Boudewijn VII Hapkin, een Witte Ridder uit de 12de eeuw, graaf van Vlaanderen (1111 - 1119). (Bram Brutsaert)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Deel III. Binnenlandse politiek van Boudewijn VII

 

            In het derde deel willen we de binnenlandse politiek van graaf Boudewijn VII bespreken. Deze graaf heeft een grote ijver aan de dag gelegd om het recht en de orde in zijn land te doen zegevieren. Vandaar dat we in een eerste hoofdstuk Boudewijn willen situeren in het algemene kader van de godsvrede in de 11de en de 12de eeuw, om daarna zijn rol in de godsvredebeweging van naderbij te onderzoeken. In de praktijk resulteerde zijn steun aan de godsvrede in een niets ontziend justitiebeleid, waarvan Herman van Doornik ons enkele straffe staaltjes laat zien. Hierna gaan we ons toeleggen op de concrete verwezenlijkingen van Boudewijn VII in zijn binnenlandse politiek. We bekijken zijn relatie met de adel, in casu het opstandige deel, namelijk de Zuid-Vlaamse leengraven die zich los willen maken uit het Vlaamse verband. Daarna werpen we een licht op zijn verhouding met de kerkelijke instanties van het land, om vervolgens te eindigen bij zijn stedenpolitiek. 

 

 

I. Boudewijn VII en de godsvrede

 

De geschiedenis heeft Boudewijn VII vooral onthouden als de graaf die met legendarische gestrengheid roofridders en afpersers bestreed, ongeacht hun rang of stand[233]. Zijn bekommernis om recht en vrede kwam ook tot uiting in de steun die hij verleende aan de godsvrede in zijn land. We schetsen eerst de algemene geschiedenis van de godsvrede en van haar invloed in Vlaanderen. Hiervoor konden we een aantal waardevolle artikels van Strubbe en Platelle raadplegen. De houding van de Vlaamse graven tegenover de godsvrede is vooral belicht in de studie van De Smet. Voor de inbreng van Boudewijn VII konden we gebruik maken van zijn akten en de werken van Herman van Doornik en Lambert van Sint-Omaars. We willen dit alles samenbrengen rond de figuur van Boudewijn VII en op een bevattelijke manier duidelijk maken wat de godsvredebeweging inhield en wat hierin zijn specifieke rol was. Hiervoor kunnen we zowel informatie vinden in de oorkondelijke als de verhalende bronnen, maar nog nooit werden al deze bronnen samengelegd.

 

I.1. De godsvredebeweging

 

            De godsvrede werd door alle graven uit de dynastie van Robrecht I hoog in het vaandel gedragen, behalve door de Fries zelf, die echter wel met krachtdadige hand zijn gezag vestigde in het graafschap. Hoewel Robrecht I zelf geen al te grote vriend van de Kerk genoemd kan worden, integendeel, geldt dat wel voor zijn opvolgers. Doordat zij echter dankbaar konden verder bouwen op de stevige machtsbasis die hun voorvader gelegd had, was de steun die zij toezegden aan de godsvrede des te waardevoller. Hiermee knoopten ze opnieuw aan bij hun voorgangers, Boudewijn IV en V die in hun tijd ook actief de godsvrede hielpen verspreiden in hun land. In het bondgenootschap tussen graaf en Kerk ter wille van de vrede heeft zich echter een machtsverschuiving voorgedaan ten gunste van de Vlaamse graaf. Maar vooraleer ons hierop te richten, moeten we eerst de godsvrede zelf toelichten.

Na de Karolingische Renaissance en de heropleving en versteviging van de koninklijke macht, begon deze spoedig daarna weer te desintegreren. De vele oorlogen die ontstonden tussen de feodale heren tijdens de post-Karolingische periode begonnen een grote bedreiging te vormen voor de sociale orde[234]. De feodale oorlogen van de heren waren een doorn in het oog van de vorsten en de Kerk. Ze tastten het gezag aan van de vorsten, want creëerden chaos en anarchie, schonden maar al te vaak de landgoederen en bezittingen van de Kerk en hadden zware gevolgen voor de gewone burgerbevolking. De kerkelijke prelaten zagen zich steeds vaker genoodzaakt om zelf op te komen voor het behoud van hun goederen en de bescherming van hun mensen[235]. Omdat ze voelden dat ze hiervoor niet meer konden rekenen op de wereldlijke vorsten, besloten ze zelf het initiatief tot de vredestichting te nemen.

Rond het jaar 1000 werden de eerste godsvredes gezworen in Aquitanië. De allereerste had plaats op het concilie van Charroux in 989[236] en op de bijeengebrachte relieken beloofden kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders, wereldlijke heren en edellieden door het zweren van een plechtige eed de godsvrede te zullen naleven. Spoedig zou dit voorbeeld in andere delen van Europa nagevolgd worden. In de ontwikkeling die aldus tot stand kwam, kon E. Strubbe een aantal fasen onderscheiden. De Aquitaanse vredes waren vooral gericht tegen de pesterijen van diegenen die zich boven de wet verheven waanden. Het kwam er op neer dat de kerkelijke bescherming ten gunste van geestelijken en kerkelijke eigendommen bevestigd werd en zelfs uitgebreid over andere zwakke bevolkingsgroepen zoals boeren en armen en hun bezittingen[237]. De boeren werden blijkbaar met de armen op één lijn gesteld en onder die laatsten werden ook de weduwen en wezen begrepen[238]

In de jaren twintig van de 11de eeuw ging men in Bourgondië een stap verder. In plaats van zich te beperken tot algemeenheden, werd de godsvrede vanaf nu specifiek gericht tegen de welig tierende private oorlogen, die zo kenmerkend waren voor de 11de eeuw[239]. Deze resoluut verbieden was onmogelijk, maar men probeerde de verwoestende gevolgen voor de bevolking zo veel mogelijk te beperken. Want dikwijls groeiden persoonlijke vetes uit tot regelrechte oorlogen doordat de kemphanen konden rekenen op de familiale solidariteit en zo werden al te vaak ook de dienaren en de horigen in de strijd betrokken. Om hieraan paal en perk te stellen poogde men in de godsvrede het lot van de horige los te koppelen van dat van zijn heer en dat door de horige te vrijwaren van de gevolgen van de private oorlog waarin zijn heer verwikkeld was. De bepalingen van de godsvrede bleven het gewoonterecht respecteren, maar niettemin probeerde men binnen de grenzen ervan de gewone bevolking een betere bescherming te bieden.

Bovendien voorzag deze vrede ook in een vorm van bescherming voor de ridders zelf. Zij kregen het recht om vanaf het begin van de vasten tot aan beloken Pasen de wapens neer te leggen en zich buiten de private oorlog te plaatsen waarin ze betrokken waren[240]. Zij die hierop ingingen, konden rekenen op de bescherming van de Kerk. De godsvrede verbood echter niet de gevechten tussen de partijen die hun strijd wel wilden verder zetten in deze periode. Toch hield deze Bourgondische godsvrede een grote vernieuwing in, daar ze iets verbood wat het gewoonterecht tot dan toe als geoorloofd had beschouwd, namelijk het aanvallen van ridders die tijdens de opgegeven periode de wapens neerlegden.

Deze nieuwe vrede werd voor het eerst afgekondigd op het concilie van het Bourgondische Verdun-sur-le-Doubs in 1023[241]. Vier bisschoppen uit de kerkprovincie Reims die op de plechtigheden van verschillende Bourgondische vredes aanwezig waren, raakten er zo van onder de indruk dat ze besloten de godsvrede ook in hun aartsbisdom af te kondigen[242]. Dat gebeurde voor het eerst in 1024 voor de duur van zes jaar en hiermee werd de godsvrede ook in het graafschap Vlaanderen geïntroduceerd. In 1030 liet graaf Boudewijn IV zijn ridders deze vrede hernieuwen op een plechtige vergadering te Oudenaarde, die wellicht ook diende ter afsluiting van de familietwist tussen Boudewijn IV en zijn zoon, de latere Boudewijn V[243]. Waarschijnlijk werd deze vrede een tweede keer vernieuwd in 1036[244].

In 1042 of 1043 deed een nieuw type van godsvrede zijn intrede, namelijk het godsbestand[245]. Grote bezieler was Drogo, bisschop van Terwaan, die hiervoor de steun kreeg van graaf Boudewijn V. Had men tot dan toe vooral gepoogd misbruiken in het kader van de private oorlogen te bestrijden, vanaf nu werd de private oorlog zelf rechtstreeks aangevallen. Het godsbestand zou gelden van woensdagavond tot maandagmorgen en op die manier werd de strijd beperkt tot de eerste drie dagen van de week. Bovendien werd het aantal religieuze feestperiodes, waarin de strijd gestaakt moest worden, uitgebreid, zodat de private oorlogen uiteindelijk slechts toegelaten waren op een honderdtal dagen, verspreid over het hele jaar[246]. Opnieuw moest het gewoonterecht dus wijken voor de geboden van de Kerk. Maar langzaamaan kreeg ook de graaf meer greep op de publieke orde en op de godsvrede.

 

I.2. De invloed van de Vlaamse graven

 

Na de diepe crisis in het grafelijke gezag die volgde op de dood van Arnulf I en de zwakke regering van Arnulf II, slaagden Boudewijn IV en Boudewijn V er in hun macht terug te versterken. Onder meer door de opkomende godsvredebeweging te steunen zoals we zagen. Boudewijn V slaagde er zelfs in om het godsbestand van 1042-1043 naar zijn hand te zetten. Opdat hij de vrede ten volle zou steunen, kreeg hij namelijk het alleenrecht op de oorlogsvoering in de periode dat het bestand gold[247]. Robrecht de Fries heeft wel sterk bijgedragen tot de versterking van de grafelijke macht, maar op grond van de bronnen, is zijn naam niet in verband te brengen met de godsvrede. Robrecht II daarentegen wel en ook hij verkreeg voor zijn medewerking aan de vrede van Soissons in 1093 enkele belangrijke toezeggingen van de bisschoppen. Burchten die zonder zijn toestemming opgetrokken waren, mocht hij ook tijdens het godsbestand innemen en verwoesten[248]. Het was hem eveneens toegestaan om in die periode zijn koning militair bij te staan en het land van zijn aartsvijand, de graaf van Henegouwen, binnen te vallen.

