Devotie aan de grens. Bedevaartsplaatsen in de dekenij Hoogstraten in de 17e en 18e eeuw. (Anne De Roeck)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

3. Inventarisatie van de bedevaartsplaatsen

 

 

A. Beerse: Sint-Cornelius

 

In de Sint-Corneliuskapel, een beetje buiten het dorp van Beerse gelegen, werd de heilige Cornelius vereerd. Hij leefde in de derde eeuw en werd in 251 benoemd tot paus, bijgevolg werd hij ook steeds afgebeeld in pauselijke ornaat. Vanaf de veertiende eeuw werd hij ook vaak afgebeeld met een drinkhoorn. Hij was een veeheilige[161] en werd ook aanbeden tegen de pest, stuipen en kinkhoest[162]. In Beerse werd hij vooral vereerd tegen de stuipen, jicht en vallende ziekte. Een overvloed aan bronnen is er niet maar er is toch voldoende materiaal om een schets te geven van deze bedevaartsplaats. Wat de archiefbronnen betreft zijn vooral de rekeningen[163] belangrijk. Onrechtstreeks geven die informatie over de bloei en neergang van de kapel. In de literatuur moeten vooral de werken van Karel Van Nyen gesignaleerd worden. In zijn werk over de Sint-Corneliusverering in Vlaanderen[164] gaat hij zeer uitgebreid in op de devotie te Beerse en geeft hij ook heel wat algemene informatie over Sint-Cornelius. Belangrijk is ook de licentiaatsverhandeling van Marleen Verdegem over de Corneliusbedevaart in Machelen (Oost-Vlaanderen). Verder zijn er nog enkele kleinere artikels die we in de loop van de bespreking zullen aanhalen.

 

a. Ontstaanslegende

 

Aan de oorsprong van de Sint-Corneliusverering te Beerse ligt een wonderverhaal[165]. Een soldaat vond op de plek waar later de kapel kwam te staan, een beeldje van Sint-Cornelius en nam het mee in zijn reistas. De volgende dag was het beeldje echter verdwenen. Enige tijd later kwam dezelfde soldaat weer door Beerse en vond het beeldje op dezelfde plaats. Opnieuw nam hij het beeldje mee en herhaalde zich hetzelfde wonder. Hij vertelde deze wonderbaarlijke gebeurtenis voort en men zag er het teken in dat Sint-Cornelius zelf, de plek te Beerse had uitgekozen om er vereerd te worden. Bijgevolg werd er een kapelletje gebouwd op de plek waar het beeldje gevonden was. Het werd het voorwerp van een verering die alsmaar aangroeide. Wanneer de start van de verering werkelijk gesitueerd mag worden, is niet geheel duidelijk. Het oudste gegeven over de kapel is dat op 18 januari 1474, Quinten Ravens, pastoor van Beerse en Vosselaar, 5 gouden peeters aan de kerk van Beerse schonk en 5 aan de kapel van Sint-Cornelius[166]. Goetschalckx stelde dat de kapel niet veel ouder kan zijn omdat in de aflaten die in 1350 en 1413 voor de devotie tot een aantal heiligen te Beerse werden verleend, Sint-Cornelius niet was opgenomen[167]. Van Nyen ging hier niet mee akkoord aangezien de kapelanij van Sint-Johannes-Evangelist die reeds van 1347 bestond ook niet in de aflaatbrieven was opgenomen[168]. Hij gaat ervan uit dat deze devotie eerder langzaam was gegroeid en pas na verloop van tijd een neerslag vond in de bronnen.

            Uit het werk van Marleen Verdegem blijkt dat de devotie tot Sint-Cornelius in een breder kader gezien dient te worden[169]. De Corneliusverering startte in de abdij van Kornelimünster in Duitsland in de tiende eeuw met de overbrenging van zijn relikwieën. In de elfde eeuw werd het een belangrijk cultuscentrum van waar uit de devotie zich verspreidde. De abdij bezat heel wat gebied in Vlaanderen, onder meer in Diegem, Kontich en Ronse. In de twaalfde eeuw werden een aantal relikwieën van de abdij overgebracht naar Ninove en Ronse. Vanuit deze plaatsen verspreide de Corneliusverering zich over heel de Zuidelijke Nederlanden. We vermoeden dat het ontstaan van de bedevaart tot Sint-Cornelius in Beerse in de context van deze verspreidingsbeweging gezien moet worden.

 

b. Historisch overzicht

 

In de literatuur, in het bijzonder bij Van Nyen, wordt zeer sterk de nadruk gelegd op de nefaste invloed van de Opstand[170] op de Sint-Corneliuskapel. Voor de andere bedevaartsoorden vonden we daar praktisch geen informatie over. Heeft Beerse sterker geleden dan de andere gemeenten in de Kempen? We zullen van de gelegenheid gebruik maken om de impact van de ontreddering zo duidelijk mogelijk te schetsen. Vermoedelijk verschilde de toestand te Beerse niet erg van die in de andere dorpen en kunnen we één en ander als exemplarisch beschouwen.

De oudste rekening van 1571 en 1572 bevat het opschrift “na leijden compt verbleijden”[171]. Na een periode van onrust, bereidde men zich voor op betere tijden. In deze rekening staan verschillende posten met betrekking tot herstellingen aan de kapel. Uit die rekening blijkt ook dat men de kapel verrijkte met een muurschilderij van het Laatste Oordeel en met een triptiek ter ere van Sint-Cornelius[172]. Het linkerpaneel toont de geseling van Sint-Cornelius en het rechtse paneel geeft zijn marteldood weer. In het midden wordt de kroning tot paus verbeeld.

Al gauw begon de onrust ten gevolge van de godsdiensttwisten opnieuw. Van 1581 tot 1591[173] waren er geen kapelrekeningen meer en rond die tijd werden ook de diensten en de verering in de kapel stopgezet. In 1618 werd bovendien de offerblok gestolen[174]. Rond 1625 had men te kampen met de pest. Na die moeilijke periode bleef het gedurende een langere tijd min of meer rustig zodat de Sint-Corneliusverering weer kon groeien. Dit blijkt onder andere uit de rekening voor de jaren 1631, 1632 en 1633[175], waarin heel wat posten staan voor reparaties aan de kapel. De kapel werd in de tweede helft van de zeventiende eeuw ook vergroot. In welk jaar die vergroting precies gebeurde, is onduidelijk. Vaak situeert men ze in 1660. Van Nyen plaatst ze eerder rond 1632 of 1634[176]. Op geen enkele andere plaats in de rekeningen van de zeventiende eeuw vond Van Nyen enig teken van een vergroting.

