| ‘Het hart der Dichters’. Over persoonlijke thema’s in de gelegenheidsgedichten van Jan Vos (1610/11-1667) en Katharina Lescailje (1649-1711) (Nina Geerdink) |
| home | lijst scripties | inhoud |
Inleiding
‘Het hart der Dichters kent men allerbest aan ’t schrijven’.[1] Deze laatste regel van een gedicht van Jan Vos (1610/11-1667) lijkt allerminst van toepassing op de zeventiende-eeuwse gelegenheidspoëzie. Zoals het woord al zegt, zijn gelegenheidsgedichten geschreven bij een bepaalde gelegenheid. Zo’n gelegenheid kan de bouw van een stadhuis of het afbranden van een schouwburg betreffen, maar net zo goed de dood van een dochter van de dichter of een goede vriend van hem of haar. Dit laatste is een voorbeeld van een familiair gelegenheidsgedicht, te onderscheiden van gedichten die geschreven zijn bij publieke gelegenheden, zoals bijvoorbeeld de eerder genoemde bouw van het stadhuis.[2]
In de negentiende eeuw vond men zowel de publieke als de familiaire variant van dergelijke poëzie uit de zeventiende eeuw niet eens de moeite van het bestuderen waard, omdat er geen sprake zou zijn van persoonlijke emoties en een eigen aandrift om te schrijven.[3] Dit had natuurlijk alles te maken met de expressieve poëtica aan het eind van de negentiende eeuw en het geeft dan ook aan dat zeventiende-eeuwse gelegenheidsgedichten vanuit een hele andere visie geschreven werden. Gelegenheidspoëzie was vaak opgezet volgens bepaalde conventies, waarin het uitdragen van een algemene moraal een belangrijk punt was. Omdat dichters in de zeventiende eeuw gezien werden als wijze mensen, verwachtte men van hen bespiegelingen over algemene normen en waarden. Zo ook in gelegenheidsgedichten. Een specifieke gebeurtenis moest een algemene betekenis krijgen, waardoor alle lezers/ luisteraars mee zouden kunnen voelen met de inhoud van het gedicht.[4] Het is dus een objectiverend genre. Toch komt achter deze façade soms de persoon van de dichter naar voren. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat gelegenheidsgedichten dienen als bronnenmateriaal bij het onderzoek naar lesbische gevoelens in de zeventiende eeuw.[5]
Ik wil onderzoeken in hoeverre het genre van de familiaire gelegenheidspoëzie, waarin dus afzonderlijke, specifiek bepaalde gebeurtenissen uit de persoonlijke sfeer verbonden worden met een algemenere, diepere betekenis, ruimte biedt voor persoonlijke uitingen. Daarbij gaat het me er niet om of er daadwerkelijk sprake is van persoonlijke gevoelens. Ik wil enkel kijken in hoeverre de persoonlijke aanwezigheid van dichters in gelegenheidsgedichten tot de mogelijkheden behoorde. Met persoonlijke aanwezigheid bedoel ik niet per se het ten toon spreiden van persoonlijke emoties, maar in feite elke verwijzing naar het persoonlijk leven van de dichter. Als overkoepelende termen voor deze verwijzingen gebruik ik persoonlijke thema’s, uitingen of betrokkenheid. Daaronder kunnen ook persoonlijke gevoelens of emoties vallen, maar van deze individuele gevoelens van bijvoorbeeld blijdschap of verdriet hoeft dus niet altijd sprake te zijn. Los van deze termen staat nog het begrip persoonlijke thematiek. Dat wil zeggen dat er sprake is van een thematiek die een persoonlijke lading zou kunnen hebben, zoals bijvoorbeeld vriendschap of liefde. Pas na de analyse kan echter blijken of deze thematiek ook maakt dat de dichter persoonlijke uitingen doet, waarin eventueel persoonlijke emoties een rol spelen.
Omdat mijn corpus bestaat uit gedichten die één of meerdere geadresseerde(n) uit de sociale omgeving van de dichter hebben, verwacht ik dat persoonlijke uitingen vaak te maken hebben met de relatie tussen auteur en geadresseerde. Uiteindelijk hoop ik iets te kunnen zeggen over deze aard van de uitingen, maar ook over de mate waarin een zeventiende-eeuwse auteur naar zijn/ haar persoonlijke omstandigheden kon verwijzen, en tenslotte over de manier waarop dit gebeurde: hoe kan een dichter gebruik maken van het genre om zich persoonlijk te uiten?
Ik wil deze vragen beantwoorden met behulp van twee case-studies. Ik heb een aantal gedichten uitgekozen van Jan Vos en Katharina Lescailje (1649-1711), beiden dichters uit het zeventiende-eeuwse Amsterdam. Zij hebben allebei veel gelegenheidswerk uit het artistieke circuit gepubliceerd en er zijn bovendien aanwijzingen dat hun persoonlijke leven in dit werk een rol speelt. Ik heb gedichten gekozen uit de persoonlijke sfeer, zoals bruiloftsdichten, lijk- en grafdichten, lofdichten, verjaardagsgedichten en briefgedichten. Hiervoor heb ik gebruik gemaakt van de eerste drukken van het werk van Vos en Lescailje, respectievelijk Alle de gedichten (1661) en Toneel- en mengelpoëzy (1731/32).[6] Ik heb kopieën van de gedichten opgenomen in de bijlagen. De regelnummering daarbij is van mij.
Om in de gekozen gedichten bijzonderheden te kunnen ontdekken met betrekking tot persoonlijke thematiek, is het belangrijk eerst te onderzoeken wat ‘normaal’ was in de zeventiende eeuw. Daarom zal ik in hoofdstuk 1 uiteenzetten hoe men in die tijd omging met vrienden, familie en andere sociale contacten. Wanneer was er eigenlijk sprake van een persoonlijke relatie? Ook de conventies binnen het genre van de gelegenheidspoëzie zullen in dit hoofdstuk de revue passeren. Vervolgens analyseer ik in hoofdstuk 2 en 3 de gedichten van respectievelijk Jan Vos, de oudste, en Katharina Lescailje. Ik zal deze twee hoofdstukken beginnen met een inleiding op hun leven en werk. Op welke manier waren Vos en Lescailje gewend het universele genre van de gelegenheidspoëzie te gebruiken binnen hun eigen sociale netwerk? Na de beantwoording van deze vraag zullen de analyses van de gedichten volgen, gesorteerd op subgenre. In de analyses probeer ik te ontdekken of de auteur ruimte geeft aan persoonlijke thema’s in de gedichten, door ze te vergelijken met de rest van het oeuvre. De passages die ik hierbij uit de gedichten aanhaal, zijn in principe identiek aan het origineel. Het is echter geen diplomatische editie, dus ik heb mij zo vrij gevoeld het verschil in lettertypes en – groottes (met uitzondering van het hoofdlettergebruik) niet over te nemen en af en toe de spatiëring aan te passen. Om de onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden, is het van belang te kijken naar de verschillen en overeenkomsten tussen de bestudeerde gedichten van Vos en Lescailje. In hoofdstuk 4 probeer ik deze te verklaren, omdat ik verwacht hiermee de representativiteit van mijn uiteindelijke conclusies te kunnen ondersteunen. Ik hoop na vergelijking van de resultaten iets te kunnen zeggen over persoonlijke uitingen in zeventiende-eeuwse gelegenheidspoëzie in het algemeen.
Tenslotte wil ik een en ander verantwoorden met betrekking tot de voorpagina. De titel is een citaat uit een gedicht van Vos, ‘Aan den Eed. Heer Simon van Petkom, Heer van Nieuwegaarde, Rezedent van zijn Koninglijke Majesteit van Deenemarken, by zijn Kon. Majesteit van Groot Britanje, &c. met mijn gedichten.’[7]. Onder de titel staan portretten van beide dichters. Het portret van Vos stond in de tweede druk van Alle de gedichten (1726) en is van de hand van Andries van Buysen, plaatsnijder te Amsterdam. Ik heb de illustratie uit de editie van Buitendijk.[8] Het oorspronkelijke onderschrift met de lof van Vondel heb ik weggelaten. De afbeelding van Lescailje is geschilderd door Nic. Verkolje (1635-1746). Lescailje krijgt op dit schilderij de schrijfveer en lauwerkrans uitgereikt (waarschijnlijk van Apollo). Het is een allegorisch schilderij, maar het gezicht van Lescailje is levensecht afgebeeld. Ik heb de afbeelding gevonden op internet.[9]
1. Sociale netwerken en gelegenheidsgedichten in de zeventiende eeuw
1.1. Het sociale leven in Amsterdam
In het zeventiende-eeuwse Amsterdam van de hogere burgerij speelde vriendschap een belangrijke rol bij de organisatie van de samenleving. Kooijmans beschrijft in zijn belangwekkende studie, Vriendschap en de kunst van het overleven in de zeventiende en achttiende eeuw, hoe we ons dat voor moeten stellen.[10] Anders dan nu werden vrienden niet gekozen omdat je elkaar toevallig tegenkwam en iets gemeenschappelijks deelde of omdat je iemand aardig vond, maar omdat je iets aan iemand kon hebben of simpelweg verplicht was met iemand bevriend te zijn. Dit laatste gold voor de relaties tussen familieleden. Vriendschap en verwantschap was in de vroegmoderne tijd min of meer synoniem aan elkaar. Of je elkaar nu mocht of niet, familieleden moesten bevriend met elkaar zijn voor het behoud van een sterke familie en ter verdediging van haar eer. Onenigheid binnen de familie kon niet alleen leiden tot roddels, maar bovendien andere families tot voordeel zijn.