De vrede van Soissons uit 1093 zou om de zeven jaar hernieuwd worden. Dit gebeurde ten tijde van een klein concilie te Sint-Omaars in 1100, wellicht ook in 1107, gekoppeld aan het pauselijk concilie van Troyes en opnieuw te Sint-Omaars in 1114. Die laatste vond dus plaats onder de regering van Boudewijn VII en daar zullen we later op terugkomen. Dat de graaf van Vlaanderen erin slaagde belangrijke toegevingen van de bisschoppen te verkrijgen opdat hij de vrede zou steunen, had alles te maken met de bestraffing van de vredebraak. Aanvankelijk bestond die uit kerkelijke straffen, zoals de excommunicatie, maar omdat die al vlug hun effect verloren, werd de godsvrede steeds meer aan de grafelijke rechtspraak gekoppeld en in feite begonnen de grafelijke sancties de kerkelijke te overvleugelen[249].

In de historiografie is dan de vraag opgeworpen of de graven van Vlaanderen een eigen ‘pax comitis’ afgekondigd hebben. Het lijkt er op dat deze vraag zeker voor de 11de eeuw negatief moet worden beantwoord. In het begin van de 12de eeuw worden wel twee grafelijke vredes toegeschreven aan Vlaamse vorsten. De ene zou geproclameerd zijn op 27 mei 1111 door Robrecht II, de andere door Boudewijn VII, misschien nog in datzelfde jaar. Maar beiden hebben de historische kritiek niet doorstaan en De Smet spreekt zelfs resoluut van ‘grafelijke schijnvredes’[250]. De grafelijke vrede van Robrecht II waar historici van Warnköning tot Vercauteren geloof aan hebben gehecht, is toe te schrijven aan een chronologische fout in de kroniek van Meyerus[251]. De eigenlijke inhoud is wel historisch en is afkomstig uit het Liber Floridus, maar het gaat hier echter om de toezeggingen die aan de graaf gedaan zijn in verband met de godsvrede van Soissons in 1093.

De bewering van Meyerus, of die van zijn bron, steunt onrechtstreeks op de oorkonden van 29 mei en 1 juni 1114, uitgevaardigd door Boudewijn VII te Sint-Omaars, waarin er sprake is van een vredeseed, die drie dagen vóór 1 juni was afgelegd. De kroniekschrijver kon er dus uit opmaken dat de precieze datum “anno MCXIIII IIII kal. Junii” was. Tijdens het verjongen van de Romeinse cijfers veranderde dit in “anno MCXIV IV kal. Junii”, maar door een verkeerde scheiding werd er gelezen: “anno MCXI VI kal. Junii”, waarbij één “V” wegviel[252]. Omdat de tekst vanaf dan in 1111 geplaatst werd, moest ook de naam van de graaf aangepast worden, zo gaat De Smet verder in zijn analyse. De Boudewijn die de akte uitgaf, werd echter niet volledig weggelaten. Er werd immers herinnerd aan Boudewijn V en zijn vrede: “ab Balduino pio antea factane”. De Smet zit wellicht dicht bij de waarheid en bovendien zijn vijf van de getuigen die Meyerus citeert ook terug te vinden in de oorkonde van 29 mei 1114, zo schrijft hij nog. 

 

I.3. Boudewijn VII en de vredesbeweging

 

Ook van Boudewijn VII wordt beweerd dat hij een grafelijke vrede heeft afgekondigd. In het begin van zijn regering zou hij namelijk de vrede die zijn vader in 1111 liet zweren, hernieuwd hebben[253]. Als bewijs hiervoor konden historici op een passage uit de kroniek van Herman van Doornik wijzen en daarnaast zou ook een fragment uit een akte van Boudewijn VII deze stelling moeten ondersteunen. De tekst van dit fragment werd ons overgeleverd via de kronieken van d’Oudegherst, Marchantius en Locrius[254] en bestaat enkel uit de volgende bepalingen:

 

- “Nemo alterius aedes noctu insiliat.”

- “Nemo ignem iniiciat aut minetur qui secus fecerit morte punitor.”

- “Cuncti armis ferendis abstinento praeter bailivos arcium custodes similes que

    principis officiarios.”

- “Vulnera caedes que poena talionis compensantor nisi necessitas inculpatae tutelae

    facinus eleuet quam reus criminis probare cogebatur duello aut aquae igniti que

    ferri purgatione.”

 

Vertaald komt het hierop neer:

 

- “Niemand dringt bij nacht het huis van een ander binnen.”

- “Niemand sticht brand of uit bedreigingen; anders wordt degene die dit doet, 

    gestraft met de dood.”

- “Men moet zich onthouden van het dragen van elk wapen, tenzij baljuws, bewakers

    van burchten en vergelijkbare ambtenaren van de prins.” 

            - “Wonden en moorden worden vergoed met de wedervergeldingsstraf, tenzij de

                noodzakelijkheid tot onberispelijke bescherming de misdaad vergoelijkt, wat de

                dader van het misdrijf wordt gedwongen te bewijzen ofwel met het duel ofwel met

                de water- of vuurproef.”

 

Er wordt echter al lang getwijfeld aan de echtheid van dit fragment. Locrius verwijst naar Marchantius. Maar deze noch d’Oudegherst vermelden op welke bron ze zich voor deze wettekst baseren. Warnköning vraagt zich al in de 19de eeuw af of de Latijnse tekst van Marchantius de bepalingen van de originele akte exact weergaven en ook Vercauteren heeft zijn twijfels[255]. Hij acht het goed mogelijk dat d’Oudegherst en Marchantius slechts enkele wetsbepalingen hebben overgenomen uit een jonger document en deze toeschreven aan Boudewijn VII[256]. Strubbe is resoluut van oordeel dat er geen geloof mag gehecht worden aan deze grafelijke vrede[257]. Volgens hem komen de bepalingen wel zeker uit een jonger document, dat echter verloren is gegaan. Bovendien maakten de vermeldingen van “bailivos” en “officiarios” de tekst voor hem meer dan verdacht.

Meyerus schrijft in zijn Commentarii uit 1561 enkel dat Boudewijn VII na zijn troonsbestijging de Vlaamse edelen gedwongen had een vrede te zweren[258]. Hiervoor baseerde hij zich zonder twijfel op het relaas van Herman van Doornik. Laten we ons dan eens buigen over deze verhalende bron. Deze tijdgenoot van Boudewijn VII tekende de volgende tekst op in zijn kroniek: “Quid ergo dicam de Balduino? Cujus animi etiam in tenera aetate fuerit? Recedente Rege, Optimates suos vocavit, pacem se velle tenere insinuavit, utque se inde adjuvarent rogavit, et si quis eam prius violaret, justitiam se de eo facturum praedixit; nullum tamen eorum pacem jurare coegit. Principes pacem se servaturos promiserunt, sicque soluta est curia, plurimis dicentibus per talem puerum non facile pacem posse fieri, quoniam nullus eum timeret.”[259]

Van aan het begin van zijn aantreden liet Boudewijn VII dus merken dat er met hem, ondanks zijn jeugdige leeftijd, niet te spotten viel. Kort nadat hij manschap had afgelegd in de handen van koning Lodewijk VI en deze naar Frankrijk was teruggekeerd, riep hij de groten van zijn land samen en liet hen weten dat hij de vrede wilde bewaren. “Hij vroeg zijn edelen om hem bij te staan in deze vrede en hij waarschuwde hen dat om het even wie de eerste was die deze vrede zou breken, hij zijn straf hiervoor niet zou ontlopen. Niemand onder hen maakte echter aanstalten om te zweren de vrede te zullen bewaren. Ze beloofden enkel dat ze hem gingen naleven. Daarna werd de curia ontbonden, terwijl velen zeiden dat de vrede slechts met de grootste moeite bewaard zou kunnen worden door zo een kind, want niemand was bang van hem.”[260] Tot zover het verhaal van Herman van Doornik.

Het komt er dus op neer dat de Vlaamse edelen beloofden dat ze de vrede zouden naleven, maar niet dat ze zouden helpen om de vrede ook effectief te bewaren. De wetten van de graaf wilden ze nog gehoorzamen, maar ze weigerden tussen te komen wanneer anderen de vrede hadden gebroken. Vanwaar die weigering om op te treden bij vredebraak? Enerzijds waren de edelen ervan overtuigd dat de vrede toch niet gehandhaafd kon worden omdat de jonge graaf daarvoor noch het gezag of de bestuurservaring had. Anderzijds wilden ze niet betrokken raken in een tevergeefse poging om de overtreders te bestraffen en zich zo de wraak van hun verwanten op de hals te halen, waardoor ze in een spiraal van geweld zouden terechtkomen omdat de jonge graaf volgens hen, zoals gezegd, niet de macht had om tussen te komen[261].

Herman van Doornik illustreert nadien hoe Boudewijn VII al na ongeveer twee maanden kreeg af te rekenen met roofridders en edelen die weigerden de vrede te respecteren. Maar gaat het hier om een echte ‘pax comitis’? De Smet noch Strubbe spreken zich echter uit over deze passage. Platelle vermeldt ze wel, maar hij spreekt slechts over “la paix”[262]. De passage kan inderdaad niet bewijzen dat Boudewijn VII een echte grafelijke vrede heeft afgekondigd. Hij wil enkel de bestaande vrede bewaren en vraagt aan zijn edelen hetzelfde te doen. De Chronicon Sancti Andreae spreekt slechts over het bewaren van de rust in het land: Balduino…cultor fuerit iustitiae et pacis, adeo ut pro conservanda quiete patriae…”[263]. Zoals aangetoond laat ook de diplomatiek niet toe over een ‘pax comitis’ te spreken.