De kapel werd in de loop van de zeventiende eeuw ook verder verfraaid[177]. In 1662 zou een nieuw beeld van Sint-Cornelius zijn besteld door Ambrosius Van Eyck, de toenmalige pastoor; ook werd er een relikwiekast besteld en een ander verguld beeld van Sint-Cornelius. In 1672 werd de kapel gerenoveerd voor een bedrag van tweehonderd gulden en in 1685 werd ze volledig bekleed met kostbaar goudleder[178]. In 1682 zou ze ook bepleisterd zijn met stucwerk. Uit al deze uitgaven en verfraaiingen, die Van Nyen op het spoor kwam door de kapelrekeningen systematisch door te nemen, besluit hij het volgende; “Rond het einde der XVIIe eeuw gaat de kapel het toppunt van haren roem en van haren weelde bereiken”[179] . Deze stelling lijkt te kloppen wanneer we aan de hand van de offeranden de toeloop proberen te meten. In tabel 1 geven we de ontvangst van het offer op de derde paasdag[180] voor een aantal jaar weer[181]. De totale ontvangst voor 1644 en 1645[182] bedroeg 293 gulden en die voor 1697[183] 250 gulden. Uit deze cijfers kan men duidelijk een toename van het geofferde geld opmaken. Een volledige vergelijking voor alle jaartallen is echter onmogelijk omdat er regelmatig rekeningen ontbreken en de ontvangsten niet homogeen werden weergegeven.

 

Tabel 1: Offeranden derde paasdag 1629-1700

Jaartallen

Offergelden

1629

16 gulden

1699

64 gulden 3 stuivers

1700

67 gulden 15 stuivers

 

Na de groei gedurende de tweede helft van de zeventiende eeuw kwamen er nieuwe moeilijkheden in het jaar 1703[184]. Ten gevolge van de Spaanse successie-oorlog vielen onder andere de Pruisen, Hollanders en Fransen de Kempen binnen. Beerse zou grotendeels verwoest zijn geweest en ook de kapel had sterk te lijden. Ze slaagde er echter snel in haar activiteiten te hernemen. Volgens de visitatie van 1743[185] was er jaarlijks een grote opkomst naar de Sint-Corneliuskapel. De opbrengst van het offer, dat grotendeels aan de jaarlijkse bedevaart was te danken, werd echter tegen de wil van de kapelmeesters gebruikt in de parochiekerk van Beerse. Als gevolg daarvan bleef er bijna niets meer over voor de kapel, zodanig dat de nodige herstellingen aan het lijnwaad voor de eredienst en het altaar niet konden gebeuren. In het dekenale visitatieverslag van 1757[186] wordt de kapel van Sint-Cornelius omschreven als “schitterend”. In datzelfde jaar was er, volgens het visitatieverslag, dan toch een nieuw altaar geplaatst. Op de derde paasdag 1745 was de opbrengst uit de verkoop van geofferde hoenders en kippen reeds opgelopen tot 77 gulden en 6 stuivers[187]. In 1742 verleende paus Innocentius XIII een volle aflaat aan al wie op de feestdag van Sint-Cornelius de kapel bezocht[188]. Tot aan de Franse revolutie was er geen sprake meer van grote problemen.

 

c. Gebruiken

 

Er waren jaarlijks twee belangrijke dagen voor de Sint-Corneliuskapel, de feestdag van Sint- Cornelius op 16 september en de derde paasdag. Op die laatste dag werd de verheffing van de relikwieën herdacht. In welk jaar de relikwieën naar de Sint-Corneliuskapel werden gebracht is niet bekend. Uit de offergaven blijkt dat de derde paasdag in ieder geval belangrijker was dan de eigenlijke feestdag van Sint-Cornelius. Op de derde paasdag werd namelijk systematisch meer geofferd. De opbrengst uit de verkoop van geofferde kippen op de derde paasdag in 1747[189] bedroeg 62 gulden en 4 vier stuivers, op Sint-Corneliusdag van datzelfde jaar was het slechts 19 gulden en 12 stuivers. Het offeren van pluimvee lijkt typisch te zijn geweest voor de Corneliusverering. In Machelen werd dit ook massaal gedaan op de voornaamste feestdagen[190].

Vermoedelijk werd de devotie geconcentreerd op het beeldje en de relikwieën van Sint-Cornelius. Verder was er in de kapel ook een zeer kostbaar drieluik aanwezig[191], dat het leven en vooral de marteldood van Sint-Cornelius uitbeeldde. Op deze manier kon de gelovige zich het leven van Sint-Cornelius beter voorstellen. Er was ook nog een muurschildering over Sint-Cornelius. Beide dateren vermoedelijk uit de tweede helft van de zestiende eeuw, aangezien ze vermeld worden in de rekening van 1570[192]. We geven ze hier weer omdat we vermoeden dat ze samen met het beeldje en de relikwieën een belangrijk onderdeel vormden van de verering. Naar alle waarschijnlijkheid ging er op de derde paasdag ook een processie uit, aangezien dat bijna overal het geval was op de belangrijkste feestdag. Verder zullen de activiteiten niet veel hebben verschild van de andere bedevaartsoorden van Sint-Cornelius. Wellicht werden er missen gecelebreerd, gebeden en biecht gehoord. Van de handel in bedevaartvaantjes en andere devotionalia is geen spoor.

Het aantal bedevaarders is moeilijk te achterhalen. Op de derde paasdag was er wellicht een grotere toeloop dan op de feestdag van Sint-Cornelius aangezien de offers dan merkelijk meer bedroegen. Mogelijk was Sint-Corneliusdag eerder een plaatselijke aangelegenheid en kwam men op de derde Paasdag van verder. De offergelden zijn geen goede graadmeter voor het aantal bedevaarders aangezien ze niet homogeen zijn en er geen continuïteit is in het cijfermateriaal. Vaantjes kunnen ook niet helpen aangezien er geen waren. Het enige dat erop wijst dat de verering aanzienlijk was, is een passage van 1682 uit het schepenregister van Turnhout[193]. De bedevaarders naar Beerse zouden zo talrijk zijn geweest dat men ze niet allemaal kon herbergen.De plaatselijke bevolking moest zelfs aan vreemde mensen onderdak aanbieden. Bovendien zouden de bedevaarders de passanten op de handelsroute tussen Antwerpen en Keulen hinderen. Van Nyen stelde dat de toeloop extra groot was wegens een samenloop van devoties. In de parochiekerk werden volgens hem namelijk ook de relikwieën van Sint-Cornelius en Sint-Hubertus vereerd[194]. Over deze twee vereringen is ons echter niets meer bekend. Het is dus moeilijk uit te maken hoe groot ze waren en of ze in verband stonden met de devotie in de Sint-Corneliuskapel.

 

d. Waarde

 

We kunnen besluiten dat de verering tot Sint-Cornelius te Beerse relatief belangrijk was. De rijkelijke versiering van de kapel, onder andere met het drieluik en de muurschildering, wijst in elk geval op een bloeiende verering. We zagen bovendien dat er zoveel pelgrims kwamen, dat een herbergprobleem was. Een laatste aanwijzing voor het belang van de Sint-Corneliusbedevaart te Beerse is dat er twee feestdagen waren. Beide feestdagen worden regelmatig afzonderlijk vermeld in de rekeningen. Op de derde paasdag waren de offergelden merkelijk meer dan op Sint-Corneliusdag.

