89%. Terzelfder tijd blijft het percentage respondenten dat vindt dat ouders hun welzijn moeten opofferen voor hun kinderen ongeveer gelijk. De toon lijkt gezet en we hadden verwacht tussen 1990 en 1999 een verderzetting van deze evolutie in de data te vinden. Maar nu doet zich tussen 1990 en 1999 een tegengestelde beweging voor: het percentage dat vindt dat de offerbereidheid van ouders ten koste van het eigen welzijn mag gaan neemt een hoge vlucht terwijl degenen die vinden dat ouders hun eigen leven moeten leiden licht in percentage afnemen. Over de drie surveys neemt het percentage respondenten die geen van de twee statements wensen te kiezen steeds meer af. Misschien kunnen we de resultaten ook als volgt interpreteren. Het percentage respondenten dat geen van beide stellingen ondersteunt neemt over de drie steekproeven steeds verder af, in 1990 is dit ten voordele van ‘ouders moeten eigen leven leiden’, in 1999 ten voordele van ‘ouders staan ten dienste van hun kinderen, desnoods ten koste van eigen welzijn’. De chikwadraatstatistieken leren ons dat de steekproeven van 1990 en 1999 telkens significant verschillen van die van 1981 wat betreft de verdeling op dit kenmerk. Zoals verwacht is voor de test tussen 1981 en 1990 de celchikwadraat van de eerste categorie ‘ten koste van eigen welzijn’ uitermate klein (= 0,008). De verandering voor dit kenmerk is inderdaad vooral toe te schrijven aan een verandering in de andere twee categorieën. Ook tussen 1990 en 1999 treedt een verandering op voor wat betreft de waardering van de offerbereidheid van ouders. Hier is de celchikwadraat van de categorie ‘eigen welzijn niet opofferen’ slechts 6,095 wat erop wijst dat ditmaal de tweede categorie niet veel aan de verandering bijdraagt.

Tot besluit van deze paragraaf stellen we dat de waardering voor zelfontplooiing een sterke toename kende tussen 1981 en 1990. Tussen 1990 en 1999 is de evolutie niet zo duidelijk te interpreteren. Hoewel het percentage respondenten die de nadruk op persoonlijke ontwikkeling een verandering ten goede vinden toenam, steeg ook het aandeel van degenen die het een slechte ontwikkeling vinden in die periode, wat dan weer zou wijzen op een verminderde aanhang van de waarde zelfontplooiing. Ook de zienswijze omtrent de verplichtingen van ouders ten opzichte van hun kinderen wijst in de richting van een verminderd belang van zelfontplooiing in de periode 1990-1999.

 

1.3. Keuzevrijheid

 

Wat betreft het aspect keuzevrijheid gaan we eerst in op de waardering van de waarden vrijheid en gelijkheid. Deze variabele wordt geoperationaliseerd als indicator van het aspect keuzevrijheid, maar als we de formulering van de vraag bekijken, zien we dat ook het aspect zelfontplooiing/ontwikkeling in deze vraag aan bod komt (cfr. … dus dat iedereen in vrijheid kan leven en zich onbelemmerd kan ontwikkelen). We gaan er hieronder in elk geval van uit dat personen die de waarde vrijheid verkiezen meer geïndividualiseerd denken.

 

Tabel 4.5.: De keuze tussen de waarden vrijheid en
gelijkheid (België, 1981-1990-1999, in percentages,
gewogen gegevens)

 

1981

1990

1999

vrijheid boven gelijkheid

45,8

48,63

45,3

gelijkheid boven vrijheid

25,94

34,72

47,3

geen van beide/
weet niet/geen antwoord

 28,26

 16,64

 7,39

Totaal (100%)

1145,2

1794,4

1912

 

Tabel 4.6.: De keuze tussen de waarden vrijheid en
gelijkheid (België, 1981-1990-1999,
chikwadraattoetsen, gewogen gegevens)

 

chikwadraat[19]

df

p

1981-1990

142.178

2

< 0,0001

1981-1999

630.505

2

< 0,0001

1990-1999

189.489

2

< 0,0001

 

Figuur 4.5.: De keuze tussen de waarden vrijheid en gelijkheid

(België, 1981-1990-1999, in percentages, gewogen gegevens)

 

 

Bovenstaande grafiek en tabel tonen aan dat de waarde vrijheid zowel in 1981 als in 1990 aan kop staat. De waardering van vrijheid blijft ongeveer gelijk over de verschillende bevragingen. In 1990 zien we een lichte stijging, maar in 1999 terug een lichte daling in de waardering voor vrijheid. De waarde gelijkheid daarentegen wordt belangrijker over de verschillende surveys heen en verstoot in 1999 zelfs nipt de waarde vrijheid van de eerste plaats. De categorie geen van beide/geen antwoord/geen mening neemt over de verschillende bevragingen sterk af in percentage, hetgeen betekent dat steeds meer mensen een duidelijke keuze gemaakt hebben in het vrijheid/gelijkheid dilemma. De chikwadraattoetsen leren ons dat de waardering van vrijheid en gelijkheid in 1990 en 1999 significant verschilt van deze in 1981. Ook tussen 1990 en 1999 treedt een verandering in dit kenmerk op. Bovenstaande bevindingen zijn niet in overeenstemming met onze verwachtingen. De waarde vrijheid is weliswaar een zeer belangrijke waarde, maar neemt over de verschillende onderzoeken niet in belang toe en dit in tegenstelling tot de waardering voor gelijkheid. Het is moeilijk voor deze situatie een verklaring te vinden. We mogen echter niet vergeten dat de waarde vrijheid over de drie onderzoeken topprioriteit is en ook in 1981 al een grote aanhang kende. In die zin is het moeilijker over de onderzoeken nog verder in belang toe te nemen. Wellicht ligt ook een deel van de verklaring in de formulering van de vraag zelf. Door het plaatsen van vrijheid tegenover gelijkheid wordt de respondent voor een moeilijke keuze geplaatst. Zoals uit de literatuur blijkt, is dit het tijdperk van de democratisering van de individualisering. De emancipatie van de vrouw, de democratisering van het onderwijs, het opentrekken van de arbeidsmarkt… zijn mogelijkheidsvoorwaarden geweest voor een veralgemening van de geïndividualiseerde levensloop. In deze context is het niet te verwonderen dat er veel aandacht is voor gelijkheid. Het is daarenboven te verwachten dat emancipatie en gelijkheid van kansen topwaarden zullen zijn voor de groepen die zich pas in een latere fase tot een meer geïndividualiseerde levensloop kunnen richten. Denken we maar aan personen uit de lagere sociale klassen. In een volgend hoofdstuk zullen we onderzoeken of de waardering voor vrijheid/gelijkheid verschilt binnen verschillende sociale groepen (cfr. infra), en of er misschien op dat vlak verschuivingen optreden.

 Een tweede indicator voor het aspect keuzevrijheid is de mate waarin de respondent het gevoel heeft dat hij/zij zelf kan uitmaken en regelen hoe zijn/haar leven verloopt. Deze indicator meet niet zoals de hierboven behandelde variabele de positieve of negatieve appreciatie voor het aspect keuzevrijheid, maar wel de mate waarin de respondenten die keuzevrijheid zelf ervaren in hun leven. In de strikte zin wordt hier dus geen waarde gemeten. Toch hebben we deze variabele opgenomen omdat we ervan uitgaan dat naarmate de impact van traditionele instituties en normen afneemt en de individuele keuzevrijheid toeneemt, personen ook meer het gevoel gaan krijgen dat ze zelf impact op hun levensverloop hebben. In een meer geïndividualiseerde samenleving stijgt het gevoel dat men zelf de vrijheid heeft over bepaalde cruciale zaken van zijn/haar leven te beslissen. Concreet moesten de respondenten voor deze vraag op een schaal van één tot tien aangeven in hoeverre ze het gevoel hebben dat ze zelf kunnen uitmaken en regelen hoe hun leven verloopt. We vergelijken de gemiddelde scores op die schaal voor de drie datasets.

 

Tabel 4.7.: Enkele beschrijvende statistieken over de schaal ‘zelf uitmaken en regelen hoe leven verloopt.’ (België, 1981-1990-1999, N, gemiddelde, standaardafwijking, mediaan, modus, ongewogen gegevens[20])

1.1.1.1.1.2.1 Dataset

N

Gemiddelde

Standaardafwijking

Mediaan

Modus

1981

1010

6,27

2,09

6,00

8,00

1990

1705

6,60

2,18

7,00

8,00

1999

1888

6,56

2,21

7,00

8,00

 

Uit tabel 4.7. blijkt dat de gemiddelde scores voor deze vraag nogal hoog liggen. Belgen hebben over het algemeen sterk het gevoel dat ze zelf de vrijheid hebben hun leven te bepalen. Zoals we uit de gemiddelden kunnen aflezen stijgt dat gevoel tussen 1981 en 1990. Tussen 1990 en 1999 neemt de gemiddelde waarde licht af. De standaardafwijking neemt licht toe over de verschillende datasets. We onderzoeken of de verandering in deze gemiddelde waarde significant is en testen voor een verschil tussen groepen. Omdat de data niet uit normaal verdeelde populaties afkomstig zijn[21] gebruiken we daarvoor de NPAR1WAY procedure. Die bevat de niet-parametrische Kruskal-Wallis test die gebaseerd is op Wilcoxon scores.


 

Tabel 4.8.: Wilcoxon scores voor ‘zelf uitmaken en regelen hoe leven verloopt’.
(België, 1981-1990-1999)

1.1.1.1.1.2.2 Wilcoxon Scores (Rank Sums) for Variable ZELFLEV

Classified by Variable DATASET

DATASET

1.1.1.1.1.2.2.1 N

Sum of

Expected

Std Dev

Mean

Scores

Under H0

Under H0

Score

81

1010

2150375

2325020

36873,1199

2129,08416

90

1705

4015178

3924910

43026,0990

2354,94311

99

1888

4430553

4346176

43823,4437

2346,69121

Average scores were used for ties.

 

Tabel 4.9.: Kruskal-Wallis test voor ‘zelf uitmaken en regelen hoe leven verloopt’.
(België, 1981-1990-1999)

1.1.1.1.1.2.2.2 Kruskal-Wallis Test

chikwadraat

22,4686

df

2

pr > chikwadraat

< 0,0001

 

Volgens de Kruskal-Wallis test moet de nulhypothese die stelt dat er geen verschil tussen de gemiddeldes is, verworpen worden. De kans om een chikwadraatwaarde van 22,4686 te bekomen onder de nulhypothese is kleiner dan 0,0001. Een nadeel aan de Kruskal-Wallis test is dat er niet paarsgewijs kan vergeleken worden tussen de verschillende datasets. Op die manier kunnen we dus slechts op algemene wijze besluiten dat er een significant verschil in gemiddelde is tussen de datasets, maar niet specifiek of bijvoorbeeld de afname tussen 1990 en 1999 significant is.

 Voor het aspect keuzevrijheid besluiten we dat er aan de ene kant tussen 1981 en 1990 een toegenomen ervaring van keuzevrijheid op te merken valt. Tussen 1990 en 1999 neemt het gemiddelde van de schaal ‘zelf leven bepalen’ dan weer licht af. Aan de andere kant neemt de waardering voor de vrijheidswaarde niet toe in vergelijking met de waarde gelijkheid. Misschien schort hier iets aan de operationalisering en de veronderstelling dat de keuze voor gelijkheid een niet-geïndividualiseerde keuze is.

 

1.4. Detraditionalisering

 

Detraditionalisering betekent in de eerste plaats de afkalving van traditionele instituties zoals bijvoorbeeld het huwelijk. Daarom behandelen we als eerste indicator van dit aspect de beoordeling van de stelling ‘Het huwelijk is een verouderde instelling’.

 

Tabel 4.10.: Beoordeling van de stelling
‘Het huwelijk is een verouderde instelling’
(België, 1981-1990-1999, in percentages,
gewogen gegevens)

 

1981

1990

1999

eens

16

20,8

29,7

oneens

73,6

70,2

67,2

weet niet/geen antwoord

10,4

8,96

3,1

Totaal (100%)

1145,2

1794,4

1912

 

Tabel 4.11.: Beoordeling van de stelling
‘Het huwelijk is een verouderde instelling’
(België, 1981-1990-1999, chikwadraattoetsen, gewogen gegevens)

 

chikwadraat

df

P

1981-1990

27,519

1

< 0,0001

1981-1999

204,431

1

< 0,0001

1990-1999

63,210

1

< 0,0001

 

De resultaten in deze frequentietabel zijn éénduidig te interpreteren. Het percentage Belgen dat het huwelijk een verouderde instelling vindt is gestegen tussen 1981 en 1999. Daarnaast is het percentage dat het oneens is met de stelling afgenomen. Er is dus een trend naar toenemende afkeuring van de institutie huwelijk. De chikwadraattoetsen tonen aan dat die toename significant is.

 Zoals hierboven al aan bod gekomen is manifesteert detraditionalisering zich ook in de verminderde aanhang van traditionele waarden en normen. De waardering van zaken in de sfeer van relaties en seksualiteit stond jarenlang onder invloed van de traditionele kerkelijke moraal. Zo werden homoseksualiteit, overspel, abortus en echtscheiding tot de sfeer van de zonde verbannen. Als de kerk aan belang verliest, zullen ook de door haar verkondigde waarden en normen hun impact verliezen. We verwachten dus dat de tolerantie t.a.v. buitenechtelijke relaties, echtscheiding… zal toenemen. In de vragenlijst is een lijst items opgenomen die de tolerantie van de respondent t.a.v. allerhande uiteenlopende thema’s meet. Daaruit kozen we volgende vier items: homoseksualiteit, echtscheiding, buitenechtelijke relaties en abortus. We veronderstellen dat deze items verwijzen naar een achterliggend concept dat we permissiviteit noemen. De correlaties tonen aan dat er in de drie datasets een sterke samenhang bestaat tussen de gekozen items. Factoranalyses wijzen uit dat ze inderdaad verwijzen naar één achterliggend concept[15]. Uit de factorladingen blijkt dat in de drie datasets het item echtscheiding de hoogste lading heeft. Het item ‘homoseksualiteit’ wordt wat belangrijker over de verschillende datasets terwijl het item ‘buitenechtelijke relaties’ iets aan belang inboet in 1999. Alvorens over te gaan tot het aanmaken van Likertschalen besteden we nog even aandacht aan de missing values. Bij het uitvoeren van de factoranalyse merkten we namelijk op dat er in elke dataset heel wat observaties uitgesloten worden omwille van missing values op één of meerdere items[16]. Deze vorm van informatieverlies kan een vertekening van onze schaal met zich meebrengen. Daarom wordt bij de vier gekozen items geïmputeerd voor deze missings. We doen dit door het invullen van het gemiddelde van de overblijvende items van de schaal[17]. Op basis van de uitkomsten van de factoranalyses maken we nu voor elke dataset een Likertschaal aan met een bereik van één tot tien. De interne betrouwbaarheid van de drie schalen, uitgedrukt in Cronbach alpha, is respectievelijk 0,78 voor 1981; 0,79 voor 1990 en 0,75 voor 1999. Nu de schalen aangemaakt zijn, zijn we klaar om te vergelijken tussen de verschillende datasets. In tabel 4.12 presenteren we enkele beschrijvende statistieken.

