De Heimatvertriebenen en Polen: de blijvende schaduw van WO II. (Sofie Decoster)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

1. INLEIDING

 

Hoewel overal in Europa dit jaar de zestigste verjaardag van de bevrijding herdacht is, zijn de wonden die toen geslagen zijn nog lang niet geheeld, vooral in Polen niet. De aanwezigheid van de concentratiekampen (vooral Auschwitz (Oświęcim) en Treblinka), de grensverschuivingen van Polen in het oosten en het westen, de moderne stedenbouw (vele steden – zoals Warschau – werden tijdens de oorlog totaal verwoest en zijn na 1945 bijna volledig heropgebouwd), het drama van de 15 000 vermoorde Poolse officiers in Katyń, de vele slachtoffers die de oorlog niet overleefd hebben en nog zoveel andere ‘spoken’ zorgen ervoor dat de gruwelen van de oorlog in Polen niet snel vergeten zullen worden. Het heeft erg veel diplomatieke heksentoeren gekost om de Polen en de Duitsers de strijdbijl te laten begraven.

 

De laatste jaren zijn de relaties tussen Polen en Duitsland door de naweeën van de Tweede Wereldoorlog echter opnieuw verslechterd. Oude trauma’s zoals de verdrijvingen, de heropening van oude eisen tot schadevergoeding en de aandacht voor het eigen leed zijn recentelijk (met name in de jaren 2003 en 2004) opnieuw in de Duitse en Poolse media opgedoken. Natuurlijk beperkt de erfenis van de oorlog zich niet tot deze twee thema’s, maar ik heb mij in deze verhandeling toch enkel willen toespitsen op de twee jongste gebeurtenissen, namelijk het initiatief van de Duitse Bund der Vertriebenen om een Zentrum gegen Vertreibungen op te richten en de in de zomer van 2004 — aan zowel Poolse als Duitse zijde — opnieuw opgedoken schadeclaims.

 

In het eerste hoofdstuk geef ik het historische kader waarin de verdrijvingen van de Duitse bewoners uit de Centraal- en Oost-Europese landen na afloop van de Tweede Wereldoorlog hebben plaatsgevonden. Dit hoofdstuk verklaart de redenen voor deze verdrijvingen, waarom ze met zoveel geweld gepaard gingen en hoe de Heimatvertriebenen in hun nieuwe thuisland zijn opgevangen. Er zal ook duidelijk worden waarom de verdrijvingsacties al veel sneller van start gingen dan de geallieerde mogendheden gepland hadden.

 

Het tweede deel is gewijd aan de recente gebeurtenissen die de verdrijvingspassages uit de geschiedenis opnieuw van onder het stof halen, en zo de relaties tussen Duitsland en Polen opnieuw ondermijnen. Dit hoofdstuk handelt namelijk over het project van de Duitse CDU-politica Erika Steinbach om een Zentrum gegen Vertreibungen op te richten. Steinbach wil namelijk de wereld ook laten kennismaken met de vergeten slachtoffers van de oorlog, namelijk de Duitse verdrevenen. Dit wil ze verwezenlijken aan de hand van een documentatiecentrum dat de Bund der Vertriebenen — de belangenorganisatie van de Duitse verdrevenen — in Berlijn wil oprichten en dat de geschiedenis van de verdrijvingen wil etaleren. Het project heeft echter zowel aan Poolse als aan Duitse zijde een grote polemiek teweeggebracht. Deze strubbelingen worden geïllustreerd aan de hand van een paar meningen die ik in Duitse kranten en tijdschriften gevonden heb.

 

In het derde hoofdstuk wijd ik aandacht aan de opnieuw opgedoken eisen tot schadevergoeding, die grotendeels een gevolg zijn van de ijver van de verdrevenenorganisaties om het onrecht aan hun verdreven medeburgers goed te maken. Hoewel Polen en Duitsland bilaterale verdragen hadden gesloten die voor eens en altijd een punt moesten zetten achter deze periode, proberen zowel Duitsers als Polen opnieuw een financiële vergoeding te krijgen voor het leed dat hun familie (want vaak gaat het om nakomelingen) zestig jaar geleden te verduren kreeg. De Duitsers uit de Oder- en Neisse-gebieden worden door de verenigingen zelfs aangezet om hun vroegere eigendom terug te eisen. Ook deze situatie drukt zwaar op de toenaderingspogingen tussen Duitsland en Polen.

 

Wat de werkwijze betreft die ik voor deze verhandeling gehanteerd heb, heb ik mij voor het eerste hoofdstuk en de historische omkadering zoveel mogelijk gebaseerd op de bestaande standaardwerken over de betreffende thema’s. De auteurs die ik hiervoor geraadpleegd heb zijn voornamelijk Norman Davies, Christof Ennekens, Goedele De Keersmaeker, Alfred Maurice De Zayas, Dieter Bingen en Z. Anthony Kruszewski. Het tweede en derde hoofdstuk zijn hoofdzakelijk gebaseerd op artikels uit het Duitse weekblad Der Spiegel en het dagblad Die Frankfurter Allgemeine Zeitung. Uit deze bronnen heb ik geput om de heersende atmosfeer in Polen en Duitsland te analyseren en om een aantal meningen over beide gebeurtenissen tegenover elkaar te stellen. Ik heb geprobeerd om deze Duitse bronnen zo objectief mogelijk te bewerken en er zoveel mogelijk Poolse gezichtspunten uit te halen.

 

Wat deze verhandeling echter enigszins beperkt, is de afwezigheid van Poolse bronnen. De enige bron die ik voor die Poolse mening heb kunnen gebruiken zijn eveneens Duitse artikels uit Der Spiegel en Die Frankfurter Allgemeine Zeitung. Na een jaar studie van de Poolse taal is mijn kennis immers nog niet ver genoeg gevorderd om Poolse bronnen te begrijpen en te analyseren. De kans op misverstanden en foute interpretaties is te groot. Wel heb ik geprobeerd om bij wijze van illustratie – en om de kennis die ik in de loop van dit jaar van de Poolse taal vergaard heb uit te testen– een enkel artikel te vertalen uit het Poolse tijdschrift Przekrój van 23 september 2003. De vertaling van dit artikel vormt tevens de bijlage van mijn verhandeling.

 

Es genügt nicht,

die Deutschen nach Westen zu treiben.

Die Deutschen müssen ins Grab gejagt werden.

Gewiß ist ein geschlagener Fritz besser

als ein unverschämter. Von allen Fritzen

sind aber die toten am besten

(De Zayas Alfred (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, p 60.)

 

 

2. DE HEIMATVERTREIBUNGEN

 

A. HISTORISCHE OMKADERING: DE VERDRAGEN VAN TEHERAN, JALTA EN POTSDAM [1]

 

Na afloop van de Eerste Wereldoorlog kwamen de westerse mogendheden in het slot van Versailles[2] bij elkaar om de toekomst van Europa te bespreken. Al snel realiseerden ze zich echter dat deze toekomstplannen niet hoopgevend waren, en op lange termijn zeker niet levensvatbaar.[3] Er waren immers kriskras door Centraal- en Oost-Europa nieuwe grenzen getrokken en nieuwe staten gecreëerd, vaak met een mengelmoes aan volkeren, nationaliteiten, talen en religies tot gevolg. De onrust die dit in deze landen teweegbracht was enorm. Polen vormde één van deze spanningscentra, zij het dan om nog andere redenen: opnieuw een onafhankelijke staat na de delingen van de achttiende eeuw, kwam het in conflict met bolsjewistisch Rusland. Polen kreeg aan zijn oostzijde immers gebieden toegewezen die tot dan toe tot Rusland behoord hadden, waar deze laatste vanzelfsprekend niet mee opgezet was. De nieuwe grens tussen Polen en Rusland werd de Curzon-linie,[4] die tevens min of meer een afbakening vormde tussen de katholieken en de orthodoxen. De grens is echter nooit gelegitimeerd geweest omwille van de Pools-Russische oorlog tussen 1919 en 1921. Na de oorlog, die in het voordeel van de Polen beslecht was, lag de scheidingslijn immers een heel stuk verder naar het oosten. Het was uiteindelijk deze versie die door de Raad der Ambassadeurs in 1923 is goedgekeurd.[5] In het westen kreeg Polen delen van Duitsland, namelijk Oost-Pommeren, delen van Oost-Pruisen, Opper-Silezië en Posen. Danzig werd een vrije stad.[6]


Polen na het Verdrag van Versailles

 Ramkema Harm en Erik van Schaik (1994), Tussen recht en repressie, p. 59.

 

Twintig jaar later waren de spanningen al zo hoog opgelopen, dat ze explodeerden in de Tweede Wereldoorlog en de Blitzkrieg van de nazi’s. De grensverschuivingen van Versailles hadden Hitler immers een uitstekend voorwendsel én legitimatie gegeven om Midden-Europa binnen te vallen en alle Duitsers – die als minderheden verspreid leefden in de verschillende Centraal- en Oost- Europese landen – opnieuw Heim ins Reich te brengen.[7] Nadat hij Polen in 1939 was binnengevallen zette Hitler massale verdrijvingsacties op touw: de Polen (de zogenaamde Untermenschen) werden gedeporteerd en hun plaats werd ingenomen door Duitsers. Hitler beschouwde de gebieden rond Warschau, Lublin en Krakau (het zuiden en het centrum van Polen) als een soort Generalgouvernement, waar de Poolse inwoners gegermaniseerd werden en bijna als slaven voor de Duitse bezetter moesten werken. De overige gebieden werden bij het Derde Rijk ingelijfd. Daar werden de Polen zonder meer verjaagd (tot 800 000 in totaal) om plaats te maken voor Duitse kolonisten. Zo trokken in de beginjaren van de Tweede Wereldoorlog meer dan een half miljoen Duitsers naar de nieuwe Ostprovinzen van het Derde Rijk.[8]

 

De regeringen in ballingschap van de verschillende bezette landen moesten voor de Blitzkrieg op de vlucht slaan en verzamelden zich in Londen. Nog voor de oorlog echter op zijn laatste benen liep, hadden de staatshoofden van de geallieerden al een aantal principes uitgedokterd, die de stabiliteit in de wereld na de ondergang van het Derde Rijk moesten herstellen.[9] Een van deze maatregelen was de Population Transfer Commission,[10] die de Britse regering in het leven geroepen had en die bestond uit diplomaten, juristen en experts uit binnen- en buitenland. Het doel van deze commissie bestond erin om de etnische mengelmoes in de Midden-Europese landen te homogeniseren om op die manier in de toekomst conflicten te vermijden. Toch moesten de ‘bevolkingstransfers’ tot een minimum beperkt blijven en zó georganiseerd worden dat ze heel ordelijk en selectief zouden verlopen. Daarom zouden de ‘transfers’ maar eerst na het beëindigen van de oorlog van start mogen gaan.[11]

 

Op de conferentie van Teheran (november-december 1943) kwamen ‘De Grote Drie’ Franklin Roosevelt, Winston Churchill en Jozef Stalin – samen om de afloop van de oorlog te bespreken. Het Duitse leger was dan reeds over zijn hoogtepunt heen en het werd alsmaar duidelijker dat de geallieerden de oorlog zouden winnen. Stalin, die al in 1941 de geallieerden had vervoegd,[12] bracht echter een pijnpunt naar voren. Vóór de oorlog had Hitler hem via het Molotov-Von Ribbentrop-pact[13] immers gebiedsuitbreiding in Polen beloofd. In dit verdrag – dat op 23 augustus 1939[14] was afgesloten – waren Stalin en Hitler overeengekomen om Polen na hun inval tussen hen beiden te verdelen. Stalin eiste dat hij deze beloofde gebieden mocht houden (als wraak op de gebieden die hij na de Eerste Wereldoorlog door het verdrag van Riga aan Polen was kwijtgespeeld).[15] Er ontstond in 1943 dus een grote discussie over welke gebieden rechtmatig aan de Sovjetleider toekwamen. In een brief schreef Stalin aan Churchill dat de Curzon-line door alle partijen reeds als de rechtmatige grens tussen Polen en Rusland was erkend, maar dat ze nu opeens zonder goede reden op dit besluit teruggekomen waren. Hier was Stalin helemaal niet mee opgezet en hij zette alles op alles om toch zijn wil door te drijven.[16]

 

Het was echter niet eenvoudig om de toenmalige Poolse eerste minister van de regering in ballingschap in Londen, generaal Wladysław Sikorski, te overtuigen deze grensverschuiving te aanvaarden. 4,5 miljoen[17] Polen zouden moeten verhuizen. Uiteindelijk werd de oplossing gezien in een compensatie voor Polen in het westen, ten nadele van Duitsland. De nieuwe westgrens van Polen zou dan aan de Oder en de Neisse komen te liggen.[18] Maar ook met deze compensatie was Sikorski nog niet te vermurwen: hij kon geen acht miljoen Duitsers onderhouden.

 

De reden waarom de nieuwe grens precies aan de Oder en de Neisse moest liggen, was vooral gebaseerd op veiligheidsoverwegingen. Landsgrenzen die samenvallen met een natuurlijke afbakening zijn immers heel wat makkelijker te verdedigen. Bovendien zou Polen op die manier toegang krijgen tot de zee. Een bijkomende reden – die echter niet van defensieve aard was – was de wens om de Poolssprekende gebieden die tot Duitsland behoorden opnieuw in te lijven.[19] Een derde reden was van economische aard: de betrokken regio was sterk geïndustrialiseerd en zou de Poolse economie er weer bovenop kunnen helpen.[20]

 

Met de nieuwe grenzen zou Polen zijn territorium zien uitbreiden met Oppeln-Silezië (in het Pools Opole), zuidelijk Oost-Pruisen (Prusy Książęce), West-Pruisen (Pomorze Gdańskie), Neumark (Nowa Marchia), Oost-Brandenburg, Danzig (Gdańsk) en Pommeren (Pomorze).[21] De daar wonende Duitsers, meer dan 14 miljoen[22] mensen in totaal, zouden op hun beurt moeten verhuizen.[23]

 

Niet onbelangrijk is dat de Poolse regering al een paar jaar voordat Stalin in 1943 zijn eisen over een gebiedsuitbreiding in het nadeel van Polen geuit had, sprak over een uitbreiding van het Poolse grondgebied naar het westen toe, met de verdrijving van de oorspronkelijke bewoners tot gevolg. Al in 1939 wilde Sikorski Duitsland zijn invloed aan de Baltische zee ontnemen en reeds in 1940 werd de eis voor een grens aan de Oder én de Neisse zowel historisch[24] als politiek gerechtvaardigd in de Poolse ondergrondse pers in Warschau en verdedigd door de Salamander Society, de verzetsorganisatie van de vooroorlogse nationalistische partij.[25] In december 1942 verscheen er een artikel van deze organisatie, dat beweerde dat toekomstige grensverdragen over de westelijke grens van Polen het principe van de ‘verdrijving om veiligheidsmaatregelen’ moesten erkennen. Hieruit mogen we besluiten dat ondanks het morren van Sikorski over de afgeknibbelde oostelijke gebieden, de nieuwe westgrens van Polen niet zozeer beklonken werd als tegemoetkoming voor de discussie over de Curzon-linie, maar wel als compensatie diende voor de geleden schade onder de nazi’s. Ze was bovendien gebaseerd op een jarenlang voorbereide politiek. [26]

 

Tekstvak: De Zayas Alfred (1993), Anmerkungen, p. 71.

 

Op 27 juli 1944 sloten Moskou en het Lublin-Comité een geheim akkoord over de Poolse westgrens aan de Oder en de Neisse en over de verdrijving van de oorspronkelijke bevolking (dat zou de bezwaren van de Poolse regering in ballingschap dat ze de Duitsers niet zouden kunnen onderhouden van tafel vegen). Beide partijen kwamen overeen dat de grens aan de westelijke Neisse, de Lausitzer Neisse, zou liggen; het ging hen niet om de 200 km meer naar het zuidoosten liggende Glatzer Neisse.[27] De reden achter deze politiek was opnieuw van defensieve aard.[28]

 

Op de conferentie van Jalta, die in februari 1945 gehouden werd tussen de ‘Grote Drie’, benadrukte de Amerikaanse president Franklin Roosevelt dat de onafhankelijkheid van Polen noodzakelijk was om de veiligheid van Europa te verzekeren:

 

In de loop van de geschiedenis is Polen altijd al de corridor geweest, waar aanvallen op Rusland plaatsgevonden hebben. Zelfs tweemaal op een generatie tijd heeft Duitsland naar Rusland uitgehaald via Polen. Om de Europese veiligheid en de wereldvrede te garanderen is een sterk en onafhankelijk Polen noodzakelijk om herhaling te voorkomen.[29]

 

Op Jalta gaven de geallieerden uiteindelijk toch toe, zij het dan in grote mate onder druk van Stalin en nog niet officieel. In het oosten wordt de Curzon-linie nu definitief de nieuwe grens, mits enkele wijzigingen (het grondgebeid van Polen werd met vijf tot acht kilometer uitgebreid).[30] Over de westelijke grens bestond er echter nog steeds veel discussie: de Britse en Amerikaanse ministers van Buitenlandse Zaken Anthony Eden en Edward Stettinius hadden ervoor gewaarschuwd om de nieuwe grens van Polen niet uit te breiden tot voorbij de Oder, omdat de bevolkingstransfers dan te omvangrijk zouden worden. Dit zou in realiteit een migratie van elf miljoen mensen betekenen.[31] Zij waren er dus eerder voorstander van om de overdracht te beperken tot Oost-Pruisen, wat ‘slechts’ een verhuis van twee en een half miljoen Duitsers zou betekenen. Ook Harry S. Truman – die ondertussen Roosevelt was opgevolgd als president van Amerika – en Clement Attlee – die de opvolger was van Churchill als premier van Londen – wilden er niet van weten dat Polen verder zou reiken dan de Oder. Jozef Stalin en Vjatsjeslav Molotov stonden echter op een uitbreiding van het Poolse grondgebied tot aan de Oder én de westelijke Neisse (de Lausitzer of Görlitzer Neisse). Stalin weerlegde immers dat de gebieden ten oosten van de Glatzer Neisse (de oostelijke stroom) ondertussen toch al ontvolkt waren omdat de mensen reeds voor het Rode Leger gevlucht waren (wat een grove leugen was).[32] Uiteindelijk werd zelfs Polen op de vergadering uitgenodigd om de stand van zaken te verklaren: hoeveel Duitsers woonden er werkelijk nog in de betrokken gebieden? Maar opnieuw was het cijfermateriaal niet erg betrouwbaar. De Polen op hun beurt beweerden dat er nog ongeveer anderhalf miljoen Duitsers woonden. De aandacht van de geallieerden voor de Duitse bevolking kwam echter niet voort uit medelijden, maar uit pragmatische overwegingen: de gevluchte Duitsers uit de Centraal- en Oost- Europese landen zouden in de bezettingszones van de geallieerden terechtkomen, en op die manier onder de verantwoordelijkheid vallen van de westerse mogendheden.[33]

 

Uiteindelijk hakten Clement Attlee, Harry S. Truman en Jozef Stalin de knoop over de grenskwesties door op de vergaderingen in Potsdam (tussen 17 juli en 2 augustus 1945) om een breuk met Sovjet-Rusland te voorkomen.[34] Stalin eiste de erkenning van wat hij in realiteit eigenlijk al verwezenlijkt had en het had geen zin om te blijven discussiëren.[35] In hoofdstuk negen van het Verdrag van Potsdam werd de grens uiteindelijk officieel vastgelegd op de volgende gebieden: van de Baltische zee langs de Oder tot de samenvloeiing van de Lausitzer Neisse en zo langs de Neisse en de Tsjecho-Slowaakse grens.[36]

 

De Poolse grensverschuivingen na WO II

Tekstvak: Ramkema Harm en Erik Van Schaik (1994), Tussen recht en repressie, p 64.

 

 

De nieuwe westgrens van Polen

 

 

Groot-Brittannië en de Verenigde Staten waren nog steeds niet met het idee van de grensverschuivingen (en de noodzakelijk daaropvolgende volksverhuizingen) opgezet, maar, zo waren ze het met elkaar eens, ‘het was de oplossing van het minste kwaad’. Ook uit Hongarije, Joegoslavië en Tsjecho-Slowakije moesten de Duitsers verdreven worden. Een totale emigratie van tussen de 5,7 en 7,9 miljoen Duitsers[37] zou in Oost-Europa immers de vrede herstellen tussen de ‘moeilijke Duitsers’ en hun ‘geplaagde buren’.[38] Bovendien werden de beslissingen van Potsdam toen nog opgevat als een voorlopige oplossing, hoewel ze uiteindelijk de facto definitief werden door de migratie van de Polen en de emigratie van de Duitsers.[39]

De Duitse sociaal-democratische SPD had als eerste politieke partij de Oder-Neisse-grens erkend.[40] De Deutsche Demokratische Republik aanvaardde de grens op 6 juli 1950 met het Verdrag van Görlitz[41]; West-Duitsland gaf zich niet zo snel gewonnen, maar uiteindelijk onderschreef ook Willy Brandt van de Bundesrepublik Deutschland dit grensverdrag met het Verdrag van Warschau op 7 december 1970.[42] Toch was de grenskwestie nog steeds niet helemaal opgelost. Na de politieke omwentelingen van 1989 werd Duitsland immers opnieuw eengemaakt, en de bovenvermelde verdragen hadden enkel betrekking op de vroegere Duitse staten. Over de toekomst was dus nog steeds geen duidelijkheid geschapen.[43] Maar ook dit probleem werd snel opgelost: na de val van de Berlijnse Muur ondertekenden de staatshoofden van beide betrokken landen (namelijk de eerste minister van Polen Tadeusz Mazowiecki en bondskanselier Helmut Kohl van de Bondsrepubliek Duitsland) op 14 november 1990 aan Frankfurt aan de Oder een verdrag dat de huidige grenzen officieel vastlegde.[44] Een hernieuwing van de grenserkenning tussen Polen en Duitsland was toen absoluut noodzakelijk om de diplomatieke relaties niet in gevaar te brengen. Want hoewel zowel de DDR als de BRD de Oder-Neisse-grens officieel erkenden, verwees de grondwet van West-Duitsland in 1989 nog steeds naar de grenzen zoals ze in 1937 waren, inclusief dus de gebieden die na 1945 aan Polen overgedragen waren.[45] Rechtse groeperingen uit Duitsland eisten na de eenmaking opnieuw de teruggave van deze gebieden.[46] Het hernieuwde grensverdrag van 1990, dat Kohl en Mazowiecki ondertekenden, moest de verwarring (en een eventueel irredentisme) voor eens en altijd beëindigen.[47] In dit verdrag stond het volgende te lezen.[48]

 

Artikel 1: Het verenigde Duitsland zal de gebieden omvatten van de ‘Deutsche Demokratische Republik’ en van de ‘Bundesrepublik Deutschland’. Deze grenzen zullen vanaf de dag dat dit artikel in werking treedt,van kracht zijn. De erkenning van het definitieve karakter van de grenzen van het eengemaakte Duitsland is een wezenlijk bestanddeel van de vredesorde in Europa.

 

Artikel 2: Het verenigde Duitsland en de Republiek Polen bevestigen zo de grenzen die tussen hen bestaan in een volkenrechtelijk bindend verdrag.

 

Artikel 3: Het verenigde Duitsland heeft geen enkele aanspraak op gebieden, en zal ook in de toekomst zulke aanspraken niet vorderen.[49]

 

 

Naar aanleiding van het grensverdrag van 1990, volgden in de jaren erop nog meer verdragen tussen Polen en Duitsland, die een toekomstige goede en vruchtbare samenwerking moesten garanderen.

 

 

B. DE VERSCHRIKKING VAN DE VERDRIJVINGEN[50]

 

 

Tekstvak: Bark Dennis (1989), From shadow to substance, p. 306.

De nieuwe westgrens van Polen betekende een catastrofe voor de daar nog wonende Duitse bevolking, die haar hebben en houden moest achterlaten en bovendien op haar tocht de terreur van de overwinnaars moest ondergaan.[51] Polen was daarbij niet het enige land in Midden-Europa dat alle ‘Duitse elementen’ uit zijn landsgrenzen verjaagd heeft. Ook Tsjecho-Slowakije, Hongarije Roemenië en Joegoslavië deden ijverig met de verdrijvingen mee.

 

In totaal leefden in 1939 ongeveer 17 miljoen Duitsers in de Oost- en Zuid-Oost-Europese steden: 9,5 miljoen in de gebieden aan de Oder en de Neisse, 1,4 miljoen in het Polen van vóór de grensverschuivingen, 3,5 miljoen in Tsjecho-Slowakije, 786 000 in Roemenië, 623.000 in Hongarije, 537 000 in Joegoslavië en 250 000 in de Baltische Staten en in Memelland.[52] Hiervan zijn er 12 miljoen gevlucht of verdreven.[53]

De verdrijvingen in Centraal- en Oost-Europa

 

 

Tekstvak: Davies Norman (1985), Heart of Europe, a short history of Poland, p. 82.

