| Perceptie van een Duitse intellectueel op de eigentijdse Geschiedenis: Sebastian Haffner. (Hedwig Vossen) |
| home | lijst scripties | inhoud |
1. Sebastian Haffner
Deze thesis gaat over Sebastian Haffner. Meer bepaald wil ik zijn leven en werk situeren tegen de achtergrond van de politieke gebeurtenissen van zijn tijd. Haffner was een jurist die bekend werd om zijn durf en doorzettingsvermogen om tijdens het nazi-regime Hitler en diens motieven kritisch te benaderen[2]. Deze bekendheid zette zich door in de periode na de Tweede Wereldoorlog. Toen maakte hij vooral naam door in Duitsland zelf kritische bijdragen in tijdschriften te leveren over de situatie van de Koude Oorlog en historische boeken te schrijven over de Weimarrevolutie, de Eerste Wereldoorlog en over historische persoonlijkheden zoals Churchill en Hitler. In de jaren tachtig beleefde hij zijn hoogtepunt door zijn in ’78 gepubliceerde biografie van Hitler. Na de ‘Haffner-boom’ van de jaren ’80 werd het stil rond hem, mede door gezondheidsproblemen.
In 2000, één jaar na zijn dood, kwam Sebastian Haffner weer in de belangstelling. Zijn zoon Oliver had in een schuif van zijn bureau het manuscript van een boek gevonden, dat als zijn autobiografie kan gezien worden. Het bevat het verhaal van zijn leven van aan de Eerste Wereldoorlog tot in het jaar 1933, toen Hitler tot rijkskanselier benoemd werd, de brand van de rijksdag en de boycot van 1 april 1933 plaatsvonden. In dit boek deed Haffner opmerkelijke voorspellingen over het verloop van de oorlog van Hitler en ook over Hitlers dood.
Een debat over de voorspellingen van Haffner barstte los. De kunsthistoricus Jürgen Paul vermoedde dat Haffner het boek niet in 1939, maar na de Tweede Wereldoorlog had geschreven. Henning Köhler, verbonden aan de Vrije Universiteit van Berlijn, bevestigde deze stelling van Paul. Het heeft geleid tot een criminologisch onderzoek naar de ouderdom van de papieren en de inkt, met als resultaat het bewijs dat de tekst inderdaad in het jaar 1939 geschreven was.
Deze debatten waren een aanwijzing voor de gevoelige snaar die Haffners tekst raakte. Die zei namelijk dat men in 1939 al, nog voor het uitbarsten van de oorlog, had kunnen weten dat Hitler van plan was deze oorlog te voeren én Haffner had zich al in 1939 willen onttrekken van medeplichtigheid aan deze oorlog. In deze autobiografie vermeldde Haffner bijvoorbeeld de vervolging van de joden, en merkte toen al dat er gevaar voor hun leven was. Hij schetste ‘zo griezelig nauwkeurig’ de oorsprong en eigenheid van het nazisme en de toekomstige daden die het zal stellen, dat enkele critici zich afvragen of hij dit misschien niet na de oorlog geschreven had[3]. Het was de uitgave van dit boek dat Haffner terug in de media bracht: ‘Er gaan van ‘Geschichte eines Deutschen’ in een oogwenk een half miljoen exemplaren over de toonbank. Het boek kroont de auteur postuum tot superster. Elke letter die hij ooit heeft geschreven, is ondertussen opnieuw uitgegeven, gebundeld, herdrukt. De auteursnaam Haffner is nu een miljoenenbusiness’[4]. Het debat laaide op over de vraag of Haffner (en dus welke andere Duitser dan ook) dit wérkelijk al zo vroeg had kunnen weten.
Deze vraagstelling was in 2000 natuurlijk niet nieuw. Duitsland had al sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog een hele geschiedenis opgebouwd waarin de schuldvraag van Duitsland in de Tweede Wereldoorlog uitgespit werd[5]. Het is dus niet verwonderlijk dat de autobiografie zo gemakkelijk over de toonbank ging. Maar die voorspellingen waren niet de belangrijkste oorzaken van het succes van het boek. Het belangrijkste element daarin was de toon van het boek en de schrijfstijl van Haffner. Hij schreef eenvoudig en gevoelsmatig, wat een breed lezerspubliek verzekerde. In een telefonisch gesprek met Alexander Fiebig[6] kwam naar boven dat Haffner de politieke lijn van vele lezers helder en duidelijk verwoordde, en in staat werd geacht de politiek op bescheiden wijze beïnvloed te hebben[7], zoals bij de verkiezing van Willy Brandt, waarbij Haffner vele artikels had geschreven om te pleiten voor deze keuze.
Maar Haffners werk behandelde niet alleen de Duitse schuldvraag. Deze thesis is erop gericht Haffners werk en de plaats van dat werk binnen de discussies van zijn tijd en daarna te situeren. Hierover wil ik het in het volgende punt hebben.
2. Vraagstelling
De hoofdthema’s van deze thesis zijn Sebastian Haffners leven en werken. In het eerste hoofdstuk wil ik Haffners persoonlijke ervaringen weergeven die hebben bijgedragen tot zijn overtuigingen en die hem hebben beïnvloed bij het schrijven van zijn werken en artikels. Dit hoofdstuk bevat een biografie van Haffner en een bespreking van zijn werken. Over Haffner zijn er nog niet veel werken verschenen. Enkel een biografie van Uwe Soukup en een uitgegeven interview met Jutta Krug zijn mij bekend. Daarbij komen nog enkele memoires van mensen die hem hebben gekend, maar deze memoires behandelen ook niet alleen Haffner en worden slechts zijdelings aangehaald door de biograaf[8].
In het tweede hoofdstuk ga ik in op de werken van Haffner. Ik heb deze chronologisch gesitueerd en heb daardoor een rode draad in de inhoud gevonden. Deze rode draad is het gevoel van verantwoordelijkheid dat Haffner had bij het beleven van zijn tijd. In zijn boeken en artikels was steeds een plaats ingeruimd voor hoe het nog zou kunnen worden. Haffner meende op die manier zijn steentje bij te dragen aan de opbouw van zijn wereld.
In een eerste luik bespreek ik de boeken die Haffner heeft geschreven over de Eerste Wereldoorlog tot en met de opkomst van de nazi’s. Deze gebeurtenissen hebben hem gevormd en gevoelig gemaakt voor de politieke gebeurtenissen. In de eerste twee punten van dit tweede hoofdstuk bespreek ik enerzijds de feiten en Haffners interpretatie daarvan en anderzijds de morele lessen die hij daaruit trok voor zichzelf en zijn medemens. Vreemd genoeg, maar typisch voor Haffner, ‘rook’ hij eerst in zijn in 1939 geschreven autobiografie de morele toestand van een situatie en heeft hij pas daarna de feiten in zijn latere werken beschreven (hoewel ook zij zich bezig hielden met de morele aspecten)[9].
Vooral inzake de Eerste Wereldoorlog, het nazisme en Hitler is er veel studie verricht[10]. Ik heb mij in deze thesis vooral gericht op het nazisme en Hitler omdat ook Haffner daar meer aandacht aan heeft besteed. De werken van Jäckel, Koch, Bracher, Kershaw en Schreiber waren zeer nuttig om Hitler en zijn plaats in de geschiedenis en de geschiedschrijving te duiden. Hiertoe heeft Haffner zijn bijdrage geleverd door als getuige de handelingen, discussies en fouten van zijn medemensen weer te geven en te interpreteren, om daarna mogelijke alternatieven te kunnen bieden.
Het zijn deze interpretaties en mogelijke alternatieven van een intellectueel die actief bij de beeldvorming van zijn tijd betrokken was, die het onderwerp van mijn thesis uitmaken. Hiermee hoop ik het geroezemoes en de besluitvorming van die tijd te schetsen en deze met behulp van deze persoon aan enkele klinknagels vast te pinnen.
In een tweede luik worden de aanzetten van de vorige punten verdergezet en beschrijf ik hoe Haffner de strijd aanging tegen het nazisme en Hitler. Hijzelf vulde dit in door uit Duitsland weg te vluchten en zijn kennis en diensten in Engeland aan te bieden. Deze individuele strijd tegen het nazisme heeft over het algemeen de meeste aandacht gekregen in de literatuur: door de uitgave van dagboeken (met onder andere het dagboek van Marie Wassiltchikoff[11]), de studie van het binnenlandse Duitse verzet (van onder andere Graml[12]), of zelfs de studie van Milgram en Zimbardo[13] waarin de houding van mensen onder invloed van autoriteit bestudeerd werd. Over de oorlog en de veldslagen zelf is natuurlijk het meeste verschenen (bijvoorbeeld de Winkler Prins Encyclopedie van de Tweede Wereldoorlog), maar dat was niet het onderwerp van deze studie.
In het derde en laatste onderdeel worden Haffners bijdragen aan verschillende tijdschriften over het verloop en de discussies van de Koude Oorlog besproken. Deze ontwikkelingen volgde Haffner vanuit het brandpunt Berlijn en ook hier vatte hij de taak op om zijn eigen tijd te interpreteren en te zoeken naar oplossingen voor de problemen die zich stelden. Aangezien een groot deel van zijn commentaren geschreven was voor het miljoenenblad Stern, waardoor zijn bijdragen door meer mensen gelezen werden, oogstten zijn artikels vaak kritiek. Er werd hem verweten een pessimist en weerhaan te zijn[14] terwijl hij anderzijds de hemel werd ingeprezen en zelfs in het gilde van de historici werd opgenomen[15]. Naast de inhoud van zijn artikels en boeken zullen ook deze elementen besproken worden met behulp van de werken van Thränhardt en Bracher.
