Klinische en therapeutische inzichten bij hulpverlening aan homoseksuele mannen. Een overzicht van de literatuur sinds 1980. (Dieter Hendrickx)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

INLEIDING

 

“Dit alles onderstreept hoe juist op het gebied van de seksualiteit een serene, wetenschappelijke benadering eeuwenlang verhinderd werd. En de erfenis hiervan reikt tot in onze dagen, waar de moderne mens zich echter niet meer laat (mis)leiden door mythische fabels of moraliserende verhalen van vroeger.” (Nijs, 1997, p. 591)

 

 

0.1. Uitgangspunt

 

In 1975 schreef S. Joos een licentiaatsverhandeling met als titel ‘Therapeutische begeleiding van de homofiele medemens’. Sindsdien is er echter heel wat op gang gekomen in de literatuur over homoseksualiteit.

            Er is een overvloed aan literatuur tot stand gekomen waarbij het moeilijk is de bomen nog door het bos te zien. Het is dan ook noodzakelijk een keuze te maken in te behandelen onderwerpen. In een doorsnee handboek over homoseksualiteit komen o.a. volgende onderwerpen ter sprake: homofobie en heteroseksisme, coming out, ouders van homoseksuele kinderen, partnervorming, partnermisbruik, alcoholmisbruik, religieuze conflicten, HIV-problematiek, biseksualiteit, suïcide,… (zie o.a. Cabaj & Stein, 1996; Davies & Neal, 1996; Perez, DeBord & Bieschke, 2000). Ondanks de uitgebreidheid van de literatuur, is er toch een lacune: totnogtoe is er weinig onderzoek gedaan naar homoseksualiteit in de therapeutische praktijk. Het leeuwenaandeel betreft literatuur over relaties, identiteitsontwikkeling, coming out en ouder worden (Rothblum, 2000).

            In de meer recente literatuur wordt ook een nieuwe kijk op homoseksualiteit aangeboden. Psychiaters en psychologen zijn langzamerhand afgestapt van de pathologiserende en op etiologie gerichte benaderingswijze[1] (Croteau & Bieschke, 1996; Silverstein, 1996). Waar voorheen gezocht werd naar mogelijkheden om de patiënt te ‘genezen’ van zijn homoseksualiteit, gaat men nu de cliënt trachten te bevestigen zoals hij is (d.i. de ‘gay affirmative’ therapie). Ook de pathologiserende denkrichting komt in deze verhandeling aan bod, maar uiteindelijk zal ik mij aansluiten bij de denkwijze van de ‘gay affirmative’ therapie: eerder dan de potentialiteiten te beperken, creëert men nieuwe perspectieven voor het individu. Verder, in Hoofdstuk 3, kom ik daar uitgebreid op terug.

 

 

0.2. Afbakening

 

Ik beperk mij in deze verhandeling tot homoseksualiteit bij mannen. Voor een groot deel is het onderscheid tussen homo’s, lesbiennes en biseksuelen niet nodig[2], maar toch zijn er verschillen te onderkennen. Voor een goed overzicht van statistische verschillen tussen homo’s en lesbiennes verwijs ik naar het degelijk onderzoek van Bell en Weinberg (1978). Degelijk is ook het werk van Bergen (1999) over lesbische hulpverlening, in opdracht van het Vlaams Ministerie voor Gelijke Kansen. Biseksualiteit krijgt de laatste jaren meer en meer aandacht (Lourea, 1985; Ochs & Deihl, 1995 [beiden vermeld in Fox, 1996]), maar is nog onvoldoende onderzocht.

 

Een andere beperking is de focus op westerse mannen. Recentelijk kwam onder de aandacht dat onze seksuele oriëntatie maar één aspect is van onze identiteit (Clausen, 1997; Jagose, 1996; Lorber, 1998; Stein, 1990a [allen vermeld in Broido, 2000]). Deze multidimensionele identiteitsopvatting wijst er op dat er een interactie is van seksuele oriëntatie en allerlei culturele variabelen zoals o.a. etniciteit, ras en gender (voor een duidelijk overzicht: Fukuyama & Ferguson, 2000). Aangezien minderheidsgroepen sociaal dominante groepen als referentiepunt zullen gebruiken voor het proces van perceptie en interpretatie van henzelf (Cross, 1991 [vermeld in Fukuyama & Ferguson, 2000]), zal de kijk van het individu op zijn homoseksualiteit sterk beïnvloed worden door de cultuur waarin hij opgegroeid is[3].

In de verhandeling van Joos (1975; pp. 21-62) werd nog extensief uitgeweid over de ontstaanstheorieën van homoseksualiteit. En inderdaad, er is heel wat inkt gevloeid over dit onderwerp: te weinig of te veel aan sekshormoon (oestrogeen, testosteron, androgeen), een extra gen, een kleinere of een grotere hypothalamus, maternale stress gedurende de zwangerschap, overbeschermende en te veeleisende moeder, afwezige of afstandelijke vader, een negatieve ervaring met de andere sekse, een positieve eerste seksuele ervaring met iemand van dezelfde sekse, verleiding door een oudere homoseksueel, seksueel misbruik,… Zoals Clausen (1997 [vermeld in Broido, 2000]) stelt, zou men, beter dan de oorzaken trachten te achterhalen, veilig stellen dat een verlangen voor hetzelfde geslacht gezien wordt als een menselijke, niet-pathologische expressie. Deze zienswijze zou onafhankelijk moeten zijn van de hypothetische oorzaak (of combinatie van oorzaken). Nijs (1997) merkt laconiek en spitsvondig op: “Linkshandigheid is ook anders dan rechtshandigheid: is ook minder frequent maar daarom niet pathologisch; het geeft wel nogal moeilijkheden in een cultuur, waar alle toestellen voor rechtshandigen zijn gebouwd.” (p. 593). Daarom beschouw ik een overzicht van de ontstaanstheorieën als irrelevant voor deze verhandeling[4].

 

 

0.3. Structuur

 

In de eerste twee hoofdstukken wordt een fenomenologische beschrijving gegeven van twee belangrijke fenomenen in de literatuur over homoseksualiteit: heteroseksisme en coming out. Deze hoofdstukken hebben de bedoeling noch de pretentie exhaustief te zijn; wel bieden ze een selectief overzicht van de relevante literatuur. Deze beschrijving hoopt reeds duidelijk te maken onder welke specifieke moeilijkheden homoseksuelen gebukt gaan die niet aanwezig zijn bij een heteroseksuele levensstijl. Eén van de conclusies in de statistische analyse van Bell en Weinberg (1978) was dat homo’s en lesbiennes frequenter in therapie zijn in vergelijking met heteroseksuelen.

            Volgens Reynolds en Hanjorgiris (2000) zijn er vier thema’s die relevant zijn voor de homoseksuele gezondheidszorg: (a) coming out, (b) identiteitsontwikkeling, (c) geïnternaliseerde homofobie en het effect daarvan op het proces van de identiteitsontwikkeling en (d) maatschappelijke homofobie en heteroseksisme. Hoewel maar twee thema’s in deze verhandeling worden gehanteerd, is er wel een grote inhoudelijke gelijkenis met het bovenstaande schema. Coming out, omschreven als een gecompliceerd ontwikkelingsproces dat, op een psychologisch niveau, zorgt voor de bewustwording en aanvaarding van homoseksuele gedachten en gevoelens (Cohen & Stein, 1986), gaat hand in hand met een identiteitsontwikkeling. De identiteitsontwikkeling leidt voor sommige personen uiteindelijk tot de publieke identificatie als holebi. En daarnaast zal onder het hoofdstuk over heteroseksisme zowel geïnternaliseerde homofobie als geïnstitutionaliseerd heteroseksisme besproken worden. Geïnternaliseerde homofobie wil zeggen dat negatieve gevoelens over de seksuele oriëntatie overgegeneraliseerd worden om uiteindelijk het zelf te overrompelen (Gonsiorek & Rudolph, 1991 [vermeld in Davies, 1996a]). Geïnstitutionaliseerd heteroseksisme houdt in dat de maatschappij een aantal structuren heeft die holebi’s discrimineert (Blumenfeld, 1992 [vermeld in Davies, 1996a]).

 

In het derde hoofdstuk beschouw ik vanuit therapeutisch standpunt de problematiek van de homoseksuele populatie. Eerst wordt de niet-bevestigende houding besproken, waarbij de therapeut het verlangen ondersteunt (of creëert) om de homoseksuele oriëntatie te veranderen in een heteroseksuele. Vervolgens wordt er gefocust op de meer recente ontwikkelingen, die samengevat kunnen worden onder de noemer ‘gay affirmative’ therapie. De naam is misleidend, want in tegenstelling tot wat de benaming laat vermoeden gaat het niet om een psychotherapeutisch onafhankelijk systeem, maar wel representeert het een speciaal niveau van psychologische kennis dat ingaat tegen het traditionele oordeel dat het homoseksueel verlangen pathologisch is (Davies & Neal, 1996). In feite gebruikt men de klassieke therapeutische methoden vanuit een niet-klassiek perspectief (‘functional eclecticism’; Fassinger, 2000). Tenslotte wordt in de laatste paragraaf van het derde hoofdstuk ingegaan op enkele thema’s die frequent aan bod komen in de literatuur over ‘gay affirmative’ therapie.