Vriendschap buiten de familie was, net zo goed als binnen de familie overigens, gebaseerd op het principe van geven en nemen. Vrienden moesten iets te bieden hebben waar je wat aan had, zoals bijvoorbeeld invloed in de gemeente om jou een goede maatschappelijke positie te bezorgen. Dit was dus het criterium waarop vrienden ‘uitgekozen’ werden. Althans in de praktijk. Men sprak in de zeventiende eeuw steeds vaker over het humanistische concept van de zogenaamde ‘ware vriendschap’, een relatie zonder rechten en plichten, gebaseerd op intimiteit en vertrouwen. Door de eeuwenoude traditie van vriendschap, gebaseerd op wederzijdse verplichtingen, was een dergelijke relatie tot in de achttiende eeuw echter geen reële mogelijkheid.[11] Wel bestonden er verschillende gradaties van vertrouwelijkheid. Er werd voortdurend afgetast hoeveel men van een vriend kon verwachten en wanneer er sprake was van oprechte genegenheid kon dit meer zijn dan de gewoonlijke uitwisseling van diensten en geschenken, die gekoppeld was aan ‘uiterlijke vriendschap’.[12]
De concurrentiestrijd om kapitaal, status, maatschappelijke positie en relaties, was een strijd tussen verschillende sociale groepen. Deze groepen, meestal gevormd rondom een familie, konden de ene dag vijand en de volgende dag bondgenoot zijn, al naar gelang de situatie en de houding met de meest gunstige gevolgen. Iedereen binnen een sociaal netwerk was in principe ‘bevriend’ met alle anderen uit dezelfde groep en diende dus te allen tijden klaar te staan voor deze personen en zich bovendien conformeren aan de normen van de groep. Anderzijds kon hij of zij er ook vanuit gaan altijd terecht te kunnen bij een van de ‘vrienden’. Huwelijken konden het sociale netwerk vergroten, doordat de familie van bruid en bruidegom tot dezelfde groep ging behoren. Er was dus geen sprake van een vrije huwelijkskeuze gebaseerd op liefde. Een partner moest met de grootste precisie uitgekozen worden en het liefst afkomstig zijn uit de eigen kring.[13]
Om je plaats in de sociale hiërarchie te behouden en je vriendschappen zo te consumeren dat je er zo veel mogelijk van kon profiteren, was het van belang je contacten te onderhouden. Het schrijven van brieven en verzen (dichtbrieven) nam hierbij een belangrijke plaats in. In de kringen van de hogere burgerij in Amsterdam gebeurde dit bij voorkeur in het Frans, omdat men zich daarmee geciviliseerd toonde.[14] Dit was ook de reden dat rijke koopmannen zich vaak in artistieke kringen ophielden. Vaak vervulden zij dan de rol van mecenas; zij gaven bijvoorbeeld dichters opdrachten, geschenken en soms zelfs geld, in ruil waarvoor zij gedichten ontvingen waarmee hun reputatie hooggehouden werd. De kunstenaars die in bescherming genomen werden, gingen vaak ook tot het sociale netwerk behoren en konden dus ook ‘vriend’ worden.[15] Overigens was het onderhouden van het sociale netwerk middels brieven vooral aan mannen voorbehouden. Vrouwen waren minder geschoold en daardoor minder geoefend in het beheerst en geciviliseerd tonen van genegenheid op papier. Waren zij echter zonder echtgenoot die namens hen kon schrijven (weduwe of nog ongetrouwd), dan konden vrouwen wel via papieren communicatie hun contacten onderhouden.[16]
Hoe hard men ook zijn best deed om nuttige contacten te leggen en te onderhouden, men had niet alles in eigen hand. Het sociale leven werd bijvoorbeeld ook beïnvloed door algemene omstandigheden zoals ziekte en dood. Het aantal ziektes met een dodelijke afloop was in de zeventiende eeuw groot. De dreiging hiervan was, ook onder jongeren, altijd aanwezig. Ziekte en dood waren dan ook veelgebruikte gespreksonderwerpen, zoals bijvoorbeeld blijkt uit het relatief grote aantal ‘lijk- en grafdichten’ in de bundels van Vos en Lescailje. Over het algemeen heerste de mening dat ziekte en dood erbij hoorden en onvermijdelijk waren. Het geloof in God, die geacht werd een bedoeling te hebben met de ziekte of de dood, maakte het voor de zeventiende-eeuwers vaak ook daadwerkelijk mogelijk berusting te vinden. De dood kon echter wel zeer pijnlijke gevolgen hebben, ook in praktisch opzicht. Belangrijke schakels in een netwerk konden eigenlijk niet gemist worden en vaak had de dood van vooral mannen een complete verandering in de hiërarchie van de eigen kring of zelfs de stad tot gevolg.[17]
1.2. Het genre van de gelegenheidsgedichten en zijn conventies
Gelegenheidsgedichten zijn er in verschillende soorten en maten. Schenkeveld-van der Dussen heeft zich hier, na de verguizing van het genre in de negentiende eeuw, als één van de eerste vanuit literair oogpunt mee beziggehouden. Zij heeft enige ordening aangebracht in het genre.[18] Zoals ik in de inleiding uiteengezet heb, is er een onderscheid te maken tussen publieke en familiaire gelegenheidsgedichten. Ik richt mij in deze paragraaf enkel op familiaire gelegenheidsgedichten, omdat ook in mijn corpus enkel gedichten zijn opgenomen die geschreven zijn naar aanleiding van een gebeurtenis in de persoonlijke sfeer van de dichter of de geadresseerde. Dichters waren min of meer verplicht een gedicht te schrijven wanneer iemand uit hun sociale milieu ging trouwen, jarig was of geconfronteerd werd met een sterfgeval. Het schrijven van een gelegenheidsgedicht was een vriendendienst. Dit paste binnen de sfeer van vriendschap uit de vorige paragraaf. De geadresseerde hoeft dus geen nauwe verwant te zijn; het kan ook een kennis van een kennis zijn, of een hooggeplaatst persoon uit de stad.[19] Het schrijven van gelegenheidsgedichten was vooral een gebruik onder de bemiddelde burgerij en de hogere kringen. De gedichten golden daarbinnen als statussymbool.[20] In de hogere kringen was het bovendien goed voor je reputatie wanneer je je kon veroorloven een gedicht in opdracht te laten schrijven. Dichters schreven dus niet alleen voor hun eigen sociale netwerk. Zo heeft Lescailje bijvoorbeeld een verjaardagsgedicht geschreven in opdracht van Cornelia de la Fontaine, voor haar broer Jean de la Fontaine.[21] Voor Lescailje is dit een uitzondering, maar een dichter als Vos, die er verscheidene mecenassen op na hield, schreef veel gedichten in opdracht.
Gelegenheidsgedichten werden niet enkel geschreven door literaire talenten. Er zijn veel gelegenheidsdichters geweest die geen plaats hebben veroverd in de literaire canon.[22] Voor de zeventiende-eeuwer gold het familiaire gelegenheidsgedicht als een informeel genre, dat niet per se tot literaire hoogstandjes hoefde te leiden.[23] Het is dan ook typisch een genre waar vrouwen zich mee bezig konden houden, zonder compleet afbreuk te doen aan datgene wat van hen verwacht werd. Met gelegenheidsgedichten konden zij binnen de voor hen bestemde familiale, huiselijke sfeer blijven en toch door mannen beoefende literatuur schrijven zonder voor de vrouw niet geschikt geachte literaire pretenties ten toon te spreiden.[24]
Hoewel een dichter dus vaak schreef voor iemand uit het sociale netwerk, moest hij/ zij ook rekening houden met de zogenaamde ‘tweede lezer’. Gelegenheidsgedichten werden vaak voorgedragen bij de betreffende gebeurtenis, bijvoorbeeld een bruiloft. Werk van befaamde auteurs werd bovendien vaak, al dan niet door henzelf, gebundeld of opgenomen in bloemlezingen. Het publiek van zo’n gedicht was dus al gauw groter dan de geadresseerde alleen. En zoals in de inleiding al naar voren is gekomen, verwachtte dat publiek bespiegelingen over algemene normen en waarden van de ‘wijze’ dichters. Een dichter moest in een gelegenheidsgedicht het specifieke verbinden met het algemene, zodat het publiek mee kon voelen en denken.[25] De dichter wil zijn lezers/ luisteraars dus overtuigen van een bepaald gevoel. De retorica, in de klassieke oudheid ontstaan als welsprekendheidsleer voor redevoeringen, diende dit doel. Drie dingen waren hierbij van belang: docere (onderwijzen), delectare (vermaken) en movere (emoties opwekken). Dit systeem had grote invloed op de zeventiende-eeuwse poëzie.[26] Een auteur gebruikte de retorica om structuur aan te brengen in een gedicht (dispositio) en zijn of haar argumenten op systematische wijze te verzamelen (inventio) en onder woorden te brengen (elocutio).[27] Ik zal hier niet pogen de talrijke retorische regels samen te vatten. Enkel de zaken die van belang zijn voor de analyses van mijn gedichtencorpus zal ik in deze paragraaf behandelen. Dat zullen achtereenvolgens decorum, affectus en de topen zijn. Ten slotte zal ik nog aandacht besteden aan de specifieke retorische regels voor bruilofts- en lijkdichten.
