De Heimatvertriebenen en Polen: de blijvende schaduw van WO II. (Sofie Decoster)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

1. INLEIDING

 

Hoewel overal in Europa dit jaar de zestigste verjaardag van de bevrijding herdacht is, zijn de wonden die toen geslagen zijn nog lang niet geheeld, vooral in Polen niet. De aanwezigheid van de concentratiekampen (vooral Auschwitz (Oświęcim) en Treblinka), de grensverschuivingen van Polen in het oosten en het westen, de moderne stedenbouw (vele steden – zoals Warschau – werden tijdens de oorlog totaal verwoest en zijn na 1945 bijna volledig heropgebouwd), het drama van de 15 000 vermoorde Poolse officiers in Katyń, de vele slachtoffers die de oorlog niet overleefd hebben en nog zoveel andere ‘spoken’ zorgen ervoor dat de gruwelen van de oorlog in Polen niet snel vergeten zullen worden. Het heeft erg veel diplomatieke heksentoeren gekost om de Polen en de Duitsers de strijdbijl te laten begraven.

 

De laatste jaren zijn de relaties tussen Polen en Duitsland door de naweeën van de Tweede Wereldoorlog echter opnieuw verslechterd. Oude trauma’s zoals de verdrijvingen, de heropening van oude eisen tot schadevergoeding en de aandacht voor het eigen leed zijn recentelijk (met name in de jaren 2003 en 2004) opnieuw in de Duitse en Poolse media opgedoken. Natuurlijk beperkt de erfenis van de oorlog zich niet tot deze twee thema’s, maar ik heb mij in deze verhandeling toch enkel willen toespitsen op de twee jongste gebeurtenissen, namelijk het initiatief van de Duitse Bund der Vertriebenen om een Zentrum gegen Vertreibungen op te richten en de in de zomer van 2004 — aan zowel Poolse als Duitse zijde — opnieuw opgedoken schadeclaims.

 

In het eerste hoofdstuk geef ik het historische kader waarin de verdrijvingen van de Duitse bewoners uit de Centraal- en Oost-Europese landen na afloop van de Tweede Wereldoorlog hebben plaatsgevonden. Dit hoofdstuk verklaart de redenen voor deze verdrijvingen, waarom ze met zoveel geweld gepaard gingen en hoe de Heimatvertriebenen in hun nieuwe thuisland zijn opgevangen. Er zal ook duidelijk worden waarom de verdrijvingsacties al veel sneller van start gingen dan de geallieerde mogendheden gepland hadden.

 

Het tweede deel is gewijd aan de recente gebeurtenissen die de verdrijvingspassages uit de geschiedenis opnieuw van onder het stof halen, en zo de relaties tussen Duitsland en Polen opnieuw ondermijnen. Dit hoofdstuk handelt namelijk over het project van de Duitse CDU-politica Erika Steinbach om een Zentrum gegen Vertreibungen op te richten. Steinbach wil namelijk de wereld ook laten kennismaken met de vergeten slachtoffers van de oorlog, namelijk de Duitse verdrevenen. Dit wil ze verwezenlijken aan de hand van een documentatiecentrum dat de Bund der Vertriebenen — de belangenorganisatie van de Duitse verdrevenen — in Berlijn wil oprichten en dat de geschiedenis van de verdrijvingen wil etaleren. Het project heeft echter zowel aan Poolse als aan Duitse zijde een grote polemiek teweeggebracht. Deze strubbelingen worden geïllustreerd aan de hand van een paar meningen die ik in Duitse kranten en tijdschriften gevonden heb.

 

In het derde hoofdstuk wijd ik aandacht aan de opnieuw opgedoken eisen tot schadevergoeding, die grotendeels een gevolg zijn van de ijver van de verdrevenenorganisaties om het onrecht aan hun verdreven medeburgers goed te maken. Hoewel Polen en Duitsland bilaterale verdragen hadden gesloten die voor eens en altijd een punt moesten zetten achter deze periode, proberen zowel Duitsers als Polen opnieuw een financiële vergoeding te krijgen voor het leed dat hun familie (want vaak gaat het om nakomelingen) zestig jaar geleden te verduren kreeg. De Duitsers uit de Oder- en Neisse-gebieden worden door de verenigingen zelfs aangezet om hun vroegere eigendom terug te eisen. Ook deze situatie drukt zwaar op de toenaderingspogingen tussen Duitsland en Polen.

 

Wat de werkwijze betreft die ik voor deze verhandeling gehanteerd heb, heb ik mij voor het eerste hoofdstuk en de historische omkadering zoveel mogelijk gebaseerd op de bestaande standaardwerken over de betreffende thema’s. De auteurs die ik hiervoor geraadpleegd heb zijn voornamelijk Norman Davies, Christof Ennekens, Goedele De Keersmaeker, Alfred Maurice De Zayas, Dieter Bingen en Z. Anthony Kruszewski. Het tweede en derde hoofdstuk zijn hoofdzakelijk gebaseerd op artikels uit het Duitse weekblad Der Spiegel en het dagblad Die Frankfurter Allgemeine Zeitung. Uit deze bronnen heb ik geput om de heersende atmosfeer in Polen en Duitsland te analyseren en om een aantal meningen over beide gebeurtenissen tegenover elkaar te stellen. Ik heb geprobeerd om deze Duitse bronnen zo objectief mogelijk te bewerken en er zoveel mogelijk Poolse gezichtspunten uit te halen.

 

Wat deze verhandeling echter enigszins beperkt, is de afwezigheid van Poolse bronnen. De enige bron die ik voor die Poolse mening heb kunnen gebruiken zijn eveneens Duitse artikels uit Der Spiegel en Die Frankfurter Allgemeine Zeitung. Na een jaar studie van de Poolse taal is mijn kennis immers nog niet ver genoeg gevorderd om Poolse bronnen te begrijpen en te analyseren. De kans op misverstanden en foute interpretaties is te groot. Wel heb ik geprobeerd om bij wijze van illustratie – en om de kennis die ik in de loop van dit jaar van de Poolse taal vergaard heb uit te testen– een enkel artikel te vertalen uit het Poolse tijdschrift Przekrój van 23 september 2003. De vertaling van dit artikel vormt tevens de bijlage van mijn verhandeling.

 

Es genügt nicht,

die Deutschen nach Westen zu treiben.

Die Deutschen müssen ins Grab gejagt werden.

Gewiß ist ein geschlagener Fritz besser

als ein unverschämter. Von allen Fritzen

sind aber die toten am besten

(De Zayas Alfred (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, p 60.)

 

 

2. DE HEIMATVERTREIBUNGEN

 

A. HISTORISCHE OMKADERING: DE VERDRAGEN VAN TEHERAN, JALTA EN POTSDAM [1]

 

Na afloop van de Eerste Wereldoorlog kwamen de westerse mogendheden in het slot van Versailles[2] bij elkaar om de toekomst van Europa te bespreken. Al snel realiseerden ze zich echter dat deze toekomstplannen niet hoopgevend waren, en op lange termijn zeker niet levensvatbaar.[3] Er waren immers kriskras door Centraal- en Oost-Europa nieuwe grenzen getrokken en nieuwe staten gecreëerd, vaak met een mengelmoes aan volkeren, nationaliteiten, talen en religies tot gevolg. De onrust die dit in deze landen teweegbracht was enorm. Polen vormde één van deze spanningscentra, zij het dan om nog andere redenen: opnieuw een onafhankelijke staat na de delingen van de achttiende eeuw, kwam het in conflict met bolsjewistisch Rusland. Polen kreeg aan zijn oostzijde immers gebieden toegewezen die tot dan toe tot Rusland behoord hadden, waar deze laatste vanzelfsprekend niet mee opgezet was. De nieuwe grens tussen Polen en Rusland werd de Curzon-linie,[4] die tevens min of meer een afbakening vormde tussen de katholieken en de orthodoxen. De grens is echter nooit gelegitimeerd geweest omwille van de Pools-Russische oorlog tussen 1919 en 1921. Na de oorlog, die in het voordeel van de Polen beslecht was, lag de scheidingslijn immers een heel stuk verder naar het oosten. Het was uiteindelijk deze versie die door de Raad der Ambassadeurs in 1923 is goedgekeurd.[5] In het westen kreeg Polen delen van Duitsland, namelijk Oost-Pommeren, delen van Oost-Pruisen, Opper-Silezië en Posen. Danzig werd een vrije stad.[6]


Polen na het Verdrag van Versailles

 Ramkema Harm en Erik van Schaik (1994), Tussen recht en repressie, p. 59.