 

 

0.4. Terminologie

 

Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen homoseksueel gedrag en homoseksuele identiteit. Het eerste omschrijft het gedrag waarbij iemand seksueel contact heeft met iemand van dezelfde sekse, terwijl het tweede slaat op zichzelf beschouwen als homoseksueel. De scheiding van gedrag en identiteit wordt relevant als men de incidentie van homoseksualiteit wil onderzoeken. Kinsey, Pomeroy en Martin (1947, 1953) rapporteerden dat 37% van de mannen en 13% van de vrouwen als volwassenen een seksuele orgastische ervaring gehad hadden met iemand van hetzelfde geslacht. Slechts 4% van de mannen en tussen 0,3 en 3% van de vrouwen beschouwde zichzelf als exclusief homoseksueel.

            Er is veel conceptuele onduidelijkheid. Dit vindt zijn oorsprong in de onduidelijkheid en onenigheid die er heerst over de definitie van identiteit[5]. Enerzijds gingen Kinsey e.a. (1947, 1953) er van uit dat iedereen in staat is zowel heteroseksuele als homoseksuele responsen te stellen. ‘Homo’, ‘lesbienne’ of ‘biseksueel’ zijn volgens deze auteurs geen valide categorieën en personen zouden moeten beschreven worden op een heteroseksueel – homoseksueel continuüm, geconcretiseerd in een zevenpuntenschaal. Anderzijds zijn er onderzoekers die zeggen dat heteroseksualiteit en homoseksualiteit onverzoenbare tegenstellingen zijn (Blumenstein & Schwartz, 1993 [vermeld in Reynolds & Hanjorgiris, 2000]; Boswell, 1980 [vermeld in Stein, 1996b]), met de frequente implicatie dat biseksuelen ontkennende homo’s of lesbiennes zijn[6].

 

In het Engels kan men ‘homosexual’ gebruiken voor mannen die zich fysisch en emotioneel aangetrokken voelen tot hetzelfde geslacht (ongeacht hoe ze zichzelf identificeren), terwijl ‘gay’ enkel die mannen betreft die zichzelf ook als dusdanig identificeren. Er is op gewezen (Committee on Lesbian and Gay Concerns, 1991; Herdt, 1991 [vermeld in Boxer, Cook & Herdt, 1991]) dat de term ‘homosexual’ een negatieve connotatie heeft omwille van de historische verbinding met pathologie en de focus op het seksuele aspect van de identiteit.

            In het Nederlands kent men dergelijk onderscheid niet. Wel is er sprake van ‘homofiel’ en ‘homoseksueel’. Ik zal in mijn verdere uiteenzetting consequent de term ‘homoseksueel’ gebruiken. In tegenstelling tot de Engelstalige literatuur is eerder ‘homofilie’ verbonden met een pathologische benaderingswijze[7] (waarbij aangetrokken worden door hetzelfde geslacht gezien werd als een zonde, een misdaad of een ziekte[8]). Een nadeel, inherent aan de term ‘homoseksualiteit’ verbonden, is inderdaad dat de klemtoon komt te liggen op één aspect van de identiteit, namelijk het seksuele.

 

Verder zal ik regelmatig spreken over seksuele oriëntatie en seksuele identiteit. Seksuele oriëntatie slaat op een overgewicht aan seksuele of erotische gevoelens, gedachten, fantasieën, en/of gedragingen in een bepaalde richting. Het is reeds op vroege leeftijd aanwezig, misschien reeds van bij de geboorte (Savin-Williams, 1990 [vermeld in Davies, 1996c]). Seksuele identiteit is een consistente, duurzame zelferkenning van de betekenissen die seksuele oriëntatie en seksueel gedrag hebben voor de persoon zelf (Savin-Williams, 1990 [vermeld in Davies, 1996c]).

 

 

HOOFDSTUK  1  :  HETEROSEKSISME

 

“Alles bij elkaar vormen die viespeuken een stinkend zootje linkse reetkevers (andere woorden ontbreken me), waarin alle schakeringen van links zijn vertegenwoordigd … Dergelijke viezeriken komen onze kinderen bevuilen aan de scholen met hun smerige pamfletten, met foto’s van homo’s die elkaar in het kruis tasten. Het staat dan ook als een paal boven het rozenwater dat het Vlaams Blok dit niet zal laten betijen.” (J. Stalmans, partijblad van het Vlaams Blok, 1985[9])

 

1.a. Definitie: homofobie versus heteroseksisme

 

De term ‘homophobia’ werd voor het eerst vermeld in 1971 door Smith, maar het is pas door Weinbergs (1972 [vermeld in Davies, 1996a]) definiëring dat er een controverse op gang kwam over hoe het concept begrepen moest worden. De definitie luidde:

“Homophobia is the dread of being in close quarters with homosexuals – and in the case of homosexuals themselves, self-loathing.” (p. 4)

Later werd de definitie uitgebreid met gevoelens van benauwdheid, walging, aversie, boosheid, ongemakkelijkheid en angst die sommige heteroseksuelen ervaren in aanwezigheid van homo’s en lesbiennes (Hudson & Ricketts, 1980).

Er is geen consensus over het gebruik van de term, omdat vele onderzoekers beweren dat het empirisch materiaal de classificatie van homofobie als een fobie in de klinische zin niet ondersteunt. Bovendien merkt Herek[10] (1996) op dat het gebruik van de term homofobie kan leiden tot de impliciete veronderstelling dat het gaat om een individuele, klinische entiteit, eerder dan een sociaal fenomeen dat geworteld is in culturele ideologieën en intergroepsrelaties. Maar eveneens terecht merkt Davies (1996a) op dat, hoewel de origine van het fenomeen cultureel ontstaan kan zijn, er sterke interindividuele verschillen bestaan tussen heteroseksuelen. In sommige opzichten kan het dus beschouwd worden als een individuele anomalie.

 

Hereks (1996) oplossing voor deze observatie is dat hij een onderscheid maakt tussen cultureel en psychologisch heteroseksisme[11]. Cultureel heteroseksisme steunt op maatschappelijke gewoonten en instituties en werkt met een dubbel proces van onzichtbaarheid en aanval.

“Homosexuality usually remains culturally invisible; when people who engage in homosexual behavior or who are identified as homosexual become visible, they are subject to attack by society.” (p. 102; eigen cursivering)

De individuele manifestatie van deze culturele uiting is het psychologisch heteroseksisme.

“It is reflected in heterosexual’s feelings of personal disgust, hostility, or condemnation of homosexuality and of lesbians and gay men.” (p.102)

Deze vorm van heteroseksisme komt vaak voor. De meeste Amerikanen veroordelen homoseksualiteit op een consistente manier of beschouwen homoseksueel gedrag als moreel verkeerd, als een zonde of onnatuurlijk en laten hun walging blijken (Wood, 1990).

 

1.b. Zowel inter- als intra-individueel

 

Geïnternaliseerde homofobie en psychologisch heteroseksisme kunnen beschouwd worden als intra-individuele fenomenen die zich afspelen binnen één individu, terwijl cultureel heteroseksisme een interindividueel fenomeen is. In laatstgenoemde discrimineren sociale structuren holebi’s; het is een maatschappelijke structuur die veronderstelt dat heteroseksualiteit de enige aanvaardbare en waardevolle levensoptie is.

            Psychologisch heteroseksisme is zeker een waardevol en potentieel vruchtbaar concept, maar in deze verhandeling wordt het buiten beschouwing gelaten. Ten eerste is er te weinig onderzoek gedaan naar deze vorm van seksisme en ten tweede veronderstel ik dat de bespreking van het cultureel heteroseksisme een voldoende achtergrond biedt om de individuele concretisatie ervan in gedachten, gevoelens en gedragingen zelf te kunnen voorstellen en begrijpen.

            In de rest van de verhandeling hanteer ik de term ‘homofobie’ enkel voor geïnternaliseerde homofobie. ‘Heteroseksisme’ dekt de lading voor zowel het cultureel als psychologisch perspectief. Tot slot vermeld ik de algemene definitie van heteroseksisme van Herek (1990):

“… the ideological system that denies, denigrates, and stigmatizes any nonheterosexual form of behavior, identity, relationship, or community.”

 

 

1.1. Heteroseksisme

 

1.1.1. Functies van vooroordelen

 

Negatieve attitudes t.o.v. om het even welke minderheidsgroep ontstaan niet zomaar en worden zeker niet zonder reden in stand gehouden. De basis voor ontstaan en instandhouding van deze attitudes is het psychologische voordeel dat het individu puurt uit zijn negatieve houding. Herek (1987) stelt dat er vier verschillende psychologische functies voor het individu zijn om vooroordelen te handhaven tegenover homoseksuelen. De eerste functie is gebaseerd op (een) reële interactie(s) met (een) homoseksue(e)l(en), terwijl de overige drie steunen op symbolisering van homoseksuelen als een minderheidsgroep.