Auteurs konden de regels der retorica leren kennen uit verschillende handboeken en uit de praktijk, de poëzie van collega’s en voorgangers. Het was van belang de retorische regels niet slaafs na te volgen. Afhankelijk van de gelegenheid en degene voor wie het gedicht geschreven was, kon gevarieerd worden op de voorgeschreven concepten.[28] Deze variatie werd gewaardeerd en was zelfs een teken van dichterlijk vakmanschap.[29] Belangrijk daarbij was decorum, passendheid.[30] Decorum betekent dus dat een auteur op passende wijze gebruik maakt van de regels. Dit moet zich uiten in zijn onderwerpskeuze, in de stijl en de structuur van zijn werk.[31] Ook het overtuigen van de lezer moet op passende wijze gebeuren.
Een belangrijk middel hiervoor was movere, het opwekken van emoties. Dat kon bijvoorbeeld met behulp van een gemoedbeweging of affectus. Deze affectus kon een dichter op drie manieren bewerkstelligen: het welwillend maken van de lezer ten opzichte van de auteur of zijn/ haar overtuiging, het amplificeren of bagatelliseren van bepaalde zaken en het opwekken van gevoelens als medelijden of verontwaardiging.[32] Hoewel een dichter in het hele gedicht affectus kon toepassen, waren er bepaalde plaatsen waarvan men verwachtte dat het extra effectief zou zijn, zoals aan het begin of eind van een gedicht. Het begin van een gedicht, het exordium, was namelijk primair bedoeld om het publiek aandachtig, leergierig en welwillend te maken. Behalve het exordium konden in de structuur van een gedicht de propositio (stelling), narratio (beschrijvend onderdeel) en argumentatio (de directe argumenten) onderscheiden worden. Het eind van een gedicht wordt peroratio genoemd en behalve de genoemde affectus, kan daarin een samenvatting van het voorgaande een plaats krijgen.[33]
Om de argumenten te verwoorden kan een auteur gebruik maken van een heel corpus aan topen. Voor de verschillende delen van het gedicht zijn topen te onderscheiden, maar topen kunnen ook betrekking hebben op een bepaald soort argument. Zo bestaan er bijvoorbeeld verschillende bescheidenheidstopen en vleitopen. Deze zogenaamde loftopiek komt in veel soorten gedichten voor en kan in bijna alle delen van het gedicht effectief zijn. Een dichter kan hierbij aandacht schenken aan drie punten: uiterlijke omstandigheden (zoals afkomst, opleiding of vriendschappen), lichamelijke eigenschappen (zoals kracht, gezondheid of schoonheid) en innerlijke eigenschappen (zoals wijsheid, moed of vroomheid).[34] Over het algemeen komt het erop neer dat van een man zijn bezigheden, zijn nut voor de samenleving beschreven wordt, terwijl de aandacht bij de vrouw vooral uitgaat naar haar uiterlijke verschijning. Voor beiden geldt dat deugdzaamheid en devotie de twee belangrijkste eigenschappen zijn, die dan ook in bijna geen enkele passage met lof zullen ontbreken. De deugd van mannen uit zich in de publieke sfeer en wordt ook wel met dapperheid omschreven, terwijl de deugd van vrouwen in de huiselijke sfeer naar voren komt; van hen wordt gezegd dat ze een goede moeder of echtgenote zijn. Topen die speciaal te gebruiken zijn in een bepaald soort gedicht waren er ook. Zo kende men bepaalde topen voor lijkdichten en bruiloftsdichten. Omdat deze subgenres ook een specifieke opbouw kenden en ze allebei een belangrijke plaats innemen binnen mijn corpus, zal ik ze apart behandelen.[35] Hierbij zullen ook de voor het genre conventionele topen aan bod komen.
Witstein zet uiteen hoe Renaissancedichters in funeraire poëzie steeds weer gebruik lijken te maken van drie onderdelen: laus, luctus en consolatio. Deze basisstructuur is echter, net als de overige retorische regels, op zeer uiteenlopende wijzen te gebruiken. Verschillende dichters leggen de nadruk op verschillende onderdelen. In de laus werd de overledene bezongen, over het algemeen met behulp van de conventionele loftopen, zoals boven beschreven. In de luctus kon een dichter klagen, bijvoorbeeld door topische tranen te storten, het verdriet van anderen te beschrijven of uit te varen tegen de dood of het lot. In de consolatio, het troosten, werd vooral gebruik gemaakt van het zogenaamde argumentum vita post mortem. De dichter wijst er met deze toop op dat de overledene in de hemel terecht is gekomen of het eeuwige leven heeft, vaak als beloning voor de tijdens het leven tentoon gespreide deugden. Een andere veelvoorkomende toop betreft de blijvende roem.[36]
Een bruiloftsdicht diende te beginnen met een beschrijving van de verovering van de kuise vrouw. De inspanningen van de man hierbij moeten duidelijk naar voren komen. Maar pas wanneer de man wegkwijnt van verdriet geeft de vrouw toe, uit medelijden. Het begin van een bruiloftsdicht is dus vaak petrarkistisch getint. In de handboeken wordt geopperd dat deze beschrijving verhalend gemaakt kan worden door het ten tonele voeren van Venus en Cupido. Na deze beschrijving volgt de lof. Het paar en hun afkomst wordt bezongen met behulp van de conventionele loftopiek. Vervolgens kan een dichter aandacht wijden aan de huwelijksnacht, om tenslotte een toekomstwens uit te spreken, waaruit de hoop naar voren komt op kinderen. Een ‘welterusten’ voor iedereen behalve het bruidspaar is een conventionele afsluiting.[37]
Een aparte plaats onder de gelegenheidsgedichten nemen de briefdichten in. Dit zijn gelegenheidsgedichten met uiteenlopende onderwerpen, die de vorm hebben van een brief van de dichter aan een geadresseerde. In principe zijn deze brieven, hoewel vaak gepubliceerd, niet fictief. Een reële schrijver heeft het gedicht in de meeste gevallen daadwerkelijk opgestuurd naar een reële geadresseerde. Toch weten de auteurs dat hun brieven ook de zogenaamde ‘tweede lezer’ onder ogen zullen komen. Behalve epistolaire kenmerken, heeft een briefdicht dus ook literaire kenmerken.[38] Deze overheersen zelfs vaak in de zeventiende-eeuwse poëzie. De brieven, bekend geworden in de gedrukte vorm, zijn vaak herkenbaar doordat de geadresseerde in de titel genoemd wordt en er soms ook ‘brief’ boven een gedicht staat. Inhoudelijk zijn er geen conventies aanwijsbaar, het genre wordt juist gekenmerkt doordat alles kan. Wel is er in briefdichten vaak sprake van vertrouwelijkheid, met aandacht voor het persoonlijke en het huiselijke. Vriendschap is een veelvoorkomend thema. Hier wringt het een beetje: het briefdicht wil vertrouwelijk zijn, maar moet inhoudelijk en literair gezien ook interessant zijn voor de tweede lezer. Het vriendschappelijke botst met het dichterlijke.[39]
Juist omdat de relatieve vrijheid van het briefgedicht een uitzondering vormt binnen het genre van de gelegenheidspoëzie, lijkt het erop dat dit genre niet erg geschikt is voor het uiten van persoonlijke gevoelens. Een dichter diende universele waarheden en gevoelens te verkondigen en had ten behoeve daarvan een heel corpus aan retorische regels tot zijn of haar beschikking. Schenkeveld-van der Dussen heeft op basis van verschillende voorbeelden aangetoond dat er echter binnen de gelegenheidspoëzie wel een bepaalde speelruimte bestaat om de ‘ik’ ten toon te stellen. Uit de poëzie van onder andere Vondel, Bredero en De Decker leidt zij af dat een dichter, als hij/ zij wil, mogelijkheden te over heeft om persoonlijke gevoelens te uiten. Iedere dichter kan dat op zijn eigen manier doen, zolang de algemeen-geldende lading van het gedicht maar niet aangetast wordt. Schenkeveld-van der Dussen betoogt bovendien dat deze mogelijkheden alleen maar toenemen in de loop van de zeventiende eeuw.[40] Een gedicht zal echter nooit tot doel hebben individuele gevoelens te uiten, simpelweg omdat men in de zeventiende eeuw geen expressieve poëtica kende. In de achttiende eeuw worden er steeds meer gelegenheidsgedichten geschreven, maar omdat er ook steeds meer persoonlijke gevoelens in geuit worden, botsen deze gedichten met het universele doel van de poëzie. Dit conflict zorgt voor het einde van het genre.[41]
Over de achttiende eeuw buig ik me in dit onderzoek niet, maar of de veronderstellingen van Schenkeveld-van der Dussen inderdaad van toepassing zijn op de zeventiende-eeuwse poëzie, zal ik hopelijk kunnen ontdekken aan de hand van de poëzie van Jan Vos en Katharina Lescailje. Waar zit die speelruimte in het gedichtencorpus dat ik bestudeer?