 

 

B. Brecht: Sint-Leonardus te Sint-Lenaarts

 

Reeds in de dertiende eeuw werd Sint-Leonardus vereerd in de Sint-Leonarduskapel te Sint Lenaarts bij Brecht. Sint-Leonardus was de patroonheilige van gevangenen en geesteszieken[195]. Hij werd voorgesteld als een abt met ketenen en met ossen en paarden aan zijn zijde. De geschiedenis en kenmerken van deze bedevaartsplaats kunnen redelijk goed gereconstrueerd worden. In de zestiende eeuw schreef een zekere Surius[196], uit de orde van de Kartuizers, een werk over het leven van Sint-Leonardus. In 1706 werd het naar het Nederlands vertaald en op de devotie te Sint-Lenaarts betrokken, onder de titel; ‘Het leven ende mirakelen van den H.Leonardus, wiens geprobeerde Reliquien berusten in de kerke ofte capelle van den zelve Heyligen onder de parochie van Brecht’[197]. Wellicht lag de nadruk hier echter meer op de figuur van de heilige en niet zozeer op de devotie te Sint-Lenaarts. Ph. Wabbes, gewezen pastoor te Sint Lenaarts heeft wel heel wat onderzoek gedaan naar de verering te Sint-Lenaarts[198]. Gezien zijn functie als pastoor, had hij er belang bij zijn parochie en de plaatselijke devotie zo aantrekkelijk mogelijk voor te stellen. Een kritische ingesteldheid is ten aanzien van zijn werk dus wel noodzakelijk. Goetschalckx[199] geeft ook redelijk wat informatie over de Sint-Leonarduskapel. Hij heeft zich vermoedelijk wel voor een stuk op Wabbes geïnspireerd. Deze auteurs kunnen echter aangevuld worden met her en der bijeen gesprokkelde informatie. Er is geen uitgebreide archiefdocumentatie. In het bisschoppelijk archief van Antwerpen zijn enkele gegevens te vinden in de dekenale visitatieverslagen, de ‘Acta Episcopatus’ en de parochialia. De rekeningen brachten niet veel op.

 

a. Ontstaan

 

Er ligt geen legende aan de oorsprong van deze verering; wel bestaan er een aantal gissingen rond het ontstaan. Zo vermoedt men dat de kapel terug gaat tot de periode van de kruistochten. Sint-Leonardus is immers de patroonheilige van de gevangenen[200]. Tijdens de kruistochten werden vele kruisvaders gevangen. Her en der werden er toen kapellen gebouwd ter ere van Sint-Leonardus, waar werd gebeden voor het heil van deze gevangenen. Zeker is in elk geval dat de kapel er al in 1226 was en dat ze toen al druk bezocht werd. Dit blijkt uit een document in verband met de aanstelling van een kapelaan, die ook koster was in Sint-Lenaarts[201]. De bisschop van Kamerijk, vond de kapel toen ook al geschikt om vele mensen te ontvangen. Meer weten we niet over de vroegste geschiedenis van de kapel.

 

b. Historisch overzicht

 

Een belangrijk document voor de geschiedenis van de kapel en de lokale verering, dateert uit 1422[202]. Het is een verslag van Jan van Kuyk, heer van Hoogstraten, over de stichting van twee beneficies in de Sint-Leonarduskapel. Het beneficie van Onze-Lieve-Vrouw en dat van Sint-Leonardus konden volgens Jan van Kuyk enkel maar gesticht worden met de giften van de inwoners. Zijn dankbaarheid hiervoor benadrukte hij reeds in de begroeting “…lof voor degenen van wie het al compt…”. Door die beneficies was de kapelaan verplicht om drie missen per week op te dragen, op maandag, woensdag en vrijdag. Een stuk uit 1694[203] omschrijft zeer duidelijk die verplichtingen van de kapelaan. Hij had niet alleen de zorg over de kapel maar moest ook regelmatig de pastoor van de parochiekerk te Brecht bijstaan, vooral op zon- en feestdagen. Ook bij het horen van de biecht en andere kerkelijke diensten moest hij helpen. Op zondag droeg de kapelaan de vroegmis op in de kapel en gaf hij onderricht in de catechismus. In ruil daarvoor mocht hij het huis met tuin bewonen dat bij de kapel hoorde, kreeg hij een deel van de tienden en 24 guldens uit het offer. Een gelijkaardig document uit 1740[204] vermeldt dat de kapelaan verplicht was er persoonlijk te resideren. Op zon-en feestdagen moest hij de mis celebreren, in de zomer om zes uur en de in de winter om zeven. Ook moest hij de catechismus onderwijzen of prediken en de pastoor assisteren indien dit nodig was. In ruil daarvoor kreeg deze kapelaan dezelfde gunsten als zijn voorgangers.

            Vermoedelijk kende de kapel in de vijftiende eeuw reeds een bloeiperiode. In 1426 werd ze namelijk door de bisschop van Kamerijk verplicht om 400 gouden kronen bij te dragen voor de bouw van de toren van de kerk van Brecht[205]. Om deze verplichte bijdrage te rechtvaardigen, stelde de bisschop dat de kapel rijk genoeg was om wat geld af te staan. Als de kapel echter plots veel schade zou lijden en grote kosten had, diende de kerk van Brecht haar wel bij te staan. Tot in de eerste helft van de zestiende eeuw moet de Sint-Lenaartskapel en haar devotie succesvol zijn gebleven. Tussen 1530 en 1550[206] werd ze namelijk vergroot. Dit gebeurde met giften van de inwoners van Brecht en met de offergelden van de pelgrims.

            Aan die gunstige situatie kwam echter een einde in het midden van de zestiende eeuw. In 1579 en 1583[207] woedde de pest, die ongetwijfeld een negatieve invloed moet hebben gehad op de toeloop. Nog rampzaliger was de oorlog die einde zestiende eeuw woedde in onze streken. Brecht werd in 1584 volledig verwoest[208]. Praktisch alle inwoners trokken weg en de Sint-Leonarduskapel werd een schuiloord. De toestand van verval duurde wellicht tot ver in de eerste helft van de zeventiende eeuw. In de dekenale visitatie van 1642 staat er bijvoorbeeld dat de kapel van Sint-Lenaarts gerestaureerd moest worden[209]. Tegen het einde van de zeventiende eeuw lijkt ze echter opnieuw gewoon te functioneren. In 1690 werd de kapel reeds omschreven als een mooi versierde kapel[210]. In 1693 was er wel een probleem. De kapelmeester klaagde dat het inkomen van de kapel, 124 gulden, te klein was[211]. De kapel was volgens hem weliswaar zeer mooi en oud, maar ook verwaarloosd. De boven reeds vermelde aanstelling van een kapelaan bood hier wellicht het antwoord op.

            In de achttiende eeuw waren er geen grote problemen meer en kende de Sint-Leonardusverering opnieuw een bloeiperiode. De dekenale visitatie van 1702[212] meldde dat de kapel frequent bezocht werd en die van 1728[213] dat ze zeer goed onderhouden werd. Het ultieme bewijs voor de groei en bloei van de kapel en haar verering is echter de vraag vanuit de inwoners van Sint-Lenaarts om de kapel te verheffen tot een zelfstandige parochiekerk op het einde van de achttiende eeuw[214]. Uiteindelijk werd dit pas rond 1830 toegestaan. De moederparochie Brecht had veel moeite om Sint-Lenaarts af te staan, aangezien de bedevaart tot Sint-Leonardus de moederparochie meer aanzien verschafte.