 

Hoewel het Verdrag van Potsdam humanitaire en ordelijke volksverhuizingen had voorgeschreven, werd al snel duidelijk dat daar door het onbarmhartige optreden van het Rode Leger en de eigen troepen (moord, plundering en verkrachting) niets van in huis kwam. Het Duitse bondsarchief schat dat er in totaal ongeveer 120 000 Duitsers op hun vlucht het leven verloren hebben.[54] Alfred De Zayas spreekt van meer dan twee miljoen dodelijke slachtoffers als gevolg van de gruweldaden.[55] Bovendien wachtten de betrokken landen de overeengekomen datum niet af en beschouwde de Poolse regering de verdreven Duitsers officieel niet als ‘verdrevenen’, maar als ‘vluchtelingen’.[56] Deze fijne woordspeling werd gelegitimeerd door een papiertje dat de betrokkenen bij hun vertrek moesten ondertekenen en waarop stond:

 

1.Wij vertrekken vrijwillig;

2. Wij stellen geen eisen aan de Poolse staat;

3. Wij beloven om nooit meer terug te keren.[57]

 

Dit ‘vrijwillige vertrek’ was een uitvinding van de voorlopige Poolse regering in Warschau (de Regering Nationale Eenheid onder Bolesław Bierut), die hiermee het moratorium van Potsdam wilde tegengaan. Bovendien spraken de Polen niet van ‘verdrijvingen’ maar eerder van het neutralere ‘verplaatsting’ (przesiedlenie).[58]

 

De hamvraag rond de verdrijvingen van de Duitsers draait grotendeels rond het feit of ze niet in meerdere of mindere mate zelf schuld hadden aan het hun aangedane onrecht. Vooral de Polen en de Tsjecho-Slowaken scharen zich nog vaak achter de uitleg dat de verdrijvingen golden als een soort straf voor de oorlogsmisdaden tijdens 1940-45. [59] Zo meent de Poolse historicus Wladysław Bartoszewski[60] in een artikel in het Duitse dagblad Die Frankfurter Allgemeine Zeitung bijvoorbeeld, dat de Duitsers hun behandeling enkel aan zichzelf te danken hadden. Ook Krzysztof Skubiszewski, in 1990 minister van Buitenlandse Zaken, deelt deze mening.[61]

 

[…] Als Duitsers in goederenwagens naar Duitsland gebracht werden, waarin voordien Polen uit Kazachstan of uit andere gebieden van de Sovjet-Unie gedeporteerd werden, is dat in mijn ogen niet te beschouwen als een speciale manier van onderdrukken. Want deze behandeling was geen gevolg van onmenselijkheid, maar wel van de toestand waarin Polen verkeerde, en waaraan Duitsland zelf schuld droeg. Daarom is er een groot verschil tussen het lijden en de narigheid die met de oorlog in verband staan enerzijds en het bewuste doel om mensen te onderdrukken en te vervolgen anderzijds.[62]

 

De enquête Einstellung der tschechischen Gesellschaft zu Deutschland, Ergebnisse einer repräsentativen Untersuchung in der ČR die Friedrich Naumann van de Stiftung Prag in 1995 in Tsjechië heeft uitgevoerd over de verdrijvingen, geeft weer dat zelfs vijftig jaar na de feiten het oordeel van de Tsjechen nog steeds niet gewijzigd is. Slechts 16% van de 1347 ondervraagden beschouwden de verdrijvingen als een ‘onrechtvaardige daad van geweld’, in tegendeel is 68 % van de bevraagden ervan overtuigd dat het een ‘gerechtvaardigde vergelding was voor het onrecht dat de nazi’s in Tsjecho-Slowakije aangericht hadden’.[63]

 

Inderdaad hebben de nazi’s tijdens de oorlog veel leed aangericht, en niet alleen in Tsjecho-Slowakije, ook Polen en andere landen kunnen van de gruwel meespreken. We mogen immers niet uit het oog verliezen dat de nazi’s zelf immense verdrijvingen op touw gezet hadden om plaats te ruimen voor de Duitse Übermensch. Een geheim decreet van Hitler (dat dateert van 7 oktober 1939 om precies te zijn) getuigt van de wens van de Führer om

 

de vreemde elementen in de bevolking uit te roeien, die een gevaar vormen voor het Derde Rijk en de Duitse volksgemeenschap.[64]

 

De Polen —zo’n 700 000 tot 800 000 in totaal —werden hardhandig door de Gestapo en de SS verdreven, en de lokale intelligentsia werd totaal uit de weg geruimd. Tussen 1939, toen de Duitse Wehrmacht Polen binnenviel, en 1945, de uiteindelijke capitulatie, heeft een vijfde van de Poolse bevolking het leven gelaten, verschillende steden zijn in puin en as gelegd, miljoenen mensen zijn in de concentratiekampen om het leven gekomen en duizenden burgers in wraakacties afgeslacht. Ook de Endlösung van de joden behoeft geen verdere uitleg.[65]

 

Anderzijds is de Duitse auteur Ralph Giordano[66] een meer genuanceerde mening toegedaan. Hij beweert dat, hoewel het zonneklaar is dat de Duitsers zelf verantwoordelijk zijn voor het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog met alle gevolgen van dien, dit toch niet het leed rechtvaardigt van onschuldige burgers, ook al zijn ze dan van Duitse nationaliteit.

 

Earl Jeffrey Richards kadert in zijn bijdrage in het boek Landschaften der Erinnerung[67] de verdrijvingen in het kader van de collectieve schuld, die hoewel niet rechtshistorisch bewezen is, wel een grote rol in het collectieve geheugen heeft gespeeld. De verdrijvingen dragen volgens hem bij tot de huidige Duitse identiteit, net als de misdaden van de oorlog.

 

Pittig detail is de manier waarop de verdrijvingen in de Poolse geschiedenisboeken nog steeds eind 1991 werden voorgesteld:

 

De conferentie van Potsdam besliste over het lot van de Duitse bevolking in de westelijke en noordelijke gebieden. Voor de oorlog leefden er daar ongeveer 8,5 miljoen mensen. De grootste tragedie beleefden de bewoners in de winter van 1944/45, toen op het bevel van de aanhangers van Hitler voor de bewoners van Oost-Pruisen, Pommeren en Silezië de gedwongen evacuatie begon. Het aantal slachtoffers wordt geraamd op twee miljoen. Na de bevrijding van de herwonnen gebieden werd vastgesteld dat er in die regio nog ongeveer drie miljoen Duitsers en een miljoen autochtone Polen achtergebleven waren. In november 1945 besliste de Controleraad van de geallieerden dat de Duitsers uit die gebieden geëvacueerd moesten worden naar de Britse en Sovjetische bezettingszones in Duitsland. Deze emigratie verliep tussen de jaren 1946 en 1949 en betrof minstens 2,3 miljoen mensen. Verder werden nog 700 000 mensen uit Polen geëvacueerd op een niet-georganiseerde manier. Ondanks de moeilijke situatie waarin het land verkeerde, heeft de Poolse overheid zich veel moeite getroost om de vertrekkende burgers transportmiddelen ter beschikking te stellen en hun de toestemming te geven om hun eigendom en levensmiddelen mee te nemen. De verzorging door dokters was verzekerd. [68]

 

De voorstelling in de geschiedenisboeken toont dus aan in hoeverre de Polen het thema liefst mijden, zelfs de term ‘verdrijvingen’ komt er niet in voor. Deze manier van voorstellen staat echter wel onder druk van de jongere generatie van Poolse historici. Deze generatie verwerpt immers dat de Polen enkel de akkoorden van Potsdam uitvoerden. Zij tonen aan dat de verdrijvingen al vóór de ondertekening plaatsvonden. [69] Maar ook hier mogen we niet alle Polen over één kam scheren. Eind jaren 1980 werden de Duitse media aangenaam verrast door de boodschap van de toenmalige Poolse minister van Buitenlandse Zaken Marian Orzechowski, die ter gelegenheid van het bezoek van de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Hans Dietrich Genscher in Warschau voor het eerst in jaren het lot van de Duitse Heimatvertriebenen aanhaalde en officieel betreurde. Drie jaar eerder – op 7 mei 1985, ter gelegenheid van de 40ste herdenking van de bevrijding – had ook generaal en eerste minister Wojciech Jaruszelski zich in Wrocław publiekelijk bekommerd getoond over het lot van de Duitsers in Polen na afloop van de oorlog, hoewel hij geen wroeging had:

 

We werden niet geleid door wraakgevoelens. Toen begrepen we, en vandaag is dit nog steeds zo, dat de noodzaak om hun ouderlijk huis te verlaten, voor veel Duitsers zwaar moet gevallen zijn. Deze noodzaak is onlosmakelijk verbonden met het begrijpelijke leed.[70]

 

Maar welke zijn dan de redenen voor de gruwelijkheden waarmee de Vertreibungen gepaard gingen? Een door historici en politologen algemeen aanvaarde theorie is dat de verdrijvingen gedeeltelijk gebaseerd zijn op wraakgevoelens die al van eind jaren dertig in de betrokken landen sluimerden: ze wilden hun onderdrukkers met gelijke munt terugbetalen, en doordat de oorlog een totale oorlog[71] geworden was, vormde dit geen enkel probleem. Na afloop van de Tweede Wereldoorlog waren Duitse burgers vooral in Tsjecho-Slowakije en Polen niet graag gezien. Zij waren immers de oorlogsstichters en de onmensen van de Holocaust.[72] Al tijdens de oorlog hadden de leiders van de Centraal-Europese landen besloten om zich van de onloyale Duitse elementen, van hun fifth column, te ontdoen en duldden ze geen enkele Duitser meer op hun grondgebied.[73] Oorspronkelijk was het echter alleen de bedoeling de rotte appels eruit te plukken. Maar natuurlijk bleef het hier niet bij. Vanuit de overtuiging dat alle leden van de Duitse minderheden loyaal waren aan Hitler, rijpte langzaam het plan om ‘grote schoonmaak te houden’.[74] Onder andere een citaat uit 1943 van de Tsjecho-Slowaakse president Edvard Beneš toont dit aan:

De Duitsers zullen zonder mededogen en in veelvoud terugbetaald krijgen wat ze in ons land al sinds 1938 aangericht hebben.[75]

 

Reeds in oktober 1945 gingen de zogenaamde Beneš-decreten[76] van kracht, die Duitsers van hun rechten en bezittingen beroofden.[77] Het eerste decreet dateert van 15 oktober 1940, het laatste van 27 oktober van hetzelfde jaar. Het vijfde was noodlottig voor de Sudetenduitsers in Tsjecho-Slowakije. Het luidde:

Personen die van staatswege onbetrouwbaar zijn, mogen hun bezittingen en vermogen ontnomen worden. Deze onbetrouwbare personen zijn volgens het decreet Duitsers of Magyaren.[78]

De Zayas Alfred (1993),  Anmerkungen,  p. 137.

 

De Zaya

 

Met het twaalfde decreet verloren alle mensen van Duitse of Hongaarse nationaliteit hun vermogen. De totale onteigening volgde in het 108e decreet. [79] Bovendien moesten alle Duitsers vanaf de leeftijd van zes jaar een kenteken dragen dat hun Duitse nationaliteit kenbaar maakte: een witte cirkel van twe een witte cirkel van 15 cm doorsnede met daarop een zwarte N geborduurd van Němci (Duitser). De N moest twee cm breed zijn. De Duitsers moesten het teken, qua symboliek analoog aan de Davidster die de joden moesten dragen, op hun linkerborst spelden. Verder kregen ze een verbod opgelegd om het openbaar vervoer te gebruiken en werd hun een avondklok opgelegd die om acht uur ’s avonds inging. Bovendien moesten ze, wanneer ze een Russisch of Tsjecho-Slowaaks officier tegenkwamen, hun hoed of pet afnemen en eerbiedig buigen.[80]

 

In Polen werden er eveneens dergelijke wetten uitgevaardigd die personen met de Duitse nationaliteit uit de Poolse gemeenschap sloten en die de Poolse staat de macht gaven om Duits vermogen op te eisen.[81] In 1944 werd er bovendien een decreet afgekondigd dat de Duitse burgers in Polen helemaal van hun rechten beroofde.[82]

 

 

Tekstvak: De Zayas Alfred (1993), Anmeruungen, p. 121.

Naast deze decreten werden er ook speciale strafrechtbanken in het leven geroepen voor de vervolging en de veroordeling van de ‘fascistische aanhangers van Hitler’. [83] Daarnaast was er tijdens die periode nog sprake van een ander document, dat van de verdrijvingen een politiek ondersteund initiatief maakte. Het Manifest van het Poolse Comité der Nationale Bevrijding PKWN (Polski Komitet Wyzwolenia Nardowego)[84] dateert van 22 juli 1944 en stelde dat

 

Het uur der wraak op de Duitsers was aangebroken; voor de kwellingen en het lijden, voor de afgebrande dorpen, de verwoeste steden, de vernielde kerken en scholen, voor de arrestaties, de kampen en de fusillades, voor Auschwitz, Majdanek, Treblinka en voor de moorden in de getto’s. [85]

 

De Duitsers die na de afloop van de oorlog nog in Polen zouden wonen, moesten worden gestraft en teruggestuurd.

 

Nochtans zijn de wilde verdrijvingen méér geweest dan enkel wraak op het volk van de bezetters. Der Spiegel, een Duits weekblad dat in 2002 een vierdelige serie heeft uitgebracht over de verdrijving van de Duitse minderheden uit Centraal- en Oost-Europa, denkt dat ook een jarenlang voorbereide politiek van nationale belangen de verdrijvingen ondersteunde. De wens om etnisch gezuiverde natiestaten op te bouwen werd immers niet alleen door Hitler en zijn kompanen gekoesterd, maar werd ook door zijn vijanden gedeeld. Elk land in Centraal- en Oost-Europa wilde zijn Duitse minderheden kwijt. Lukte dit niet aan de hand van orderly transfers, zoals de term in Engeland gangbaar was, dan vormde geweld nog een noodoplossing.[86] Ten derde pasten de verdrijvingen in het kraam van het communisme: op basis van de gruwelijke en radicale wijze waarop de Duitse minderheden overal uit de Centraal- en Oost-Europese landen uit hun huis gezet waren, kon de Communistische Partij haar dictatuur vestigen en haar aanzien vergroten, hoewel ze op grond van haar ideologie andere oplossingen had moeten vinden.[87]

 

Nadat de regeling in het Verdrag van Potsdam aangenomen was, trokken de geallieerden zich nog weinig van het verloop van de verdrijvingen aan.[88] Ze beschouwden het hele gebeuren als een interne aangelegenheid van de betrokken landen.[89] Het enige waar de westerse mogendheden op stonden, was dat de ‘bevolkingstransfers zo ordelijk en menselijk mogelijk’ verliepen. Bovendien wilden ze eerst de afloop van de oorlog afwachten. Waar de leiders in Potsdam echter geen rekening mee hadden gehouden, was dat Polen erg onder druk stond van Stalin, die zijn oostelijke gebieden al meteen had opgeëist en er zijn burgers naartoe gestuurd had. De daar wonende Polen moesten wijken voor de Russen en trokken bijgevolg op weg naar hun nieuwe thuis in het westen van Polen, waar nog Duitsers huisden. Vaak was het zelfs het geval dat de Duitsers hun huizen nog niet verlaten hadden, toen de Poolse nieuwe bewoners al voor de deur stonden. De Duitsers hadden geen andere keuze, en moesten in de kelder verblijven tot ze konden vertrekken.[90] Velen dachten echter dat hun vlucht maar tijdelijk zou zijn, en dat ze na verloop van tijd, als de gemoederen wat bedaard waren, naar hun thuis zouden kunnen terugkeren.

 

Hoewel het Verdrag van Potsdam had voorgeschreven dat de verdrijvingen pas in die zomer van start mochten gaan, begonnen Polen en Tsjecho-Slowakije al heel wat vroeger met hun ‘zuiveringen’. Al in 1944 trok een voorhoede van het Rode Leger steeds verder naar het westen, op hun weg plunderend en moordend. Het Sovjetleger was ongenadig, soldaten werden opgehitst om zoveel mogelijk slachtoffers te maken. Op Russische pamfletten stond te lezen:

De Duitsers zijn geen mensen. Vanaf dit ogenblik staat het woord ‘Duitser’ voor ons gelijk met het ergste scheldwoord… Voor ons is er niets leukers om zien dan Duitse lijken.[91]

 

In de soldatenkrant De Rode Ster stond eveneens dergelijk anti-Duits propaganda te lezen:

 

Het is voor ons niet voldoende om de Duitsers naar het westen te verdrijven. Ze moeten het graf ingejaagd worden. Een verslagen Fritz is beter dan een onbeschofte Fritz, maar van alle Fritzen zijn de dode nog de beste. [92]

 

Andere vaak gehoorde voorwendsels zijn:

 

Wij nemen wraak op de Duitsers voor alle schanddaden die ze ons hebben aangedaan. Het is ons recht om met deze Duitse schoften af te rekenen; Dat de Duitse moeders de dag mogen vervloeken dat ze een zoon gebaard hebben; Dat de Duitse vrouwen de verschrikkingen van de oorlog aan den lijve mogen ondervinden; Wat ze de andere volkeren wilden aandoen, zullen ze nu zelf ook ondergaan! [93]

 

 

Tekstvak:              De Zayas Alfred (1993), Anmerkungen, p. 63.

Op 21 oktober 1944 viel een voorhoede van het Rode Leger onder invloed van deze gedachtegang het Oost-Pruisische Nemmersdorf binnen. Toen het Duitse leger het dorp opnieuw had veroverd, werd het geconfronteerd met een afschrikwekkend beeld van vernietiging, plundering, verkrachting en sadistische moorden. De straten en tuinen lagen bezaaid met lijken van mannen, vrouwen, kinderen en ouderlingen die niet op tijd waren kunnen vluchten. In totaal ging het om dertig mannen, twintig vrouwen en vijftien kinderen.[94] Veel vrouwen werden eerst verkracht voordat ze met een paar schoten werden afgemaakt.[95]

 

Het bloedbad van Nemmersdorf herhaalde zich tijdens de laatste maanden van de oorlog in ontelbare andere dorpen in de buurt van Oost-Pruisen, Pommeren en Silezië.[96] Anonieme getuigenissen van Duitse soldaten geven een beeld van de misdaden die ze in de dorpen aantroffen na de doortocht van de Sovjettroepen: in het dorp Metgethen tussen Königsberg en Pillau zijn er tussen 19 en 24 februari 1945 meer dan 200 doden gevonden. Vrouwen en meisjes tussen de 10 en de 80 jaar zijn verkracht en dan vermoord. In het station van het dorp vonden de soldaten een stilstaande trein met zeven wagons. In elke wagon lagen zeven tot negen verminkte lijken. Op het tennisveld van het dorp zagen de soldaten een krater veroorzaakt door een bom of een mijn. Hij was ongeveer vier meter diep en had een doorsnede van tien meter. In en rond de put, net als in bomen in de onmiddellijke omgeving lagen besmeurde en verminkte lijken en lichaamsdelen van mannen, vrouwen en kinderen. De lichaamsdelen lagen verspreid in een straal van tweehonderd meter. Het is waarschijnlijk dat de Russen de vluchtelingen op het tennisveld hadden samengedreven en er daarna een bom op gedropt hadden.[97]

 

Maar ook op hun tocht bleven de vluchtelingen niet gespaard. De Gustloff,[98] een luxeschip dat werd omgebouwd tot drijvend hospitaal, evacueerde vluchtelingen over het water. Op 30 januari 1945 vertrok de boot opnieuw vanuit de haven van Gdańsk richting Hamburg met meer dan 10 000 vluchtelingen aan boord. Het Rode Leger was echter in het tegenoffensief gegaan, en heeft de Gustloff getorpedeerd. Vier torpedo’s, elk getooid met de naam van de afzender, maakten van het schip het graf van bijna 10 000 mensen. Slechts 996 konden tijdig uit het ijs worden gehaald. Andere vluchtelingen wilden te voet over het ijs ontsnappen, maar een paar welgemikte salvo’s van de Russen sneden hen de pas af. Mensen werden neergemaaid en het ijs voor hun voeten stukgeschoten zodat ze erdoor zakten. Schattingen ramen dat ongeveer een half miljoen mensen op deze manier om het leven kwamen.[99]

 

Miljoenen Duitsers, vooral burgers, sloegen voor het ‘Rode Gevaar’ op de vlucht. Maar ook toen het Duitse leger verslagen was, stopte de vluchtelingenstroom niet. Integendeel, tussen mei en juli 1945 gingen de verdrijvingen pas officieel van start. Volgens het plan dat de Controleraad van de geallieerden een paar maanden eerder had opgesteld, moesten er vanuit Tsjecho-Slowakije, Polen, Oostenrijk en Hongarije in totaal 6 650 000 Duitsers geëmigreerd worden naar de bezettingszones binnen de grenzen van Duitsland. De richtlijnen stonden hen toe om zoveel bezittingen mee te nemen als ze konden dragen, en afhankelijk van het gebied waarin ze woonden, mochten ze soms nog een som geld meenemen. Luxegoederen en juwelen moesten ze echter achterlaten. [100]

 

 

Tekstvak:         De Zayas Alfred (1993), Anmerkungen, p. 131.

Vanaf de capitulatie van het Duitse leger op 8 mei 1945 breidden de verdrijvingen zich ook uit tot Roemenië, Joegoslavië en Hongarije. Rond die periode brak er in Praag namelijk een opstand uit tegen de bezetters in de vorm van wraakacties gericht tegen Duitse soldaten en burgers. Toen de Tsjecho-Slowaken een radiopost in handen kregen schalmde ook daar de boodschap ‘Dood aan de Duitsers’ (Smrt Nĕmcum).[101] Duitse soldaten werden vaak ontwapend en opgehangen of levend verbrand. Duitse burgers werden gevangen genomen en/of vermoord. Zo werden op 30 mei 1945 30 000 Duitsers hardhandig het land uitgejaagd. Getuigenissen zeggen dat de vrouwen slechts tien minuten de tijd kregen om hun kinderen te wekken en gepakt en gezakt voor de deur te staan. Ze moesten bereid zijn om de stad voorgoed te verlaten. De vluchtelingen werden over de Oostenrijkse grens gedreven, maar de autoriteiten daar wilden hen niet opvangen. Ze werden dan maar op een open veld bijeengedreven dat tot kamp was omgedoopt. [102]

 

Toen de geallieerden zagen dat ze hun geplande moratorium niet konden doordrukken — hoewel dit uitdrukkelijk in het Verdrag van Potsdam vermeld stond — probeerden ze de verdrijvingen georganiseerd te laten verlopen.[103] Pas vanaf 1946 lukte dit min of meer, doordat de westerse mogendheden quota’s opstelden voor de bezettingszones en ze regelingen troffen voor de transportmogelijkheden van de Duitse burgers. Zo kweet de Britse regering zich van de taak om met de Polen te overleggen over het aantal ‘gedwongen verhuizers’, over de samenstelling van de groepen, de vertrektijden van de treinen, ontsmettingsmaatregelen, de bescherming van zieken en de omvang van de bezittingen van de ontheemden. De verdrevenen mochten van de geallieerden 500 Rijksmark meenemen. Regels en realiteit kwamen weliswaar nog steeds niet overeen, maar het initiatief was toch al een goed begin om de wilde verdrijvingen tegen te gaan. Tegen het einde van 1947 namen dan tenslotte ook de georganiseerde verdrijvingen af, wat echter niet wil zeggen dat er helemaal een einde aan kwam: ook nog in de daaropvolgende jaren (1949-1950) werden jaarlijks nog ongeveer tienduizend Duitsers hardhandig verwijderd.

 

Maar niet alle Duitsers waren in de periode tussen 1945 en 1950 Polen en Tsjecho-Slowakije ontvlucht. De toestand van de achterblijvers was echter nauwelijks beter te noemen dan die van de verdrevenen. Duizenden van hen zijn in kampen terechtgekomen. In het Oberschlesische Swientochlowice werd het vroegere concentratiekamp Łambinowice van de nazi’s omgebouwd tot interneringskamp voor de Duitsers. In deze kampen zijn tussen augustus 1945 en de herfst van 1946 zo’n 6480 Duitsers – waarvan 623 kinderen – om het leven gekomen.[104] Łambinowice was echter niet het enige kamp waarin Duitse burgers werden verzameld. Berichten aan het Foreign Office beweren dat bijna alle concentratiekampen door de overwinnaars werden overgenomen en door Poolse volkslegers geleid. Rapporten getuigen dat slachtoffers die niet van honger of door marteling omkwamen, nacht na nacht tot hun hals in het koude water moesten staan, tot ze bezweken. Ook in andere kampen was het gehuil van de slachtoffers ver te horen. Tegen 1947 waren de meeste Duitse gevangen al omgekomen.[105]

 

 

C. DE INTEGRATIE VAN DE HEIMATVERTRIEBENEN IN DE DDR EN DE BRD

 

Tekstvak: De Zayas Alfred (1993), Anmerkungen, p. 176.

Toen de Vertriebenen dan uiteindelijk na een zware tocht en veel ontberingen in hun nieuwe thuisland aankwamen, was hun ellende echter nog steeds niet voorbij. Duitsland, totaal verwoest na de oorlog, was niet voorzien op deze mensenstroom.[106] Al op 1 april 1947 werden er in de vier bezettingszones van Duitsland ongeveer tien miljoen verdrevenen geregistreerd.[107] Er was voedsel noch sanitair en bovendien een gigantisch woningtekort: veel steden (zoals Berlijn en Dresden) hadden tijdens de oorlog materieel grote schade geleden en het was al onmogelijk om in het levensonderhoud van de lokale bevolking te voorzien, laat staan in dat van de honderdduizenden migranten.[108] Naast de financiële en materiële moeilijkheden was er nog de cultuurschok. Om al deze redenen verliepen de relaties tussen de Duitse staatsburgers en de verdrevenen aanvankelijk eerder stroef.[109]

 

Veel van de ontheemde Duitsers kwamen in de eerste plaats in de DDR terecht en in de regio’s rond Schleswig-Holstein, Niedersachsen en Beieren. De vluchtelingen maakten er in 1949 zelfs een groot deel van de bevolking uit: in Schleswig-Holstein 35,2%, in Niedersachsen 26,4% en in Beieren 29,7%. In Beieren sprak men zelfs laatdunkend van de ‘vierde stam van Beieren’ als men de gevluchte Sudetenduitsers bedoelde.[110] In bepaalde dorpen en steden woonden er uiteindelijk meer verdrevenen dan plaatselijke bewoners.[111] Om dit probleem op te lossen werden er initiatieven op poten gezet om de Vertriebenen beter te begeleiden. Een echte sociale machine kwam op gang, met nooit eerder geziene acties. [112] Een van de genomen maatregelen was de organisatie van de verhuizing van verdrevenen naar gebieden die meer faciliteiten hadden om hen op te vangen. Op die manier begon een tweede grote migratiegolf, deze keer op vrijwillige basis.[113] In november 1949 werd er een verordening uitgevaardigd, die de verhuizing regelde van de verdrevenen uit de overbevolkte gebieden in Beieren, Nieder-Sachsen en Schleswig-Holstein naar andere Bundesländer zoals Noordrijn-Westfalen, Baden-Württemberg, Hessen en Rijnland-Pfalz. Tussen 1949 en 1953 werden op die manier 540 000 vluchtelingen opnieuw verhuisd.[114] De aangegeven redenen draaiden rond mogelijkheden tot huisvesting, arbeid, familieherenigingen enzovoort.[115] Tegen het einde van 1950 had 63,5 % van de verdrevenen zich in de BRD en 32,2% in de DDR gevestigd.[116] Een kleine groep emigreerde zelfs naar het buitenland.[117]

 

In West-Duitsland werden de Vertriebenen anders opgevangen dan in Oost-Duitsland. De DDR erkende de problematiek van de verdrijvingen niet. Het thema van de Heimatvertriebenen[118] verdween al in 1948 uit de publieke en officiële aandacht en uit de openbaarheid. De term zelf werd vervangen door eufemismen zoals Umsiedler (geëmigreerden) of vluchteling, wat meer voldeed aan de criteria van de political correctness.[119] Het centrale bestuur voor de geëmigreerden, die Zentralverwaltung für Umsiedler (ZVU), werd al in hetzelfde jaar ontbonden en de betreffende dossiers over de vier miljoen Umsiedler vernietigd. De emigratiewet van 1950, die de levensomstandigheden van de vluchtelingen in de DDR moest verzekeren, had het probleem voor eens en altijd opgelost.[120] Oost-Duitsland behoorde immers tot de communistische invloedszone, en meegaand met de filosofie die tijdens het communisme ook in Polen gangbaar was, erkenden ze de Heimatvertriebenen niet, net zoals ze weigerden te erkennen dat de Poolse gebieden enkele jaren geleden nog tot Duitsland hadden behoord. [121] Pas midden de jaren 1980 verschenen er in de DDR documentaires over de verdrijvingen en kregen ze een plaatsje in de geschiedenis.[122]

 

In de BRD werden de Vertriebenen wél officieel[123] erkend, zij het dan dat ze meestal de naam van ‘vluchteling’ meekregen.[124] Ze kregen financiële steun om in hun nieuwe thuisland een nieuw leven op te bouwen. Andere initiatieven waren eerder van juridische aard. In 1949 ontstond er in de BRD in dit kader een wet voor onmiddellijke hulp, de Soforthilfegesetz,[125] wat later gevolgd door een wettelijke regelgeving voor de vestiging van de vluchtelingen. Het kernstuk vormden echter de wetten op de evenredige schadeloosstelling voor geleden oorlogsschade (Lastenausgleichgesetz, LAG)[126] van 1952 en de verdrevenenwet (Bundesvertriebenengesetz) van 1953.[127] Deze wet erkende voor het eerst de verdrevenen ook juridisch en zorgde er bovendien voor dat het statuut van verdrevene erfbaar werd, zodat ook de kinderen van de slachtoffers, die in de BRD geboren waren, recht kregen op een Vertriebenenausweis – een soort bewijs dat ze verdreven waren en dat hun bepaalde privileges verschafte. Zo beloofde de wet hun hulp om zich in te burgeren en compensatie voor de geleden schade. De financiële steun bedroeg gedurende de volgende vijf jaar 100 miljoen DM voor een eventuele vestiging[128] De verdrevenen hielpen echter ook op hun beurt mee aan de heropbouw van West-Duitsland, de inspanningen kwamen dus van beide zijden. Zo zou het Wirtschaftswunder dat de BRD na de oorlog weer zo snel op de been gebracht heeft, nooit hebben kunnen plaatsvinden zonder de extra werkkrachten die de verdrevenen vormden.[129]

 

Bovendien werden er organisaties opgericht die zich niet alleen met de economische, maar ook met de psychologische kant van de integratie van deze mensen moesten bezig houden, zoals het Bundesministerium in Bonn. Op 6 mei 1949 besloot bovendien het hulpcomité uit Poznań om een Landsmannschaft op te richten op federaal niveau.[130] Op 4 oktober 1949 ontstond hiernaast het Landsmannschaft Weichsel-Warthe, dat een centrale vertegenwoordiging van de Duitsers uit Polen wilde bewerkstelligen. Stilaan ontstonden er in alle Bundesländer Landsmannschaften voor de Heimatvertriebenen.[131] De meeste werden immers per Bundesland opgedeeld en hebben een positieve rol gespeeld in het verwerkings- en integratieproces van de slachtoffers in Duitsland.[132] In de eerste maanden hielden de organisaties zich vooral bezig met het registreren van de vluchtelingen en het opstellen van adressenlijsten om zoveel mogelijk mensen op te sporen en gezinnen informatie te kunnen verschaffen over vermiste familieleden.[133] In de loop der maanden ontwikkelden deze organisaties zich echter als officieel erkende instituties die de belangen van de Heimatvertriebenen verdedigden.