3. Waarom Haffner?
Verschillende critici hebben Haffner verweten een ‘weerhaan’ te zijn. Hij zou van links naar rechts, van ‘Kalter Krieger’ naar voorstander van de ‘détente’ gewisseld zijn en sprong effectief van een algemeen overschouwend dagblad zoals Die Welt naar een populistisch tijdschrift als Stern. De manier waarop hij over historische feiten vertelde was ook niet wetenschappelijk te noemen. Hij vermeldde niet of nauwelijks zijn bronnen en had over het algemeen een tamelijk eigenzinnige en soms vergezochte kijk op de feiten. Ik ben mij hier steeds van bewust geweest doorheen het werk voor mijn thesis. Maar Haffner is inhoudelijk en ook wat de sfeer die hij wilde creëren betreft, steeds aan zichzelf (en dat wil zeggen aan het ‘nie wieder’ weerkeren van een situatie als de opkomst van een man als Hitler) trouw gebleven.
Haffner was een criticus die zijn wereld beter wou achterlaten dan als hij hem gevonden had[16]. Hiertoe stelde hij zichzelf, zijn landgenoten en alle machthebbers aan de kaak, zonder onderscheid. Hij zag de wereld als zijn achtertuin, waar hij even verantwoordelijk voor was als ieder ander. Hij heeft die verantwoordelijkheid ingevuld door zijn leven te geven aan het schrijven van artikels en boeken. Een argument voor deze stelling is dat hij besloot om zijn veilige haven in Engeland, waar hij in moeilijke tijden een bestaan had weten op te bouwen, in te ruilen voor het brandpunt Berlijn en er zijn vrouw en kinderen mee naartoe te brengen bij het begin van de Koude Oorlog.
Het gevolg van deze houding was dat hij zich ook geoorloofd voelde om harde kritiek te uiten. Door zijn ontheemdheid echter, bleef hij naar mijn mening toch binnen bepaalde perken. Het is ook daarom dat ik Haffner zo belangrijk vond als onderwerp voor mijn thesis. Want hoewel Haffner soms overdreef in zijn manier van kritiek uiten, was hij wel duidelijk overtuigd van zijn standpunt en verantwoordelijkheid. Dit maakt dat Haffners wisselende houdingen ten opzichte van de gebeurtenissen van zijn tijd en de reactie op zijn meningsuitingen juist een uitstekende bron vormen om de gemoedswisselingen in die periode na te gaan.
4. Methodologie
Aangezien deze thesis zich bezighoudt met de visie van Haffner is het grootste deel van het bronnenmateriaal afkomstig van Haffner. Deze worden besproken in het eerste en het tweede hoofdstuk. Dit houdt zijn bijdragen tot verschillende tijdschriften in, zijn boeken, zijn interviews, zijn tv-optredens. Dit materiaal werd ondersteund door de biografie die Uwe Soukup geschreven heeft over Haffner, een interview met Haffner door Jutta Krug en verschillende artikels over Haffner in Belgische en Duitse kranten en tijdschriften. Bij de kranten en tijdschriften heb ik vooral gekeken naar die met een grote oplage, hetgeen ik verdedig doordat het mij ging om de onderwerpen van Haffner die het meeste succes hadden gehad. De visie van Haffners publiek op zijn onderwerpen komt aan bod bij de bespreking van de kritiek op Haffner in het tweede hoofdstuk.
Meer rechtstreekse gegevens kreeg ik via een telefonisch gesprek met Alexander Fiebig, een afdelingshoofd van de staatsbibliotheek van Berlijn. Ook een bezoek aan Berlijn zelf en een toevallige ontmoeting met een boekenhandelaarster hebben het beeld over Haffner helpen aanvullen. Mevrouw Saulnier, de boekenhandelaarster, hielp mij door af en toe de kleinere Duitse kranten na te pluizen over Haffner en zij vertelde over het succes dat de boeken van Haffner hadden in haar winkel. Daarnaast heb ik echter ook andere materialen gebruikt om sommige van zijn stellingen kracht bij te geven. Dit zijn bijvoorbeeld dagboeken van andere door de nazi’s getroffen personen (Klemperer, Wassiltchikoff, Kardorff), of boeken van tijdgenoten die zijn stellingen onrechtstreeks bijtraden door eigen voorbeelden te geven (Borkenau).
De literatuur die ik gebruikt heb voor het werk aan deze thesis was erop gericht de door mij geselecteerde onderwerpen van Haffner te plaatsen in een breder kader. Het was niet de bedoeling een ‘algemene geschiedenis’ van de Tweede Wereldoorlog en haar nasleep te schrijven, maar om het werk van Haffner te duiden in de debatten die gevoerd werden in de wetenschappelijke literatuur. Aanvankelijk was het onderzoek naar literatuur over de onderwerpen van Haffner tamelijk willekeurig, maar langzamerhand bleken bepaalde auteurs veelvuldig voor te komen in verschillende werken en werden hun bijdragen meer dan andere aangehaald in de andere werken. Hierdoor kon ik een lijst van verschillende auteurs samenstellen die ik stelselmatig begon na te gaan voor de onderwerpen die ik onderzocht. Deze auteurs waren vooral K.D.Bracher, E.Jäckel, I.Kershaw, de geschiedenis van het nazisme door J.Noakes en G.Pridham, D.Verheyen, H.W. Koch en anderen. Ik hoop met deze verhandeling een deel van hun onderzoek te verlevendigen door de journalist Haffner te bestuderen. Er is misschien reden om te twijfelen aan het kritische gehalte van zijn bijdragen, maar hij heeft toch de sfeer van zijn tijd kleurrijk weergegeven, waardoor de studie van deze auteurs des te interessanter werd.
5. Dankwoord
Deze thesis is het product van een samenwerking waarbij geen enkele medewerker voor de ander moet onderdoen. Voor de moeite die mijn familie en vrienden hebben opgebracht is met geen mogelijkheid een maat aan te duiden. Zij hebben de zware last van morele steun op zich genomen. De reis naar Berlijn en de vele dagen waarop ik achter een hoge muur van boeken van de aardbol verdween zouden veel minder vlot verlopen zijn zonder hun aanwezigheid en medewerking.
Bijzondere dank gaat ook uit naar Wim Smit en Wim Hendrickxs die mij wegwijs hebben gemaakt in de bibliotheek en de literatuur over de verschillende onderwerpen. Ik mag ook zeker de medewerkers van de bibliotheken in Berlijn niet vergeten, die mij geholpen hebben om op zo’n korte tijd toch heel veel werk te verrichten.
Een woord van dank aan mijnheer Alexander Fiebig, die zo vriendelijk was om tijd vrij te maken voor een telefonisch interview. In dit verband moet ik ook de boekenhandelaar, mevrouw Saulnier, bedanken voor het extra werk dat zij uitvoerde in de kleinere Duitse kranten die zij ter beschikking had.
Ten slotte moet ik mijn promotor, prof. Georgi Verbeeck bedanken, die mij in mijn dooltocht waardevolle punten van houvast aanwees zonder mijn eigen inzicht en vermogen te zeer in een bepaalde richting te duwen en juist daardoor leerde ik nog het meest.
- Wie dem auch sei, es ist nicht zu leugnen, dass Darwin einer der wenigen Denker ist, der die Vorstellungen der Menschheit von sich und der Welt, in der sie lebt, radical veränderte. Nach Darwins Tod sollten die Dinge nie wieder so sein wie vorher. Einen Weg zurück gab es nicht. Der Mensch war endgültig keine privilegierte Art mehr. –
Uit: STRATHERN, P. Darwin[17].
HOOFDSTUK I: BIOGRAFIE VAN SEBASTIAN HAFFNER
In deze biografie zal ik Sebastian Haffner steeds bij zijn auteursnaam noemen. Zijn echte naam was Raimund Pretzel, maar na 1938 werd het te gevaarlijk om die naam nog te gebruiken. Vanaf toen schreef hij namelijk politieke stukken die de toestand van zijn vaderland prijsgaven aan een vijandelijke natie, waardoor hij zijn familie in Duitsland misschien in gevaar bracht. Aangezien ook iedereen meer vertrouwd is met de naam Haffner, lijkt het voor mij logischer om voortaan deze naam te gebruiken. Een echte reden voor zijn keuze is niet expliciet gegeven. Uit zijn latere geschriften en acties blijkt wel dat hij zijn idealistische achting voor het oude Duitsland nooit zou verliezen (hij koos de naam Sebastian naar Johan Sebastian Bach en Haffner naar de Haffner-symfonie van Mozart, hoewel hij deze naam eerder koos omdat die symfonie in Engeland populair was). Toch zorgde hij er ook uit realistische overwegingen voor dat de naam die hij koos ook in het land waar hij zijn brood wou verdienen, gemakkelijk uit te spreken was.