1.      Experiëntiële functie: mensen zullen aan hun interacties met anderen trachten zin te verlenen, door elke interactie in te passen in een ruimer wereldbeeld. Dit beeld wordt primair georganiseerd in termen van het eigenbelang van het individu[12]. Vooroordelen geven mensen de kans anderen in categorieën te plaatsen, waardoor de chaotische en contradictorische wereld weer zin krijgt. Zo zullen sommige heteroseksuelen een negatieve attitude ontwikkelen tegenover homoseksuelen (als persoonscategorie) op basis van onaangename interacties met één specifieke homoseksueel. In dat verband werd empirisch aangetoond (Walker & Antaki, 1986) dat er een relatie bestaat tussen de mate van heteroseksisme en het aantal fouten dat gemaakt werd wanneer de proefpersoon moest vertellen wie wat verteld had in een groepsdiscussie met homo- en heteroseksuelen. Diegenen die hoog scoorden op een schaal voor heteroseksisme tendeerden homoseksuelen met elkaar onderling te verwisselen, maar niet heteroseksuelen met homoseksuelen. Voor heteroseksistische personen is de seksuele oriëntatie dus een basis voor sociale categorisatie.

2.      Symbolische functie: slechts één op drie Amerikaanse volwassenen kent iemand die homoseksueel is (Herek & Glunt, 1993). Voor twee op drie mensen van die heteroseksuele populatie zijn homoseksualiteit en homoseksuelen primair symbolen. Hierbij schuilt de functionaliteit van de negatieve attitudes in het verhoogde zelfvertrouwen door een belangrijk aspect van zichzelf te benadrukken (namelijk: ‘ik ben heteroseksueel’). Bevestigen wie men zelf is, gaat vaak gepaard met zich te distantiëren van wie men niet is (of niet wil zijn). Dikwijls wordt diegene die men niet is of niet wil zijn, aangevallen (verbaal, non-verbaal en zelfs fysiek). Zo ontlokt een videovertoning, waarin expliciete homo-seksuele daden worden getoond, aan heteroseksuele studenten een grotere agressie en heteroseksisme dan wanneer men aan een groep vergelijkbare studenten een video met hetero-seksuele humor en naaktheid toont (Duncan, 1988a). Een andere studie toonde aan dat aan een persoon die zich op een subtiele manier kenbaar maakt als homoseksueel (via een slogan op het T-shirt), men minder geneigd zal zijn hulp te bieden (Gray, Russell & Blockley, 1991). Het duurt ook langer vooraleer homoseksuelen geholpen worden (Gore, Tobiasen & Kayson, 1997).

2.1.   Waarde-expressieve functie: stelt heteroseksuelen in staat hun eigen waarden te bevestigen die aan belang winnen naarmate ze meer gerelateerd zijn aan het zelfconcept.

2.2.   Sociaal expressieve functie: versterkt het gevoel tot een bepaalde sociale groep te behoren en helpt het individu aanvaarding, goedkeuring of liefde te winnen van anderen die voor hem belangrijk zijn.

2.3.   Ego-defensieve functie: verlaagt de eigen angsten, afkomstig van onbewuste psychologische conflicten (vooral rond seksualiteit en gender).

 

De ego-defensieve functionaliteit wordt goed geïllustreerd met het onderzoek van Goff (1990). Ontwikkelingspsychologisch gezien ondergaan de meeste jonge mannen een periode waarin ze twijfels hebben over hun seksualiteit (Francouer, 1982). Adolescenten zijn enorm gevoelig en kwetsbaar voor gevoelens van inadequaatheid, vooral wat betreft hun eigen seksualiteit. Goff (1990) beweert dat die verwarrende periode een verhoogd risico op reactieve homoseksualiteit teweegbrengt. Wanneer een poging om een diepere relatie met een meisje aan te gaan mislukt, denkt de jongen vaak dat er seksueel met hem iets verkeerd is[13] (“misschien val ik gewoon niet op meisjes en ben ik homoseksueel”). Belangrijk hier is dat hij tot deze conclusie komt, niet door aantrekking tot andere jongens, maar door zijn mislukte ervaringen met meisjes – reactieve homoseksualiteit dus.

            Reactieve homoseksualiteit, stelt Goff (1990), wordt vaak gevolgd door heteroseksistische reacties bij deze jongens, aangezien dit de angsten over hun eigen seksualiteit verlaagt. De meeste informatie die adolescenten over homoseksualiteit verwerven, is verzameld door non-homoseksuelen die de informatie kleuren door hun veelal heteroseksistische overtuigingen. Typerend is dan ook de reactievorming onder de vorm van ontkenning, waarbij deze jongeren zich via heteroseksistische reacties gaan afzetten tegen de veronderstelde homoseksualiteit (Goff, 1990).

            Hieruit blijkt dus m.a.w. opnieuw de symbolische functionaliteit (Herek, 1987) van de negatieve attitude jegens homoseksuelen: de eigen identiteit wordt gevormd en bestendigd door duidelijk te maken wat men niet is of niet wil zijn.

 

1.1.2. De bevooroordeelde heteroseksist

 

In empirisch correlatief onderzoek werd het verband onderzocht tussen de negatieve attitude tegenover homoseksuelen en allerlei psychologische, sociale en demografische variabelen. Een profiel van de typische heteroseksist ziet er als volgt uit (Herek, 1984; Kite, 1994 [beiden vermeld in Herek, 1996]):

Bovendien blijkt dat heteroseksuele mannen een hogere graad van vooroordeel hebben dan heteroseksuele vrouwen, vooral t.o.v. homoseksuele mannen (Hansen, 1982). Herek (1996) geeft als gedeeltelijke verklaring dat uit onderzoek (Herek & Glunt, 1993) blijkt dat meer van deze vrouwen (in vergelijking met de heteroseksuele mannen) persoonlijk contact hebben met een homo of lesbienne, wat op zijn beurt sterk gecorreleerd is met een grotere acceptatie. Dit verklaart echter niet waarom vrouwen meer omgaan met openlijke homo’s en lesbiennes; een ander raadsel is waarom de negatieve attitude van heteroseksuele mannen (in vergelijking met die van heteroseksuele vrouwen) sterker is tegenover homoseksuele mánnen. Morrow (2000) biedt een mogelijke verklaring door te beweren dat we leven in een misogyne[15] cultuur die mannen en mannelijkheid bevoorrecht. Een maatschappelijk (westers) stereotype luidt dat homo’s verwijfde mannen zijn en lesbiennes vermannelijkte vrouwen (Herek, 1990). Gegeven de misogyne cultuur is het denkbaar dat de vermannelijkte vrouw gerespecteerd wordt, terwijl de vervrouwelijkte man gedevalueerd wordt. De man zal in de ogen van anderen een duidelijke vervrouwelijking ondergaan van zodra hij zijn seksuele oriëntatie bekend maakt, wat ook zijn genderkarakteristieken in realiteit mogen zijn. Vanuit dit gezichtspunt wordt het duidelijk waarom de negatieve attitude zich vooral toont t.o.v. de homoseksuele man.

Heteroseksisme heeft ook invloed op de heteroseksuele man in relatie tot intieme mannelijke vrienden. Devlin en Cowan (1985) toonden aan dat mannelijk heteroseksisme geassocieerd is met het gebrek aan intimiteit in vriendschappen tussen mannen, wellicht uit angst dat die intieme band gelinkt zou worden aan homoseksualiteit.

Ook in psychotherapie kan een mannelijke cliënt geremd zijn t.o.v. een mannelijke therapeut, waarbij de angst voor afhankelijkheid wellicht een zeer relevante factor is (Werrbach & Gilbert, 1987).

 

Een psychoanalytische verklaring voor heteroseksisme is dat een angst over de mogelijkheid om homoseksueel te worden of te zijn aan de basis ligt of toch een belangrijke factor is (West, 1977 [vermeld in Adams, Wright Jr. & Lohr, 1996]). Zo stelt de Kuyper (1993) bijvoorbeeld dat heteroseksisme het resultaat is van restanten van homoseksualiteit in de heteroseksuele oplossing van het oedipuscomplex. Latente homoseksualiteit is de homoseksuele opwinding waarvan het individu zich onbewust is of ontkent (West, 1977 [vermeld in Adams e.a., 1996]). Deze vage theorie werd geconcretiseerd (d.w.z. getoetst aan de hand van een experiment) door Adams e.a. (1996): heteroseksistische mannen vertonen een toename in penisomtrek bij blootstelling aan mannelijke homo-erotische stimuli, in tegenstelling tot niet-heteroseksistische mannen. Mijns inziens zijn de dynamieken achter dit verschijnsel echter nog onvoldoende onderzocht en begrepen om sluitende conclusies te kunnen trekken.

 

1.1.3. Minimaliseren van heteroseksisme

 

Heteroseksisme heeft diepgaande consequenties voor holebi’s en uiteraard voor een maatschappij in het algemeen (aangezien zij dient te streven naar een optimaal welzijn van al haar leden). Onder punt 1.2. vindt de lezer een diepgaande analyse van geïnternaliseerde homofobie, waarbij uiteen gezet wordt welke de gevolgen voor holebi’s zijn van een overwegend heteroseksistisch klimaat. De dringendheid om maatregelen te nemen tegen dergelijk klimaat wordt zeer duidelijk als blijkt dat gebruik van fysiek geweld tegen holebi’s allesbehalve uitzonderlijk is (Herek, 1990; Herek & Berrill, 1992).