Herman van Doornik geeft geen precieze datering van de bijeenkomst ten voordele van de vrede, enkel dat ze plaatsvond nadat de koning terug vertrokken was na de aanstelling van Boudewijn VII. Ongeveer twee maanden later moest Boudewijn al een eerste keer tussenkomen en Herman vermeldt nog twee dergelijke feiten. Daarna beschrijft hij de veldtochten van de graaf naar Normandië, die in 1117 en 1118 gedateerd moeten worden[264]. Het enige waarover we zekerheid hebben, is dus dat Boudewijn VII de vrede wilde bewaren en dat ook kenbaar heeft gemaakt tussen 1111 en 1117.

Misschien kunnen we dit in verband brengen met de godsvrede die in 1114 te Sint-Omaars werd hernieuwd, in aanwezigheid van de graaf. Vier bronnen getuigen van deze hernieuwing, namelijk twee oorkonden van Boudewijn VII en twee vermeldingen in de Liber Floridus van Lambertus van Sint-Omaars[265]. Het gaat hier om één van de hernieuwingen van de vrede van Soissons uit 1093. In de oorkonden wordt slechts in de marge van enkele grondruilen en -schenkingen door de graaf melding gemaakt van deze godsvrede. In de akte van 29 mei 1114, opgesteld te Sint-Omaars ten voordele van de Sint-Bertijnsabdij, vinden we de volgende mededeling: “ea scilicet die qua ab ipso comite cunctisque proceribus Flandrie, pax confirmata est sacramentis”[266].

De tweede akte is eigenlijk een bevestiging van een grondschenking, door de graaf verricht op 1 juni 1114 te Sint-Omaars ten voordele van de abdij van Waten. Wellicht maakten de monniken gebruik van de aanwezigheid van de graaf in Waten op 27 december 1114 om de schenking die hij deed nog eens plechtig door hem te laten bevestigen op het altaar[267]. Vervolgens werd deze confirmatie ook schriftelijk toegevoegd aan het oorspronkelijke document, hetzij onderaan als er nog plaats vrij was, hetzij op de achterkant. De datering van de eerste actio wordt nader toegelicht met het volgende: “die tercia post confirmatam pacem”[268]. In beide akten wordt dus verwezen naar de hernieuwing van de vrede op 27 mei 1114. Uit het verloop van de oorkonde van 29 mei kon De Smet opmaken dat dit niet gebeurde tijdens de zitting van de grafelijke curia, maar wel op een religieuze plechtigheid op dezelfde dag. Indien deze plechtigheid tijdens de zitting van de curia had plaatsgehad, dan stond er niet: “in solemni curia…ea scilicet die qua…”, maar wel: “in solemni curia…in qua…”[269].

De godsvrede werd dus niet in een grafelijke curia-zitting beëdigd en dus kunnen we ook niet spreken van een ‘pax comitis’. Het zijn wel de graaf en zijn ‘proceres’ die de eed afleggen, niet de bisschoppen. Deze zijn de afkondigers en leggen al sinds de vrede van Drogo de eed niet meer zelf af, ze ontvangen de eed van de anderen[270]. Het ligt voor de hand dat modaliteiten van de plechtigheid in overleg met de graaf geschikt werden en dat hij zijn edelen opriep en hen verzocht de eed met hem af te leggen. Maar als kerkelijke wet bindt de godsvrede de graaf, zoals ze de andere christenen bindt[271].

In zijn Liber Floridus nam Lambertus van Sint-Omaars een korte tekst op die hij zijn studenten voorlegde als oefening bij de studie van de chronologie: “In het jaar 1114 werd te Sint-Omaars door de bisschoppen Jan en Lambertus en door graaf Boudewijn de vrede hernieuwd” is het enige wat we leren uit deze tekst[272]. Het gaat hier om de bisschoppen Jan van Terwaan en Lambertus van Noyon-Doornik op de vredesbeëdiging werden zij bijgestaan door de aartsdiakens van Kamerijk en Atrecht[273]. Lambert van Sint-Omaars herinnerde een tweede maal aan deze vrede in zijn Annalen van Sint-Omaars: “M.C.XIIII. Pax confirmata ubique”. Wat bedoelde Lambert precies met dit “ubique”? Werd de vrede overal in Vlaanderen hernieuwd of overal in de kerkprovincie Reims? De Smet is overtuigd van het tweede. 

De bisschop van Noyon-Doornik kon toch moeilijk in zijn ene bisdom de vrede wel opleggen en in zijn tweede bisdom niet. Bovendien was de godsvrede een provinciale wetgeving die in alle bisdommen op hetzelfde moment van kracht werd en op hetzelfde moment hernieuwd werd. In één van de oudste stadskeuren van Valenciennes, in 1114 uitgereikt door graaf Boudewijn III van Henegouwen en zijn gemalin Yolanda, vond De Smet wel 36 maal het woord “pax”, naast termen die duidelijk ontleend waren aan de godsvrede[274]. We kunnen hieruit besluiten dat de godsvredeterminologie in 1114 ook buiten Vlaanderen gebruikt werd en dat het dus zeer waarschijnlijk is dat de godsvrede in dat jaar in de gehele kerkprovincie Reims geconfirmeerd werd. In Vlaanderen ging deze plechtigheid door in aanwezigheid van de regerende vorst, graaf Boudewijn VII. 

Boudewijns steun aan de godsvredebeweging verklaard zich vanuit het feit dat de graven van Vlaanderen er constant naar streefden om hun macht en gezag zo stevig mogelijk te funderen. In de eerste plaats wilden ze komaf maken met de vele private oorlogen die onder de lokale adel uitbraken en vooral een bedreiging vormden voor het gezag van de graaf, maar ook voor de stabiliteit van het land en dus voor de handel en de economie[275]. De vorst probeerde dan ook het alleenrecht op de oorlogvoering te verwerven. Concreet vertaalde zich dat in een rigoureus strafrechtbeleid dat vooral gericht was tegen de private oorlogen en de oproerige adel. 

 

Besluit

 

We hebben dus eerst het algemene kader van de godsvrede geschetst en de bijdrage van de Vlaamse graven hieraan. Daarna richtten we ons op de specifieke rol van Boudewijn VII. Het is gebleken dat er geen oorkondelijk bewijs is dat hij in 1111 een eigen vrede afkondigde. We beschikken wel over een passage van Herman van Doornik waarin Boudewijn VII verklaart zich voluit achter de vrede te scharen. Voor het feit dat hij zelf een grafelijke vrede afkondigde hebben we geen overtuigend bewijs gevonden. Maar we brachten het verhaal van Herman van Doornik in verband brengen met de plechtigheid in 1114, waarin Boudewijn VII officieel zijn steun aan de godsvrede toezegde. De motieven die hem daartoe hebben aangezet zullen we moeten zoeken in het streven van de Vlaamse graven naar het monopolie op de oorlogsvoering en het handhaven van recht en orde in hun graafschap om de handel en economie alle kansen te geven. 

 

 

II. Het justitiebeleid van Boudewijn VII

 

            De steun van Boudewijn VII aan de godsvrede heeft zich concreet vertaald in een streng justitiebeleid. In zijn werk geeft Herman van Doornik daarvan een drie voorbeelden. We gaan deze drie verhalen één voor één weergeven en bespreken. Daarna willen we via de drie vermelde anekdotes dieper ingaan op het strafrechtbeleid van Boudewijn VII. Hiervoor konden we dankbaar gebruik maken van de studies van Van Caenegem over het strafrecht en strafprocesrecht in Vlaanderen. Ten slotte gaan we op zoek naar het waarom van deze grafelijke bloedrechtspraak. Is er bijvoorbeeld een evolutie merkbaar tussen de vroegere graven en Boudewijn VII? En wat waren de echte motieven van de graven om de godsvrede te steunen?

 

II.1. De verhalen van Herman van Doornik

 

Dat Boudewijn VII tot op de dag van vandaag vooral geassocieerd wordt met zijn strenge, maar rechtvaardige bloedrechtspraak, heeft hij in de eerste plaats te danken aan de geschriften van zijn tijdgenoot Herman van Doornik. Deze geestelijke auteur bewaarde voor ons enkele legendarische verhalen die de moed en de hardnekkigheid waarmee Boudewijn de roofridders en schurken in zijn land bestreed, moesten illustreren. De historische overlevering heeft deze verhalen vaak naverteld en bijgekleurd, opdat de namen van de protagonisten en de plaats en datum van elk feit niet onverborgen zouden blijven in de nevelen van de geschiedenis. Grote omzichtigheid is dus geboden bij het lezen en analyseren van deze legendarische gebeurtenissen die graaf Boudewijn VII een gouden aureool van krachtdadig optreden en volgehouden inzet voor de vrede hebben opgeleverd.

Niettemin wil ik toch de oorspronkelijke verhalen van Herman van Doornik vergelijken met hun bijgekleurde versies in de Cronijcke van Nicolaes Despars. Deze poorter en stadsambtenaar van Brugge (1522-1597) schreef zijn kroniek tussen 1562 en 1592 en bundelde op een persoonlijke en artistieke manier de geschiedenis van het graafschap Vlaanderen[276]. Hij ontleende veel aan vroegere kronieken en zijn werk werd nadien vaak afgeschreven. Zijn kroniek is één van de bekendste Nederlandstalige geschiedeniswerken over het graafschap Vlaanderen en geeft een mooi overzicht van de vele legendarische verhalen die zich rond het Vlaamse gravenhuis gesponnen hebben. Daarnaast bekijk ik ook de relevante passages in de Kronyk van Vlaenderen, dit is een in het Nederlands bewerkte vertaling van de Flandria generosa C vanaf 580 en vervolgd tot 1440[277]. Het werk werd geschreven tussen 1440 en 1452 en werd vroeger foutief toegeschreven aan Jan van Diksmuide, maar helaas weten we niet wie de echte auteur was.