 

Pas vanaf 1949 mochten de Vertriebenen zich van de geallieerden ook politiek organiseren. De belangrijkste partij in die periode was het Block der Heimatvertriebenen und Entrechteten (BHE), dat in 1950 in Bonn in de Britse bezettingszone ontstond.[134] Het Block, dat onder leiding stond van Waldemar Kraft (tijdens de oorlog nochtans lid van de nazi-partij[135]) zetelde een tijdje in de Duitse Bundestag (de Tweede Kamer van het Parlement). Vooral tijdens de verkiezingen voor de Landtag (parlementen voor de verschillende deelstaten) scoorde het Block in de jaren vijftig goed, maar desondanks verloor de partij snel aan invloed. Al in 1957 raakte ze niet meer voorbij de vijf-procent-drempel.[136] Vanaf 1961 ging het Block op in de Gesamtdeutsche Partei (GDP).[137] Eens na de integratie van de verdrevenen verloor de GDP echter aan belangstelling en maakte ze zichzelf overbodig. Vanaf de jaren 1970 is er van de organisatie nog weinig sprake omdat ze helemaal is opgegaan in de Duitse christen-democratische partij CDU.[138]

 

De Bund der Heimatvertriebenen (BdV)[139] ontstond eveneens in 1950. Oorspronkelijk was ze actief als een politieke partij, maar algauw slonk haar populariteit en is ze moeten opgaan in de CDU, hoewel ze als belangenorganisatie nog onder dezelfde naam verder opereert. In de beginjaren was de organisatie, die op federaal niveau werkte, vertegenwoordigd in de Bundesversammlung. Deze instelling bestaat uit groepen van specialisten die zich op verschillende terreinen bezighouden, zoals op het gebied van Cultuur. De associatie onderhield onder andere contacten met de andere grote Vertriebenen-organisaties en had connecties op de Ostdeutscher Kulturrat in Bonn.[140] Daarnaast behartigde de BdV (en dat doet ze nog steeds) ook de zogenaamde Heimatpolitik: ze onderhield contacten met de verdrevenen, hield zich bezig met de economische en sociale problemen en hield toezicht op de contacten tussen de verdrevenen en Berlijn. De Bund was vooral actief in Neder-Silezië[141] en telde 16 bonden op Bundesland-niveau (de Landesverbände zoals het Landesverband Baden-Württemberg, Landesverband Bayern, Landesverband Berlin, Landesverband Brandenburg, Landesverband Bremen, Landesverband Hamburg, Landesverband Hessen, enzovoort) en 21 verenigingen (Landsmannschaften) met 3900 plaatselijke kringen. De hele organisatie zou ongeveer twee miljoen leden tellen.[142] Vooral de Bund der Heimatvertriebenen heeft een heel belangrijke rol gespeeld in het integratieproces van de Vertriebenen. Ze heeft zelfs een Charta opgericht dat de rechten, maar vooral de plichten, van de ontheemde Duitsers op papier heeft gezet.

 

Tekstvak: De Zayas Alfred (1993), Anmerkungen, p.188.

Dit Charta was oorspronkelijk het product van twee centrale organisaties die zich om de verdrevenen bekommerd hebben, namelijk die Vereinigten Ostdeutschen Landsmannschaften en der Zentralverband der vertriebenen Deutschen.[143] Reeds in november 1949 namen deze beide organisaties het initiatief om een document op te stellen, dat de status zou verwerven van een internationale betuiging van vrede en menselijkheid, de Magna Charta der Heimatvertriebenen. Op 5 augustus 1950 werd het document bekend gemaakt. In de buurt van Stuttgart verzamelden zich afgevaardigden van dertig vooraanstaande Vertriebenen-organisaties, die het Charta ondertekenden. Geen van de ondertekenaars zou het Charta echter ook mondeling verkondigen. Dit was een symbolische geste om de anonieme verdrevene eer te bewijzen. De naamloze verdrevene vertegenwoordigde immers miljoenen betrokkenen en slachtoffers.[144]

Het Charta stelt echter geen eisen, wat het merendeel van de belangengroepen wel doet. Het wijst in de eerste plaats op de plichten van de Heimatvertriebenen en pas in tweede instantie schenkt het document aandacht aan de rechten en eisen van de ontheemden. De Heimatslosen beschouwen het Charta als hun grondwet. In het Charta staat onder meer te lezen:

1. De Heimatvertriebenen zien af van wraak en vergelding…;

2. De verdrevenen zullen elk initiatief tot een nieuw begin dat gericht is op de stichting van een verenigd Europa met alle krachten steunen. In dat Europa moeten alle volkeren zonder vrees en dwang kunnen leven;

3. De verdrevenen zullen door noeste en onversaagde arbeid meewerken aan de opbouw van Duitsland en Europa…[145]

 

Verder verlangen de Heimatvertriebenen wel dezelfde rechten als de Duitse staatsburgers, een eerlijke verdeling van de lasten van de oorlog, een zinvolle integratie in alle beroepstakken en een actieve deelname in de wederopbouw van Europa.[146]

Van 1959 tot 1963 was Hans Krüger, vroeger lid van de NS, president van de BdV.[147] Wenzel Jacksch (1964-1966) was zijn opvolger, op zijn beurt gevolgd door Reinhold Rehs (1967-1970), Hebert Czaja (1970-1994), Fritz Wittmann[148] (1994-1998) en nu (sinds 1998) Erika Steinbach.[149] Deze laatste (geboren in 1943, lid van de CDU) is naast voorzitster van de Bund der Heimatvertriebenen und Entrechteten ook het hoofd van de Landsmannschaft West-Pruisen.[150] Ze draagt zelf een verleden van ‘ontheemde’ mee: als tweejarige is zij met haar familie (haar vader was tijdens de oorlog soldaat in de bezette gebieden) uit Gdynia (Gdingen) verdreven, samen met de Duitse strijdkrachten.[151]

 

De organisaties beperkten zich echter natuurlijk niet alleen tot de verdrevenen uit Polen. Verschillende Landsmannschaften, zoals de Deutsch-Baltische Landsmannschaft, de Landsmannschaft der Banater Schwaben e.V, de Landsmannschaft der Donauschwaben, de Karpatendeutsche Landsmannschaft Slowakei e.V., de Landsmannschaft der Deutschen aus Litauen e.V., en nog ontelbare meer, verdedigden de belangen van de vluchtelingen uit de andere Europese landen zoals Hongarije, Tsjecho-Slowakije, Litouwen enzovoort.

 

Vanaf de jaren 1960 beschouwde de overheid de integratie van de verdreven Duitsers als afgelopen. Toch wilde deze inburgering niet zeggen dat de gevolgen van de verdrijvingen even snel vergeten waren, toch niet in de politieke wereld. Nog in 1969 vormden de belangen van de verdrevenen een belangrijke factor in de verkiezingen. Bijna twintig jaar na de feiten oefenden de Vertreibungslandsmannschaften nog steeds een grote invloed uit op het politieke leven. Maar ondanks de grote politieke aandacht bleef het thema de volgende jaren zowel in Duitsland als in de Oost-Europese betrokken landen eerder een taboe. In Der Spiegel van 25 maart 2002 vertelt professor Wehler[152] dat de Vertreibungskwestie in Duitsland nooit veel aandacht gekregen heeft, en dat pas onlangs de terughoudendheid er rond afgenomen is. In de jaren vijftig had hij weliswaar meegewerkt aan een documentatiemap over dit onderwerp, maar deze is nooit in de boekenwinkels verschenen. De Duitsers wilden er immers niet op gewezen worden dat de verdrijvingen van hun eigen volk misschien niet zo hardhandig gebeurd waren – of misschien zelfs helemaal niet – als de nazi’s niet zo lelijk huis gehouden hadden. En in de jaren zestig was niemand echt in het thema geïnteresseerd: er stond een soort emotionele rem op. Oost-Duitsland ontkende het probleem eenvoudig en in West-Duitsland werd heel hard geprobeerd om het verband tussen de bezettingspolitiek en de verdrijvingen te verdringen naar een donker hoekje in de geschiedenis.[153] Pas eind jaren zeventig is die mentaliteit wat gewijzigd door tentoonstellingen en door de openheid waarmee Polen ermee omging.

 

De Polen reageren de laatste jaren echter opnieuw erg gevoelig op het verdrijvingsthema, en laten over het algemeen opnieuw weinig sympathie blijken voor de Duitse slachtoffers. De atmosfeer verzuurde vooral door het initiatief van Erika Steinbach om in Berlijn een Zentrum gegen Vertreibungen op te richten en door de opnieuw opduikende eisen tot schadevergoeding van zowel Duitsers als Polen. In 2000 werd bovendien nog een nieuwe organisatie opgericht, Preußische Treuhand[154] wat opnieuw voor commotie zorgde. De Treuhand heeft namelijk tamelijk radicale opvattingen over de rechten van de Heimatvertriebenen [155] en wil Duitse ontheemden die naar hun geboortestreek willen terugkeren (schattingen spreken van één tot drie procent), helpen om hun verloren eigendom in de vroegere Duitse Oostprovincies terug te krijgen.[156] De voorzitter van de Treuhand,[157] een naamloze vennootschap met zetel in Bonn, is Rudi Pawelka.

 

 

3. HET ZENTRUM GEGEN VERTREIBUNGEN [158]

 

Op 19 maart 1999 ontstond in de schoot van de Bund der Heimatvertriebenen het idee om een project uit te werken dat de grote verdrijvingen in Europa tijdens de twintigste eeuw zou weergeven, met vooral speciale aandacht voor de Duitse slachtoffers. Dit idee mondde op 6 september 2000 uit tot een nieuwe organisatie: de Stiftung Zentrum gegen Vertreibungen, met zetel in Wiesbaden. De organisatie wordt geleid door Peter Glotz en Erika Steinbach, eveneens voorzitster van de BdV. De Stiftung heeft volgens haar twee bezielers vier doelen te verwezenlijken:

 

1.De Stiftung wil in de eerste plaats in Berlijn een algemeen overzicht geven van het lot van de meer dan 15 miljoen Duitsers die na de Tweede Wereldoorlog uit Midden-, Oost- en Zuid-Oost-Europa verdreven zijn. Het doel van het Zentrum gegen Vertreibungen is om dit te verwezenlijken in de vorm van een permanente tentoonstelling, die opgebouwd is rond een speciale ‘requiemrotonde’ die plaats en ruimte biedt voor rouw, belangstelling en vergeving.

 

2.Ten tweede wil de Stiftung de veranderingen aantonen die de BRD en DDR ondergaan hebben als gevolg van de integratie van al deze verdrevenen, die hun geschiedenis, cultuur, gebruiken en trauma’s met zich meebrachten en zo ook een stempel drukten op de samenleving.

 

3.Ten derde zegt de organisatie dat ook de verdrijving en genocide van andere volkeren tijdens de twintigste eeuw hun plaats in het Zentrum verdienen.

 

4.Ten vierde looft de Stiftung een prijs uit aan personen die door hun handelingen de verdrijvingen in de schijnwerpers zetten en zo proberen om zulke misdaden tegen de mensheid in de toekomst te voorkomen. De prijs is gebaseerd op het vierde ‘Haager Abkommen’ van 1907 dat de burgerbevolking tijdens en na de oorlog bescherming bood.[159]

 

Met dit project wilde de Bund der Vertriebenen de volksverdrijvingen die overal ter wereld plaats gevonden hebben officieel als een politiek instrument veroordelen.[160] De documentatie

 

rond de verdrijvingen die in het centrum bewerkt wordt, zal zich dus niet enkel beperken tot de verdrijvingen van de Duitsers na de Tweede Wereldoorlog, maar omvatten ook de drama’s van de volkerenmoord in Armenië, de verdrijving van de Grieken uit Smyrna, de conflicten uit de Balkan en nog zoveel anderen.[161]

 

Na even op de site van het Zentrum gegen Vertreibungen rondgeneusd te hebben, heb ik inderdaad ontdekt dat er enige aandacht gewijd wordt aan de andere verdrijvingen die in de loop van de voorbije eeuw Europa hebben geteisterd. Ter ere van de ‘negentigste herdenking’ van de volkerenmoord in Armenië, hebben zowel Erika Steinbach als Peter Glotz in hun Stiftung een plaats vrijgemaakt om de Armeense slachtoffers te gedenken.[162] Toch blijft de meeste aandacht naar de Duitse slachtoffers gaan. De interesse is ongelijk verdeeld.

 

             Tekstvak: Erika Steinbach (Der Spiegel; 11-1-1999)

Erika Steinbach zou voor het museum zelfs al een gepast gebouw gevonden hebben, namelijk de vroegere bunker in Kreuzberg, in Berlijn, waar na de oorlog veel Duitse Heimatvertriebenen zijn opgevangen. Het centrum zou gebouwd worden aan de hand van landkaarten: de vloer van de hoofdzaal zou uit één grote landkaart van Europa bestaan en aan de muren zouden kleinere kaarten bevestigd zijn, die de verschillende stappen van de verdrijvingen illustreren. De eerste kaart zou de verdrijvingen tot 1933 documenteren (als gevolg van de verdragen tussen Griekenland en Turkije na de Balkanoorlogen en de Eerste Wereldoorlog), de tweede zou de periode tussen 1933 en 1945 bespreken (vooral de gedwongen migratie van de bewoners uit de Centraal- en Oost-Europese landen die plaats moesten maken voor de Arische Übermensch), de derde kaart zou de verdrijvingen van de Duitsers tussen 1945 en 1950 behandelen en de vierde kaart ten slotte zou zich tot de latere emigraties beperken (de zogenaamde Spätaussiedler vanaf 1950).[163] Op de kaarten zouden de bezoekers de weg kunnen volgen die de verschillende bevolkingsgroepen in de betreffende periodes hebben afgelegd. De Duitse professor Guido Knopp heeft het centrum bovendien duizend gefilmde getuigenissen van verdrevenen geschonken, wat het materiaal natuurlijk een meerwaarde geeft.[164]

 

Hoewel het centrum in de eerste plaats dus vooral een interne Duitse aangelegenheid blijft, is de presidente van de BdV toch van mening dat het de verzoening tussen de staten kan bevorderen. Steinbach vindt immers dat het alle betrokken landen kan helpen om de verdrijvingspassage uit de geschiedenis beter te verwerken als de Duitsers met hun leed naar buiten zouden mogen komen.[165] Maar haar opvattingen vallen niet in goede aarde. Zowel in als buiten Duitsland treft het omstreden museum blijkbaar een heel gevoelige snaar. Het initiatief kreeg geen enkele steun. Zo stuurde de Stiftung op 12 juli 2000 een eerste document met de ideeën naar de toenmalige Poolse minister van Buitenlandse Zaken Wladysław Bartoszewski. Een maand later kregen twaalf Centraal- en Oost-Europese ambassades in Berlijn dezelfde documenten toegestuurd. De organisatie kreeg van niemand antwoord.[166]

 

Zowel in Polen als in Duitsland laaiden de reacties rond het documentatiecentrum in de politieke wereld en daarbuiten hoog op. Dit is te merken aan de grote aandacht die de pers in beide landen aan dit thema besteed heeft. Op politiek niveau werd er vooral gekeken naar de manier waarop een dergelijk centrum de toch al fragiele relaties tussen Duitsland en Polen zou kunnen beïnvloeden. Een van de veel geuite kritieken is het gerucht dat het gedenkteken dat in maart 2005 in Berlijn voor alle vermoorde joden is geopend – het Denkmal für die ermordeten Juden Europas[167] – als voorbeeld voor het centrum gediend heeft, wat Steinbach met klem ontkent. Dit zou betekenen dat ze het leed van de verdreven Duitsers gelijk zou stellen met dit van de joden tijdens de Holocaust, wat nooit haar bedoeling is geweest, weerlegde ze in verschillende interviews vurig.[168] Andere twistpunten draaiden rond het concept van het museum – nationaal of Europees – en de plaats waar het opgericht moet worden.

 

Over het algemeen genomen zijn de Centraal- en Oost-Europese landen niet over het initiatief te spreken. Vooral de Poolse en Tsjechische regeringen verwerpen het zuiver nationale Duitse concept en zijn uitdrukkelijke voorvechters van een Europees initiatief, dat alle misdaden tegen volkeren belicht. [169] Het probleem van de Heimatvertreibungen ligt vooral in Polen heel gevoelig: mag de Duitse bevolking — die de Tweede Wereldoorlog en alle leed dat deze met zich mee heeft gebracht — begonnen is, alleen haar eigen lijden zo ten toon spreiden? Bovendien waren de Poolse burgers evenzeer slachtoffers van verdrijvingsacties, zelfs tweemaal: een eerste keer aan het begin van de oorlog en een tweede keer tijdens de verdrijvingsgolven van 1944.[170] Een houding waarin de Duitsers zichzelf als slachtoffers voorstellen zou de fragiele relaties, die de Duitse regering ondertussen met de Centraal- en Oost-Europese landen heeft opgebouwd, in het gedrang kunnen brengen. Bovendien stuit ook de voorziene locatie van het documentatiecentrum bij de Polen op niets dan afkeer: Berlijn is als Duitse hoofdstad en als centrum van de nazi-terreur compleet uitgesloten. De Polen zijn zelfs geneigd om Poolse alternatieven voor te stellen, zoals een centrum in Wrocław. Zij kwamen met hun standpunten zelfs naar de Duitse pers.

 

De Poolse historicus en minister van Buitenlandse Zaken Wladysław Bartoszewski bijvoorbeeld, heeft in een artikel verschenen in de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 6 augustus 2003 laten blijken dat hij allesbehalve begrip kan opbrengen voor het Duitse initiatief. Ook voor de Duitsers zelf zou een Europees onderzoekscentrum, dat zich over de mensenrechten in het algemeen zou buigen, zinvoller en makkelijker te accepteren zijn, meent hij. Op die manier wordt dan aangetoond dat de Duitsers niet de enigen in de geschiedenis zijn die een foute weg bewandeld hebben. Het probleem met het centrum voor de Heimatvertriebenen is volgens Bartoszewski vooral dat Duitsland oude wonden wil openrijten, en dit zonder degelijke redenen. Hij vraagt zich af waarom de Duitsers met dit initiatief op de proppen komen en of het misschien de bedoeling is om op die manier zowel bij de Duitse als buitenlandse jongere generatie een vals geschiedenisbeeld te creëren. Enkel de joden kunnen volgens hem immers de rol van oorlogsslachtoffer opeisen.

 

De Pools-joodse historicus is ook ten zeerste gekant tegen het voorstel om Berlijn als thuis voor het Zentrum te kiezen. De Duitse hoofdstad is volgens hem voor de Polen nog te sterk verbonden met de Pruisische germaniseringspolitiek, de onderdrukking van de Slaven door de Duitsers en de terreur van Hitler. Bovendien is in Berlijn de Endlösung voor de joden tot stand gekomen. Hoe kun je dan op diezelfde plek een herinnering neerplanten voor de Duitse slachtoffers, vraagt hij zich af. Bij zulk initiatief moet selectief denken absoluut vermeden worden. Daarom stelt de Pool als alternatief Straatsburg of de Balkan voor. Zelfs de Duits-Poolse grensstad Görlitz-Zgorzelecz is voor hem een mogelijke locatie, omdat deze stad de volksverhuizingen nog steeds zichtbaar symboliseert. Als de Duitsers het idee van een Berlijns centrum niet zouden opgeven, zouden de Polen dit volgens Bartoszewski als een poging opvatten om het ene lijden af te wegen tegenover het andere, en op die manier de begane onrechtvaardigheden te minimaliseren.[171] Bartoszewski had zelfs met een Pools tegen-initiatief[172] gedreigd, dat als startdatum 1772 zou krijgen, toen Polen voor de eerste keer opgedeeld werd tussen Pruisen, Oostenrijk en Rusland. In dat concept zou dan de gedwongen germanisering, de strijd van Bismarck tegen de Polen en de katholieke kerk, het verbod om Pools te spreken in de scholen, kortom de moeilijke relaties tussen Polen en Duitsland, geaccentueerd worden. Net als de Duitsers zouden de Polen volgens Bartoszewski de geschiedenis immers vanuit een welbepaalde hoek kunnen interpreteren. Dit initiatief werd echter al in Polen zelf van tafel geveegd.

 

Lech Wałęsa,

 

Lech Wałęsa, president van Polen tussen 1990 en 1995 en voorman van Solidarność, waarschuwde Der Spiegel eveneens voor een Berlijns centrum:

 

Als de Duitsers met hun plan doorgaan om het centrum in Berlijn op te richten, bouwen wij in Warschau een ‘tegencentrum’ dat de gewelddaden van de Duitsers tegen de Polen etaleert. Ik roep jullie op om het plan te laten varen.[173]  

 

De burgemeester van Wrocław (Breslau) en een twintigtal andere invloedrijke personen uit de stad hebben in een oproep aan de Europese staats- en regeringsleiders eveneens gepleit om de locatie van het centrum te veranderen in het voordeel van Wrocław. Ook Zgorzelec (Görlitz) en steden uit Tsjechië tonen interesse.[174] Maar vooral Wrocław beschikt over de sterkste troeven als concurrent, omdat op die manier alle Heimatvertriebenen herdacht kunnen worden.[175] Wrocław staat in Polen immers symbool voor de verdrijvingen, zowel van Duitse als van Poolse burgers. De stad moest immers de verdreven Polen uit Lwów (Lemberg) opvangen, die volgens de verdragen van Teheran, Jalta en Potsdam overgingen op de Sovjet-Unie. Deze Polen konden dan terecht in Wrocław, waar ze de huizen konden innemen van de daar wonende Duitse bevolking. Bovendien heeft de stad zelf ook veel onder de oorlog geleden: toen de Duitsers haar na een harde strijd hadden heroverd, maakten ze er in 1944 tegen beter weten in een vesting van om het Rode Leger op te houden. 70 % van de gebouwen werd tijdens de strijd verwoest en veel burgers verloren er het leven.[176]

 

Ook de Poolse President Aleksander Kwaśniewski is eerder geneigd om voor een Europees centrum te kiezen, voor de ondertussen al gekende redenen. De president stelt dat elke poging om deze schuld te relativeren – onder andere door het lijden van de Duitsers in de schijnwerpers te zetten – in Polen niet geaccepteerd zal worden. Daar komt nog bovenop dat de Poolse grenzen tijdens en na de oorlog het meest gewijzigd zijn en dat Polen het meest geleden heeft. De eer om de oorlogsgebeurtenissen in tentoonstellingen te gieten komt dus Polen toe, meent hij. In een gesprek met Der Spiegel in januari 2004 stelde hij als alternatief voor om het documentatiecentrum van Steinbach in meerdere Europese centra voor verdrijvingen te vestigen. Het gaat volgens hem toch vooral om de vermaningsgedachte, die van de verdrijvingsgeschiedenis moet uitgaan. Er zijn immers niet alleen Duitsers verdreven, maar ook Polen en leden van andere bevolkingsgroepen. Over zulke dingen moet men kunnen spreken, meent de Poolse president, vooral omdat hij beseft dat de generatie die de oorlog bewust heeft meegemaakt, aan het verdwijnen is. En deze verdwijning brengt een verandering teweeg in het gezichtspunt waarmee mensen tegen de geschiedenis aankijken. Het belangrijkste is volgens hem dat de waarheid zo precies mogelijk weergegeven wordt en de slachtoffers herdacht worden. Het gaat er immers niet om nieuwe afrekeningen boven te halen of het leed in het eigen voordeel te gebruiken.[177]

 

Janusz Reiter,[178] in de periode na de politieke omwentelingen ambassadeur van Polen in Duitsland en president van het Warschause Centrum voor Internationale Betrekkingen, zei in een gesprek met Der Spiegel dat het in Polen vooral moeilijk te verkroppen valt, dat het centrum zo selectief is. Reiter licht toe dat de verhoudingen tussen Duitsland en Polen niet altijd even vreedzaam, maar wel erg productief geweest zijn. Het Zentrum gegen Vertreibungen legt echter enkel de nadruk op het meest tragische hoofdstuk uit de gemeenschappelijke geschiedenis van beide landen. Verder zegt Reiter dat de Poolse politici het betreuren dat de Poolse redenering in geschiedkundige kwesties door de Duitsers niet erkend wordt.[179] Hij waarschuwt echter wel om het concept niet enkel op Pools aandringen te wijzigen, dit zou op zijn beurt in Duitsland foutieve emoties kunnen uitlokken, vreest hij. Het is volgens hem vooral belangrijk om in samenspraak met de twee landen een plan uit te werken, waarin iedereen zich kan vinden. Anderzijds gelooft hij niet, in tegenstelling tot anderen, dat de discussie over het centrum de relatie tussen Polen en Duitsland op langere termijn beschadigd heeft.