 

Tabel 4.12.: Enkele beschrijvende statistieken over de permissiviteitsschaal (België, 1981-1990-1999, N, gemiddelde, standaardafwijking, mediaan, modus, ongewogen gegevens[18])

Dataset

1.1.1.1.1.3 N

Gemiddelde

Standaardafwijking

Mediaan

Modus

1981

1061

3,30

1,89

3,00

1,00

1990

1743

4,07

2,11

4,00

1,00

1999

1902

4,51

2,19

4,50

1,00

 

Uit de tabel blijkt dat het gemiddelde op de permissiviteitsschaal zich telkens onder de vijf bevindt. In 1981 geeft 50% van de respondenten een gemiddelde permissiviteitsscore van minder dan drie op tien. Echt tolerant zijn de Belgen dus niet te noemen voor wat betreft abortus, buitenechtelijke relaties, echtscheiding en homoseksualiteit. Tussen 1981 en 1999 neemt de tolerantie wel toe. Dit zien we aan de stijging van het gemiddelde en de hogere waarde bij de mediaan. Via enkelvoudige variantie-analyse zullen we testen of de toename van het gemiddelde significant is[19]. De F-waarde van 114,60 is significant verschillend van nul (p < 0,0001), hetgeen betekent dat we de nulhypothese die stelt dat de gemiddelden per dataset niet verschillen moeten verwerpen. De gemiddelden op de permissiviteitsschaal verschillen per dataset. Omdat het voor ons interessant is specifiek te weten welke datasets van elkaar verschillen inzake permissiviteit zullen we paarsgewijs vergelijken. Dit is mogelijk door het uitvoeren van een multiple t-test. De SAS-output in tabel 4.13. toont aan dat alle datasets significant van elkaar verschillen voor wat betreft de gemiddelde waarde op de permissiviteitsschaal. De toename tussen 1981 en 1990 is dus significant, evenals die tussen 1990 en 1999.

 

Tabel 4.13.: Multiple t-test voor een verschil tussen de drie datasets in de gemiddeldes op de permissiviteitsschaal

 

 

Een andere indicator van het verzwakken van de traditionele gezinsmoraal wordt gevormd door de volgende variabele. Aan de respondenten werd gevraagd wat ze vinden van de keuze van een vrouw om haar kind alleen op te voeden omdat ze geen vaste relatie met een man wil[20].

 

Tabel 4.14.: Moeder wil kind alleen opvoeden omdat ze
geen vaste relatie met een man wil (België,
1981-1990-1999, in percentages, gewogen gegevens)

 

1981

1990

1999

keurt goed

29,36

30,32

50,3

keurt af

31,11

33,31

35,6

hangt ervan af

28,78

31,71

11,7

weet niet/geen antwoord

10,75

4,66

2,46

Totaal (100%)

1145,2

1794,4

1912

 

Tabel 4.15.: Moeder wil kind alleen opvoeden omdat ze geen vaste relatie met een man wil (België, 1981-1990-1999, chikwadraattoetsen, gewogen gegevens)

 

chikwadraat

df

P

1981-1990

1,177

2

0.5551

1981-1999

437,810

2

0,0000

1990-1999

485,705

2

0,0000

 

Uit bovenstaande gegevens blijkt dat de waardering voor deze stelling ongewijzigd blijft tussen 1981 en 1990. De chikwadraatstatistiek van 1,177 is niet significant verschillend van nul wat erop wijst dat de steekproefverdeling van dit kenmerk in 1990 gelijk is aan die in 1981. De chikwadraattoets voor de dataset van 1999 t.o.v. de dataset van 1990 toont wel significante verschillen, evenals die voor de test van 1999 t.o.v. 1981. Tussen 1990 en 1999 stijgt het percentage respondenten dat de stelling ‘Moeder wil kind alleen opvoeden…’ goedkeurt zelfs van 30,32% tot 50,32%. Ook de afkeuring van deze stelling neemt iets toe, maar in veel mindere mate en daar waar in 1981 en 1990 een meerderheid van de respondenten nog afkeurend stonden tegenover een vrouw die haar kind zonder man wil opvoeden staat in 1999 de meerderheid van de respondenten positief ten opzichte van deze situatie. In 1999 is de categorie ‘hangt ervan af’ flink ingeslonken, wat erop wijst dat een groter aandeel respondenten een keuze gemaakt heeft tussen goed- en afkeuring. De verandering tussen 1990 en 1999 gaat in de richting van onze verwachting dat de aanvaarding van alleenstaande moeders toeneemt.

 

 

2. Veruitwendigingen binnen de gezinsrelaties

 

Individualisering heeft zijn repercussies op de vormgeving van interne verhoudingen binnen het gezin. Hiervoor hadden we het al over de nadruk op kwaliteit in de relatie, veranderingen in de rolpatronen van mannen en vrouwen en meer individualisering in de opvoedingswaarden. In deze paragraaf gaan we op deze ontwikkelingen in. Op basis van een aantal items pogen we telkens schalen aan te maken die we dan vergelijken over de tijd.

 

2.1. Man-vrouwrollen

 

In hoofdstuk twee hadden we het over de toenemende participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt. Hoewel ze nog niet helemaal verdwenen is stellen we dat de traditionele rolverdeling tussen de seksen aan het afbrokkelen is! Hieronder toetsen we of individuen aan het einde van de twintigste eeuw inderdaad roldoorbrekend denken en of er een toename in deze waardering is vast te stellen.

In de vragenlijsten van 1990 en 1999 is een batterij items opgenomen i.v.m. man-vrouwrollen. De respondenten moesten op een schaal van één tot vier aangeven in hoeverre ze het eens zijn met de stellingen, waarbij één staat voor helemaal mee eens. In 1990 bevatte die reeks zes items, in 1999 werden er daar twee aan toegevoegd. Factoranalyses op de zes gemeenschappelijke items laten ons vermoeden dat er één betekenisvolle factor aanwezig is: verwerpen/aanvaarden van de traditionele vrouwenrol. Op deze factor laden in 1990 drie items, in 1999 ook nog een vierde, met name ‘Een werkende moeder kan een even warme en hechte relatie met haar kinderen hebben als een moeder die niet buitenshuis werkt’. Om vergelijking tussen de twee datasets mogelijk te maken werken we hier verder met de drie items die in beide jaartallen laden op de achterliggende factor. In bijlage twee worden de ladingen van principale factoranalyse op deze drie items gegeven. Zowel in 1990 als in 1999 heeft het tweede item de hoogste lading. Het derde item wordt in 1999 iets minder belangrijk. Inhoudelijk blijft de schaal over de twee surveys grotendeels hetzelfde meten. Vooraleer een Likertschaal gemaakt wordt imputeren we nog voor missing values[21]. Dit doen we door het invullen van het gemiddelde van de overblijvende items van de schaal[22]. De schaal ‘verwerpen van de traditionele vrouwenrol’ heeft waarden tussen 1 en 10 waarbij 10 staat voor het sterk verwerpen van de traditionele vrouwenrol. Uit de waarden bij Cronbach alpha in onderstaande tabel blijkt dat ook na imputatie de interne consistentie van de schaal nogal laag is.

Hieronder worden een aantal beschrijvende statistieken gegeven van onze schaal ‘verwerpen van de traditionele vrouwenrol’. Het gemiddelde en de mediaan situeren zich iets onder het midden van de schaal. Tussen 1990 en 1999 neemt het gemiddelde in lichte mate toe.

 

Tabel 4.16.: Enkele beschrijvende statistieken over de schaal ‘verwerpen van de traditionele vrouwenrol’ (België, 1981-1990-1999, N, gemiddelde, standaardafwijking, mediaan, modus, niet gewogen gegevens[23])

Dataset

1.1.1.1.1.4 N

Gemiddelde

Standaardafwijking

Mediaan

Modus

1990

1660

4.67

1.95

5

4

1999

1858

5,11

2,22

5

5

 

Met behulp van de t-test onderzoeken we of de toename van het gemiddelde significant verschillend van nul is[24].

 

Tabel 4.17.: T-test voor een verschil tussen de gemiddeldes op de schaal ‘verwerpen van de traditionele vrouwenrol’

 

Onderaan de output in tabel 4.17. zien we dat de test van gelijkheid van varianties stelt dat de nulhypothese van gelijke variantie moet worden verworpen (p < 0,0001). Voor de t-test moeten we ons dus baseren op de onderste test waarbij de varianties niet gelijk zijn. De nulhypothese van de t-test die stelt dat er geen verschil is tussen de gemiddeldes van de twee datasets moet bij een t-waarde van –6,24 verworpen worden (p < 0,0001). Tussen 1990 en 1999 is er dus een toename van de verwerping van de traditionele vrouwenrol waar te nemen. De gemiddeldes van de schalen verschillen significant van elkaar.

 

2.2. De kwaliteitsdimensie binnen relaties

 

In hoofdstuk drie werd de hypothese geformuleerd dat voor een succesvolle relatie de homogamienorm steeds meer aan belang verliest en dit ten voordele van waarden die de kwaliteit van de relatie benadrukken. Om deze hypothese te testen, richten we onze aandacht op een vragenreeks die peilt naar de succesfactoren voor een geslaagd huwelijk. Op theoretische gronden en op basis van vorig onderzoek verwachten we daarin drie aspecten te onderscheiden: materiële factoren, homogamie en expressieve of kwaliteitswaarden (Van den Troost, 2000; van den Elzen, 1998; Dobbelaere e.a., 2000, pp. 225-230). We testen deze veronderstelling aan de hand van een meetmodel voor drie latente variabelen. Omdat het testen van modellen voor meerdere latente variabelen nauwkeuriger kan gebeuren m.b.v. het programma Lisrel maken we hier de overstap naar dat programma[25]. Op basis van confirmatorische factoranalyses in de drie datasets beslissen we dat er inderdaad drie aspecten in de batterij items te onderscheiden zijn[26]. Een model met drie gecorreleerde factoren waarbij de correlaties tussen de residuelen van redelijk inkomen en zelfde sociale achtergrond enerzijds en respect/waardering en begrip/verdraagzaamheid anderzijds worden vrijgelaten geeft voor de drie datasets een goede fit[27]. Via multigroup vergelijking in Lisrel kunnen we testen of ons vooropgestelde factormodel gelijk blijft over de verschillende datasets. In het startmodel gaan we uit van complete factoriële invariantie. We stellen een model voorop waarin de factorladingen, de residuelen en de variantie-covariantiematrix van de drie latente factoren invariant of gelijk over de tijd zijn. Dit volledig invariant model noemen we model 0. Om de aannemelijkheid van dit model te testen, worden hieronder een aantal testcriteria weergegeven. Over het algemeen wordt aangenomen dat voor een goede fit de Root Mean Square Error of Approximation[28] kleiner dan 0,05 moet zijn en overeenkomstig de p-waarde van close fit (H0: RMSEA<0,05) de waarde 1 moet benaderen. Zoals uit tabel 4.18. blijkt, blijft de RMSEA van ons startmodel nog iets onder 0,05. Daarom laten we in enkele opeenvolgende modellen telkens een parameter vrij en bekijken we opnieuw de testcriteria. Zoals verwacht neemt de chikwadraat af telkens we een parameter vrijlaten. Ook de RMSEA, P of close fit en NIF tonen een betere fit van het model. De hieronder voorgestelde testen zijn cumulatief, hetgeen betekent dat in elk volgend model alle vrijgelaten parameters van de vorige modellen mee worden opgenomen.

 

Tabel 4.18.: Overzicht van het testen van meetmodellen

Modellen

chikwadraat

df

RMSEA

P (close fit)

NIF

Model 0: volledig invariant

615,074

112

0,0534

1

0,891

Model 1: TD (3,3,3) verschilt

534,01

111

0,0495

1

0,905

Model 2: LX (3,6,2) verschilt

505,946

110

0,0479

1

0,91

Model 3: TD (3,7,7) verschilt

452,676

109

0,0446

1

0,92

 

Uiteindelijk kiezen we model drie als best passende model. Het heeft een RMSEA van 0,0446 en een NIF van 0,92. Tussen model twee en model drie is er nog een afname in chikwadraat van 53,27. Het gekozen model laat in 1999 de residuele variantie van item drie (=wederzijds respect en waardering) en item zeven (=begrip en verdraagzaamheid) vrij. Die is daar lager dan in de andere twee datasets. In de dataset van 1999 wordt de factorlading van ‘overeenstemmende politieke opvattingen’ vrijgelaten. Die is in 1999 een stuk lager dan in de andere datasets (0,481 tegenover 0,602). Het item ‘overeenstemmende politieke opvattingen’ is dus minder belangrijk geworden bij de vorming van de homogamiefactor. Misschien is dit te verklaren vanuit de algemeen verminderde interesse in en betrokkenheid bij het politieke gebeuren. Hieronder is een figuur met de gestandaardiseerde parameters opgenomen.

 

Figuur 4.18.: Multigroepvergelijking bij de succesfactoren voor een geslaagd huwelijk: gestandaardiseerde parameters van het gekozen model (België, 1981-1990-1999)

 

Op basis van de resultaten van onze factoranalyses maken en we voor elke dataset een materiële, homogamie- en een kwaliteitsschaal aan. Uit onderstaande tabel blijkt dat de interne consistentie van de aangemaakte schalen nogal laag is.

 

Tabel 4.19.: Cronbach alpha voor de aangemaakte schalen (1981-1990-1999, gewogen gegevens)

 

1981

1990

1999

materieel

0,66

0,67

0,63

homogamie

0,72

0,58

0,61

kwaliteit

0,61

0,51

0,47

 

In de tabellen 4.20., 4.21. en 4.22. zijn enkele beschrijvende statistieken van de schalen weergegeven. Opnieuw testen we telkens voor een verschil tussen de gemiddeldes. Dit gebeurt d.m.v. de non-parametrische Kruskal-Wallis-test omdat de schalen geen normale verdeling vertonen in de drie datasets.

 

 

Tabel 4.20.: Enkele beschrijvende statistieken over de materiële schaal (België, 1981-1990-1999, N, gemiddelde, standaardafwijking, mediaan, modus, niet gewogen gegevens[29])

 

Dataset

N

Gemiddelde

Standaardafwijking

Mediaan

Modus

1981

1106

3,54

1,09

3,00

3,00

1990

1786

3,63

1,11

4,00

3,00

1999

1907

3,55

1,22

3,00

3,00

 

De materiële schaal gaat van 1 tot 5. Gemiddelde, mediaan en modus tonen aan dat voor de Belg de materiële aspecten van het huwelijk gematigd belangrijk zijn. De gemiddeldes liggen niet zo ver uiteen en er is geen patroon te onderkennen. Volgens de Kruskal-Wallis test zijn de verschillen tussen de gemiddeldes wel significant (chikwadraat = 8,7353; p = 0,0127).