Op 27 december 1907 werd Sebastian Haffner, toen Raimund Pretzel, geboren in de Berlijnse wijk Moabit. Hij had nog één zus, Eva, en twee broers, Ulrich en Bernhard, die minstens acht jaar ouder dan hem waren. Hij schijnt een gelukkige jeugd te hebben gehad, met veel intellectuele stimulans en een hoge eerbied voor zijn vader. De familie woonde in Berlijn sinds 1890, toen Haffners vader, Carl Louis Albert Pretzel, zich daar installeerde en enkele jaren later zijn vrouw Wanda Lehmann leerde kennen. Hij was leraar, maar bracht het, wegens zijn vrijgevochten manier van lesgeven, onder het keizerlijke regime niet verder dan hoofd van de 105e gemeenteschool in het Berlijnse Prenzlauer Berg[18].
In de zomer van 1914 was Haffner zeven jaar oud en op vakantie op het landgoed van zijn familie in Achter-Pommeren. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was voor Haffner het ergste wat kon gebeuren omdat hij daardoor vervroegd terug moest keren naar Berlijn. Toch was hij bijna vanaf het eerste moment van de oorlog geïnteresseerd in de gebeurtenissen. Wie vocht tegen wie? Welke landen waren de vijanden? Waar lagen al die landen? Daarbij volgde hij het feitenrelaas over de oorlog door elke dag naar het politiekantoor in de buurt te gaan, waar de oorlogscommuniqués te lezen waren. Zodoende ondervond hij, naar eigen zeggen, al op zeer jonge leeftijd een overgang naar het bewuste leven, gericht op de politieke situatie, wat ervoor zorgde dat hij zich zeer goed kon inleven in de geschiedenis die vanaf dan geschreven werd.
Op 11 november 1918 leed Duitsland de nederlaag en iets later werd de Weimarrepubliek uitgeroepen. De elfjarige Haffner, die nog tot in oktober bleef geloven in de mogelijkheid van een overwinning van de Duitsers[19], stond paf. Uwe Soukup schrijft hierover in zijn biografie over Haffner dat dit moment het begin was van een bewust en kritisch leven, zij het dan nog dat van een kind. Deze nederlaag, die zo in tegenstelling stond tot wat vier jaar lang was opgebouwd in de berichten aan het politiekantoor, bezorgde Haffner een serieuze ontnuchtering, die hem ‘nicht nur gegen die folgende nationalsozialistische Massenpsychose immunisiert, sondern ermöglichten ihm Jahrzehnte später auch, die politischen und massenpsychologischen Folgen dieser Niederlage zu erklären’[20].
Haffners interpretatie van deze gebeurtenissen zijn terug te vinden in de boeken die hij over de Eerste Wereldoorlog en de Weimarrevolutie geschreven heeft. Zijn scepticisme ten opzichte van het Duitse militaire leiderschap in de Eerste Wereldoorlog maakte dat hij in Der Teufelspakt de Duits-Russische betrekkingen bijna alleen kon beschrijven als Duitse hebzuchtigheid en kortzichtigheid. De Weimarrevolutie werd in 1979 beschreven in Die deutsche Revolution (in 1969 verschenen als Die verratene Revolution, daarna in 1993 als Der Verrat) als een ‘verraad’ van de Duitse legerleiding aan het Duitse volk. Ook Die sieben Todsünden[21] des deutschen Reiches im Ersten Weltkrieg van 1964 en Von Bismarck zu Hitler van 1987 gingen hierover en ook hier was hij erg kritisch over de houding van de legerleiding.
Haffners negatieve houding ten opzichte van de legerleiding kwam het beste tot uiting in zijn omkering van de dolkstootlegende. De officiële versie zei dat Duitsland niet verloren was door militaire zwakheid, maar door de stakingen van de arbeiders in de munitiefabrieken en de muiterij bij de matrozen. Deze dolkstootlegende zou door rechtse partijen, waaronder onder meer Hitler, gebruikt worden om de Weimarcoalitie in een kwaad daglicht te stellen. Deze Weimarcoalitie had immers het Verdrag van Versailles ondertekend en dus meegewerkt aan de zogenaamde ‘dolkstoot tegen het vaderland’[22]. Haffner keerde dit echter om en meende dat het verraad van de soldaten en het volk eigenlijk gestart was door de legerleiding, door hun gebrekkige informatie aan de bevolking en slinkse onderhandelingen achter de schermen tussen legerleiding en de regering.
De Weimarrepubliek werd op 13 maart 1920 door het leger onder leiding van Kapp en generaal Lüttwitz op de vlucht gejaagd[23]. De laatste regeringsdaad van de republiek was echter het oproepen van een algemene staking, waardoor uiteindelijk de Kapp-putsch mislukte. De Weimar-regering versloeg echter diezelfde arbeiders na het terugkeren naar de macht, omdat zij nu hun eisen stelden en ‘de bloem van de arbeidersjeugd’[24] zou in het Roergebied het leven laten.
Haffners vader kon, door het aanblijven van de republikeinse regering, opklimmen in rang[25] en de Pretzels verhuisden naar een dienstenwoning in Lichterfelde. Hier, op het Schillergymnasium, leerde Haffner de Duitse elite kennen die reeds lang vóór Hitler de “geest van de 20e juli”[26] uitdroeg. Hier werd Haffner rechts. Hij waardeerde de cultuur en de geschiedenis van Duitsland en leerde het gedachtegoed kennen van de mensen die de leiding in het land hadden. Hij had eerbied voor de keizer en de taak van de ambtenaar. Dit “in tegenstelling tot” zijn linkse oriëntatie die hij aangehangen had in zijn vroegere woonplaats in Prenzlauer Berg waar hij samen leefde en studeerde met de kinderen van joden en arbeiders. De joden leerde hij daar kennen als het “betere, intellectuele en beschaafde Duitsland”: ‘Am Königstädtischen Gymnasium unter der jüdischen Elite war ich ziemlich links, hier (tussen de Duitse elite op het Schillergymnasium) wurde ich rechts. Mein ganzes Leben ist bestimmt gewesen von meinen Erfahrungen auf diesen beiden Schulen’[27]. Met andere woorden, Haffner hing hier niet het ‘rechts-extremisme’ van Hitler aan, maar hij vulde dit concept in op een heel eigen manier. Het was een combinatie van eerbied voor de machtsuitoefening en een vertrouwen in de morele rechtschapenheid van die machtsuitoefening. Vanaf het moment dat die morele rechtschapenheid niet meer in acht werd genomen, waardoor onder leiding van Hitler de joden benadeeld en vervolgd werden, was voor Haffner alle vertrouwen in de leiding weg. De ‘rechtse’ houding van de mannen die op 20 juli 1944 de aanslag tegen Hitler hadden ondernomen, was dus een uiting van de eerbied voor Duitsland als een cultureel rijk land met een verantwoordelijke leiding, wat niet de eigenschappen van Hitlers regering waren. Daarnaast speelden ook nog vele andere factoren een rol, maar dit vond Haffner wel het belangrijkste.
In 1923 werd Streseman[28] rijkskanselier van Duitsland. In deze hoedanigheid stabiliseerde hij de Duitse munt door de invoering van de Reichsmark, waardoor Berlijn enkele jaren van rust gegund was vóór de economische crisis van 1929. In deze periode was Haffner ongeveer achttien jaar oud en ging hij uit in de betere milieus, speelde tennis en genoot van late gesprekken met vrienden over een glas wijn. Doordat Haffner niet al te veel tijd moest steken in het studeren, bleef er tijd genoeg over om mee te helpen aan de regie van de tragedie ‘Koning Oedipus’ van Sophocles. Het stuk werd zelfs lovend bekritiseerd in een tijdschrift en Haffner speelde met het idee om regisseur te worden. In 1926 studeerde hij af als beste van de school en besloot, op aanraden van zijn vader, verder te studeren in de rechten. Hij studeerde in Rheinsberg en begon in 1930 aan zijn stage aan het gerechtshof in Berlijn-Schöneberg. Ook hier had hij buiten de studies nog tijd voor buitenschoolse activiteiten en in de periode tussen 1926 en 1929 schreef hij twee romans, waarvan één in verkorte versie werd uitgegeven in de Hamburger Nachrichten.
In deze periode echter waren er al lang enkele donkere wolken aan zijn horizon verschenen. Haffner zelf omschreef het als een verlorengaan van een zeker kinderlijk zuivere reukzin, die hij vergeleek met de politieke reactie van kinderen: ‘de politieke reactie van kinderen (is), historisch gezien beslist opmerkelijk (…): wat ‘ieder kind weet’, is in de meeste gevallen de absolute, onloochenbare kwintessens van een politieke ontwikkelingsgang’. Over zijn reactie op de revolutie van 1918/19 vertelde hij:
‘Aan dit hele schouwspel kon je met de beste wil van de wereld niets inspirerends ontdekken. Als burgerlijke jongens, (...) konden wij vanzelfsprekend slechts ‘tegen’ de rode revolutionairen zijn: tegen Liebknecht, Rosa Luxemburg en hun Spartakusbond[29] (...). Wij waren dus enigszins ‘voor’ Ebert en Noske[30] en hun vrijkorps. Het was echter helaas onmogelijk om ook maar enig enthousiasme op te brengen voor deze figuren. Het schouwspel dat zij boden, was te onverholen weerzinwekkend. De geur van verraad die hen omgaf, was te penetrant: hij drong door tot in onze neus’[31].