Heteroseksisme is geen unidimensioneel concept. Om een attitude (in casu tegenover holebi’s) te kunnen wijzigen, is het van belang te achterhalen welke specifieke variabelen die attitude determineren. Van de Ven (1995) beschrijft een experimentele leermodule voor heteroseksismereductie, de zogenaamde ‘homophobia kit’. Studenten krijgen de instructie om de zes lessen[16] van de ‘homophobia kit’ te volgen. Vóór en na de lessen (met bovendien een follow up-onderzoek na drie maanden) krijgen de studenten een vragenlijst die volgende aspecten meet: cognitie (bvb. “homoseksuelen zijn abnormaal”); heteroseksistische schuld, kwaadheid en vreugde (affecten, bvb. “ik walg van homoseksualiteit”); gedragsintenties (bvb. “ik zou een petitie tekenen waarin aan de regering gevraagd wordt om holebi’s niet te discrimineren”) en kort-verhaalresponsen (men moet een verhaal neerschrijven waarin men een conversatie over homoseksualiteit beschrijft). Het programma heeft als resultaat dat studenten significant minder scoren op heteroseksistische kwaadheid en meer gedrag rapporteren dat niet heteroseksistisch is gedurende tenminste drie maanden (Van de Ven, 1995).

Interventies die zich enkel toespitsen op het veranderen van de onderliggende cognities van de negatieve attitude tonen een bescheiden effectiviteit op korte termijn (Cerny & Polyson, 1984), maar over een langere tijdsperiode blijkt de ineffectiviteit van cognitieve technieken (Goldberg, 1982 [vermeld in Holtzen & Agresti, 1990], Van de Ven, 1995). Aangezien affect “[is] the very reason stereotypes matter”, (Fiske, 1982, p. 55) stellen Van den Bergh en Eelen (1986) duidelijk:

 

“Dit wijst er op dat zij [Beck en Ellis, de voortrekkers van de cognitieve gedragstherapie] ervan uitgaan dat de activatie van emoties (bijvoorbeeld een fobie) fundamenteel afhankelijk blijft van een reëel redeneringsproces, dat ten eerste in principe bewust te maken is, ten tweede veranderbaar is door logische tegenevidentie aan te voeren, en ten derde vervangbaar is door een nieuw en juister redeneringsproces voldoende in te oefenen. Het feit echter dat een cognitief proces beschreven kan worden in termen van een redenering, wil nog niet zeggen dat het aan dezelfde karakteristieken voldoet.” (p. 33; eigen cursivering)

 

            Het is dan ook noodzakelijk na te gaan welke processen of gerelateerde constructen (die dus niet noodzakelijk cognities zijn) verantwoordelijk zijn voor de instandhouding van het stereotype (Fiske, 1982). Holtzen en Agresti (1990) kwamen tot de conclusie dat bij ouders van homoseksuele of lesbische kinderen scores op de Index of Homophobia (IHP) negatief correleren met scores op de SEI (een vragenlijst die zelfvertrouwen meet bij volwassenen), de AWS (meet stereotypering van de sekserollen) en de TSBI (meet eveneens zelfvertrouwen). Ouders met een hoge score voor heteroseksisme hebben een lager zelfvertrouwen en hebben rigide, traditionele ideeën over hoe mannen en vrouwen zich horen te gedragen.

 

Het is wellicht vanzelfsprekend dat de alomtegenwoordigheid in de populaire cultuur (in de media bijvoorbeeld) van ideologieën, die de onderwerping van minderheidsgroepen rechtvaardigen, voortdurend de stereotypen van individuen bekrachtigt. Duncan (1988b) toonde aan dat blootstelling aan een film die homoseksualiteit op een positieve manier in het daglicht stelt, heteroseksisme reduceert. Mijns inziens zou het een grote stap voorwaarts in de emancipatiebeweging van de holebi’s betekenen, mochten de media op een minder stereotype manier omspringen met de beeldvorming van holebi’s.

 

Op institutioneel niveau zou een aantal belangrijke veranderingen moeten gebeuren die er voor zorgen dat de homoseksuele medeburger gelijke rechten krijgt op juridisch vlak: afschaffing van de sodomiewetten in Amerika en schrappen van de term ‘ontucht’ uit het Belgisch strafwetboek (“zodat dit in al zijn vaagheid niet meer kan worden gebruikt om holebi’s te vervolgen of te veroordelen”[17]), een duidelijke regeling omtrent ouderschap, hoederecht en alimentatie, een wettelijke erkenning van mannen- en vrouwenkoppels, …

            Deze veranderingen kunnen twee belangrijke gevolgen hebben. Enerzijds kan dit een krachtig signaal vanwege de overheid voor de heteroseksuele populatie zijn dat  discriminatie jegens homoseksuelen niet meer geduld wordt; dit kan een stimulans zijn voor een wijziging in de individuele (heteroseksistische) attitude. Anderzijds kan dit een signaal zijn naar de homoseksuele populatie: officieel wordt zij door de dominante cultuur aanvaard en de leden van deze subpopulatie zijn niet langer tweederangsburger. Homoseksuelen kunnen zich meer zichtbaar opstellen en, zoals reeds vermeld (Herek, 1984; Kite, 1994 [beiden vermeld in Herek, 1996]), is persoonlijk contact met een homoseksueel zeer sterk gecorreleerd met de attitude van heteroseksuelen.

 

 

1.2. Geïnternaliseerde homofobie

 

1.2.1. Is geïnternaliseerde homofobie pathologisch?

 

Heteroseksisme eist zijn tol: homoseksuelen moeten dag in, dag uit leven met het besef dat een belangrijk deel van de maatschappij verwerpelijk vindt wat ze doen, en meer, wie ze zijn. Cultureel heteroseksisme veronderstelt dat iedereen heteroseksueel is; een pijnlijke miskenning van een relatief grote minderheidsgroep. Het is zeer begrijpelijk dat de mogelijkheid bestaat dat iemand niet van zichzelf gaat houden, als de anderen weigeren zijn unieke persoonlijkheid te erkennen. Wiesendanger (1999) omschrijft geïnternaliseerde homofobie als een complex mechanisme dat bestaat uit “der Verinnerlichung des allgegenwärtigen heterosexistischen und homophoben Weltbildes.” (p.20) Geïnternaliseerde homofobie “becomes an aspect of the ego, functioning as both an unconscious introject and a conscious system of attitudes and accompanying affects” (p. 78), stelt Maylon (1993) in meer psychoanalytische bewoordingen. Als een component van het ego beïnvloedt het de identiteitsvorming, zelfvertrouwen, ontwikkeling van ego-verdediging, cognitiepatronen, psychologische integriteit en objectrelaties (Maylon, 1993).

 

1.2.1.1. De diagnostische categorie ‘egodystone homoseksualiteit’

 

In 1952 werd de eerste Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM) voorgesteld. Homoseksualiteit was opgenomen als voorbeeld van ‘sexual deviation’, samen met pedofilie, fetisjisme, seksueel sadisme en transvestitisme (Krajeski, 1996). De tweede editie (1968), de DSM-II, vermeldde homoseksualiteit apart als een seksuele deviatie onder de categorie van persoonlijkheidsstoornissen en zekere andere niet-psychotische stoornissen (Krajeski, 1996). Opnieuw vielen pedofilie, fetisjisme, transvestitisme en exhibitionisme onder dezelfde categorie als homoseksualiteit. Op 15 december 1973 werd de diagnose ‘homoseksualiteit’ officieel uit de DSM geschrapt (Adam, 1987 [vermeld in Rothblum, 2000]). Homoseksualiteit verdween dus als een seksuele stoornis, maar een restcategorie werd behouden: de egodystone homoseksualiteit. Pas in de DSM-III-r (1987) verdwijnt elke verwijzing naar homoseksualiteit als een stoornis (Rothblum, 2000). Dit was nodig, volgens de American Psychiatric Association (APA, 2000), omdat “almost all people who are homosexual first go through a phase in which their homosexuality is ego dystonic”.

            Egodystone homoseksualiteit heeft, volgens de DSM-III, de volgende criteria (Lief & Kaplan, 1986):

“(a) the individual complains that heterosexual arousal is persistently absent or weak and significantly interferes with initiating or maintaining wanted heterosexual relationships; and (b) there is a sustained pattern of homosexual arousal that the individual explicitly states has been unwanted and is a persistent source of distress.” (p. 259)

            M.a.w.: de afwezigheid van heteroseksuele opwinding en de aanwezigheid van homoseksuele opwinding is storend en ongewenst vanuit het standpunt van het individu. Problematisch is de etiologie van de ontevredenheid: voelt het individu zich zo omdat hij ‘zo niet is’ of lijdt hij in dergelijke mate onder de stigmatisatie van het heteroseksisme (en heeft hij een grote behoefte om zich te conformeren aan conventioneel seksueel gedrag)? Als men de eerste mogelijkheid in ogenschouw neemt, beschouwt men in ieder geval homoseksuele opwinding meer pathologisch dan de heteroseksuele equivalent. Er is mij geen literatuur bekend die het heeft over ‘egodystone heteroseksualiteit’; heteroseksualiteit wordt immers beschouwd als het ideale eindpunt van een gerijpte seksuele ontwikkeling. Om die reden sluit ik deze mogelijkheid uit en beschouw ik, wat door de DSM-III ‘ego-dystonic homosexuality’ genoemd werd, als een gevolg van het (cultureel en psychologisch) heteroseksisme. Dit is in tegenspraak met wat auteurs zoals Lief en Kaplan (1986), Marks (1982) en Masters en Johnson (1979) (al dan niet expliciet) beweren.