 

De reacties in Polen zijn zo heftig omdat daar de angst blijft bestaan dat de jongere generatie door dit centrum een verkeerd (en eenzijdig) beeld van de geschiedenis zal krijgen. Door de te enge benadering ervan bestaat het gevaar dat Polen als de beul en Duitsland als het slachtoffer gemarkeerd zullen worden. Steinbach heeft al deze reacties echter in één klap van tafel geveegd, en er bovendien nog aan toe gevoegd dat ze het voorziene lidmaatschap voor Polen en Tsjechië tot de EU zou tegenwerken als beide landen zich niet (méér) zouden inspannen om het onrecht weer goed te maken dat ze de Duitsers na de Tweede Wereldoorlog met de verdrijvingen hadden aangedaan. Ze zouden de Duitse verdrevenen het recht moeten verlenen om in waardigheid naar hun thuis terug te keren, vindt de presidente van de BdV.[180]

 

De kritiek op het centrum beperkt zich echter niet tot Centraal- en Oost-Europa. Ook in eigen land is het Zentrum gegen Vertreibungen erg omstreden en zijn er meer Duitsers die het initiatief afkeuren dan die het een warm hart toedragen. De redenen die de Duitse bevolking als bezwaar aanhaalt, komen in grote mate overeen met de Poolse. De historici waarschuwen vooral voor een ‘de-contextualisering’: door enkel de verdrijvingen en het onrecht van de Duitsers aan te kaarten, vervormt men het geschiedenisbeeld; daar zijn ook de Duitsers het mee eens. Het is absoluut noodzakelijk dat de feiten die aan de verdrijvingen voorafgegaan zijn, evenveel aandacht krijgen, menen de Duitse historici. Daarom hebben verschillenden onder hen een document ondertekend dat het centrum afkeurt.[181]

 

In de politieke kringen zorgt het project eveneens voor heel wat deining: tussen de verschillende partijen heerst er grote discussie of het centrum een Duitse of Europese invalshoek moet krijgen, en in Berlijn moet worden opgericht of niet. De CDU/CSU en de FDP zijn voorstander van een Duits centrum, de coalitiepartijen vinden dat dit het project te kortzichtig maakt en te weinig ruimte biedt aan de andere volkeren die met verdrijvingen geconfronteerd zijn. De plaats van oprichting is voor de coalitie van minder belang. Zij sluiten Berlijn niet onmiddellijk uit, wat echter wel een dringende eis van de Centraal- en Oost-Europese landen is. Voor de Groenen speelt de locatie dan weer wel degelijk een rol, juist omdat dit voor de omliggende landen emotioneel zo zwaar ligt. Ze beklemtonen dat het centrum in de eerste plaats een langdurige en vruchtbare dialoog met Centraal- en Oost- Europa moet bewerkstelligen, en dat kan niet wanneer het centrum in Berlijn komt. De PDS legt dan weer andere accenten: voor haar moet het hoofddoel van het project, de vermaningsgedachte, centraal blijven staan. Daarom zou vooral Israël volgens de partij in het project betrokken moeten worden.[182]

 

Ook hooggeplaatste Duitse individuen hebben hun bedenkingen bij het museum: tenzij Erika Steinbach haar opzet verruimt, zal ze ook in eigen land niet veel steun krijgen, hoewel er hier en daar wel interesse bestaat, zij het dan mits enige aanpassingen aan het concept. Otto Schily bijvoorbeeld, minister van Binnenlandse Zaken, benadrukt dat de opzet van het museum om de Tweede Wereldoorlog, de Holocaust én de verdrijvingen samen in een groot documentatiecentrum tentoon te stellen, nog de beste oplossing vormt om het verleden te verwerken. Immers, het verhaal van de Heimatvertreibungen was al in 1933 begonnen toen Hitler zijn Lebensraumpolitik gestalte gaf, aldus de minister. Geschiedenis vormt altijd een continuüm, en bestaat nooit uit alleenstaande en streng afgelijnde gebeurtenissen, voegt hij er ter verdediging nog aan toe. Schily benadrukt echter wel dat hij zoveel mogelijk Europese historici en vertegenwoordigers van de cultuursector bij het project wil betrekken. Een nationaal project zou alleen maar oude wonden opnieuw openrijten, verklaart hij.[183] Wat de locatie van het museum betreft, is Schily van mening dat Berlijn ‘geen dogma’ vormt, maar hij wil ook niet zonder meer gezegd hebben dat Berlijn dé plaats bij uitstek is om het museum op te richten. Hij betreurt vooral dat de dialoog, die hij vier jaar geleden met de regering over het centrum begonnen was, blijkbaar met nieuwe strubbelingen te kampen heeft. De minister voor Binnenlandse Zaken vindt het ook nuttig om de bevolking bij het debat te betrekken, omdat het geen materie is die enkel en exclusief de regeringen aanbelangt.[184]

 

Ook Christina Weiss, een collega van Schily en de verantwoordelijke in de Bondsrepubliek Duitsland voor Cultuur (en dus ook van de gedenktekens), sluit zich bij deze opvatting aan. Zij is eerder voorstander van het idee van het Haus der Geschichte uit Bonn,[185] dat voor 2005 een tentoonstelling plant over vlucht en verdrijving in een globalere context. Deze tentoonstelling zou een tournee maken door de verschillende buurstaten, verklaart ze. Op die manier zouden oude en gevoelige punten uit de geschiedenis verwerkt kunnen worden en zou men misschien tot een consensus kunnen komen voor een blijvende tentoonstelling, hoopt de verantwoordelijke voor Cultuur van het kabinet van bondskanselier Schröder. Een ander initiatief zou volgens Weiss een onderzoekscentrum en gedenkplaats in de betrokken gebieden zijn, zeker en vast niet in Berlijn. Dat zou politiek te gevoelig liggen.[186]

 

Tekstvak: Markus Meckel (Der Spiegel; 4-8-2003).

 

Markus Meckel, parlementslid van de SPD, Duits auteur en Nobelprijswinnaar Günter Grass en andere intellectuelen keuren het Zentrum eveneens af.[187] De vooraanstaande intellectuelen hebben zelfs een manifest van Meckel ondertekend, dat het centrum afschildert als ‘een nationaal project dat bij de buurstaten wantrouwen opwekt’. Meckel en zijn kompanen zijn eerder te vinden voor een gemeenschappelijk project in heel Europa.[188]

 

Ralph Giordano,[189] een Duits auteur van joodse afkomst, die het tijdens de oorlog zwaar met de Gestapo aan de stok gehad heeft, vindt het opzet om enkel het leed van de Duitse slachtoffers in de schijnwerpers te zetten eveneens grondig fout. Hij verwijst hiervoor naar het Charta der deutschen Heimatvertriebenen, waarin helemaal geen melding wordt gemaakt van alles wat vóór de verdrijvingen heeft plaats gevonden, maar wat er wel direct mee in verband staat en waarvoor de Duitsers verantwoordelijk zijn. [190] Hij vreest dat het museum het idee zal geven dat de Duitse Heimatvertriebenen het leed van andere ontheemden zouden instrumentaliseren, om op die manier aandacht en medelijden voor het eigen leed te krijgen. Hij vreest in zekere zin toch een gelijkschakeling van de Holocaust en de Vertreibungen, als ze in één en hetzelfde centrum gedocumenteerd zouden worden.[191]

 

Ook voormalig Duits bondspresident Johannes Rau en Pools president Aleksander Kwaśniewski, hebben in 2002 verklaard dat beide landen elk individueel het recht hebben om te rouwen om de slachtoffers van de gedwongen volksverhuizingen, de vlucht en de verdrijving. Toch willen ze in de eerste plaats tot een Europese dialoog komen om herdenkingstekens op te richten. Daarom krijgt het idee om een internationaal netwerk  vanherdenkings- en documentatiecentra op te richten ook van hen veel bijval.

 

 

 

                              Tekstvak: Bondspresident Rau en Pools president Kwaśiewski                       (Der Spiegel; 6-9-1999).

Bondspresident Rau heeft immers al meermaals laten blijken dat hij “de opzet op zich wel ziet zitten, en dat het in geen geval in de kast mag verdwijnen”. Er een unicum voor Duitsers in Duitsland van maken, vindt hij echter wat gevaarlijk. Daarvoor liggen de naweeën van de oorlog internationaal nog te gevoelig.[192] Op 4 juli 2002 koos de Bundestag dan ook officieel voor een Europees centrum, het oorspronkelijke idee om enkel de Duitse Vertriebenen te behandelen, werd verworpen:

 

De Duitse Bondsdag spreekt zich uit om een Europese dialoog te starten over de oprichting van een Europees centrum tegen verdrijvingen. Zo’n centrum, met een onderzoeksproject in zijn schoot, moet de verdrijvingen van de twintigste eeuw met de verschillende oorzaken, contexten en gevolgen documenteren, met inbegrip van het lot van de Duitsers. De betrokkenen moeten hun leed in deze documentatie kunnen terugvinden. Maar zo’n project is een Europese opgave en heeft Europese partners nodig om tot ontwikkeling te kunnen komen. Betrokkenen uit de verschillende landen moeten aan het project kunnen deelnemen. De voorbereidingen die het ‘Haus der Geschichte in Bonn’ hierover begonnen is, moeten in het concept van het centrum geïntegreerd worden.[193]

 

 

Op 15 juli 2004 heeft Horst Köhler dan ten slotte, ter gelegenheid van zijn aantreding als bondspresident van Duitsland (hij volgde Johannes Rau op), aan ZDF (das Zweite Deutsche Fernsehen) verklaard, dat ook hij zich voor het hele probleem aansluit bij de mening van zijn voorganger. In een Europees project zou immers ook het door de Duitse ontheemden gewenste centrum tegen verdrijvingen vorm kunnen krijgen. In zulke gevoelige situaties moeten er compromissen gemaakt worden, meent

Hörst Köler hij.[194]

 

Uit deze getuigenissen blijkt dat in Duitsland vooral de diplomatieke rol in dit debat zwaar doorweegt. Hoofdbekommernis is om Polen niet voor het hoofd te stoten. Vooral omdat Polen sinds 2004 lid van de EU is en een belangrijke buur van Duitsland, is het nu meer dan belangrijk dat de goede verstandhouding tussen beide landen in ere wordt gehouden. Duitsland heeft immers veel symbolische knievallen moeten maken om opnieuw met Polen in het reine te komen. Deze inspanningen zijn té groot geweest om de relaties nu door een nationaal getint project te laten verzuren. Met andere woorden, ook de Duitsers zelf zijn het museum eerder slecht dan goed gezind.

 

Dit wil echter niet zeggen dat Erika Steinbach niet over een paar fervente medestanders beschikt. Ze heeft voor haar initiatief naar eigen zeggen zelfs al veel geld verzameld en heeft bovendien laten weten dat ze haar project ook zonder steun van de Duitse regering zal doorvoeren, hoewel de financiële last erg hoog is om op eigen houtje te dragen. [195] De voorzitster heeft er een goed oog in en heeft hooggeplaatste figuren aangesproken die het project hun goedkeuring wegdragen en de uitvoering ervan ondersteunen.[196] Verder heeft Steinbach naar eigen zeggen, en volgens de website van de Stiftung Zentrum gegen Vertreibungen, ook gelijkgestemde zielen gevonden onder belangrijke auteurs, politici en historici. Enkele klinkende namen die op haar lijst staan zijn prof.dr. Arnulf Baring, doktor Peter Becher, professor, doktor Dieter Blumenwitz, Joachim Gauck, en Thomas Krüger.[197] Bovendien blijkt uit de website van de organisatie dat heel wat gemeentes uit de verschillende Bundesländer zich als peter hebben opgegeven en het project financieel willen steunen, zoals Albstadt, Buchheim, Eppingen, Mammendorf, Angern, Kade, Sahms enzovoort.[198]

 

Zowel de Poolse als Duitse reacties op het initiatief van het Zentrum gegen Vertreibungen zijn dus heel hectisch geweest. Om een goede afloop te verzekeren is Erika Steinbach voor de binnen- en buitenlandse druk moeten buigen en heeft ze toegevingen moeten doen.[199] In navolging van alle discussies over het uiteindelijke doel van het centrum is Erika Steinbach in september 2003 in Warschau een debat aangegaan met de Poolse krant Rzeczpospolita.[200] Nadien verklaarde de presidente van de BdV zich eindelijk bereid om de opzet van het centrum te veranderen en het te wijden aan alle verdrijvingen. Daarna is de hetze er rond wat stilgevallen. Concrete uitvoeringsplannen of een officieel verbod zijn nergens in verdere artikels aangehaald. Een e-mail die ikzelf naar de Stiftung heb gestuurd, heeft bevestigd dat er nog steeds geen officiële plannen bestaan. In de zomer van 2005 hoopt de organisatie echter opnieuw met onderhandelingen te starten, en tegen beter weten in opnieuw een discussie aan te gaan over de voor- en nadelen van Berlijn als locatie.[201]

 

Hoewel de Duitsers in het algemeen een heel gematigde en zelfs afkeurende houding tegenover het project van Erika Steinbach aannemen en de interne druk er bovendien voor gezorgd heeft dat ze haar plannen gewijzigd heeft, is Polen nog steeds niet van de goede wil van Duitsland overtuigd. Het hele gebeuren heeft Duitsland opnieuw in een héél slecht daglicht gesteld. De relaties zijn sinds het regime van de communisten nog nooit zo slecht geweest.

 

Zo heeft het nieuwsblad Wprost in september 2003 op de voorpagina een montagefoto geplaatst van Erika Steinbach, gekleed in een SS-uniform en rijdend op bondskanselier Schröder. De ondertitel bij de foto luidde “De Duitsers zijn de Polen een biljoen dollar verschuldigd voor de Tweede Wereldoorlog”.[202] Uit deze titel blijkt hoezeer het centrum oude wonden opnieuw openrijt, en zelfs een nieuwe problematiek uitlokt, namelijk die van de schadevergoedingen.

 

 

                 Tekstvak: FAZ van 18.09.2003, p. 9.

 

4. EISEN TOT SCHADEVERGOEDING

 

A. OMKADERING: OVEREENKOMSTEN OVER DE SCHADEVERGOEDINGEN[203]

 

   Tekstvak: De Zayas Alfred (1993), Anmerkungen, p. 115.

 

Op de conferenties van Teheran, Jalta en Potsdam werden niet alleen de grenskwesties besproken, maar ook het probleem van de herstelbetalingen. De oorlog had immers enorm veel schade aangericht. Het lag voor de hand dat Duitsland — als de grote verliezer — deze moest vergoeden, en niet alleen door het afstaan van territoria (de grensverschuivingen), maar ook in de vorm van goederen en betalingen. Na de Eerste Wereldoorlog hadden de leiders echter dezelfde gedachtegang gevolgd, en zo hadden ze Hitler onrechtstreeks in de kaart gespeeld om revanchismegevoelens bij de bevolking te stimuleren en daardoor de Tweede Wereldoorlog uit te lokken. Deze keer wilden de geallieerden dus niet meer dezelfde fout maken. Bovendien waren de verwoestingen die de nazi’s tijdens de oorlog veroorzaakt hadden te groot om in zijn geheel en alleen door Duitsland gedragen te worden.[204] Om de veiligheid in Europa te garanderen hadden de geallieerden Duitsland immers bezet en in verschillende zones opgedeeld tussen de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en de Sovjet-Unie. Dit deed het economische potentieel van het land echter sterk dalen: kleinere delen van Duitsland moesten elk hun bezetter onderhouden, wat nog eens extra bemoeilijkt werd door de grote verwoestingen die Duitsland zelf geleden had. [205] Vooral de zone die onder controle stond van de Sovjet-Unie leed zwaar onder de draaglast en kon zelfs niet meer instaan voor de eigen behoeftes. De communisten nationaliseerden immers alle bedrijven en ontmantelden een groot deel ervan, wat de economische capaciteit sterk verzwakte.[206]

 

Om de reparatiebetalingen voor Duitsland draaglijker te maken, werd daarom besloten dat de schadevergoedingen zich alleen zouden baseren op het onrecht en de schade die het nationaal-socialisme had veroorzaakt.[207] Het Duitse schadevergoedingsrecht maakt om die reden een onderscheid tussen de soorten herstelbetalingen. Enerzijds waren er de Reparationen,[208] herstelbetalingen in de vorm van geld en diensten om de oorlogsschade te vergoeden, anderzijds waren er de schadeloosstellingen, de Entschädigungen, algemene vergoedingen zoals kledij, huizen, werkaanbiedingen... De Entschädigungen waren van symbolische aard en golden als vergoeding voor de volkerenvervolgingen.[209]

 

Op 11 februari 1945 goot Stalin tijdens de onderhandelingen nog extra olie op het vuur: hij verlangde een directe overdracht van een deel van de vergoedingen aan de Sovjet-Unie, en dit in de vorm van Duitse arbeidskrachten. In praktijk kwam dit neer op slavernij, en dat was volgens de westerse mogendheden absoluut uitgesloten. Maar net als tijdens de discussies over de grensverschuivingen, wist Stalin er zich ook nu met eufemismen uit te praten: het ging niet om slavernij, maar om reparations in kind.[210] Churchill en Roosevelt gaven toe en in totaal werden 874 000 Duitse burgers als ‘arbeidskrachten’ naar de Sovjet-Unie getransporteerd.[211] 45% van hen stierf door ontbering. Vooral de Duitsers uit Transylvanië, Saksen, Oost-Pruisen en Pommeren werden hierdoor zwaar getroffen.[212]

 

Tevreden over wat hij bereikt had, wilde Stalin echter ook wel een kleine toegeving doen. Om Duitsland te ontlasten zou hij de herstelbetalingen die Duitsland ook aan Polen verplicht was, zelf financieren uit de inkomsten die hij uit zijn bezettingszone verkreeg. Om dit allemaal in praktijk om te zetten, sloten Polen en de Sovjet-Unie daarom op 16 augustus 1945 het Pools-Sovjetische oorlogsschadevergoedingsverdrag af.[213] In dit verdrag verklaarde de Sovjet-Unie afstand te doen van de winst die verkregen werd uit de gebieden die sinds het Verdrag van Potsdam aan Polen toebehoorden: de Polen mochten de verkregen producten en winst houden. Verder was de Sovjet-Unie met Polen overeengekomen om 15% van de herstelbetalingen die voor Rusland voorzien waren, over te dragen aan Polen. Als tegenprestatie moest deze laatste de Sovjet-Unie dan wel acht tot twaalf miljoen ton Duitse kolen leveren. In totaal schommelden de herstelbetalingen die Polen en de Sovjet-Unie van Duitsland eisten, tussen de 6 en de 31,7 miljard dollar naar de marktprijzen uit 1938. Omgerekend kwam de totale schadevergoeding (inclusief voor de westerse mogendheden) op 20 miljard dollar huidige geldwaarde.[214] Bovenop deze herstelbetalingen kwam nog de waarde van de Duitse bedrijven ten oosten van de Oder en de Neisse, die door Polen en de Sovjet-Unie waren opgeëist.

 

Op 22 augustus 1953 ondertekenden Vjatsjeslav Molotov en de Duitse eerste minister van de DDR Otto Grotewohl[215] in Moskou een protocol, waarin de regering van de Sovjet-Unie, in akkoord met de Poolse regering, verklaarde om de herstelbetalingen van de DDR[216] tegen het einde van 1953 te beëindigen.[217] Beide landen waren van mening dat het land zich al goed van zijn taak gekweten had, en dat het in het algemeen belang van Europa was om de straf niet te lang te laten duren. Hoe langer Duitsland (zowel de BRD als de DDR) economisch immers aan de grond zat, hoe langer de geallieerden de Duitse bevolking uit hun zone moesten onderhouden. Bovendien waren de algemene levensomstandigheden voor de Duitsers beneden alle peil en in de DDR en in Berlijn braken verschillende opstanden uit. Parallel met de overeenkomst met de Sovjet-Unie tekenden ook Polen en de DDR een verdrag dat de herstelbetalingen vanaf 1 januari 1954 zou beëindigen.[218] Op 23 augustus 1953 kwam er een verklaring van de regering van de Volksrepubliek Polen, waarin deze laatste afzag van zijn eis tot verdere herstelbetalingen door Duitsland. Het verdrag sloeg niet alleen op uitstel van de herstelbetalingen, maar hield in dat Polen helemaal afstand zou doen van zijn eisen.[219] In dit verdrag was het volgende te lezen:

 

Met het oog op het feit dat Duitsland zijn verplichting om herstelbetalingen uit te voeren al in grote mate volbracht heeft, en omdat een verbetering van de economische situatie in Duitsland in het belang is van een vredelievende ontwikkeling, heeft de regering van de Volksrepubliek Polen besloten om, met ingang van 1 januari 1954, af te zien van herstelbetalingen van Duitsland aan Polen. Op die manier wordt er geijverd voor een verdere bijdrage tot de oplossing van het Duitse probleem in de geest van de democratie en de vrede.[220]

 

Het is belangrijk om op te merken dat zowel de Sovjet-Unie als Polen zich in deze verdragen tot ‘Duitsland’ (in zijn geheel dus) gewend hebben, en niet enkel tot de DDR.[221] Mocht dit wel het geval geweest zijn, zou na de eenmaking van de DDR en BRD de discussie kunnen ontstaan zijn dat enkel de DDR van zijn plicht ontslagen was, maar dat aan het verenigde Duitsland wél nog eisen opgelegd kunnen worden. Hierdoor is elke twijfel van dien aard weggenomen. Bovendien heeft de Poolse regering ter gelegenheid van de Verdragen van Moskou van 12 augustus 1970 en de Verdragen van Warschau van 7 december 1970[222] de Duitse bondsregering nog eens bevestigd dat de verklaring van 24 augustus 1953 om de herstelbetalingen stop te zetten, op heel Duitsland betrekking had.[223] Deze overeenkomst heeft tot gevolg, dat eisen tot vergoeding die na dit verdrag ontstaan zijn, in de toekomst geen geldende waarde meer hadden. Dit verhindert echter niet dat er later toch nog discussies zullen ontstaan.

 

De eisen tot herstelbetalingen en schadevergoeding zijn immers niet op het nationaal-politieke niveau gestopt, maar zijn ook terug te voeren op de verdrijvingen die na de oorlog hebben plaatsgevonden. Dankzij de verschillende belangenorganisaties die op touw gezet zijn, konden de verdreven Duitsers hun eisen om hun bezittingen terug te krijgen kracht bijzetten. Verschillende instituten, zoals nu recentelijk de Preußische Treuhand, ondersteunen hen in deze initiatieven. De eisen van de verdrevenen draaien rond de vraag om te mogen terugkeren naar hun Heimat en soms zelfs rond de teruggave van verloren bezittingen en zelfs provincies. In de jaren vijftig kwamen zulke eisen zelfs heel frequent voor en maakten ze een belangrijk deel uit van de buitenlandse politiek van zowel de BRD als de DDR. [224]

 

In 1997 zijn Duitsland en Tsjechië echter een verbintenis aangegaan om een streep onder deze aanspraken te trekken.[225] Zo zei bondskanselier Schröder in 1999 op een ontmoeting met de Tsjechische premier Zeman nog dat de bondsregering geen enkele intentie had om aan Praag nog zulke eisen te presenteren. Duitsland noch Tsjechië zouden zich hier in de toekomst nog aan wagen, want zolang er nog eisen tot schadevergoeding en/of restitutie opduiken, kan er van een volledige verzoening immers geen sprake zijn, bevestigt onder andere Bohumil Doležal[226] in de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 6 september 2004. Hij gaat in zijn artikel zelfs verder door te stellen dat in sommige gevallen de schadevergoedingen de spanningen eerder verscherpen dan afbouwen. Het verleden moet voor eens en altijd te rusten gelegd worden, meent hij. Langs de andere kant beweert hij echter ook dat het een gevaarlijke illusie is om te geloven dat het onrecht van het verleden ooit helemaal goed gemaakt kan worden, met of zonder schadevergoedingen. [227]

 

Met Warschau heeft de Duitse overheid eveneens dergelijke verdragen afgesloten. De Duitse bondsregering verwerpt ook elke restitutieclaim van ‘ontheemde Duitsers’ aan Polen, en zal deze houding ook aannemen voor de internationale gerechtshoven.[228] Het Duitse Ministerie van Buitenlandse Zaken heeft altijd de eisen van de verdrevenen als onwettig beschouwd, voegt Schröder er nog aan toe.[229] Door de wet op evenredige schadeloosstelling voor geleden oorlogsschade die in de regeringsperiode van Adenauer vorm gekregen heeft, zijn alle aansprakenclaims al in het verleden voorgoed geregeld. [230] Dit zou echter niet betekenen, dat de regering individuele burgers kan verhinderen om naar de rechtbank te stappen.

 

 

B DE OPKOMST VAN NIEUWE SCHADEVERGOEDINGEN

 

Toch heeft het Duitse Constitutionele Hof in het verleden een gevaarlijk precedent geschapen door individuen het recht te verlenen om naar de rechter te stappen om een schadevergoeding te eisen. Dit had tot gevolg dat in 2001 Poolse arbeiders, die in het Derde Rijk dwangarbeid hebben moeten verrichten, van de Duitse regering een schadevergoeding hadden gekregen. Omgekeerd werden de Polen in 1999 opnieuw opgeschrikt door meldingen van Duitse Vertriebenen die hun vroegere bezittingen en/of huizen terugeisten, [231] en dit ondanks de akkoorden die de afgelopen jaren als verzoeningsmaatregel gesloten werden.[232] In 2000 kwamen hier nog ongeveer 2000 verzoeken tot schadevergoeding van Sudetenduitsers aan het Duits-Tsjechische Toekomstfonds[233] bij. Een mogelijke verklaring voor deze heropleving zijn de onderhandelingen tot de toetreding van Polen tot de Europese Unie, die in dezelfde periode van start zijn gegaan.[234] Doordat Polen met zijn lidmaatschap tot de EU ook de algemene Europese rechtsnormen overneemt, zijn de kansen reëel dat het opnieuw tot processen komt met de verdreven Duitsers.[235] Maar de Europese wetgeving rond deze materie is niet erg duidelijk, zodat niemand op voorhand kan voorspellen, welke houding de Europese rechters tegenover de schadeclaims zullen aannemen. Feit is immers dat veel Polen die in de huizen van de Duitse verdrevenen getrokken zijn, hun huizen en gronden enkel van de Poolse staat pachten. [236] In veel kadasterboeken staan echter nog altijd Duitsers als wettige eigenaar van immobilia en percelen grond aangegeven.[237] Hoewel de slaagkansen om een proces te winnen gering zijn, vormen ze toch een belasting op de fragiele relatie tussen Duitsland en Polen.