 

c. Gebruiken

 

Een belangrijk moment in de verering te Sint-Lenaarts was de jaarlijkse processie, op tweede Pinksterdag. Reeds in 1495 duikt deze processie voor de eerste maal in de bronnen op. Ze wordt samen met de processie tot Onze-Lieve-Vrouw vermeld in een gemeentekeure van dat jaar[215]. In die processie droeg men het beeld van Sint-Leonardus, het beeld van Onze-Lieve-Vrouw en de relikwiekast mee. Vermoedelijk was tweede Pinksterdag de feestdag van de Sint-Leonardusverering te Sint-Lenaarts. We hebben nergens een affiche of een document terug gevonden met de dagorde van de feestelijkheden. Enkel over de processie hebben we zekerheid. Vermoedelijk was het verloop van de dag gelijkaardig aan die van de meeste bedevaartsoorden: missen, predikaties, gelegenheid tot biechthoren, etc. Er zijn bijna geen sporen terug te vinden van de verkoop van devotionalia. Wel staat er in de rekening van 1797-1798 de volgende uitgavenpost; “Item betaelt tot supplement der somme voor boexkens van den H. Leonardus ten profijte der kerke…”[216]. Van de verkoop van bedevaartvaantjes of enige andere vorm van handel is echter geen spoor.

            Het was ook in Sint-Lenaarts de gewoonte dat de bedevaartgangers offerden en dit zowel in natura als in geld. Er is in de kapel nog steeds een offerblok uit het begin van de zestiende eeuw bewaard[217]. In 1777 merkte de toenmalige onderpastoor van Brecht op, dat er een “yser”[218] aanwezig was in de kapel. Dit ijzer kon gebruikt worden om een weegschaal aan op te hangen zodanig dat men zijn gewicht in koren kon offeren. Deze praktijk staat algemeen bekend als het ‘opwegen’[219]. Het werd vooral aangewend bij bedevaarten tegen de stuipen, vallende ziekte en zenuwkwalen. Dit gebruik was toen, volgens de onderpastoor, nagenoeg op geen enkele plaats nog in zwang. Of het toen in Sint-Lenaarts nog in gebruik was, zegt hij niet. Naast offergaven in koren vinden we in de rekeningen regelmatig offers in boter terug[220]. Aangezien de offergelden helaas zeer onregelmatig en op verschillende manieren werden genoteerd, is het moeilijk een duidelijk beeld ervan te geven.

            Het aantal bedevaartgangers is moeilijk na te gaan. De enige aanwijzingen voor een grote toeloop zijn formuleringen die op enkele plaatsen in de archiefbronnen zijn terug te vinden. Een bescheid in de Parochialia[221] heeft het bijvoorbeeld over een “magnus concursus populi…” en in een ander wordt geklaagd dat de kapelaan niet naast de kapel woonde, zodat hij de pelgrims onvoldoende kon assisteren.

 

d. Waarde

 

Hoewel we niet hebben kunnen nagaan hoeveel bedevaarders Sint-Lenaarts bezochten, kunnen we toch besluiten dat er een aanzienlijke verering bestaan heeft. De kapelaan was immers verplicht om nabij de kapel te resideren. Dit was enkel nuttig wanneer er voldoende activiteit in de kapel was en wanneer er heel het jaar door gelovigen kwamen. Op het einde van de achttiende eeuw wilde men van de kapel een zelfstandige parochiekerk maken. Een eerste reden was wellicht dat het inwonersaantal te Sint-Lenaarts van die aard was dat ze een eigen kerk verdienden. Het is ook een aanwijzing voor een aanzienlijke verering te Sint-Lenaarts. Verder is Sint-Lenaarts een belangrijke bedevaartsplaats omdat we voor haar geschiedenis ver terug kunnen gaan. Het oudste gekende document dateert uit de dertiende eeuw. Voor geen enkel ander bedevaartsoord dat we hier behandelen, beschikken we over oudere documenten.

 

 

C. Hoogstraten

 

Over de verering van het Heilig-Bloed te Hoogstraten zijn we, in tegenstelling tot de andere bedevaartsplaatsen uit de dekenij Hoogstraten, zeer goed geïnformeerd. Niet alleen zijn er heel wat archiefdocumenten terug te vinden; er werden ook heel wat studies gemaakt over het Heilig-Bloed. Voor de meeste bedevaartsplaatsen hebben we zowel een gebrek aan archiefbronnen als aan wetenschappelijke studies. Vooral deken J. Lauwerys was zeer actief in de studie van de Heilig-Bloedverering. Hij heeft praktisch al het bestaande archief nagekeken, zowel over de verering in Hoogstraten als over die in Boxtel. De bekomen informatie verwerkte hij in een aantal artikels. Het belangrijkste is echter zijn driedelig werk, verschenen in de afleveringen van het HOK van 1952, 1953 en 1954[222]. In deze omvangrijke studie bespreekt hij de verering van het Heilig-Bloed van bij haar ontstaan in Boxtel, tot in de twintigste eeuw. Hiervoor gebruikte Lauwerys talrijke archiefdocumenten, die hij vaak integraal in bijlage weergaf. Ook had hij veel aandacht voor de historiografie. Het werk van Lauwerys kan beschouwd worden als het standaardwerk van de Heilig-Bloedverering te Hoogstraten. Gezien de waarde van deze studie en de aanvulling met een aantal andere artikels[223] menen we dat het geoorloofd is, ons voor Hoogstraten hoofdzakelijk te baseren op de bestaande literatuur[224]. Het uitgebreide materiaal maakt het mogelijk om zich een mooi beeld te vormen van de verering van het Heilig-Bloed. We zullen ons achteraf de vraag stellen of we deze bedevaart als exemplarisch kunnen beschouwen voor andere bedevaarten in de dekenij Hoogstraten, waarover slechts schaarse informatie bestaat.

De Heilig-Bloedverering te Hoogstraten is ook om een tweede reden bijzonder. Ze situeerde zich namelijk niet altijd in Hoogstraten. Oorspronkelijk werden de Heilige Doeken in Boxtel bewaard, waar het mirakel plaats vond. Om veiligheidsredenen werden de doeken in de zeventiende eeuw echter in Hoogstraten ondergebracht.

 

a. De legende en het Heilig Bloed te Boxtel

 

Het mirakel dat aan de oorsprong lag van de Heilig-Bloedverering gebeurde in de Sint-Pieterskerk te Boxtel[225], vermoedelijk in de tweede helft van de veertiende eeuw. De priester Eligius Van den Akker (of Aecker), zou tijdens een eucharistieviering de kelk met de miswijn hebben omgestoten. Hoewel het witte wijn was, kleurden de vlekken op de corporale doeken en de altaardoeken rood. De priester zou getracht hebben de doeken uit te wassen in een waterput bij de Dommel. De vlekken verdwenen echter niet. Vervolgens zou Eligius het wonder niet onmiddellijk bekend hebben gemaakt en de doeken verborgen hebben. Pas op zijn sterfbed zou hij het wonder hebben verteld aan zijn biechtvader en de doeken hebben getoond[226]. Over de eerste eeuwen van de verering bestaat maar heel weinig bronnenmateriaal. Belangrijk is de oorkonde van 27 juni 1380[227], uitgevaardigd door kardinaal Pileus de Prata , aartsbisschop van Ravenna en pauselijk legaat in de Nederlanden. Hij geeft daarin de toestemming, op vraag van de inwoners van Boxtel, om het Heilig-Bloed éénmaal per jaar in het openbaar te tonen en hij verplichtte vervolgens om het wonderfeit aan het volk bekend te maken. De oorkonde is niet bewaard maar werd integraal uitgegeven door Foppens en Miraeus[228].