 

Twintig jaar later waren de spanningen al zo hoog opgelopen, dat ze explodeerden in de Tweede Wereldoorlog en de Blitzkrieg van de nazi’s. De grensverschuivingen van Versailles hadden Hitler immers een uitstekend voorwendsel én legitimatie gegeven om Midden-Europa binnen te vallen en alle Duitsers – die als minderheden verspreid leefden in de verschillende Centraal- en Oost- Europese landen – opnieuw Heim ins Reich te brengen.[7] Nadat hij Polen in 1939 was binnengevallen zette Hitler massale verdrijvingsacties op touw: de Polen (de zogenaamde Untermenschen) werden gedeporteerd en hun plaats werd ingenomen door Duitsers. Hitler beschouwde de gebieden rond Warschau, Lublin en Krakau (het zuiden en het centrum van Polen) als een soort Generalgouvernement, waar de Poolse inwoners gegermaniseerd werden en bijna als slaven voor de Duitse bezetter moesten werken. De overige gebieden werden bij het Derde Rijk ingelijfd. Daar werden de Polen zonder meer verjaagd (tot 800 000 in totaal) om plaats te maken voor Duitse kolonisten. Zo trokken in de beginjaren van de Tweede Wereldoorlog meer dan een half miljoen Duitsers naar de nieuwe Ostprovinzen van het Derde Rijk.[8]

 

De regeringen in ballingschap van de verschillende bezette landen moesten voor de Blitzkrieg op de vlucht slaan en verzamelden zich in Londen. Nog voor de oorlog echter op zijn laatste benen liep, hadden de staatshoofden van de geallieerden al een aantal principes uitgedokterd, die de stabiliteit in de wereld na de ondergang van het Derde Rijk moesten herstellen.[9] Een van deze maatregelen was de Population Transfer Commission,[10] die de Britse regering in het leven geroepen had en die bestond uit diplomaten, juristen en experts uit binnen- en buitenland. Het doel van deze commissie bestond erin om de etnische mengelmoes in de Midden-Europese landen te homogeniseren om op die manier in de toekomst conflicten te vermijden. Toch moesten de ‘bevolkingstransfers’ tot een minimum beperkt blijven en zó georganiseerd worden dat ze heel ordelijk en selectief zouden verlopen. Daarom zouden de ‘transfers’ maar eerst na het beëindigen van de oorlog van start mogen gaan.[11]

 

Op de conferentie van Teheran (november-december 1943) kwamen ‘De Grote Drie’ Franklin Roosevelt, Winston Churchill en Jozef Stalin – samen om de afloop van de oorlog te bespreken. Het Duitse leger was dan reeds over zijn hoogtepunt heen en het werd alsmaar duidelijker dat de geallieerden de oorlog zouden winnen. Stalin, die al in 1941 de geallieerden had vervoegd,[12] bracht echter een pijnpunt naar voren. Vóór de oorlog had Hitler hem via het Molotov-Von Ribbentrop-pact[13] immers gebiedsuitbreiding in Polen beloofd. In dit verdrag – dat op 23 augustus 1939[14] was afgesloten – waren Stalin en Hitler overeengekomen om Polen na hun inval tussen hen beiden te verdelen. Stalin eiste dat hij deze beloofde gebieden mocht houden (als wraak op de gebieden die hij na de Eerste Wereldoorlog door het verdrag van Riga aan Polen was kwijtgespeeld).[15] Er ontstond in 1943 dus een grote discussie over welke gebieden rechtmatig aan de Sovjetleider toekwamen. In een brief schreef Stalin aan Churchill dat de Curzon-line door alle partijen reeds als de rechtmatige grens tussen Polen en Rusland was erkend, maar dat ze nu opeens zonder goede reden op dit besluit teruggekomen waren. Hier was Stalin helemaal niet mee opgezet en hij zette alles op alles om toch zijn wil door te drijven.[16]

 

Het was echter niet eenvoudig om de toenmalige Poolse eerste minister van de regering in ballingschap in Londen, generaal Wladysław Sikorski, te overtuigen deze grensverschuiving te aanvaarden. 4,5 miljoen[17] Polen zouden moeten verhuizen. Uiteindelijk werd de oplossing gezien in een compensatie voor Polen in het westen, ten nadele van Duitsland. De nieuwe westgrens van Polen zou dan aan de Oder en de Neisse komen te liggen.[18] Maar ook met deze compensatie was Sikorski nog niet te vermurwen: hij kon geen acht miljoen Duitsers onderhouden.

 

De reden waarom de nieuwe grens precies aan de Oder en de Neisse moest liggen, was vooral gebaseerd op veiligheidsoverwegingen. Landsgrenzen die samenvallen met een natuurlijke afbakening zijn immers heel wat makkelijker te verdedigen. Bovendien zou Polen op die manier toegang krijgen tot de zee. Een bijkomende reden – die echter niet van defensieve aard was – was de wens om de Poolssprekende gebieden die tot Duitsland behoorden opnieuw in te lijven.[19] Een derde reden was van economische aard: de betrokken regio was sterk geïndustrialiseerd en zou de Poolse economie er weer bovenop kunnen helpen.[20]

 

Met de nieuwe grenzen zou Polen zijn territorium zien uitbreiden met Oppeln-Silezië (in het Pools Opole), zuidelijk Oost-Pruisen (Prusy Książęce), West-Pruisen (Pomorze Gdańskie), Neumark (Nowa Marchia), Oost-Brandenburg, Danzig (Gdańsk) en Pommeren (Pomorze).[21] De daar wonende Duitsers, meer dan 14 miljoen[22] mensen in totaal, zouden op hun beurt moeten verhuizen.[23]

 

Niet onbelangrijk is dat de Poolse regering al een paar jaar voordat Stalin in 1943 zijn eisen over een gebiedsuitbreiding in het nadeel van Polen geuit had, sprak over een uitbreiding van het Poolse grondgebied naar het westen toe, met de verdrijving van de oorspronkelijke bewoners tot gevolg. Al in 1939 wilde Sikorski Duitsland zijn invloed aan de Baltische zee ontnemen en reeds in 1940 werd de eis voor een grens aan de Oder én de Neisse zowel historisch[24] als politiek gerechtvaardigd in de Poolse ondergrondse pers in Warschau en verdedigd door de Salamander Society, de verzetsorganisatie van de vooroorlogse nationalistische partij.[25] In december 1942 verscheen er een artikel van deze organisatie, dat beweerde dat toekomstige grensverdragen over de westelijke grens van Polen het principe van de ‘verdrijving om veiligheidsmaatregelen’ moesten erkennen. Hieruit mogen we besluiten dat ondanks het morren van Sikorski over de afgeknibbelde oostelijke gebieden, de nieuwe westgrens van Polen niet zozeer beklonken werd als tegemoetkoming voor de discussie over de Curzon-linie, maar wel als compensatie diende voor de geleden schade onder de nazi’s. Ze was bovendien gebaseerd op een jarenlang voorbereide politiek. [26]

 

Tekstvak: De Zayas Alfred (1993), Anmerkungen, p. 71.

 

Op 27 juli 1944 sloten Moskou en het Lublin-Comité een geheim akkoord over de Poolse westgrens aan de Oder en de Neisse en over de verdrijving van de oorspronkelijke bevolking (dat zou de bezwaren van de Poolse regering in ballingschap dat ze de Duitsers niet zouden kunnen onderhouden van tafel vegen). Beide partijen kwamen overeen dat de grens aan de westelijke Neisse, de Lausitzer Neisse, zou liggen; het ging hen niet om de 200 km meer naar het zuidoosten liggende Glatzer Neisse.[27] De reden achter deze politiek was opnieuw van defensieve aard.[28]

 

Op de conferentie van Jalta, die in februari 1945 gehouden werd tussen de ‘Grote Drie’, benadrukte de Amerikaanse president Franklin Roosevelt dat de onafhankelijkheid van Polen noodzakelijk was om de veiligheid van Europa te verzekeren:

 

In de loop van de geschiedenis is Polen altijd al de corridor geweest, waar aanvallen op Rusland plaatsgevonden hebben. Zelfs tweemaal op een generatie tijd heeft Duitsland naar Rusland uitgehaald via Polen. Om de Europese veiligheid en de wereldvrede te garanderen is een sterk en onafhankelijk Polen noodzakelijk om herhaling te voorkomen.[29]

 