2. Persoonlijke thema’s in de gelegenheidsgedichten van Jan Vos
2.1. Jan Vos (1610/11-1667) en zijn sociale netwerk
Vos is een echte Amsterdammer; hij is er geboren, getogen en uiteindelijk ook gestorven. Over de maatschappelijke plaatsing van Vos bestaat veel discussie. Over het algemeen gaat men ervan uit dat Vos, als zoon van een koopman, in de middenklasse geplaatst moet worden. Dudok van Heel wijst echter op de afkomst van Vos’ moeder. Zij was de dochter van een familie uit het oude katholieke regentenpatriciaat en dit lijkt veel invloed te hebben gehad op het gezin Vos. Dat is bijvoorbeeld af te zien aan het grote aantal gedichten dat Vos voor deze familie geschreven heeft en ook het feit dat de vader van Vos als enige in zijn familie katholiek is gebleven vindt Dudok van Heel tekenend.[42] Dudok van Heel wijst verder op zijn gematigde liberalisme in geloofszaken, waarmee hij perfect tussen de Amsterdamse elite paste.[43] Buitendijk, die de afkomst van Vos minder hoog inschat, maar hem als gevolg van zijn literaire verdiensten in aanzien ziet stijgen, wijst er toch op dat Vos is geboren in de Kalverstraat, tussen de patriciërs.[44] Dit duidt mijns inziens wel op enige aanzienlijkheid. Bovendien opent Vos in dezelfde straat zijn eigen zaak: hij was glazenmaker in goeden doen.
Hoe het ook zij, Vos heeft als dichter zeker faam verworven, niet alleen in literaire kringen, maar ook in regentenkringen. Dit ondanks het feit dat Vos geen klassieke opleiding genoten heeft. Hij wist zonder al te veel moeite gunsten te verkrijgen van (gelegenheids)mecenassen en bouwde met sommige van hen een speciale band op. Vos trekt zich hierbij weinig aan van politieke en religieuze voorkeuren, een goede verstandhouding is voor hem het belangrijkste. Hij geniet van de aandacht en wordt erg populair binnen de Amsterdamse regentenklasse.[45] Buitendijk denkt dat dit vooral samenhangt met het feit dat Vos, als christelijke stoïcijn, blijk geeft van beheersing van de hartstochten.[46] Dat Vos ook in (Amsterdamse) literaire kringen populair werd, hangt waarschijnlijk vooral samen met zijn vernieuwende, maar toch klassiek gestoelde, toneel. Zijn vindingrijkheid en verbeeldingskracht hebben in ieder geval Van Baerle en de klassiek gevormde kring rondom hem overtuigd. Maar ook in minder geleerde kringen lijkt Vos gewaardeerd te zijn. Hij had veel contacten met andere dichters. Er zijn veel gedichten overgeleverd van Vos aan andere Amsterdamse dichters en andersom, zoals bijvoorbeeld Jacob Westerbaen, Catharina Questiers en Joost van den Vondel.[47]
Ook als schouwburgregent (1647-1667) oogst Vos waardering. Hij heeft grote invloed op het schouwburgrepertoire en wordt om zijn keuzes op handen gedragen door de regentenklasse. Vos schrijft tableaux vivants die, in opdracht van de stadsregering, opgevoerd worden bij belangrijke gebeurtenissen in de stad. Er was een nauwe band tussen Schouwburg en burgemeesters en over het algemeen was Vos de regering zeer ter wille. Vos was van mening dat het toneel voor de stadsregering een goed instrument was om het volk te beïnvloeden en dit maakte hem vanzelfsprekend geliefd bij de Amsterdamse burgemeesters.[48] In de achttiende en negentiende eeuw nam de waardering voor Vos af. Men beschouwt hem als iemand van lage afkomst, die zich in heeft weten te likken bij de regenten.[49] In de latere literatuurgeschiedenissen heeft de nadruk op zijn toneelwerk gelegen.[50]
2.2. Het gelegenheidswerk van Vos
Alle de gedichten was in 1662 de eerste door de auteur goedgekeurde uitgave van het werk van Vos. In 1671 bundelt zijn uitgever, Jacob Lescailje, al zijn nagelaten werk in een tweede deel.[51] Behalve met toneelstukken zijn beide bundels voornamelijk gevuld met gelegenheidsgedichten. Familiaire gelegenheidsgedichten zijn vooral te vinden onder de kopjes ‘Verscheide gedichten’, ‘Bruiloftsdichten’ en ‘Lyk- en grafdichten’. Men beschouwt de sententie wel als het literaire handelsmerk van Vos.[52] En inderdaad valt in al deze categorieën één ding op: Vos maakt veel gebruik van sententies. Andere opvallende zaken in de manier waarop Vos gebruik maakt van de conventies, zal ik behandelen per categorie. Althans, wanneer die categorie voorkomt in mijn corpus.
Vos plaatst, net als de meeste dichters uit die tijd, lijk- en grafdichten dus onder één kopje. Beide subgenres handelen immers over de dood, alleen de manier waarop dit gebeurt, verschilt. Lijkdichten gaan uitgebreid in op het sterfproces, de overledene en de achterblijvers. Dit gebeurt bij Vos over het algemeen vanuit de derde persoon. De in hoofdstuk 1.4. beschreven opbouw van het lijkdicht, waarbinnen luctus, laus en consolatio te onderscheiden zijn, houdt hij meestal aan. Een groot deel van het gedicht wordt meestal in beslag genomen door een anekdotisch verhaal over de doodsstrijd, met de gepersonifieerde Dood in de hoofdrol. Tegenstanders van de Dood kunnen in zo’n verhaal de laus en luctus verwoorden. Vaak dient dit verhaal als inleiding en dan komen laus en luctus in het vervolg van het gedicht ook nog aan de orde.
In de luctus komen uitroepen van verdriet voor. Wanneer sprake is van een jong persoon, gebruikt Vos vaak vergelijkingen met de lente of de groei van een bloem die plotseling afgebroken wordt. Verder beschrijft Vos in de luctus het verdriet van de achterblijvers. Een veelgebruikte metafoor is hier de personificatie: een gebouw, een buiten of de hele stad wordt rouwend voorgesteld, althans wanneer de overledene iets betekend heeft voor de maatschappij. Door het gebruik van dergelijke personificaties wordt de grote invloed van het overlijden benadrukt. Hoewel hiermee eigenlijk ook al sprake is van laus, worden de deugden van de overledene vaak ook nog apart genoemd. Afhankelijk van de positie van de overledene in de maatschappij worden in deze laus de verdiensten voor stad, gewest of gezin beschreven. Andere loftopen verwijzen naar de goede eigenschappen van de overledene, die meestal deugdzaam, vroom en geduldig is geweest. In de lijkdichten van Vos hangen laus en consolatio vaak sterk samen, omdat hij in zijn consolatio voortdurend benadrukt dat de overledene juist door zijn of haar deugdzaamheid uitverkoren is voor het eeuwige leven en dat de deugden van de overledene bovendien op aarde achterblijven omdat die onsterfelijk zijn. Vos maant de achterblijvers met deze troost-topen aan vooral niet al te zeer te rouwen, maar hij doet het voorkomen alsof hij er zelf wel ondersteboven van is. Een veel voorkomende bescheidenheidstoop beschrijft hoe het verdriet van Vos maakt dat hij niet meer in staat is perfect te dichten: ‘de droefheid houdt geen maat’.[53] Kenmerkend voor de stijl van Vos’ lijkdichten is pathetiek en amplificatio.
Het grafdicht is veel korter dan het lijkdicht en heeft als doel kernachtig uiteen te zetten wie de overledene was en hoe aangrijpend zijn of haar dood is voor de achterblijvers. Het idee van een grafdicht is dat het in de grafsteen gebeiteld zou kunnen worden en in sommige gevallen zal dit ook daadwerkelijk gebeurd zijn. Er zijn twee soorten grafdichten: gedichten voor fictieve personages, die humoristisch bedoeld zijn, en gedichten voor reële personen, die een meer ernstige toon hebben. De grafdichten van Vos zijn soms inderdaad voorzien van een bijtende humor, die we ook kennen uit zijn vele – 768! - puntdichten. Dit betreft de gedichten voor verzonnen, stereotype personages, zoals bijvoorbeeld N.K. Woekeraar.[54] De gedichten voor bestaande personages zijn, hoewel soms enigszins met een knipoog, over het algemeen serieuzer van aard. In enkele gevallen wordt kort verwezen naar de doodsoorzaak of het verdriet om het overlijden. In het laatste geval gebruikt Vos dezelfde troost-topen als in de lijkdichten. De basis van het grafdicht ligt echter daarin, dat de lof van de overledene bezongen wordt. Vos verwoordt de verdiensten of deugdzame eigenschappen van de persoon kernachtig verwoord. De hiervoor gebruikte loftopiek is eveneens vergelijkbaar met die uit de lijkdichten.