Maar hij vergeleek dit verderop met de afstomping die bij de mensen teweeg werd gebracht door de opeenvolging van de wereldschokkende gebeurtenissen die tussen 1918 en 1923 voorvielen:
‘Wij hadden het grote oorlogsspel meegemaakt, en de schok van de afloop ervan, verder een zeer desillusionerende politieke leergang van de revolutie, en nu het dagelijkse schouwspel van het debacle van alle leefregels en het bankroet van levenswijsheid en ervaring. Een hele reeks tegenstrijdige overtuigingen hadden bij ons al de revue gepasseerd. Eerst waren we een tijdje pacifist geweest, vervolgens nationalist, later ondergingen wij de marxistische verlichting (...). Rathenau[32] en zijn einde hadden ons geleerd dat ook grote mannen sterfelijk zijn, en de Ruhrbezetting[33] dat nobele bedoelingen en obscure zaakjes met hetzelfde gemak konden worden geaccepteerd. Was er nog wel iets wat ons enthousiast kon maken? Want enthousiasme is voor de jeugd het zout des levens.’[34].
Na deze inleidende bedenkingen trok hij, enkele bladzijden verder, een verontrustende conclusie uit de daarop volgende gebeurtenissen. Streseman was in 1923 Rijkskanselier geworden en had, door onder andere de koersstijging van de mark te temperen, een rust gecreeërd die iedereen inviteerde om ‘zijn leven naar zijn smaak in te richten en op zijn manier gelukkig te worden’. Maar, en hier komt de conclusie van Haffner, door deze opeenstapeling van gebeurtenissen die bij de mensen een zeker afstomping had teweeg gebracht, werd er
‘aan die invitatie (...) over het geheel genomen geen gehoor gegeven. Men wilde helemaal niet. Het bleek dat een hele generatie in Duitsland (...) eraan gewend geraakt (was) om de hele inhoud van hun leven, alle stof voor diepere emoties, (...) vanuit de publieke sfeer aangereikt te krijgen, zij het gepaard met armoede, honger, dood, chaos en gevaar. Welnu, aangezien deze toelevering plotseling uitbleef, stonden zij er tamelijk hulpeloos bij, verarmd, beroofd, ontgoocheld en verveeld (...). Zo ervoeren ze het einde van de publieke spanning en de terugkeer van de persoonlijke vrijheid niet als een geschenk, maar als roof (...). Ze wachtten tenslotte bijna hunkerend op de eerste verstoring (...) om die hele vredestijd om zeep te helpen en nieuwe collectieve avonturen te beginnen (...). In feite kondigde zich toen reeds, volkomen onzichtbaar en onopgemerkt, de enorme kloof aan die het Duitse volk vandaag de dag verdeelt in mensen die wel en die geen nazi zijn’[35].
Met andere woorden, toen Haffner zijn twee romans had geschreven tussen 1926 en 1929, was er al heel wat veranderd in het Duitsland van zijn jeugd, toen Wilhelm II keizer was en de ambtenaren plichtsgetrouw hun taken vervulden. Toch schrok Haffner nog op toen Hitler, de leider van die afgestompte, twistzieke mensen en moraal in 1933 Rijkskanselier werd. Hij merkte hoe langzamerhand de kring van mensen met een nog steeds gevoelig ‘geestelijk reukorgaan’ steeds kleiner en bedreigder werd:
‘Van de mensen die hem (Hitler) in 1930 in het Sportpaleis begonnen toe te juichen, hadden de meeste zich waarschijnlijk van deze man op straat nog van geen vuurtje willen laten voorzien. Hier manifesteerde zich echter al het wonderlijke: de fascinatie voor juist het totaal weerzinwekkende, verderfelijke, intens walgelijke, als het op de spits wordt gedreven’. (...) ‘Buiten bleven alleen degenen staan die juist van deze ervaringen (van de roes van de Eerste Wereldoorlog onder andere) niets meer wilden weten en ze voor zichzelf voorzien hadden van een negatief teken. ‘Wij’ dus. ‘Wij’ hadden echter geen andere partij, geen vaandel dat wij volgen konden, geen programma en geen strijdkreet.[36]’
Haffner voelde zich in zijn vertrouwen in de Pruisische ambtenaar en zijn mentaliteit geschonden. Hij had gedacht dat deze mentaliteit van eerbied voor de cultuur en morele hoogstaande normen in heel Duitsland de algemene tendens zette, maar voelde zich bedrogen in deze opvatting doordat net Hitler door het Duitse volk verkozen was. Aanvankelijk konden zijn ouders en vrienden hem nog kalmeren en troostten hem met de woorden die hij wilde horen, namelijk dat Hitler natuurlijk geen voet aan de grond zou krijgen in dit geciviliseerde Duitsland en dat het buitenland het machtsvertoon van Hitler zeker niet zou tolereren. Deze gedachten zorgden tijdelijk voor soelaas en de spontaan opgekomen gedachte aan emigreren bleef een loos woord. Maar Hitler, nu hij aan de macht was, aarzelde niet de toon van het beleid naar zijn hand te zetten, en deed daarmee Haffners vrees waarheid worden. Op 27 februari 1933 brandde de Rijksdag, waardoor Hitler de gelegenheid kreeg de noodtoestand uit te roepen en een massale arrestatiegolf tegen vooral linkse politici en publicisten over het land te laten woeden[37]. Onder andere door deze staatsterreur die alle grote tegenstanders uit de weg ruimde, kregen de nazi’s bij de verkiezingen van 5 maart de absolute tweederde meerderheid, die nodig was voor de wet die Hitler nagenoeg onbeperkte macht gaf. Dit merkte Haffner reeds een twintigtal dagen later bijna lijfelijk toen hij in de bibliotheek van het gerechtshof werd opgeschrikt van zijn werk en hij tegen een SA’er lafweg antwoordde dat hij inderdaad ariër was. Dit deed bij Haffner een balletje rollen. Hij besefte dat het steeds onmogelijker werd om ‘privé’ het eigen leventje, los van de politiek en het publieke leven te blijven leven. Men kon dus nu niet meer zonder gevolg ‘ariër’ zijn of ‘niet-ariër’. Men ging zich anders gedragen als men de ‘categorie’ waartoe men behoorde kende en deze inmenging in de innerlijke leefwereld was voor Haffner bijna de spreekwoordelijke druppel.
Maar nogmaals kon zijn vader hem overtuigen om niet overhaast te werk te gaan. Haffner werd overtuigd om zijn studies af te maken en eventueel zijn dissertatie in Parijs te schrijven. Hierdoor kon hij al wat rondkijken naar werk in het buitenland en eventueel dan daar blijven na het beëindigen van zijn studies, moest de situatie in Duitsland toch nog onhoudbaar geworden zijn. Het gevolg was dat Haffner alsnog in Berlijn bleef en zelfs lid werd van de Berlijnse redactie van de Vossische Zeitung[38]. Deze krant hield echter op 31 maart 1933 ‘om financiële redenen’[39] op te bestaan, waarop Haffner voor zes maanden naar Parijs ging. Deze uitnodiging van zijn vader om in Parijs zijn dissertatie te schrijven, was voor Haffner een culminatiepunt van een hele reeks gebeurtenissen en gedachten die al jaren door zijn hoofd waren gegaan. De psychologische aftakeling, die hij iedere Duitser van die tijd toedichtte, beschreef hij als een langzaam murw geslagen worden van de Duitse geesten door een terreurbewind en een angstpsychose, die in gang werd gezet na de machtsovername van Hitler. Hij zag het als een duizend- en honderdvoudig duel, waarbij het duel werd gezien als een strijd waar ‘een individu zijn integriteit en zijn persoonlijke reputatie tegen een oppermachtige vijandelijke staat probeerde te verdedigen’[40]. De vele elementen waarvan hij zodoende afscheid moest nemen door de steeds meer beperkende wetten van de nazi’s, maakte dat hij zich steeds meer vervreemd voelde van zijn thuisland met zijn geschiedenis en waarden. Door te blijven zou hij zich immers onvermijdelijk moeten inzetten voor (de overwinning van) Hitler en dat maakte dat Haffner geen echte keuze had.
Maar voorlopig keerde Haffner in de nazomer van 1934 toch onverrichter zake terug uit Parijs. Na een eerste kennismaking met het leven van een emigrant (zij het dat van een emigrant die nog terugkon, en dus niet zó wanhopig was) besefte hij dat emigreren niet zo simpel was als hij misschien had gehoopt. In Parijs was de aanvankelijk positieve houding ten opzichte van Duitsers omgeslagen en het was een jungle geworden waarbij er voor de weinige jobs die door buitenlanders konden ingenomen worden, hevig gevochten werd. Het probleem voor Haffner was nu dat hij de job, waarvoor hij gestudeerd had, niet wilde uitoefenen voor een staat die zichzelf in diskrediet had gebracht. Aangezien ook op de kranten politieke druk werd uitgeoefend, was er ook hier in principe geen uitweg voor hem. Toch moest hij een baan zien te vinden, aangezien zijn studietoelage van huis uit weggevallen was met het beëindigen van zijn studies.