Op Jalta gaven de geallieerden uiteindelijk toch toe, zij het dan in grote mate onder druk van Stalin en nog niet officieel. In het oosten wordt de Curzon-linie nu definitief de nieuwe grens, mits enkele wijzigingen (het grondgebeid van Polen werd met vijf tot acht kilometer uitgebreid).[30] Over de westelijke grens bestond er echter nog steeds veel discussie: de Britse en Amerikaanse ministers van Buitenlandse Zaken Anthony Eden en Edward Stettinius hadden ervoor gewaarschuwd om de nieuwe grens van Polen niet uit te breiden tot voorbij de Oder, omdat de bevolkingstransfers dan te omvangrijk zouden worden. Dit zou in realiteit een migratie van elf miljoen mensen betekenen.[31] Zij waren er dus eerder voorstander van om de overdracht te beperken tot Oost-Pruisen, wat ‘slechts’ een verhuis van twee en een half miljoen Duitsers zou betekenen. Ook Harry S. Truman – die ondertussen Roosevelt was opgevolgd als president van Amerika – en Clement Attlee – die de opvolger was van Churchill als premier van Londen – wilden er niet van weten dat Polen verder zou reiken dan de Oder. Jozef Stalin en Vjatsjeslav Molotov stonden echter op een uitbreiding van het Poolse grondgebied tot aan de Oder én de westelijke Neisse (de Lausitzer of Görlitzer Neisse). Stalin weerlegde immers dat de gebieden ten oosten van de Glatzer Neisse (de oostelijke stroom) ondertussen toch al ontvolkt waren omdat de mensen reeds voor het Rode Leger gevlucht waren (wat een grove leugen was).[32] Uiteindelijk werd zelfs Polen op de vergadering uitgenodigd om de stand van zaken te verklaren: hoeveel Duitsers woonden er werkelijk nog in de betrokken gebieden? Maar opnieuw was het cijfermateriaal niet erg betrouwbaar. De Polen op hun beurt beweerden dat er nog ongeveer anderhalf miljoen Duitsers woonden. De aandacht van de geallieerden voor de Duitse bevolking kwam echter niet voort uit medelijden, maar uit pragmatische overwegingen: de gevluchte Duitsers uit de Centraal- en Oost- Europese landen zouden in de bezettingszones van de geallieerden terechtkomen, en op die manier onder de verantwoordelijkheid vallen van de westerse mogendheden.[33]

 

Uiteindelijk hakten Clement Attlee, Harry S. Truman en Jozef Stalin de knoop over de grenskwesties door op de vergaderingen in Potsdam (tussen 17 juli en 2 augustus 1945) om een breuk met Sovjet-Rusland te voorkomen.[34] Stalin eiste de erkenning van wat hij in realiteit eigenlijk al verwezenlijkt had en het had geen zin om te blijven discussiëren.[35] In hoofdstuk negen van het Verdrag van Potsdam werd de grens uiteindelijk officieel vastgelegd op de volgende gebieden: van de Baltische zee langs de Oder tot de samenvloeiing van de Lausitzer Neisse en zo langs de Neisse en de Tsjecho-Slowaakse grens.[36]

 

De Poolse grensverschuivingen na WO II

Tekstvak: Ramkema Harm en Erik Van Schaik (1994), Tussen recht en repressie, p 64.

 

 

De nieuwe westgrens van Polen

 

 

Groot-Brittannië en de Verenigde Staten waren nog steeds niet met het idee van de grensverschuivingen (en de noodzakelijk daaropvolgende volksverhuizingen) opgezet, maar, zo waren ze het met elkaar eens, ‘het was de oplossing van het minste kwaad’. Ook uit Hongarije, Joegoslavië en Tsjecho-Slowakije moesten de Duitsers verdreven worden. Een totale emigratie van tussen de 5,7 en 7,9 miljoen Duitsers[37] zou in Oost-Europa immers de vrede herstellen tussen de ‘moeilijke Duitsers’ en hun ‘geplaagde buren’.[38] Bovendien werden de beslissingen van Potsdam toen nog opgevat als een voorlopige oplossing, hoewel ze uiteindelijk de facto definitief werden door de migratie van de Polen en de emigratie van de Duitsers.[39]

De Duitse sociaal-democratische SPD had als eerste politieke partij de Oder-Neisse-grens erkend.[40] De Deutsche Demokratische Republik aanvaardde de grens op 6 juli 1950 met het Verdrag van Görlitz[41]; West-Duitsland gaf zich niet zo snel gewonnen, maar uiteindelijk onderschreef ook Willy Brandt van de Bundesrepublik Deutschland dit grensverdrag met het Verdrag van Warschau op 7 december 1970.[42] Toch was de grenskwestie nog steeds niet helemaal opgelost. Na de politieke omwentelingen van 1989 werd Duitsland immers opnieuw eengemaakt, en de bovenvermelde verdragen hadden enkel betrekking op de vroegere Duitse staten. Over de toekomst was dus nog steeds geen duidelijkheid geschapen.[43] Maar ook dit probleem werd snel opgelost: na de val van de Berlijnse Muur ondertekenden de staatshoofden van beide betrokken landen (namelijk de eerste minister van Polen Tadeusz Mazowiecki en bondskanselier Helmut Kohl van de Bondsrepubliek Duitsland) op 14 november 1990 aan Frankfurt aan de Oder een verdrag dat de huidige grenzen officieel vastlegde.[44] Een hernieuwing van de grenserkenning tussen Polen en Duitsland was toen absoluut noodzakelijk om de diplomatieke relaties niet in gevaar te brengen. Want hoewel zowel de DDR als de BRD de Oder-Neisse-grens officieel erkenden, verwees de grondwet van West-Duitsland in 1989 nog steeds naar de grenzen zoals ze in 1937 waren, inclusief dus de gebieden die na 1945 aan Polen overgedragen waren.[45] Rechtse groeperingen uit Duitsland eisten na de eenmaking opnieuw de teruggave van deze gebieden.[46] Het hernieuwde grensverdrag van 1990, dat Kohl en Mazowiecki ondertekenden, moest de verwarring (en een eventueel irredentisme) voor eens en altijd beëindigen.[47] In dit verdrag stond het volgende te lezen.[48]

 

Artikel 1: Het verenigde Duitsland zal de gebieden omvatten van de ‘Deutsche Demokratische Republik’ en van de ‘Bundesrepublik Deutschland’. Deze grenzen zullen vanaf de dag dat dit artikel in werking treedt,van kracht zijn. De erkenning van het definitieve karakter van de grenzen van het eengemaakte Duitsland is een wezenlijk bestanddeel van de vredesorde in Europa.

 

Artikel 2: Het verenigde Duitsland en de Republiek Polen bevestigen zo de grenzen die tussen hen bestaan in een volkenrechtelijk bindend verdrag.

 

Artikel 3: Het verenigde Duitsland heeft geen enkele aanspraak op gebieden, en zal ook in de toekomst zulke aanspraken niet vorderen.[49]

 

 

Naar aanleiding van het grensverdrag van 1990, volgden in de jaren erop nog meer verdragen tussen Polen en Duitsland, die een toekomstige goede en vruchtbare samenwerking moesten garanderen.

 

 

B. DE VERSCHRIKKING VAN DE VERDRIJVINGEN[50]

 

 

Tekstvak: Bark Dennis (1989), From shadow to substance, p. 306.

De nieuwe westgrens van Polen betekende een catastrofe voor de daar nog wonende Duitse bevolking, die haar hebben en houden moest achterlaten en bovendien op haar tocht de terreur van de overwinnaars moest ondergaan.[51] Polen was daarbij niet het enige land in Midden-Europa dat alle ‘Duitse elementen’ uit zijn landsgrenzen verjaagd heeft. Ook Tsjecho-Slowakije, Hongarije Roemenië en Joegoslavië deden ijverig met de verdrijvingen mee.

 

In totaal leefden in 1939 ongeveer 17 miljoen Duitsers in de Oost- en Zuid-Oost-Europese steden: 9,5 miljoen in de gebieden aan de Oder en de Neisse, 1,4 miljoen in het Polen van vóór de grensverschuivingen, 3,5 miljoen in Tsjecho-Slowakije, 786 000 in Roemenië, 623.000 in Hongarije, 537 000 in Joegoslavië en 250 000 in de Baltische Staten en in Memelland.[52] Hiervan zijn er 12 miljoen gevlucht of verdreven.[53]

De verdrijvingen in Centraal- en Oost-Europa

 

 

Tekstvak: Davies Norman (1985), Heart of Europe, a short history of Poland, p. 82.