Onder de kop ‘Verscheide gedichten’ zijn, zoals de titel al zegt, allerlei soorten gedichten te vinden. Dit is de categorie diversen. Zo is er in deel 1 sprake van een hele reeks petrarkistische lof- of zelfs liefdesgedichten, maar ook verjaardagsgedichten en gedichten op belangrijke (politieke) gebeurtenissen vinden in deze afdeling hun plaats. Bovendien zijn hier alle briefdichten te vinden, die om uiteenlopende redenen geschreven zijn. Zo’n dichtbrief kan bijvoorbeeld een opgestuurd pakket gedichten begeleiden, maar ook een dankzegging voor het een of ander betreffen.
De petrarkistische lofdichten zijn vooral in deel 1 van Alle de gedichten verzameld. Deze gedichten zijn aan verschillende vrouwen gericht, meestal aan de verder anonieme ‘Laura’, maar af en toe ook tot een aan ons bekende vrouw. Vos beschrijft in deze gedichten de schoonheid van de vrouw in kwestie of hij looft haar om een bepaalde eigenschap, bijvoorbeeld haar zangkunst. Meestal begint hij met het beschrijven van haar uiterlijke schoonheid, om vervolgens met een vleitoop het verband aan te geven tussen deze uiterlijke schoonheid en de innerlijke schoonheid, de schoonheid van de ziel. In sommige gevallen spreekt hij de vrouw aan en dit herhaalt hij dan vaak aan het eind van het gedicht. Dit zijn ook de plaatsen waar Vos zichzelf soms laat zien. Hij stelt zich dan, geheel volgens het petrarkistische genre, bescheiden op, onderdanig ten opzichte van de vrouw in kwestie. Dat dit vooral aan het begin en het eind van een gedicht gebeurt, heeft alles te maken met de regels van de retorica: het welwillend maken van de lezer gebeurt, zoals we gezien hebben, met name in exordium en peroratio.
De gedichten die ik hieronder zal analyseren zijn afkomstig uit de beschreven genres. Ik behandel één lijkdicht, ‘Doodt-Bazuin van den Eed. Getr. Heer Joan Huidekooper, Ridder, Heer van Maarseveen &c. Oudt-Burgemeester, Raadt en Bewinthebber der Oost-Indische Maatschappy t’Amsterdam.’[55], twee grafdichten, voor zijn vrouw en voor Elisabet van Baerle, een lofdicht voor dezelfde Elisabet en een briefgedicht, ‘Aan den Eed. Heer Simon van Petkom, Heer van Nieuwegaarde, Rezedent van zijn Koninglijke Majesteit van Deenemarken, by zijn Kon. Majesteit van Groot Britanje, &c. met mijn gedichten.’[56]. In deze gedichten ga ik op zoek naar persoonlijke thema’s door ze te toetsen aan de conventies die Vos over het algemeen gebruikt, zoals hier beschreven.
2.3. Een keuze uit de gedichten
2.3.1. Een lijkdicht bij het overlijden van Vos’ belangrijkste mecenas
Joan Huydecoper (1599-1661) was de zoon van een rijke handelaar, Jan Jacobsz. Bal, die zich later Huydecoper had laten noemen. Joan Huydecoper en zijn vrouw Maria Coymans, dochter uit een vooraanstaande handelsfamilie, kregen zeven kinderen. Zijn vader had reeds de aanzet gegeven en Huydecoper boekte het ene succes na het andere, waardoor de faam van de familie in Amsterdamse kringen nog verder steeg. Uiteindelijk werd hij, net als zijn vader, burgemeester. Huydecoper profileerde zich graag als beschermheer van kunstenaars, met name van dichters zoals Hooft en Van Baerle. Maar Jan Vos was zijn belangrijkste protégé. Huydecoper gaf hem waarschijnlijk geen rechtstreekse opdrachten, maar verrichtte vriendendiensten voor hem. Zo had Vos het aan Huydecoper te danken dat hij alle ruiten in nieuwe openbare gebouwen in Amsterdam mocht maken. Bovendien werd Vos regelmatig uitgenodigd op Goudesteijn, het landgoed van de Huydecopers. Vos profiteerde van de bescherming van een vooraanstaande heer als Joan Huydecoper en in ruil daarvoor schreef hij gedichten. Gedichten waarin hij gebeurtenissen in de familie bezong, waardoor hij bijdroeg aan de reputatie van de Huydecopers.[57] Na de dood van Huydecoper sr. in 1661 blijft Vos in contact met zijn oudste zoon, Johannes Huydecoper jr. en de rest van de familie.[58]
Het gedicht ‘Doodt-Bazuin van den Eed. Getr. Heer Joan Huidekooper, Ridder, Heer van Maarseveen &c. Oudt-Burgemeester, Raadt en Bewinthebber der Oost-Indische Maatschappy t’Amsterdam.’[59] is geschreven op dat overlijden van Huydecoper sr., 26 oktober 1661. Het is een redelijk lang gedicht van 180 regels, opgebouwd zoals we dat gewend zijn van Vos. Overwegend in de derde persoon doet hij verslag van de gebeurtenissen rondom de dood van Huydecoper. Dit gebeurt met behulp van de nodige pathetiek en in de meeste passages is sprake van amplificatio. Om te beginnen zet hij met een aanschouwelijke beschrijving in de eerste 49 regels de doodsstrijd uiteen. Vervolgens vindt in de regels 50-138 de luctus plaats; zeer uitgebreid wordt het rouwproces beschreven. In regel 139 wordt de consolatio verwoord, die er voor zorgt dat iedereen weer een beetje bedaard is op de begrafenis, die in de regels 162-166 wordt beschreven. Ten slotte neemt Vos zelf nog even het woord in de laatste regels, 167-180. In deze laatste passage is Vos expliciet persoonlijk aanwezig. Al in de aanschouwelijke beschrijving van de doodsstrijd is Vos impliciet aanwezig, maar in de luctus speelt zijn persoon geen rol. Wel lijkt deze luctus een opbouw te kennen van weinig persoonlijk naar meer persoonlijk (climax). Ik denk dat Vos met deze opbouw het juiste evenwicht probeert te vinden tussen het uiten van zijn persoonlijke gevoelens en het uiten van algemeen geldende gevoelens. Uit het hele gedicht spreekt in ieder geval een grote bewondering voor de persoon van Huydecoper (laus) die tot de genoemde laatste passage universeel blijft. Deze bewondering blijkt al direct in de aanschouwelijke beschrijving bij de inzet. Vos voert de gepersonifieerde Dood ten tonele:
De Doodt, die ’t al verdelgt wat immer wordt geschaapen,
Riep, toen zy hier in lang door haar moordtdaadig wapen,
Niet dan ’t gemeene volk deedt daalen in het graf;
Ik zweer by deeze pijl, die my het Noodlot gaf,
5 Dat ik niet minder dan een Ridder zal doen duiken. (r. 1-5)
De Dood is dus op zoek naar een vooraanstaand persoon, na al dat gewone volk (r. 3) dat zij de laatste tijd vermoord heeft. Dat Huydecoper een vooraanstaand persoon was, wordt in de regels 10-15 nog even benadrukt. Vos zet uiteen hoe goed hij zijn burgemeesterstaak vervuld heeft. Ondertussen verzamelt de Dood moed, want dat is nodig voor het doden van ‘groten’. In de regels 23-28 wordt een vergelijking gemaakt met de dood van de beroemde Odysseus, Achilles en Caesar. En dan gebeurt het in regel 38, de Dood schiet haar pijl af:
Nu quam haar pijl, o moordt! van Maarseveen verrassen.
My dunkt ik hoor de dop noch girsen deur zijn hart!
40 Hoe! hooren? Neen: o neen! Ik voel de dop, o smart!
Dwars door mijn boezem vliên, om ’t leeven af te snyen.
Wie vrienden lyen ziet heeft deel aan ’t zelfde lyen.
Oprechte liefde trekt niet minder dan natuur. (r. 38-43)
Tot nu toe was de beschrijving van de doodsstrijd zeer conventioneel. In deze passage echter, is Vos opeens in de eerste persoon aanwezig. Uit de zeer pathetische passage blijkt dat Vos meevoelt met de lijdende Huydecoper. Uit de sententie in de regels 42-43 blijkt impliciet dat Vos meevoelt als gevolg van de vriendschapsgevoelens die hij voor Huydecoper koestert. Uit deze sententie komt naar voren dat wie vrienden ziet lijden, zelf evenveel lijdt. Het maakt dan geen verschil of er enkel sprake is van vriendschap (‘oprechte liefde’, r. 43) of van een bloedband (‘natuur’, r. 43). Deze universele sententie is dus ook persoonlijk. Vos vergelijkt zijn eigen rouw impliciet met die van de kinderen van Huydecoper. Vos beschouwt zijn gevoelens voor Huydecoper dus als ‘oprechte liefde’.