Dit document is vooral belangrijk voor de datering: we kunnen immers veronderstellen dat de verering van het Heilig-Bloed van Boxtel in 1380 een aanvang nam en dat het wonder zelf enkele jaren tevoren was geschied. Ook blijkt dat de bedevaarders de Heilig-Bloeddoeken slechts éénmaal per jaar konden aanschouwen. Wellicht kwamen de meeste pelgrims op die dag in het jaar waarop heel Boxtel in het teken van het Heilig-Bloed stond. De andere dagen van het jaar zal het waarschijnlijk veel rustiger zijn geweest en zullen er maar sporadisch gelovigen het Heilig-Bloed zijn komen opzoeken. Opmerkelijk is dat Pileus in deze oorkonde maar melding maakt van één doek[229], namelijk van het corporale doek, terwijl men het in alle andere gevallen, van doeken in het meervoud heeft.

Christophorus Faber[230], een theoloog uit Leuven, schreef in 1625 een betoog waarin hij verder doordacht op het wonder van het Heilig-Bloed. Hij stelde zich de vraag of de verering van het Heilig-Bloed geen vorm van afgoderij was. In zijn betoog spreekt Faber bovendien over het “Corporael- doeck ende de Dwael”. Hij bevestigt bijgevolg dat er meer dan één doek was. De verandering van de wijn in bloed was volgens Faber wel degelijk een wonder. Na de transformatie was het echter niet langer het bloed van Christus, aangezien Christus enkel aanwezig was in het brood en de wijn tijdens de eucharistieviering. Toch mocht men spreken van Heilig-Bloed aangezien het, het overblijfsel was van de heilige miswijn waarin Christus wel aanwezig was geweest. Het Heilig-Bloed mocht bijgevolg nog steeds, volgens Faber, wel vereerd en aanbeden worden, maar niet met dezelfde eer waarmee men God aanbad. Bij de verering van het Heilig-Bloed moest de gelovige steeds voor ogen houden dat hij zijn geloof uitte, in aanwezigheid van het lichaam en bloed van Christus. Faber besloot dat het mirakel van het Heilig-Bloed en de verering geen vorm van ketterij was, maar een oprechte uiting van geloof.

Het Heilig-Bloed te Boxtel werd jaarlijks op de dag van de Heilige Drievuldigheid gevierd. Dit blijkt uit een aflaatbrief uit 1553, van Gregorius van Oostenrijk, bisschop van Luik, die vermeldt dat het Heilig-Bloed op die dag aan het publiek getoond mocht worden en dat er dan een aflaat van veertig dagen te verdienen viel. Het origineel van deze akte is bewaard en bevindt zich in het archief van het aartsbisdom te Mechelen[231]. Andere aflaten werden verleend in 1459 door Pius II en in 1880 door paus Leo XIII ter gelegenheid van het 500-jarig jubileum van het Heilig-Bloed[232]. De rekeningen van de Sint-Pieterskerk bieden de beste aanwijzingen voor het verloop van de verering[233]. Op de feestdag van de Heilige Drievuldigheid ging er een processie door de straten van Boxtel; het Heilig-Bloed werd daar wellicht in meegedragen aangezien men het op die dag mocht tonen aan het publiek[234]. Volgens Lauwerys was er zowel een plechtige ommegang, als een stille waar men zich volledig wijdde aan het gebed[235]. Tijdens de feestdag dronken de gelovigen uit de waterput waarin Eligius de doeken had proberen uit te wassen. Dat de put werkelijk bestond, blijkt uit de rekeningen van 1608, 1610 en 1615 waarin uitgaven vermeld staan voor het vegen van de put en het aanbrengen van nieuwe emmers en stenen[236].

Zoals bij iedere bedevaart werd ook in Boxtel geofferd.en dit zowel in natura als in geld. In de Sint-Pieterskerk stonden offerstokken en offerkisten waarin de pelgrim zijn bijdrage kon leveren. In onderstaande tabel[237] zetten we de bedragen van de giften op een rijtje. Uit de tabel blijkt dat er een afname was in het bedrag van de offergelden. De daling kwam wellicht voort uit de verslechtering van het godsdienstig klimaat en de oorlog die in de streken rond Boxtel heerste.

 

Tabel 2: Offergelden 17e eeuw, Boxtel

Jaartallen

Giften

1608

3607 gulden

1615

2368 gulden , 7 stuivers

1627

1925 gulden, 3 stuivers

 

Bij een bedevaart werden ook bedevaartvaantjes uitgedeeld. Het aantal bedevaartvaantjes dat werd gedrukt, is een aanwijzing van het aantal bedevaarders dat kwam opdagen. Tabel 3 geeft het aantal vaantjes dat men liet drukken voor enkele jaartallen[238]. De vraag is natuurlijk, hoeveel jaar deze gedrukte vaantjes moesten meegaan. Uit de tabel blijkt dat op een korte tijdspanne een groot aantal vaantjes werden gedrukt . Dit wijst uiteraard op een grote opkomst. Daarbij dient men de bedenking te maken dat niet elke pelgrim een vaantje mee naar huis nam en dat bijvoorbeeld, verschillende leden van een gezin genoegen namen met één vaantje per gezin. Bijgevolg moeten het aantal vaantjes vermeerderd worden om tot het juiste aantal bedevaartgangers te komen. Een juiste schatting maken is uiterst moeilijk. Lauwerys schat het jaarlijks aantal bedevaartgangers op een 30 000 à 40 000. De komst van die bedevaarders was wellicht vooral geconcentreerd op de feestdag van het Heilig-Bloed; dan viel er immers een aflaat te verdienen en werden de Heilig-Bloeddoeken aan het publiek getoond.

 

Tabel 3: Aantal gedrukte bedevaartvaantjes

Jaartallen

Bedevaartvaantjes

1608

21 000

1611

20 000

1615

24 800

 

Zoals we reeds aangaven, verslechterde de toestand gedurende de zeventiende eeuw. De Heilige Bloeddoeken moesten meerdere malen in veiligheid gebracht worden. In de rekening van 1607-1608 van de Sint-Pieterskerk staat een uitgavenpost voor de reis naar den Bosch voor het halen van de relikwieën[239]. Wellicht ging het om de Heilig-Bloeddoeken. Volgens Lauwerys werd het Heilig-Bloed ook in 1628 en 1632[240] in veiligheid gebracht, vermoedelijk in ‘s Hertogenbosch. Na de vrede van Munster in 1648 werd de situatie echter volledig onhoudbaar en diende men een veiligere bewaarplaats te zoeken.