 

Hoewel het Verdrag van Potsdam humanitaire en ordelijke volksverhuizingen had voorgeschreven, werd al snel duidelijk dat daar door het onbarmhartige optreden van het Rode Leger en de eigen troepen (moord, plundering en verkrachting) niets van in huis kwam. Het Duitse bondsarchief schat dat er in totaal ongeveer 120 000 Duitsers op hun vlucht het leven verloren hebben.[54] Alfred De Zayas spreekt van meer dan twee miljoen dodelijke slachtoffers als gevolg van de gruweldaden.[55] Bovendien wachtten de betrokken landen de overeengekomen datum niet af en beschouwde de Poolse regering de verdreven Duitsers officieel niet als ‘verdrevenen’, maar als ‘vluchtelingen’.[56] Deze fijne woordspeling werd gelegitimeerd door een papiertje dat de betrokkenen bij hun vertrek moesten ondertekenen en waarop stond:

 

1.Wij vertrekken vrijwillig;

2. Wij stellen geen eisen aan de Poolse staat;

3. Wij beloven om nooit meer terug te keren.[57]

 

Dit ‘vrijwillige vertrek’ was een uitvinding van de voorlopige Poolse regering in Warschau (de Regering Nationale Eenheid onder Bolesław Bierut), die hiermee het moratorium van Potsdam wilde tegengaan. Bovendien spraken de Polen niet van ‘verdrijvingen’ maar eerder van het neutralere ‘verplaatsting’ (przesiedlenie).[58]

 

De hamvraag rond de verdrijvingen van de Duitsers draait grotendeels rond het feit of ze niet in meerdere of mindere mate zelf schuld hadden aan het hun aangedane onrecht. Vooral de Polen en de Tsjecho-Slowaken scharen zich nog vaak achter de uitleg dat de verdrijvingen golden als een soort straf voor de oorlogsmisdaden tijdens 1940-45. [59] Zo meent de Poolse historicus Wladysław Bartoszewski[60] in een artikel in het Duitse dagblad Die Frankfurter Allgemeine Zeitung bijvoorbeeld, dat de Duitsers hun behandeling enkel aan zichzelf te danken hadden. Ook Krzysztof Skubiszewski, in 1990 minister van Buitenlandse Zaken, deelt deze mening.[61]

 

[…] Als Duitsers in goederenwagens naar Duitsland gebracht werden, waarin voordien Polen uit Kazachstan of uit andere gebieden van de Sovjet-Unie gedeporteerd werden, is dat in mijn ogen niet te beschouwen als een speciale manier van onderdrukken. Want deze behandeling was geen gevolg van onmenselijkheid, maar wel van de toestand waarin Polen verkeerde, en waaraan Duitsland zelf schuld droeg. Daarom is er een groot verschil tussen het lijden en de narigheid die met de oorlog in verband staan enerzijds en het bewuste doel om mensen te onderdrukken en te vervolgen anderzijds.[62]

 

De enquête Einstellung der tschechischen Gesellschaft zu Deutschland, Ergebnisse einer repräsentativen Untersuchung in der ČR die Friedrich Naumann van de Stiftung Prag in 1995 in Tsjechië heeft uitgevoerd over de verdrijvingen, geeft weer dat zelfs vijftig jaar na de feiten het oordeel van de Tsjechen nog steeds niet gewijzigd is. Slechts 16% van de 1347 ondervraagden beschouwden de verdrijvingen als een ‘onrechtvaardige daad van geweld’, in tegendeel is 68 % van de bevraagden ervan overtuigd dat het een ‘gerechtvaardigde vergelding was voor het onrecht dat de nazi’s in Tsjecho-Slowakije aangericht hadden’.[63]

 

Inderdaad hebben de nazi’s tijdens de oorlog veel leed aangericht, en niet alleen in Tsjecho-Slowakije, ook Polen en andere landen kunnen van de gruwel meespreken. We mogen immers niet uit het oog verliezen dat de nazi’s zelf immense verdrijvingen op touw gezet hadden om plaats te ruimen voor de Duitse Übermensch. Een geheim decreet van Hitler (dat dateert van 7 oktober 1939 om precies te zijn) getuigt van de wens van de Führer om

 

de vreemde elementen in de bevolking uit te roeien, die een gevaar vormen voor het Derde Rijk en de Duitse volksgemeenschap.[64]

 

De Polen —zo’n 700 000 tot 800 000 in totaal —werden hardhandig door de Gestapo en de SS verdreven, en de lokale intelligentsia werd totaal uit de weg geruimd. Tussen 1939, toen de Duitse Wehrmacht Polen binnenviel, en 1945, de uiteindelijke capitulatie, heeft een vijfde van de Poolse bevolking het leven gelaten, verschillende steden zijn in puin en as gelegd, miljoenen mensen zijn in de concentratiekampen om het leven gekomen en duizenden burgers in wraakacties afgeslacht. Ook de Endlösung van de joden behoeft geen verdere uitleg.[65]

 

Anderzijds is de Duitse auteur Ralph Giordano[66] een meer genuanceerde mening toegedaan. Hij beweert dat, hoewel het zonneklaar is dat de Duitsers zelf verantwoordelijk zijn voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog met alle gevolgen van dien, dit toch niet het leed rechtvaardigt van onschuldige burgers, ook al zijn ze dan van Duitse nationaliteit.

 

Earl Jeffrey Richards kadert in zijn bijdrage in het boek Landschaften der Erinnerung[67] de verdrijvingen in het kader van de collectieve schuld, die hoewel niet rechtshistorisch bewezen is, wel een grote rol in het collectieve geheugen heeft gespeeld. De verdrijvingen dragen volgens hem bij tot de huidige Duitse identiteit, net als de misdaden van de oorlog.

 

Pittig detail is de manier waarop de verdrijvingen in de Poolse geschiedenisboeken nog steeds eind 1991 werden voorgesteld:

 

De conferentie van Potsdam besliste over het lot van de Duitse bevolking in de westelijke en noordelijke gebieden. Voor de oorlog leefden er daar ongeveer 8,5 miljoen mensen. De grootste tragedie beleefden de bewoners in de winter van 1944/45, toen op het bevel van de aanhangers van Hitler voor de bewoners van Oost-Pruisen, Pommeren en Silezië de gedwongen evacuatie begon. Het aantal slachtoffers wordt geraamd op twee miljoen. Na de bevrijding van de herwonnen gebieden werd vastgesteld dat er in die regio nog ongeveer drie miljoen Duitsers en een miljoen autochtone Polen achtergebleven waren. In november 1945 besliste de Controleraad van de geallieerden dat de Duitsers uit die gebieden geëvacueerd moesten worden naar de Britse en Sovjetische bezettingszones in Duitsland. Deze emigratie verliep tussen de jaren 1946 en 1949 en betrof minstens 2,3 miljoen mensen. Verder werden nog 700 000 mensen uit Polen geëvacueerd op een niet-georganiseerde manier. Ondanks de moeilijke situatie waarin het land verkeerde, heeft de Poolse overheid zich veel moeite getroost om de vertrekkende burgers transportmiddelen ter beschikking te stellen en hun de toestemming te geven om hun eigendom en levensmiddelen mee te nemen. De verzorging door dokters was verzekerd. [68]

 

De voorstelling in de geschiedenisboeken toont dus aan in hoeverre de Polen het thema liefst mijden, zelfs de term ‘verdrijvingen’ komt er niet in voor. Deze manier van voorstellen staat echter wel onder druk van de jongere generatie van Poolse historici. Deze generatie verwerpt immers dat de Polen enkel de akkoorden van Potsdam uitvoerden. Zij tonen aan dat de verdrijvingen al vóór de ondertekening plaatsvonden. [69] Maar ook hier mogen we niet alle Polen over één kam scheren. Eind jaren 1980 werden de Duitse media aangenaam verrast door de boodschap van de toenmalige Poolse minister van Buitenlandse Zaken Marian Orzechowski, die ter gelegenheid van het bezoek van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Hans Dietrich Genscher in Warschau voor het eerst in jaren het lot van de Duitse Heimatvertriebenen aanhaalde en officieel betreurde. Drie jaar eerder – op 7 mei 1985, ter gelegenheid van de 40ste herdenking van de bevrijding – had ook generaal en eerste minister Wojciech Jaruszelski zich in Wrocław publiekelijk bekommerd getoond over het lot van de Duitsers in Polen na afloop van de oorlog, hoewel hij geen wroeging had:

 

We werden niet geleid door wraakgevoelens. Toen begrepen we, en vandaag is dit nog steeds zo, dat de noodzaak om hun ouderlijk huis te verlaten, voor veel Duitsers zwaar moet gevallen zijn. Deze noodzaak is onlosmakelijk verbonden met het begrijpelijke leed.[70]