 

Sommige ‘ontheemde Duitsers’ uiten zelfs de wens om opnieuw in hun oude huizen in te trekken, wat de Polen angst[238] inboezemt. In de gemeentehuizen van vroegere Duitse steden als Szczecin (Stettin), Wrocław (Breslau), Słupk (Stolp), Opole (Oppelen) of Poznań (Posen) stapelen de Duitse brieven met de eis naar een teruggave van privé-eigendommen zich op. De aanspraken in Oost-Pruisen en de meest westelijke gebieden van Polen hebben ondertussen in totaal al bedragen bereikt ter waarde van zes miljard euro.[239]

 

Veel nazaten van Duitse ontheemden willen nu vanuit een soort emotioneel gevoel van heimwee terug op hun oude familiegoed gaan wonen. Vele huizen en gronden van vroegere Duitsers liggen er momenteel verlaten en vervallen bij. De kinderen en kleinkinderen van de verdrevenen willen er ‘iets goeds van maken’, de verkommerde huizen restaureren en er een toeristische trekpleister van maken.[240] De werknemers op het Poolse kadaster beantwoorden alle eisen van de Duitsers, met de boodschap dat de grenswijziging door beide landen officieel erkend is, en dat aan hun eisen dus geen gehoor gegeven kan worden. Ondanks de rechtszekerheid dat de eisen onwettig zijn, roepen deze plannen bij de Polen grote schrikbeelden op. De angst is zelfs zo groot, dat Poolse trustmaatschappijen landgoederen en kastelen aan bijna symbolische prijzen aan Poolse staatsburgers verkopen.

 

Hoewel bondskanselier Schröder en bondspresident Horst Rau in augustus 2004 nog maar eens een nieuwe poging hebben ondernomen om de gemoederen te bedaren, blijven de belangenorganisaties van de Heimatvertriebenen voor nieuwe onrust zorgen.[241] De Preußische Treuhand bijvoorbeeld heeft zichzelf als doel gesteld om de schadeclaims van ontheemde Duitsers in Polen toch door te drukken en ze zelfs voor de rechtbanken te brengen. De organisatie wil de verdrevenen immers de mogelijkheid geven om vervallen gebouwen en braakliggende velden in dunbevolkte streken opnieuw op te bouwen en te bewerken. Rudi Pawełka, de voorzitter van de organisatie, beweert dat de interesse hiervoor bij de verdrevenen zeer groot is en dat de Treuhand in de herfst van 2003 zo’n dertig tot veertig aanvragen per week kreeg.[242] Vooral dorpen en steden die dicht tegen de Duitse grens liggen, zijn twistgebieden. De Preußische Treuhand baseert zich, tot grote verontwaardiging van de Polen, voor zijn claims op de restitutieaanvragen van de joden. Op de internetsite van de Treuhand staat te lezen dat de organisatie naar het voorbeeld van de Jewish Claims Conference[243] als een ‘zelfhulporgaan de verdrevenen wil helpen om de individuele aanspraken tegenover de staten die zich schuldig hebben gemaakt aan de verdrijving te behartigen’.[244]

 

De Bund der Vertriebenen, nochtans ook een fervent voorvechter van de rechten van de ontheemde Duitsers, verwerpt de eisen tot herstelbetalingen.[245] De BdV meent dat ‘geïnstitutionaliseerde eisen naar materiële herstelbetalingen als resultaat zullen hebben dat de schuldtoewijzing opnieuw aangewakkerd wordt en dat er een concurrentie zal ontstaan onder de slachtoffers’.[246] De schadevergoeding zou voor alle betrokken partijen (zowel voor Polen als voor Duitsers) enkel symbolisch moeten zijn, beweert de Bund der Vertriebenen. Het belangrijkst is de erkenning van het aangedane onrecht, niet de materiële vergoeding. [247] Voor de Bund speelt de materiële factor in de eigendomsproblemen geen enkele rol, beweert voorzitster Erika Steinbach. Bovendien is Steinbach meer en meer geneigd om genoegen te nemen met een interne oplossing voor de restitutieclaims en een Null-Lösung[248] te accepteren (dit in tegenstelling tot de Preußische Treuhand). Voor deze uitspraak wordt de voorzitster in haar eigen organisatie echter duchtig bekritiseerd. [249] Op de jongste Tag der Heimat in 2004,[250] die jaarlijks op 4 september in Berlijn plaatsheeft, zei Steinbach dat dit nochtans de enige oplossing is, aangezien de regering zich sterk maakt, aan de eisen geen rechtelijk gehoor te geven. Bondskanselier Schröder heeft in Warschau inderdaad nog eens officieel bevestigd dat

 

de Duitsers zeer goed weten wie de oorlog begonnen is, en wie de eerste slachtoffers ervan waren. Daarom mag er vandaag geen plaats meer zijn voor restitutieclaims vanuit Duitsland, die de geschiedenis proberen om te draaien.[251]

 

De voorzitster van de Bund der Vertriebenen vreest dat deze uitspraak ervoor zou kunnen zorgen dat de eisers zich tot internationale gerechtshoven gaan wenden, wat gevaarlijke precedenten zou scheppen. Steinbach meent dat het daarom wenselijker zou zijn dat de regering toch nog een interne regeling uitdoktert.[252] Ze vindt dat Schröder een wet had moeten beloven die de openstaande zaken met de ontheemden zou regelen en dat de regering zelf de financiële verantwoordelijkheid op zich moet nemen.[253] Schröders uitspraken in Warschau hebben immers misschien wel de Polen wat gesust, maar Vertriebenen, die wél op hun recht staan om hun verloren eigendom opnieuw te bemachtigen, zijn verbolgen over de mededeling van de officiële instanties. Ze begrijpen weliswaar dat de goede verstandhouding tussen Polen en Duitsland zo goed mogelijk in ere gehouden moet worden, maar ze vinden het ‘een messteek in de rug’ en ‘verraad’ aan het eigen volk en de eigen slachtoffers. [254]

 

Waar alle partijen het wél roerend over eens zijn, is dat de hele heisa voor eens en altijd duidelijk opgelost moet worden, want een schemerzone bemoeilijkt alleen maar de relaties tussen beide landen. Ondanks de gespannen sfeer rond de eisen hebben enquêtes in Polen nochtans aangetoond, dat twee derde van de Poolse burgers inderdaad van mening is dat de verdreven Duitsers onrecht is aangedaan. Een op vier vindt zelfs dat deze ontheemden recht hebben op een schadevergoeding.[255] Wat wel vreemd is, is dat Der Spiegel in zijn uitgave van 9 augustus 2004 ook een soortgelijke enquête had gevoerd, ditmaal naar de Duitse opinie over de rechtmatigheid waarmee de Duitsers hun schadevergoedingen opeisten. Daar zijn de resultaten heel erg laag: slecht 25% vindt de claims gerechtvaardigd. [256]

 

De sneeuwbal rolt echter nog veel verder dan de Duitse aanspraken. Als antwoord op de eisen van de Heimatvertriebenen hebben Poolse verdrevenen eveneens besloten van zich te laten horen. [257] De Tweede Wereldoorlog heeft immers niet alleen Duitsers verdreven, ook Poolse inwoners moesten in het begin van de oorlog vaak hun huis (en thuis) in de steek laten ten voordele van de Duitse bezetters, en na de oorlog is opnieuw een groot aantal moeten verhuizen van het oosten van het land naar de nieuwe westelijke provincies. In 1939 bijvoorbeeld zijn de bewoners van Gdynia onder dwang van de Duitse bezetters moeten verhuizen. Volgens sommige verklaringen zouden ze maar vijftien minuten de tijd gehad hebben om hun spullen bij elkaar te zoeken, de huissleutel moesten ze op de deur laten zitten voor de volgende bewoners.[258] Ook zij hebben onderweg naar hun nieuwe woonplaats ontberingen doorgemaakt en ook onder hen zijn er doden gevallen die nooit begraven zijn. Al hun bezittingen kwamen in handen van de Duitsers. Van de 80 000 Polen is na de oorlog maar de helft kunnen terugkeren. Volgens de Frankfurter Allgemeine Zeitung van 3 augustus 2004 beweert de Poolse Gazeta Wyborzca dat ook deze ‘verdrevenen’ moreel in hun recht zijn, hoewel ze hen uitdrukkelijk vraagt om geen schadevergoeding te eisen om niet in het vaarwater te komen van de Duitse ontheemden met hun schadeclaims.[259]

 

Vlak vóór de toetreding tot de EU is het in Polen nog tot een gevaarlijk precedent gekomen in verband met de vergoedingshetze. Het resultaat was een proces in Straatsburg gevoerd door de Pool Borowski. Borowski is een van de vele Polen die als kleine jongen gedwongen werd om van het oosten naar het westen van zijn vaderland te verhuizen. Hoewel het Poolse parlement schadevergoedingen rond dit thema al lang als gesloten beschouwde, stapte de Pool er toch mee naar het Hof van Straatsburg. De rechtbank besliste dat de Poolse regering die man moest vergoeden, omdat de staat anders de rechten van de mens zou schenden. Immers, volgens een oude, uit 1946 stammende maar nooit uitgevoerde wet, hadden verdreven Polen recht op een vergoeding door de staat, in de vorm van huizen of grond. Een nieuwe wet bemoeilijkt dit principe echter door het aanbod aan beschikbaar staatseigendom en financiële vergoeding te beperken tot 50.000 złoty (of 10 500 euro). Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens vindt dat de Poolse regering de wet toch nog moet respecteren, en de man in kwestie moet vergoeden. [260]

 

Probleem is namelijk, dat er nog ongeveer 80 000 andere Polen in dezelfde situatie verkeren. In Straatsburg alleen al lopen er al 167 zaken over schadeclaims, en er worden er nog meer verwacht. Dit maakt de zaak problematisch, niet in de laatste plaats omdat de eventuele schadevergoedingen aan Duitsers juridisch nog niet onderzocht zijn. [261] De Poolse jurist Zdzisław Galicki zei in het Poolse dagblad Gazeta Wyborcza dat men de Duitse claims echter onmogelijk met de Poolse kan vergelijken. De Poolse schadeclaims worden immers aan de eigen staat gericht, en dat is niet het geval bij de Duitse. Bovendien zijn de Duitse kwesties al ten tijde van de Conferenties van Jalta en Potsdam geregeld, zij hebben dus geen inspraak meer. Hierop maken de Duitsers dan weer bezwaar. Zij stellen dat Duitsland tijdens die conferenties zelf niet aanwezig was, en dat de daar genomen besluiten dus niet geldig kunnen zijn.[262]

 

Ook de Poolse overheid is door de nieuwe eisen tot schadeloosstelling zijn vertrouwen in Duitsland verloren en werkte nog zelf een extra document uit. Zo heeft de Poolse sejm de Duitse regering – als antwoord op de Duitse claims – gevraagd om de oorlogsschade van 1940-45 alsnog te vereffenen. Op 10 september 2004 heeft het parlement een resolutie uitgevaardigd, waarin te lezen staat dat de Polen tot nu toe nog steeds geen financiële schadeloosstellingen gekregen hebben, noch herstelbetalingen voor de grote materiële schade die Polen in de Tweede Wereldoorlog door Duitsland geleden heeft. Het parlement verzoekt de Poolse regering dringend om ‘gepaste initiatieven te nemen’. Tevens heeft de sejm laten weten dat hij de Duitse bondsregering zelf verantwoordelijk acht voor het regelen van de schadeloosstellingen aan de Duitse Heimatvertriebenen. De Polen hebben geen enkele financiële verantwoordelijkheid tegenover burgers van de bondsrepubliek Duitsland wat betreft de Tweede Wereldoorlog en de gevolgen ervan, luidt de officiële verklaring. [263]

 

In november 2004 heeft het Poolse ministerie van Buitenlandse Zaken eveneens een studie uitgebracht over de schadevergoedingsproblematiek. Het werkstuk draagt de titel “Het vraagstuk van de Duitse herstelbetalingen voor de oorlog, schadeloosstellingen en financiële prestaties voor Polen tussen 1944 en 2004” en is opgesteld door de jurist Witold Foralski van het ‘Poolse Instituut voor Internationale Betrekkingen’.[264] In het document wordt weliswaar gesteld dat Polen zwaar geleden heeft onder de Tweede Wereldoorlog, maar ook dat Duitsland – en dit is niet wat de sejm beweert – al aanzienlijke herstelbetalingen uitgevoerd heeft. De regering weigert echter eender welke eis van de sejm aan Duitsland door te geven. De studie heeft namelijk nogmaals duidelijk gemaakt dat Duitsland in 1953 al een groot deel van zijn aangerichte schade vergoed had en beide landen via officiële verdragen de zaak afgesloten hadden. Bovendien wees de studie uit dat de immense gebiedsverliezen die Duitsland aan Polen geleden heeft ook als herstellingsbetaling aanvaard kunnen worden, omdat alle winst van bedrijven in die gebieden integraal aan Polen toekwam. De studie laat in het midden of die gebieden alle materiële verliezen die Polen geleden heeft daadwerkelijk compenseren.[265]

 

Het is aanneembaar dat de eisen van de sejm een gevolg zijn van de polemiek over het Zentrum gegen Vertreibungen en van de dubieuze activiteiten van de Preußische Treuhand. Nochtans is het hoofdstuk over schadevergoedingen al afgesloten, en door de regeringen van beide landen goedgekeurd.[266] Het NRC-Handelsblad gaat zelfs nog een stapje verder en meent dat de schadeclaims (ter waarde van 96 miljoen euro) die conservatieve Poolse parlementariërs nu tegen Duitsland aanheffen een reactie zijn op het Zentrum dat Erika Steinbach in Berlijn wil neerpoten.[267]

 

 

Krakau. En…Top! De Duitse bondskanselier Gerhard Schröder en de Poolse premier Marek Belka geven de aftrap voor de Pools-Duitse top in Krakau. Ze proberen de banden te herstellen nadat die een flinke knauw kregen toen het Poolse parlement in september [2004] om Duitse compensaties vroeg voor de schade die de nazi’s in Polen aanrichtten. Waarop de Duitsers prompt hun bezittingen in de voormalige Duitse gebieden in Polen terugvroegen. (Metro; 5-11-2004)

 

 

5. BESLUIT

 

Wat ik uit deze verhandeling geleerd heb, kan ik als volgt samenvatten: de gruwelijkheden van de Tweede Wereldoorlog tonen aan dat er nooit een strakke lijn getrokken kan worden tussen slachtoffers en daders. De daders kunnen net zo goed slachtoffer worden van de situatie als de slachtoffers daders.

 

Dit bewijzen ook de Heimatvertreibungen na de oorlog. Hoewel de volksverhuizingen van de Duitsers vastgelegd waren in de Verdragen van Jalta en Potsdam, is gebleken dat de betrokken Centraal- en Oost-Europese landen ook hun eigen agenda volgden, dat ook zij al eerder gepland hadden om de Duitsers voorgoed van hun grondgebied te verjagen. De opzet van de geallieerden, een menselijke en ordelijke bevolkingstransfer, is door deze voorbedachte politiek en de hoog oplaaiende wraakgevoelens van de betrokken regeringen in het water gevallen. De Duitse burgers in Polen, Tsjecho-Slowaijke en Hongarije hebben moeten boeten voor de gruwelen van de nazi’s. Het principe ‘oog om oog, tand om tand’, werd ook door het Rode Leger en de Poolse militietroepen meermaals toegepast in de vorm van massamoorden, plunderingen en verkrachtingen.

 

Het tweede en derde hoofdstuk van deze scriptie hebben bovendien aangetoond dat dit spook uit het verleden nog lang geen rust kent. De belangenorganisatie Bund der Vertriebenen heeft immers het plan opgevat om met het leed van hun ontheemde burgers naar buiten te komen, en dit in de vorm van een documentatiecentrum over de gruwel van de verdrijvingen. Op die manier worden de klassieke rollen van dader-slachtoffer echter omgedraaid, en zo’n initiatief gaat niet onopgemerkt voorbij. Zowel in de Poolse als in de Duitse pers regende het reacties, voor het merendeel afkeurende. De Polen beroepen zich op het leed dat de oorlog in hun vaderland heeft veroorzaakt, wat de Duitsers het recht ontneemt om in hun land het eigen lijden zo publiekelijk tentoon te stellen. Vanuit Wrocław en andere Poolse steden zijn zelfs plannen ontstaan voor tegen-initiatieven. Uiteindelijk is de organisatrice van het Zentrum gegen Vertreibungen, de voorzitster van de BdV Erika Steinbach, toch onder de druk – niet in het minst vanwege de politieke wereld – bezweken. Ze heeft toegevingen gedaan om het centrum een meer internationaal karakter te geven en alle volkenverdrijvingen die in de twintigste eeuw hebben plaatsgevonden, in de tentoonstelling op te nemen.

 

Het debat rond het Zentrum gegen Vertreibungen heeft echter nog een andere doos van Pandora geopend, namelijk die van de eisen tot schadevergoeding. Na de oorlog was Duitsland immers verplicht om de schade die de nazi’s hadden aangericht, te vergoeden, maar na een paar jaar werd duidelijk dat hierdoor de hypotheek op Duitsland te zwaar woog. Om een verzuring van de relaties te vermijden, hebben zowel Poolse als Duitse regeringsleiders meermaals akkoorden ondertekend, die dit hoofdstuk uit het verleden definitief moesten afsluiten. Maar opnieuw strooiden belangenorganisaties van de verdrevenen roet in het eten. Zij spoorden hun leden aan om toch naar de rechtbank te stappen, en zelfs geen genoegen te nemen met een financiële compensatie. Poolse gemeentehuizen werden plots overstelpt met brieven van Duitse verdrevenen, die hun eigendom terugeisten. Chaos alom dus.

 

Is de Poolse erfvijandschap tussen Duitsland en Polen dan toch weer opgerezen? Het Poolse weekblad Przegląd legt volgens Der Spiegel de link tussen de twee recente ontwikkelingen. Dit tijdschrift beweert dat de hoofdmotivatie van het Zentrum gegen Vertreibungen er in feite in bestaat om de verloren gebieden in het westen van Polen opnieuw in bezit te krijgen en te willen terugkeren naar de status-quo van 1937.[268] Hitler-grappen leven in Polen weer op en de moeizaam opgebouwde relaties brokkelen stap voor stap weer af. Aan beide zijden worden de gebeurtenissen uit hun context gehaald en bijna gekarikaturiseerd om het wantrouwen tussen Polen en Duitsland nieuw leven in te blazen.

 

Nochtans zouden de gebeurtenissen van de Tweede Wereldoorlog zestig jaar na de feiten zodanig in hun normale kader geplaatst moeten zijn, dat stekels niet meer onmiddellijk overeind komen. De generatie die de oorlog en de nasleep ervan actief heeft meegemaakt, behoort ondertussen immers al gedeeltelijk tot het verleden. Dat dit verleden echter nog steeds niet verwerkt is, bewijst eveneens de recente polemiek tussen China en Japan. Ook China verwijt Japan nog steeds de misdaden die tijdens de Tweede Wereldoorlog begaan zijn. In feite gaat het min of meer om een zelfde scenario: de Chinezen waren in april 2005 verbolgen over het bezoek van de Japanse premier Koizumi aan het Jasukuni-oorlogsmonument, dat de Japanse slachtoffers herdenkt. Ook zij beschouwen het museum als een symbool van de Japanse gruweldaden tijdens de oorlog.[269]

 

Ondanks de strubbelingen die de eisen aan beide zijden veroorzaken en ondanks het omstreden Zentrum gegen Vertreibungen klopt het beeld echter niet dat alle Polen en Duitsers met getrokken messen tegenover elkaar staan. Niet alle nazaten van de Vertriebenen zijn er werkelijk op uit om hun vroegere bezittingen terug te eisen en niet alle Polen laten zich leiden door hun angsten. Soms zorgt de wederzijdse (Duitse en Poolse) liefde voor de huizen en gronden voor een ontluikende vriendschap.[270] Een goed voorbeeld van het ‘vriendelijke en goede nabuurschap’ waar zovele jaren door politici als Willy Brandt en Tadeusz Mazowiecki aan gewerkt is, toont het verhaal van Waltraud Becker, een van de Duitse verdrevenen die moeilijk helemaal afscheid kon nemen van haar vroegere Heimat. Daarom heeft ze haar geboortehuis in Grunau al verschillende keren bezocht en aan deze bezoeken en de contacten met de daar wonende Polen aangename herinneringen overgehouden. In Der Spiegel van 15 november 1999 zegt ze over dit bezoek:

 

We hebben samen met de Polen het 700-jarige jubileum van de streek gevierd. We hebben hen geschenken meegebracht, we hebben gedanst, gedronken en gehuild. En daarna zijn we gelukkig weer naar huis gereden. Ten afscheid zongen de Poolse kinderen Duitse volksliedjes.[271]

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[1] Bronnen: Kruszewski Z.Anthony (1972), The Oder-Neiße boundary and Poland’s modernization, The socioeconomic and political impact pp 245; De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen der Deutschen aus dem Osten, pp 228; Bark, L. en A. Dennis, (1989), A history of West-Germany, from shadow to substance 1945-1963; Ramkema Harm (1994), De Duitsers in Polen, pp 57-74, Uit: Ramkema Harm en Erik van Schaik, Tussen recht en repressie, minderheden in Oost-Europa; Bingen Dieter (1993), Die Deutschlandspolitik Polens, pp 19-21; Davies Norman (2000), Im Herzen Europas, pp 73-91; De Zayas Alfred (1980), Die Anglo-Amerikaner und die Vertreibung der Deutschen; Meyer Enno (1977), Grundzüge der Geschichte Polens; Davies Norman (1986), God’s Playground, pp 445-446, 435-539; De Keersmaeker Goedele (1990), Langs Oder en Neisse; Bartoszewicz Iwona (2000), Formen der Persuasion im polnisch-deutschen Dialog, pp 340-365; Janssens, Peter (1991), Het binnenlands en buitenlands beleid van de regering Mazowiecki in Polen (september 1989 – november 1990); http://www.bund-der-vertriebenen.de; Breyer Richard, Nasarski Peter E., Piekalkiewicz Janusz (1976), Nachbar seit 1000 Jahren: Deutschen und Polen in Bildern und Dokumenten, pp 286; Urban Thomas (1993), Deutsche in Polen, Geschichte und Gegenwart einer Minderheit, pp 49-60; Ennekes Christof (1998), Duits-Poolse betrekkingen, de Duitse drang nach Osten en creatie van de Oder-Neiße-grens, pp 101-113, 115-148 ; Schoenberg Hans W. (1970), Germans from the East, a study of their migration, resettlement and subsequent group history since 1945, pp 365; Ther Phillip (1998), Deutsche und polnische Vertriebene, pp 38-45; Bingen Dieter (1997), Die Entwicklung der deutsch-polnischen Beziehungen seit 1991; pp 42; Bingen Dieter (1991), Probleme, Verträge und Perspektive, pp 50; Cottey Andrew, East-Central Europe after the Cold war, pp 30-32; Wiewióra Bolesław (1964), The Polish-German frontier, pp 225; Von Reinhard (FAZ van 14 .12.1989), Auch das gehört zur Wahrheit, das düstere Kapitel der Vertreibungen der Deutschen jenseits von Oder und Neisse, p 8; (FAZ van 13.09.1990), Der Vertrag über die abschließende Regelungen in bezug auf Deutschland p 8; Wadyslaw Bartoszewski (FAZ van 06.08.2003), Wider das selektive Erinnern, p 9; Hans-Joachim Noack,Thomas Darnstädt en Klaus Wiegrefe (Der Spiegel van 25.03.2002), Die Flucht I, p 36-64; Thomas Darnstädt en Klaus Wiegrefe (Der Spiegel van 8.04.2002) Eine teuflische Lösung, pp 56-66; (NRC-Handelsblad van 24.06.2004), Géén punt achter geschiedenis, Aanspraken van verdrevenen halen Warschau na 60 jaar in, p 6.

[2] De ironie van het lot (of is het een bewuste psychologische politiek?) wil dat in 1871 de Duitse kanselier Otto von Bismarck in datzelfde slot, nota bene zelfs ook in de spiegelzaal van Versailles, Frankrijk zijn nederlaag heeft doen toegeven bij de stichting van het Duitse Rijk.

[3] Thomas Darnstädt en Klaus Wiegrefe (Der Spiegel, van 08.04.2002) Eine teuflische Lösung, pp 56-66,.

[4] Genoemd naar de Britse Lord George Curzon, de toenmalige Britse minister van Buitenlandse Zaken. Hij had Polen te verstaan gegeven dat ze in hun oorlog tegen Rusland enkel op Britse steun konden rekenen als ze de Curzon-line als grens tussen beide landen zou erkennen. de Curzon-grens was echter heel erg omstreden en zelfs ambigu. Een telegram van Curzon – verzonden vanuit Spa op 11 juli 1920 – sprak van twee grensafbakeningen: Het ene deel lag meer noordelijk (en sneed doorheen het vroegere Russische Rijk), het andere lag meer zuidelijk en omvatte delen van het Oostenrijks-Hongaarse rijk en lag ten oosten van de Przemysl (Galicië). Uiteindelijk viel de grens samen met de tweede versie . Bron: De Zayas M. (1980), Die Anglo-Amerkiander und die Vertreibung der Deutschen, Vorgeschichte, Verlauf, Folgen, p 195; Janssens, Peter (1991), Het binnenlands en buitenlands beleid, pp. 24-37; Urban Thomas (1993), Deutsche in Polen, p 61; Kruszewski Z.Anthony (1972), The Oder-Neiße boundary, pp 87-103; De Zayas, Maurice (1980), Die Anglo-Amerikander und die Vertreibung der Deutschen, p 67.

[5] Kruszewski Z.Anthony (1972), The Oder-Neiße boundary, 245 p; Davies Norman (1986), God’s Playground, pp 445-446; Vos Louis en Goddeeris Idesbald (2005), De strijd van de witte adelaar, pp. 87-103.

[6] In Opper-Silezië, Ermland, Mazurië en Oost-Pruisen werden referenda gehouden om te kijken of de betrokken bevolking het met de beslissing eens was. Opper-Silezië werd uiteindelijk onder Duitsland en Polen verdeeld omdat de bevolking niet tot een gemeenschappelijke beslissing kon komen. Bron: Ramkema Harm (1994), De Duitsers in Polen, pp 57-74, Uit: Ramkema Harm en Erik van Schaik, Tussen recht en repressie, pp. 167; Vos Louis (2005), De strijd van de witte adelaar, pp 87-103.

[7] De Duitse minderheden waren helemaal niet gelukkig in hun nieuwe vaderland, en deze ontevredenheid was Hitler bekend. Ze werden in de Centraal- en Oost-Europese landen immers als tweederangsburgers behandeld. De gruwelen van de oorlog zaten nog te vers in het geheugen. Bovendien bouwde Hilter tijdens de jaren dertig zijn Übermensch-politiek uit en steunde hij de Duitsers in hun eisen om meer rechten. De argwaan van de plaatselijke bevolking groeide, en al snel werden de Duitse minderheden bestempeld als een potentieel gevaar en een fifth column voor de soevereiniteit van de betrokken landen. De term fifth column is afkomstig uit de Spaanse Burgeroorlog onder Franco, toen de legers van Zuid-Spanje een grote nederlaag geleden hebben. Franco zette zich schrap voor de ultieme aanval: hij stelde zijn troepen op in vier grote marscolonnes richting Madrid. Op een tv-uitzending werd uitgelegd dat de beslissende actie in Madrid echter door een vijfde colonne was uitgevoerd: deze vijfde is immers met het offensief begonnen hoewel de andere vier van Franco klaar stonden. De kolonne bestond uit sympathisanten. Deze verklaring was het signaal voor een ongeziene jacht op verraders en spionnen, hoewel dit verband niet zozeer altijd correct was; Het waren ook gewone burgers die in het tegenkamp zaten, maar al snel werden verraders altijd geassocieerd met de vijfde colonne. Bron: Joachim Bor, Sylvia Dickgießer (1989), Deutschsprachige Minderheiten, Ein Überblick über den Stand der Forschung für 27 Länder p 108.