Hij begon dus toch maar aan een juridische loopbaan. Maar dan niet als ambtenaar bij de administratieve rechtbank of op een ministerie, maar als advocaat. Van 1934 tot 1936 oefende hij dat beroep uit, maar daarnaast bleef hij uitkijken naar een andere bezigheid. In die periode leerde hij zijn latere vrouw Erika Landry kennen, de vrouw van Harald Schmidt-Landry, de man met wie hij samen bij de Vossische Zeitung had gewerkt. Erika Landry-Hirsch was bibliothecaresse geweest bij de Duitse hogeschool voor Politiek. Hier werkten onder andere Albrecht Mendelssohn-Bartholdy[41] en Theodor Heuss[42]. Maar door de Wet op het Herstel van het Ambtenaarschap[43] verloren alle niet-ariërs die bij de overheid werkten, hun baan, waaronder Erika Landry. Zij maakte deel uit van een sinds generaties geassimileerde joodse familie, die zelfs tot het protestantisme was toegetreden, maar desondanks verloor ze haar baan als bibliothecaresse. Via haar baan als bibliothecaresse had ze echter enkele contacten kunnen leggen en Haffner hoopte zo bij de vrouw van zijn ex-collega aan nieuwe contacten te geraken. Wat Haffner dan precies met die contacten wilde doen, wordt niet onmiddelijk duidelijk, maar het lijkt logisch dat het ging om zijn verlangen te emigreren of toch tenminste om aan een baan te komen waarbij hij zich niet zou compromitteren.
Uiteindelijk vond hij een min of meer neutrale job als redacteur van Die Kleine Zeitung, de culturele bijlage van de Neue Modewelt. Hier kon hij schrijven over allerlei onderwerpen die hem niet verplichtten zich politiek uit te laten over zaken waar hij tegen was en waardoor hij min of meer een andere kant op kon kijken.
Dit zou uiteindelijk niet voldoende zijn. Toen Erika zwanger werd, móesten de twee uitwijken aangezien zij nu in ‘Rassenschande’ leefden[44]. In 1938 besloten Erika en Sebastian dan te emigreren naar Engeland. Hierover zei Haffner in een interview met Jutta Krug:
‘Ik was reeds in 1934 in Frankrijk geweest, toen ik mijn doctorsthesis schreef, en ik was er graag. Frankrijk is een mooi land. Frankrijk werd toen al overstroomd door Duitse emigranten en wou ze eigenlijk niet hebben. Ik was eigenlijk helemaal niet verbaasd dat ze in Frankrijk de Duitse vluchtelingen nadat de oorlog was uitgebroken allemaal hebben behandeld als waren het vijandelijke buitenlanders en hen hebben geïnterneerd. Dit had soms vreselijke gevolgen omdat ze zo als op een dienblaadje werden overgeleverd aan de nazi’s. (...) Tot in Amerika geraakten we met ons geld gewoonweg niet. Amerika was ver, en ook zeer omslachtig. Men moest borg betalen, en dat was niet voor elkaar te brengen. Daartussenin lag dus Engeland en in Engeland woonde ook al een deel van de familie van mijn vrouw[45].
Dit feit, dat Erika in Engeland familie had, was voor haar een geldig excuus om een uitreisvisum te krijgen voor haar en haar zoontje uit haar vorige huwelijk met Harald Schmidt-Landry[46]. In juni 1938 was het haar gelukt uit Duitsland te geraken en Haffner volgde haar twee maanden later met als fictieve reden het schrijven van een 120 bladzijden tellende biografie over de autoconstructeur Lord Nuffield.
In Engeland aangekomen, trouwden Sebastian Haffner en Erika Hirsch in Cambridge en werd hun zoon Oliver geboren. Hun problemen waren echter nog helemaal niet opgelost. Haffner was voor de politieke sfeer in zijn land op de vlucht en hij kende de taal van het land niet, waardoor zijn oorspronkelijke bron van inkomsten, namelijk het schrijven voor verschillende tijdschriften in Duitsland, voor hem (voorlopig) verloren ging. Toch had hij zich al van in Duitsland voorbereid op zijn verblijf in Engeland dat natuurlijk altijd langer kon duren dan men op het eerste zicht verwachtte. Zo volgde Haffner voor hij vertrok Engelse taallessen en kocht hij een foto-uitrusting, omdat – zoals zijn zoon Oliver zei – ‘foto’s niet van taal afhankelijk zijn, maar het ontbrak hem helaas aan het oog van een fotograaf, zijn talent was gelegen in schrijven en spreken’[47]. Ook een juridische baan zou even onmogelijk geweest zijn omdat het rechtssysteem zodanig verschilde van het Duitse, dat hij zich helemaal opnieuw had moeten inwerken.
De gevolgen van Haffners bedrog lieten niet lang op zich wachten. Na het verloop van een redelijke termijn om zijn werk over Lord Nuffield te schrijven, werd Haffner keer op keer bijna uitgewezen omdat hij geen geldige reden meer had om nog verder in Engeland te blijven. Zelfs het feit dat hij getrouwd was en niet meer terugkon, maakte niets uit. Verbazend genoeg en onverwacht werd hij echter geholpen door een quakersorganisatie waarvan iemand ging praten in het ministerie van Binnenlandse Zaken en hem zo een verblijfsvergunning voor een jaar bezorgde.
De oplossing voor zijn geldproblemen kwam min of meer uit de lucht vallen. Hij begon een boek te schrijven dat zijn persoonlijke gebeurtenissen vertelde, maar dat ook een realistisch beeld gaf van het Duitsland dat op het punt stond een oorlog te beginnen. Hij kreeg een contract van de Londense uitgever Frederic Warburg om voor twee pond per week zijn boek te schrijven. Het boek dat Haffner zou schrijven was Geschichte eines Deutschen. Maar na enkele maanden zou hij stoppen met het boek en beginnen aan een volgend, namelijk Germany: Jekyll&Hyde. Das Leben eines Deutschen was namelijk te persoonlijk, vond hij zelf. Volgens hem hadden de lezers een meer feitelijk relaas nodig van de samenstelling van het Duitse volk en de aanhang waarop de nazi’s konden rekenen. De bedoeling was aan de Engelse regering duidelijk te maken op wie ze haar propaganda moest richten. In de inleiding van zijn tweede boek zei hij het zo:
‘Net zoals artillerievuur pas dan succes kan hebben als het doel bepaald is, waarbij luchtverkenning goede diensten bewijst, zo vereist propaganda dat haar doelgroepen van tevoren worden geïdentificeerd. Dit boek wil de Britse en Franse propaganda net zo behulpzaam te zijn als de door verkenningsvliegtuigen gemaakte luchtfoto’s van de Siegfriedlinie[48] en haar achterland dat zijn voor de Britse en Franse artillerie (...). Hier is het doelgebied in overzichtelijke cartografische vorm. Dit Duitse psychologische landschap met zijn onregelmatige contouren is niet alleen het doelgebied van de oorlogspropaganda, maar ook het terrein van de toekomstige vrede’[49].
Maar Haffners bedoeling werd voorlopig niet op tijd opgemerkt, want Haffner werd opgepakt wegens verdenking van spionage voor Duitsland, nog voor het boek uitgegeven was. In de opkomende oorlogswoede werden er steeds striktere maatregelen genomen tegen Duitse vluchtelingen. Maar de Engelse regering was niet geneigd om, zoals in de Eerste Wereldoorlog, àlle weerbare Duitse emigranten op te pakken, omdat dit toen te duur was uitgevallen. Toch werd er een selectie gemaakt van de meest verdachte personen, waaronder Haffner, wegens zijn onduidelijke redenen om uit te wijken naar Engeland. Een week na zijn internering in februari 1940 werd zijn dochter Margaret geboren. Deze internering was tamelijk goed georganiseerd en men werd goed verzorgd. Haffners uitgever, Warburg, was echter bezorgd om de auteur van het te publiceren boek en belde naar het ministerie van Binnenlandse Zaken om te vragen wat er met hem gebeurd was. Na slechts enkele maanden kwam Haffner in april 1940 vrij en kon het boek gepubliceerd worden. Maar Haffner bleef niet lang op vrije voeten. In het voorjaar van 1940, na de overval van Duitsland op Denemarken en Noorwegen, werd de aandacht op de vijandelijke vluchtelingen scherper. Nu werden ook Erika en haar kinderen opgepakt en ondergebracht op het eiland Man, terwijl haar man een maand lang van het ene provisorische kamp naar het andere werd overgebracht. Ook hier heeft Warburg voor de vrijlating van Haffner en zijn familie gezorgd, omdat zijn opsluiting zeer onlogisch was:
‘Warburg heeft mij er onmiddelijk weer uitgehaald, ondertussen was mijn boek verschenen, (...) Het had een zekere weerklank. In deze omstandigheden, (...) waren er zeer veel politici die zeiden ‘wat voor een onrecht begaan wij, door de ‘refugees’ op te sluiten, dat zijn toch mensen die door Hitler vervolgd zijn’. Mijn geval kwam hun daar zeer gelegen: ‘daar is een man, die heeft juist een boek geschreven, een belangrijk boek, dat ons wat kan leiden in onze propaganda, en deze man sluiten wij op’. Aldus werd ik als één van de eersten weer vrijgelaten, om zo te zeggen die parlementariërs lik op stuk te geven’[50].
Zoals geciteerd, was de reden waarom de vrijlating van Haffner zo snel was gegaan voor een heel groot deel gelegen aan het verschijnen van Haffners boek, Germany: Jekyll&Hyde. De voorafdrukken werden door vooraanstaande mensen, zoals bijvoorbeeld Henry Wickham Steed[51] en Thomas Mann[52], zeer positief en enthousiast onthaald. Verschillende kranten, zelfs in de Verenigde Staten, beoordeelden het positief en als zeer verhelderend over het nazi-regime. Hierdoor werd Haffner bij de hogere kringen langzaamaan bekend en het kon niet zijn dat een man, die in de oorlogvoering tegen Duitsland zo duidelijk de kant van Engeland had gekozen, nog langer als verdacht persoon geïnterneerd bleef. Toch duurde het nog tot 24 augustus eer hij weer in Londen was en zijn intrek nam in een pension aan Brunswick Square. Zijn vrouw en kinderen volgden later.