 

Tabel 4.21.: Enkele beschrijvende statistieken over de homogamieschaal (België, 1981-1990-1999, N, gemiddelde, standaardafwijking, mediaan, modus, niet gewogen gegevens[30])

Dataset

N

Gemiddelde

Standaardafwijking

Mediaan

Modus

1981

1105

3,29

1,80

3,00

3,00

1990

1784

3,01

1,64

3,00

3,00

1999

1905

2,75

1,59

3,00

1,00

 

De homogamieschaal heeft een bereik tussen de waarde 1 en de waarde 7. De gemiddeldes tonen een afname van het belang van de homogamie-items. Volgens de Kruskal-Wallis test zijn de verschillen tussen deze gemiddeldes significant (chikwadraat = 65,5206 en p < 0,0001). In overeenstemming met onze verwachtingen kunnen we stellen dat homogamie van de opvattingen tussen 1981 en 1999 minder en minder belangrijk wordt voor een succesvol huwelijk.

 

Tabel 4.22.: Enkele beschrijvende statistieken over de kwaliteitsschaal (België, 1981-1990-1999, N, gemiddelde, standaardafwijking, mediaan, modus, niet gewogen gegevens[31])

 

Dataset

N

Gemiddelde

Standaardafwijking

Mediaan

Modus

1981

1095

7,31

1,52

8,00

9,00

1990

1783

7,36

1,44

7,00

9,00

1999

1905

7,64

1,27

8,00

9,00

 

De kwaliteitsschaal loopt van één tot negen. Over de drie datasets is de kwaliteitswaarde heel belangrijk voor een succesvol huwelijk. De mediaan bevindt zich op de waarde zeven en acht en de modus is in de drie datasets negen. Ook de gemiddeldes op de schaal zijn zeer hoog en het gemiddelde neemt nog toe tussen 1981 en 1999. In de drie datasets verschillen de gemiddeldes significant van elkaar

(Kruskal Wallis chiskwadraat = 38,4032; p < 0,0001).

 Tot besluit stellen we dat we in overeenstemming met de verwachtingen drie factoren vinden voor de succesfactoren van een geslaagd huwelijk. De hypothese dat de waardering voor kwaliteitsaspecten van het huwelijk toeneemt ten nadele van de homogamieaspecten wordt in de data empirisch bevestigd. De waardering voor materiële succesfactoren voor een geslaagd huwelijk kent geen duidelijke toe- of afname.

 

2.3. Individualisering binnen de opvoedingswaarden

 

In een samenleving die tendeert naar meer individualisering zullen ouders extra aandacht spenderen aan de autonome ontwikkeling van hun kinderen. Dit is de hypothese die in een vorig hoofdstuk beschreven werd. Om deze hypothese te toetsen probeerden we in eerste instantie binnen de opvoedingswaarden enkele betekenisvolle factoren te onderscheiden. De pogingen die daartoe ondernomen werden via exploratieve factoranalyse zijn mislukt. De items horend bij deze vraag kunnen niet tot zinvolle factoren herleid worden[32]. Bij nader onderzoek bleken ook de correlaties tussen de voor ons interessante items[33] ondermaats. Op basis van deze bevindingen beslissen we geen schaal aan te maken voor de opvoedingswaarden. We bekijken hieronder wel de evolutie van de opvoedingswaarden onafhankelijkheid, verantwoordelijkheidsgevoel, fantasie/verbeeldingskracht en vastberadenheid/vol-harding. Deze items werden uit de reeks gekozen omdat we ervan uitgaan dat precies deze eigenschappen kinderen aansporen tot zelfstandigheid en ontplooiing. In tabel 4.23. wordt telkens weergegeven welk percentage respondenten de betreffende eigenschap vernoemde als één van de vijf belangrijkste om kinderen toe aan te moedigen.

 

Tabel 4.23.: Eigenschappen waartoe men kinderen thuis kan aanmoedigen (België, 1981-1990-1999, in percentages, gewogen gegevens)

 

 

1981

1990

1999

onafhankelijkheid

19,90

35,06

40,55

verantwoordelijkheidsgevoel

36,96

71,85

79,91

fantasie/verbeeldingskracht

8,36

18,06

22,96

vastberadenheid/volharding

20,32

38,98

43,67

Totaal (N)

1145,19

1794,43

1912

 

 

Tabel 4.24.: Eigenschappen waartoe men kinderen thuis kan aanmoedigen (België, 1981-1990-1999, chikwadraattoetsen, gewogen gegevens)

 

 

1981-1990

1981-1999

1990-1999

 

df

chi²

p

chi²

P

chi²

p

onafhankelijkheid

1

370,3530

< 0,0001

616,9010

< 0,0001

62,0820

< 0,0001

verantwoordelijkheidsgevoel

1

1184,6000

< 0,0001

1760,1500

< 0,0001

103,3080

< 0,0001

fantasie/verbeeldingskracht

1

324,2520

< 0,0001

639,3770

< 0,0001

68,4652

< 0,0001

vastberadenheid/volharding

1

522,4630

< 0,0001

767,3620

< 0,0001

53,3976

< 0,0001

 

We zien voor elk van de vijf eigenschappen dezelfde evolutie. Tussen 1981 en 1999 vindt een toenemend percentage respondenten onafhankelijkheid, verantwoordelijkheidsgevoel, fantasie/verbeeldingskracht en vastberadenheid/volhar- ding belangrijke eigenschappen om kinderen bij te brengen. Voor alle vier de eigenschappen leren de chikwadraattoetsen ons dat er een samenhang is tussen de variabele dataset en de opvoedingswaarde.

 

 

3. Fragmentering van gezinswaarden

 

Deze laatste paragraaf gaat in op de samenhang tussen de verschillende bestudeerde gezinswaarden. We weten dat het traditionele gezinsethos werd gekenmerkt door een samenhangende ideologie omtrent huwelijk, voortplanting, seksualiteit en geslachtsrollen. Dit betekent dat iemand die bijvoorbeeld conventioneel denkt over abortus ook conventioneel denkt over de rolverdeling tussen mannen en vrouwen. Er was sprake van een coherent patroon met een samenhang tussen de onderschrijving van de verschillende gezinswaarden. In hoofdstuk twee werd fragmentering aangegeven als een uitingsvorm van individualisering. Dit betekent dat de samenhang tussen verschillende opvattingen en waarden afneemt over de tijd. Ook voor de gezinswaarden verwachten we dergelijke fragmentering terug te vinden. We veronderstellen dat de waarden i.v.m. de gezinssfeer zich steeds meer gaan differentiëren van elkaar. Het traditionele gezinsethos wordt afgebroken en niet vervangen door een nieuw ‘modern’ gezinsethos, maar eerder door differentiatie op het vlak van gezinswaarden.

 Hier zullen we deze fragmenteringshypothese testen door de correlaties tussen een aantal gezinswaarden te vergelijken tussen de datasets. Daarvoor nemen we alle hierboven besproken indicatoren van individualisering die specifiek betrekking hebben op het gezin. Het gaat over de schalen i.v.m. de succesfactoren voor een geslaagd huwelijk, de permissiviteitsschaal, de indicatoren: ‘ouders moeten eigen leven leiden’, ‘huwelijk is verouderde instelling’, ‘moeder wil kind alleen opvoeden’ en de vier behandelde opvoedingswaarden. Enkel de schaal i.v.m. rolpatronen nemen we niet op omdat die niet in de drie datasets voorkomt. We verwachten dat de correlaties tussen deze variabelen zullen afnemen tussen 1981, 1990 en 1999. Uit de correlatiematrixen in bijlage vijf blijkt dat in 1981 al geen sterke samenhang tussen de verschillende gezinswaarden de onderkennen valt. Uit de tabel komen wel significante samenhangen tussen de gezinswaarden tot uiting, maar echt sterk zijn die niet te noemen. We bespreken enkel de variabelen waartussen een correlatie van meer dan 0,20 bestaat. De drie facetten van de succesfactoren voor een geslaagd huwelijk hangen relatief sterk samen. Verder hangt de permissiviteitsschaal samen met de homogamieschaal en de variabele ‘het huwelijk is een verouderde instelling’. Ook de opvoedingswaarden fantasie/verbeeldingskracht en onafhankelijkheid hangen onderling samen. Al bij al dus een mager resultaat. Het traditionele gezinsethos is aan het begin van onze te bestuderen periode al in sterke mate afgebrokkeld. Daardoor wordt het moeilijker nog verdere uitingen van fragmentering op het spoor te komen doorheen de datasets. Wanneer we de correlatiematrixen van 1990 en 1999 bekijken zien we dat ook in deze periodes de samenhang tussen de verschillende gezinsvariabelen niet sterk is. Een echt duidelijke tendens tot verdere fragmentering is er niet te vinden. Van de zes samenhangen tussen gezinswaarden in 1981 worden de volgende drie paren door een verdere fragmentering gekenmerkt: homogamieschaal - materiële schaal, homogamieschaal - kwaliteitsschaal, het huwelijk is een verouderde instelling - permissiviteit. Verder blijkt dat zowel in 1990 als in 1999 iets meer gezinsvariabelen samenhang (correlatie > .20) tonen dan in 1981.

 We besluiten deze paragraaf met de bevinding dat er geen sterke samenhang tussen de gezinswaarden te bespeuren valt. Dit is het geval in zowel 1981, 1990 als 1999. Tussen deze drie datasets zijn echter geen duidelijke tekenen van een verdere fragmentering te vinden.

 

 

Besluit

 

Uit de beschrijvende statistieken van de hierboven besproken indicatoren kunnen we besluiten dat er tussen 1981 en 1999 over het algemeen een tendens naar meer individualisering is.

Voor wat betreft de drie aspecten van het individualiseringsbegrip zijn de resultaten wisselend. De aspecten zelfontplooiing en keuzevrijheid kennen tussen 1981 en 1990 een toenemende waardering, voor de periode 1990-1999 wordt deze evolutie echter niet bevestigd. De waardering voor deze aspecten blijft in deze periode gelijk of neemt licht af. Voor de detraditionaliseringswaarden treedt een duidelijke toename op over de drie bevragingen. Een opmerking dient gemaakt voor de indicator vrijheid/gelijkheid. Over de verschillende periodes werd een toenemende nadruk op gelijkheid vastgesteld. Er werd geopperd dat deze indicator misschien geen goede operationalisatie van het concept individualisering is.

Binnen de specifieke aspecten van de gezinscontext duiden alle evoluties naar een toenemende aanhang van de zogenaamde ‘nieuwe waarden’. De traditionele genderrolpatronen worden in toenemende mate verworpen. Voor een succesvol huwelijk worden kwaliteitsaspecten belangrijker en homogamie minder belangrijk. En bij de opvoeding kennen de geïndividualiseerde waarden een toenemende aanhang.

De bestudeerde waarden vertonen een sterk gefragmenteerd karakter. Dit wordt in de eerste plaats al duidelijk wanneer we op zoek gaan naar achterliggende concepten voor de drie dimensies van het individualiseringsbegrip. In de data werden deze niet gevonden wat erop wijst dat de verschillende indicatoren slechts zwak samenhangen. Theoretisch kan deze bevinding verklaard worden door het fragmenteringsverschijnsel, een andere mogelijke oorzaak kan liggen in een gebrekkige dataverzameling. Ook voor wat betreft de gezinswaarden treedt een sterke fragmentering op. Van een samenhangend gezinsethos, zoals dat traditioneel een sterke aanhang kende, is zowel in 1981, 1990 en 1999 geen sprake De data wijzen niet op een verdere evolutie in het fragmenteringsproces tussen 1981 en 1999.

 

 

Hoofdstuk 5. Het effect van sociale kenmerken onderzocht

 

Bij de besprekingen van individualiseringstheoretici worden de beschouwingen vaak vaag en algemeen geformuleerd. Men specificeert niet altijd duidelijk hoe en waar bepaalde fenomenen zich voordoen. De zwakke empirische ondersteuning van het in hoofdlijnen theoretisch discours versterkt deze vaagheid nog. Toch heeft bijvoorbeeld Beck er ook aandacht voor dat de individualiseringsprocessen zich niet overal in de samenleving in een even ver gevorderd stadium bevinden. Deze idee kent ook bij andere auteurs een ruime aanhang. Bij bepaalde sociale groepen zoals bijvoorbeeld de jongeren of hooggeschoolden treedt de geïndividualiseerde waardeoriëntatie in een vroeger stadium op. Een aantal sociale achtergrondkenmerken zoals leeftijd, scholingsgraad of geslacht oefenen dus een invloed uit op het geïndividualiseerd denken.

Daarnaast heerst in het individualiseringsdiscours de daarmee schijnbaar paradoxaal tegengestelde opvatting dat de invloed van achtergrondkenmerken minder en minder belangrijk wordt bij het vormen van waarden en opvattingen. Deze gedachtegang is te volgen wanneer we rekening houden met het diffusie-effect. Men neemt aan dat de geïndividualiseerde waardeoriëntatie zich stelselmatig verspreidt over heel de samenleving. Na de trendsetters komen ook de andere bevolkingsgroepen aan de beurt. Voorts gaan de auteurs van de individualiseringsthese ervan uit dat personen in een geïndividualiseerde samenleving in toenemende mate zelf hun waardeoriëntaties bepalen. Het richtsnoer van de sociale collectiviteiten waartoe men behoort, wordt verlaten. De toegenomen nadruk op zelfontplooiing, keuzevrijheid en de daarmee gepaard gaande detraditionaliseringstendens heeft ervoor gezorgd dat de mens meer en meer het ‘planbureau van zijn eigen leven’ is geworden, aldus een bekende zinsnede van Ulrich Beck.

Nu blijft bij de meeste auteurs het individualisringsdiscours theoretisch. De theorieën van Beck e.a. zijn tot nu toe nog bitter weinig met empirische bevindingen gestaafd. In dit hoofdstuk nemen we het als opdracht een empirische toetsing van deze hier beschreven fenomenen door te voeren. Kunnen we in de eerste plaats een aantal zogenaamde trendsetters localiseren? Welke achtergrondkenmerken zijn bepalend bij het voorspellen van de geïndividualiseerde waardeoriëntatie? Vinden we daarnaast ook empirische evidentie voor de diffusietheorie en de privatiseringshypothese? Is het inderdaad zo dat sociale achtergrondkenmerken zoals scholingsgraad, geslacht, sociale klasse… steeds minder voorspellingskracht hebben? Deze vragen trachten we hieronder te beantwoorden.

In de eerste paragraaf concentreren we ons vooral op de trendsetters en proberen we in de data aanwijzingen te vinden voor het zogenaamde inhaaleffect. Daarna gaan we dieper in op leeftijds-, cohorten- en periode-effecten. Ten slotte gaan we nog iets verder door op de privatiseringshypothese.