Het geweeklaag van Vos in de regels 38-43 biedt al een voorproefje van de luctus, die daadwerkelijk begint in regel 50. De luctus is in dit gedicht de meest pathetische en amplificerende passage. Om aan te tonen hoe groot het verdriet is, laat Vos werkelijk alles en iedereen de revue passeren. Hij personifieert het bestuur (‘Raadthuis’, r. 50), de handel (‘Oostindishuis’, r. 51), het onderwijs (‘Hooftschool’, r. 51) en de kunsten (‘Dichtkunst’, ‘Maalkunst’, ‘boukunst’, r. 52-54). Kortom: alles wat van belang is voor de stad verkeert in rouw. Om de omvang van deze rouw te benadrukken, voert Vos vervolgens heel het gepersonifieerde Amsterdam rouwend ten tonele (r. 66-91). Deze voorstelling is bij Vos een conventionele metafoor gebleken en de rouw van de stad wordt dan ook zeer uitgebreid beschreven. De stad rouwt niet alleen omdat zij haar ‘starkste steunpilaar’ (r. 68) heeft verloren, maar ook om de gevolgen van het verlies voor haar onderdanen. Vos beschrijft eerst de rouw van het bestuur, de ‘hoge’ personen en vervolgens pas het verdriet van de ‘lagere’ bevolking van de stad:
Mijn trouwe Raadt, o spijt! is van de Doodt verraân.
85 Myn wapenschildt verliest een van haar wakkre leeuwen.
O overgroote val voor burger, weez’ en weeuwen!
Deez’ mist zijn vaader, die haar man en die zijn schildt.
Een onverwacht verlies wordt door geen troost gestilt.
Zoo klaagden Amsterdam in klem van nauwe banden. (r. 84-89)
Uit deze passage komt duidelijk naar voren dat Vos dit gedicht schrijft ter ere van de publieke persoon van Huydecoper en niet als teken van medeleven of troost voor de familie, die geen enkele rol spelen in de luctus. Toch is het vervolg van de luctus al meer persoonlijk, omdat nu het rouwende Maarseveen en Goudesteijn een rol gaan spelen. De mensen daar zullen de huiselijke Huydecoper gekend hebben in plaats van zijn publieke figuur. Dit geldt ook voor Vos, die regelmatig op Goudesteijn geweest is. De beschrijving van het verdriet wordt dan ook steeds pathetischer:
110 Hier moet zy [Maarseveen] zwijgen: want de naare lijkgeschallen
Der Ingezeetenen van ’t vruchtbaar Maarseveen,
Verdoofden haar geklag, door jammerlijk geween.
Wie schaâ en smart gevoelt zal zich niet licht bedaaren.
Elk sloeg zijn handen, als uitzinnig, in zijn haaren,
De vuisten voor de borst en de nagels in ’t gezicht. (r. 110-114)
Bij het beschrijven van het verdriet van het landgoed Goudesteijn in de regels 118-127 wordt gebruik gemaakt van topen uit het genre van de hofdichten. In de laatste passage van de luctus passeren nog de rouwende goden (r. 129-132) en gepersonifieerde Deugden de revue.
Dan voert Vos in regel 139 de godin van recht en orde, Themis, ten tonele. Zij verwoordt de traditionele consolatio-topen in een vermanend toespreken van de rouwenden:
Hy laat een luister na, die meer zal blinken dan
Het Raadthuis van uw Stadt. men weent wel om een man
145 Van oordeel: maar met maat: het weenen is verlooren.
Het leeven kan men eer dan smart in traanen smooren.
Wie dat zijn smart verzet blijft voogt van zijn gemoedt.
De wijzen houden standt in alle teegenspoedt.
De zon die ’s avonds daalt komt ’s uchtens weêr vertoogen. (r. 143-149)
Kortom: rouw niet teveel, want daar wordt het leven niet beter van. Maak liever gebruik van al het goede dat de overledene heeft nagelaten. In de regels 150-157 worden de rouwenden aangespoord de stad roem te bezorgen, zoals ook Huydecoper dat gedaan heeft. De woorden van Themis hebben gewerkt: het verdriet is niet vergeten, maar men klaagt niet meer en de begrafenis van Huydecoper verloopt vredig (r. 158-166).
Op het eind van het gedicht schrijft Vos voor de tweede keer een stukje in de eerste persoon:
Ik leg mijn dichtpen, nat geweent, by hem in ’t graf:
Want die mijn dichtpen stof om wel te dichten gaf,
Verschept nu zelf in stof, en wordt gedicht met steenen:
170 Maar deeze stof bestelt mijn oogen stof tot weenen.
O overwakkre Zoon, en Dochteren! gedoog
Dat ik mijn traanen met de traanen van uw oog,
In deeze droeve standt, al schreiendt mach deurmengen:
Heb ik mijn lach, in vreucht, by d’uwe moogen brengen?
175 Vergun dat ik, in rouw, uw smart verzel na plicht:
Gy mist uw vaader, ik de luister van mijn dicht.
Waar geen mecenen zijn versterven alle gunsten.
Men schrijf dan op zijn graf: hier leit hy die de kunsten
Handthaafden, en ’t gemeen beschermden door zijn raân.
180 Een dubble deugdt verdient lauwrier en eikeblaân. (r. 167-180)
Vos schrijft deze passage duidelijk op een meer persoonlijk niveau. De persoonlijke thematiek is nu ook expliciet, in tegenstelling tot de eerste passage in de eerste persoon. Deze regels wijdt Vos niet meer aan de publieke persoon Huydecoper, maar aan zijn eigen verdriet en dat van de naaste verwanten. In eerste instantie verwijst Vos naar de mecenasrelatie die hij met Huydecoper had. Hij denkt dat hij nu wel op kan houden met dichten, omdat Huydecoper hem geen stof tot dichten meer kan geven. Opvallend is het woordje ‘bestelt’ in regel 170. Vos zegt hier dat de dood van Huydecoper hem doet huilen. ‘Bestelt’ betekent dan bezorgt. Maar in de meer letterlijke betekenis zou het ook kunnen duiden op een opdracht voor het schrijven van dit gedicht. Dat is interessant omdat nog steeds onduidelijk is of Vos directe opdrachten kreeg van de familie Huydecoper.
Hoe dat ook zij, Vos laat in de volgende regels duidelijk merken dat zijn rouw behalve literair van aard, ook meer vriendschappelijk is. In een apostrophe spreekt Vos in regel 171 de achtergebleven kinderen van Huydecoper aan. Hij vraagt hen toestemming om samen te rouwen en vergelijkt in regel 176 hun verdriet met dat van hem, ook al is het van heel andere aard. Het delen van smart duidt op een vriendschapsrelatie. Het betreft hier dan de vriendschap met de familie. Bovendien blijkt uit de regels 174-175 dat Vos voorheen ook altijd vreugde met hen heeft gedeeld, wat iets zegt over de hechtheid van de band met de familie Huydecoper. Na deze meer persoonlijke regels, keert Vos in de laatste vier regels weer terug naar zijn relatie met Huydecoper als mecenas. Hij trekt deze relatie hier bovendien meer in het algemene. Mecenen, zo zegt hij in regel 177, zijn onmisbaar. Hij eindigt met een grafschrift voor Huydecoper waaruit blijkt dat hij het in hem waardeert dat hij zowel de kunsten heeft gehandhaafd, als de bevolking van Amsterdam, ook de ‘gewone’ man, heeft beschermd. Vos spreekt in deze laatste universele regels impliciet over zichzelf, omdat beide waardevolle eigenschappen van Huydecoper op hem van toepassing zijn geweest. Dat Vos zoveel aandacht besteedt aan de mecenasrelatie die hij met Huydecoper had, kan een commercieel doel dienen. Vos hoopt waarschijnlijk medelijden op te wekken bij de familie Huydecoper, in de hoop dat zij de taak van de overleden vader zullen overnemen.
Ik hoop duidelijk gemaakt te hebben dat dit een zeer conventioneel gedicht is, waarin de regels van de retorica nageleefd worden: de aanwezigheid van luctus, laus en consolatio, de pathetiek en de gebruikte topen zijn daar voorbeelden van. Vos combineert in dit conventionele gedicht het persoonlijke met het algemene. Hij schrijft over het overlijden van zijn mecenas in de derde persoon en besteedt grote delen van de tekst aan het roemen van de publieke persoon Huydecoper. Op verschillende punten zegt Vos echter impliciet iets over zichzelf en naar het eind toe wordt hij steeds persoonlijker, om te eindigen met een aantal algemene regels, waarin het persoonlijke echter wel impliciet besloten ligt. Het combineren van het algemene met het persoonlijke bood blijkbaar een goed compromis voor Vos, die enerzijds zijn verdriet wilde tonen, maar anderzijds aan bepaalde verwachtingen moest voldoen. Tijdens het leven van Huydecoper was het de taak van Vos de familienaam in ere te houden en na zijn dood ziet hij dat nog steeds als zijn taak. Dat er in dit geval ook persoonlijke emoties bij komen kijken, blijkt vooral uit de twee passages waarin Vos vanuit de eerste persoon schrijft. In lijkdichten voor andere hogergeplaatste personen is hier geen sprake van. Het blijft dan bij het vereren van de publieke weldaden van de overledene. In dit geval laat Vos blijken ook zelf profijt te hebben gehad van het goede karakter van de overledene. Dat hij Huydecoper zal missen als zijn mecenas en vriend, komt duidelijk naar voren. Voornamelijk doordat hij tot twee maal toe over het delen van zijn smart (in de eerste passage met Huydecoper zelf, in de tweede met zijn kinderen) spreekt. Dit gedicht is dus persoonlijker van aard dan andere lijkdichten van Vos.