Hoewel de feiten en namen die hij geeft boven op hetgeen Herman van Doornik ons weet te vertellen, hoogstwaarschijnlijk geen eigenlijke historische waarde hebben, zijn ze wel belangrijk als we willen illustreren hoe graaf Boudewijn VII in de historiografie en de volkscultuur heeft verder geleefd. Zo krijgen we een idee van de indruk die hij gemaakt heeft op latere historiografen en van de volkscultuur die zich rond zijn persoon geweven heeft.  

 

II.1.1. Een ridder wordt levend gekookt

 

Dat volgens Herman van Doornik vele edelen ervan overtuigd waren dat het voor deze zo jeugdige graaf zeer moeilijk zou worden om de vrede in zijn graafschap te verdedigen, hebben we hiervoor al uiteen gezet. Maar algauw moesten ze hun mening bijstellen. Amper twee maanden na zijn oproep tot het bewaren van de vrede, moest graaf Boudewijn al gewapenderhand optreden tegen een roofridder. “Een arm vrouwtje werd door een dief beroofd van twee koeien. Ze maakte luid haar beklag tegenover de graaf en toonde hem waar de boosdoener die nacht zou blijven slapen. De jonge graaf nam hem onmiddellijk gevangen en liet hem overbrengen naar Brugge. Toen iedereen hem smeekte om de ridder niet op te laten hangen of zijn ogen uit te laten steken, antwoordde hij dat hij geen van de twee zou doen. Hij beval onmiddellijk dat er een groot koperen vat, wat in de volksmond een kom of een ketel genoemd wordt, hoog op de markt zou gehangen worden, in het zicht van iedereen, en dat het zou gevuld worden met water. Daaronder werd een groot vuur gestookt en toen het water kookte, liet hij de ridder, helemaal gekleed en nog omgord met zijn zwaard, in de ketel gooien. Hij doodde hem in kokend water. Iedereen was onmiddellijk geslagen door zo een angst dat vanaf toen niemand in geheel Vlaanderen durfde om nog iets te stelen.”[278]   

            Doorheen de historiografische overlevering[279] werd het verhaal nogal wat aangedikt. Zo komen we van de hoofdpersonen meer te weten dan wat Herman van Doornik ons verteld. Het arme vrouwtje zou een weduwe geweest zijn, de stelende ridder wordt geïdentificeerd als de zoon van de heer van Oostkamp en meestal aangeduid als de jonkheer van Oostkamp en er komt ten slotte ook een verver bij kijken. De graaf ontmoette de vrouw op de Dijver in Brugge en kreeg daar van haar te horen dat zij haar koeien op de markt verkocht aan de jonkheer van Oostkamp, maar dat deze er niet voor betaalde en dit ook later weigerde. Daardoor had ze niet genoeg geld om haar heer te betalen aan wie ze een pacht van 15 royalen volgens de enen, 18 royalen volgens de anderen, schuldig was. Ze belandde in de gevangenis en moest al haar bezit verkopen om weer vrij te mogen komen. Geen wonder dat ze zo kwaad was op de jonkheer van Oostkamp.

Toen de graaf dit hoorde, beloofde hij dat recht zou geschieden. Hij beval de jonkheer onmiddellijk naar hem toe te komen in Brugge en zelf ging hij bij een verver binnen en vroeg hem om zijn verversketel te verwarmen. Sommigen verhalen dat hij in plaats van de verver te bezoeken, ondertussen nog twee valsmunters moest berechten. Toen hij erin slaagde hen te doen bekennen, kwam de jonkheer van Oostkamp aangereden. Ook hem legde hij op de rooster en het werd voor iedereen duidelijk dat deze er nooit aan had gedacht om de weduwe te betalen voor haar koeien. Uiteindelijk liet Boudewijn de roofridder als straf nog gelaarsd en gespoord in de ziedende ketel werpen. Ook de valsmunters ondergingen hetzelfde lot in het verhaal waar zij ter sprake komen. Daarna werden ze nog naar de galg gevoerd, maar het lijk van de roofridder mocht niet uit de verfketel gehaald worden vooraleer zijn vrienden en familieleden de weduwe hadden vergoed voor haar koeien en de schade die zij daarna had geleden.

 

II.1.2. Een oud vrouwtje wordt gehoord

 

Herman van Doornik schreef nog een tweede voorbeeld op van Boudewijns barmhartigheid. “Op een zekere dag betrad de graaf de kerk van de Sint-Pietersabdij in Gent om er de vespers te horen, toen een arm vrouwtje plots begon te jammeren dat iemand haar koe had gestolen. Toen de graaf haar vriendelijk vroeg om op hem te wachten aan de poort tot hij de vespers had gehoord, zei ze dat ze geen andere kans zou krijgen om met hem te praten omwille van de menigte ridders en edelen die rond hem zouden staan. Onmiddellijk nam hij zijn mantel af en gaf het aan haar, terwijl hij zei dat ze het voor hem moest bewaren tot na de vespers. Toen de vespers gedaan waren en de nobelen zich rond hem verzamelden, omdat ze met de graaf over andere zaken wilden praten, zwoor hij dat hij met niemand zou praten vooraleer het arme vrouwtje haar koe zou terugkrijgen. En zo voldeed hij aan haar smeekbede en werd duizendmaal gezegend door haar.”[280]

            Het verhaal over de arme vrouw uit Gent werd later niet overgenomen in de meeste andere kronieken. In de plaats daarvan werd het wedervaren van een Gentse ridder beschreven. Het lijkt er op dat de latere chroniqueurs[281] het oorspronkelijke verhaal als het ware van uit het tegenovergestelde standpunt hebben opgeschreven. Niet het slachtoffer speelt de hoofdrol in het herwerkte verhaal, maar wel de nobele dwingeland. Het arme vrouwtje was blijkbaar maar één van de vele slachtoffers van deze lafhartige ridder uit Gent. Althans als we ervan uitgaan dat het eerste en tweede verhaal de beide zijden vormen van één en dezelfde medaille.

            Toen Boudewijn VII op rondreis was in zijn graafschap en toekwam in Gent, kreeg hij daar van verschillende personen klachten over een ridder die er in de omgeving woonde. Deze dwingeland nam met geweld vette varkens en dikke kalveren van zijn horigen en pachters af, terwijl hij weigerde ervoor te betalen. De graaf liet de afperser arresteren en onthoofden. Daarna werd het lijk met een koord onder de oksels aan de galg opgehangen. Bovendien beval de graaf aan de erfgenamen van de terechtgestelde ridder om diens slachtoffers te vergoeden en genoegdoening te schenken. Indien zij hieraan niet voldeden, zou de nalatenschap van de ridder geconfisqueerd worden volgens de enen, of nog erger, zouden de erfgenamen zelf aan de galg eindigen volgens de anderen[282].    

            Hebben het verhaal van het oude vrouwtje en dat van de onthoofde ridder betrekking op één en dezelfde onrechtvaardige situatie? Dat weten we niet, maar het is goed mogelijk. Herman van Doornik staat aan het begin van de historiografische traditie om aan Boudewijn VII enkele legendarische krachtdaden ter bevordering van vrede en rechtvaardigheid toe te schrijven. Dit illustreert hij met drie verhalen die we hier in chronologische volgorde behandelen. Het derde gaat over tien roofridders en het eerste beschrijft hoe een ridder in een kokende ketel ter dood gebracht wordt. Beide zijn goed bekend en veelvuldig naverteld. Maar het tweede verhaal over het arme vrouwtje en de grafelijke mantel is dat veel minder en eigenlijk bijna overal vervangen door dat van de onthoofde dwingeland.

Ook intern zien we enkele parallellen. Beide verhalen spelen zich af in Gent, gaan over gestolen koeien en over nobelen die eerst aan enkele voorwaarden moeten voldoen om terug in hun voorrechten hersteld te worden. In het eerste geval betreft het de edelen die zich rond de graaf verzamelen en met hem enkele zaken willen regelen, maar er eerst voor moeten zorgen dat het vrouwtje haar koe terugkrijgt, vooraleer de graaf met hen wil praten. In het tweede geval zijn het de nobele erfgenamen van een afpersende ridder die diens slachtoffers schadeloos moeten stellen, vooraleer ze diens erfenis in handen kunnen krijgen.

Eigenlijk kunnen we zonder veel aanpassingen de beide verhalen in elkaar schuiven. Tijdens zijn rondreis door Vlaanderen, stapt de graaf af in Gent en wil hij er de vespers in de Sint-Pietersabdij bijwonen. Daar hoort hij het gejammer van een oud vrouwtje aan wie hij zijn mantel in bewaring geeft. Na de vespers weigert de graaf met zijn edelen te spreken vooraleer recht is geschied in de zaak van het oude vrouwtje tegen de roofridder. Hij ontvangt nog andere klachten over de roofridder en besluit hem te arresteren. Wellicht na een proces wordt de ridder ter dood veroordeeld en onthoofd. Daarna wordt zijn lichaam nog aan de onterende galg gehangen. Pas nadat ze zijn slachtoffers vergoed hebben, krijgen de erfgenamen van de ridder diens nalatenschap of nog erger, kunnen ze zelf de dood aan de galg ontlopen.

 

II.1.3. Negen ridders hangen elkaar en de laatste hangt zichzelf

 

Het derde en langste verhaal waarmee Herman van Doornik de rechtvaardige en krachtdadige inborst van graaf Boudewijn VII illustreert, handelt over tien roofridders. ”Elk jaar op het feest van Sint-Jan werd zoals gewoonlijk een grote markt georganiseerd in het dorp Torhout. Men vertelt het volgende verhaal over de graaf. Tien ridders, die vertrouwd werden door hun verwanten, stolen iets uit de bagage van een handelaar die op weg was naar de markt. De graaf trok er onmiddellijk op uit, nam hen gevangen en sloot hen op in een huis. Hun families waren erg bevreesd en gingen vlug naar de graaf om zijn genade af te smeken. Ze beloofden hem om het even hoeveel te betalen in geld of paarden zolang hij hen maar niet ophing. Hij deed alsof hij tevreden was met de prijzen die betaald zouden worden voor hen en vroeg hun families dat ze een tijdje zouden wachten, totdat hij het huis was binnengegaan en gesproken had met de beschuldigden, en dan naar hen terug zou keren.