[8] Ther Phillip (1998), Deutsche und polnische Vertriebenen, p 35; Vos Louis (2005), De strijd, p 268.

[9]Thomas Darnstädt en Klaus Wiegrefe (Der Spiegel van 08.04.2002), Eine teuflische Lösung, pp 56-66.

[10] De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, p 114.

[11] Ibidem; Davies Norman (2000), Im Herzen Europas, pp 73-91.

[12] Operatie Barbarossa was voor Stalin als een donderslag bij heldere hemel gekomen omdat hij zich altijd tot in de puntjes aan de verdragen met Hitler gehouden had.

[13]De nieuwe grens tussen de Duitse en de Russische gebieden zou aan de rivieren de Narev, de Vistula en de San liggen Bron: Janssens, Peter (1991), Het binnenlands en buitenlands beleid, pp 18-22; Van de Mierop Jan (1995), De Duitse minderheden in Polen na WO II,pp 37-41; Thomas Darnstätdt, Klaus Wiegrefe en Ulrich Fichtern (Der Spiegel van 01.04. 2002) Lauft, ihr Schweine, pp 58-73.

[14] Kruszewski Z.Anthony (1972), The Oder-Neiße boundary, p 25.

[15] Ibidem, p 25.

[16] Ibidem, p 245.

[17] Ibidem, p 180.

[18] De nieuwe gebieden dienden ook als schadevergoeding voor de Poolse bevolking. Deze regio was economisch sterk ontwikkeld en zou een leefbare politieke en economische basis opleveren, wat ook gebeurd is. Oorspronkelijk draaiden de onderhandelingen voor de Poolse westelijke grens op de conferentie van Teheran enkel rond de gebieden van de Oder, maar toen Stalin zijn eigen eisen op tafel gooide, kwam ook de Neisse erbij. Bron: Kruszewski Z.Anthony (1972), The Oder-Neiße boundary, p 14, 18-19, 27; Géén punt achter geschiedenis, Aanspraken van verdrevenen halen Warschau na 60 jaar in (NRC-Handelsblad van 24.06.2004), p 6; Ennekes Christof (1998), Duits-Poolse betrekkingen, de Duitse drang nach Osten en creatie van de Oder-Neiße-grens,pp 115-148.

[19] Kruszewski Z.Anthony (1972), The Oder-Neiße boundary, p 18; Ennekens Christof (1998), Duits-Poolse betrekkingen, pp 115-148.

[20] Ennekes Christof (1998), Duits-Poolse betrekkingen, pp 100-115.

[21] Belangrijk is om op te merken dat Polen op de onderhandelingen niet aanwezig was, omdat de Amerikaanse president Roosevelt meende dat men de Polen toch op geen enkele manier zou kunnen tevredenstellen. Ook Churchill wou niet met de Polen aan tafel zitten. Bron: Van de Mierop Jan (1995), De Duitse minderheden, p 10; http://www.bund-der-vertriebenen.de; Kruszewski Z.Anthony (1972), The Oder-Neiße boundary, p 15, 199; De Keersmaeker Goedele (1990), Langs Oder en Neisse, pp. 17-22.

[22] Het Amerikaanse Bureau voor Volkstellingen (American Bureau of the Census) schatte het aantal Duitsers in de gebieden rond de Oder en de Neisse rond 6,2 miljoen. Bron: Kruszewski Z.Anthony (1972), The Oder-Neiße boundary, p 15, 199.

[23] In Silezië alleen al leefden voor 1945 nog meer dan 2 500 000 Duitsers. Bron: Van de Mierop Jan (1995), De Duitse minderheden, p 11; Hans-Joachim Noack,Thomas Darnstädt en Klaus Wiegrefe (Der Spiegel van 25.03.2002), Die Flucht, p 36-64; Kruszewski Z.Anthony (1972), The Oder-Neiße boundary, pp 245; Ennekens Christoph (1998), Duits-Poolse betrekkingen, de Duitse Drang nach Osten,

[24] Al in 990 n. Chr. strekten de gebieden die Mieszko I had verenigd zich ongeveer uit tot aan de Oder en de Neisse, de zogenaamde Panstwo Gnieźnieńskie. Bron: Vos Louis (2005), De strijd van de witte adelaar, p. 34.

[25] Christoph Kleßmann (2001), Flucht und Vertreibung im 20. Jahrhundert, p 20 in: Mehnert, Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, Flucht und Vertreibung aus deutscher, polnischer und tschechischer Sicht, pp 464.; Ennekens Christoph (1998), Duits-Poolse betrekkingen, pp 100-101.

[26] Kruszewski Z.Anthony (1972), The Oder-Neiße boundary pp 245; Ennekes Christof (1998), Duits-Poolse betrekkingen, pp 115-148.

[27] Urban Thomas (1993), Deutsche in Polen, p 53; De Keersmaeker Goedele (1990) Langs Oder en Neisse, p 17-22; Bingen Dieter (1993), Die Deutschlandspolitik Polens, pp 19-21.

[28] Bingen Dieter (1993), Die Deutschlandspolitik Polens, p 20.

[29]Throughout history Poland has been the corridor through which attacks on Russia have been made. Twice in this generation Germany has struck at Russia through this corridor. To ensure European security and world peace, a strong and independent Poland is necessary”. Bron: Wiewióra Bolesław (1964), The Polish-German frontier p 59.

[30] Men moet de ijver van Stalin om de westelijke grens van Polen op te schuiven opvatten vanuit zijn overtuiging dat Polen door het verlies van zijn oostelijke gebieden meer in de invloedsfeer van Sovjet-Rusland zou geraken. Meyer Enno (1977), Grundzüge der Geschichte Polens, p 186.

[31] De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, p 118.

[32] Urban Thomas (1993), Deutsche in Polen, p 53.

[33] De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, p 120.

[34] Andrezj Rybak en Hans-Ulrich Stoldt (Der Spiegel van 01.1999), Gift und Eiter, Deutsch-polnischer Häuserkampf, p 44-47; Hans-Joachim Noack,Thomas Darnstädt en Klaus Wiegrefe (Der Spiegel van 25.03.2002), Die Flucht, p 36-64.

[35] Meyer, Enno (1977), Grundzüge der Geschichte Polens, p 138.

[36] Kruszewski Z.Anthony (1972), The Oder-Neiße boundary, pp 219-221; Urban Thomas (1993), Deutsche in Polen, p 55; Davies Norman (2000), Im Herzen Europas, pp 73-91.

[37] Kruszewski Z.Anthony (1972), The Oder-Neiße boundary, p 210. Over het precieze aantal Duitsers in de gebieden bestaat er geen consensus. Ik heb me daarom gebaseerd om de meest ruime schattingen en op auteurs die volgens mij het meest afstand hebben genomen van het gebeuren. Duitse of Poolse bronnen beschouw ik voor cijfermateriaal minder betrouwbaar door hun emotionele betrokkenheid. Om die reden heb ik ook zeker niet de cijfers overgenomen van de Duitse Stiftung gegen Heimatvertreibungen, omdat zij volgens mij heel erg partijdig zijn.

[38] Bartoszewski Wladyslaw (FAZ van 6.08.2003), Wider das selektive Erinnern, p 9; Thomas Darnstädt en Klaus Wiegrefe (Der Spiegel, 8.04.2002), Eine teuflische Lösung, pp 56-66; Ramkema Harm (1994), De Duitsers in Polen, pp 57-74, Uit: Ramkema Harm en Erik van Schaik (1994), Tussen recht en repressie.

[39]Kruszewski Z.Anthony (1972), The Oder-Neiße boundary, p 180.

[40] (Der Spiegel van 14.12.1998), Spiegel-Gespräch, Verlogenes Schweigen, der polnische Schriftsteller Andrzej Szczypiorski über das Verhältnis der Polen zu Deutschland und zur neuen deutschen Regierung, pp 181-183; Bingen Dieter (1991): Probleme, Verträge und Perspektive, pp 50; Bingen, Dieter (1997), Die Entwicklung der deutsch-polnischen Beziehungen seit 1991, pp 42.

[41] Kruszewski Z.Anthony (1972), The Oder-Neiße boundary, pp 215-217; De Zayas Alfred Maurice (1980), Die Anglo-Amerikaner, p 112.

[42] Bingen Dieter (1991): Probleme, Verträge und Perspektive, pp 50; Bingen, Dieter (1997), Die Entwicklung der deutsch-polnischen Beziehungen seit 1991, pp 42; Urban Thomas (1993), Deutsche in Polen, p 90; Kruszewski Z.Anthony (1972), The Oder-Neiße boundary, pp 219-221; De Zayas Alfred Maurice (1980), Die Anglo-Amerikaner, p 112.

[43] Van de Mierop Jan (1995), De Duitse minderheden in Polen, p 56; Meyer, Enno (1977), Grundzüge der Geschichte Polens, p 161; Wiewióra Bolesław (1964), The Polish-German frontier, p 207.

[44] Bingen Dieter (1991), Probleme, Verträge und Perspektive, pp 50; Bingen, Dieter (1997), Die Entwicklung der deutsch-polnischen Beziehungen, pp 42.

[45] De Keersmaeker Goedele (1990), Langs Oder en Neisse, p 42; Ramkema Harm (1994), De Duitsers in Polen, pp 57-74, Uit: Ramkema Harm en Erik van Schaik (1994), Tussen recht en repressie, p 70.

[46] Cottey Andrew (1995), East-Central Europe after the Cold War, pp 30-32.

[47] Bingen Dieter (1991): Probleme, Verträge und Perspektive, pp 50; Bingen, Dieter (1997), Die Entwicklung der deutsch-polnischen Beziehungen seit 1991, pp 42.

[48] Bark, L. en A. Dennis, (1989), A history of West-Germany, pp 306-311; Ramkema Harm (1994), De Duitsers in Polen, pp 57-74, Uit: Ramkema Harm en Erik van Schaik, Tussen recht en repressie, pp. 167; (FAZ van 13.09.1990), Der Vertrag über die abschließende Regelungen in bezug auf Deutschland; p 8 Bartoszewicz Iwona (2000), Formen der Persuasion, pp 340-365 ); Janssens, Peter (1991), Het binnenlands en buitenlands beleid, pp 120.

[49]Der Vertrag über die abschließende Regelungen in bezug auf Deutschland, p 6: Artikel 1 (1) Das vereinte Deutschland wird die Gebiete der Deutsche Demokratische Republik und der Bundesrepublik Deutschlands sein und wird am Tage des Inkrafttretens dieses Vertrages endgültig sein. Die Bestätigung des endgültigen Charakters der Grenzen des vereinten Deutschlands ist ein wesentlicher Bestandteil der Friedensordnung in Europa; (2) Das vereinte Deutschland und die Republik Polen bestätigen die zwischen ihnen bestehenden Grenze in einem völkerrechtlich verbindlichen Vertrag; (3) Das vereinte Deutschland hat keinerlei Gebietsansprüche gegen andere Staaten und wird solche auch nicht in der Zukunft erheben. Bron: (FAZ van 13.09.1990).

[50] Bark, L. en A. Dennis, (1989), A history of West-Germany, pp 306-311; Ramkema Harm (1994), De Duitsers in Polen, pp 57-74, Uit: Ramkema Harm en Erik van Schaik (1994), Tussen recht en repressie pp 57-74; Christoph Kleßmann (2001)Flucht und Vertreibung im 20. Jahrhundert pp 26-28, In: Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, pp 464; De Zayas Alfred (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, pp 228; De Zayas Alfred (1980), Die Anglo-Amerikaner und die Vertreibung der Deutschen, pp 300; Krzuszewski Anthony (1972), Oder-Neiße boundary, pp 245; http://www.bund-der-vertriebenen.de; Urban Thomas (1993), Deutsche in Polen, pp 220; Schoenberg Hans (1970), Germans from the East; pp 365; Bor Joachim en Sylvia Dickgießer (1989), Deutschsprachige Minderheiten, pp 161-173; Davies Norman (1986), God’s Playground, pp 725; Breyer Richard (1987), Erfahrung und Zeugnis der Deutschen aus Polen, pp Hans-Joachim Noack, Thomas Darnstädt en Klaus Wiegrefe (Der Spiegel van 25.03.2002), Die Flucht, pp 36-64; Thomas Darnstädt, Klaus Wiegrefe en Ulrich Fichtner (Der Spiegel van 1 april 2002), Lauft, ihr Schweine, pp 58-73; Thomas Darnstädt en Klaus Wiegrefe (Der Spiegel, 8 april 2002), Eine teuflische Lösung pp 56-66; Christian Habbe en Hans-Michael Kloth (Der Spiegel van 15.04.2002), Der zweite lange Marsch, pp 62-75; Von Reinhard (FAZ van 14.12.1989), Auch das gehört zur Wahrheit, p 8 ; Wadyslaw Bartoszewski; (FAZ van 06 08.2003) Wider das selektive Erinnern, p 9; Van de Mierop Jan (1995), De Duitse minderheden in Polen, pp. 97; Meyer, Enno (1977) Grundzüge der Geschichte Polens, pp. 30-31; Urban Thomas (1993), Deutsche in Polen, pp 49-60; Schoenberg Hans W. (1970), Germans from the East, a study of their migration, resettlement and subsequent group history since 1945, pp 365; Wiewióra Bolesław (1964), The Polish-German frontier pp 225; Ther Phillip (1998), Deutsche und polnische Vertriebene, p 38-77.

[51]Klaus Wiegrefe en Thomas Darnstädt (Der Spiegel van 8.04.2002), Eine teuflische Lösung, p 56-66.

[52]Christoph Kleßmann (2001)Flucht und Vertreibung im 20. Jahrhundert pp 26-2 In: Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, p, 7. In hetzelfde boek, ditmaal in een bijdrage van Urszula Bonter uit Wrocław, der deutsche Exodus in den Augen der polnischen Repatriierten pp 238-246, p 238 komen echter andere getallen voor. Zij spreekt van 3 060 000 Duitsers die uit Polen geëxpatrieerd zijn.

[53] De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, p 12.

[54] Zowel de vlucht als de evacuatie gebeurde heel chaotisch en onder grote paniek. De weersomstandigheden in januari 1945 waren bovendien vreselijk streng. Een catastrofe deed zich vooral voor in de streek rond Wrocław en Gdańsk, waar vluchtelingen en verslagen Duitse soldaten met duizenden verdronken zijn toen ze over de bevroren Vistula probeerden te ontsnappen aan de Sovjet-legers. Door de bomaanslagen zonken de schepen. Ook de nazi’s zelf brachten levens in gevaar door een laatste wanhopige poging om stand te houden. Kruszewski Z.Anthony (1972), The Oder-Neiße boundary, p 16; Christoph Kleßmann (2001), Flucht und Vertreibung im 20. Jahrhundert p 27. In: Mehnert, Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, pp 464.

[55] De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, p 12.

[56] Strikt genomen kan men in die periode nog niet van Vertriebenen spreken. Dit is taalkundig enkel correct als de vluchtelingen de terugkeer naar het thuisland door soldaten en wetten onmogelijk gemaakt wordt, en dit gebeurt pas in de jaren 1947-1948. Om de dingen echter niet nodeloos ingewikkeld te maken – overal werden de vluchtelingen een paar jaar later de facto als verdrevenen beschouwd – heb ik dit onderscheid achterwege gelaten. Bron: Elke Mehnert (2001) Vertriebene versus Umsiedler – der ostdeutsche Blick auf ein Kapitel der Nachkriegsgeschichte, pp 133-157.

[57] Bron: Der Spiegel van 08.04.2002, Wiegrefe Klaus en Thomas Darnstädt: 1. Wir fahren freiwillig; 2. Wir stellen keinerlei Ansprüche an den polnischen Staat; 3. Wir versprechen niemals zurückzukehren.

[58] Christoph Kleßmann (2001) Flucht und Vertreibung im 20. Jahrhundert p 17, In: Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, pp 464.

[59] Thomas Darnstätdt, Klaus Wiegrefe en Ulrich Fichtern (Der Spiegel van 01.04.2002), Lauft, ihr Schweine, pp 58-73; http://www.bund-der-vertriebenen.de; Mehnert Elke (2001) Vertriebene versus Umsiedler p 135, In: Mehnert, Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, pp 464; Vos Louis (2005), De strijd, pp. 281-284.

[60] Wladysław Bartoszewski heeft jarenlang geprobeerd om de relaties tussen Polen en Duitsland te verbeteren, wat hem in Polen niet in dank werd afgenomen, vooral niet omdat hij tijdens WO II in het verzet tegen Hitler zat. Bartoszewski is historicus van opleiding en heeft tijdens de oorlog veel gedaan voor de joden. Bovendien was hij actief in de opstand van Warschau.Tijdens het communisme heeft hij verscheidene jaren in de gevangenis doorgebracht en werd hij in 1981 tijdens de staat van beleg geïnterneerd. Hij is na de politieke omwenteling ambassadeur in Oostenrijk en twee maal minister van Buitenlandse Zaken geweest. Bovendien was Bartoszewski de eerste Pool die uitgenodigd was om (als toenmalig minister van Buitenlandse Zaken) op 28 april 1998 te komen spreken op de herdenkingsviering van het einde van de Tweede Wereldoorlog. Bron: Wladysław Bartoszewski (FAZ van 6.08.2003), Wider das selektive Erinnern, p 6; Bingen, Dieter (1997), Die Entwicklung der deutsch-polnischen, pp 4, 10; http://www.polonya.org.tr/wladyslaw_bartoszewski.html.

[61] Von Reinhard (FAZ van 14.12.1989), Auch das gehört zur Wahrheit, p 8.

[62] Wadysław Bartoszewski (FAZ van 6.08.2003), Wider das selektive Erinnern, p 9: […] Wenn dagegen Deutsche in Güterwagen nach Deutschland gebracht wurden, in denen zuvor Polen aus Kazachstan oder von irgendeinem anderen Ort in der damaligen Sowjetunion deportiert worden waren, dann ist das in meinen Augen nicht als eine besondere Art der Unterdrückung zu bewerten. Denn es wurde nicht unmenschlicher Absicht so gehandelt, sondern weil der Zustand der von den Deutschen ruinierten Wirtschaft Polens nichts anderes zuließ… Es gilt deshalb einerseits zwischen Unannehmlichkeiten und Leiden, welche mit dem Krieg verbunden waren, sowie andererseits der bewußten Absicht der Verfolgung und Unterdrückung und den in jedem Fall zuverurteilenden Übergriffen und Verbrechen zu unterscheiden.

[63] Zulke enquêtes heeft de uitgeefster in Polen niet gevonden. Mehnert, Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, pp 9-10. Over de mening van de overige 16% is in het boek niets vermeld.

[64] Cursus PESC 2e lic, Hoofdstuk 25, der Zweite Weltkrieg und die vierte Teilung Polens, p 204: [...] Himmler wurde ernannt zum „Reichskommisar für die Festigung des deutschen Volkstums“ und wurde bestellt mit der Aufgabe, der „Ausschaltung des schädigenden Einflusses von solchen fremden Bevölkerungsteilen, die eine Gefahr für das Reich und die deutsche Volksgemeinschat bedeuteten“ (Geheimer Führererlass vom 7.10.1939).

[65] Vos Louis en Goddeeris Idesbald (2005), De strijd van de witte adelaar, pp 267-277; de Boose Johan (2004), Alle dromen van de wereld, een sentimentele reis door Polen, pp 104-152; Hiltermann Mr. G. B. J. (2005), De Tweede Wereldoorlog, deel 1 1939-1942, pp 36-43, Joël Rooms, Cursus PESC 2e lic, Hoofdstuk 25, der Zweite Weltkrieg und die vierte Teilung Polens, p 204, Uit: Gröning/Buchmahn, in Raumplanung (46/47 – 1989). .

[66] (FAZ van 30.07.2004), Codewort Empathie, Ralph Giordano is een Duits auteur van joods afkomst, die het tijdens de oorlog zwaar met de Gestapo aan de stok gehad heeft. http://www.wdr.de.

[67]Earl Jeffrey Richards (2001), Vertreibung und Flucht als imagologisches Problem, p 56, In: Mehnert, Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, pp 464;.

[68] Urban Thomas (1993), Deutsche in Polen, pp 49-50: Die Potsdamer Konferenz entschied über das Los der deutschen Bevölkerung in den westlichen und nördlichen Gebieten.Vor dem Krieg lebten dort 8,5 Menschen. Die tragischte Zeit erlebte die deutsche Bevölkerung im Winter 1944-45, als auf Befehl ire Hitleristen für einen Teil der Einwohner Ostpreußens, Pommerens und Schlesiens die Zwangumsiedlung begann. Die Zahl der Opfer wird auf etwa zwei Millionen geschätzt. Nach der Befreiung der wiedergewonnenen Gebiete wurde festgestellt, daß dort rund drei Millionen Deutsche und eine Million polnische Autochthone geblieben waren. Im November 1945 traf der Alliierte Kontrollrat die Entscheidung über die Umsiedlung der Deutschen aus Polen in die britische und sowjetische Besatzungszone. Die geplanteUmsiedlung umfaßte in den Jahren 1946 bis 1949 mindestens 2,3 Millionen Menschen. Weitere 700 000 erließen Polen auf nichtorganisierte Weise. Trotz der schwierigen Lage des Landes bemühten sich die polnischen Behörden, den Ausreisenden Transportmittel zur Verfügung zu stellen, sie erlaubten ihnen die Mitnahme ihres Eigentums sowie von Lebensmittelvorräten. Die ärtzliche Versorgung war gesichert.

[69] Ibidem.

[70] Bingen Dieter (1993), Die Deutschlandspolitik Polens, p 157: Uns leitete kein Rachebedürfnis. Wir verstehen heute und haben damals verstanden, daß die Notwendigkeit, das Elternhaus zu verlassen, für viele Deutschen ein schweres Erlebnis war. Mitunder verband sich diese Notwendigkeit met verständlichem Leid. (Citaat geput uit een Duitstalige bron).

[71] Een totale oorlog is een oorlog die alle lagen van de maatschappij in de strijd betrekt: de slag wordt niet alleen meer militair uitgevochten, maar er vallen ook veel burgerslachtoffers, soms is dit zelfs een tactiek. Bovendien worden in een totale oorlog de hele economie en manier van leven op de oorlog afgesteld. Het was Goebbels die in het Sportpaleis van Berlijn in februari 1943 de Tweede Wereldoorlog als totaler Krieg omdoopte als antwoord op Roosevelts mededeling dat de geallieerden Duitsland tot een onvoorwaardelijke overgave zouden dwingen.

[72] Schoenberg Hans W. (1970), Germans from the East, p 23; De Zayas Alfred Maurice (1980), Die Anglo-Amerikaner, p 31.

[73] Ther Phillip (1998) Polen und Deutsche, p 37.

[74] Klaus Wiegrefe en Thomas Darnstädt (Der Spiegel van 8.04.2002), Eine teuflische Lösung,, p 56-66.

[75] Bron: De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, p 226; Der Spiegel van 15.04. 2002, p 64; Christian Habbe en Hans Michael Kloth (Der Spiegel van 15 april 2002), Der zweite lange Marsch, pp 62-75; Thomas Darnstätdt, Klaus Wiegrefe en Ulrich Fichtern (Der Spiegel van 1 april 2002), Lauft, ihr Schweine, pp 58-73, p 60. Bron citaat: Der Spiegel van 01.04.2002: Die Deutschen wird erbarmungslos und vielfach alles das zurückgezahlt werden, was sie seit 1938 in unserem Land angerichtet haben.

[76]Karl-Peter Schwarz (De Frankfurter Allgemeine Zeitung van 01.06.2001), Mit der Vertreibung vollendet, p 8.

[77] Hans-Joachim Noack,Thomas Darnstädt en Klaus Wiegrefe (Der Spiegel van 25.03.2002), Die Flucht, pp 36-64; Karl-Peter Schwarz (FAZ van 01.06.2001), Mit der Vertreibung vollendet, p 8; De Zayas Alfred Maurice (1980), Die Anglo-Amerikaner, p 55-59.

[78]De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, p 136; Schwarz Peter-Karl (de FAZ van 01.06.2001), Mit der Vertreibung vollendet, p. 8: Dekret Nr. 5 vom 19. Mai verfügte die Unterstellung des Vermögens „der staatlich unzuverlässigen Personen“ in nationale Verwaltung. Paragraph 4 definierte: „Als staatlich unzuverlässige Personen sind anzusehen: a) Personen deutscher oder magyarischer Nationalität..

[79]Schwarz Peter-Karl (de FAZ van 01.06.2001), Mit der Vertreibung vollendet, p. 8: Mit dem Dekret 108/1945 folgte die entschädigungslose Enteignung des gesamten beweglichen und unbeweglichen Vermögen der Deutschen und Magyaren

[80] Ibidem; Urban Thomas (1993), Deutsche in Polen, p 72.

[81] Meyer Enno (1977), Grundzüge, p 137.

[82] Ibidem, p 140.

[83] Von Reinhard (FAZ van 14.121989), Auch das gehört zur Wahrheit, p 8.

[84] Vos Louis (2005), De strijd, p. 272.

[85]Von Reinhard (FAZ van 14.121989), Auch das gehört zur Wahrheit, p 8; Christoph Kleßmann (2001) Flucht und Vertreibung im 20. Jahrhundert, p 21 In: Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, pp 464. Het citaat komt uit de bijdrage van Christof Kleßman, uit de Duitse versie dus: Die Stunde der Rache an den Deutschen hat geschlagen; für die Qualen und das Leiden; für die verbrannten Dörfer, zerstörte Städte, vernichteten Kirchen und Schulen; für die Verhaftungen, Lager und Erschießungen; für Auschwitz, Majdanek, Treblinka; für die Ghetto-Morde. Het Poolse origineel heb ik niet kunnen opsporen.

[86]Thomas Darnstädt, Klaus Wiegrefe en Ulrich Fichtern p 60 (Der Spiegel van 01.04.2002), Lauft, ihr Schweine, pp 58-7; Christoph Kleßmann (2001) Flucht und Vertreibung im 20. Jahrhundert pp 14-20, In: Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, pp 464.

[87] http://www.bund-der-vertriebenen.de; Christoph Kleßmann (2001) Flucht und Vertreibung im 20. Jahrhundert p 21, In: Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, pp 464.