 

1.2.1.2. Karakteristieken verbonden aan geïnternaliseerde homofobie

 

Geïnternaliseerde homofobie interfereert met de levenskwaliteit en de algemene geestelijke gezondheid. Een breed klachtenspectrum kan men terugvinden bij homoseksuelen met geïnternaliseerde homofobie: “Depressionen, Zwängen, Schlaf- und Angststörungen, Herzbeschwerden, Suchtproblemen bis hin zu psychosenahem oder psychoseauslösenden Erleben und verbreiteter Suizidalität (Wiesendanger, 1999, p. 21). Een devaluatie van de eigen homoseksuele oriëntatie is geassocieerd met een zwak zelfvertrouwen, depressieve reacties, psychosomatische symptomen en eenzaamheidsgevoelens (Alexander, 1987; Bell & Weinberg, 1978). Ross en Rosser (1996) kwamen in hun factoranalytisch onderzoek tot de conclusie dat geïnternaliseerde homofobie negatief correleert met relatietevredenheid, duur van de langste relatie, proportie van zijn tijd die men besteedt aan sociale omgang met holebi’s, lidmaatschap van homogroeperingen en publieke bekendheid van de seksuele oriëntatie. Op psychoseksueel vlak is een kleinere acceptatie van de homoseksuele oriëntatie ook geassocieerd met een hoger niveau van angst, depressie, bezorgdheid en een lager niveau van interne controle, zelfvertrouwen en satisfactie (Dupras, 1994).

 

Coyle (1993) kwam tot de conclusie dat homoseksuele mannen een niveau van algemene gezondheid hebben dat vergelijkbaar is met dat van individuen van de algemene populatie die potentieel traumatische levensgebeurtenissen (bijvoorbeeld scheiding of overlijden van de partner) meegemaakt hebben. Homoseksuelen zijn overgerepresenteerd in de populatie die problemen meldt met alcohol- en drugmisbruik (McKirnan & Peterson, 1989; Stall & Wiley, 1988 [beiden vermeld in Kowszun & Malley, 1996]). Deze laatste studies en het bovenstaande onderzoek van Coyle (1993) hebben geen betrekking op geïnternaliseerde homofobie, maar vele onderzoekers (vooral in de therapeutische praktijk) suggereren een verband. Downey en Friedman (1996) stellen bijvoorbeeld:

“Despite … the fact that elevated rates of past depression and substance abuse in homosexual individuals have been reported, it is of interest that neighter rates of current depression nor completed suicide have been demonstrated to be elevated among gay men and lesbians in the general population … Among gay and lesbian patients who consult psychotherapists, however, manifestations of internalized homophobia such as depression are very common.” (p. 477)

 

1.2.1.3. Heteroseksisme als chronische stressor

 

Er bestaat weinig theoretische literatuur over geïnternaliseerde homofobie. Veelal worden vanuit de therapeutische praktijk klinische opmerkingen gemaakt[18], maar een coherente theorie bestaat – voor zover ik weet – niet. Een uitgebreid artikel in The Counseling Psychologist van Smith (1985) biedt een overzicht van hoe minderheidsgroepen onderhevig zijn aan chronische stressoren en wat de effecten zijn op de individuele leden ervan. Het werd in eerste instantie geschreven om de verhoogde pathologie bij niet-blanke Amerikanen te verklaren, maar dankzij de hoge abstractiegraad is de vergelijking met andere minderheidsgroepen vanzelfsprekend. Herek (1996) suggereerde ook een zekere gelijkenis tussen heteroseksisme en racisme (zie p. 8).

            Heteroseksisme kan, net als racisme, beschouwd worden als een chronische stressor. Niet de gewenstheid of de ongewenstheid van een gegeven gebeurtenis, beweren Holmes en Rahe (1967), is de kritische factor om de gebeurtenis traumatisch of negatief te maken. De vereiste aanpassing bepaalt de aard van de gebeurtenis. Dohrenwend (1973 [vermeld in Smith, 1985]) stelt dan ook dat een accumulatie van levensgebeurtenissen over een korte periode resulteert in een verhoogd risico op psychosomatische symptomen en psychiatrische stoornissen. Chronische stressoren maken een belangrijk deel uit van alle stress-situaties (Kessler, Price & Wortman, 1985). Het is deze chroniciteit waar homoseksuelen mee leven: de spanning van de oriëntatie steeds naar buiten te moeten brengen (of te moeten verbergen), potentiële risico’s voor de werkgelegenheid, verlies aan sociale status, het (soms ondraaglijke) verlies van de ‘alledaagsheid’ van het leven, de eeuwige rusteloosheid, …

            Dohrenwend en Dohrenwend (1973 [vermeld in Smith, 1985]) geven drie factoren die hun bijdrage leveren tot het algemene niveau van stress van het individu: stressor-stimuli, externe mediërende krachten en interne mediërende krachten.

 

1.2.1.3.1. Stressor-stimuli

Deze stimuli worden geconceptualiseerd als vooroordelen, vijandigheid en discriminatie die individuen ondervinden ten gevolge van hun minderheidsstatus.

Als gevolg daarvan zijn aliënatie en sociale isolatie veel voorkomend bij homoseksuelen (Davies, 1996c; Ratigan, 1996; Siegel & Walker, 1996). Hun minderheidsstatus verhindert dat ze zich ‘thuis’ voelen in de heteroseksuele maatschappij. Smith (1985) spreekt van een “sociaal niemandsland” (p.540): men voelt zich niet thuis in de dominante cultuur, maar men kan zich evenmin identificeren met de minderheidscultuur.

            Kanter (1977 [vermeld in Smith, 1985]) beschrijft hoe mensen met een minderheidsstatus geconceptualiseerd kunnen worden als tokens en mensen uit de dominante cultuur als dominants. ‘Token’ kan best vertaald worden als een teken of kenteken. De term werd o.a. geselecteerd omdat mensen met een minderheidsstatus frequent behandeld worden als symbolen en representaties van hun groep, eerder dan als individuen (Kanter, 1977 [vermeld in Smith, 1985]). Een analyse van een aantal karakteristieken van die tokens kan verduidelijken wat precies bedoeld wordt met ‘chronische stressoren’, die maakt dat homoseksuelen de afkeer en haat van anderen gaan internaliseren.

Overobservatie en zichtbaarheid. De relatieve zeldzaamheid van leden van een minderheidsgroep heeft een grotere zichtbaarheid tot gevolg, wat op zijn beurt verscheidene sociale implicaties tot gevolg heeft.

“Whatever they [tokens] do among members of the dominant group becomes, in a sense, a type of public performance. Even when tokens make efforts to go unnoticed they suffer from ‘overobservation’ … Their behavior may be viewed as predictive of what every other member of their … category will do.” (Smith, 1985, p. 543; eigen cursivering)

Twee reacties kunnen voorkomen, namelijk de overprestatie-respons en onzichtbaarheid. De overprestatie-respons heeft als doel dat het individu erkend wordt omwille van zijn prestatie en niet omwille van zijn “token’s mastery respons” (Smith, 1985, p. 543); tokens kunnen ook trachten onzichtbaarheid te verwerven. Beide responsen verhogen het angstniveau van het individu.

 

1.2.1.3.2. Externe mediërende krachten

Chronische stressoren op zich zijn echter niet voldoende om tot fysische en psychische symptomen te leiden, en ook niet tot geïnternaliseerde homofobie. Immers, in dezelfde omstandigheden zullen sommigen geïnternaliseerde homofobie ontwikkelen en anderen niet.

            Een belangrijke factor om symptomen of stoornissen te ontwikkelen, is een gebrek aan sociale steun (Smith, 1985). In de reeds aangehaalde studie van Ross en Rosser (1996; p. 18) vermeldden de onderzoekers dat geïnternaliseerde homofobie negatief gecorreleerd was met de proportie van zijn tijd die men besteedt aan sociale omgang met holebi’s. Cass (1996) heeft een interessant model voor identiteitsontwikkeling voorgesteld (zie verder in Hoofdstuk 2). Zij stelt dat een netwerk van sociale steun absoluut noodzakelijk is om tot een volgroeide identiteit als homoseksueel te komen.

“The quality of social contacts made with others is a vital factor in the development of this understanding [‘I am a homosexual’]. Positive social interchanges provide further evidence of the benefits of accounting for self as lesbian or gay, while negative ones are indicative of the high costs that may accompany such an identity.” (Cass, 1996, p. 240; cursivering van de auteur)

            Afhankelijk van de fase van ontwikkeling waarin men verkeert, is de steun van heteroseksuelen (ouders, familie, schoolvrienden, …) of homoseksuelen belangrijker (Cass, 1996).

            Andere externe factoren die potentieel een rol kunnen spelen bij het tot ontwikkeling komen van geïnternaliseerde homofobie, zijn: alcohol- en drugmisbruik (McKirnan & Peterson, 1989; Stall & Wiley, 1988 [beiden vermeld in Kowszun & Malley, 1996]), geweld omwille van de oriëntatie (Herek & Berrill, 1992), seksueel kindermisbruik (Klinger & Stein, 1996), religieuze en spirituele conflicten (Lynch, 1996), …

 

 

1.2.1.3.3. Interne mediërende krachten

Persoonlijkheidsfactoren kunnen ook het antwoord van het individu op stressvolle gebeurtenissen mee beïnvloeden. Er kunnen interindividuele verschillen zijn in o.a. psychologische verdedigingsmechanismen, copingvaardigheden en persoonlijke predisposities (Smith, 1985).