Dankzij het succes met zijn boek, kreeg Haffner in 1941 een vergunning van de minister van Voorlichting om Die Zeitung uit te geven. Die Zeitung was een krant voor Duitstalige emigranten dat op 12 maart 1941 voor het eerst verscheen. Het was opgericht door Hans Lothar, die daarvoor Haffner aantrok omdat hij de geschikte eigenschappen had: ‘... das ist ein neuer, unverbrauchter Name, ein Mann mit einem gewissen politischen Sinn, offenbar ganz intelligent auf seine Art’[53]. Haffner op zijn beurt had gehoopt met Die Zeitung een forum op te richten, waardoor een dialoog tussen de verschillende groeperingen van Duitse emigranten op gang kon gebracht worden om zo een gemeenschappelijk front te vormen tegen Hitler. Maar hij had de verdeeldheid onder deze groeperingen onderschat. Hij verweet hun zelfs die verdeeldheid, want het was net hierdoor dat het gemeenschappelijke front tegen Hitler niet al vroeger gevormd werd en Hitler toch zo ver was kunnen komen, vond Haffner. Toen Lothar Haffner echter wilde afhouden van zijn opdrachten bij andere kranten, stapte Haffner het af bij Die Zeitung aangezien hij zich daar toch niet zo helemaal thuis voelde. Het probleem was dat gedurende de hele periode dat hij voor deze krant werkte, niet duidelijk genoeg werd wat nu juist het publiek was waarvoor hij moest schrijven. De krant werd namelijk gefinancierd door het ministerie van Voorlichting en werd dus ook gecontroleerd door de Duitssprekende Engelsman Richard Hare, waardoor Haffner zich al beknot voelde in zijn vrijheid. Ook het platform dat Haffner had willen oprichten bleek weinig op te brengen en toen uiteindelijk het tijdschrift ook nog een weekblad in plaats van een dagblad werd, waren er voor Haffner steeds minder redenen om zich daarvoor in te zetten. Tegelijkertijd begon Haffner aan de serie The Searchlight Books samen met George Orwell en Tosco R. Fyvell[54]. Het doel was hetzelfde als bij Die Zeitung, maar met dat verschil, dat Haffner hier een grotere vrijheid had om in het boek dat hij voor die serie schreef, Offensive against Germany, te schrijven wat hij dacht.
Sebastian Haffner was echter in de smaak gevallen bij David Astor, de uitgever van een toonaangevende Engelse krant, The Observer. De twee mannen kwamen met elkaar in contact en Astor vroeg Haffner bij hem te komen werken. Astor was het eens met Haffners visie op het gedifferentieerde Duitsland waarin de Duitse bevolking niet werd gezien als één blok nazi’s maar werd opgesplitst in verschillende categorieën, namelijk de aan Hitler loyale bevolking, de niet loyale bevolking, de nazi’s en de oppositie. Astor wou de psychologische oorlogsvoering gebruiken om Hitler te verslagen. Met andere woorden: Duitsland was niet Hitler. Er waren ook andere mensen in Duitsland naast de overtuigde nazi-aanhangers, waarmee een dialoog mogelijk was na de overwinning over Hitler. Haffner verwoordde het zo in een interview met Jutta Krug:
‘Ik zou willen zeggen, en dat is zelfs vandaag nog bijna onbekend, dat het leven in Duitsland, toch al zeker tot ‘38, nog zeer gedifferentieerd was, dat men doorgaans, toch zeker in Berlijn en, zoals ik verneem, ook in andere grootsteden, vooral in Hamburg, een leven kon leiden dat niet bekrompen was, in kringen, in gezelschappen, waar men nooit een nazi tegenkwam’[55].
Bij The Observer was Haffner duidelijk de drijvende kracht. Cyril Dunn, één van de medewerkers van de krant, beschreef Haffner als volgt: ‘Haffner stiess mir sofort als der grösste in der Redaktion auf. Ein typischer Herr Doktor mit hoher Stirn, der auf den Redaktionskonferenzen mit gottähnlicher Autorität die Zusammenhänge beschrieb’[56].
Toen de oorlog afgelopen was, viel de vraag of de Haffners weer zouden terugkeren naar Duitsland. Maar de familie had zich tijdens de oorlogsjaren zodanig ingewerkt in het leven in Engeland, dat het in eerste instantie niet zeer geneigd was terug te keren. Het ging zelfs zover dat ze zich in 1948 tot Engelsen naturaliseerden. Hieruit bleek duidelijk dat ze er serieus van overtuigd waren in Engeland te blijven.
Ondertussen waren de onderhandelingen tussen de westerse landen en de USSR begonnen. De leiders van de verschillende landen begonnen na te denken over de nieuwe situatie in de wereld en de positie van Europa, Engeland, China, Rusland en de Verenigde Staten van Amerika. Er moesten herstelwerken uitgedacht worden, het recht moest weer behoorlijk zijn werk doen en de moraal moest opgekrikt worden. Maar ook de territoriale situatie moest aangepakt worden. Polen en Servië kregen hun onafhankelijkheid terug, Tsjechië en Slovakije zagen het licht. In Duitsland moest volgens Charles de Gaulle de situatie teruggevoerd worden naar de periode van 1865: ‘Aufhebung von Bismarcks Werk, Trennung der Rheinlande vom Corpus Germanicum, so dass der Rhein nun doch, wenn nicht Frankreichs Staatsgrenze, doch, Frankreichs Machtgrenze und Schützendes Bollwerk wäre’[57]. Churchill daarentegen zag het onmiddellijk na de oorlog iets anders en meer realistisch en vernieuwend: hij raadde in zijn toespraak in Zürich van 1946 de construering van een Europa aan dat zou steunen op een nieuwe Frans-Duitse vriendschap[58]. De Verenigde Staten waren erop uit om Engeland en Frankrijk te controleren en een nieuwe ‘wraakactie’ zoals in 1919 te verhinderen. De Verenigde Staten wilden dat in Europa de rust zou weerkeren zodat zij zich weer, bijna zoals in 1920, zouden kunnen terugtrekken.
Haffner heeft in een eerste reeks artikels die hij voor The Observer schreef en die nu gebundeld zijn in boekvorm[59] over deze periode van aanloop naar de Koude Oorlog geschreven. Hier heeft Haffner zijn naam als politiek criticus gemaakt. De belangrijkste onderwerpen waarover hij schreef behandelden de vraag wat er nu met Duitsland moest gebeuren en daarmee verbonden, wat er met Europa moest gebeuren. Hij besprak de ontmanteling van Duitsland, waar hij, gezien het economische belang voor het eengemaakte West-Europa van een goed functionerende industrie in Duitsland, tegen was. Hij waarschuwde ook voor het aanbod van nationale eenheid en vrije verkiezingen dat Rusland en Oost-Duitsland steeds weer maakte en waarmee reclame werd gemaakt om West-Duitsland te winnen. Voor hem was het uiterst belangrijk dat men in West-Europa ging inzien dat men meer had aan een Duitsland dat met hen meedeed dan een Duitsland dat de kant van Rusland had gekozen. Het Westen moest Duitsland niet meer zien als een potentiële vijand, maar ‘als Partner in einer grossen, dauerhaften, neuen Union’[60]. Hij beoordeelde verschillende verenigingen die werden opgericht om de vrede te bewaren of te onderhandelen langs verschillende ooghoeken, naast ook de verschillende verdragen die werden gesloten. Eén van deze belangrijke overeenkomsten was het Marshall-plan, waarin Haffner een tijd lang alle heil zag. De deling van Duitsland vond hij in een eerste periode geen zaak ter discussie, Duitsland móest weer één worden. Maar naar het einde van zijn carrière toe zou hij er meer en meer van overtuigd geraken dat de gedeelde situatie de best mogelijke was en moest behouden blijven.
Haffners relatie met David Astor, de redacteur van The Observer, werd, nadat Astor was teruggekeerd uit het leger, met de dag slechter, naarmate Astor meer en meer de touwtjes in The Observer in handen wilde nemen. Dit kon Haffner, die tot dan gewend was geweest aan een uiterst grote vrijheid in hetgeen hij schreef, niet lang verdragen. Het uiteindelijke gevolg was dat Haffner begin 1954 terugkeerde naar Duitsland en correspondent in Berlijn werd voor The Observer. De beslissing of zijn familie, die ondertussen volledig was geïntegreerd in Engeland, zou volgen, stond nog niet vast, aangezien de breuk tussen Haffner en Astor door de afstand misschien minder scherp zou worden en dat Haffner misschien toch noch zou terugkeren naar Engeland. Uiteindelijk werd de knoop echter doorgehakt en verhuisde de familie naar Duitsland. Haffner zou hier een eigen imago opbouwen, waaruit niemand wijs kon worden:
‘Hij maakte op veel kijkers een onuitwisbare indruk met zijn hoge, wat snerpende stem, waarmee hij zowel geestig als provocerend en even laconiek als briljant zijn standpunten onder de aandacht bracht. In die uitzendingen maar ook in talrijke interviews en andere discussieprogramma’s in later jaren leerde men hem kennen als een charmante en eloquente intellectueel, die hield van het uitwisselen van standpunten (…). Zoals in veel van zijn artikelen kwam hij ook op de televisie over als een volstrekt autonome persoonlijkheid, die bij controversen niet zomaar zonder meer partij koos (…). Geen wonder dat velen geen wijs uit hem konden worden. Sommigen vonden hem links, anderen rechts, de meesten tot het begin van de jaren zestig conservatief. Haffner had daar echter geen problemen mee’[61].