Dit gezegd zijnde, ging hij onmiddellijk met enkele mannen het huis binnen. Hij gaf het bevel om de gevangenen op te hangen binnenin het huis. Maar zijn mannen vroegen hem hen te verontschuldigen en niet te dwingen zich de eeuwige woede van de verdachten op de hals te halen. Hij liet hen vertrekken. Hij raadde de gevangenen aan dat wie wilde ontkomen zijn medestander moest ophangen. Op die manier werden er negen van hen opgeknoopt en de graaf beval de overblijvende man om een touw over een balk te gooien, op een stoel te gaan staan en met een touw een strop rond zijn nek te leggen. Toen hij dit gedaan had, duwde de graaf met zijn voeten de stoel weg en liet de man twee ellen boven de grond hangen. En zo ging hij met zijn mannen weg uit het huis en terug naar de smekende families van de gevangenen. “Zo,” zei hij, “ga naar binnen en breng ze naar buiten en wanneer je ze naar buiten hebt gebracht, waarschuw ze dan niets meer te stelen waar dan ook in mijn land”. Toen hij dit had gezegd, besteeg hij onmiddellijk zijn paard en verliet de plaats.”[283]

Zoals gewoonlijk heeft de traditie dit verhaal opgesmukt en verfraaid met meer concrete namen en feiten. De latere auteurs[284] plaatsten heer Hendrik van Kallo aan het hoofd van de roofridders en voegden er nog een gevolg van enkele knapen en schildknapen aan toe. Anderen spreken over een gezelschap van enkele edele heren, waarvan ridder Hendrik, heer van Kallo, de belangrijkste was. Hun slachtoffers waren drie ‘Oosterlingen’, Duitse kooplieden, die samen met enkele gezellen en dienaren op weg waren naar de jaarmarkt in Torhout. Ze overnachtten in de herberg ‘De Slotel’, gelegen in de Steenstraat te Brugge. In diezelfde herberg logeerden ook Hendrik van Kallo en zijn gezelschap, die er grote sier maakten. De Oosterlingen wilden ’s avonds in Torhout aankomen en stuurden twee van hun dienaren voorop om er in een herberg enkele bedden en een maaltijd te reserveren. Ook Hendrik van Kallo vroeg aan de dienaren om voor hem en zijn gezelschap een maaltijd te regelen, aangezien ze ’s avonds eveneens in Torhout moesten zijn. Ondertussen smeten de koopmannen zich in de drank samen met de edellieden.

Rond twee uur in de middag maakten ze zich gereed om te vertrekken en vroegen aan de waard hun waardevol bezit terug die ze hem in bewaring hadden gegeven, namelijk een beurs en een tas met geld en een lederen koffertje met edelstenen. Hendrik van Kallo had dit gezien en besloot de Oosterlingen, die slechts vergezeld waren door één knecht, te achtervolgen. Bij het bos Ter Leepe konden ze de kooplui overmeesteren en vermoorden. De lijken werden in het bos gesleept, de paarden liet Hendrik door één van zijn knapen naar zijn kasteel in Kallo brengen en de rijke buit werd in beslag genomen. Maar de kooplui hadden ook een hond mee die de slagpartij overleefde en bleef staan blaffen en huilen bij de lijken van zijn meesters. De lichamen van de vermoorde Oosterlingen werden al vlug ontdekt en graaf Boudewijn, die toen verbleef op zijn burcht te Wijnendale, werd op de hoogte gesteld. Onmiddellijk trok hij uit op onderzoek.

De graaf ondervroeg de dienaren van de Duitse handelaars en kwam te weten welke kostbaarheden zij met zich meedroegen. De verdenking rustte al gauw op de ridders die de kooplui nog kort voordien ontmoet hadden en nu logeerden in dezelfde herberg in Torhout als de dienaren. De graaf bezocht met enkele van zijn mannen deze herberg en vroeg de waard of hij volk had en deze antwoordde dat hij elf of twaalf ridders en schildknapen onderdak gaf en nog drie Oosterlingen verwachtte, voor wie de dienaren een ruime kamer en een maaltijd hadden gevraagd. Daarop vroeg de graaf of het ridderlijke gezelschap hem niks in bewaring had gegeven en de waard haalde toen de beurs en tas met geld en het lederen koffertje met edelstenen boven.

Hiermee wist de graaf genoeg en hij liet Hendrik van Kallo en diens gevolg arresteren. Ze werden overgebracht naar zijn kasteel in Wijnendale en daar veroordeeld tot ophanging. Ze smeekten de graaf echter om genade aangezien ze bijna allemaal ridders waren. Hij antwoordde dat degene onder hen die zijn medestanders zou opknopen hiermee zelf zijn vrijheid terug zou krijgen. Ze hadden gehoopt om slechts uit het graafschap gebannen te worden vanwege hun edele geboorte, maar weigerden akkoord te gaan met de voorwaarde van de graaf aangezien niemand onder hen ‘hangman’ wilde zijn. Daarop besliste de graaf dat de knapen en pages gratie zouden krijgen, maar dat de elf ridders gehangen zouden worden. Hij gebood hen op een hoge tafel te gaan staan, een touw over de balk te gooien en een strop rond hun nek te leggen. Daarop trok de graaf zelf de schragen van de tafel weg zodat de ridders in de lucht bleven hangen en stikten. Hun lijken werden daarna op vraag van de betrokken families en vrienden vlug begraven en de kostbaarheden die ze gestolen en geroofd hadden, werden eerlijk verdeeld onder de rechthebbenden.

 

II.2. De verhalen onder de historische loep

 

II.2.1. Echtheidskritiek

 

Zijn deze drie opmerkelijke anekdotes van Herman van Doornik waar? Dat valt natuurlijk moeilijk te zeggen. De verhalen zijn later veelvuldig overgenomen en naverteld door chroniqueurs en historici, maar er zijn slechts weinig gegevens die ons kunnen bevestigen of deze verhalen een grond van waarheid bevatten. Wel vermeldt de schrijver van het Chronicon Sancti Andreae dat Boudewijn een ridder liet koken in een ketel te Brugge omwille van één enkele diefstal[285]. Hij noemt die straf zelfs een “inaudita et miserabili morte”. Deze auteur schreef rond 1133[286] en was dus een tijdgenoot van Herman van Doornik. Zelf schreef Herman van Doornik omstreeks 1146. We beschikken dus over twee zeer vroege vermeldingen van het verhaal over de ridder die gekookt werd. Blijkbaar moet er toch iets van aan zijn. Deze zeer wrede straf heeft voor heel wat ophef gezorgd en is dan ook doorverteld zodat chroniqueurs hem konden neerpennen. Ook Van Caenegem laat in zijn werk over het strafrecht in Vlaanderen niet blijken dat hij twijfelt aan de echtheid van dit voorval en schrijft ze toe aan de morbide fantasie van graaf Boudewijn[287].

De andere verhalen worden niet vermeld in het Chronicon S. Andreae. De auteur geeft enkel nog mee dat zelfs een oproerige menigte volk en vele tranen de graaf niet konden temperen in zijn strenge bestraffing van misdadigers. Het belangrijkste en telkens terugkerende element in al de verhalen is natuurlijk de terreur die de graaf uitoefende. Het was echter geen blinde terreur, wel een zeer strenge, maar rechtvaardige bloedrechtspraak. We zullen op het einde van dit hoofdstuk hierop terugkomen. In ieder geval kunnen we dus zeker zijn dat graaf Boudewijn VII met alle mogelijke middelen zijn vrede wilde verdedigen en dat hij hiervoor ook zeer wrede doodstraffen niet ontzag, noch de edele stand van sommige boosdoeners. En de kans is groot dat Boudewijn inderdaad eens een ketel water aan de kook heeft laten brengen met de gekende gevolgen.

 

II.2.2. Boudewijn VII en de feodale spelregels

 

Uit de verhalen blijkt dat Boudewijn VII ondanks zijn jeugdigheid zeer slim en sluw te werk ging. Handig slaagde hij er in om te ontkomen aan de feodale spelregel in verband met woordbreuk en bloedwraak.

Hij beloofde aan de smekende familie van de ridder uit het eerste verhaal dat hij de beschuldigde noch ging laten ophangen, noch de ogen uitsteken. Hij kwam zijn belofte na, want hij liet de ridder koken! Ook in het verhaal over de tien roofridders brak hij zijn belofte niet. De families van de beklaagden hadden hem om het even hoeveel geld of paarden aangeboden, zolang hij de ridders maar niet zou ophangen. De graaf gaf de indruk hiermee genoegen te nemen. Toch zouden de ridders hun straf niet ontlopen, want uiteindelijk hebben ze elkaar opgeknoopt. De graaf kon dus niet beschuldigd worden van woordbreuk, want hij heeft de ridders letterlijk niet zelf opgehangen, ze deden het zichzelf aan. Ook tegenover de laatst overgebleven man hield hij zijn woord. De ridder werd niet door Boudewijn opgehangen, maar legde zelf zijn eigen strop rond zijn nek. Helaas voor hem verloor hij, mits een beetje grafelijke hulp, zijn evenwicht en stikte. Het verhaal wilde zo duidelijk maken dat misdadigers zich niet konden vrijkopen en hun verdiende straf zouden krijgen.   