            De ‘locus of control’[20] kan een significante factor zijn in het ontstaan van geïnternaliseerde homofobie (Smith, 1985). Volgens Gurin en Epps (1975 [vermeld in Smith, 1985]) is een externe locus voordeliger voor mensen met een minderheidsstatus. Een extern referentiepunt beschermt het individu tegen internalisering van (in casu) heteroseksisme. Het individu erkent dat hem grenzen worden opgelegd door de dominante cultuur, maar hij acht zich niet verantwoordelijk voor het niet bereiken van zijn doelen.

            Een recente studie (Allen & Oleson, 1999) toont een associatie aan tussen geïnternaliseerde homofobie en schaamte, terwijl het ook geassocieerd is met de variabelen ‘perversie’, ‘verwijfdheid’, ‘zwakheid’, ‘ziekelijkheid’, ‘passivitieit’, ‘engagement in anale seks’ en ‘smerigheid’. Bovendien zijn al deze variabelen (behalve ‘smerigheid’) gecorreleerd met schaamte, wat suggereert dat schaamte een centrale pathogenetische factor is bij geïnternaliseerde homofobie (Allen & Oleson, 1999).

 

1.2.2. Geestelijke gezondheid van de totale homoseksuele populatie

 

Het voorgaande kan bij de lezer verkeerdelijk de indruk wekken dat heteroseksisme automatisch tot geïnternaliseerde homofobie (en aanverwante symptomen en stoornissen) leidt bij homoseksuele individuen. De eerste richtlijn wat betreft counseling aan holebi’s van de American Psychological Association (2000) luidt dat “psychologists understand that homosexuality and bisexuality are not indicative of mental illness”. Homoseksualiteit op zich is niet onverenigbaar met psychologisch welbehagen. Coyle (1993) stelt in deze context:

“… although the group of gay men under study could be said on some counts to have exhibited a lower level of psychological well-being than the single and married men …, this does not necessarily mean that a low level of psychological well-being is an intrinsic characteristic of gay men. Instead, this may be attributed to the psychological burden imposed upon gay men by their having to construct a sexual identity against backdrop of negative social representations of homosexuals and homosexuality and possibly with limited support from non-gay significant others in their social world.” (p. 219; eigen cursivering)

Ook Ross (1990) en Savin-Williams (1994) schrijven de gevonden verschillen in psychisch functioneren toe aan de effecten van de chronische stress ten gevolge van de stigmatisatie door de dominante cultuur.

 

De drie grote APA’s beschouwen homoseksualiteit als een normale variant van heteroseksualiteit. De American Psychological Association zegt dat het geen mentale ziekte is (1998). De American Psychiatric Association heeft dit nog niet geëxpliciteerd (2000), maar roept op “to do all that is possible to decrease the stigma related to homosexuality wherever and whenever it may occur” en “be it resolved that the American Psychiatric Association deplores all public and private discrimination against homosexuals in such areas as employment, housing, public accommodation, and licensing” (2000). Tenslotte zegt de American Psychoanalytic Association (2000) dat “same-gender sexual orientation cannot be assumed to represent a deficit in personality development or the expression of psychopathology”.

 

Ondanks dit gedeelde positieve standpunt rapporteren vele clinici dat ze minder competent en minder goed voorbereid zijn om te werken met homoseksuele cliënten (Allison, Crawford, Echemendia, Robinson & Knepp, 1994; Graham, Rawlings, Halpern & Hermes, 1984; Phillips & Fischer, 1998). Het hoeft dan ook niet te verbazen dat, gegeven de inadequate training, een heteroseksistische foutenmarge in psychotherapie niet ongewoon is (Casas, Brady & Ponterotto, 1983; Garnets, Hancock, Cochran, Goodchilds & Peplau, 1991; Glenn & Russell, 1986 [vermeld in Phillips, 2000]). Vanzelfsprekend kom ik hier uitgebreid op terug in Hoofdstuk 3.

 

 

Besluit

 

In dit eerste hoofdstuk werd de aandacht gericht op het fenomeen van heteroseksisme. Net zoals racisme en seksisme is het een ideologisch systeem dat diepe wortels heeft in onze westerse maatschappij, zo diep dat we er ons amper van bewust zijn. Vele mensen zeggen met klem niets tegen holebi’s te hebben (net zoals ze evenmin racistisch en seksistisch zijn), tot op het ogenblik dat ze aan (anale) seksuele contacten tussen mannen denken of een standpunt moeten innemen over adoptie van kinderen door homoparen. We zijn ook zo gewoon om te denken in termen van een heteroseksuele leefwereld, dat we vaak niet opmerken dát we discrimineren: enkel vrouwen zijn welkom wanneer een mannelijke stripper optreedt, in familiekring wordt gevraagd naar ‘de vriendin’ van een homojongen die zijn seksuele oriëntatie nog niet onthuld heeft, de leraar verbetert strenger het opstel van de jongen van wie hij weet dat hij homo is,… De holebibeweging doet verwoede pogingen om bevooroordeelde en discriminerende praktijken uit de wereld te helpen en om acceptatie te bekomen van de dominante heterocultuur, maar het is nog maar de vraag of dat mogelijk is. 

Geïnternaliseerde homofobie werd beschouwd als een mechanisme waarbij via socialisatieprocessen (delen van) de heteroseksistische cultuur geïntrojecteerd word(t)(en) bij de holebi. Theoretisch kan gesteld worden dat in principe iedere holebi onderhevig is aan dit introjectieproces, maar sommigen zullen meer internaliseren (wellicht door levens-omstandigheden, genetisch materiaal, persoonlijkheidsstructuur, copingmechanismen,… die interindividueel verschillen). In dit hoofdstuk stond de stelling centraal dat homoseksualiteit an sich niet pathologisch is, maar dat een frequentere verstoring van de geestelijke gezondheid van holebi’s een resultante is van een historisch gegroeide maatschappelijke context. “Nicht der Homosexuelle ist pervers, sondern die Situation, in der er lebt,” stelt Wiesendanger (1999, p. 19) in andere woorden. Eigenlijk kan dus gesteld worden dat het mechanisme van geïnternaliseerde homofobie een alternatief verklaringsprincipe biedt voor het feit dat holebi’s meer psychiatrische pathologie vertonen. In Hoofdstuk 3, dat handelt over psychotherapie met homoseksuele mannen, zal de lezer zien dat dit verklaringsprincipe dikwijls gehanteerd wordt door de stroming die zich bevestigend naar homoseksuele cliënten opstelt.

 

 

HOOFDSTUK  2  :  COMING OUT

 

“I want the world to know / I got to let it show / there’s a new me coming out / the time has come for me / to break out of the shell / I have to shout / that I’m coming out / I’m coming out / I want the world to know / got to let it show / I’m coming out” (Diana Ross, I’m coming out)

 

Volgens D’Augelli (1996) representeert zelferkenning het begin van het proces van identiteitsexploratie -en consolidatie. Meer formeel kan ‘coming out’ gedefinieerd[21] worden als volgt:

“… [coming out] refers to a complicated developmental process which involves, at a psychological level, a person’s awareness and acknowledgement of homosexual thoughts and feelings.” (Cohen & Stein, 1986, p. 32)

            Voor sommige personen zal dit ontwikkelingsproces dan uiteindelijk leiden tot publieke identificatie als homoseksueel. Dit wordt aangeduid met de specifieke term ‘disclosure’, wat vertaald kan worden als ‘zelfonthulling’. Savin-Williams (1996) merkt op dat de distinctie tussen coming out (wat dus eigenlijk een proces van individuatie is, waarbij het individu tot de conclusie komt dat hij homoseksueel is) en zelfonthulling niet op zand gebouwd is. De mogelijkheid bestaat immers dat iemand met zijn seksuele oriëntatie niet naar buiten treedt, maar het wel aan zichzelf toegeeft, of vice versa (Savin-Williams, 1996). Eerder dan een lineaire, chronologische opeenvolging, moet de relatie tussen de twee fenomenen gezien worden als een dialectische wisselwerking (Davies, 1992 [vermeld in Savin-Williams, 1996]): zelfonthulling naar anderen toe herdefinieert constant de notie die men heeft over zichzelf en de ontwikkeling van de seksuele identiteit bevordert het proces van zelfonthulling.

 

 

2.1. Identiteitsontwikkeling

 

2.1.1. Essentialisme versus sociaal constructionisme

 

Het sociaal constructionisme zegt dat mensen hun ‘weten’ over de wereld omzetten in woorden en acties – niet op basis van inherente categorieën of objectieve informatie (Peeters, 1990), maar wel gesteund op wat zij ontwikkelen in gedeelde activiteiten, zoals verbale communicatie (Gergen, 1985). Wat mensen realiteit noemen, is een overeengekomen wereldbeeld dat tot stand is gekomen via sociale interactie (Foucault, 1976/1981; Gergen, 1985). Daarbij hebben auteurs, met recht, de nadruk gelegd op de taal. Taal is geen neutraal systeem van symbolen dat iets tot uitdrukking brengt dat onafhankelijk bestaat van de taal (Sampson, 1998). Integendeel, het is een systeem waardoor de werkelijkheid op een actieve en collectieve manier wordt geconstrueerd: conversaties zíjn de fundamentele menselijke realiteit.