 

 

1. Over trendsetters en het inhaaleffect

 

Middendorp gewaagt bij de verspreiding van nieuwe ontwikkelingen van een trendsetter- en diffusietheorie (Middendorp, 1979, pp. 170-171). We veronderstellen dat de geïndividualiseerde waardeoriëntatie zich bij bepaalde sociale groepen in een vroeger stadium voordoet. In een volgende fase zouden de andere groepen dan volgen. Als de oorspronkelijke trendsetters niet nog verder evolueren kunnen we spreken van een inhaaleffect.

In ons onderzoek proberen we empirische evidentie te vinden voor de trendsetter- en diffusietheorie. Voor wat betreft de individualiseringsgolf wordt algemeen verondersteld dat die een opgang kende vanaf de tweede helft van de jaren zestig. Het tijdstip van de eerste bevraging, 1981, is in die zin wat laat om nog te spreken van echte trendsetters. Als individualisering zich inderdaad verspreidt volgens de trendsetter- en diffusietheorie kan dit alleen maar tot gevolg hebben dat de trendsetters gedurende de laatste twee decennia van de 20ste eeuw moeilijker tot helemaal niet meer te lokaliseren zijn. We vragen ons dus in eerste instantie af of er anno jaren ’80 en ’90 nog sociale groepen aan te duiden zijn die sterker geïndividualiseerd zijn dan andere. Over een aantal sociale groepen zoals de jongeren, hooggeschoolden en personen uit de hogere klasse bestaat in de literatuur een ruime consensus dat deze zich de geïndividualiseerde waardeoriëntatie sneller eigen gemaakt hebben. Vertaald naar de empirie verwachten wij dus dat de sociale kenmerken leeftijd, scholingsgraad en sociale klasse een belangrijke invloed zullen hebben bij het voorspellen van de geïndividualiseerde waardeoriëntatie. Nu werden op basis van de literatuur in hoofdstuk drie een aantal bijkomende hypothesen geformuleerd i.v.m. de invloed van de achtergrondkenmerken regio, kerkelijke betrokkenheid, geslacht, burgerlijke staat en vrouwelijke beroepsactiviteit. Hieronder proberen wij te achterhalen welke sociale achtergrondkenmerken een grote invloed uitoefenen op het al dan niet geïndividualiseerd denken. Daarnaast bekijken we de verandering over de tijd en toetsen we of er tussen 1981 en 1999 nog sprake is van een verdere diffusie. Maar alvorens daartoe over te gaan is een nadere toelichting van de door ons gekozen werkwijze hier op zijn plaats.

 

1.1.  De gebruikte analysemethode

 

Wanneer we de trendsetters proberen te lokaliseren zijn we in feite geïnteresseerd in het effect van een aantal sociale achtergrondkenmerken op het geïndividualiseerd denken. Als we bijvoorbeeld veronderstellen dat jongeren als trendsetter fungeren stellen we een regressievergelijking op waarin we de individualiseringsvariabele trachten te voorspellen op basis van leeftijd. Indien er nu een negatief effect uitgaat van leeftijd zijn jongeren inderdaad meer geïndividualiseerd dan ouderen en kunnen we hen trendsetters noemen.

Concreet zullen we voor elk van de hierboven besproken indicatoren van individualisering voor de drie peiljaren een multivariaat regressiemodel opstellen waarbij we de gecontroleerde invloed van enkele achtergrondkenmerken bestuderen. Als indicator van individualisering worden beschouwd: de indicatoren van zelfontplooiing, keuzevrijheid[34] en detraditionalisering, de schaal i.v.m. rolpatronen, de schaal i.v.m. de kwaliteitsaspecten voor een geslaagd huwelijk en de vier besproken opvoedingswaarden. Hoewel we ze niet echt beschouwen als indicatoren van het individualiseringsconcept stellen we ook voor de homogamie- en materiële schaal regressievergelijkingen op. In de groep afhankelijke variabelen treffen we zowel categorische als quasi-metrische variabelen aan. Voor de categorische variabelen baseren we ons op logistische regressie[35], voor de quasi-metrische op gewone lineaire multiple regressie. De onafhankelijke variabelen waarin we geïnteresseerd zijn, zijn leeftijd, scholingsgraad, sociaal-economische status, kerkelijke betrokkenheid, regio, geslacht en burgerlijke staat. We streven ernaar voor elke indicator van individualisering het best passend model op te stellen. Voor de logistische regressies baseren we ons daarvoor op de stepwise-selection procedure[36]. Voor de lineaire regressies voeren we de selectieprocedure stap voor stap zelf uit. Het beginmodel bevat de zeven achtergrondvariabelen. Daarna halen we één voor één die variabelen uit het model waarvan de F-test bij de partiële kwadratensom de hoogste p-waarde heeft. Uiteindelijk behouden we enkel de variabelen waarvan de F-test aantoont dat de partiële kwadratensom significant is[37]. We streven er aldus naar om enkel significante effecten op te nemen in het model. Op basis van deze regressievergelijkingen kunnen we nu uitspraken doen over de trendsetters.

Om een indicatie te krijgen van het inhaal- en diffusie-effect werken we met een regressiemodel waarbij we de effecten van de verschillende achtergrondvariabelen kunnen vergelijken over de tijd. We voegen de drie databestanden samen in één dataset en voeren opnieuw een regressie uit. Naast de relevante achtergrondvariabelen[38] brengen we nu ook de categorische onafhankelijke variabele periode in het model. Daarenboven wordt telkens het interactie-effect tussen periode enerzijds en de achtergrondvariabelen anderzijds opgenomen. Dit maakt het mogelijk om te testen of het effect van de achtergrondkenmerken significant verschilt over de verschillende periodes. Uit de Variance Inflation Factors blijkt dat bij het werken met interactietermen een sterke multicollineariteit tussen de onafhankelijke variabelen optreedt. Om deze wat af te zwakken wordt bij de quasi-metrische variabelen leeftijd, scholingsgraad en kerkelijke betrokkenheid gewerkt met de waarden die afgezet zijn tegenover het gemiddelde. Opnieuw worden stelselmatig alle niet significante effecten uit het model geweerd[39] zodat we ook hier uiteindelijk het best passend model vinden. Voor de lineaire regressievergelijkingen baseren we ons daarvoor op de partiële kwadratensommen in proc glm. Voor de logistische regressies vergelijken we de type 3 chi² die staat voor de partiële bijdrage van de betreffende variabele aan de fit van het model. Eén voor één worden niet significante interactie-effecten (en het bijhorende hoofdeffect) verwijderd, effecten met de hoogste p-waarde komen daarbij eerst aan de beurt. We hanteren een significantieniveau van 0,05. Wanneer het effect van een bepaalde achtergrondvariabele vermindert over de tijd en tegelijk de geïndividualiseerde waardeoriëntatie niet afneemt over de tijd[40] zien we dit als een uitdrukking van de diffusietheorie. Groepen die in eerste instantie duidelijk minder geïndividualiseerd zijn halen hun achterstand in. Wanneer de geïndividualiseerde waardeoriëntatie wel afneemt over de tijd is de interpretatie niet zo eenvoudig. Voor een sluitende interpretatie is in deze gevallen een bijkomende visuele voorstelling van de frequentietabellen aangewezen. Uit de frequentietabellen in hoofdstuk vier wordt duidelijk dat de manier waarop wij onze regressievergelijkingen modelleren geen interpretatieproblemen met zich zal meebrengen. Voor de logisitische regressievergelijkingen geldt dat in de gemodelleerde categorie van de individualiseringsindicator de frequenties ofwel toenemen ofwel min of meer gelijk blijven tussen 1981 en 1999. Ook voor de schalen is er nergens een problematische daling van de gemiddeldes tussen 1981 en 1999[41].

 Alvorens tot de bespreking van het effect van de verschillende achtergrondkenmerken over te gaan besteden we nog even aandacht aan de verklaarde variantie in de weerhouden modellen. Voor de lineaire regressies werd de R² geïnterpreteerd. Voor de logistische regressies baseren we ons op de Max. Rescaled R² die gebaseerd is op de verhouding tussen de likelihood van het model met enkel het intercept en de likelihood van het weerhouden model. De Max. Rescaled R² heeft evenals R² in gewone regressie een minimum van nul en een maximum van één. Nu blijkt dat het percentage verklaarde variantie in alle modellen heel laag blijft. De R² en Max. Rescaled R² stijgt bijna nergens boven 0,20 uit. De verklaringskracht van de achtergrondvariabelen is dus niet al te groot.

In bijlage zes worden voor elke indicator de best passende regressiemodellen weergegeven. Eerst komen de regressies in de afzonderlijke datasets aan de beurt en daarna het regressiemodel met de interactie-effecten uitgevoerd op de dataset samen. Wanneer er geen significante interactie-effecten met periode optraden werd het model niet opgenomen in de bijlage. De onderstaande paragrafen pogen een samenvatting te geven van de voornaamste effecten van de achtergrondkenmerken. We bespreken de zeven bestudeerde achtergrondkenmerken één voor één of in groepjes naargelang de te testen hypothesen daaromtrent. De conclusies die in de paragrafen 1.2 tot 1.5. getrokken worden, zijn gebaseerd op de regressievergelijkingen in bijlage zes. Daarin wordt per indicator het best passende regressiemodel gepresenteerd. Voor de hypotheses in paragraaf 6 worden afzonderlijke modellen opgesteld die in de tekst zelf behandeld worden.

 

1.2.  Jongeren, hooggeschoolden en de hoge klasse

 

Omwille van allerlei redenen is aan te nemen dat jongeren, hooggeschoolden en personen uit de hogere sociale klasse sneller een geïndividualiseerde waardeoriëntatie zullen aannemen dan andere groepen. Jongeren zijn immers gesocialiseerd in een tijd waarin de individualisering reeds een opgang kende, hooggeschoolden hebben het benodigde culturele kapitaal en de hoge klassen munten dan weer uit in materieel kapitaal om een geïndividualiseerd leven mogelijk te maken.

De onafhankelijke variabelen leeftijd en scholingsgraad[42] zijn quasi-metrisch. Voor de variabele sociaal-economische status die we als nominaal beschouwen wordt met dummyvariabelen gewerkt. Omdat we erin geïnteresseerd zijn hoe personen uit de hogere sociale klasse zich verhouden tot personen uit de lagere klassen, nemen we als referentiecategorie voor de regressievergelijkingen de categorie: hoge klasse, hoge middenklasse. Omdat de hier gestelde hypothese een algemene hypothese is die geldt voor ‘dé individidualisering’ bespreken we de informatie uit alle regressiemodellen van bijlage zes. We proberen de belangrijkste conclusies samen te vatten.

Wanneer we de regressiemodellen overlopen, merken we op dat de variabelen leeftijd, scholingsgraad en sociaal-economische status in heel wat modellen een significant effect hebben. De effecten gaan ook in de verwachte richting. Hooggeschoolden, jongeren en personen uit de hogere sociale klassen vertonen een meer geïndividualiseerde waardeoriëntatie. De hypothese dat deze groepen als trendsetter optreden, vindt empirische evidentie in de data. Verdere echt duidelijke patronen m.b.t. deze variabelen zijn moeilijker te onderscheiden in de vele modellen die gepresenteerd worden. In de regressieanalyses zijn aanwijzingen te vinden dat voor de opvoedingswaarden vooral de variabele scholingsgraad belangrijk is. Deze variabele verschijnt telkens voor de drie peilmomenten in het best passende model. De type 3 chikwadraten leren ons daarenboven dat de scholingsgraad bij de opvoedingswaarden relatief sterk bijdraagt aan de fit van het model. De scholingsgraad lijkt dus een belangrijke voorspeller te zijn voor het opvoeden van de kinderen tot onafhankelijke en geïndividualiseerde personen.

Een volgende te toetsen hypothese betreft de diffusietheorie. We gaan ervan uit dat over de bevragingen van 1990 en 1999 ook de ouderen, lager geschoolden en personen uit lagere sociale statusgroepen de meer geïndividualiseerde waardeoriëntatie overnemen. Deze groepsgebonden waardeverandering zullen we in wat volgt het inhaaleffect noemen. Vertaald naar onze regressiemodellen zou dat willen zeggen dat het effect van leeftijd/generatie[43], scholingsgraad en sociale klasse afneemt over de verschillende periodes. Op de manier zoals hierboven uiteengezet, bekijken we de interactie-effecten van de achtergrondvariabelen leeftijd/generatie, scholingsgraad en sociaal-economische status met de variabele periode. Uit de regressievergelijkingen in bijlage zes blijkt dat het effect van sociaal-economische status bij geen enkele indicator afneemt over de tijd. Voor de indicatoren nadruk op persoonlijke ontwikkeling, zelf het leven bepalen, verwerpen van de traditionele vrouwenrol en voor de materiële aspecten van een geslaagd huwelijk neemt het effect van sociaal-economische status zelfs toe over de tijd. We kunnen dus stellen dat de hogere sociale klasse als trendsetter optreedt en dat deze situatie over de tijd onveranderd blijft en eventueel nog sterker wordt. Voor de variabelen leeftijd/generatie en scholingsgraad kunnen we op basis van de regressievergelijkingen in sommige gevallen wel spreken van een inhaaleffect. Zo stellen we dat het effect van leeftijd/generatie afneemt over de tijd bij de indicatoren ‘het huwelijk is een verouderde instelling’, bij de permissiviteitsschaal en bij de opvoedingsindicatoren onafhankelijkheid en fantasie/verbeeldingskracht. Bij de indicatoren ‘verwerpen van de traditionele vrouwenrol’ en de materiële succesfactoren voor een geslaagd huwelijk versterkt het effect van leeftijd over de tijd. Voor het achtergrondkenmerk scholingsgraad ten slotte geldt dat er voor de meeste indicatoren geen verandering over de tijd plaatsvindt. Voor de indicatoren ‘moeder wil kind alleen opvoeden’ en de kwaliteitsaspecten voor een geslaagd huwelijk neemt het effect van scholingsgraad af over de tijd en kunnen we dus spreken van een inhaaleffect. De lager geschoolden gaan meer en meer op de hoger geschoolden lijken voor wat betreft deze individualiseringswaarden.

Tot besluit van deze paragraaf stellen we dat zoals verwacht de jongeren, hooggeschoolden en hogere sociale klassen als trendsetters optreden. Voor de variabele sociaal-economische status is er zeker geen inhaal- of diffusie-effect. Integendeel, voor sommige indicatoren versterkt het effect van SES nog over de tijd. Voor de achtergrondkenmerken leeftijd/generatie en scholingsgraad neemt het effect weliswaar voor enkele indicatoren af over de tijd. Dit zou een aanwijzing kunnen zijn voor het inhaaleffect.