2.3.2. Twee grafdichten uit het jaar 1651
In 1651 overleden twee vrouwen die een persoonlijke band hadden met Jan Vos: zijn echtgenote Grietje Gerrits en Elizabeth van Baerle, de dochter van Vos’ goede vriend Caspar van Baerle. Vos schreef voor beide vrouwen een grafdicht. Komt die persoonlijke band daar ook uit naar voren?
Vos trouwde in 1639 met Grietje (1616-1651). Vlak na de geboorte van hun tweede kind komt ze te overlijden. Op 6 mei 1651 wordt ze begraven in de N.Z. kapel in Amsterdam.[60] Over de aard van het huwelijk zijn geen bijzonderheden bekend, maar het hieronder geciteerde grafdicht, het enige dat Vos voor zijn vrouw geschreven heeft, lijkt ons daar meer over te kunnen vertellen:
Margrietje Gerrits, huisvrouw van Jan Vos.[61]
Zoekt gy hier naar Margriet? zoo zijt gy veel te vart.
De liefde van haar man begroef haar in zijn hart.
Zy zou om zulk een graf Augustus graf ontzeggen.
Die veel in d’armen lag behoort iets in ’t hart te leggen.
Dit grafdicht is kort en kernachtig en hoort tot de ernstige categorie. Maar inhoudelijk wordt wel enigszins van de conventies afgeweken. Vos wil de lezer overtuigen van zijn liefde voor de overledene. Hij typeert haar dus niet in het algemeen, maar hij typeert haar door over de grootte van zijn liefde te praten. De manier waarop Vos dit grafschrift begint, is redelijk conventioneel. Met ‘gy’ wordt in de eerste regel de bezoeker van het graf aangesproken. Er is sprake van een vrij droge toon, maar die maakt wat Vos daarmee in de rest van het gedicht zegt niet minder pijnlijk. De bezoeker moet niet denken Margrietje Gerrits in dit graf te vinden, want, zo zegt Vos in de tweede regel, zij ligt begraven in zijn hart. Dit komt door zijn liefde en de implicatie die de derde regel draagt is dan ook erg liefdevol. Ook uit de laatste twee regels komt, ondanks nog steeds de formulering in de derde persoon, de persoonlijke band tussen Vos en zijn vrouw naar voren. Uit de derde regel blijkt dat zo’n graf in het hart zeker niet onderschat moet worden. Het wordt afgezet tegen het graf van de grote Romeinse keizer Augustus, dat Grietje echter niet zou willen verruilen voor haar huidige graf in Vos’ hart. Belangrijker dan alle pracht en praal van het graf van zo’n beroemde man, is dus het liefdevolle van het ‘graf’ dat Vos haar biedt. In de laatste regel blijkt nogmaals de liefde van Vos voor zijn vrouw. Volgens deze regel zou zij veel in zijn armen gelegen hebben, hetgeen aangeeft hoe persoonlijk en wederom liefdevol de relatie geweest is.
Uit dit grafdicht spreekt dus zeker een vorm van persoonlijke liefde. Vos maakt geen gebruik van de conventionele troost-topen en het gemis van zijn vrouw wordt gelieerd aan het missen van haar liefde. Hij verwijst bijvoorbeeld niet naar het feit dat hij haar mist als de moeder van zijn dochtertje, als hoofd van het huishouden of als inspiratiebron voor zijn poëzie. Zoals uit hoofdstuk 1 is gebleken, kwamen sterfgevallen vaak voor en bracht dat de nodige praktische problemen met zich mee. Daar besteedt Vos hier echter geen aandacht aan. Het hele gedicht bestaat uit de uiting van één simpele emotie: zijn liefde voor haar. Het feit dat Vos dit alles redelijk droog en trefzeker formuleert heeft met het genre te maken. Doordat hij inhoudelijk afwijkt van de conventies van het genre, maakt Vos in dit grafdicht gebruik van de mogelijkheden zijn persoonlijke gevoel naar voren te laten komen.
Zoals gezegd was Elisabet van Baerle de dochter van Caspar van Baerle. Jan Vos heeft veel aan deze Caspar van Baerle (1584-1648) te danken. De geleerde en dichter fungeerde voor Vos als mecenas. Van Baerle was zeer te spreken over het aan hem opgedragen treurspel Aran en Titus, voor het eerst opgevoerd in 1641.[62] Als beroemde en invloedrijke man in literaire kringen, is het niet verwonderlijk dat Van Baerle zijn enthousiasme voor Aran en Titus over weet te brengen op andere vooraanstaande dichters, zoals Hooft en Vondel.[63] Een deel van zijn literaire faam heeft Vos dus aan Van Baerle te danken. Hij schrijft hem niet voor niets de volgende zin: ‘Uw vaarzen doen my eeuwigh leven’.[64] Maar de omgang tussen Vos en Van Baerle was niet enkel literair. Uit de vele gedichten die Vos bij verschillende gelegenheden voor de familie Van Baerle geschreven heeft, ook na de dood van Caspar van Baerle in 1648, blijkt dat er sprake was van een meer persoonlijke relatie. Van Baerle en zijn vrouw hadden zeven kinderen, die stuk voor stuk genoemd worden in Vos’ poëzie.[65]
Elizabet van Baerle stierf jong, op 27-jarige leeftijd. Als je bovendien uit het bovenstaande concludeert dat de relatie tussen Vos en haar familie redelijk vertrouwd geweest moet zijn, doet het grafdicht dat hij voor haar schreef opvallend conventioneel aan:
Elizabet van Baarle.[66]
Hier rust die vroolijke, daar vaaders schranderheidt,
En moeders deugdt in blonk. haar bloem is afgemeit
In ’t bloeienst’ van haar lent. vergeefs zijn schoone leeden.
De Doodt ontziet noch glans, noch deugdt, noch schranderheeden.
Vos bouwt het gedicht op volgens de conventies: kort maar kernachtig typeert hij Elisabet en geeft hij aan dat haar overlijden een groot verlies betekent. Hierbij bedient hij zich van veel topiek. In de eerste twee regels verwijst hij naar zowel vader als moeder van de overledene en de goede invloed die zij op haar gehad hebben. In dit geval kan deze loftoop echter ook als een teken van persoonlijkheid opgevat worden; Vos kende de ouders van Elisabet goed en bovendien was haar vader een beroemd man. Vervolgens verwijst Vos naar haar overlijden op jonge leeftijd. Dit doet hij met behulp van de bekende topiek van de luctus: in haar bloei, in haar lente, is zij reeds overleden (r. 2-3). Ten slotte spreidt hij in de laatste twee regels nog wat lof op de overledene tentoon. Een consolatio-toop die Vos in aansluiting daarop vaak gebruikt, ontbreekt hier echter; dat haar deugden onsterfelijk zijn en dus op aarde zullen blijven schitteren.
Vos schrijft dus een redelijk conventioneel gedicht voor Elisabet van Baerle. Of althans, hij maakt gebruik van de conventies voor grafdichten. Met behulp van deze conventies heeft hij echter wel een gedicht geschreven dat uiting geeft aan een gevoel van verdriet. Doordat Vos de consolatio achterwege laat spreekt uit het gedicht enkel dof verdriet. Duidt dit er indirect op dat Vos zelf nog teveel in het verdriet verzonken zit om anderen te kunnen troosten? Ik denk dat Vos hier impliciet een persoonlijk thema aansnijdt, verwoord in sententies. Expliciet inhoudelijk heeft Vos dus geen gebruik gemaakt van de mogelijkheden om zich persoonlijk uit te drukken, in tegenstelling tot het grafdicht voor zijn vrouw.
2.3.3. Een lofdicht voor Elisabet van Baerle
Buitendijk beschouwt het gedicht, ‘Aan Elisabet van Baarle, &c.’[67], als het meest tekenend voor de vertrouwelijke relatie tussen Vos en het gezin Van Baerle.[68] Dit ondanks het feit dat Elisabet van Baerle (1624-1651) hier wordt benaderd met behulp van petrarkistische conventies. Zoals ik in paragraaf 1 al aangaf, heeft Vos veel puur petrarkistische gedichten geschreven voor een verder onbekende ‘Laura’. Betekent het feit dat we de geadresseerde van dit gedicht kennen ook dat we nu met een meer persoonlijk gedicht te maken hebben?