Het essentialisme kent een klassieke en moderne variant (DeLamater & Hyde, 1998). Het klassiek essentialisme claimt het bestaan van een objectieve werkelijkheid met een onderliggende ware vorm die door iedereen op dezelfde wijze kan waargenomen worden (Stein, 1990b [vermeld in Broido, 2000]); inherente eigenschappen kleven van nature aan de werkelijkheidservaring. Bovendien is die ware vorm constant over de tijd (DeLamater & Hyde, 1998). De moderne variant heeft het geloof dat bepaalde fenomenen natuurlijk, onvermijdelijk en biologisch gedetermineerd zijn – wat zich toont in de recente heropleving van de sociobiologie, evolutionaire psychologie en het genetisch-, hersen- en endocrinologisch onderzoek (DeLamater & Hyde, 1998).

 

Seksuele oriëntatie, aldus het essentialisme, (a) is de expressie van een innerlijke natuur van de persoon die gedetermineerd wordt vanaf de geboorte of de eerste twee of drie levensjaren en (b) verandert zelden doorheen het leven (Stein, 1996b). Essentialisten denken dat categorieën van seksuele oriëntatie (zoals ‘homoseksueel’) geschikte categorieën zijn voor individuen (Stein, 1990b). Wat iemand op seksueel gebied doet (d.i. het onmiddellijk observeerbare gedeelte van de seksuele oriëntatie), wordt gezien als een zeer valide predictor voor wie iemand is. Daarbij wordt het geslacht van de partner als een belangrijk organisatieprincipe aanzien voor de seksuele identiteit, maar dit berust vaak op de ongegronde veronderstelling dat seksualiteit op de voortplanting gericht is (Broido, 2000). Sociaal constructionisten zijn van mening dat er geen fundamentele, consistente betekenis of organisatie van de seksualiteit doorheen culturen bestaat (Broido, 2000). Sociale rollen (waaronder ook de seksuele) en hun bijbehorende psychologische identiteiten zijn niet gegeven door de natuur, maar zijn menselijke creaties die tot ontwikkeling zijn gekomen door intermenselijke ‘discussie’ over bepaalde observeerbare fenomenen (Herek, 1986). De identiteiten waartussen mensen kunnen kiezen, zijn gedetermineerd door de keuzes die beschikbaar zijn in een bepaalde sociohistorische context (Broido, 2000). Lautmann (1992) stelt dan ook dat de centrale vraagstelling van het constructionisme niet is wat het seksueel verlangen nu precies is, maar wel hoe het beïnvloed wordt door allerlei historische en sociale factoren.

Vele mensen ervaren hun seksuele oriëntatie als centraal voor hun identiteit en als een stabiel fenomeen (Epstein, 1987; Rhoads, 1995; Richardson, 1993 [allen vermeld in Broido, 2000]). Dat uit zich in het feit dat vele mensen, vooral in een therapeutische situatie, in het reine willen komen met hun identiteit en hun ‘ware natuur’ willen leren kennen[22]. De meeste leken hebben dus een sterk essentialistische visie op hun (seksuele) identiteit, maar misschien moet er toch een vraagteken geplaatst worden bij het statuut van de seksuele oriëntatie. Meijer (1993) heeft de overtuiging dat levenslange, exclusieve homoseksualiteit meer een statement is over de cultuur waarin het voorkomt dan over de ‘essentie’ van homoseksualiteit. Tot dat besluit komt hij na drie casestudies, waarbij voorheen heteroseksuele mannen een relatie aangingen met een (homoseksuele) man. Na verloop van tijd vertoonden de heteroseksuele mannen een verhoogd erotisch verlangen voor hun nieuwe partner (Meijer, 1993). Hoewel het hier gaat om een zeer beperkt proefopzet (met n=3), is onze seksuele identiteit wellicht niet zo vast als over het algemeen wordt gedacht. Dit betekent echter niet dat we onze seksuele identiteit zomaar kunnen veranderen zoals we een ander paar schoenen aantrekken. Vance (1989 [vermeld in Stein, 1996b]) suggereert dat die kritiek voortkomt uit een verwarring tussen individuele en culturele analyseniveaus in het sociaal constructionisme. Culturele krachten kunnen een individuele identiteit vormgeven, maar dit impliceert niet noodzakelijk dat een individuele (of groeps-) ervaring zomaar de individuele identiteit kan veranderen (Vance, 1989 [vermeld in Stein, 1996b]).

 

De literatuur over identiteitsontwikkeling bij homoseksuelen heeft altijd het proceskarakter van die ontwikkeling verwaarloosd (Reynolds & Hanjorgiris, 2000). Vroeger bestond de typische methode om tot een ontwikkelingsmodel te komen uit het opvragen van condities of gebeurtenissen die de onderzoekssubjecten belangrijk achtten voor het ‘verwerven’ van hun identiteit (Brady & Busse, 1994). Aangezien het essentialisme de seksuele oriëntatie beschouwt als een inherente, cross-culturele en transhistorische eigenschap van de mens, maakt zij gemakkelijk de assumptie dat de fasen in de ontwikkelingsmodellen beschouwd kunnen worden als universele feiten (Cass, 1996). Een auteur als Foucault (1976/1981) wijst echter die stelling van de hand door een historische beschrijving van homoseksualiteit te geven. Waar vóór de negentiende eeuw de homoseksuele man niet méér was dan een juridisch subject, werd vanaf dan zijn gedrag beschouwd als een fundamenteel aspect van zijn seksualiteit. Het sociaal constructionisme speelt daar op in door te zeggen dat (seksueel) gedrag (met inbegrip van gevoelens, gedachten en fantasieën) voortkomt uit de relatie tussen personen en de socioculturele omgeving (Cass, 1996).

De modellen over identiteitsontwikkeling zullen uiteraard moeten trachten rekening te houden met de kritiek uit constructionistische hoek, zoals ook clinici in de therapeutische praktijk. Hulpverleners moeten er zich van bewust zijn dat ze hun eigen culturele normen toepassen op mensen uit verschillende socioculturele contexten, dat ideeën over seksuele oriëntatie, identiteit en identiteitsontwikkeling kunnen wijzigen over de tijd heen en dat dit zelfs kan leiden tot gedragsveranderingen (Stein, 1996b).

 

2.1.2. Modellen van identiteitsontwikkeling

 

Onderzoek suggereert dat de leeftijd waarop men tot zelfidentificatie als homoseksueel komt de laatste 50 jaar sterk gedaald is (Remafedi, 1987; Troiden, 1989 [beiden vermeld in Boxer e.a., 1991]). Hoewel een fenomeen als homoseksuele mannen die hun hele leven lang heteroseksueel gehuwd blijven (zie bijvoorbeeld Nijs, 1997) niet miskend mag worden, besluiten vele onderzoekers dat in de adolescentieperiode de persoonlijke bewustwording van homoseksuele gevoelens, gedachten, fantasieën, en/of gedragingen meer en meer gekristalliseerd wordt[23] (Hershberger & D’Augelli, 2000). In de puberteit wordt het individu geconfronteerd met een ingewikkelde wisselwerking tussen ingrijpende biologische veranderingen en wijzigende omgevingsinvloeden (Savin-Williams, 1996). Hershberger en D’Augelli (2000) stellen dat de erotische aantrekking tot leden van hetzelfde geslacht niet alleen op verschillende manieren wordt ervaren en tot uiting gebracht naargelang de leeftijd, maar ook afhankelijk is van de fysische, cognitieve, emotionele en sociale ontwikkeling op een bepaald punt in iemand zijn levensgeschiedenis. Lichamelijk is er in de adolescentieperiode enerzijds een versnelde toename van lengte en gewicht en anderzijds grijpt de geslachtsrijping plaats met inbegrip van de eerste ejaculatie[24] (Marcoen, 1982/1997). Op psychosociaal vlak zal ook “… zijn naar de volwassen vorm tenderende gestalte en zijn bekwaamheid tot gevat redeneren … aan de volwassenen – ouders en leerkrachten – andere verwachtingen [ontlokken]. De sociale definitie verandert.” (Marcoen, 1982/1997, p. 264). Dit nieuw psychoseksueel universum ontwikkelt een atmosfeer waarin de puber aan zelfreflectie en -interpretatie kan doen.

Om tot een volwaardige identiteit te komen, moet de adolescent een synthese maken van zijn psychologische ontwikkeling en de richtlijnen van de maatschappij (Britannica CD 99 Multimedia Edition, 1999). Wie de aanzienlijke sociale druk van de maatschappij om zich te conformeren naast zich neerlegt, loopt het risico als abnormaal bestempeld te worden. Meer precies stellen Kimmel en Weiner (1985) dat stereotypen en “sexual scripts” (p. 369) frequent interfereren met de eigen seksuele gevoelens. Deze scripts, alomtegenwoordig in de directe sociale omgeving, omvatten vroegere ervaringen in gelijkaardige situaties, fantasieën en verwachtingen, verhalen van vrienden en uit de populaire media.