 

1.3. Kerkelijke betrokkenheid en regio

 

Voor wat betreft het detraditonaliseringsproces gaan we in deze paragraaf het effect van kerkelijke betrokkenheid en regio na. In hoofdstuk drie hebben we verondersteld dat individuen traditioneler denken wanneer ze een sterkere kerkelijke betrokkenheid vertonen. Hun waardesysteem wordt immers nog sterk gedetermineerd door de traditionele kerkelijke moraal. Een tweede veronderstelling betreft het effect van de regio. We nemen aan dat in Wallonië de traditionele waarden minder sterk aanwezig zijn dan in Vlaanderen. We kunnen dit begrijpen aan de hand van de vroege industrialisering en daarmee gepaard gaande secularisering in deze regio. Deze processen hebben ertoe bijgedragen dat de kerkelijke waarden sneller hun impact verloren op het gebied en aldus onder de bevolking een tolerantere houding tegenover bijvoorbeeld seksualiteit, abortus of alleenstaand moederschap opgang kende. Ook de traditionele institutie van het huwelijk, nog altijd sterk verbonden met het traditionele godsdienstige sacrament zal in deze contreien aan belang inboeten. Deze hypothese over het effect van regio behoeft nog enige verduidelijking. Het zou mogelijk kunnen zijn dat de situatie van meer traditioneel denken in Vlaanderen volledig kan toegeschreven worden aan meer kerkelijke betrokkenheid in deze regio. Waar wij hier op aansturen, is dat er een onafhankelijk effect uitgaat van de regio. We veronderstellen dat er in Wallonië door de vroege industrialisering en secularisering een soort collectief detraditioneel denken ontstaan is. Deze verminderde bijval voor de traditionele waarden zou dan de hele regio omvatten en los gezien kunnen worden van de individuele kerkbetrokkenheid van een persoon. In de regressievergelijkingen wordt getoetst of er een effect van regio te vinden is onder controle van de variabele kerkelijke betrokkenheid. Maar de redenering kan ook omgekeerd worden en we kunnen stellen dat we onderzoeken of er een onafhankelijke invloed van de kerkelijke betrokkenheid uitgaat onder controle van de regio. Meer precies worden in het model net die achtergrondvariabelen opgenomen die een significante invloed op de afhankelijke variabele blijven uitoefenen onder controle van de andere in het model opgenomen variabelen[44].

 Met behulp van de regressievergelijkingen B.6.16, B.6.18, B.6.20, B.6.22, B.6.24 en B.6.26 in bijlage zes proberen we de invloed van kerkelijke betrokkenheid[45] op de detraditionaliseringswaarden na te gaan. Kerkelijke betrokkenheid wordt beschouwd als een quasi-metrische variabele. Bij de drie indicatoren voor detraditionalisering (‘het huwelijk is een verouderde instelling’, ‘moeder wil kind alleen opvoeden’ en de permissiviteitsschaal) is er een effect van kerkelijke betrokkenheid en dat voor de drie bevragingen. We beschouwen kerkelijke betrokkenheid als een invloedrijk achtergrondkenmerk aangezien het voor elke vergelijking de grootste type 3-effecten toont. Het effect van kerkelijke betrokkenheid gaat in de verwachte richting want personen met een sterkere kerkelijke betrokkenheid gaan meer traditioneel denken. Geseculariseerden (met een zwakke kerkelijke betrokkenheid) treden dus als trendsetters op. Uit de parameterschattingen bij de interactie-effecten in de tabellen B.6.18, B.6.22 en B.6.26. blijkt dat van een inhaaleffect helemaal geen sprake is, integendeel. Voor de indicator ‘het huwelijk is een verouderde instelling’ is het effect van kerkbetrokkenheid in 1999 sterker dan in 1981. Voor de permissiviteitsschaal is het effect van kerkelijke betrokkenheid in 1999 eveneens significant sterker dan in 1981. Voor de derde indicator van detraditionalisering ‘moeder wil kind alleen opvoeden’ ten slotte verschilt het effect van kerkelijke betrokkenheid niet over de periodes.

Een tweede veronderstelling betreft het effect van de regio op de detraditionaliseringswaarden. De variabele regio is dichotoom en bevat langs de ene kant de categorie Vlamingen/Nederlandstaligen en langs de andere kant de categorie Walen/Franstaligen[46]. In de regressievergelijkingen wordt telkens de categorie Vlaming/Nederlandstalig als referentiecategorie genomen. De bevindingen in de regressievergelijkingen kunnen ons niet doen besluiten dat de Walen als trendsetters optreden. Uit de best passende vergelijkingen komt wel naar boven dat de Walen in 1981 het huwelijk significant meer een verouderde instelling vinden. Maar het zijn dan weer de Vlamingen die alleenstaand moederschap vaker goedkeuren[47]. Voor deze twee indicatoren kunnen we niet spreken van een inhaaleffect. Bij de indicator ‘het huwelijk is een verouderde instelling’ is het effect van regio in 1990 zwakker dan in 1981, maar in 1999 is dit effect dan weer sterker dan in 1990 zodat we de Walen geen trendsetters kunnen noemen. Ook bij de indicator ‘moeder wil kind alleen opvoeden’ verzwakt het effect van de regio niet over de verschillende meetperiodes. Bij de permissiviteitsschaal scoren in 1981 de Vlamingen hoger dan de Walen. Uit de interactie-effecten met periode blijkt dat dit effect in 1990 zeer sterk gereduceerd wordt. In 1999 dan slaat de balans over in de andere richting en zijn de Walen toleranter dan de Vlamingen te noemen. Al bij al dus zeer wisselende resultaten die geen gemakkelijke interpretatie toelaten. Eén ding kunnen we wel besluiten: van een duidelijk trendsetter- en diffusiepatroon is voor de variabele regio geen sprake. We verwerpen dus onze hypothese en concluderen dat Vlamingen niet significant traditioneler denken wanneer gecontroleerd wordt voor o.a. kerkelijke betrokkenheid.

Nu we het effect van kerkelijke betrokkenheid en regio op de detraditionaliseringswaarden in de data teruggevonden hebben, verkennen we op welke andere indicatoren deze achtergrondkenmerken een invloed uitoefenen. De belangrijkste zijn ‘nadruk op persoonlijke ontwikkeling’, ‘verwerpen van de traditionele vrouwenrol’, homogamie en kwaliteitsaspecten van een succesvol huwelijk en de opvoedingswaarde onafhankelijkheid. Walen hechten meer belang aan persoonlijke ontwikkeling dan Vlamingen. Tussen 1981 en 1990 verzwakt dit effect om dan tussen 1990 en 1999 terug te versterken. Voor de ideeën over man-vrouwrollen speelt zowel een effect van regio als van kerkelijke betrokkenheid. Personen die een sterke kerkelijke betrokkenheid vertonen zullen in sterkere mate het traditionele rollenpatroon verwerpen. Dit effect versterkt over de periodes. Daarnaast is er ook een effect van regio in de zin dat Vlamingen in sterkere mate dan Walen de traditionele vrouwenrol zullen verwerpen. Ook voor de succesfactoren voor een geslaagd huwelijk zijn er effecten te vinden van de variabelen kerkelijke betrokkenheid en regio. Personen met een sterke kerkelijke betrokkenheid en Vlamingen zullen meer de homogamie-aspecten van het huwelijk benadrukken. Tussen 1981 en 1990 neemt het effect van kerkelijke betrokkenheid af en tussen 1990 en 1999 is er terug een toename. De hoge type 3 chi² bij dit achtergrondkenmerk tonen aan dat kerkelijke betrokkenheid een goede voorspeller is voor de homogame waardeoriëntatie. Voor de kwaliteitsschaal vinden we dat Vlamingen meer aandacht besteden aan de kwaliteitsdimensie van het huwelijk. Bij de opvoedingswaarde onafhankelijkheid ten slotte komt tot uiting dat Vlamingen en personen met een zwakke kerkelijke betrokkenheid meer aandacht besteden aan die eigenschap bij de opvoeding. Het effect van kerkelijke betrokkenheid wordt sterker tussen 1981 en 1990 en terug zwakker tussen 1990 en 1999.

We besluiten bij dit alles dat personen met een sterke kerkelijke betrokkenheid traditioneler denken. Van een inhaaleffect is helemaal geen sprake aangezien voor twee van de drie indicatoren het effect van kerkelijke betrokkenheid toeneemt over de datasets. Van de variabele regio gaat geen duidelijk trendsetter- en diffusie-effect uit op het traditionele gedachtegoed. Voor de overige indicatoren kunnen we besluiten dat personen die een sterkere kerkelijke betrokkenheid vertonen over het algemeen minder geïndividualiseerd denken. Ook van het achtergrondkenmerk regio gaat een effect uit, maar hier is de richting niet duidelijk. De interactie-effecten van de achtergrondkenmerken regio en kerkelijke betrokkenheid met de variabele periode duidt erop dat er voor de hierboven besproken indicatoren geen inhaaleffect aanwezig is. Integendeel, voor enkele variabelen is er een duidelijke toename van het effect van kerkelijke betrokkenheid over de tijd.

 

1.4. Geslacht en rolpatronen

 

Hierboven hebben we verondersteld dat vrouwen het traditionele rollenpatroon meer zullen verwerpen dan mannen. Achter deze stelling steekt de redenering dat vrouwen baat hebben bij een wijziging van de seksespecifieke rolverdeling, terwijl die voor mannen alleen maar meer competitie op de arbeidsmarkt en extra werk in het huishouden oplevert. Uit de regressievergelijkingen bij de indicator over rolpatronen blijkt inderdaad dat zowel in 1990 als in 1999 vrouwen de traditionele vrouwenrol sterker verwerpen dan mannen. Het effect van geslacht verschilt niet significant tussen de periode van 1990 en die van 1999. We kunnen stellen dat vrouwen als trendsetter optreden voor deze variabele. Ze ondersteunen een wijziging van de conventionele rolmodellen in sterkere mate dan mannen. Voor het diffusie-effect zijn geen indicaties te vinden in de data.

Uit de regressievergelijkingen in bijlage zes blijkt dat de variabele geslacht ook nog op andere indicatoren een significante invloed uitoefent. Een bondige samenvatting van de belangrijkste bevindingen is echter moeilijk te geven aangezien de richting van deze effecten verschilt van indicator tot indicator. Een duidelijke conclusie omtrent de trendsetters valt uit de regressievergelijkingen niet te trekken. Daarom gaan we hier niet verder in op deze effecten.

 

1.5. Het effect van burgerlijke staat

 

Bij een studie over het effect van achtergrondvariabelen op de waardeoriëntaties in de relatie- en gezinssfeer mag het effect van burgerlijke staat niet ontbreken. In hoofdstuk drie formuleerden we de hypothese dat gescheidenen en ongehuwden trendsetters zijn bij het verwerpen van de traditionele instelling van het huwelijk. Op basis van de regressievergelijkingen B.6.16 en B.6.18 in bijlage zes zullen we proberen uitspraken te doen over deze hypothese. Verder bekijken we of we aanwijzingen vinden voor effecten op andere indicatoren.

Alvorens we met de bespreking van de resultaten beginnen, is een opmerking over de indeling van de variabele burgerlijke staat noodzakelijk. We hebben geopteerd voor drie categorieën: gehuwd/verweduwd, gescheiden[48] en ongehuwd. We vermoeden dat de keuze voor het huwelijk een invloed zal hebben op de waardeoriëntatie. Daarom werden voor de eerste categorie gehuwden en verweduwden samengenomen. Beide groepen kozen voor het huwelijk. Voor verweduwden werd dit huwelijk weliswaar beëindigd maar dit gebeurde onvrijwillig. Deze eerste categorie onderscheiden we van de gescheidenen die de relatie bewust beëindigd hebben. De derde categorie is deze van de ongehuwden. De keuze voor deze indeling stoelt voor een deel op de praktische overweging om het aantal categorieën te reduceren van vijf tot drie. Voor het effect van burgerlijke staat op de individualiseringsindicatoren hebben we in feite slechts één hypothese. Voor de rest zal deze analyse eerder een exploratief doel hebben. We zullen dus niet met een duidelijk vooraf bepaalde referentiecategorie kunnen werken, maar telkens bij elke analyse de verschillende categorieën om beurten als referentie nemen[49]. Daarom is het van belang dat het aantal categorieën niet te groot wordt zodat de interpretatie duidelijk blijft. Des te meer omdat we zoals voor de andere achtergrondkenmerken wensen te testen of het effect van burgerlijke staat afneemt over de tijd. De interactie tussen enerzijds de dummyvariabele periode en anderzijds de dummyvariabele burgerlijke staat kan al gauw voor een groot aantal te interpreteren parameters zorgen. Als de analyse dan nog eens opnieuw gedaan moet worden voor elke referentiecategorie van de variabele burgerlijke staat, vergroot de complexiteit van het geheel nog.

In hoofdstuk drie werd verondersteld dat de gehuwden/verweduwden zullen afwijken van ongehuwden en gescheidenen voor wat betreft het verwerpen van het instituut huwelijk. De bevindingen in de regressieanalyses wijzen inderdaad in die richting. We beschouwen de gescheidenen en ongehuwden als trendsetters bij de verminderde aanhang van het traditionele huwelijksinstituut. Uit de interactie-effecten met periode blijkt dat dit effect van burgerlijke staat niet significant verschillend is over de verschillende periodes. We vinden dus geen inhaaleffect van de gehuwden en verweduwden in de periode 1981-1999.

Voor de andere indicatoren vinden we eerst en vooral een effect bij de indicator ‘moeder wil kind alleen opvoeden omdat ze geen vaste relatie met een man wil’. Uit de regressievergelijkingen komt naar voren dat in 1990 en 1999 de gescheidenen deze stelling significant meer goedkeuren dan gehuwden/verweduwden en ongehuwden. Een mogelijke verklaring zou kunnen te vinden zijn in het feit dat gescheidenen vaker geconfronteerd worden met het alleenstaand ouderschap na een mislukte relatie. Daardoor zouden ze meer begrip tonen voor de wens van een vrouw om een kind op te voeden buiten de relatie met een man. We nemen aan dat de gescheidenen als trendsetter optreden bij deze indicator. Uit de interactie-effecten met de variabele periode blijkt dat het effect van burgerlijke staat niet significant verschilt over de verschillende periodes. Ten tweede komt uit de regressievergelijkingen naar voor dat er een effect van burgerlijke staat op de permissiviteitsschaal is. In 1990 en 1999 scoren de gehuwden/verweduwden telkens lager dan de gescheidenen en ongehuwden. Dit effect verschilt niet over de tijd. Verder blijkt uit tabel B.6.16. dat de ongehuwden in 1990 het traditionele rollenpatroon sterker verwerpen dan de gehuwden[50]. Dit effect verzwakt in 1999, we stellen dat de gehuwden hun achterstand inhalen. Voor de materiële schaal bij de succesfactoren voor een geslaagd huwelijk constateren we ten slotte dat de groep van de ongehuwden significant afwijkt van de gehuwden en de gescheidenen in 1981. Ongehuwden halen minder vaak materiële aspecten aan als voorwaarde voor een geslaagd huwelijk. We kunnen dus stellen dat ze als trendsetter optreden voor het achterwege laten van de traditionele huwelijkswaarden. Geheel in lijn van de verwachtingen blijkt uit de interactie-effecten met periode dat de andere groepen (gehuwden/verweduwden en gescheidenen) deze trend overnemen. In 1999 verschillen de ongehuwden niet meer significant van de andere groepen voor wat betreft de waardering van de materiële huwelijkswaarden.