 

Maar welke zijn dan de redenen voor de gruwelijkheden waarmee de Vertreibungen gepaard gingen? Een door historici en politologen algemeen aanvaarde theorie is dat de verdrijvingen gedeeltelijk gebaseerd zijn op wraakgevoelens die al van eind jaren dertig in de betrokken landen sluimerden: ze wilden hun onderdrukkers met gelijke munt terugbetalen, en doordat de oorlog een totale oorlog[71] geworden was, vormde dit geen enkel probleem. Na afloop van de Tweede Wereldoorlog waren Duitse burgers vooral in Tsjecho-Slowakije en Polen niet graag gezien. Zij waren immers de oorlogsstichters en de onmensen van de Holocaust.[72] Al tijdens de oorlog hadden de leiders van de Centraal-Europese landen besloten om zich van de onloyale Duitse elementen, van hun fifth column, te ontdoen en duldden ze geen enkele Duitser meer op hun grondgebied.[73] Oorspronkelijk was het echter alleen de bedoeling de rotte appels eruit te plukken. Maar natuurlijk bleef het hier niet bij. Vanuit de overtuiging dat alle leden van de Duitse minderheden loyaal waren aan Hitler, rijpte langzaam het plan om ‘grote schoonmaak te houden’.[74] Onder andere een citaat uit 1943 van de Tsjecho-Slowaakse president Edvard Beneš toont dit aan:

De Duitsers zullen zonder mededogen en in veelvoud terugbetaald krijgen wat ze in ons land al sinds 1938 aangericht hebben.[75]

 

Reeds in oktober 1945 gingen de zogenaamde Beneš-decreten[76] van kracht, die Duitsers van hun rechten en bezittingen beroofden.[77] Het eerste decreet dateert van 15 oktober 1940, het laatste van 27 oktober van hetzelfde jaar. Het vijfde was noodlottig voor de Sudetenduitsers in Tsjecho-Slowakije. Het luidde:

Personen die van staatswege onbetrouwbaar zijn, mogen hun bezittingen en vermogen ontnomen worden. Deze onbetrouwbare personen zijn volgens het decreet Duitsers of Magyaren.[78]

De Zayas Alfred (1993),  Anmerkungen,  p. 137.

 

De Zaya

 

Met het twaalfde decreet verloren alle mensen van Duitse of Hongaarse nationaliteit hun vermogen. De totale onteigening volgde in het 108e decreet. [79] Bovendien moesten alle Duitsers vanaf de leeftijd van zes jaar een kenteken dragen dat hun Duitse nationaliteit kenbaar maakte: een witte cirkel van twe een witte cirkel van 15 cm doorsnede met daarop een zwarte N geborduurd van Němci (Duitser). De N moest twee cm breed zijn. De Duitsers moesten het teken, qua symboliek analoog aan de Davidster die de joden moesten dragen, op hun linkerborst spelden. Verder kregen ze een verbod opgelegd om het openbaar vervoer te gebruiken en werd hun een avondklok opgelegd die om acht uur ’s avonds inging. Bovendien moesten ze, wanneer ze een Russisch of Tsjecho-Slowaaks officier tegenkwamen, hun hoed of pet afnemen en eerbiedig buigen.[80]

 

In Polen werden er eveneens dergelijke wetten uitgevaardigd die personen met de Duitse nationaliteit uit de Poolse gemeenschap sloten en die de Poolse staat de macht gaven om Duits vermogen op te eisen.[81] In 1944 werd er bovendien een decreet afgekondigd dat de Duitse burgers in Polen helemaal van hun rechten beroofde.[82]

 

 

Tekstvak: De Zayas Alfred (1993), Anmeruungen, p. 121.

Naast deze decreten werden er ook speciale strafrechtbanken in het leven geroepen voor de vervolging en de veroordeling van de ‘fascistische aanhangers van Hitler’. [83] Daarnaast was er tijdens die periode nog sprake van een ander document, dat van de verdrijvingen een politiek ondersteund initiatief maakte. Het Manifest van het Poolse Comité der Nationale Bevrijding PKWN (Polski Komitet Wyzwolenia Nardowego)[84] dateert van 22 juli 1944 en stelde dat

 

Het uur der wraak op de Duitsers was aangebroken; voor de kwellingen en het lijden, voor de afgebrande dorpen, de verwoeste steden, de vernielde kerken en scholen, voor de arrestaties, de kampen en de fusillades, voor Auschwitz, Majdanek, Treblinka en voor de moorden in de getto’s. [85]

 

De Duitsers die na de afloop van de oorlog nog in Polen zouden wonen, moesten worden gestraft en teruggestuurd.

 

Nochtans zijn de wilde verdrijvingen méér geweest dan enkel wraak op het volk van de bezetters. Der Spiegel, een Duits weekblad dat in 2002 een vierdelige serie heeft uitgebracht over de verdrijving van de Duitse minderheden uit Centraal- en Oost-Europa, denkt dat ook een jarenlang voorbereide politiek van nationale belangen de verdrijvingen ondersteunde. De wens om etnisch gezuiverde natiestaten op te bouwen werd immers niet alleen door Hitler en zijn kompanen gekoesterd, maar werd ook door zijn vijanden gedeeld. Elk land in Centraal- en Oost-Europa wilde zijn Duitse minderheden kwijt. Lukte dit niet aan de hand van orderly transfers, zoals de term in Engeland gangbaar was, dan vormde geweld nog een noodoplossing.[86] Ten derde pasten de verdrijvingen in het kraam van het communisme: op basis van de gruwelijke en radicale wijze waarop de Duitse minderheden overal uit de Centraal- en Oost-Europese landen uit hun huis gezet waren, kon de Communistische Partij haar dictatuur vestigen en haar aanzien vergroten, hoewel ze op grond van haar ideologie andere oplossingen had moeten vinden.[87]

 

Nadat de regeling in het Verdrag van Potsdam aangenomen was, trokken de geallieerden zich nog weinig van het verloop van de verdrijvingen aan.[88] Ze beschouwden het hele gebeuren als een interne aangelegenheid van de betrokken landen.[89] Het enige waar de westerse mogendheden op stonden, was dat de ‘bevolkingstransfers zo ordelijk en menselijk mogelijk’ verliepen. Bovendien wilden ze eerst de afloop van de oorlog afwachten. Waar de leiders in Potsdam echter geen rekening mee hadden gehouden, was dat Polen erg onder druk stond van Stalin, die zijn oostelijke gebieden al meteen had opgeëist en er zijn burgers naartoe gestuurd had. De daar wonende Polen moesten wijken voor de Russen en trokken bijgevolg op weg naar hun nieuwe thuis in het westen van Polen, waar nog Duitsers huisden. Vaak was het zelfs het geval dat de Duitsers hun huizen nog niet verlaten hadden, toen de Poolse nieuwe bewoners al voor de deur stonden. De Duitsers hadden geen andere keuze, en moesten in de kelder verblijven tot ze konden vertrekken.[90] Velen dachten echter dat hun vlucht maar tijdelijk zou zijn, en dat ze na verloop van tijd, als de gemoederen wat bedaard waren, naar hun thuis zouden kunnen terugkeren.

 

Hoewel het Verdrag van Potsdam had voorgeschreven dat de verdrijvingen pas in die zomer van start mochten gaan, begonnen Polen en Tsjecho-Slowakije al heel wat vroeger met hun ‘zuiveringen’. Al in 1944 trok een voorhoede van het Rode Leger steeds verder naar het westen, op hun weg plunderend en moordend. Het Sovjetleger was ongenadig, soldaten werden opgehitst om zoveel mogelijk slachtoffers te maken. Op Russische pamfletten stond te lezen:

De Duitsers zijn geen mensen. Vanaf dit ogenblik staat het woord ‘Duitser’ voor ons gelijk met het ergste scheldwoord… Voor ons is er niets leukers om zien dan Duitse lijken.[91]

 

In de soldatenkrant De Rode Ster stond eveneens dergelijk anti-Duits propaganda te lezen:

 

Het is voor ons niet voldoende om de Duitsers naar het westen te verdrijven. Ze moeten het graf ingejaagd worden. Een verslagen Fritz is beter dan een onbeschofte Fritz, maar van alle Fritzen zijn de dode nog de beste. [92]

 

Andere vaak gehoorde voorwendsels zijn:

 

Wij nemen wraak op de Duitsers voor alle schanddaden die ze ons hebben aangedaan. Het is ons recht om met deze Duitse schoften af te rekenen; Dat de Duitse moeders de dag mogen vervloeken dat ze een zoon gebaard hebben; Dat de Duitse vrouwen de verschrikkingen van de oorlog aan den lijve mogen ondervinden; Wat ze de andere volkeren wilden aandoen, zullen ze nu zelf ook ondergaan! [93]

 

 

Tekstvak:              De Zayas Alfred (1993), Anmerkungen, p. 63.