“First dates, a night at the prom, moonlit walks, parking on the way home all involve settings in which these conflicting stereotypes, scripts, and feelings are keenly experienced. This is especially true for adolescents whose sexual feelings are not easily integrated with social scripts and stereotypes.” (Kimmel & Weiner, 1985, p. 370)

Het is duidelijk dat een adolescent die zich aangetrokken voelt tot iemand van dezelfde sekse deze scripts en stereotypen als zeer pijnlijk en aliënerend zal ervaren (Kimmel & Weiner, 1985), aangezien zij voorgeschreven worden door een heteroseksistische cultuur die elke homo-erotische ervaring of insinuatie in het verdomhoekje plaatst. Een homoseksuele identiteit verwerven is dan ook geen eenvoudige opdracht:

“Deprived of convention, we gays and lesbians create our own road maps to navigate the obstacles and challenges placed before us by a hostile society. In doing so, without encouragement from role models and families, we repeatedly invent original solutions to life’s dilemmas. Becoming homosexual requires a good deal of unlearning of values, standards, and beliefs, and creativity is the currency for that survival.” (Siegel & Walker, 1996, p. 43; eigen cursivering)

Maylon (1982) wijst erop dat problemen met de geestelijke gezondheid bij homoseksuelen geen bevestiging zijn voor het pathologiemodel van homoseksualiteit, maar wel is het een indicatie dat sociale variabelen een significante invloed uitoefenen op de identiteitsontwikkeling van homoseksuelen.

 

Volgens Troiden (1989 [vermeld in Ryan & Futterman, 1998]) hebben bijna alle modellen van identiteitsontwikkeling bij homoseksuelen gemeen dat ze (a) de impact van stigmatisering erkennen, die zowel de ontwikkeling als de expressie van de homoseksuele identiteit beïnvloedt, (b) zich uitstrekken over een bepaalde tijdsperiode, (c) een stijgende acceptatie van de homoseksuele identiteit impliceren en (d) zelfonthulling naar niet-homoseksuele personen impliceren. Deze modellen zijn geëvolueerd van modellen die trachten te verstaan waarom iemand homoseksueel wordt naar modellen die trachten te begrijpen hoe iemand toch een positieve homoseksuele identiteit kan ontwikkelen, ondanks de heteroseksistische cultuur (Reynolds & Hanjorgiris, 2000). Mijns inziens is dit een meer vruchtbare benadering voor het hulpverleningsperspectief, omdat het laat inzien welke obstakels homoseksuelen moeten overwinnen om een positieve identiteit uit te kunnen bouwen.

Veelal echter zijn dergelijke modellen tot stand gekomen uitsluitend op basis van klinische observatie, zodat ze enkel het statuut van een heuristisch construct kunnen aannemen (Maylon, 1982). Een andere kritiek luidt dat deze modellen gezien worden als een “linear progressive continuum” (Davies, 1996c, p. 67). Mensen gaan niet simpelweg sequentieel van de ene naar de andere fase; er kan simultaan gewerkt worden aan de ontwikkelingstaken van verschillende fasen (Davies, 1996c). Homoseksuelen rapporteren dat het coming out-proces geen reeks van discrete fasen is waarin telkens een verschuiving in gestalt optreedt (Savin-Williams, 1996). Ook wordt het eindpunt van de identiteitsontwikkeling gezien als een volledig geïntegreerde seksuele identiteit in de ganse persoonlijkheid, maar dit mag niet noodzakelijk impliceren dat deze identiteit vastligt (Reynolds & Hanjorgiris, 2000).

Richardson (1993 [vermeld in Broido, 2000]) stelt dan ook dat het belangrijker is de beleving van de cliënt te exploreren, dan hem in een model te willen laten passen waarvan de uitgangspunten hoogst twijfelachtig zijn. Desalniettemin ligt de sterkte van deze ontwikkelingsmodellen in het feit dat ze veel voorkomende ervaringen in de ontwikkeling van een gestigmatiseerde identiteit trachten te voorspellen, articuleren en normaliseren[25] (McCarn & Fassinger, 1996). Aan het model van Cass (1996) besteed ik relatief veel aandacht omdat het, naast de ideale ontwikkeling, eveneens beschrijft hoe de homoseksuele identiteitsvinding kan vastlopen.

 

2.1.2.1. Het model van Cass (1996)[26]

 

Dit model is op de eerste plaats een interactionistisch model (Cass, 1996). Het gaat uit van twee belangrijke assumpties: (a) de seksuele identiteit wordt verworven doorheen een ontwikkelingsproces en (b) stabiliteit en verandering van het gedrag (met inbegrip van gevoelens, gedachten en fantasieën) is een resultante van de interactie tussen het zelf en de maatschappij (Davies, 1996c).

            Elke fase brengt enkele veranderingen met zich mee, waarvan de voornaamste zijn (Cass, 1996):

een frequenter gebruik van het concept ‘homo(seksueel)’ om naar zichzelf te verwijzen

het gebruik van de term ‘homoseksueel’ om zichzelf te expliciteren doorheen een toenemend aantal interpersoonlijke contacten

de ontwikkeling van toenemende positieve gevoelens over de homoseksuele oriëntatie

de sterker wordende overtuiging dat men behoort tot de holebigemeenschap als een sociale groep en een toename van intieme sociale contacten met andere holebi’s

de geleidelijke aanvaarding van positieve waarden betreffende homoseksuelen als een sociale groep

een toenemende onafhankelijkheid t.o.v. heteroseksuele waarden

een graduele verschuiving van het gebruik van het concept ‘homo(seksueel)’ van een manier om zichzelf te benoemen naar een beschrijving van een “inner belief in self” (Cass, 1996, p. 232).

 

2.1.2.1.1. Fase 1: Verwarring

Het individu observeert dat er iets in zijn gevoelens, gedachten, fantasieën, en/of gedragingen aanwezig is dat als homoseksueel beschouwd kan worden. De adolescent is typisch gepreoccupeerd met een behoefte aan erkenning door zijn ‘peer’-groep (Maylon, 1982), waardoor hij gefixeerd is op verschillen  tussen zichzelf en die groep. Men heeft vage, maar onderscheiden gevoelens van ‘anders’ te zijn (Newman & Muzzonigro, 1993). Wanneer deze observatie een sterke impact heeft of wanneer de homoseksuele interpretatie persisteert, wordt het zelf in vraag gesteld.

            Figuur 1[27] laat zien welke ‘paden’ in deze fase gevolgd kunnen worden. Het individu kan tot de conclusie komen dat de gestelde interpretatie geen relevantie heeft (aangeduid met de term ‘foreclosure’) of het individu kan aannemen dat ‘homo(seksueel)’ een accurate beschrijving is van zijn interpretatie. Bij de laatste mogelijkheid heeft men drie paden: (a) de interpretatie is wenselijk (men gaat copingstrategieën aanwenden om de negatieve betekenis van de interpretatie te neutraliseren), (b) de interpretatie is onwenselijk, maar men ziet ze als correct (men gaat strategieën aanwenden om de gevoelens, gedachten, fantasieën, en/of gedragingen stop te zetten) of (c) de interpretatie is onwenselijk en men ziet ze als incorrect (men gaat strategieën aanwenden om de gevoelens, gedachten, fantasieën, en/of gedragingen te herdefiniëren).

 

 

 

2.1.2.1.2. Fase 2: Vergelijking

De individuen die in fase 1 niet aan foreclosure hebben gedaan, beginnen de implicaties van deze potentiële identiteit in overweging te nemen. Men voelt duidelijk dat men potentieel zal gaan behoren tot een minderheidsgroep die negatief gewaardeerd wordt door de dominante cultuur, waardoor gevoelens van eenzaamheid en aliënatie de kop kunnen opsteken (Davies, 1996c; Ratigan, 1996; Siegel & Walker, 1996). Volgens Maylon (1982) is de adolescentieperiode een voedingsbodem voor geïnternaliseerde homofobie, omdat processen van identificatie en introjectie karakteriserend zijn voor dit ontwikkelingsstadium.

            Uit fase 1 zijn twee groepen individuen voortgekomen: diegenen die positief en diegenen die negatief opgesteld staan jegens een zelfbeeld als homoseksueel. Elke groep kan twee paden volgen (Figuur 2): (a) waargenomen hoge beloning en lage kost (strategieën worden aangewend om heteroseksuelen te devalueren en holebi’s op te waarderen) of (b) waargenomen lage beloning en hoge kost (men gaat strategieën aanwenden om de gevoelens, gedachten, fantasieën, en/of gedragingen te inhiberen).

 

2.1.2.1.3. Fase 3: Tolerantie

De focus ligt niet meer op de zoektocht van het individu naar wie hij is, maar wel op sociale, seksuele en emotionele noden die voortkomen uit het zichzelf zien als ‘waarschijnlijk homoseksueel’. Hij tracht deze noden te vervullen door o.a. overwogen zelfonthulling tegenover een beperkt aantal anderen. Kenmerkend voor deze fase echter is dat de interacties met heteroseksuelen verlopen vanuit het scherpe besef dat er een sterk verschil is tussen het zelf, als waarschijnlijk lid van een door de maatschappij negatief geëvalueerde minderheidsgroep, en leden van de heteroseksuele meerderheid met wie ze interageren. Dit is ook de periode dat het individu met andere holebi’s contact zoekt.