Tot besluit van deze paragraaf stellen we dat er voor een aantal indicatoren inderdaad een effect van burgerlijke staat te constateren valt. Wie de trendsetters zijn is daarbij niet altijd duidelijk. Bij de verschillende indicatoren voeren nu eens de gescheidenen, dan weer de ongehuwden (of allebei samen) de toon aan. De nakomers zijn wel gekend. Telkens is het de categorie gehuwd/verweduwd die de geïndividualiseerde waarden minder aanhangt. Voor de schaal i.v.m. rolpatronen en de schaal met materiële huwelijksfactoren treedt er ook een inhaaleffect op.

 

1.6. Over werkende vrouwen

 

Volgens Beckers theorie kunnen we gehuwden zien als handelspartners. Beide partners zullen maar toetreden tot het huwelijk als de baten ervan hoger zijn dan de kosten. Wanneer een vrouw zich op de arbeidsmarkt begeeft, vermindert voor haar de aantrekkelijkheid van het huwelijk. Haar economische afhankelijkheid van de man is immers verminderd. Zoals hierboven aangegeven, beroepen wij ons op deze inzichten van Becker wanneer we de volgende inhoudelijk samenhangende hypothesen formuleren:

Voor het testen van deze drie hypothesen gebruiken we een min of meer gelijkaardige werkwijze als hiervoor. Per hypothese stellen we een logistisch regressiemodel op waarin we naast het effect van de afhankelijke variabele ook het interactie-effect met periode opnemen. Op die manier kunnen we de effecten vergelijken over de periodes. We hebben ervoor geopteerd voor deze hypothesen telkens een apart model op te stellen en niet gewoon de variabelen in de hiervoor aangemaakte best passende modellen op te nemen. De reden daarvoor is dat we voor deze hypothesen telkens slechts in een specifiek deel van de dataset geïnteresseerd zijn. Zo hebben we voor het testen van de eerste stelling de studenten uit de analyse gehaald, voor de tweede hypothese baseren we ons enkel op het werkend deel van de steekproef en voor de derde hypothese worden enkel de gehuwden in rekening gebracht. Hadden we getracht deze effecten in de best passende modellen op te nemen, dan zou het aantal missing values ongehoord hoog geworden zijn en voor het effect van de andere achtergrondkenmerken zou een systematische vertekening opgetreden zijn. Hieronder kunnen we eventueel overgaan tot het invoeren van andere achtergrondvariabelen (zoals regio, leeftijd, scholingsgraad…). Dit doen we slechts als de in eerste instantie gekozen variabelen significant zijn en om de fit van het model te verbeteren.

Voor wat betreft de eerste van de te testen hypotheses verwachten we dat de groep van beroepsactieve vrouwen als trendsetter zal optreden. Alvorens deze hypothese te testen stellen we de variabele ‘geslachtarbeid’ op waarbij we vier groepen maken met de combinaties van geslacht en beroepsactiviteit[51]. We bekomen een aparte categorie voor de beroepsactieve vrouwen en de bedoeling is deze groep telkens af te zetten tegenover de andere categorieën.

 

Tabel 5.1.: ‘Het huwelijk is een verouderde instelling’ (België, 1981-1990-1999, in percentages, naar ‘geslachtarbeid’, gewogen gegevens)

 

1981

1990

1999

Totaal

vrouw, beroepsactief

16,77

22,93

27,41

883,00

vrouw, niet beroepsactief

14,63

17,77

26,11

1477,43

man, beroepsactief

16,71

21,40

32,00

1359,88

man, niet beroepsactief

14,83

20,70

33,82

763,00

Totaal

1065,90

1631,85

1785,78

4483,53

 

Figuur 5.1.: ‘Het huwelijk is een verouderde instelling’ (België, 1981-1990-1999, in percentages, naar ‘geslachtarbeid’, gewogen gegevens)

 

 

Uit tabel 5.1. en grafiek 5.1. blijkt dat de groep van beroepsactieve vrouwen in 1981 en 1990 telkens het hoogste percentage respondenten kent dat het huwelijk een verouderde instelling noemt. De verschillende onderscheiden groepen liggen echter niet zover uiteen. In 1999 dan is al helemaal geen sprake meer van het optreden van de beroepsactieve vrouwen als trendsetters. Op basis van de gegevens in de tabel zouden we eventueel een opdeling kunnen maken naar geslacht: mannen verwerpen het huwelijk meer dan vrouwen. Om te testen of de vermoede effecten significant zijn, stellen we een logistisch regressiemodel op. We testen of er wel degelijk een effect uitgaat van de variabele ‘geslachtarbeid’ in de verschillende periodes en of dat effect verschilt over de periodes. Omwille van het interactie-effect met de variabele periode baseren we ons opnieuw op de dataset samen. We nemen achtereenvolgens de periode van 1981, 1990 en 1999 als referentie. Bij de variabele ‘geslachtarbeid’ is de categorie ‘vrouw-beroepsactief’ de referentiecategorie.

 

Tabel 5.2.: Type III effecten voor het effect van periode en ‘geslachtarbeid’ op de waardering van de institutie huwelijk. (België, 1981-1990-1999, gewogen gegevens)

 

referentieperiode 1981

referentieperiode 1990

referentieperiode 1999

 

df

Wald Chi²

p

df

Wald Chi²

p

df

Wald Chi²

p

periode

2

5,7400

0,0567

2

5,7400

0,0567

2

5,7400

0,0567

geslachtarbeid

3

0,9782

0,8065

3

4,6420

0,2000

3

8,0827

0,0443

geslachtarbeid’*periode

6

3,5619

0,7357

6

3,5619

0,7357

6

3,5619

0,7357

Max-rescaled R²

0,025

0,025

0,025

 

Een eerste inspectie van de Wald Chi² brengt al heel wat aan het licht. Enkel in het referentiejaar 1999 is er een effect van ‘geslachtarbeid’. In 1981 en 1990 verschillen de onderscheiden groepen niet significant van elkaar m.b.t. hun kans om het huwelijk een verouderde instelling te vinden. Voor de parameterschattingen in tabel 5.2. baseren we ons dan ook enkel op de referentieperiode 1999. Wanneer we deze parameterschattingen nader bekijken, blijkt dat er voor de variabele ‘geslachtarbeid’ enkel een significant verschil bestaat tussen de categorie van de niet-beroepsactieve mannen en die van de niet-beroepsactieve vrouwen[52]. Alle andere categorieën verschillen niet significant van elkaar. Uit de tabel komt ook naar boven dat het effect van ‘geslachtarbeid’ niet significant verschilt over de periodes. We besluiten dat we op basis van onze data de hierboven gestelde hypothese niet kunnen bekrachtigen. In de drie periodes verschillen de beroepsactieve vrouwen niet van de andere onderscheiden groepen voor wat betreft hun waardering voor de institutie huwelijk.

 

Tabel 5.3.: Parameterschattingen voor het effect van periode en ‘geslachtarbeid’ op de waardering van de institutie huwelijk. (België, 1981-1990-1999, gewogen gegevens)

 

 

 

referentieperiode 1999

 

Parameter

df

Cat.

Schatting

Wald Chi²

Pr>Chi²

 

 

intercept

1

 

 

-0,9150

62,6596

< 0,0001

periode

1

81

 

-0,5443

5,6295

0,0177

 

1

90

 

-0,1943

1,1851

0,2763

geslachtarbeid

1

man-beroepsactief

 

0,1896

1,6178

0,2034

1

man-niet beroepsactief

 

0,2969

3,2544

0,0712

 

1

vrouw- nietberoepsactief

 

-0,0859

0,3220

0,5704

 

gelachtarbeid*periode

1

man-beroepsactief

81

-0,2033

0,5032

0,4781

1

man-niet beroepsactief

81

-0,4654

1,7687

0,1835

 

1

vrouw- nietberoepsactief

81

-0,0947

0,1072

0,7434

 

1

man-beroepsactief

90

-0,2444

1,1168

0,2906

1

man-niet beroepsactief

90

-0,3799

2,1399

0,1435

 

1

vrouw- nietberoepsactief

90

-0,2449

1,1098

0,2921

 

 

 Voor de volgende hypothese baseren we ons enkel op de beroepsactieven. We veronderstellen dat vrouwen die tot de hoogste beroepsgroep behoren het huwelijk lager zullen waarderen. We maken een variabele ‘geslachtberoepsgroep’ aan waarbij we de respondenten indelen naargelang van geslacht en beroepsgroep[53]. Opnieuw stellen we een logistisch regressiemodel op waarbij we geïnteresseerd zijn in de invloed van de variabele ‘geslachtberoepsgroep’ en het interactie-effect met periode. We nemen de vrouwen uit de hoogste beroepsgroepen als referentiecategorie en voor periode zijn achtereenvolgens de periodes van 1981, 1990 en 1999 de referentie. Uit de volgende tabel met type 3 effecten blijkt dat er enkel in 1999 een significant effect is van ‘geslachtberoepsgroep’ op de waardering van de stelling ‘het huwelijk is een verouderde instelling’.

 

Tabel 5.4.: Type III effecten voor het effect van periode en ‘geslachtberoepsgroep’ op de waardering van de institutie huwelijk. (België, arbeidsactieven, 1981-1990-1999, gewogen gegevens)

 

referentie periode 1981

referentie periode 1990

referentie periode 1999

 

df

Wald Chi²

P

df

Wald Chi²

P

df

Wald Chi²

p

periode

2

3,2256

0,1993

2

3,2256

0,1993

2

3,2256

0,1993

geslachtberoepsgroep

3

1,2766

0,7347

3

0,5572

0,9061

3

12,2097

0,0067

geslachtberoepsgroep*periode

6

7,241

0,2991

6

7,241

0,2991

6

7,241

0,2991

Max-rescaled R²

0,0272

0,0272

0,0272

 

 

Tabel 5.5.: Parameterschattingen voor het effect van periode en ‘geslachtberoepsgroep’ op de waardering van de institutie huwelijk. (België, arbeidsactieven, 1981-1990-1999, gewogen gegevens)

 

referentieperiode 1999

Parameter

Cat.

df

Schatting

Wald Chi²

Pr>Chi²

intercept

 

 

1

-1,1088

38,8438

< 0,0001

periode

81

 

1

-0,7275

2,7219

0,099

 

90

 

1

0,0722

0,0674

0,7951

‘geslachtberoepsgroep’

man hoger

 

1

0,1065

0,2093

0,6473

man lager

 

1

0,6506

8,9407

0,0028

vrouw lager

 

1

0,3323

1,966

0,1609

‘geslachtberoepsgroep’*periode

man hoger

81

1

0,2095

0,1546

0,6942

man lager

81

1

-0,2393

0,2371

0,6263

vrouw lager

81

1

0,1812

0,1177

0,7315

man lager

90

1

-0,796

5,5147

0,0189

man hoger

90

1

-0,3116

0,7202

0,3961

vrouw lager

90

1

-0,4369

1,4109

0,2349

 

In tabel 5.5. werden de parameterschattingen voor de referentieperiode van 1999 opgenomen[54]. Uit deze tabel blijkt dat in 1999 voor wat betreft de waardering voor de instelling huwelijk de mannen uit de lagere beroepsgroepen significant verschillen van de referentiecategorie vrouwen uit de hogere beroepsgroepen. Het verschil gaat echter niet in de verwachte richting. In vergelijking met de referentiecategorie stijgt de log van de odds om het huwelijk een verouderde instelling te vinden voor de mannen uit de lagere beroepsgroepen met 0,6506. We besluiten hierbij dat we ook de hypothese i.v.m. vrouwen in de hogere beroepsgroepen niet kunnen bevestigen. In onze data is geen empirische evidentie gevonden voor deze veronderstelling. Integendeel, in 1999 zijn mannen uit de lagere beroepsgroepen meer geneigd het instituut huwelijk te verwerpen dan vrouwen uit de hogere beroepsgroepen.

 Ten slotte testen we een hypothese omtrent het hoofdkostwinnerschap van vrouwen. We veronderstellen dat gehuwde vrouwen die hoofdkostwinner zijn het huwelijk lager zullen waarderen. De achterliggende verklaring is gelijkaardig als in de vorige gevallen. Een vrouw die hoofdkostwinner is, wordt minder afhankelijk van het inkomen van haar echtgenoot. In de visie van Becker vermindert voor haar de winst van het huwelijk. Voor het toetsen van deze hypothese baseren we ons enkel op de gehuwden. We maken een variabele ‘geslachthoofdkostwinner’ aan met vier categorieën naargelang van geslacht en van al dan niet hoofdkostwinnerschap. Uit volgende tabel met type 3-effecten blijkt dat er in geen enkele periode een significant effect is van de variabele ‘geslachthoofdkostwinner’. Het effect van ‘geslachthoofdkostwinner’ verschilt ook niet over de periodes. Een kleine bedenking omtrent de geldigheid van deze resultaten is hier op zijn plaats. De categorieën ‘vrouw-hoofdkostwinner’ en ‘man-geen hoofdkostwinner’ bevatten immers telkens kleine aantallen respondenten[55]. Zodoende is enige voorzichtigheid geboden bij het interpreteren van deze analyses.

 

Tabel 5.6.: Type III effecten voor het effect van periode en ‘geslachkostwinner’ op de waardering van de institutie huwelijk. (België, gehuwden, 1981-1990-1999, gewogen gegevens)

 

referentie periode 1981

referentie periode 1990

referentie periode 1999

 

df

Wald Chi²

P

df

Wald Chi²

P

df

Wald Chi²

p

periode

2

3,8725

0,1442

2

3,8725

0,1442

2

3,8725

0,1442

geslachthoofdkostwinner

3

5,7981

0,1219

3

0,7363

0,8646

3

3,129

0,3722

geslachthoofdkostwinner*periode

6

9,0281

0,172

6

9,0281

0,172

6

9,0281

0,172

Max-rescaled R²

0,0268

0,0268

0,0268

 

Uit tabel 5.5. kan alle benodigde informatie gehaald worden, een verdere analyse van de parameterschattingen is niet noodzakelijk. De referentiecategorie van de vrouwelijke kostwinners verschilt niet significant van de andere categorieën[56] voor wat betreft de waardering van de institutie huwelijk. We vinden geen empirische evidentie voor onze hypothese dat gehuwde vrouwen die kostwinner zijn het huwelijk minder aantrekkelijk vinden dan andere gehuwden.