Op 21 oktober 1944 viel een voorhoede van het Rode Leger onder invloed van deze gedachtegang het Oost-Pruisische Nemmersdorf binnen. Toen het Duitse leger het dorp opnieuw had veroverd, werd het geconfronteerd met een afschrikwekkend beeld van vernietiging, plundering, verkrachting en sadistische moorden. De straten en tuinen lagen bezaaid met lijken van mannen, vrouwen, kinderen en ouderlingen die niet op tijd waren kunnen vluchten. In totaal ging het om dertig mannen, twintig vrouwen en vijftien kinderen.[94] Veel vrouwen werden eerst verkracht voordat ze met een paar schoten werden afgemaakt.[95]

 

Het bloedbad van Nemmersdorf herhaalde zich tijdens de laatste maanden van de oorlog in ontelbare andere dorpen in de buurt van Oost-Pruisen, Pommeren en Silezië.[96] Anonieme getuigenissen van Duitse soldaten geven een beeld van de misdaden die ze in de dorpen aantroffen na de doortocht van de Sovjettroepen: in het dorp Metgethen tussen Königsberg en Pillau zijn er tussen 19 en 24 februari 1945 meer dan 200 doden gevonden. Vrouwen en meisjes tussen de 10 en de 80 jaar zijn verkracht en dan vermoord. In het station van het dorp vonden de soldaten een stilstaande trein met zeven wagons. In elke wagon lagen zeven tot negen verminkte lijken. Op het tennisveld van het dorp zagen de soldaten een krater veroorzaakt door een bom of een mijn. Hij was ongeveer vier meter diep en had een doorsnede van tien meter. In en rond de put, net als in bomen in de onmiddellijke omgeving lagen besmeurde en verminkte lijken en lichaamsdelen van mannen, vrouwen en kinderen. De lichaamsdelen lagen verspreid in een straal van tweehonderd meter. Het is waarschijnlijk dat de Russen de vluchtelingen op het tennisveld hadden samengedreven en er daarna een bom op gedropt hadden.[97]

 

Maar ook op hun tocht bleven de vluchtelingen niet gespaard. De Gustloff,[98] een luxeschip dat werd omgebouwd tot drijvend hospitaal, evacueerde vluchtelingen over het water. Op 30 januari 1945 vertrok de boot opnieuw vanuit de haven van Gdańsk richting Hamburg met meer dan 10 000 vluchtelingen aan boord. Het Rode Leger was echter in het tegenoffensief gegaan, en heeft de Gustloff getorpedeerd. Vier torpedo’s, elk getooid met de naam van de afzender, maakten van het schip het graf van bijna 10 000 mensen. Slechts 996 konden tijdig uit het ijs worden gehaald. Andere vluchtelingen wilden te voet over het ijs ontsnappen, maar een paar welgemikte salvo’s van de Russen sneden hen de pas af. Mensen werden neergemaaid en het ijs voor hun voeten stukgeschoten zodat ze erdoor zakten. Schattingen ramen dat ongeveer een half miljoen mensen op deze manier om het leven kwamen.[99]

 

Miljoenen Duitsers, vooral burgers, sloegen voor het ‘Rode Gevaar’ op de vlucht. Maar ook toen het Duitse leger verslagen was, stopte de vluchtelingenstroom niet. Integendeel, tussen mei en juli 1945 gingen de verdrijvingen pas officieel van start. Volgens het plan dat de Controleraad van de geallieerden een paar maanden eerder had opgesteld, moesten er vanuit Tsjecho-Slowakije, Polen, Oostenrijk en Hongarije in totaal 6 650 000 Duitsers geëmigreerd worden naar de bezettingszones binnen de grenzen van Duitsland. De richtlijnen stonden hen toe om zoveel bezittingen mee te nemen als ze konden dragen, en afhankelijk van het gebied waarin ze woonden, mochten ze soms nog een som geld meenemen. Luxegoederen en juwelen moesten ze echter achterlaten. [100]

 

 

Tekstvak:         De Zayas Alfred (1993), Anmerkungen, p. 131.

Vanaf de capitulatie van het Duitse leger op 8 mei 1945 breidden de verdrijvingen zich ook uit tot Roemenië, Joegoslavië en Hongarije. Rond die periode brak er in Praag namelijk een opstand uit tegen de bezetters in de vorm van wraakacties gericht tegen Duitse soldaten en burgers. Toen de Tsjecho-Slowaken een radiopost in handen kregen schalmde ook daar de boodschap ‘Dood aan de Duitsers’ (Smrt Nĕmcum).[101] Duitse soldaten werden vaak ontwapend en opgehangen of levend verbrand. Duitse burgers werden gevangen genomen en/of vermoord. Zo werden op 30 mei 1945 30 000 Duitsers hardhandig het land uitgejaagd. Getuigenissen zeggen dat de vrouwen slechts tien minuten de tijd kregen om hun kinderen te wekken en gepakt en gezakt voor de deur te staan. Ze moesten bereid zijn om de stad voorgoed te verlaten. De vluchtelingen werden over de Oostenrijkse grens gedreven, maar de autoriteiten daar wilden hen niet opvangen. Ze werden dan maar op een open veld bijeengedreven dat tot kamp was omgedoopt. [102]

 

Toen de geallieerden zagen dat ze hun geplande moratorium niet konden doordrukken — hoewel dit uitdrukkelijk in het Verdrag van Potsdam vermeld stond — probeerden ze de verdrijvingen georganiseerd te laten verlopen.[103] Pas vanaf 1946 lukte dit min of meer, doordat de westerse mogendheden quota’s opstelden voor de bezettingszones en ze regelingen troffen voor de transportmogelijkheden van de Duitse burgers. Zo kweet de Britse regering zich van de taak om met de Polen te overleggen over het aantal ‘gedwongen verhuizers’, over de samenstelling van de groepen, de vertrektijden van de treinen, ontsmettingsmaatregelen, de bescherming van zieken en de omvang van de bezittingen van de ontheemden. De verdrevenen mochten van de geallieerden 500 Rijksmark meenemen. Regels en realiteit kwamen weliswaar nog steeds niet overeen, maar het initiatief was toch al een goed begin om de wilde verdrijvingen tegen te gaan. Tegen het einde van 1947 namen dan tenslotte ook de georganiseerde verdrijvingen af, wat echter niet wil zeggen dat er helemaal een einde aan kwam: ook nog in de daaropvolgende jaren (1949-1950) werden jaarlijks nog ongeveer tienduizend Duitsers hardhandig verwijderd.

 

Maar niet alle Duitsers waren in de periode tussen 1945 en 1950 Polen en Tsjecho-Slowakije ontvlucht. De toestand van de achterblijvers was echter nauwelijks beter te noemen dan die van de verdrevenen. Duizenden van hen zijn in kampen terechtgekomen. In het Oberschlesische Swientochlowice werd het vroegere concentratiekamp Łambinowice van de nazi’s omgebouwd tot interneringskamp voor de Duitsers. In deze kampen zijn tussen augustus 1945 en de herfst van 1946 zo’n 6480 Duitsers – waarvan 623 kinderen – om het leven gekomen.[104] Łambinowice was echter niet het enige kamp waarin Duitse burgers werden verzameld. Berichten aan het Foreign Office beweren dat bijna alle concentratiekampen door de overwinnaars werden overgenomen en door Poolse volkslegers geleid. Rapporten getuigen dat slachtoffers die niet van honger of door marteling omkwamen, nacht na nacht tot hun hals in het koude water moesten staan, tot ze bezweken. Ook in andere kampen was het gehuil van de slachtoffers ver te horen. Tegen 1947 waren de meeste Duitse gevangen al omgekomen.[105]

 

 

C. DE INTEGRATIE VAN DE HEIMATVERTRIEBENEN IN DE DDR EN DE BRD

 

Tekstvak: De Zayas Alfred (1993), Anmerkungen, p. 176.