Daarnaast moest Boudewijn ook nog afrekenen met het probleem van de bloedwraak. Zijn gerechtelijke ambtenaren weigerden de executies uit te voeren, omdat ze zich hiermee blootstelden aan de wraak van de bloedverwanten van de terechtgestelden. De graaf zelf had niets te vrezen, want de verwanten hadden hem trouw gezworen en konden zich dus niet tegen hem keren, maar ze konden wel wraak nemen op de grafelijke ambtenaren en dat was juist waar Boudewijns mannen bang voor waren[288]. Het feit dat gekrenkte verwanten hun woede konden koelen op de grafelijke dienaars, zorgde ervoor dat edelen hun speciale status konden behouden en maakte het tegelijkertijd voor de vorsten juist zo moeilijk om de vrede te bewaren in hun land[289]. Maar Boudewijn omzeilde handig deze valkuilen door de veroordeelden zichzelf te laten ophangen. Op die manier konden de families geen wraak nemen op zijn ambtenaren, omdat de beschuldigden uiteindelijk elkaar opknoopten en de laatste zichzelf. Op wie zouden hun verwanten dan wraak moeten nemen? Ze konden toch moeilijk elkaar uitmoorden?

Herman van Doornik toont ook aan dat Boudewijn in andere zaken geen van de domste was. In de tweede anekdote namelijk bedenkt hij een handig middeltje waardoor het vrouwtje hem ook nog na de vespers zou kunnen spreken. Hij gaf haar zijn dure grafelijke mantel en zo kon hij haar na de gezangen makkelijk herkennen, zelfs toen een menigte volk en edelen zich rond hem verzamelde.

 

II.2.3. De toegepaste straffen

 

In het eerste verhaal van Herman van Doornik laat Boudewijn VII een misdadige ridder arresteren omdat die twee koeien stal van een arme vrouw. De verwanten van de ridder smeken de graaf om hem toch niet op te hangen. Hieruit blijkt dat dit de straf is waaraan een dief zich kon verwachten[290]. Dat wordt trouwens ook bevestigd in het dagboek van Galbert van Brugge: Bertulf werd gestraft zoals men dieven en baanrovers terechtstelde[291]. Zeker voor een nobele familie was deze schandelijkste straf bij uitstek moeilijk te aanvaarden. De graaf stelt hen echter gerust, maar niet zoals ze verwacht hadden, want hij laat de ridder koken. Hoe zouden we ons dit moeten voorstellen? Werd de veroordeelde samen met het water langzaam aan het koken gebracht tot hij uiteindelijk verbrandde en stierf? Een tekst en een tekeningetje in de rand van een vonnissenregister tonen echter aan dat men anders te werk ging: de veroordeelde werd geboeid, met het hoofd naar beneden in de ketel met kokend vocht gedompeld zodat de doodstrijd vrij kort was[292]

In de 13de eeuw was de dood door middel van een kokende ketel de straf van de valsmunters[293]. Hierbij werd er van uit gegaan dat deze straf een analogie vertoont met hun misdaad: namelijk het gebruik van een smeltkroes voor het verhitten van metaal om er valse munten van te slaan. In de 12de eeuw kwam deze straf echter nog niet voor en de vermelding ervan bij Herman van Doornik rond het jaar 1111 is een alleenstaand feit[294]. Van Caenegem schrijft deze straf met de kokende ketel dan ook toe aan de morbide fantasie van Boudewijn VII. Ook zijn tijdgenoten vonden deze gruwelijke straf zoals eerder gezegd een “inaudita et miserabilis mors”[295]. Toch vermelden enkele kronieken dat er ook twee valsmunters betrokken waren bij de terechtstelling van de roofridder. Maar in de meeste kronieken en boeken worden zij niet genoemd. Zouden de auteurs die hen wel vermeldden dit misschien gedaan hebben vanuit een nood om te verklaren waarom Boudewijn VII deze afgrijselijke straf bedacht had voor de roofridder? Dat het eigenlijk niet meer dan toeval geweest was? Het is echter duidelijk dat dit niet tot de oudste verhaaltraditie behoort en dat die straf voor valsmunters nog niet werd toegepast in het begin van de 12de eeuw.

Zoals gezegd kwamen de verwanten van de ridder aan graaf Boudewijn zijn leven afsmeken: “ne militem suspendi, vel oculos ejus erui faceret”[296] en ze vroegen de graaf blijkbaar ook om hem de ogen niet uit te laten steken. Volgens Van Caenegem is dit één van de vroegste aanduidingen in Vlaanderen van het gebruik om bepaalde verminkingen toe te passen vooraleer de schuldige terechtgesteld werd[297]. De verminking als verzwaring van de doodstraf zal vooral in latere eeuwen een uitgebreide toepassing kennen, wanneer de afschrikking terug een grote rol speelde in het strafrecht. Het doel is echter hetzelfde: door middel van bijzonder wreedaardige verminkingen probeerde men een bijzonder zware misdaden door terreur te onderdrukken[298].

In het tweede verhaal van Herman van Doornik wordt er niemand gestraft en dus ook geen straf genoemd. De historiografische traditie doet dit wel. De ridder wordt eerst onthoofd en daarna met een koord onder de oksels aan de galg opgehangen. Vanwaar eerst de onthoofding? Van Caenegem legt uit dat onthoofding met de plank door de graven van Vlaanderen werd toegepast in het kader van de door hen beschermde vrede[299]. Onder meer keuren van Filips van de Elzas zeggen dat deze straf door zijn voorgangers werd gebruikt. Aanvankelijk dachten historici dat de Vlaamse graven deze bestraffingswijze zelf hadden uitgedacht in de loop van de 11de eeuw, maar nader onderzoek wees uit dat het hier om een oud-Germaanse straf gaat. Deze archaïsche straf bleef in de volkse rechtstraditie voortleven en werd uiteindelijk door de Vlaamse graven overgenomen toen zij zich actief gingen inzetten voor de vrede.

Bij de onthoofding met de plank werd een harde houten plank gebruikt, soms onderaan voorzien van een ijzeren snede, die in twee stijlen gevat, op en neer schoof[300]. Men plaatste de scherpe kant op de hals van de geboeide veroordeelde en de plank werd er met een slag ingedreven, zodat de halswervels gebroken werden en de beklaagde stierf. Naast de onthoofding met de plank, kwam ook nog die met het zwaard of de bijl veelvuldig voor. Dit was de straf voor doodslag, verkrachting en verraad. De bijnaam van Boudewijn VII is Hapkin oftewel ‘met de Bijl’. Wilden de latere historiografen laten geloven dat Boudewijn zelf met zijn bijl de afpersende ridder heeft onthoofd? Of verwezen ze eerder naar de onthoofding met de plank, blijkbaar de gekende straf van de Vlaamse graven voor misdadigers die hun vrede braken. Hoe het ook zit, uiteindelijk wordt de ridder, althans zijn lijk, ook nog aan de galg opgehangen. Zoals eerder gezegd is dit de zeer vernederende straf waarmee dieven bestraft werden.

De roofridders in het derde verhaal zullen uiteindelijk zichzelf opknopen. Volgens Herman van Doornik liet Boudewijn hen nog de keuze: degene die bereid was zijn kameraden op te hangen, zou zelf vrijuit gaan. En zo gebeurde. Wanhopig gingen de veroordeelden elkaar te lijf en worstelden met elkaar op leven en dood. Uiteindelijk bleef er één man over, maar door een slimme truc van de graaf zou ook deze zijn straf niet ontlopen en knoopte die eigenlijk zichzelf op. De traditie liet de roofridders echter de eer aan zichzelf houden. Geen enkele onder hen was bereid om zijn medestanders laffelijk in de steek te laten en op te hangen, zoals het moedige ridders past. Boudewijn liet ze allemaal dan maar zichzelf ophangen, mits een beetje grafelijke hulp. De traditie heeft de misdaden van deze roofridders duidelijk verzwaard: niet alleen bestolen ze enkele kooplieden, ze vermoordden ze ook. Zoals eerder gezegd blijkt uit de eerste anekdote van Herman van Doornik en het dagboek van Galbert van Brugge dat dieven en baanstropers, dus bij uitbreiding ook roofridders, terechtgesteld werden door ophanging. Bij moorden en het roven op lijken kwam daar ook nog het slepen bij, waarbij men de veroordeelde over de grond door paarden naar de galg sleepte. Maar daarvoor had Boudewijn blijkbaar geen tijd. In het oorspronkelijke verhaal wordt er ook niemand vermoord, zodat het slepen niet van toepassing was.

            In sommige verhalen is ook sprake van confiscatie van het bezit van de misdadiger door graaf Boudewijn VII. Hoewel het niet voorkomt in de anekdotes van Herman van Doornik, is aan te nemen dat Boudewijn weldegelijk de goederen van de ter dood gebrachte roofridders in beslag liet nemen. Dit was namelijk de normale regel in het oud Vlaams strafrecht bij de terechtstelling van een misdadiger[301]. De schuldige viel ‘in de hand’ of ‘in de genade’ van de graaf en is daardoor aan zijn genade of ongenade overgeleverd[302]. Hij heeft ten opzichte van de graaf alle persoonlijke en zakelijke rechten verloren, de graaf kan hem doen terechtstellen en zijn goederen in beslag nemen.

 

II.2.4. De daders

 

Met deze drie opmerkelijke anekdotes wilde Herman van Doornik duidelijke maken dat het Boudewijn VII menens was met de door hem afgekondigde vrede en zeker tegenover de adellijke stand. Ondanks zijn jeugdigheid probeerde hij met alle mogelijke middelen de rust en de orde in zijn land te bewaren en te verdedigen. Hij had bovendien in zijn vrede duidelijk gesteld dat gelijk wie de overtreder was en om het even tot welke stand die behoorde, hij zijn straf niet zou ontlopen[303]! Boudewijn voegde de daad bij het woord en aarzelde niet om ook adellijke heren en nobele ridders die zich te buiten gingen aan afpersingen en roofmoorden, aan te pakken. Zo wijst Herman er op dat de ridder die gekookt werd op de markt van Brugge nog altijd zijn zwaard droeg toen hij in de ketel werd gegooid. Hiermee wilde men benadrukken dat een edele stand geen redding zou brengen tegenover de strenge maar rechtvaardige grafelijke justitie.