 

b. Van Boxtel naar Hoogstraten

 

De Sint-Pieterskerk kwam in 1649 in handen van de gereformeerden. Het Heilig-Bloed werd toen tijdelijk ondergebracht in de Sint-Michielsabdij te Antwerpen.Volgens Lauwerys werd het eerst naar Weelde gebracht en vandaar naar de Sint-Michielsabdij[241]. Uiteindelijk werd Hoogstraten als definitieve schuilplaats gekozen. Die keuze was wellicht niet toevallig[242]. Door haar grensligging was Hoogstraten nog redelijk eenvoudig te bereiken door gelovigen uit de Noordelijke Nederlanden. Bovendien was er een verwantschap tussen de heer van Boxtel en de heer van Hoogstraten. De heer van Hoogstraten was Frans Paul de Lalaing, zoon van Albert-Frans de Lalaing en Maria-Clara, gravin van Bailleul en schoonzus van Ambrosius van Horne de Bassigny, heer van Boxtel. De familiale band tussen Boxtel en Hoogstraten was wellicht een extra stimulans om de kostbare doeken in Hoogstraten onder te brengen. Verder zou deze keuze, volgens Lauwerys, gepast hebben in een politiek van de bisschop van Antwerpen om de godsdienstbeleving in de grensparochies aan te wakkeren. Dit wellicht als buffer tegen de invloed van de gereformeerden. Men kan zich echter de vraag stellen of de bisschop van Antwerpen veel invloed heeft gehad in de keuze van de bewaarplaats.

Ambrosius van Horne de Bassigny speelde een belangrijke rol in de besprekingen die aan de overbrenging vooraf gingen. Om deze te voeren gaf hij een volmacht aan de kanunnik Guilliam Van Hamme van het kathedraal kapittel van Antwerpen[243]. Deze moest helpen om tot een overeenkomst te komen. Op 2 mei kwam van Hamme een eerste maal naar Hoogstraten[244]. Een eerste akkoord  tussen Boxtel en Hoogstraten werd gesloten op 16 mei 1652[245]. Het bevatte zes punten. Ten eerste werd gesteld dat de bewaring van het Heilig-Bloed te Hoogstraten tijdelijk was. Het moest bewaard worden in een offerkist met drie sloten. Eén sleutel zou gaan naar de graaf van Bassigny, een tweede naar de koordeken van Hoogstraten en een derde naar de schout. De opbrengst van het offer diende jaarlijks verdeeld te worden tussen Hoogstraten en Boxtel. Voor de verdeling mocht Hoogstraten er wel de onkosten aftrekken die gepaard gingen met een dergelijke grote verering. Het kapittel en het bestuur van Hoogstraten moesten een goede bewaring verzekeren en diende de Heilig-Bloeddoeken terug te geven bij de eerste vraag vanuit Boxtel. Als laatste punt werd bepaald dat het de graaf van Bassigny steeds toegelaten was een nieuw akkoord aan te gaan met Hoogstraten.

            Enkele dagen later op 19 mei, werden de Heilig-Bloeddoeken van de Sint-Michielsabdij overgebracht naar Hoogstraten. Het was kanunnik van Hamme die de doeken overbracht samen met een andere kanunnik, de schout en een kerkmeester van Hoogstraten. Ze werden ondergebracht in het begijnhof, om de volgende dag in een plechtige processie naar de Sint-Catharinakerk te worden gebracht[246]. Een akte van de schepenen uit Hoogstraten bevestigde op 21 mei 1652 dat het Heilig-Bloed werkelijk was overgebracht door van Hamme[247]. Met deze akte werd in feite het startschot gegeven voor de Heilig-Bloedverering te Hoogstraten. De verhoudingen tussen Boxtel en Hoogstraten waren echter niet altijd even goed. Er ontstonden een aantal betwistingen over de financiële regeling. Zo werd de heer van Boxtel er verdacht van corruptie[248]. Er zou hem een koppel paarden zijn beloofd, in ruil voor de overbrenging naar Hoogstraten. Toen de heer van Boxtel een groter bedrag eiste, ging men niet langer akkoord. Daarop werd in 1653 te Antwerpen het akkoord van 16 mei 1652 verbroken. Ook waren er klachten in verband met de verdeling van het offer. Het akkoord van 16 mei 1652 bepaalde dat dit in twee verdeeld diende te worden. Volgens Boxtel stonden er echter te veel offerblokken in de kerk van Hoogstraten waardoor er minder werd geofferd voor het Heilig-Bloed[249]. Een volgende klacht van Boxtel was dat Hoogstraten de opbrengst van de verkoop van de bedevaartvaantjes volledig voor zich hield, daar waar Boxtel recht meende te hebben op een deel van de opbrengst[250]. Tot slot waren er problemen rond de verblijfskosten die de vooraanstaanden van Boxtel maakten wanneer ze naar Hoogstraten kwamen. Op 16 oktober 1654 werd bepaald dat een deel van de onkosten gemaakt door het kerkbestuur van Boxtel, tijdens de overbrenging van het Heilig-Bloed, betaald zou worden met de opbrengst van het offer[251].

Enkele nieuwe akkoorden tussen Boxtel en Hoogstraten moesten de problemen oplossen. In 1653 werd er besloten een vierde sleutel op de offerkist te plaatsen. De sleutel zou bijgehouden worden door een kerkmeester. Op die manier was er meer controle over de offergelden[252]. Op 27 september 1655 werd besloten dat al de offerblokken voor de dag van de Heilige Drievuldigheid geledigd zouden worden[253]. Al wat gedurende het octaaf van het Heilig-Bloed geofferd werd, zou dan verdeeld worden tussen Boxtel en Hoogstraten. Zo kon het hoge aantal offerblokken de bijdrage aan het Heilig-Bloed niet langer benadelen. Op 10 oktober 1655[254] werd op het bisschoppelijk paleis te Antwerpen een nieuw akkoord gesloten ter vervanging van dat van 1652. De belangrijkste bepaling daarin had betrekking op het bewaren van de sleutels van de offerkist. Voortaan zouden er drie sleutels zijn in plaats van vier. De koordekens van Boxtel en van Hoogstraten bezaten de eerste en de tweede sleutel. De derde sleutel had meerdere bezitters die elkaar jaarlijks afwisselden. Het eerste jaar was hij in handen van de schout, het tweede werd hij bijgehouden door de drossaard, vervolgens door de pastoor en tot slot het vierde jaar door twee schepenen. Na de afsluiting van dit akkoord lijken er zich geen problemen meer te hebben voorgedaan. Tot in de twintigste eeuw, wanneer Boxtel de doeken begon terug te eisen, zijn er geen meldingen meer van grote spanningen tussen Boxtel en Hoogstraten.

 

c. Devotie tot het Heilig-Bloed te Hoogstraten

 

Net zoals in Boxtel werd het Heilig-Bloed te Hoogstraten in het bijzonder vereerd op Drievuldigheidszondag. Op die dag ging er een processie uit waarin de relieken werden meegedragen. Uit de affiche voor een volle aflaat die op Drievuldigheisdzondag[255] te verdienen viel, kan het verloop van de dag afgeleid worden. Om vier uur in de ochtend startte het veertig-uren gebed; dit duurde tot acht uur op maandagavond. Verder werd er op zondag vanaf acht uur gepredikt waarna de hoogmis werd gecelebreerd. Na de hoogmis vond de processie plaats waarin het Heilig-Bloed werd meegedragen en getoond aan het publiek. Het werd nogmaals getoond op maandag na de preek om negen uur. Zoals reeds vermeld, sloot het einde van het veertig-uren gebed, op maandagavond om acht uur, de verering af. In de voornoemde aflaat werd men er ook aan herinnerd dat het door het bisdom verboden was om kramen op te stellen of enige vorm van handel te drijven op de dag van de Heilige Drievuldigheid, op straffe van boete. Er werd wel een uitzondering gemaakt voor voedingswaren, devote boeken, was voor kaarsen en “kleine cremeryen”. Op de affiche staat zelf geen datum vermeld maar de vermelding “vacerende Bisdoms” doet vermoeden dat ze dateert van 1653 of 1654. Op dat moment was het bisdom immers vacant; op 13 september 1654 werd Ambrosius Capello tot bisschop gewijd[256]. Aangezien deze affiche reeds van 1653 of 1654 dateert, kunnen we veronderstellen dat reeds onmiddellijk na de overbrenging van Boxtel naar Hoogstraten de Heilig-Bloedverering werd verder gezet. Er was geen sprake van een breuk maar van continuïteit.