 

 

2. De verschillen tussen jong en oud verder uitgepluisd

 

Hierboven hadden we het over het effect van leeftijd op het geïndividualiseerd denken. De resultaten van de regressies in de afzonderlijke periodes duiden erop dat jongeren meer geïndividualiseerd denken dan ouderen. Het effect van leeftijd op een bepaald tijdstip brengt ons echter te weinig inzicht bij over het specifieke mechanisme dat hier aan het werk is. De ‘typische waardeoriëntatie’ van een bepaalde leeftijdsgroep weerspiegelt complexe en interagerende processen zoals socialisatie, verouderingsprocessen en algemeen sociaal-historische processen. In hoofdstuk één werd gesproken van een leeftijds-, cohorten- en periode-effect. Bij een leeftijdseffect verandert de waardeoriëntatie van een persoon wanneer die in een andere levensfase terecht komt. Bij een cohorteneffect verschillen de attitudes en waarden bij de verschillende geboortecohorten. Ten slotte kunnen waarden ook door periodegebonden gebeurtenissen beïnvloed worden (=periode-effect). Hieronder gaan we verder in op deze thematiek. In eerste instantie bespreken we LPC-analyse, een techniek om deze drie effecten op te sporen. Daarna bekijken we het verschil tussen generaties en cohorten en we maken een zinvolle keuze voor ons onderzoek. Tot slotte pogen we op empirische wijze de onderscheiden effecten in onze periodes te traceren.

 

2.1. LPC-analyse: de drie effecten ontrafeld !?

 

Heel wat sociologen hebben zich bezig gehouden met deze thematiek. Er werd in het verleden dan ook al heel wat onderzoek verricht naar periode-, cohorten- en leeftijdseffecten. Uitgangspunt van de LPC-analyse (leeftijd- periode- en cohortenanalyse) is vaak de zogenaamde leeftijd x periode–tabel. In deze tabel worden de leeftijds-, cohorten- en periode-effecten beschrijvend weergegeven. De cellen van deze tabel bevatten de waarden van de afhankelijke variabele (bijvoorbeeld percentages). De rijen worden gevormd door de tijdstippen van waarneming, en de kolommen bestaan uit leeftijdsintervallen. De lengte van de leeftijdsintervallen staat in een vaste verhouding tot de periode-intervallen. Bij gelijke periode- en leeftijdsintervallen verwijzen de diagonalen die lopen van linksboven naar rechtsonder naar de geboortecohorten. Bij de interpretatie geeft vergelijking van de kolommen informatie over de effecten van leeftijdsverschillen. De vergelijking van de rijen geeft inzicht in het effect van de periode en een vergelijking van de diagonalen toont cohortenverschillen. (Hagenaars, 1998, p. 211). Hieronder zullen we pogen naast beschrijvend ook verklarend tewerk te gaan bij het opzoeken van leeftijds-, cohorten- en periode-effecten. Dit doen we door in een regressiemodel de parameters voor leeftijd, cohorte en periode te schatten.

Het mag dan al betrekkelijk eenvoudig lijken leeftijds- cohorten- en periodeneffecten conceptueel en empirisch van elkaar te onderscheiden, een nadere technische en theoretische overweging legt twee hoofdproblemen van de LPC-analyse bloot. Ten eerste is er sprake van een identificatie- en multicollineariteitsprobleem. Als we, zoals hierboven uitgelegd, de leeftijds- en cohortengroepen even groot maken als de periode-intervallen zijn er in feite niet drie maar slechts twee onafhankelijke variabelen. De lineaire afhankelijkheid ( periode = leeftijd – cohorte ) tussen de drie variabelen zorgt voor de problemen. Bij een beschrijvende analyse worden in de LPC-tabel periode-, leeftijds- en cohorteneffecten onontwarbaar met elkaar vermengd (Hagenaars, 1998, pp. 211-212). Als men bijvoorbeeld binnen een bepaalde rij de leeftijdscategorieën met elkaar vergelijkt behoren die verschillende leeftijdsgroepen noodzakelijk ook tot verschillende cohorten. De effecten van leeftijd en cohorte kunnen dus niet volledig van elkaar gescheiden worden. Op dezelfde manier worden bij rijgewijze vergelijking periode- en cohorteneffecten met elkaar verward. Bij regressieanalyses zorgt deze lineaire afhankelijkheid ervoor dat de parameters voor leeftijd, cohorte en periode niet meer geschat kunnen worden (Beekes, 1991, p. 549). Een oplossing voor dit probleem kan erin bestaan de perfecte gelijkheid ‘leeftijd = periode – cohorte’ te doorbreken. Dit kan door bijvoorbeeld de categorieën voor leeftijd en cohorte verschillend te maken zodat de leeftijdscategorieën niet exact dezelfde observaties bevatten als de cohorten. Bij het toepassen van deze techniek moet men behoedzaam blijven voor een hoge multicollineariteit tussen de variabelen. Naast het identificatieprobleem kan ten tweede ook nog verwezen worden naar een interpretatieprobleem (Beekes, 1991, p. 551; Hagenaars, 1998, p. 212). Leeftijd, cohorte en periode zijn ‘containerbegrippen’ die op zich niet veel verklaren. Het is dus niet duidelijk wat de exacte inhoud van de variabelen is. Via periode wenst men in feite de invloed na te gaan van de talloze gebeurtenissen die op of tussen de tijdstippen van waarneming plaatsvinden. Met leeftijd worden die biologische, psychische en sociale processen bedoeld die met ‘opgroeien’ en ‘ouder worden’ samenhangen. Met de variabele cohort verwijst men naar de samenstellingkenmerken van een bepaalde cohorte, maar ook naar periode-effecten en meer bepaald naar gebeurtenissen die tijdens de socialisatiefase van die cohorte plaatsvonden en de cohorte blijvend beïnvloed hebben. Hagenaars noemt de variabelen tijd, leeftijd en cohorte ‘operationele variabelen die ieder op zich verwijzen naar een achterliggende verzameling van (theoretische) variabelen en elkaar minstens gedeeltelijk overlappen wat betreft betekenis’ (Hagenaars, 1998, p. 212). Bij het gebruik van de begrippen lijkt een goede theoretische basis onontbeerlijk te zijn.

 De effecten van leeftijd, cohorte en periode zijn complex en de analyse is niet zonder problemen. In ons onderzoek zullen we zoveel als mogelijk rekening houden met deze problemen. Om in de regressieanalyses het probleem met de multicollineariteit te beperken voeren we een aantal kleine technische ingrepen uit (cfr. infra). Voor de beschrijvende analyse hebben we daarenboven niet de ambitie ‘hét leeftijds-, cohorten- en periode-effect’ perfect te ontrafelen. We hanteren de cohortentabel veeleer om een aanwijzing en illustratie van deze effecten in onze data te vinden. Het interpretatieprobleem werd omzeild door een duidelijke theoretische kadering van de variabelen cohorte en periode m.b.v. respectievelijk de socialisatietheorie en het moderniserings- en individualiseringsproces (cfr. supra). Een leeftijdseffect verwachten we niet te vinden en zodoende werd er ook geen theoretische verklaring voor gegeven.

 

2.2. Cohorten en generaties

 

Tot hiertoe spraken we enkel over het effect van leeftijd, periode of cohorte. Het is echter noodzakelijk een onderscheid te maken tussen de termen cohorte en generatie. Over de definiëring van deze begrippen bestaan heel wat verschillende meningen. Vaak wordt in empirisch onderzoek ook gewoon geen verschil gemaakt tussen de twee termen. Hier gaan we niet in op deze verschillende mogelijke betekenissen maar proberen we voor de twee begrippen een ‘algemeen gangbare’ en operationele definitie te formuleren.

Voor de omschrijving van het begrip cohorte volgen we Ryder die zowat beschouwd wordt als de grondlegger van de cohortenbenadering. Hij definieert een cohorte als ‘een groep van personen die dezelfde gebeurtenis binnen hetzelfde tijdsinterval meemaakten’ (Ryder, 1985, p. 845). Vaak is die gebeurtenis de geboorte zodat men ook wel spreekt over geboortecohorten. Het hieronder gebruikte tijdsinterval is negen jaar wat precies overeenkomt met het interval tussen de twee tijdstippen van onderzoek. Dit is noodzakelijk voor het opstellen van LPC-tabellen.

Een generatie dan vatten we op als een samenvoeging van bepaalde opeenvolgende geboortecohorten. De cohorten binnen een bepaalde generatie hebben bepaalde kenmerken gemeen die afwijken van de kenmerken bij een andere generatie. De gemeenschappelijke kenmerken kunnen zich situeren op individueel niveau (denken we maar aan biografische kenmerken, waardeoriëntaties en gedragspatronen) of systeemniveau (bijvoorbeeld grootte van de generatie). (Becker, 1991a, pp. 1-3; Hagenaars, 1998, pp. 213-215). In generatieonderzoek zijn er twee gangbare modellen. Het eerste is het twee-generatiemodel van Inglehart. Hij maakt een scheiding bij de tweede wereldoorlog. Volgens dit model hebben cohorten geboren na 1945 een meer postmaterialistische waardeoriëntatie dan de vooroorlogse cohorten. Ten tweede is er het vier-generatiemodel van Becker. Hij onderscheidt de vooroorlogse generatie (geboren tussen 1910 en 1930), de stille generatie (geboren tussen 1930 en 1940), de protestgeneratie (geboren tussen 1940 en 1955) en de verloren generatie (geboren na 1955). De vooroorlogse generatie maakte de economische crisis van de jaren ’30 en daarna de tweede wereldoorlog mee. Deze generatie kwam op de arbeidsmarkt in een economisch weinig gunstige periode. Daarenboven wachtte ze de zware taak van wederopbouw na de tweede wereldoorlog. Dit alles vestigde bij de vooroorlogse generatie een sterk geloof in de noodzaak van materiële vooruitgang en gevestigde autoriteit om armoede, werkloosheid en chaos tegen te gaan. De stille generatie kwam op een economisch gunstiger tijdstip op de arbeidsmarkt. Verder wordt ook deze generatie gekenmerkt door conventionele waarden inzake arbeidsattitudes en seksueel gedrag. De protestgeneratie wordt vooral gevormd door de babyboomers van na de tweede wereldoorlog. Deze generatie die in massale vorm scholingskansen kreeg, zette een ware culturele en seksuele revolutie in gang. Permissiviteit en anti-establishment was op alle vlakken troef. De zogenaamde postmaterialistische waarden kennen voor het eerst opgang. De verloren generatie ten slotte heeft het opnieuw heel wat moeilijker op de arbeidsmarkt. De crisis van de jaren zeventig speelt ze parten. Maar voor wat betreft de waardeoriëntaties wordt deze generatie nog altijd gekenmerkt door permissiviteit. Bij deze generatie is ook de emancipatie van de vrouw een belangrijk issue.

In ons onderzoek zullen we zowel met generaties als met cohorten werken. In eerste instantie voeren we in de regressievergelijkingen een generatievariabele in. Daarna bestuderen we of we het generatie-effect ook in de cohortentabellen kunnen terugvinden. We nemen de generatie-indeling van Becker als theoretische referentie met dat verschil dat we de scheiding tussen de stille generatie en de protestgeneratie niet in 1940 maar in 1945 laten vallen. Op die manier combineren we als het ware het generatiemodel van Inglehart met dat van Becker en kunnen we duidelijker de vooroorlogse generaties van de naoorlogse onderscheiden. Deze kleine aanpassing van Beckers model is in de optiek van ons onderzoek wenselijk omdat uit de literatuur blijkt dat de tweede wereldoorlog een breuklijn is bij de vorming van de geïndividualiseerde waardeoriëntatie (cfr. supra).

 

2.3. Naar de empirie ! Bevindingen in de EVS-data

 

Na deze uiteenzettingen over generaties, cohorten en LPC-analyse wordt het tijd om een kijkje te gaan nemen in onze data. Vertrekpunt is de bevinding van een effect van de variabele leeftijd in de afzonderlijke periodes. Jongeren denken meer geïndividualiseerd dan ouderen. Nu vragen wij ons af of hier sprake is van een leeftijds- of een cohorten/generatie-effect. Een periode van 20 jaar is weliswaar erg kort om een duidelijk inzicht te krijgen in deze effecten. Toch zullen wij hier trachten een indicatie van de voornaamste invloeden te geven. We onderzoeken de effecten op twee manieren. Ten eerste schatten we in een regressiemodel de parameters van leeftijd, generatie en periode. Daarna bekijken we de effecten aan de hand van zogenaamde LPC-tabellen. Omdat de leeftijds-, cohorten- en periode-effecten in de LPC-tabel onvermijdelijk vermengd worden, is de interpretatie van dergelijke tabellen behoorlijk ingewikkeld. Dat is ook de reden waarom we ze hier pas in tweede instantie gepresenteerd worden. We hanteren ze veeleer om de in de regressieanalyses gevonden effecten te illustreren.

 

2.3.1. Het leeftijds-, generatie- en periode-effect ingebracht in de regressiemodellen

 

Bij de regressiemodellen wordt als volgt tewerk gegaan. In de regressievergelijkingen waarbij het effect van achtergrondkenmerken over de tijd vergeleken wordt, nemen we in plaats van enkel de variabele leeftijd in eerste instantie twee variabelen op: leeftijd en generatie. Er wordt dus een model opgesteld waarin de partiële effecten van leeftijd, generatie en periode worden opgenomen[57]. Op die manier pogen we te achterhalen of er een leeftijds-, generatie- of periode-effect speelt (of een combinatie van deze effecten). Voor de concrete werkwijze is er een licht verschil tussen de lineaire en logistische regressies. Bij de lineaire regressies worden naast de hoofdeffecten in het startmodel ook de interactie-effecten van periode met leeftijd en/of generatie opgenomen. Naast het louter detecteren van een leeftijds- en/of generatie-effect vragen we ons immers (net als bij de andere achtergrondvariabelen) ook af of dit effect verschilt over de tijd. De selectie van de variabelen voor het model gebeurt zoals hierboven beschreven. In eerste instantie worden alle achtergrondvariabelen en de interactie-effecten met periode opgenomen. Daarna worden één voor één die termen uit het model gehaald waarvan de partiële kwadratensom niet significant is[58]. Voor de variabelen leeftijd en generatie zijn zowel het hoofdeffect als de interactie-effecten met periode belangrijk bij de interpretatie (en dus ook bij deze selectie), bij de andere variabelen is dat enkel het interactie-effect met periode. Omwille van de interactie-effecten met de andere achtergrondvariabelen kan het hoofdeffect van periode (het periode-effect) niet uit het model verwijderd worden. Bij de logistische regressies nu is de werkwijze iets anders omwille van het feit dat bij het werken met categorische variabelen de type 3 chi² niet op exact dezelfde manier te interpreteren valt als de partiële kwadratensommen in proc glm. Wanneer bijvoorbeeld de hoofdeffecten leeftijd en periode opgenomen worden en daarnaast het interactie-effect leeftijd*periode wordt voor de type 3 chi² van leeftijd het effect geschat binnen de referentiecategorie van periode. De type 3 chi² die bij leeftijd komt te staan, heeft dus in feite enkel betrekking op de observaties die tot de referentieperiode behoren en aldus kan het hoofdeffect van leeftijd niet duidelijk geïnterpreteerd worden. Omdat wij hier wel degelijk geïnteresseerd zijn in deze hoofdeffecten van leeftijd en generatie zullen we voor deze twee variabelen in het startmodel de interactie-effecten met periode niet opnemen. Op de manier zoals hierboven uitgelegd, worden één voor één effecten uit het model gehaald. Van zodra duidelijk wordt dat één van de twee variabelen of alletwee een significant hoofdeffect hebben, wordt het interactie-effect met periode toegevoegd.