Toen de Vertriebenen dan uiteindelijk na een zware tocht en veel ontberingen in hun nieuwe thuisland aankwamen, was hun ellende echter nog steeds niet voorbij. Duitsland, totaal verwoest na de oorlog, was niet voorzien op deze mensenstroom.[106] Al op 1 april 1947 werden er in de vier bezettingszones van Duitsland ongeveer tien miljoen verdrevenen geregistreerd.[107] Er was voedsel noch sanitair en bovendien een gigantisch woningtekort: veel steden (zoals Berlijn en Dresden) hadden tijdens de oorlog materieel grote schade geleden en het was al onmogelijk om in het levensonderhoud van de lokale bevolking te voorzien, laat staan in dat van de honderdduizenden migranten.[108] Naast de financiële en materiële moeilijkheden was er nog de cultuurschok. Om al deze redenen verliepen de relaties tussen de Duitse staatsburgers en de verdrevenen aanvankelijk eerder stroef.[109]

 

Veel van de ontheemde Duitsers kwamen in de eerste plaats in de DDR terecht en in de regio’s rond Schleswig-Holstein, Niedersachsen en Beieren. De vluchtelingen maakten er in 1949 zelfs een groot deel van de bevolking uit: in Schleswig-Holstein 35,2%, in Niedersachsen 26,4% en in Beieren 29,7%. In Beieren sprak men zelfs laatdunkend van de ‘vierde stam van Beieren’ als men de gevluchte Sudetenduitsers bedoelde.[110] In bepaalde dorpen en steden woonden er uiteindelijk meer verdrevenen dan plaatselijke bewoners.[111] Om dit probleem op te lossen werden er initiatieven op poten gezet om de Vertriebenen beter te begeleiden. Een echte sociale machine kwam op gang, met nooit eerder geziene acties. [112] Een van de genomen maatregelen was de organisatie van de verhuizing van verdrevenen naar gebieden die meer faciliteiten hadden om hen op te vangen. Op die manier begon een tweede grote migratiegolf, deze keer op vrijwillige basis.[113] In november 1949 werd er een verordening uitgevaardigd, die de verhuizing regelde van de verdrevenen uit de overbevolkte gebieden in Beieren, Nieder-Sachsen en Schleswig-Holstein naar andere Bundesländer zoals Noordrijn-Westfalen, Baden-Württemberg, Hessen en Rijnland-Pfalz. Tussen 1949 en 1953 werden op die manier 540 000 vluchtelingen opnieuw verhuisd.[114] De aangegeven redenen draaiden rond mogelijkheden tot huisvesting, arbeid, familieherenigingen enzovoort.[115] Tegen het einde van 1950 had 63,5 % van de verdrevenen zich in de BRD en 32,2% in de DDR gevestigd.[116] Een kleine groep emigreerde zelfs naar het buitenland.[117]

 

In West-Duitsland werden de Vertriebenen anders opgevangen dan in Oost-Duitsland. De DDR erkende de problematiek van de verdrijvingen niet. Het thema van de Heimatvertriebenen[118] verdween al in 1948 uit de publieke en officiële aandacht en uit de openbaarheid. De term zelf werd vervangen door eufemismen zoals Umsiedler (geëmigreerden) of vluchteling, wat meer voldeed aan de criteria van de political correctness.[119] Het centrale bestuur voor de geëmigreerden, die Zentralverwaltung für Umsiedler (ZVU), werd al in hetzelfde jaar ontbonden en de betreffende dossiers over de vier miljoen Umsiedler vernietigd. De emigratiewet van 1950, die de levensomstandigheden van de vluchtelingen in de DDR moest verzekeren, had het probleem voor eens en altijd opgelost.[120] Oost-Duitsland behoorde immers tot de communistische invloedszone, en meegaand met de filosofie die tijdens het communisme ook in Polen gangbaar was, erkenden ze de Heimatvertriebenen niet, net zoals ze weigerden te erkennen dat de Poolse gebieden enkele jaren geleden nog tot Duitsland hadden behoord. [121] Pas midden de jaren 1980 verschenen er in de DDR documentaires over de verdrijvingen en kregen ze een plaatsje in de geschiedenis.[122]

 

In de BRD werden de Vertriebenen wél officieel[123] erkend, zij het dan dat ze meestal de naam van ‘vluchteling’ meekregen.[124] Ze kregen financiële steun om in hun nieuwe thuisland een nieuw leven op te bouwen. Andere initiatieven waren eerder van juridische aard. In 1949 ontstond er in de BRD in dit kader een wet voor onmiddellijke hulp, de Soforthilfegesetz,[125] wat later gevolgd door een wettelijke regelgeving voor de vestiging van de vluchtelingen. Het kernstuk vormden echter de wetten op de evenredige schadeloosstelling voor geleden oorlogsschade (Lastenausgleichgesetz, LAG)[126] van 1952 en de verdrevenenwet (Bundesvertriebenengesetz) van 1953.[127] Deze wet erkende voor het eerst de verdrevenen ook juridisch en zorgde er bovendien voor dat het statuut van verdrevene erfbaar werd, zodat ook de kinderen van de slachtoffers, die in de BRD geboren waren, recht kregen op een Vertriebenenausweis – een soort bewijs dat ze verdreven waren en dat hun bepaalde privileges verschafte. Zo beloofde de wet hun hulp om zich in te burgeren en compensatie voor de geleden schade. De financiële steun bedroeg gedurende de volgende vijf jaar 100 miljoen DM voor een eventuele vestiging[128] De verdrevenen hielpen echter ook op hun beurt mee aan de heropbouw van West-Duitsland, de inspanningen kwamen dus van beide zijden. Zo zou het Wirtschaftswunder dat de BRD na de oorlog weer zo snel op de been gebracht heeft, nooit hebben kunnen plaatsvinden zonder de extra werkkrachten die de verdrevenen vormden.[129]

 

Bovendien werden er organisaties opgericht die zich niet alleen met de economische, maar ook met de psychologische kant van de integratie van deze mensen moesten bezig houden, zoals het Bundesministerium in Bonn. Op 6 mei 1949 besloot bovendien het hulpcomité uit Poznań om een Landsmannschaft op te richten op federaal niveau.[130] Op 4 oktober 1949 ontstond hiernaast het Landsmannschaft Weichsel-Warthe, dat een centrale vertegenwoordiging van de Duitsers uit Polen wilde bewerkstelligen. Stilaan ontstonden er in alle Bundesländer Landsmannschaften voor de Heimatvertriebenen.[131] De meeste werden immers per Bundesland opgedeeld en hebben een positieve rol gespeeld in het verwerkings- en integratieproces van de slachtoffers in Duitsland.[132] In de eerste maanden hielden de organisaties zich vooral bezig met het registreren van de vluchtelingen en het opstellen van adressenlijsten om zoveel mogelijk mensen op te sporen en gezinnen informatie te kunnen verschaffen over vermiste familieleden.[133] In de loop der maanden ontwikkelden deze organisaties zich echter als officieel erkende instituties die de belangen van de Heimatvertriebenen verdedigden.

 

Pas vanaf 1949 mochten de Vertriebenen zich van de geallieerden ook politiek organiseren. De belangrijkste partij in die periode was het Block der Heimatvertriebenen und Entrechteten (BHE), dat in 1950 in Bonn in de Britse bezettingszone ontstond.[134] Het Block, dat onder leiding stond van Waldemar Kraft (tijdens de oorlog nochtans lid van de nazi-partij[135]) zetelde een tijdje in de Duitse Bundestag (de Tweede Kamer van het Parlement). Vooral tijdens de verkiezingen voor de Landtag (parlementen voor de verschillende deelstaten) scoorde het Block in de jaren vijftig goed, maar desondanks verloor de partij snel aan invloed. Al in 1957 raakte ze niet meer voorbij de vijf-procent-drempel.[136] Vanaf 1961 ging het Block op in de Gesamtdeutsche Partei (GDP).[137] Eens na de integratie van de verdrevenen verloor de GDP echter aan belangstelling en maakte ze zichzelf overbodig. Vanaf de jaren 1970 is er van de organisatie nog weinig sprake omdat ze helemaal is opgegaan in de Duitse christen-democratische partij CDU.[138]

 

De Bund der Heimatvertriebenen (BdV)[139] ontstond eveneens in 1950. Oorspronkelijk was ze actief als een politieke partij, maar algauw slonk haar populariteit en is ze moeten opgaan in de CDU, hoewel ze als belangenorganisatie nog onder dezelfde naam verder opereert. In de beginjaren was de organisatie, die op federaal niveau werkte, vertegenwoordigd in de Bundesversammlung. Deze instelling bestaat uit groepen van specialisten die zich op verschillende terreinen bezighouden, zoals op het gebied van Cultuur. De associatie onderhield onder andere contacten met de andere grote Vertriebenen-organisaties en had connecties op de Ostdeutscher Kulturrat in Bonn.[140] Daarnaast behartigde de BdV (en dat doet ze nog steeds) ook de zogenaamde Heimatpolitik: ze onderhield contacten met de verdrevenen, hield zich bezig met de economische en sociale problemen en hield toezicht op de contacten tussen de verdrevenen en Berlijn. De Bund was vooral actief in Neder-Silezië[141] en telde 16 bonden op Bundesland-niveau (de Landesverbände zoals het Landesverband Baden-Württemberg, Landesverband Bayern, Landesverband Berlin, Landesverband Brandenburg, Landesverband Bremen, Landesverband Hamburg, Landesverband Hessen, enzovoort) en 21 verenigingen (Landsmannschaften) met 3900 plaatselijke kringen. De hele organisatie zou ongeveer twee miljoen leden tellen.[142] Vooral de Bund der Heimatvertriebenen heeft een heel belangrijke rol gespeeld in het integratieproces van de Vertriebenen. Ze heeft zelfs een Charta opgericht dat de rechten, maar vooral de plichten, van de ontheemde Duitsers op papier heeft gezet.