            Het akkoord dat op 10 oktober 1655[257] te Antwerpen werd gesloten na de betwistingen rond de offergelden, geeft eveneens enkele aanwijzingen over gebeurtenissen op de zondag van de Heilige Drievuldigheid. Het Heilig-Bloed werd tijdens de processie meegedragen op een stelling en stond dan onder de verantwoordelijkheid van de koordeken of diens vervanger; “…het H. Bloet maer eens tsjaers en sullen verthoont worden in de processie in dominica Trinitatis ende dat op den theatre die daer toe wort gestelt onder de processie door den Eerw. Heer Choordeken…”. Wellicht wordt hiermee bedoeld dat het Heilig-Bloed op een soort verhoog of baldakijn werd meegedragen. De koordeken bewaarde bovendien ook de sleutels van de kist waarin de Heilige Bloeddoeken werden bewaard. In dat zelfde akkoord werd ook gesteld, dat er jaarlijks “thien flambouwen” of toortsen gemaakt zouden worden die enkel voor het Heilig-Bloed gebruikt mochten worden. Er werd ook jaarlijks een speciaal altaar in de kerk geplaatst waarop het Heilig-Bloed ten toon werd gesteld[258]. Het is niet duidelijk of dit altaar steeds opnieuw werd opgebouwd of meerdere jaren meeging.Op 10 augustus 1757 werd echter een contract afgesloten voor een nieuw altaar; “…het vernieuwen, veranderen of vermaaken van den autaer die jaarelykx gestelt word voor de hooge choor…”[259].Voor het maken van dit altaar mocht men jaarlijks 500 guldens uit de offergelden nemen. Wellicht was het dus een kostbaar altaar .

Uit het voornoemde akkoord van 10 oktober 1655 blijkt ook dat er gelegenheid tot biechten was. Er werd namelijk gesteld dat de biechtvaders beloond moesten worden. Wellicht waren die biechtvaders Minderbroeders. De kerk van Hoogstraten kreeg namelijk tijdens de hoogdagen van het Heilig-Bloed, hulp van de Minderbroeders van Antwerpen. Zodra er zich Minderbroeders gevestigd hadden te Hoogstraten werden zij waarschijnlijk ook ingeschakeld, en vervingen ze eventueel zelfs de Minderbroeders van Antwerpen[260]. Er werd ook gepredikt, zoals blijkt uit de aflaat van 1653 of 1654. We vermoeden dat ook voor het prediken hun hulp werd ingeroepen. In de rekeningen van 1687 tot 1694 werd zelfs één gulden en vijf stuivers uitgegeven voor het zetten van een preekstoel voor het stadhuis[261]. Volgens Lauwerys werd de vergoeding van de Minderbroeders vanaf 1687 in de rekeningen opgenomen. Er werd hun tussen de zeven en de tien gulden betaald[262]. Tijdens de processie werd muziek gemaakt. Ook werd er toneel gespeeld op de dag van het Heilig-Bloed. In 1730[263] kwam dat in het gedrang omdat de Latijnse school sterk achteruit ging. Na 1771 was er helemaal geen toneel meer omdat er geen studenten meer waren. Blijkbaar maakten de leerlingen van de Latijnse school dus jaarlijks een toneelstuk dat ze opvoerden op de zondag na Drievuldigheidsdag.

Het aantal bedevaarders is, in het geval van Hoogstraten, redelijk eenvoudig af te leiden. Een eerste aanwijzing is het aantal hosties die voor de dag van het Heilig-Bloed werden aangebracht. Het eerste jaar van de Heilig-Bloedverering te Hoogstraten werden er 100 grote en 4000 kleine hosties besteld[264]. Deze cijfers worden concreter wanneer men ze vergelijkt met het aantal parochianen. Lauwerys schat dat het aantal in 1652 rond de 700 zielen lag. Belangrijk daarbij is op te merken dat niet alle bedevaarders ter communie gingen en dat het aantal hosties, bijgevolg als een minimum moet worden beschouwd. In vergelijking met Boxtel was de opkomst in Hoogstraten aanzienlijk minder gedurende de eerste jaren. Dit is logisch aangezien de verering zijn waarde nog moest bewijzen en nog bekendheid moest verwerven.Voor de achttiende eeuw zijn ook nog enkele cijfers bekend; in 1715 waren er voor de zondag van de Heilige Drievuldigheid 4500 hosties en voor de maandag erna 900, een jaar later waren er voor de twee dagen samen 5600 hosties. Dit zijn aanzienlijke getallen, we kunnen bijgevolg stellen dat er te Hoogstraten, in vergelijking met het aantal parochianen, een grote toeloop was op het feest van de Heilige Drievuldigheid voor de Heilig-Bloedverering.

 

Tabel 4: Offergelden in Hoogstraten en Boxtel

Hoogstraten

Boxtel

Jaartallen

Offergelden

Jaartallen

Offergelden

1656

251g 6st

1608

3607g

1657

486g

1615

2368g 7st

1658

408g 17st

1627

1925g 3st

1659

440g 8st

 

 

1660

318g 3st

 

 

 

Dit blijkt ook uit de offergaven[265]. De allereerste jaren bracht het offer maar weinig op gezien de vele uitgaven. Begin achttiende eeuw stelde pastoor Theunis dat de gemiddelde opbrengst rond de 250 gulden lag. In tabel 4 worden enkele bedragen voor de zeventiende eeuw weergegeven. Buiten deze offergaven in geld werd er wellicht ook geofferd in natura. De offergelden en het aantal hosties die nodig waren op de feestdag van het Heilig-Bloed wijzen zonder twijfel op een aanzienlijke toeloop. De opkomst lag vermoedelijk tussen de 7000 en de 10 000 bedevaarders. Wanneer we dit echter met de voorbije verering te Boxtel vergelijken, blijkt dat de verering in Hoogstraten wellicht nooit die van Boxtel evenaarde. Dit is het duidelijkste bij de vergelijking van de offergelden. In Hoogstraten blijft de offergave onder de 500 terwijl ze in Boxtel de 1000 overschrijdt. Om dit duidelijk voor te stellen zijn in tabel 4, in een tweede kolom de waarden van Boxtel opgenomen[266]. Een reden hiervoor is mogelijk dat in Hoogstraten de speciale band ontbrak tussen de Heilige Doeken en de plaats van het mirakel. In hoofdstuk één zagen we dat de plaats voor de bedevaarder zeer belangrijk was. Doordat er zich op een bepaalde plek een mirakel had voorgedaan, geloofde men dat die plaats doordrongen was van heiligheid en dat men er gemakkelijker in contact met God kon treden. Dit aspect van een bedevaartsplaats ontbrak uiteraard in Hoogstraten. Hieruit zou men kunnen afleiden dat er minder gelovigen in de omgeving van Hoogstraten, dan in Boxtel een speciale band voelden met de Heilig-Bloedverering en dat er daarom minder mensen de nood voelden om naar Hoogstraten te trekken[267]. Deze bemerking mag ons niet uit het oog doen verliezen dat er toch nog altijd enkele duizenden bedevaarders kwamen en dat de verering van het Heilig-Bloed in Hoogstraten als zeer belangrijk moet worden beschouwd.