[88] Het Verdrag van Potsdam had immers duidelijk gemaakt dat de volksverhuizingen humanitair en ordelijk moesten verlopen. De reactie van de Verenigde Staten laat zich samenvatten in de zin „de oplossing van het minste kwaad“. De landen van hun Duitse minderheden verlossen, zou de vrede kunnen doen weerkeren. Ze wilden zich wel inspannen om de migraties zo menselijk mogelijk te laten verlopen. Een andere interesse voor de VS was om op die manier een sterk, blij, welvarend en vrij Polen op te bouwen, als buffer tegen het Sovjet-Rijk. In het westen (Groot-Britannië en zo meer) waren de reacties over de gruwelijkheden allemaal even afkeurend. De Russen lieten zich enkel leiden door wraakgevoelens. De grootste gruwelijkheden op de Duitse bevolking hadden plaats in die gebieden waar ook de nazi’s onmenselijkheden hadden begaan. (Deze theorie sluit aan bij de overname van de kampen door de slachtoffers en de gevangenneming van de bezetters.) Bron: Schoenberg Hans W. (1970), Germans from the East, pp 27.

[89] Hans-Joachim Noack,Thomas Darnstädt en Klaus Wiegrefe (Der Spiegel van 25.03.2002) Die Flucht, pp 36-64; Konrad Schuller (FAZ van 28.01.2005), Erinnerung ist ein Prozeß, und sie wird niemals abgeschlossen, p 3; (Der Spiegel van 17.04.2002), Unnötige Polemik, p 107; Klaus Wiegrefe en Thomas Darnstädt (Der Spiegel van 08.04.2002), Teuflische Lösung, p 59.

[90]Klaus Wiegrefe en Thomas Darnstädt (Der Spiegel van 08.04.2002), Teuflische Lösung, p 59; Von Reinhard (FAZ van 14.12.1989), Auch das gehört zur Wahrheit, p 8.

[91] Bron: De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, p. 60: Die Deutschen sind keine Menschen. Von jetzt ab ist das Wort “Deutscher” für uns der allerschlimmsten Fluch… Für uns gibt es nichts lustigers als deutsche Leichen.

[92] De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, p 60. „Es genügt nicht, die Deutschen nach Westen zu treiben. Die Deutschen müssen ins Grab gejagt werden. Gewiß ist ein geschlagener Fritz besser als ein unverschämter. Von allen Fritzen sind aber die toten am besten“.

[93] De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, p 77. „Und wir nehmen Rache an den Deutschen für all ihre Schandtaten, die sie an uns verübt haben. Es ist uns jetzt erlaubt, alles zu tun mit den deutschen Schuften“; „Mögen die deutschen Mütter den Tag verfluchen, an dem sie einen Sohn geboren haben. Mögen die deutschen Frauen jetzt die Schrecken des Krieges verspüren! Was sie den anderen Völkern antun wollten, das sollen sie jetzt selbst erleben!“

[94] De Zayas Alfred Maurice (1980), Die Anglo-Amerikaner p 83.

[95] Christoph Kleßmann (2001) Flucht und Vertreibung im 20. Jahrhundert pp 22- 23; In: Mehnert, Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, pp 464; De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, p 62.

[96] Ibidem, p 67.

[97] De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, p 67.

[98] De Gustloff was vernoemd naar de nazi-topfunctionaris Wilhelm Gustloff, die door een joods student vermoord is. Hitler riep Gustloff uit tot martelaar van het Derde Rijk en noemde als eerbetoon een luxeschip naar hem. In 1937 wijdden Hitler en de weduwe van Wilhelm Gustloff het schip in, maar tijdens de oorlog werd het schip dus omgedoopt tot hospitaal en vervoermiddel voor de Duitse vluchtelingen. Bron: de Boose Johan (2004), Alle dromen van de wereld, p 115.

[99] De Boose Johan (2004), Alle dromen van de wereld, p p 114-115, De Zayas Alfred (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, pp 94-95.

[100] De Duitsers uit de Oder- en Neissegebieden mochten 500 Rijksmark meenemen, de Tjsecho-Slowaakse Duitsers tot 1000 rijksmark en eigendommen ter waarde van 110 pond. In Hongarije lag de limiet op 220 pond per persoon, en mochten ze bovendien hun juwelen behouden. Bron: Schoenberg Hans W. (1970), Germans from the East, pp 25-26.

[101] Ibidem.

[102] De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, pp 130-131.

[103] Christoph Kleßmann (2001), Flucht und Vertreibung im 20. Jahrhundert pp 22- 28, In: Mehnert, Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, pp 464; De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, pp 160-165; Schoenberg Hans W. (1970), Germans from the East, p 25.

[104]Urban Thomas (1993), Deutsche in Polen, p 74; De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, p 141. In de jaren 1970 heeft het Openbaar Ministerie de daders gevonden, ze werkten allemaal in de Poolse rechtswereld. De Poolse pers weerlegt echter dat er in die kampen misdrijven hebben plaatsgevonden. De daders kunnen er door de amnestiewetgeving en de verjaringsprocedure niet meer vervolgd worden.

[105] De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, pp 140-142.

[106] Christian Habbe en Hans Michael Kloth (Der Spiegel van 15.04.2002), Der zweite lange Marsch, pp 62-75; Stefan Berg en Henryk M. Broder (Der Spiegel van 05.01.2004) Jedem das Seine, pp 128-134; Schoenberg Hans W. (1970), Germans from the East, pp 70-71.

[107] Christoph Kleßmann (2001) Flucht und Vertreibung im 20. Jahrhundert, pp 26-27, In: Mehnert, Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, pp 464.

[108] In de westelijke gebieden van Duitsland leefden er oorspronkelijk ongeveer 160 mensen per km², na de oorlog werden er dat ineens 200. Bron: Christian Habbe en Hans Michael Kloth (Der Spiegel van 15.04.2002), Der zweite lange Marsch, pp 62-75.

[109] De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, p175.

[110]Christian Habbe en Hans Michael Kloth (Der Spiegel van 15.04.2002), Der zweite lange Marsch, pp 62-75 , p 66.

[111] Ibidem.

[112] Christian Habbe en Hans Michael Kloth (Der Spiegel van 15.04.2002), Der zweite lange Marsch, pp 62-75 , p 66.; Stefan Berg en Henryk M. Broder (Der Spiegel van 05.01.2004), Jedem das Seine, pp 128-134; Breyer Richard (1987), Erfahrung und Zeugnis der Deutschen aus Polen, pp 62-71.

[113] Het ministerie van Binnenlandse Zaken in Bonn heeft eens uitgerekend dat op deze manier tussen 1949 en 1960 bijna elke verdrevene in Duitsland nog minstens één keer verhuisd is alvorens zich ergens definitief te vestigen.

[114] Scheur (s.d.),Was geschah für Heimatvertriebene , Flüchtlinge, Kriegsgefangene in der Bundesrepublik, pp 4-5.

[115] De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, p 185.

[116] Na de grote emigratiegolven van de jaren veertig stopte de verdrijvingen min of meer. Dit wou echter niet zeggen dat er geen Duitsers waren die jaren nadien nog uit de Centraal- en Oost-Europese landen naar Duitsland (BRD of DDR) trokken. Deze mensen worden vaak bestempeld als Spätaussiedler (Laat-emigranten). Mehnert Elke (2001), Vertriebene versus, p 137 Mehnert, In: Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, pp 464; De Zayas Alfred Maurice (1993) Anmerkungen zur Vertreibungen.

[117] De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, p 175.

[118] Mehnert Elke (2001), Vertriebene versus Umsiedler pp 133, 135, In: Mehnert, Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, pp 464; Ther Phillip (1998), Deutsche und polnische Vertrieben, pp 90-96.

[119] Mehnert Elke (2001) Vertriebene versus Umsiedler, pp 133, 135, In: Mehnert, Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, pp 464; Ther Phillip (1998), Deutsche und polnische Vertriebene, p 93. In Polen en de Sovjet-Unie beweerden de regeringen dat er helemaal geen verdrijvingen hadden plaats gevonden, maar dat volgens het Verdrag van Potsdam er ‘humane en ordelijke volksverhuizingen’ hadden plaatsgevonden. Ook in de scholen werd dit deel van de geschiedenis op deze manier benaderd. Bron: Philippe Ther (1998), Deutsche und polnische, p 92.

[120] Christoph Kleßmann (2001), Flucht und Vertreibung im 20. Jahrhundert pp 26-27, In: Mehnert, Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, pp 464.

[121] http://www.area.geog.uu.nl/gorlitzwebsite1999/heimatvertriebenen.htm; Christoph Kleßmann (2001), Flucht und Vertreibung im 20. Jahrhundert pp 14-20, In: Mehnert, Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, pp 464.

[122] Mehnert Elke (2001) Vertriebene versus Umsiedler, p 151, In: Mehnert, Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, pp 464.

[123] Christoph Kleßmann (2001), Flucht und Vertreibung im 20. Jahrhundert pp 14-40, In: Mehnert, Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, pp 464.

[124] Phillip Ther (1998), Deutsche und polnische, p 94.

[125]Christoph Kleßmann (2001), Flucht und Vertreibung im 20. Jahrhundert pp 14-40, In: Mehnert, Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, pp 464; Scheur, (s.d.), Was geschah für Heimatvertriebene, p 9.

[126] Scheur, (s.d.), Was geschah für Heimatvertriebene, p 9.

[127] Christian Habbe en Hans Michael Kloth (Der Spiegel van 15.04.2002), Der zweite lange Marsch, pp 62-75; Christoph Kleßmann (2001), Flucht und Vertreibung im 20. Jahrhundert ,p 17, In Mehnert, Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, pp 464; Scheuer (s.d.), Was geschah für die Heimatvertriebenen?, pp. 4-5.

[129] De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, p 175; Schoenberg Hans W. (1970), Germans from the East, p VIII.

[130] Breyer Richard (1987), Erfahrung und Zeugnis der Deutschen aus Polen, pp 98-107.

[131] Ibidem.

[132] Hans-Joachim Noack,Thomas Darnstädt en Klaus Wiegrefe (Der Spiegel van 25.03.2002), Die Flucht, p 63; www.bund-der-vertriebenen.de/.

[133] Schoenberg Hans W. (1970), Germans from the East, p 71.

[134] Hans-Joachim Noack,Thomas Darnstädt en Klaus Wiegrefe (Der Spiegel van 25.03.2002), Die Flucht, p 36-64; Christian Habbe en Hans Michael Kloth (Der Spiegel van 15.04.2002), Der zweite lange Marsch, pp 62-75; Schoenberg Hans W. (1970), Germans from the East, p 76.

[135] Bark, L. en A. Dennis, (1989), A history of West-Germany, p 308.

[136] Hans-Joachim Noack,Thomas Darnstädt en Klaus Wiegrefe (Der Spiegel van 25.03.2002), Die Flucht, pp 36-64; Christian Habbe en Hans Michael Kloth (Der Spiegel van 15.04.2002), Der zweite lange Marsch, pp 62-75.

[137] Christian Habbe en Hans Michael Kloth (Der Spiegel van 15.04.2002), Der zweite lange Marsch, p 68.

[138] Bark, L. en A. Dennis, (1989), A history of West-Germany, p 308.

[139] Christian Habbe en Hans Michael Kloth (Der Spiegel van 15.04.2002), Der zweite lange Marsch, pp 62-75; Reinhard Müller (FAZvan 02.08.004), Die ewige Vermögensfrage, p 3; Wadyslaw Bartoszewski (FAZ van 06.08.2003), Wider das selektive Erinnern, p 9; Erich Wiedemann (Der Spiegel van 15.11.1999), Getanzt, getrunken und geweint, p 238-243; (Christian Habbe en Hans Michael Kloth Der Spiegel van 15.04.2002), Der zweite lange Marsch, pp 62-75, p 74; Hans-Joachim Noack,Thomas Darnstädt en Klaus Wiegrefe (Der Spiegel van 25.03.2002), Die Flucht, p 36-64; Hans Michael Kloth (Der Spiegel van 04.08.2003) Wunde Punkte, Der Streit um ein Zentrum gegen Vertreibungen entzweit nun auch das Bundeskabinett. Die Initiatoren geraten in die Defensive, p 36-37; Michael Ludwig (FAZ van 15.07.2004), Große Erwartungen an Köhler, p 4; (FAZ van 03.08. 2004), Vertriebenen empört, Steinbach: De Rede Schröders war anständig, p 6; Stefan Berge en Henryk M. Broder (Der Spiegel van 05.01.2004), Jedem das Seine, pp 128-134; Van de Mierop Jan (1995), De Duitse minderheden in Polen p 56, voetnoot 7; Urban Thomas (1993), Deutsche in Polen, pp 135-145; Schoenberg Hans W. (1970), Germans from the East, pp 112-118; http://www.bund-der-vertriebenen.de; http://www.encyclopedia.thefreedictionary.com/Heimatvertriebenen.

[140] Schoenberg Hans W. (1970), Germans from the East, p 113.

[141] Van de Mierop Jan (1995), De Duitse minderheden in Polen p. 56, voetnoot 7.

[142]Christian Habbe en Hans Michael Kloth (Der Spiegel van 15.03.2002), Der zweite lange Marsch, pp 62-75; http://www.bund-der-vertriebenen.de.

[143] Bark, L. en A. Dennis, (1989), A history of West-Germany, p 308; http://www.bund-der-vertriebenen.de..

[145] 1. Wir Heimatvertriebenen verzichten auf Rache und Vergeltung […]; 2. Wir werden jedes Beginnen mit allen Kräften unterstützen, das auf die Schaffung eines geeinten Europas gerichtet ist, in dem die Völker ohne Furcht und Zwang erleben können; 3. Wir werden durch harte, unermüdliche Arbeit teilnehmen am Wiederaufbau Deutschlands und Europas. Bron: De Zayas Alfred (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, pp. 187-191.

[146] De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, pp 188-189; Schoenberg Hans W. (1970), Germans from the East, pp 162-163 .

[147] Christian Habbe en Hans Michael Kloth (Der Spiegel van 15.04.2002), Der zweite lange Marsch, pp 62-75.

[148] Reinhard Müller (FAZ van 02.08. 2004), Die ewige Vermögensfrage p 3; Urban Thomas (1993), Deutsche in Polen, p 42.

[149] Christian Habbe en Hans Michael Kloth (Der Spiegel van 15.04.2002) ,Der zweite lange Marsch, pp 62-75; http://www.bund-der-vertriebenen.de.

[151] Wadyslaw Bartoszewski (FAZ van 06.08.2003), Wider das selektive Erinnern, p 9. Bartoszewski meent echter dat deze afstamming geen voldoende reden is om een emotionele band met het gebied te hebben, omdat Steinbach op dat ogenblik nog te klein was om de ernst van de situatie te beseffen en om duidelijke herinneringen te hebben. Bovendien zouden haar ouders zelfs niet van Gdingen afkomstig zijn, maar ergens uit Hessen, uit het centrale deel van Duitsland.

[152] Hans Ulrich Wehler is historicus en sinds 1996 professor voor algemene geschiedenis aan de universiteit van Bielefeld. (Bron: Der Spiegel van 25.03.2002), Die Debatte wirkt befreiend, p62.

[153] Christoph Kleßmann (2001), Flucht und Vertreibung im 20. Jahrhundert p 28, In: Mehnert, Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, pp 464.

[154] Irina Repke, Jan Puhl, Konstantin von Hammerstein en Christoph Schult (Der Spiegel van 09.08.2004), Eine besondere Art von Heimweh, pp 40-42; Michael Ludwig (FAZ van 15.07.2004), Große Erwartungen an Köhler, p 4; (FAZ van 03.08.2004), Vertriebenen empört, p 2; Irina Repke (Der Spiegel van 02.02.2002), Angst vor den Deutschen, pp 36-42; Hans Michael Kloth en Dietmar Pieper (Der Spiegel van 20.09.2004), Grandioses Versagen, pp 36-38.

[155] FAZ van 03.08.2004), Vertriebenen empört, p 2

[156] Irina Repke (Der Spiegel van 02.02.2002), Angst vor den Deutschen, pp 36-42.

[157] Michael Ludwig ( FAZ van 15.07.2004), Große Erwartungen an Köhler, p 4.

[158] Bronnen: Von Reinhard (FAZ van 14.12.1989), Auch das gehört zur Wahrheit, Das düstere Kapitel der Vertreibung der Deutschen aus den Gebieten jenseits von Oder und Neisse, p 16 ; Wladyslaw Bartoszewski (FAZ van 06.08.2003), Wider das selektive Erinnern, p 9;, Dr. Herbert Fleissner (FAZ van 21.08.2003), Die polnische Sorge, p 6; auteur (FAZ van 06.09.2003), Schily will Debatte über Zentrum gegen Vertreibung, p 1 en 4; Michal Ludwig (FAZ van 18.09.2003), Gefährliche Phänomene, p 9; Ralph Giordano (FAZ van 30.07.2004) Codewort Empathie, p 6; Michael Ludwig (FAZ van 02.08.2004) ,Wir verbeugen uns in Scham, p 1-3; (FAZ van 18.09.2004) Steinbach: Zentrum dien Versöhnung der Völker, p 1; Konrad Schuller (FAZ van 28.01.2005), Die Mahnung der Zeitzeugen, p 3; Konrad Schuller (FAZ van 28.01.2005), Erinnerung ist ein Prozeß, und sie wird niemals abgeschlossen, p 3; (Der Spiegel van 27.01.2001) Unnötige Polemik, p 107; Christian Habbe en Hans Michael Kloth (Der Spiegel van 15.04.2002), Der zweite lange Marsch, pp 62-75; Hans Michael Kloth (Der Spiegel van 04.08.2003) Wunde Punkte, Der Streit um ein Zentrum gegen Vertreibungen entzweit nun auch das Bundeskabinett. Die Initiatoren geraten in die Defensive, p 36-37; Erich Wiedemann (Der Spiegel van 22.09.2003), Handfeste Drohung, p 142-143; Stefan Berg en Henryk M. Broder (Der Spiegel van 05.01.2004),Jedem das Seine, pp 128-134; Hans Hoyng, Jan Puhl en Martin Doerry (Der Spiegel van 12.01. 2004), Die Fronten haben sich verhärtert, pp 91-93; (Der Spiegel van 05.01.2004), Jedem das Seine, pp 128-134; Ralph Neukirch (Der Spiegel van 19.07.2004), Mut und Tränen, p 52; Irina Repke, Jan Puhl, Konstantin von Hammerstein en Christoph Schult (Der Spiegel van 09.08.2004), Eine besondere Art von Heimweh, pp 40-42; Hans Michael Kloth en Dietmar Pieper (Der Spiegel van 20.09.2004),Grandioses Versagen, pp 36-38; (NRC-Handelsblad van 02.01.2004), Görlitz/Zgorzelec, Willen ze soms weer een oorlog, p 1 en 4; Bingen Dieter (1991), Probleme, Verträge, Perspektive, pp 50;

 http://www.encyclopedia.thefreedictionary.com/Heimatvertriebenen;

http://www.z-g-v.de/index1.html; http://www/mi.niedersachsen.de/master/c35335040_N3062645_L20_D0_1522.html; http://www.encyclopedia.thefreedictionary.com/Heimatvertriebene;http://ww.herder-institut.de; http://www.heute.de/ZDF/heute;http://www.alfredmozerstichting.nl;

http://www.area.geog.uu.nl/gorlitzwebsite1999/heimatvertriebene.htm;

http://www.cdu.de/omv/charta.htm;http://www.bund-der-vertriebene.de;

http://www.bund-der- vertriebenen.de/infopool/zentrumggvertreibung.php3;http://www.vertreibungszentrum.de/;

http://www.z-g-v.de/aktuelles/?id=50;http://www.z-g-v.de/aktuelles/?id=50;http://www.z-g-v.de/aktuelles/index.php3?id=12;http://www.z-g-v.de/aktuelles/index.php3?id=23;http://www.z-g-v.de/aktuelles/?id=39;http://www.z-g-v.de/index1.html;http://www.vertreibungszentrum.de; http://www.bundestag.de.

[159] Delen uit de oorspronkelijke tekst van de opgaven: 1. In einem Gesamtüberblick soll in Berlin das Schicksal der mehr als 15 Millionen deutschen Deportations- und Vertreibungsopfer aus ganz Mittel-, Ost- und Südosteuropa mit ihrer Kultur und ihrer Siedlungsgeschichte genauso erfahrbar werden, wie das Schicksal der 4 Mio. deutschen Spätaussiedler, die seit den 50er, vor allem seit Ende der 80er Jahre in die Bundesrepublik Deutschland oder die frühere DDR kamen; 2. Wir wollen die Veränderungen Deutschlands durch die Integration Millionen entwurzelter Landsleute mit den Auswirkungen auf alle Lebensbereiche ausleuchten; 3. Drittens: gehören unverzichtbar zum Zentrum gegen Vertreibungen auch Vertreibung und Genozid an anderen Völkern, insbesondere in Europa; 4. Viertens: gehört zu den Stiftungsaufgaben die Verleihung eines Preises, mit dem Menschen ausgezeichnet werden, die durch ihr Handeln das Verantwortungsbewusstsein schärfen. Der Preis kann an Einzelpersonen, aber auch an Initiativen oder Gruppen verliehen werden, die sich gegen die Verletzung von Menschenrechten durch Völkermord, Vertreibung und die bewusste Zerstörung nationaler, ethnischer oder religiöser Gruppen gewandt haben. Die Preisverleihung erfolgt auf der Grundlage des IV. Haager Abkommens von 1907, das ausdrücklich die Zivilbevölkerung während und nach kriegerischen Handlungen unter Schutz stellte. Sie erfolgt auf der Grundlage der Allgemeinen Erklärung der Menschenrechte von 1948. Bron: http://www.z-g-v.de/aktuelles/?id=35

[160]http://www.z-g-v.de/index1.html; Zo staat ten minste op hun website te lezen. Zelf heb ik echter mijn twijfels bij de oprechtheid hiervan. Uit verschillende artikels heb ik immers kunnen afleiden dat de oorspronkelijke bedoeling van het centrum was om zich enkel op de Duitse verdrevenen te concentreren. Het is slechts na een heftige polemiek in zowel Duitsland als Polen dat Steinbach de opzet van het centrum uitgebreid heeft naar de andere volkeren.

[161]Hans Michael Kloth (Der Spiegel van 04.08.2003), Wunde Punkte, p 36-37. Tekst overgenomen uit het officiële porgramma van de Bund der Vertriebenen. Bron: : http://www.z-g-v.de/index1.html: Drittens:
gehören unverzichtbar zum ZENTRUM GEGEN VERTREIBUNGEN auch Vertreibung und Genozid an anderen Völkern, insbesondere in Europa. Allein in Europa waren bzw. sind mehr als 30 Volksgruppen von solchen Menschenrechtsverletzungen betroffen. Von den Albanern, Armeniern, Azeris über die Esten, Georgier, Inguschen, Krim-Tataren, Polen, Tschetschenen, Urkrainern bis zu den Weißrussen und griechischen Zyprioten und die singuläre Verfolgung und Massenvernichtung der Juden Europas durch den Nationalsozialismus.
 Über den Genozid 1914/15 am armenischen Volk durch das Osmanische Reich hat die Völkergemeinschaft indolent hinweggesehen. Ethnische "Flurbereinigung" durch Zwangsumsiedlungen wurden 1922 vom Völkerbund nicht nur geduldet, sondern selbst beschlossen, und Hitler kalkulierte mit dem Desinteresse der Völkergemeinschaft bei seinen horriblen Vernichtungsplänen. Er setzte Schritt um Schritt sein grausames Werk an unseren jüdischen Mitbürgern und an den europäischen Juden fort.
Er öffnete die Büchse der Pandora vollständig. Und so gab es auch nach ihm kein Halten. Neben der Vertreibung der Deutschen liefen die Vertreibung der Ostpolen durch Stalin und auch die der Ungarn durch Beneš im Nachkriegszeitraum ab. Auf dem Balkan und in Tschetschenien sehen wir bis heute Bilder der Gewalt, getrieben von Rache und Vergeltung in einem Teufelskreis. Von anderen Kontinenten gar nicht zu sprechen. Gründe der Rechtfertigung dafür werden immer wieder gesucht. Es gibt sie nicht! Vertreibung und Genozid lassen sich niemals rechtfertigen. Sie sind immer ein Verbrechen, sie widersprechen den Menschenrechten und sie verharren im archaischen Denken von Blutrache. Das will die Stiftung nicht hinnehmen, sondern immer wieder mahnen und die Menschen bewegen, mitzufühlen und Anteil zu nehmen.
 Alle Opfer von Genozid und Vertreibung brauchen einen Platz in unseren Herzen und im historischen Gedächtnis. Einen solchen Platz will die Stiftung ZENTRUM GEGEN VERTREIBUNGEN geben. Wir wollen deutlich machen, dass Menschenrechte unteilbar sind. Unverzichtbar gehört der Dialog mit unseren Nachbarvölkern dazu.
Op hun website heeft de BdV ook een tabel opgesteld, die alle verdrijvingen van de 20e eeuw weergeeft, inclusief die van de Armeniërs.

[162]Het volgende artikel over de Armeense verdrijvingen heb ik op hun website gevonden: Anlässlich des in Armenien und von der weltweiten armenischen Diaspora alljährlich begangenen Gedenkens an die fast vollständige Vertreibung und Ermordung der rund 1,5 Millionen anatolischen Armenier 1915/16 durch das jungtürkische Regime erklären die Vorsitzenden des ZENTRUM GEGEN VERTREIBUNGEN, Erika Steinbach MdB und Prof. Dr. Peter Glotz:Am 24. April 1915 veranlasste die 1908 an die Macht geputschte jungtürkische Regierung unter Innenminister Talaat Pascha und Kriegsminister Enver Pascha die Verhaftung, Deportation und Ermordung armenischer Geistlicher, Intellektueller und Geschäftsleute in Konstantinopel/ Istanbul und gab damit den Auftakt zum Völkermord an rund 1,5 Millionen im damaligen Osmanischen Reich lebenden christlichen Armeniern in den folgenden Monaten; sie kamen durch Hunger, Mord und Totschlag auf endlosen Todesmärschen in die Wüsten Syriens und Mesopotamiens grausam um. Die Türkei bestreitet bis heute – so z.B. in allen Weltsprachen auf der Website des Kulturministeriums – diesen Völkermord und macht darüber hinaus die Armenier selber für ihr Schicksal verantwortlich. Dies ist eine Verhöhnung der Opfer.Etliche europäische Staaten wie Frankreich, Italien, Russland, die Schweiz, Belgien haben – gegen jeweils massive türkische Proteste - durch Parlamentsbeschluss oder in anderer offizieller Form die Faktizität dieses Völkermordes an den Armeniern und der parallel verlaufenden Repression der christlichen Assyrer, Chaldäer und Aramäer festgestellt. Auch Deutschland sollte dies tun eingedenk der Tatsache, dass sich Deutschland, ohne selber irgendwie an den Morden beteiligt gewesen zu sein, mit dem Osmanischen Reich damals in einer prekären Kriegskoalition befand.Adolf Hitlers am Vorabend des Zweiten Weltkrieges im August 1939 vor kleinstem Kreis gemachte Aussage: "Wer erinnert sich heute schon noch an die Armenier?" darf nicht das letzte Wort zu diesem ersten Genozid im Europa des 20. Jahrhundert gewesen sein.In Solidarität mit den Armeniern und anderen im Osmanischen Reich verfolgten christlichen Ethnien nehmen wir seitens des ZENTRUM GEGEN VERTREIBUNGEN Anteil und trauern mit den weltweit zerstreuten Nachfahren der Opfer dieses Genozids und mit dem armenischen Volk. 23. April 2004.