Haffner was in Duitsland inderdaad niet stil blijven zitten. Op het moment dat hij zijn ontslag nam bij The Observer, had hij al gepubliceerd bij Christ und Welt en Die Welt en vanaf 1960 begon hij zelfs regelmatig voor deze kranten te schrijven.
Voor een journalist was er in die periode veel te doen: sinds de onderhandelingen tussen Rusland en de Verenigde Staten definitief afgeketst waren stelden de twee grootmachten zich defensief op. Vele onderhandelingen en resultaten moesten besproken worden en Haffner voelde zich als een vis in het politieke water. Hij had zijn naam gemaakt als redacteur voor The Observer en liet ook nu niet na zijn mening over de situatie te geven. Met vuur bepleitte hij zijn visie van de zaak en legde hij de fouten en zwakheden van de partijen bloot. Hij verscheen op Frühshoppen[62], schreef enerzijds voor Die Welt en Christ und Welt[63], anderzijds voor konkret[64] en Stern[65]. Steeds was hij ervan overtuigd dat, mits wat gezond verstand en een open blik op de situatie en de visie van de andere partijen, er een mogelijkheid was dat de situatie zich zou verbeteren. Tot de Spiegel-crisis uitbrak in 1962 en enkele jaren later de Springer-pers in discrediet raakte door wat Haffner de ‘Nacht van de Lange Knuppels’ noemde.
4. Haffners jaren van sociaal engagement: 1961-1975
De Spiegel-affaire kwam tot ontwikkeling in de herfst van 1962 te Hamburg toen op de avond van 26 oktober 1962 enkele medewerkers van de Spiegel gearresteerd werden wegens landverraad. Er was echter sprake van machtsmisbruik door de staat, meer bepaald door de minister van Verdediging, Strauss. Deze zou tot de arrestatie van verschillende medewerkers van Der Spiegel opdracht gegeven hebben, wat niet tot zijn bevoegdheid hoorde. Hierin zag Haffner een terugkeer naar de tijd van Hitler, waar men niet meer zeker kon zijn of het wel een telegrambesteller was als men ’s nachts uit zijn bed gebeld werd, of iets anders onschuldigs[66].
De Springer-pers-crisis was begonnen met de moord op de student Benno Ohnesorg op 2 juli 1967 door de politieagent Karl-Heinz Kurras. De studenten waren op straat gekomen om vreedzaam te betogen tegen de komst van de sjah van Perzië, die erom bekend stond de mensenrechten in zijn land niet te serieus te nemen. De publieke opinie was volgens velen in de Springer-pers beduidend tegen de studentenbeweging opgehitst, wat de moord op die manier zou kunnen verklaard hebben. Dit greep Haffner nogmaals aan om te keer te gaan tegen deze Nacht van de Lange Knuppels[67], die deze keer veroorzaakt was door het monopolie van de Springer-pers, waardoor de meningsvrijheid in Berlijn in gevaar kwam.
De Spiegel-affaire zou leiden tot Haffners ontslagneming bij Die Welt en Christ und Welt, omdat deze kranten Haffners artikel over de zaak (die duidelijk tegen de gevangenneming was) niet wilden afdrukken. Hij stapte naar de televisiezender NDR en op 4 november 1962 werd zijn mening uitgezonden: ‘Als de Duitse openbare mening zich dit laat welgevallen, als ze niet voortdurend om opheldering blijft vragen, dan vaarwel persvrijheid, vaarwel rechtsstaat, vaarwel democratie’[68]. Over de werkelijke toedracht van de zaak, namelijk of het nu ging om een inbinden van de persvrijheid of om een verraad van staatsgeheimen, wil ik het hier niet hebben, ze brengt ons te ver van de zaak af. Maar het staat vast dat Haffner zich in deze situatie geroepen voelde zijn naam te gebruiken in enkele uiterst harde bewoordingen tegen de staat. Hij voelde zich verplicht te wijzen op de wandaden die er volgens hem begaan waren.
Tegelijkertijd viel de regering over deze zaak. Minister van Defensie Strauss nam zijn ontslag en op 11 december 1962 trad een nieuw CDU/CSU/FDP-kabinet aan en zelfs de druk op Adenauer werd vergroot. Reeds in 1959 was Adenauer van plan geweest bondspresident te worden om het wat rustiger aan te kunnen doen, maar ‘door de moeilijke binnenlandse politieke situatie’ dacht hij er beter aan te doen toch nog bondskanselier te blijven. Hij probeerde de populariteit van Willy Brandt, zijn tegenkandidaat, tegen te houden door hem van emigratie nog vóór de oorlog te beschuldigen en te vermelden dat hij een onecht kind was. Haffner, die, zoals bekend, ook was geëmigreerd, was hierdoor natuurlijk onmiddelijk aandachtig. Hij schreef er zelfs een woedend artikel over in Stern, waarin hij het politieke oordeel van de emigranten zelfs hoger zou inschatten dan dat van hen die in Duitsland waren gebleven, daarmee quasi uitdrukkelijk de kant kiezend van Willy Brandt. In de regeringscrisis die begonnen was door de Spiegelaffaire zei hij:
‘Als de regeringscrisis tot het logische ‘einde van de regeringswissel’ zou voeren, dan zou de ‘regeringscrisis’ opgelost zijn. Dit vereist tenminste het aftreden van de minister van Verdediging, beter nog, die van de Bondskanselier. Het loutere feit, dat het moment waarop deze zou aftreden, een dergelijk punt voor speculaties is, maakt dat deze laatste maanden van zijn kanselierschap een pijnlijke en droevige vertoning zijn. Zelfs al zou de Spiegelaffaire geen grondige verandering brengen: het zou Adenauers faam bij latere generaties geen goed doen om dit schouwspel nog te verlengen. Ook van de beste wijn kan men de droesem beter laten staan’.
Iets verder zei Haffner nog:
‘Men heeft Adenauer bewierookt – ook ik heb dat gedaan, tot in het vorige jaar nog[69] – met het feit dat hij toch altijd nog die innerlijke stabilisering heeft kunnen doorvoeren: standvastige parlementair-democratische spelregels, geen neonazisme, de oude nazi’s zijn getemd, de antinazi’s gerustgesteld, wat goed te maken was, was weer goedgemaakt. Sinds de Spiegel-affaire kan men dat niet meer zeggen. Op dat moment kwam een vreselijke staat in een staat tevoorschijn, dat diepgaand door nazi’s bemand was, en zo ze niet neonazistisch waren, dan toch neofascistisch – ‘autoritair’ – in hun denken en doen. Deze staat bestaat nog en is levenskrachtig. Als Adenauer dat niet heeft gewild, dan kan men, wat betreft zijn binnenlandse politiek zowel als zijn Duitsland- en buitenlandse politiek, eens te meer een falen registreren. Een falen met een kwalijke erfenis’[70].
Haffner was ook een fervente woordvoerder in de zaak van de protestdemonstratie tegen het bezoek van de Iraanse sjah aan Berlijn. Tijdens een eerste demonstratie waren er al ongeregeldheden waarbij de politie niet bepaald instond voor de veiligheid van de studenten die werden afgeranseld door de geheime politie van de sjah. Tijdens de tweede demonstratie ‘s avonds werd een student, Benno Ohnesorg, zelfs woest neergeknuppeld door een groep politiemannen en uiteindelijk doodgeschoten door Karl-Heinz Kurras, een politieofficier. Deze gang van zaken was voor Haffner als een rode lap voor een stier. In zijn artikel ‘Nacht der langen Knüppel’ meende hij de gebeurtenissen zelfs nauwelijks te kunnen vergelijken met de situatie in het Derde Rijk buiten de concentratiekampen (in die zin dat deze situatie veel erger was dan toen). Hij verdedigde de studenten tegen de algemene mening, die door de Springerpers werd verwoord, dat het de schuld was van de studenten zelf dat het zo uit de hand was gelopen:
‘Sedert maanden heeft de in West-Berlijn toonaangevende en marktbeheersende pers van de uitgever Springer een systematische pogromstemming opgevoerd tegen de nonconformistische Berlijnse studenten. (...) Hun (dat van de studenten dan) misdrijf bestaat er enkel en alleen in dat zij demonstreren voor hun mening, die afwijkt van de mening van de Springerpers, en met deze betogingen behoeden ze nog het laatste vonkje van meningsvrijheid in het Berlijn van Springer voor het uitdoven. Juist hier komt haarscherp tot uiting, dat dit Springer-Berlijn van 1967 inwendig, ook al is het niet in die vorm, weer een fascistisch Berlijn is geworden’[71].
De fout die aan de Springer-pers toegeschreven werd was dat zij de publieke opinie hadden gemanipuleerd. Volgens Haffner was er sprake van een aantasting van de vrije meningsuiting, waardoor de studenten de kans niet hadden gekregen hun deel van het verhaal te vertellen. Steeds weer werd de schuld voor de moord bij de studenten gelegd, die de manifestatie uit de hand hadden laten lopen, terwijl het toch een politieagent was die het schot afgevuurd was.