 

d. Handel rond het Heilig Bloed en decoratie

 

Met de verering van het Heilig-Bloed ging een zekere handel gepaard. Ten eerste werden er een aantal liturgische voorwerpen aangeboden aan de bedevaarder. Zo werden er speciale medailles en ringen gemaakt[268]. Vanaf 1762 zijn er posten in de rekeningen voor het slaan van zilveren ringen. Nadien werden er ook koperen ringen geslagen die goedkoper waren. Deze ringen en medailles werden wellicht te koop aangeboden aan de gelovigen, die ze meenamen als aandenken. Ook waren er bloeddraadjes, gemaakt uit rode zijde, waarmee men de Heilige Doeken aanraakte. Zoals op zovele bedevaartsplaatsen kon men ook bedevaartvaantjes[269] verkrijgen. Aanvankelijk gebruikte men wellicht dezelfde vaantjes als in Boxtel. In 1653 werden er namelijk 2000 vaantjes aangebracht vanuit ’s Hertogenbosch. In 1706 liet men zelf nieuwe koperplaten vervaardigen. Er is een hele correspondentie terug te vinden in verband met het drukken van die platen[270]. In de achttiende eeuw zouden er minstens om de twee jaar 1000 vaantjes gedrukt worden en ook een aantal perkamenten exemplaren. Verder waren er wellicht ook boekjes met litanieën te verkrijgen.

            Naast deze blijvende attributen, die vermoedelijk vooral dienst deden als aandenken en die ook een zekere vorm van bescherming boden aan de bedevaarder, werden er ook andere waren aangeboden. Uit de rekeningen blijkt namelijk dat er een kraam was waar kaarsen en wijn te koop waren[271]. De kaarsen werden waarschijnlijk onmiddellijk geofferd aan het Heilig-Bloed. De functie van de wijn is moeilijker af te leiden. Was het een verwijzing naar het morsen van de wijn? Of gewoon om te consumeren? In ieder geval werd aan de helpers op de Heilig-Bloedverering ter vergoeding wijn aangeboden en vermelden de rekeningen de aankoop van gemiddeld tien potten wijn. Er zal dus zeker wel munt zijn geslagen uit de Heilig-Bloedverering. Buitensporig zal het echter niet geweest zijn. In de aflaat die reeds in 1653 of 1654 werd verleend, werd namelijk ook verboden om op Drievuldigheidsdag kramen uit te baten of enige vorm van handel te drijven[272]. Hiermee wilde men wellicht voorkomen dat de verering verviel in een soort kermis of jaarmarkt. Een uitzondering werd wel gemaakt voor voedingswaren, devote boeken, was en “kleine cremeryen”. Het is moeilijk om de dynamiek van die handel na te gaan aangezien er weinig gegevens over bestaan. Belangrijk hier is dat men het vanuit het bisdom nodig achtte om de handel te onderdrukken of dit in de praktijk effect had, is de vraag. Het feit dat men het nuttig vond om dit verbod te afficheren wijst op de blijvende neiging om handel te drijven.

            De grote opkomst voor de Heilig-Bloedverering bracht Hoogstraten veel luister. Er werden een aantal kunstvoorwerpen voor de Heilige-Bloeddoeken vervaardigd. Maria Magdalena van Horne verklaarde op 28 mei 1687 dat er jaarlijks tussen de vijftig en de zestig gulden uit de offergelden genomen moest worden voor de versiering van het Heilig-Bloed[273]. Voor het jubileum van 1680 werd een zilveren kist gemaakt om de doeken in op te bergen[274].Voor deze kist werd een aanzienlijke prijs betaald, 497 gulden en 5 stuivers. Ook zagen we dat er een speciaal altaar werd gemaakt om de doeken op uit te stallen tijdens de viering van het Heilig-Bloed. Verder waren er een aantal schilderijen over en voor het Heilig-Bloed[275]. Bij de overbrenging van Boxtel naar Hoogstraten bevonden de Heilige Doeken zich bijvoorbeeld in een houten kist met op de vier wanden telkens een tafereel uit de legende van het Heilig-Bloed. Begin achttiende eeuw werd er een doek gemaakt in opdracht van pastoor Theunis. Verder zijn er nog drie schilderijen, uit de achttiende eeuw, gemaakt door de Antwerpse schilder Herman Gillis. Naast deze voorwerpen waren er wellicht tal van andere, die moesten bijdrage tot de luister van het Heilig-Bloed.

 

e. Moeilijkheden te Hoogstraten

 

In de zeventiende eeuw waren er enkele moeilijke momenten[276]. Ook Hoogstraten kon geen permanente veiligheid voor het Heilig-Bloed garanderen. Van 1672 tot 1678 woedde de zogenaamde Hollandse oorlog, die voor een deel werd uitgevochten in de Zuidelijke Nederlanden. Het Heilig-Bloed werd in 1674 in Antwerpen in veiligheid gebracht, door de toenmalige pastoor, Cornelius Nuyts[277]. In 1684 werden een aantal kostbaarheden van Hoogstraten in een kist naar Antwerpen gebracht, ten gevolge van de Grenzenoorlog. Pastoor Theunis bracht het Heilig-Bloed in 1694, nogmaals in veiligheid naar Antwerpen. Begin achttiende eeuw, van 1700 tot 1713 woedde de Spaanse successieoorlog. In 1701 werd het Heilig-Bloed weer maar eens naar Antwerpen gebracht. Op de dag van de Heilige Drievuldigheid werd het wel tijdelijk terug naar Hoogstraten gevoerd zodanig dat de verering, weliswaar in mindere mate, verder kon gaan. In 1702 hadden buitenlanders die het Heilig-Bloed kwamen vereren, de toestemming om te komen zonder dat ze een paspoort nodig hadden[278]. Deze maatregel werd genomen om zoveel mensen de mogelijkheid te geven om nog op bedevaart te komen. In het resolutieboek van de vrijheid Hoogstraten is deze maatregel ook terug te vinden[279]. Daar werd er aan toe gevoegd dat de pastoor, Andreas Theunis, de doeken tegen de eerstkomende zondag uit Antwerpen moest gaan halen om ze er nadien terug in bewaring te geven. In 1703 werden de processie en preek afgelast en was er een zeer beperkte opkomst. Er werd toen maar voor 88 gulden geofferd. De oorlog bemoeilijkte immers sterk de mobiliteit van de mensen. De volgende zwarte periode was de Franse revolutie. Ondanks al deze hindernissen wist de Heilig-Bloedverering te Hoogstraten, te overleven.

 

f. Teruggave aan Boxtel

 

In het archief van het bisdom Antwerpen is in de Parochialia