Het betreft een dichtbrief, ongedateerd maar waarschijnlijk geschreven tussen 1648 en 1651, omdat tijdens het schrijven van dit gedicht Caspar van Baerle al overleden is en Elisabet, logischerwijs, nog niet. Vos vraagt Elisabet toestemming haar te mogen gebruiken als zijn inspiratiebron. Nadat Elisabet in de eerste regel met een uitroep aangesproken is (‘Ey Elizabet van Baarle!’), begint Vos direct met het metaforisch formuleren van zijn verzoek.
Wanneer hij zijn pen in de tranen uit haar gitzwarte ogen zou mogen dompelen, in plaats van in de bron op de goddelijke dichtersberg de Helikon, zo redeneert Vos, dan zou hij met zijn poëzie zelfs dichters als Homerus en Vergilius overstijgen. De regels 20-100 vormen de argumentatio, die dit verzoek moet onderbouwen. Tenslotte herhaalt Vos zijn verzoek in de laatste regels (101-124) nog één keer. Ook is in deze peroratio sprake van een laatste affectus; Vos probeert Elisabet duidelijk op haar gemoed te werken.
Met het formuleren van zijn verzoek in de eerste regels vleit Vos Elisabet ontzettend; hij geeft haar schoonheid (de gitzwarte ogen) de macht over zijn poëzie. Hiermee probeert hij haar waarschijnlijk welwillend te stemmen. In regel 13-15 geeft hij alvast een voorproefje van zijn argumentatie. Hij stelt dat hij zelfs goddelijke dichters als Homerus en Vergilius zou kunnen overstijgen met behulp van haar gitzwarte traneninkt. Hiermee kan hij haar nieuwsgierig maken naar de argumentatie. Die bestaat uit een aanschouwelijke beschrijving van de ideële situatie die volgens hem zou ontstaan wanneer hij daadwerkelijk zijn veer in haar git zou mogen dopen. Eerst beschrijft Vos hoe de zussen van Elisabet hem zouden prijzen:
Deel my toch wat drupplen meê:
20 Want kan ik van ’t git bekoomen,
Zoo zal d’afgerechte Anne,
Die myn glas tot gruis wou slaan;
Zelf de sneedig’Adriaan’,
En de zeedige Suzanne,
25 Al myn glas en loodt verdelgen:
Ja myn ongesierde kruin,
Met een eeuwigh groentetuin
Van gewyde lauwertelgen,
Op het heerelykst bekransen;
30 ’t Schelle keeltje van Jozyn,
Die hier d’oud en nieuwe Rhyn
Op haar maatgezang doet dansen,
Zou ik ’t lof des Drossaerts geeven:
Die uit d’een in d’ander eeuw,
35 Door ’t ontwarren van de leeuw,
Als een Tacitus zal leeven. (r. 19-36)
Wanneer hij zijn veer in Elisabets git mag dopen zullen haar zussen, de slimme Anna, de gevatte Adriana en de zedige Suzanne, hem voor de eeuwigheid lauweren om zijn dichtkunst. Blijkbaar was het dichten voor Vos belangrijker dan zijn werk als glasschilder; wanneer hij zoveel roem zou vergaren, zou zijn beroep niets meer voorstellen, zo blijkt uit de regels 22 en 25. Uit deze regels is dus iets af te leiden over de persoonlijke poëtica van Vos.
Daarnaast blijkt uit de geciteerde passage hoe vertrouwd hij was met de familie Van Baerle: hij laat de meisjes Van Baerle en hun eigenschappen de revue passeren als gelijken, die hij goed kent. Hij geeft Anna, Adriana en Suzanne veel voorkomende epitetha ornans en ‘afgerechte’ (r. 21), ‘sneedige’ (r. 23) en ‘zeedige’ (r. 24) en beschrijft het zangtalent van de vierde zus, Josina (r. 30). Hij zegt haar, geïnspireerd door Elisabet, te kunnen prijzen zoals Hooft, hier vooral geroemd als geschiedschrijver, dat kan. In regel 31 verwijst Vos terloops naar de veranderde woonplaats van de familie, wat eveneens vertrouwelijkheid uitstraalt.[69]
In de regels 37-40 doet Vos een aantal algemeen-geldende uitlatingen met betrekking tot de onsterfelijkheid van goede poëzie. In regel 41 hervat hij de beschrijving van de ideële situatie, nog steeds om Elisabet te overtuigen. Verschillende beroemdheden passeren de revue. Vossius zou niet meer op oud werk studeren, maar zijn lust verzadigen met het werk van Vos (r. 41-45), Vondel zou na het lezen van Vos’ poëzie verbaasd constateren dat schoolgeleerdheid geen vereiste is; ‘Dichtkunst spruit uit schrander aart’ (r. 51) en Mostert zou zelf stoppen met dichten om zich volledig te kunnen wijden aan het vertalen van Vos’ poëzie in maar liefst acht talen (r. 53-57). Coster zou zijn patiënten kunnen genezen met de spreuken van Vos (r. 58-65), Wicquefort zou Vos’ portret aan de wand willen hangen en dat portret zou dan vervolgens de overige portretten aan de wand sieren (r. 67-73), Huygens zou een lofdicht schrijven op zijn eerste werk (r. 74-80), Van der Burgh zou zijn versbouw na willen volgen, om Anna van Treslong erop te laten zingen (r. 81-88) en Tesselschade Roemers Visscher zou stoppen met haar vertaling van het epos van Tasso om hem te komen eren (r. 89-96). Kortom: ‘Elk zou naar myn klanken hooren’ (r. 97). Vos veronderstelt dat hij, geïnspireerd door Elisabet, de meest beroemde en vereerde Nederlandse dichter zou worden. Vanaf regel 101 richt hij zich weer rechtstreeks tot haar. Hij herhaalt zijn verzoek nogmaals:
Laat my nu niet langer smeeken,
Om myn droge pen te voên
Met de zypelende vloên
Van de zuivre gittebeeken,
105 Die uit bey de pitjes springen
Van het tintelendt gestarnt?
Dat in uwe voorhooft barnt:
Zoo begeef ik my te zingen
Van de grootste der Poëeten,
110 Die men ’t hooft met lauwren hult,
En zyn hals en borst verguldt
Met de schakelryke keten
Van de schranderste der Vranken.
Aartige Elizabet!
115 Weigert gy myn pen dit wedt?
Of moet ik noch langer janken?
Neen: hier helpt, hier helpt geen vleien:
Want het git is weêr verhardt;
Dies zal ik het zilte zwart
120 Uit myn droevig’ oogen schreien,
Om, nu my de lust komt dryven,
Ween ik my niet anders blindt,
By gebrek van bruinen int,
Myn verzoek aan u te schrijven. (r. 101-124)
Het verzoek en de argumentatie, in de regels 41-101 uitgebreid uiteen gezet, wordt in de regels 101-114 kort herhaald. Wanneer zij hem de gevraagde gunst verleent, zal hij een van de grootste poëten worden. Nogmaals smeekt hij haar in de regels 114 en 115, maar tevergeefs, zo lijkt het. Huilen (r. 116) of vleien (r. 117) helpt niet, dus zal hij, om dit verzoek te kunnen schrijven, zijn eigen tranen als inkt moeten gebruiken (r. 119-124). Deze pathetische verwoording draagt bij aan de kracht van de affectus.
Het petrarkistische concept, hoewel op speelse en originele wijze gebruikt, is duidelijk: Jan Vos stelt zich afhankelijk op van de mooie maar onbuigzame Elisabet. Zijn verlangen betreft echter niet haar wederliefde, maar haar toestemming om haar tranen als inkt te mogen gebruiken, oftewel: haar als zijn inspiratiebron te mogen gebruiken. Vos verheerlijkt de situatie zoals die zou kunnen zijn wanneer zij toe zou geven aan zijn verlangen, maar wordt uiteindelijk toch teleurgesteld. Het lijkt er bovendien op dat Vos, geheel tegen de conventies in, dit lofdicht gebruikt voor het uiteenzetten van zijn poëtica. We komen te weten dat Vos natura belangrijker vindt dan ars (r.50-51), het dichten belangrijker dan zijn beroep (r. 22 & 25) en het verwerven van roem en onsterfelijkheid het allerbelangrijkst (o.a. r. 26-29 & 37-40). Hij gebruikt de conventionele buitenkant dus voor een allesbehalve conventionele boodschap in een lofdicht. Vos toont zijn geleerdheid dus door te laten zien dat hij weet hoe het hoort, maar vooral door te laten zien dat hij dit op een eigen manier kan invullen. Gezien de eruditie van de familie Van Baerle ligt het voor de hand dat Vos zich van zijn beste kant wilde laten zien.
Samenvattend: dat Vos vertrouwd was met de familie Van Baerle blijkt al uit het begin van het gedicht, waar Vos de zusjes Van Baerle de revue laat passeren en blijk geeft van vertrouwdheid met hun woonplaats en de hobby van Josina. Bovendien is het gedicht van begin tot eind geschreven in de eerste persoon, hetgeen wil zeggen dat Vos in ieder geval persoonlijk aanwezig is en althans simuleert zijn persoonlijke gevoelens ten toon te sprei