[163] http://www.z-g-v.de/aktuelles/?id=50

[164] http://www.z-g-v.de/aktuelles/index.php3?id=12. De Spätaussiedler zijn Duitsers die na 1950 nog besloten om uit Polen te migreren, voornamelijk om met hun familie herenigd te worden.

[165] http://www.z-g-v.de/aktuelles/index.php3?id=23.

[166] http://www.z-g-v.de/aktuelles/?id=39.

[167] De naam voor het gedenkteken heb ik nergens teruggevonden, maar uit de beschrijvingen van het museum (dat bestaat uit honderden ‚grafzuilen’, meen ik te kunnen afleiden dat het om dit museum gaat. Tijdens een bezoek aan Berlijn heb ik immers een bezoek gebracht aan het voorlopige museum dat maquettes tentoon stelde) Bovendien is dit museum in maart 2005 officieel geopend.

[168] Stefan Berg en Henryk M. Broder (Der Spiegel van 05.01.2004),Jedem das Seine, pp 128-134.

[169](FAZ van 06..09.2003), Schily will Debatte über Zentrum gegen Vertreibung, p 1en 4.

[170] FAZ van 18.09.2003), Gefährliche Phänomene, p 9).

[171] Wadyslaw Bartoszewski (FAZ van 06.08. 2003),Wider das selektive Erinnern, p 9.

[172] (FAZ van 18.09.2003), Gefährliche Phänomene, p 9..

[173] Erich Wiedemann (Der Spiegel van 22.09.2003), Handfeste Drohung, pp 142-143.

[174] Hans Michael Kloth (Der Spiegel van 04.08.2003), Wunde Punkte, pp 36-37.

[175] Erich Wiedemann (Der Spiegel van 22.09.2003), Handfeste Drohung, pp 142-143.

[176] http://www.urlaub-polen.de

[177]Hans Hoyng, Jan Puhl en Martin Doerry, (Der Spiegel van 12.01.2004), Die Fronten haben sich verhärtert, pp 91-93.

[178] In 1990 was Janusz Reiter de nieuwe Poolse ambassadeur in Duitsland. Hij stond symbool voor een nieuwe en complexvrije Duitse politiek in Polen. Dit probeerde hij onder andere te bereiken door een ‘geste-politiek’ en door een beter statuut van de Duitse minderheden in Polen. (Bingen Dieter (1991): Probleme, Verträge, und Perspektive pp 50.

[179] (Der Spiegel van 17.04.2002), Unnötige Polemik, p 107.

[180] Erich Wiedemann (Der Spiegel van 15.11.1999),.Getanzt, getrunken und geweint, p 238-243; Christian Habbe en Hans Michael Kloth (Der Spiegel van 15.04.2002), Der zweite lange Marsch, pp 62-75, p 74.

[181] http://www.vertreibungszentrum.de/.

[182] http://www.bundestag.de/bic/hib/2002/2002_172/03.

[183] Uitspraak Schily (FAZ van 06.09.2003), Lagerdenken ist völlig unangemessen, p 4.

[184] (FAZ van 06.09.2003) “Schily will Debatte, pp 1en 4.

[185] Het Haus der Geschichte is een instituut dat in 1994 is opgericht en permanente tentoonstellingen organiseert over de belangrijkste ogenblikken van de Duitse geschiedenis.

[186] Hans Michael Kloth (Der Spiegel van 04.08.2003) Wunde Punkte, pp 36-37.

[187]Hans Michael Kloth (Der Spiegel van 04.08.2003), Wunde Punkte, pp 36-37; http://www.encyclopedia.thefreedictionary.com/Heimatvertriebenen.

[188]Hans Michael Kloth (Der Spiegel van 04.08.2003),Wunde Punkte, pp 36-37.

[189] http://www.wdr.de.

[190] Ralph Giordano (FAZ van 30.07.2004), Codewort Empathie, p 6.

[191]Ibidem.

[192] Hans Michael Kloth (Der Spiegel van 04.08.2003), Wunde Punkte, pp 36-37; http://www.encyclopedia.thefreedictionary.com/Heimatvertriebenen.

[193] http://www.z-g-v.de/index1.html: Der Deutsche Bundestag spricht sich dafür aus, einen europäischen Dialog über die Errichtung eines europäischen Zentrum gegen Vertreibungen zu beginnen. Ein solches Zentrum als Dokumentations- und Begegnungszentrum mit Forschungsstätte soll die Vertreibungen in Europa des 20. Jahrhunderts in ihren verschiedenen Ursachen, Kontexten und Folgen, und darunter die Vertreibung der Deutschen dokumentieren. Die Betroffenen sollten ihr Schicksal und Leid in dieser Dokumentation wiedererkennen. Ein solches Projekt ist [daher] eine europäische Aufgabe und braucht zu seiner Verwirklichung europäischen Partner, die auch in die Trägerschaft einbezogen werden. An der Ausarbeitung sollten Persönlichkeiten aus europäischen Ländern, die in ihrer Geschichte von Vertreibungen betroffen sind,beteiligt werden. Die vom ‚Haus der Geschichte in Bonn‘ begonnnenen Vorarbeiten für eine Austellung […] sollten in der Dialog übber die Konzeption des künftigen Zentrums einschließen.

[194] Michael Ludwig (FAZ van 15.07.2004), Große Erwartungen an Köhler, p 4.

[195]Hans Michael Kloth (FAZ van 06.09.2003), Schily will Debatte, p 1 en 4; (Der Spiegel van 04.08.2003), Wunde Punkte, pp 36-37.

[196] Hans Michael Kloth (Der Spiegel van 04.08.2003), Wunde Punkte, p 36-37; http://www.encyclopedia.thefreedictionary.com/Heimatvertriebenen.

[197] http://www.z-g-v.de/aktuelles/?id=40.

[198] http://www.z-g-v.de/aktuelles/?id=40.

[199] In naam van het Derde Rijk en de Übermensch, wou hij alle Duitsers weer in hun thuisland onderbrengen, wat ook weer gepaard ging met grote volksverhuizingen. Hitler en zijn handlangers waren bovendien al in november en december 1939 in Polen met dwangmatige volksverhuizingen begonnen. Bij het begin van de oorlog heeft Hitler op die manier meer dan één miljoen ‘Volksduitsers weer Heim ins Reich’ gebracht. Om hen plaats en onderdak te bieden, werden 1,2 miljoen Polen vermoord of verdreven . Bron: Hans-Joachim Noack,Thomas Darnstädt en Klaus Wiegrefe (Der Spiegel van 25.03.2002), Die Flucht, pp 36-64; http://www.z-g-v.de/aktuelles/index.php3?id=172.

[200] http://www.z-g-v.de/.

[201] Mail met Walter Fuchs van de Stiftung gegen Heimatvertreibungen op 4 april 2005.

[202] Erich Wiedemann (Der Spiegel van 22.09.2003), Handfeste Drohung, pp 142-143.

[203] Otto Gnirs uit: Schwarz Walter (1987), Entschädigungsverfahren und sondergesetzliche Entschädigungsregelungen, p 12, 170-173; dr. Theodor Schweisfurth (FAZ van 16.09.2004), Reparationen an Polen, p 10; Van de Mierop Jan (1995), De Duitse minderheden in Polen, pp 17-18; Schoenberg Hans W. (1970), Germans from the East, pp 160-242; Wiewióra Bolesław (1964), The Polish-German frontier, pp 225; Bark, L. en A. Dennis, (1989), A history of West-Germany, from shadow to substance 1945-1963, pp 53-59, 306-311; Bingen Dieter (1993), Die Deutschlandspolitik Polens, pp 19-21; Schwarz Walter (1974), Rückererstattung nach den Gesetzen,pp 394; Kerremans Bart (2005), Internationale Politiek na 1945, pp 330; De Zayas Alfred (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, pp 228; Wiewióra Bolesław (1964), The Polish-German frontier in the light of international law, pp 225; Davies Norman (2000), Im Herzen Europas, pp 73-91; http://www.alfredmozerstichting.nl; http://www.bund-der-vertriebene.de; Mehnert, Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, Flucht und Vertreibung aus deutscher, polnischer und tschechischer Sicht, pp 464.

[204] Buschbom Helmut (1974), Rückerstattung nach den Gesetzen der Allieerten Mächten, p 7-8, uit Schwarz Walter (1974), Rückerstattung nach den Gesetzen der Allieerten Mächten.

[205] Finke Hugo, Otto Gnirs, Gerhard Kraus en Adolf Pentz (1987), Entschädigungsverfahren, pp. 12, 170-171.

[206] Bark, L. en A. Dennis, (1989), A history of West-Germany, pp 53-59, 306-311.

[207]Finke Hugo (1987), Entschädigungsverfahren, pp. 12, 170-173, uit Scharz Walter (1987), Entschädigungsverfahren.

[208] Herstelbetalingen zijn schadevergoedingen voor alle denkbare verliezen, die geleden worden in het kader van een oorlog, waarvoor de staat die de oorlog voert, verantwoordelijk is. Zij maken deel uit van de volkenrechtelijke schadeclaims. Bron:, Otto Gnirs, Gerhard Kraus, (1987) Entschädigungsverfahren, p 171, uit Scharz Peter (1987), Entschädigungsverfahren.

[209] Ibidem.

[210] De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen,, p 118; De Keersmaeker Goedele (1990), Langs Oder en Neisse, pp 40-44.

[211] De herstelbetalingen voor het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en de andere landen die schadevergoeding eisten, zouden vanuit de westelijke gebieden van Duitsland betaald worden. Bron: professor dr. Theodor Schweisfurth (FAZeitung van 16.09.2004), Reparationen an Polen?, p 10; Otto Gnirs, Gerhard Kraus (1987), Entschädigungsverfahren, p 12, 170-171, uit Schwarz Peter (1987), Entschädigungsverfahren, pp 171-173.

[212] De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen, p 166.

[213] Finke Hugo (1987), Entschädigungsverfahren, pp 12, 170-173, uit: Schwarz Walter (1987), Entschädigungsverfahren, pp. 171-173.

[214] Op 15 mei 1950 stelde de Sovjet-Unie vast dat de DDR tegen het einde van dat jaar al 3,658 miljard dollar van de verschuldigde 10 miljard betaald had. Het resterende bedrag werd met de helft verminderd. Bron: Theodor Schweisfurth (FAZ van 16.09.2004), Reparationen an Polen?, p 10; Kerremans Bart (2005), Internationale politiek na 1945, p 26; Walter Schwarz spreekt in zijn boek die Wiedergutmachungen van 10 miljoen dollar schadevergoeding, enkel al voor Rusland (p 20); Davies Norman (2000), Im Herzen Europas, pp 73-91.

[215] Wiewióra Bolesław (1964), The Polish-German frontier, p 173.

[216] Officieel betrof dit verdrag alleen de DDR, maar in praktijk sloeg het terug op heel Duitsland. Bron: Finke Hugo, (1987), Entschädigungsverfahren p 173, uit: Schwarz Walter, (1987), Entschädigungsverfahren.

[217] Helmut Buschom (1981), p 51 Uit: Schwarz Walter (1981), Bundesrückerstattungsgesetz.

[218] Kerremans Bart (2005), Internationale politiek, p 88.

[219] Zbiór Dokumentów 1953 Nr 9, Europa-Archiv 1953, p 5981. Bron: professor dr. Theodor Schweisfurth (FAZ van 16.09.2004) Reparationen an Polen?,, p 10; Finke Hugo, Otto Gnirs, Gerhard Kraus en Adolf Pentz (1987), Entschädigungsverfahren, pp 12, 170-173.

[220]Professor dr. Theodor Schweisfurth (FAZ van 16.09.2004), Reparationen an Polen?, p 10: Mit Rücksicht darauf, daß Deutschland seinen Verpflichtungen zur Zahlungen von Reparationen bereits in bedeutendem Maße nachgekommen ist und daß die Verbesserung der wirtschaftlichten Lage Deutschlands im Interesse seiner friedliebenden Entwicklung liegt, hat die Regierung der Volksrepublik Polen den Beschluß gefaßt, mit Wirkung vom 1. Januar 1954 auf die Zahlung von Reparationen an Polen zu verzichten, um damit einen weiteren Beitrag zur Lösung der deutschen Frage im Geiste der Demokratie und des Friedens in Übereinstimmung mit den Interessen des polnischen Volkes und aller friedliebende Völker zu leisten.

[221] Reden hiervoor is, dat er nog geen sprake was van de DDR, toen de Sovjet-Unie haar eisen aan het door haar bezette gebied van Duitsland kenbaar maakte. In die periode was Duitsland weliswaar opgedeeld in de vier bezettingszones door Rusland, Frankrijk, Engeland en Amerika, maar van de splitsing BRD-DDR was er toen nog geen sprake. professor dr. Theodor Schweisfurth (FAZ van 16.09.2004) Reparationen an Polen?, p 10.

[222] Beide regeringshoofden hadden het Verdrag van Warschau ondertekend ter gelegenheid van het ‘Warschauer Normalitätsvertrag’. Dit verdrag was een succes uit de Ostpolitik van Willy Brandt. In 1970 had hij de betrekkingen tussen Polen en Duitsland opnieuw ‘genormaliseerd’, de spanningen waren wat gedaald. Bron: Gemeinsame Erklärung, unterzeichnet vom Bundeskanzler der BRD, Helmut Kohl und vom Ministerpräsidenten der Volksrepublik Polen, Tadeusz Mazowiecki am 14.11.1989 in Warschau, uit Europa Archiv 44 (1989) 23, D669-996.

[223]Professor dr. Theodor Schweisfurth (FAZ van 16.09.2004) Reparationen an Polen?, p 10; Finke Hugo, (1987), Entschädigungsverfahren p 173, uit Schwarz Walter (1987), Entschädigungsverfahren; Bartoszewicz Iwona (2000), Formen der Persuasion, pp 340-365.

[224] Schoenberg Hans W. (1970), Germans from the East, pp 160-172; Schwarz Walter (1981), die Wiedergutmachungen, pp 294 en volgende.

[225]Karl-Peter Schwarz (FAZ 01.06.2001)Mit der Vertreibung vollendet, p 8.

[226] Bohemil Doležal is politoloog en was de hoofdraadgever van de vroegere Tsjechische eerste minister Klau.

[227] Buhimil Doležal (FAZ van 06.09.2003), Die Folgen des Unrechts mildern, p 10. Hij heeft in september 2004 trouwens de ‘Ehrenplakette’ van de Bund der Vertriebenen gekregen. Het stukje dat ik hier van hem geciteerd heb, komt uit zijn dankrede voor die gelegenheid, die dan door de FAZ tot een artikel verwerkt is.

[228] Michael Ludwig (FAZ van 15.07.2004), Große Erwartungen an Köhler, p 4.

[229] Erich Wiedemann (Der Spiegel van 15.11.1999), Getanzt, getrunken und geweint, pp 238-243.

[230] (FAZ van 03.08.2004),Vertriebenen empört, Steinbach, pp 1, 2 en 3.

[231] http://www.alfredmozerstichting.nl: Ron Kat, Duits-Poolse betrekkingen.

[232]Bronnen: Mehnert, Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, pp 464; (FAZ van 22.03.2004) ,Vertriebenennstiftung lehnt Preußische Treuhand ab, p 2; Michael Ludwig (FAZ van 15.07.2004), Große Erwartungen an Köhler, p 4; Michael Ludwig (FAZ van 02.08.2004), Wir verbeugen uns in Scham p 1-3; Reinhard Müller (FAZ van 02.08.2004), Die ewige Vermögensfrage, p 3; (FAZ van 03.08.2004) ,Steinbach: Die Rede Schröders war nicht anständig, pp 1, 2 en 3; (FAZ van 06.09.2004), Steinbach: Materielle Null-Lösung hinnehmbar, pp 1 en 6; (FAZ van 15.11.2004), Polnische Studie zu deutschen Reparatione, p 1; (Der Spiegel van 14.12.1998), Verlogenes Schweigen, pp 181-183; Andrzej Rybak en Hans-Ulrich Stoldt (Der Spiegel van 11.01.1999), Gift und Eiter, Deutsch-polnischer Häuserkampf: Alt-Eigentümer verlangen den enteigneten Besitz zurück, doch die heutigen Bewohner wollen nicht weichen, p 44-47; Jürgen Hogrefe en Jürgen Leinemann (Der Spiegel van 06.09.1999), Ein latenter Verdacht, pp 25-26; Erich Wiedemann (Der Spiegel van 15.11.1999), Getanzt, getrunken und geweint, pp 238-243; Erich Wiedemann (Der Spiegel van 22.09.2003), Handfeste Drohung, pp 142-143; Irina Repke (Der Spiegel van 02.02.2004 ) Angst vor den Deutschen pp 36-42; Ralph Neukirch (Der Spiegel van 19.07.2004), Mut und Tränen, p 52; Irina Repke, Konstantin von Hammerstein, Jan Puhl en Christoph Schult (Der Spiegel van 09.08.2004), Eine besondere Art von Heimweh, pp 40 –42; Hans Michael Kloth en Dietmar Pieper (Der Spiegel van 20.09.2004), Grandioses Versagen, pp 36-38; (NRC-Handelsblad van 24.06.2004),Géén punt achter geschiedenis, p 6; http://www.alfredmozerstichting.nl: Ron Kat, Polendeskundige, Duits-Poolse betrekkingenAndrzej Rybak en Hans-Ulrich Stoldt (Der Spiegel van 11.01.1999), Gift und Eiter, pp 44-47.

[233] Deutsch-tschechischer Zukunfstfonds; uit Mehnert, Elke & Uwe Hentschel (2001), Landschaften der Erinnerung, pp 464.

[234]Jürgen Hogrefe en Jürgen Leinemann (Der Spiegel van 06.09.1999), Ein latenter Verdacht, pp 25-26,; http://www.bund-der-vertriebenen.de.

[235] Erich Wiedemann (Der Spiegel van 22.09.2003), Handfeste Drohung, pp 142-143.

[236] In 2003 heeft het parlement van Szczecin uit voorzorg een regel ingevoerd, dat de burgers, die hun grond nog steeds in pacht hebben, deze kunnen kopen voor tien procent van de verkoopwaarde vóór de toetreding van Polen tot de EU. Wie genoeg cash heeft om alles in één keer te betalen, krijgt nog eens vijf procent korting. Bron: Irina Repke (Der Spiegel van 02.02.2002), Angst vor den Deutschen, pp 36-42.

[237] Andrzej Rybak en Hans-Ulrich Stoldt (Der Spiegel van 11.01.1999), Gift und Eiter, pp 44-47.

[238] Deze angst is vooral door de communisten gevoed. Keer op keer hebben zij de Polen ingepeperd, dat de Duitsers gewoon hun kans afwachten om onder de een of andere smoes weer naar Polen te komen, en dan hun goederen opnieuw op te eisen. Bron: Erich Wiedemann (Der Spiegel van 15.11.1999), Getanzt, getrunken und geweint, pp 238-243.

[239] Erich Wiedemann (Der Spiegel van 22.09.2003), Handfeste Drohung, pp 142-143 .

[240] Erich Wiedemann (Der Spiegel van 15.11.1999), Getanzt, getrunken und geweint, pp 238-243.

[241] Schröder was in die periode van 2004 in Polen om als eerste Duitse bondskanselier de herdenking van de Warschause opstand van 60 jaar geleden mee te vieren. De bevolking in Warschau kwam op 1 augustus 1944 in opstand tegen Duitse bezetter, maar werd door de SS-troepen bloedig neergeslagen. Ongeveer 180 000 Polen vonden toen de dood. De capitulatie volgde al op 2 oktober, en de overlevenden werden uit de stad verdreven. Duizenden werden naar de concentratiekampen weggevoerd of gingen een lot van dwangarbeid in het Derde Rijk tegemoet. Himmler was het brein achter de gewelddadigheden, waarin ook een groot deel van de stad vernietigd werd en kunstschatten geroofd. Bron: Michael Ludwig (FAZ van 02.08.2004), Wir verbeugen uns in Scham, pp 1-3; (FAZ van 30.07.2004) ,Codewort Empathie, p 6.

[242] Irina Repke (Der Spiegel van 02.02.2002), Angst vor den Deutschen, pp 36-42.

[243] De Jewish Claim Conference is een vzw die georganiseerd is door het Jewish World Congress. Ze behartigen de materiële belangen van de joden die tijdens de oorlog schade hebben geleden. Bron: http://www.jewish-property.com/unclaimed-jewish-property-lists.html.

 

[244] Irina Repke (Der Spiegel van 02.02.2002), Angst vor den Deutschen, pp 36-42; http://www.users.foxvalley.net/~goertz/treu.html;

http://www.preussischetreuhand.de.vu; http://www.politikerscreen.de/direct: Die Grundidee der Preußischen Treuhand: „Es muß eine Organisation aufgebaut werden, die die Eigentumsansprüche der einzelnen Vertriebenen jeweils individuell sichern bzw. erhalten kann und diese treuhänderisch für die jeweiligen Vertriebenen oder dessen Erben rechtlich und wirtschaftlich handhabt. Man kann sich am Beispiel der Restitution jüdischen Eigentums orientieren. So kümmert sich die jüdische Dachorganisation "Jewish Claims Conference" um das von den Nationalsozialisten enteignete Eigentum insbesondere in den Fällen, in denen eine persönliche individuelle Wahrnehmung der Eigentumsinteressen nicht möglich ist. Entsprechend soll eine Selbsthilfeorganisation der Vertriebenen für deutsches Vermögen in den Vertreibungsgebieten die individuellen privaten Vermvgensansprüche gegenüber den Vertreibungsstaaten als bevollmächtigte Interessenvertretung wahrnehmen.“

[245] (FAZ van 22.03.2004), Vertriebenenstiftung lehnt Preußische Treuhand ab, p 2.

[246]Ibidem.

[247] Reinhard Müller (FAZ van 02.08.2004), Die ewige Vermögensfrage, p 3.

[248] Hoewel de voorzitster van de BdV deze Null-Lösung niet nader verklaart, zou een mogelijke uitleg hiervoor zijn dat het om een verrekening gaat van het verloren vermogen met de evenredige schadeloosstelling voor geleden oorlogsschade (“Lastenausgleich”, bron: Van Dale) die de slachtoffers al gekregen hebben. Bron: (FAZ van 06.09.2004), Erika Steinbach, p 6; Hans Michael Kloth en Dietmar Pieper (Der Spiegel van 20.09.2004), Grandioses Versagen, pp 36-38.

[249](FAZ van 06.09.2004), Steinbach: Materielle Null-Lösung , pp 1 en 6.

[250] 4 september is in Berlijn ‘de dag van de Heimat’. Dit initiatief is voor het eerst gebruikt in het jaar 2000, genomen door toenmalige bondskanselier Schröder. Hij ijverde voor een ‘wederzijds gesprek in plaats van een koestering van vooroordelen’. Hij wou de wederzijdse verkramping doen ontspannen. Schily heeft als minister voor Feestdagen een aanvraag van Beieren goedgekeurd, waarin geijverd werd om 5 augustus als ‘nationale gedenkdag voor de slachtoffers van de verdrijving’ in te voeren.

[251](FAZ van 03.08.2004), Vertriebenen empört, pp 1, 2 en 3.

[252]Hans Michael Kloth en Dietmar Pieper (Der Spiegel van 20.09.2004), Grandioses Versagen, pp 36-38.

[253] (FAZ van 03.08.2004), Vertriebenen empört, pp 1, 2 en 3.

[254] Irina Repke, Jan Puhl, Konstantin von Hammerstein en Christoph Schult (Der Spiegel van 09.08.2004), Eine besondere Art von Heimweh, pp 40-42.

[255] Erich Wiedemann (Der Spiegel van 22.09.2003), Handfeste Drohung, pp 142-143.

[256] Deze enquête is doorgevoerd tussen 3 en 5 augustus door het TNS Ifratest voor Der Spiegel. rina Repke, Jan Puhl, Konstantin von Hammerstein en Christoph Schult (Der Spiegel van 09.08. 2004), Eine besondere Art von Heimweh, pp 40-42 I.

[257] (FAZ van 03.08.2004), Steinbach: „Die Rede“, pp 1, 2 en 3; (FAZ van 11.09.2004) , Polens Parlament fordert Reparationen von Deutschland, p 1; Theodor Schweisfurth (FAZ van 16.09.2004), Reparationen an Polen?, p 10; (FAZ van 03.11.2004), Gesine Schwan wird Polen-Koordinatorin, p 2 en 6; (FAZ van 15.11.2004) Was die Deutschen zahlen, p 6; Irina Repke, Jan Puhl, Konstantin von Hammerstein en Christoph Schult (Der Spiegel van 09.08.2004), Eine besondere Art von Heimweh, pp 40-42; Hans Michael Kloth en Dietmar Pieper (Der Spiegel van 20.09.2004), Grandioses Versagen, pp 36-38; (NRC-Handelsblad van 24.06.2004,) Géén punt achter geschiedenis, p 6; http://www.alfredmozerstichting.nl: Ron Kat, Duits-Poolse betrekkingen,.

[258] (Przekrój van 23.09.2003), Heimat Eriki Steinbach, pp 30-33.

[259](FAZ van 03.08.2004), Steinbach: Die Rede Schröders pp 1, 2 en 3.

[260] (NRC-Handelsblad van 24 .06.2004), Géén punt achter geschiedenis, p 1.

[261] Ibidem.

[262] Ibidem.

[263] (FAZ van 11.09.2004), Polens Parlament fordert Reparationen, p 1.

[264] (FAZ van 15.11.2004), Polnische Studie zu deutschen Reparationen, p 1.

[265] Konrad Schuller (FAZ van 15.11. 2004), Was die Deutschen zahlten, p 6.

[266] De Frankfurter Allgemeine Zeitung van 16 september 2004 „Reparationen an Polen?“, p 10, door professor dr. Theodor Schweisfurth.

[267] NRC-Handelsblad van 2 januari 2004, p 1 en 6 “Görlitz/Zgorzelec, willen ze soms weer een oorlog?”

[268] Der Spiegel van 2 februari 2002, pp 36-42 „Angst vor den Deutschen“, door Irina Repke.

[269] Bron: DPW (Het Nieuwsblad van 11.04.2005), Aziatische tijgers klauwen, p 9.

[270] Irina Repke (Der Spiegel van 02.02.2002), Angst vor den Deutschen, pp 36-42.

[271] Erich Wiedemann (Der Spiegel van 15.11.1999), Getanzt, getrunken und geweint, pp 238-243.

[272]Letterlijke vertaling: En waar wordt er gezegd dat alleen een walvis zich kan bezighouden met de bescherming van walvissen?

[273] De Zayas Alfred Maurice (1993), Anmerkungen zur Vertreibungen; pp 77-80.