 Een laatste opmerking alvorens over te gaan tot de interpretatie van de resultaten, betreft de multicollineariteit tussen de variabelen periode, generatie en leeftijd. Uit correlaties tussen deze drie variabelen blijkt dat enkel generatie en leeftijd een sterke samenhang vertonen. Om nu de multicollineariteit zo laag mogelijk te houden, wordt in het startmodel waarin zowel leeftijd als generatie opgenomen zijn voor generatie een dichotome variabele gebruikt (geboren voor of in 1945/geboren na 1945). In de modellen waarin generatie niet samen met leeftijd opgenomen is wordt voor de variabele generatie in 4 categorieën gewerkt. Een inspectie van de correlaties[59] en de Variance Inflation Factors tonen aan dat het tegelijkertijd invoeren van de variabele leeftijd (quasi-metrisch) en generatie (dichotoom) niet voor technische problemen zorgt.

Nu de werkwijze uitgelegd is, kunnen we de resultaten interpreteren. In de volgende tabel wordt bij de verschillende indicatoren van individualisering[60] telkens aangegeven of er een generatie-, leeftijds- en/of periode-effect speelt en of dit effect verschilt over de tijd[61]. Daarbij geeft de letter A aan of er van het betreffende effect sprake is in de periode, een B wijst erop dat het effect verschilt over de drie periodes.

 

Tabel 5.7.: Samenvatting van de generatie-, leeftijds- en periode-effecten gevonden via regressie

 

generatie-effect

leeftijdseffect

periode-effect

Ouders moeten hun eigen leven lijden/
welzijn niet opofferen voor kinderen

 

A

A

 
Het huwelijk is een verouderde instelling

B

 

 

Vrouw mag kind alleen opvoeden als
ze geen vaste relatie met een man wil

A

A

 

leeftijdseffect sterker

 

 
Permissiviteitsschaal

A

AB

A

leeftijdseffect sterker

 
Verwerpen van de traditionele vrouwenrol

A

AB

A

generatie-effect sterker

Succesfactoren voor een geslaagd huwelijk:
materiële aspecten

AB

 

 

Succesfactoren voor een geslaagd huwelijk:
homogamie aspecten

A

A

A

leeftijdseffect sterker

Opvoedingswaarden: onafhankelijkheid

 

AB

 

Opvoedingswaarden: fantasie/ verbeeldingskracht

 

AB

A

Opvoedingswaarden: vastberadenheid/ volharding

 

 

A

 

De tabel laat geen éénduidige interpretatie toe. In de data zijn zowel leeftijdseffecten, generatie-effecten als periode-effecten te vinden. Een duidelijke lijn is niet te vinden in de resultaten. Er zijn ook enkele variabelen waarbij een combinatie van het leeftijds-, generatie- en/of periode-effect speelt. De richting van de effecten is voor alle indicatoren dezelfde. Naarmate de tijd vordert, neemt de geïndividualiseerde waardeoriëntatie toe[62]. De jongere generatie is meer geïndividualiseerd dan de oudere. Voor het leeftijdseffect geldt: hoe ouder men wordt, hoe minder geïndividualiseerd men gaat denken. Onze veronderstelling dat het effect van leeftijd in de afzonderlijke periodes te herleiden valt tot een generatie-effect zien we niet bevestigd in tabel 5.7. Sterker nog een puur generatie-effect is enkel te vinden bij de materiële succesfactoren voor een geslaagd huwelijk. Deze bevinding sluit wel aan bij de theorie van Inglehart dat de vooroorlogse generatie meer belang zou hechten aan materialistische waarden. Ter illustratie zijn in tabel 5.8. de parameters van de regressievergelijking voor ‘materiële succesfactoren voor het huwelijk’ opgenomen. Om het generatie-effect duidelijk te kunnen interpreteren werd in dit model de interactie generatie*periode niet opgenomen. We hebben enkel aandacht voor de parameters bij de generatievariabele. De verloren generatie is referentiecategorie. Uit de tabel blijkt dat de vooroorlogse en de stille generatie duidelijk afwijken van de verloren generatie voor wat betreft de materiële succesfactoren voor het huwelijk. Ook wanneer de protestgeneratie als referentiecategorie wordt genomen blijkt die significant verschillend van de vooroorlogse en de stille generatie voor wat betreft de materiële waarden voor een succesvol huwelijk. De protest- en de verloren generatie verschillen niet significant van elkaar. Voor wat betreft de waardering van de materiële aspecten van het huwelijk ligt de breuk inderdaad in 1945 zoals we verwachtten op basis van de theorie.

 

 

Tabel 5.8.: Regressieparameters voor afhankelijke variabele ‘materiële aspecten voor een succesvol huwelijk’ (België, periode samen, lineaire regressie, gewogen gegevens)

 

 

referentie periode 1981

Parameter

categorie-

Schatting

T-waarde

Pr>| T |

en

intercept

 

 

4,2455

42,9

< 0,0001

periode

90

 

0,3222

2,78

0,0055

 

99

 

0,2185

1,99

0,0465

generatie

vooroorlogse

 

0,2689

5,64

< 0,0001

 

stille

 

0,3826

8,48

< 0,0001

 

protest

 

0,0621

1,34

0,1804

sociaal ec. status

handarbeid:
ongeschoold

 

0,1727

1,64

0,1005

 

handarbeid: geschoold

 

0,1567

1,52

0,1274

 

middenklasse

 

0,252

2,39

0,0169

ses*periode

handarbeid:
ongeschoold

90

-0,0959

-0,74

0,4596

 

handarbeid: geschoold

90

-0,0043

-0,03

0,9742

 

middenklasse

90

-0,4119

-3,09

0,002

 

handarbeid:
ongeschoold

99

0,2437

1,87

0,0615

 

handarbeid: geschoold

99

0,2015

1,61

0,1074

 

middenklasse

99

-0,1662

-1,31

0,1892

regio

Franstalig

 

-0,1537

-2,49

0,0129

regio*periode

Franstalig

90

0,0884

1,12

0,2637

 

Franstalig

99

-0,3207

-3,98

< 0,0001

burgerlijke staat

gescheiden

 

0,2893

1,37

0,1708

burg. staat*periode

ongehuwd

 

-0,0712

-0,91

0,3619

 

gescheiden

90

-0,3302

-1,45

0,148

 

ongehuwd

90

-0,0022

-0,02

0,9816

 

gescheiden

99

-0,4164

-1,73

0,084

 

ongehuwd

99

-0,1947

-2,11

0,0349

 

2.3.2. Op zoek naar de effecten in de LPC-tabel

 

Nu we de effecten van leeftijd, periode en generatie via regressieanalyse aangetoond hebben, onderzoeken we of we de gevonden effecten ook in de LPC-tabellen kunnen terugvinden.

Alvorens van start te gaan, trachten we een zinvolle indeling van de leeftijdsgroepen op te stellen. Zoals uit tabel 5.9. blijkt, nemen we voor de leeftijdsgroepen een interval van negen jaar, wat precies overeenkomt met het interval tussen twee tijdstippen van onderzoek. Op die manier kunnen we geboortecohorten over de tijd vergelijken. Want diegenen die in 1981 bijvoorbeeld tussen 36 en 44 jaar waren, komen in 1990 overeen met de leeftijdsgroep 45-53. Hierbij is vanzelfsprekend geen sprake van echte gelijkheid omdat we in de drie meetjaren met aparte steekproeven werken. Desalniettemin gaan we ervan uit dat we deze leeftijdsgroepen kunnen vergelijken tussen de periodes omdat ze telkens opnieuw de geboortecohorte weerspiegelen.

 

Tabel 5.9.: Indeling van de geboortecohorten voor LPC-tabellen[63]

geboortecohort

leeftijd 1981

leeftijd 1990

leeftijd 1999

1973-1981

 

 

18-26

1964-1972

 

18-26

27-35

1955-1963

18-26

27-35

36-44

1946-1954

27-35

36-44

45-53

1937-1945

36-44

45-53

54-62

1928-1936

45-53

54-62

63-71

1919-1927

54-62

63-71

72-80

1910-1918

63-71

72-80

81-89

1901-1909

72-80

81-89

90-98

 

Voor de geboortecohorten hebben we ervoor geopteerd het einde van WO II als scheiding van een cohorte te nemen. Zo kunnen we duidelijk de vooroorlogse cohorten van de naoorlogse onderscheiden. Wat betreft de leeftijdsgroepen moet opgemerkt worden dat de leeftijdsgroep 81-89 in 1990 en de groepen 81-89 en 90-98 in 1999 relatief weinig observaties bevatten (respectievelijk 27, 41 en 10). Het samennemen van categorieën is bij deze tabellen echter niet mogelijk omdat dan het systeem van vergelijking van de cohorten in elkaar stort. We houden er in wat volgt wel rekening mee dat de geldigheid van de uitkomsten bij deze drie categorieën in vraag gesteld moet worden.

Voor alle variabelen waarbij een leeftijds- en/of generatie-effect gevonden werd, zijn in bijlage vijf de LPC-tabellen opgenomen. Omdat in dergelijke tabellen de leeftijds-, periode- en cohorteneffecten niet volledig uit elkaar kunnen worden gehaald blijkt de interpretatie erg moeilijk. Hieronder beperken we ons tot het bespreken van die individualiseringsindicatoren waarvoor leeftijds- en generatie-effecten niet gecombineerd voorkomen. We pogen het leeftijds- of cohorteneffect, al dan niet gecombineerd met een effect van periode, in de tabellen te onderscheiden.

 Voor de materiële succesfactoren voor het huwelijk bleek uit de regressieanalyse hierboven enkel een generatie-effect te spelen. In onderstaande LPC-tabel bevatten de cellen telkens het gemiddelde op de schaal ‘materiële aspecten voor een geslaagd huwelijk’. Via de diagonalen kunnen we de opeenvolgende cohorten met elkaar vergelijken. In de tabel is duidelijk een onderscheid te maken tussen de vooroorlogse en de naoorlogse cohorten. Net als uit de regressieanalyse blijkt hier opnieuw dat personen die voor de oorlog geboren werden hoger scoren op de materiële schaal.Verder vallen binnen de vooroorlogse en de naoorlogse cohorten weinig verschillen op te merken.

 

Tabel 5.10.: Succesfactoren voor een geslaagd huwelijk: materiële aspecten (België, naar leeftijdscategorieën en periode, gemiddelde op de schaal, 1981-1990-1999, niet gewogen gegeven)

 

18-26

27-35

36-44

45-53

54-62

63-71

72-80

81-90

91-99

1981

3,40

3,40

3,68

3,72

3,63

3,62

3,51

 

 

1990

3,34

3,65

3,49

3,83

3,80

3,8

3,83

3,48

 

1999

3,39

3,42

3,32

3,53

3,68

3,88

3,97

3,95

2,90

 

Bij de volgende LPC-tabellen verwachten we een effect van leeftijd

terug te vinden. In tabel 5.11. is in de cellen telkens het percentage respondenten van deze leeftijdsgroep vermeld die vinden dat ouders hun eigen leven moeten leiden. Een vergelijking van de kolommen toont inderdaad aan dat de oudere leeftijdsgroepen deze stelling minder sterk ondersteunen dan de jongere. Op basis van deze gegevens kan echter geen besluit genomen worden of het hier gaat om een generatie- of een leeftijdseffect. Binnen één kolom verschillen de leeftijdsgroepen weliswaar van elkaar, maar die verschillende leeftijdsgroepen behoren ook elk tot een generatie en bij een vergelijking van de diagonalen blijkt eveneens dat de jongste generaties van de oudere generaties verschillen voor wat betreft hun mening over de offerbereidheid van ouders. Wanneer binnen een kolom de rijen vergeleken worden zien we dat er eveneens een effect van periode uitgaat. Zoals uit zowel de regressieanalyse als hoofdstuk vier blijkt, is er tussen 1981 en 1990 een toename van het percentage respondenten dat meent dat ouders hun eigen leven moeten leiden. Tussen 1990 en 1999 zet die toename zich niet verder door en is er zelfs een lichte afname.

 

Tabel 5.11.: Ouders moeten hun eigen leven leiden/welzijn niet opofferen ten behoeve van hun kinderen (België, naar leeftijdscategorieën en periode, 1981-1990-1999, in percentages, niet gewogen gegevens)

 

18-26

27-35

36-44

45-53

54-62

63-71

72-80

81-90

91-99

1981

10,50

9,58

13,30

6,25

7,63

5,04

10,00

 

 

1990

22,30

25,70

21,60

17,40

11,80

15,40

18,60

11,10

 

1999

21,20

15,70

18,80

18,60

17,30

15,80

8,76

9,76

0,00

 

Voor de opvoedingswaarden werd in de cellen van tabellen 5.12 en 5.13. het percentage respondenten van de betreffende leeftijdsgroep vermeld die de genoemde eigenschap belangrijk vindt bij de opvoeding van kinderen. Wanneer binnen een rij de kolommen vergeleken worden, blijkt inderdaad een effect van leeftijd. Opnieuw geldt de opmerking dat aan de hand van deze tabellen niet bepaald kan worden of er daadwerkelijk een leeftijdseffect speelt of dat er veeleer sprake is van een effect van de generatie/het geboortecohort waartoe men behoort. Een vergelijking van de rijen toont duidelijk een effect van de periode van het onderzoek. De bevindingen gaan in de lijn van wat in hoofdstuk vier werd geopperd, namelijk dat er tussen 1981 en 1999 een toename is van het belang van de eigenschappen onafhankelijkheid en fantasie/ verbeeldingskracht bij de opvoeding van kinderen.

 

Tabel 5.12.: Eigenschappen waartoe men kinderen thuis kan aanmoedigen: onafhankelijkheid (België, naar leeftijdscategorieën en periode, 1981-1990-1999, in percentages, niet gewogen gegevens).

 

18-26

27-35

36-44

45-53

54-62

63-71

72-80

81-90

91-99

1981

22,89

23,95

20,00

22,66

12,98

15,13

16,25

 

 

1990

44,90

48,16

39,86

34,75

30,15

19,29

15,12

11,11

 

1999

49,20

47,53

47,54

39,62

37,33

35,81

24,82

19,51

20,00

 

 

Tabel 5.13.: Eigenschappen waartoe men kinderen thuis kan aanmoedigen: fantasie / verbeeldingskracht (België, naar leeftijdscategorieën en periode, 1981-1990-1999, in percentages, niet gewogen gegevens).

 

18-26

27-3