De traditie heeft de zaken nog scherper willen stellen door de “milites” duidelijk te identificeren als nobele heren, namelijk als de jonkheer van Oostkamp enerzijds en Hendrik, heer van Kallo anderzijds. Van Hendrik wordt bovendien nog vermeld dat hij in Kallo een kasteel bezat. In het standaardwerk van Warlop over de Vlaamse adel vinden we echter noch informatie over de heren van Oostkamp, noch over de heren van Kallo[304]. In een geschiedeniswerk over Oostkamp wordt echter wel melding gedaan van de heren van Oostkamp[305]. In de verhalen over Boudewijn VII wordt de heer van Oostkamp als Jan van Oostkamp geïdentificeerd. Daarnaast signaleert de auteur ook een Arnold, heer van Oostkamp die in 1133 opduikt.. Wellicht is dat dezelfde als Arnold van Oostkamp die een brief aan graaf Diederik van de Elzas uit 1152 mee ondertekent.  Het werk maakt ook nog melding van de verwoestingen die Willem Clito in het dorp aanrichtte. Dit lezen we namelijk in het dagboek van Galbert van Brugge, die verhaalt hoe de Normandiër het huis van de hoge amman belegert en het huis van ridder Ansbold en de huizen van diens broer en zusters in brand laat steken[306].  Er woonde dus blijkbaar wel wat nobel volk in Oostkamp.

 

II.2.5. De slachtoffers

 

De slachtoffers waren armen en kooplieden. De eersten hadden vooral te lijden onder tuchtloze heren die hun macht misbruikten om hen het weinige dat ze hadden, af te persen. De handelaars die met hun koopwaar op weg waren naar de Vlaamse jaarmarkten werden vooral het slachtoffer van roofridders die hen vanuit hun versterkte burchten brandschatten en terroriseerden. Dat had vooral als gevolg dat het ‘onveiligheidsgevoel’ sterk toenam en dat kooplieden Vlaanderen gingen mijden, waardoor de handel stokte en de steden hiervan grote schade ondervonden.

Maar ook voor de graaf was deze gezagsloze situatie zeer nadelig. Het taste zijn gezag als landsheer aan en was schadelijk voor zijn schatkist. Niemand had meer belang bij de bloei van handel en nijverheid dan de graaf, want dankzij cijnzen van stadsgronden, tollen en dergelijke rechten stegen zijn inkomsten aanzienlijk[307]. Daarom werd de marktvrede systematisch afgekondigd en schendingen ervan werden zwaar bestraft door de grafelijke bloedrechtspraak.

 

II.2.6. Op zoek naar het waarom van de grafelijke bloedrechtspraak

 

Er ontstond dan ook een sterk bondgenootschap tussen graaf en steden en dit zou duren zolang beide partijen dachten er voordeel uit te kunnen halen en voorlopig was dat het geval[308]. Deze samenwerking is bij uitstek kenmerkend voor de 12de eeuw in Vlaanderen. In de 13de eeuw valt het grafelijke gezag grotendeels weg en zullen de steden dit machtsvacuüm zelf proberen in te vullen, wat uiteindelijk tot een zware en bittere clash tussen graaf en steden zal leiden in de 14de eeuw.

Orde en stabiliteit zijn dan ook de basisvereisten voor een samenleving om de groei en ontwikkeling van de handel mogelijk te maken. Pas dan kan er veilig en vrij handelsverkeer op gang komen en kan de handel tot bloei komen. Om dit te stimuleren zullen de Vlaamse graven een legendarisch geworden bloedrechtspraak toepassen. Aangezien de institutionele en justitionele organisatie en structuren in het bijzonder nog te beperkt ontwikkeld waren, moesten vorsten wel hun toevlucht nemen tot een rechtspraak die vooral gebaseerd was op afschrikking[309]. Vandaar ook de wijdverspreide en lang kritiekloze toepassing van de doodstraf in de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd. Op relatief kleine vergrijpen konden strenge sancties staan. Dat is wat we merken in de eerste anekdote die Herman van Doornik in zijn kroniek vertelt. De ridder had amper twee koeien gestolen maar desondanks dit en zijn hoge status wordt hij toch zonder pardon in een hete ketel water dood gekookt. Ook in het oorspronkelijke derde verhaal gaat het slechts om een diefstal uit de bepakking van een koopman. Toch worden tien ridders hiervoor veroordeeld tot de doodstraf door ophanging. Naderhand zijn de feiten weliswaar zeer zwaarwegend geworden: drie à vier moorden met voorbedachte rade en het roven van een rijkelijke buit. Kon de traditie niet leven met al die zware doodstraffen voor het plegen van slechts magere feiten?

Naast het verwerven van het monopolie op de oorlogsvoering, had de grafelijke steun aan de godsvrede in de eerste plaats dus ook een groot economisch belang[310]. Zo komt in één van de verhalen duidelijk de jaarmarkt van Torhout ter sprake[311]. Eerder had Boudewijns grootvader, Robrecht I, daar ook al moeten optreden tegen een ridder die de vrede gebroken had[312]. Verder plaatste Herman van Doornik ook enkele feiten in Brugge en Gent. Zijn de slachtoffers armen en kooplieden, de daders behoren telkens tot de ridderschap. De grafelijke bloedrechtspraak past dan ook volledig in de toenmalige context. Omdat de graaf zijn greep over zijn graafschap wil versterken en overal orde wil doen heersen, toont de ridderschap, door vrees en wanhoop gedreven, zich steeds opstandiger en gaat ze meer en meer weerstand bieden[313].

Aan de andere kant krijgt de graaf de volle steun en medewerking van de opkomende steden voor zijn vredestreven, waar ze alleen maar voordelen van kunnen plukken[314]. Ook op andere vlakken zullen we zien dat dit bondgenootschap tussen graaf en steden zijn vruchten aflegde. In de 12de eeuw ging de Vlaamse graaf persoonlijk enkele nederzettingen stichten, ook Boudewijn VII heeft hieraan meegewerkt, hij verleent stadsrechten, erkent schepenbanken, komt tussenbeide ten voordele van de steden bij andere instanties, veelal bij de geestelijke overheid, etc[315]. Dat dit niet met de volle goedkeuring van adel en ridderschap gebeurt, zal wel duidelijk zijn. Ze worden door de graaf in het defensief gedwongen, maar weigeren zich bij de zaken neer te leggen. Uiteindelijk zal hun opstandigheid culmineren in de grote crisis van 1127-1128, toen de Vlaamse graaf zijn bloedrechtspraak moest betalen met zijn eigen dood[316]. De voortekenen van deze clash tussen graaf en adel kwamen al tevoorschijn onder de regering van Boudewijn VII.

Hiermee hebben we willen verklaren waarom de Vlaamse graven zich met zoveel ijver hebben ingezet voor de vrede in hun land. Maar daarmee is nog niet uitgelegd waarom zij daarvoor een bijwijlen zeer wrede bloedrechtspraak gehanteerd hebben. Echter ook daarin is er een evolutie te merken. Uit verhalen blijkt dat de graven van Vlaanderen niet altijd zo streng zijn opgetreden tegenover geweldenaars en vredebrekers. In de Vita sanctae Godelivae geschreven door Drogo van Sint-Winoksbergen tussen 1080 en 1084[317] wordt verhaald hoe Godelieve de mishandelingen door haar echtgenoot probeert te ontvluchten door te gaan schuilen bij haar vader[318]. Deze geeft haar enige tijd onderdak en gaat dan bij graaf Boudewijn (V of VI?) klagen over het ellendige lot van zijn dochter. Maar de graaf stuurt hem door naar de bisschop van Terwaan omdat hij vindt dat het in de eerste plaats de taak van de bisschop is om de christenen te leiden en te corrigeren bij een misstap[319]. Pas als deze het niet alleen kan afhandelen, zal de graaf zich met de zaak bemoeien.

De godsvrede was in die tijd dus in de eerste plaats een zaak van de kerkelijke overheden en pas als deze er niet in slaagde de vrede te herstellen, kon een beroep gedaan worden op de graaf. Ging dit nog maar over huwelijksproblemen, ook Robrecht de Fries trad niet veel krachtdadiger op om de marktvrede in Torhout te herstellen. Het verhaal[320] vinden we in de Vita Arnulfi, een bewerking van Hariulfus van Oudenburg van de vita prima van Lisiardus, bisschop van Soissons, waarvan de eerste twee boeken in eerste instantie in 1114 voltooid werden[321]. De zoon van Lange Willem was op één van zijn plundertochten gedood door een zekere Zeger. Deze wilde zich verzoenen met de vader, maar die weigerde. Enige tijd daarna kwam Zeger rond het feest van Sint-Jan naar de markt van Torhout om zich er een kledingstuk aan te schaffen. Daar werd hij echter aangevallen door Lange Willem die wraak wilde nemen, maar Zeger raakte slechts licht gewond.

Er ontstond grote ophef onder het volk over het breken van de vrede door een voorname ridder. Letterlijk staat er: “comitis pacem”[322], maar we moeten ermee rekening houden dat dit de terminologie is van 1114, het kan dus niet als bewijs dienen voor een “pax comitis” in 1084[323]. Hariulfus doelde wellicht eerder op de door de graaf ondersteunde godsvrede, dan op een persoonlijk door de graaf uitgevaardigde vrede. Hij verklaart dat hij zich door de gedachte van de godsvrede liet leiden bij het schrijven van de vita, wellicht niet toevallig in hetzelfde jaar waarin de vrede onder meer door graaf Boudewijn VII hernieuwd werd[324]. Robrecht de Fries stelde woedend een onderzoek in, maar kwam tot bedaren toen hij de omstandigheden hoorde en te weten kwam wie de dader was. In plaats van een strenge straf uit te spreken, vernederde hij enkel Lange Willem, die tot zijn hofhouding behoorde, door te zeggen: “Ik verwonder me over je vermetelheid, maar ik verwonder me nog meer over jouw geringe kracht. Als je je zoon zonodig wilde wreken, waarom heb je je dan niet geschaamd zo zacht te slaan dat zijn hals de sporen van een vrouwenhand en niet van manlijke kracht vertoont?”[325]. Robrecht de Fries maakte Lange Willem dus te schande door het feit te minimaliseren, hij durfde blijkbaar niet verder gaan wegens de vazallitische banden tussen hem en de dader[326].