 

Tekstvak: De Zayas Alfred (1993), Anmerkungen, p.188.

Dit Charta was oorspronkelijk het product van twee centrale organisaties die zich om de verdrevenen bekommerd hebben, namelijk die Vereinigten Ostdeutschen Landsmannschaften en der Zentralverband der vertriebenen Deutschen.[143] Reeds in november 1949 namen deze beide organisaties het initiatief om een document op te stellen, dat de status zou verwerven van een internationale betuiging van vrede en menselijkheid, de Magna Charta der Heimatvertriebenen. Op 5 augustus 1950 werd het document bekend gemaakt. In de buurt van Stuttgart verzamelden zich afgevaardigden van dertig vooraanstaande Vertriebenen-organisaties, die het Charta ondertekenden. Geen van de ondertekenaars zou het Charta echter ook mondeling verkondigen. Dit was een symbolische geste om de anonieme verdrevene eer te bewijzen. De naamloze verdrevene vertegenwoordigde immers miljoenen betrokkenen en slachtoffers.[144]

Het Charta stelt echter geen eisen, wat het merendeel van de belangengroepen wel doet. Het wijst in de eerste plaats op de plichten van de Heimatvertriebenen en pas in tweede instantie schenkt het document aandacht aan de rechten en eisen van de ontheemden. De Heimatslosen beschouwen het Charta als hun grondwet. In het Charta staat onder meer te lezen:

1. De Heimatvertriebenen zien af van wraak en vergelding…;

2. De verdrevenen zullen elk initiatief tot een nieuw begin dat gericht is op de stichting van een verenigd Europa met alle krachten steunen. In dat Europa moeten alle volkeren zonder vrees en dwang kunnen leven;

3. De verdrevenen zullen door noeste en onversaagde arbeid meewerken aan de opbouw van Duitsland en Europa…[145]

 

Verder verlangen de Heimatvertriebenen wel dezelfde rechten als de Duitse staatsburgers, een eerlijke verdeling van de lasten van de oorlog, een zinvolle integratie in alle beroepstakken en een actieve deelname in de wederopbouw van Europa.[146]

Van 1959 tot 1963 was Hans Krüger, vroeger lid van de NS, president van de BdV.[147] Wenzel Jacksch (1964-1966) was zijn opvolger, op zijn beurt gevolgd door Reinhold Rehs (1967-1970), Hebert Czaja (1970-1994), Fritz Wittmann[148] (1994-1998) en nu (sinds 1998) Erika Steinbach.[149] Deze laatste (geboren in 1943, lid van de CDU) is naast voorzitster van de Bund der Heimatvertriebenen und Entrechteten ook het hoofd van de Landsmannschaft West-Pruisen.[150] Ze draagt zelf een verleden van ‘ontheemde’ mee: als tweejarige is zij met haar familie (haar vader was tijdens de oorlog soldaat in de bezette gebieden) uit Gdynia (Gdingen) verdreven, samen met de Duitse strijdkrachten.[151]

 

De organisaties beperkten zich echter natuurlijk niet alleen tot de verdrevenen uit Polen. Verschillende Landsmannschaften, zoals de Deutsch-Baltische Landsmannschaft, de Landsmannschaft der Banater Schwaben e.V, de Landsmannschaft der Donauschwaben, de Karpatendeutsche Landsmannschaft Slowakei e.V., de Landsmannschaft der Deutschen aus Litauen e.V., en nog ontelbare meer, verdedigden de belangen van de vluchtelingen uit de andere Europese landen zoals Hongarije, Tsjecho-Slowakije, Litouwen enzovoort.

 

Vanaf de jaren 1960 beschouwde de overheid de integratie van de verdreven Duitsers als afgelopen. Toch wilde deze inburgering niet zeggen dat de gevolgen van de verdrijvingen even snel vergeten waren, toch niet in de politieke wereld. Nog in 1969 vormden de belangen van de verdrevenen een belangrijke factor in de verkiezingen. Bijna twintig jaar na de feiten oefenden de Vertreibungslandsmannschaften nog steeds een grote invloed uit op het politieke leven. Maar ondanks de grote politieke aandacht bleef het thema de volgende jaren zowel in Duitsland als in de Oost-Europese betrokken landen eerder een taboe. In Der Spiegel van 25 maart 2002 vertelt professor Wehler[152] dat de Vertreibungskwestie in Duitsland nooit veel aandacht gekregen heeft, en dat pas onlangs de terughoudendheid er rond afgenomen is. In de jaren vijftig had hij weliswaar meegewerkt aan een documentatiemap over dit onderwerp, maar deze is nooit in de boekenwinkels verschenen. De Duitsers wilden er immers niet op gewezen worden dat de verdrijvingen van hun eigen volk misschien niet zo hardhandig gebeurd waren – of misschien zelfs helemaal niet – als de nazi’s niet zo lelijk huis gehouden hadden. En in de jaren zestig was niemand echt in het thema geïnteresseerd: er stond een soort emotionele rem op. Oost-Duitsland ontkende het probleem eenvoudig en in West-Duitsland werd heel hard geprobeerd om het verband tussen de bezettingspolitiek en de verdrijvingen te verdringen naar een donker hoekje in de geschiedenis.[153] Pas eind jaren zeventig is die mentaliteit wat gewijzigd door tentoonstellingen en door de openheid waarmee Polen ermee omging.

 

De Polen reageren de laatste jaren echter opnieuw erg gevoelig op het verdrijvingsthema, en laten over het algemeen opnieuw weinig sympathie blijken voor de Duitse slachtoffers. De atmosfeer verzuurde vooral door het initiatief van Erika Steinbach om in Berlijn een Zentrum gegen Vertreibungen op te richten en door de opnieuw opduikende eisen tot schadevergoeding van zowel Duitsers als Polen. In 2000 werd bovendien nog een nieuwe organisatie opgericht, Preußische Treuhand[154] wat opnieuw voor commotie zorgde. De Treuhand heeft namelijk tamelijk radicale opvattingen over de rechten van de Heimatvertriebenen [155] en wil Duitse ontheemden die naar hun geboortestreek willen terugkeren (schattingen spreken van één tot drie procent), helpen om hun verloren eigendom in de vroegere Duitse Oostprovincies terug te krijgen.[156] De voorzitter van de Treuhand,[157] een naamloze vennootschap met zetel in Bonn, is Rudi Pawelka.

 

 

3. HET ZENTRUM GEGEN VERTREIBUNGEN [158]

 

Op 19 maart 1999 ontstond in de schoot van de Bund der Heimatvertriebenen het idee om een project uit te werken dat de grote verdrijvingen in Europa tijdens de twintigste eeuw zou weergeven, met vooral speciale aandacht voor de Duitse slachtoffers. Dit idee mondde op 6 september 2000 uit tot een nieuwe organisatie: de Stiftung Zentrum gegen Vertreibungen, met zetel in Wiesbaden. De organisatie wordt geleid door Peter Glotz en Erika Steinbach, eveneens voorzitster van de BdV. De Stiftung heeft volgens haar twee bezielers vier doelen te verwezenlijken:

 

1.De Stiftung wil in de eerste plaats in Berlijn een algemeen overzicht geven van het lot van de meer dan 15 miljoen Duitsers die na de Tweede Wereldoorlog uit Midden-, Oost- en Zuid-Oost-Europa verdreven zijn. Het doel van het Zentrum gegen Vertreibunge