Met Boudewijn VII wordt de vooruitgang van de grafelijke macht zeer duidelijk. Van hem is bekend dat hij wel strenge straffen durfde uit te spreken en ze ook toe te passen, ondanks de jammerklachten en het gehuil van familieleden en vrienden en ondanks de vaak hoge geboorte van de daders. Ridders en edelen moesten bij hem niet meer op genade rekenen. De straffen waren soms zeer wreed te noemen, denk maar aan het levend koken van de roofridder in een grote ketel. In alle verhalen komt ook duidelijk het element van de terreur naar voren. Dat had echter ook zijn redenen. Toen het grafelijke gezag, hierin gesteund door de kooplieden en de opkomende steden, voor wie veiligheid van cruciaal belang was, het op zich nam om de veiligheid van de samenleving te garanderen, was de eerste vereiste de zekerheid dat bijna alle misdadigers gevat en gestraft zouden worden[327]. Maar daarvoor beschikte de graaf niet over de technische middelen, noch over voldoende personeel. In de 11de en 12de eeuw was de kans dat een misdadiger in grafelijke handen zou vallen vrij gering. Vandaar de noodzaak om de weinige misdadigers die gevat konden worden, zo ongenadig mogelijk te straffen[328].

Met zijn bloedsrechtspraak probeerde Boudewijn VII dus potentiële misdadigers toch af te schrikken hoewel ze maar een kleine kans liepen om effectief opgepakt te worden. Zijn tijdgenoten waren zich ook bewust van deze afschrikkingspolitiek[329]. Aan het begin van zijn regering had Boudewijn VII de overtreders van de vrede al gewaarschuwd, maar velen zeiden: “per talem puerum non facile pacem posse fieri quoniam nullus eum timeret[330]. De vrede zou namelijk maar met de grootste moeite bewaard kunnen worden door zo een kind, want niemand was bang van hem. Na de episode over het koken van de roofridder stipt Herman van Doornik aan: “tantus timor ilico omnes invasit ut nullus deinde in tota Flandria aliquid auferre presumpserit”[331]. Met deze afschrikwekkende straf was Boudewijn blijkbaar in zijn opzet geslaagd, wat ook bevestigd wordt in het Chronicon s. Andreae: “unde et terror eius per omnes provincias malefactores fecit omnino quiescere”[332]. Met zijn terreur zorgde hij er dus voor dat de misdadigers zich in alle gewesten koest hielden.

In de loop van de 12de eeuw zijn de Vlaamse graven hun rechtspraak gaan matigen. Enerzijds omdat ook de grootste vrees afstompt en hoe wreed de straffen wel mogen zijn, misdadigers telkens weer menen dat ze het gerecht te slim af zullen zijn[333]. Anderzijds omdat door de opkomst van de baljuws, over het ganse land een net van opsporingsambtenaren werd gesponnen en de pakkans hiermee weldegelijk verhoogde. Eens de graaf en de gemeenten de pacificatie van het land hadden doorgevoerd, had de afschrikking haar rol uitgespeeld[334]. Op het einde van de 12de eeuw en in de loop van de 13de eeuw vinden we er nog maar weinig sporen van. De verschillende doodstraffen bestaan nog, maar de steden passen bij voorkeur de verbanning toe als straf en ook de verminkingen worden nog uitgesproken, maar zijn over het algemeen afkoopbaar. Op het einde van de 13de eeuw en in de 14de eeuw zal de afschrikking terug aan belang winnen, maar dan in het kader van de beteugeling van de sociale onlusten.

 

Besluit

 

De drie verhalen van Herman van Doornik toonden ons een paar indrukwekkende staaltjes van het strenge justitiebeleid van Boudewijn VII. De volkscultuur en de latere historiografie heeft de indruk die hij naliet alleen maar versterkt. In een tweede deel namen we deze verhalen dan onder de historische loep en zochten naar de historische elementen die er in verwerkt waren. We bespraken eerst de straffen aan de hand van de studies van Van Caenegem, daarna de slachtoffers en de daders. Uiteindelijk gingen we op zoek naar het waarom van de grafelijke bloedrechtspraak, waarin we de inzichten van Van Caenegem, Dhondt, de Hemptinne en Platelle wilden samenbrengen. De graven streefden ernaar hun macht en gezag te versterken ten nadele van de ridderschap en sloten hiertoe een bondgenootschap met de steden. De grafelijke vredespolitiek had namelijk zeer positieve gevolgen voor de handel en economie van het land, waar zowel steden als graaf van konden profiteren. 

 

 

III. Boudewijn VII en de adel

 

            Vooral de adel werd sterk in haar doen en laten beperkt door het strenge beleid van Boudewijn VII. De meeste edellieden hebben zich echter bij de zaken neergelegd, maar onder sommigen bleef de onvrede gisten. Boudewijn VII kreeg tijdens zijn korte regering vooral af te rekenen twee Zuid-Vlaamse leengraven, namelijk Walter II van Hesdin en Hugo II van Sint-Pol. Het was hun bedoeling om de Vlaamse suzereiniteit van zich af te schudden en vrij en ongedwongen hun gang te kunnen gaan, maar dat was buiten de Vlaamse graaf gerekend. Ook hij wilde zijn macht uitbreiden en kwam al spoedig in conflict met zijn dissidente leengraven. We buigen ons over de achtergrond en de precieze omstandigheden van de strijd tussen Boudewijn VII en de twee opstandige graven en herbekijken de bronnen hierover. Waarom was de burcht van Encre zo belangrijk voor de Vlaamse graaf? En hoe zat het nu precies met de erfenis van het graafschap Amiens? Voor dit hoofdstuk konden we gebruik maken van het artikel van Dhondt in de eerste AGN en het werk van Ganshof over het graafschap Vlaanderen. Voor de strijd met de graven van Sint-Pol konden we ons baseren op de artikels van Feuchere.

 

III.1. De binnenlandse politieke strijd in Vlaanderen

 

Waar Boudewijn I nu veeleer gezien wordt als de stichter van de grafelijke dynastie van Vlaanderen, beschouwd men Boudewijn II nu als de echte stichter van het graafschap Vlaanderen. Tijdens de chaotische periode na de invallen van de Noormannen slaagde hij er in zich aan het hoofd te plaatsen van al de West-Frankische gouwen ten noorden van de Artesische heuvels en kon hij zich meester maken van een uitgestrekt grafelijk domein dat vooral in het noorden van zijn rijk lag.

De binnenlandse politiek van het graafschap Vlaanderen werd sindsdien vooral beheersd door twee grote machten: de graaf aan de ene kant en de adel aan de andere kant[335]. Terwijl de graaf poogde zijn rechten en domeinen zo goed mogelijk te bewaren, waren de edellieden voortdurend bezig om elk voor zich een zo groot mogelijk deel van beide in te palmen. Kort samengevat kwam het er dus op neer dat de Vlaamse graaf zich vooral defensief opstelde en de adel zich zeer agressief toonde ten opzichte van hun leenheer. Dit veranderde pas onder Boudewijn V die een institutionele reorganisatie van het graafschap in burggraafschappen doorvoerde om zo een sterkere greep op zijn land te krijgen. Vanaf dan gaat de grafelijke dynastie dus in de tegenaanval. Deze heroriëntering van de grafelijke politiek dreigde echter al snel opgegeven te worden door de crisis van 1071.

Toen Boudewijn VI in juli 1070 na een regering van slechts drie jaar overleed, kwam de macht in handen van zijn jonge zoon Arnulf III, gesteund door zijn moeder Richildis van Henegouwen. Robrecht de Fries, de jongere broer van Boudewijn VI, zag zijn kans schoon, stuurde aan op een opstand en kreeg een groot deel van de Vlaamse ridderschap, vooral uit het noordelijk deel van het graafschap, op zijn hand. Arnulf III en Richildis antwoorden met een grote coalitie gesteund door de Franse leenheer, maar moesten tijdens de slag bij Kassel op 22 februari 1071 het onderspit delven. Arnulf III sneuvelde, zijn moeder werd gevangen genomen, maar later uitgewisseld tegen Robrecht de Fries die in handen van de coalitie was gevallen.

Robrecht I kon zich op die wijze meester maken van het graafschap Vlaanderen en dat vooral dankzij de steun van de Vlaamse adel. De rol van de steden in Vlaanderen zou hierin zeer beperkt zijn geweest. Toch had deze veldslag niet als gevolg dat de graaf fel verzwakt werd ten voordele van de ridderschap. De reden hiervoor ligt in de grondige verandering in de economische en sociale structuur van Vlaanderen, waarvan vooral de opkomst van de steden het belangrijkste resultaat was[336]. Voortaan zouden de Vlaamse steden een nieuwe politieke macht vormen in het graafschap waarmee terdege rekening moest gehouden worden.

            De Vlaamse ridderschap kon door de opkomende macht van de Vlaamse steden niet de vruchten plukken van haar overwinning te Kassel en een deel van hen zou daarvan al gauw spijt krijgen. In 1082 beraamde een aantal ridders een samenzwering tegen graaf Robrecht de Fries om hem af te zetten en te vervangen door de graaf van Henegouwen[337]. Maar de verraders werden ontmaskerd en streng gestraft door de Vlaamse graaf. Onder Robrecht II hield de adel zich gedeisd, misschien moeten we hiervoor een verklaring zoeken in de Eerste Kruistocht, waarvan Robrecht toch één van de grote voortrekkers was. Zo kon een deel van de oproerige adel zich uitleven in het Heilig Land en daar op zoek gaan naar faam en fortuin. Een deel van hen sneuvelde, en velen bleven ginder in het vooruitzicht er een betere toekomst te kunnen opbouwen.

Dit betekende ongetwijfeld een ware aderlating voor de Vlaamse ridderschap en reduceerde hun macht en weerstand in het graafschap[338]. Wie nog niet overtuigd was, kreeg af te rekenen met de grafe