In deze twee voorvallen meende Haffner te ontdekken dat het oude in Duitsland níet verbeterd was, dat de leiders van de wereld níet de moeite hadden gedaan om de nazi’s van hun machtsposities te ontzetten en corruptie en personvrijheid te bestrijden.
Na de breuk met Die Welt en Christ und Welt in 1962, kreeg Haffner een aanbieding om bij Stern te werken. Dit was een belangrijke stap, omdat dit tijdschrift eerder populariserend was en door veel meer mensen werd gelezen. Elk artikel dat Haffner schreef, werd nu dus veel invloedrijker en dit zou gevolgen hebben voor zijn status in de politieke wereld. Waar men hem vroeger lijdzaam duldde als de kleine schoolmeester die met de strenge vinger opgeheven zei hoe het moest, had hij zich nu ontpopt tot een soort massaleider die er niet voor terugschrok zijn invloed ook te gebruiken, zelfs tegen alle denkverboden in. Dit was zijn gevaar en dit was de reden waarom er bijna sprake was om een rechtszaak tegen hem aan te spannen:
‘Als deze bijdragen waren verschenen in konkret of in een ander gelijkaardig radikaal tijdschrift met een laag aantal abonnees, dan had niemand in de Bondsrepubliek daar aanstoot aan genomen. De weinige lezers had het een plezier gedaan en het grote publiek had het nauwelijks vernomen. Op deze manier echter – de oplage van Stern had al lang de grens van het miljoen overschreden, bleef stijgen en elk tijdschriftje werd door meer als één lezer ter hand genomen – moest er op de tegendraadse gereageerd worden’[72].
In de periode van de volle jaren ’60 was het de vraag of de CDU voor altijd een dominante rol zou moeten spelen in de bondsregering. Hij vond dat er in een vrije, democratische staat altijd de mogelijkheid van een regeringswissel moest bestaan, en nu was het zaak de SPD aan de macht te brengen. Uit de Spiegelcrisis was gebleken waartoe een autoritaire staat die zich achter een democratische façade verschool, in staat kon zijn. Het werd dus tijd voor een wisseling van de wacht, zodat de regerende macht niet de indruk kon krijgen dat ze het alleenrecht had op de macht[73]. Haffner was ervan overtuigd dat er moest gedemocratiseerd worden en pleitte ervoor dat de SPD haar taak van oppositiepartij ten volle zou benutten en daarmee haar kans zou zien de macht - of toch een deel van de macht - te veroveren.
5. Haffners laatste bijdragen: 1975-1999
Een laatste fase in het leven van Haffner werd ingeluid met de publicatie van zijn boek Anmerkungen zu Hitler in 1978. Hij was op het idee om dat boek te schrijven gekomen door zijn vroegere collega Kindler. De bedoeling was de Duitse jeugd, die, na een enquête, niets of bijna niets van de persoon Hitler bleek te kennen, op een inzichtelijke, korte, leesbare manier in te lichten over de geschiedenis van Duitsland die niet eens zo lang geleden was. Haffner was, met zijn imago van bevattelijke en eenvoudige schrijver, daar de geschikte persoon voor. Na even aarzelen (hij was het, na jarenlang alleen maar journalist te zijn, niet meer gewend om aan een dergelijk groot werk van een boek te beginnen en daarbij was hij sinds 1975 gestopt met regelmatig voor tijdschriften te schrijven) begon hij er toch aan en het werd een bestseller. De recensies waren bijna overal positief tot uitbundig. Haffner kreeg hopen fanmail en kon zelfs niet meer met de trein reizen omdat hij altijd werd aangesproken. Kindler, die in zijn Kindler-Verlag het boek had uitgegeven, hoopte nog meer werk van Haffner te mogen publiceren. Het begon in 1979 met een heruitgave van het in 1969 voor het eerst verschenen boek Die verratene Revolution. Het jaar daarop publiceerde Haffner bij Stern een serie over Pruisen (Preussen ohne Legende[74]). In mei 1980 schreef Haffner een essay over het parlementaire bestel in de Bondsrepubliek. Ook schreef hij Überlegungen eines Wechselwählers waarin hij wilde aantonen dat hij belang hechtte aan een regelmatige verandering van wacht in de politiek, wat volgens hem de beste manier was om de democratie in ere te houden. Een partij of een machthebber mocht nooit te lang aan de macht blijven, of het zou de democratie wel eens niet meer willen toepassen en het alleen in woord in ere houden, zoals reeds was tot uiting gekomen in de crisissen rond de Spiegel en bij de dood van Benno Ohnesorg in de ‘Nacht van de Lange Knuppels’.
In de jaren ’80 ging het min of meer bergaf met Haffner. Hij kreeg ernstigere gezondheidsklachten en hij trok zich steeds verder terug. Ondanks vele herdrukken van zijn werk en de verhoogde interesse in zijn visie als criticus (de jaren ’80 kunnen zijn succesjaren genoemd worden), verscheen er niets nieuws meer van zijn hand. Enkel in interviews (zoals dat met Jutta Krug) of via bandopnames (zoals bij het boek Von Bismarck zu Hitler verscheen er nog iets van hem. In 1969 was hij weduwnaar geworden. Erika had zich niet meer kunnen aanpassen aan het leven in Berlijn, waar zij haar baan en vrienden verloren had in de Tweede Wereldoorlog. Ze had zich steeds meer in huis opgesloten en heeft zelfs met de idee gespeeld om terug naar Londen te gaan. Uiteindelijk was ze toch in Duitsland gebleven, waar ze stierf. Na dertien jaar hertrouwde Haffner met Christa Rotzoll, een journaliste, die hij echter ook overleefde. Zij was in een ongelukkige val van de trap verkeerd terecht gekomen en Sebastian Haffner, zelf niet meer zo goed te been, kon haar niet meer helpen. Zijn kinderen waren beiden hun eigen weg ingeslagen. Oliver was doctor in de wiskunde geworden en zijn dochter Margaret, werd kunstenares en nam als pseudoniem de naam Sarah Haffner aan. Sebastian Haffner stierf op 2 januari 1999. Na zijn dood vonden zijn twee kinderen het manuscript van zijn autobiografie terug in een schuif van zijn bureau. Het als Geschichte eines Deutschen uitgegeven boek werd een bestseller omwille van Haffners bekende, heldere en rechtstreekse manier van schrijven om de gebeurtenissen van de Tweede Wereldoorlog te verhalen.
‘Polemisch verzet betekent: ik protesteer tegen de onrechtmatige en onrechtvaardige eisen die de bezetter stelt. Ik doe dat op een duidelijke wijze om daardoor ook mijn landgenoten ervan te overtuigen dat ze zich niet bij de maatregelen van de nationaal-socialistische bezetter moeten neerleggen, maar de strijd met hem moeten aanbinden en volhouden’.
Uit: BUITKAMP, Dr. J. Geschiedenis van het verzet[75].
HOOFDSTUK II: DE WERKEN VAN SEBASTIAN HAFFNER
1. Een overzicht en korte bespreking van Haffners werken
1. Zijn werken
Ik heb het corpus van Haffners werken opgedeeld in drie tijdsgebonden delen en in drie inhoudelijke delen. De drie tijdsgebonden delen vormen de drie onderverdelingen in dit hoofdstuk. Het eerste deel begint in 1914, toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak en gaat tot 1938, toen Haffner uitweek naar Engeland. Het tweede deel loopt van 1938 tot 1953, toen Haffner terugkeerde naar Duitsland en het derde deel gaat van 1953 tot 1989, toen Haffner zijn laatste boek uitgaf. De keuze in tijdsgebonden gehelen werd dus bepaald door Haffners biografie, die nauw samenhing met de onderwerpen die hij besprak.
In de eerste periode bespreken we de Eerste Wereldoorlog en de daaropvolgende Duitse Revolutie van 1918/19. In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog schreef Haffner onder censuur. Als men de artikels die gebundeld zijn in Das Leben der Fussgänger doorneemt, begrijpt men waarom Haffner dit niet lang kon uithouden. Deze korte stukjes, die samengesteld zijn uit de bijdragen van Haffner aan tijdschriften als daar waren Koralle[76], Vossische Zeitung, Deutsche Allgemeine Zeitung, Die Neue Linie [77], Die Dame[78] gingen over de kleine alledaagse dingen des levens. Moest men daarover schrijven terwijl steeds meer mensen in hun vrijheden werden beperkt en vrienden moesten uitwijken wegens hun joodse afkomst? De occasionele, bijna onherkenbare kritische noot die hij kon inbrengen was niet voldoende[79] en zoals we hebben gezien is Haffner in 1938 naar Engeland geëmigreerd.
Om meer te weten over de situatie in Duitsland in die tijd zoals Haffner het zag, moet men de boeken lezen die hij vanaf 1938 in Engeland geschreven heeft (de tweede periode). Geschichte eines Deutschen schreef hij voor Frederic Warburg[80] voor twee pond per week. Het beschreef het verhaal van zijn leven tot aan het punt waar hij besloot uit Duitsland te vertrekken. Daarin beschreef hij zijn persoonlijke rancune tegen Hitler en zijn mannen die zonder enig eigen initiatief waren, zonder enige smaak of moraal.
Dit boek vond hij echter te persoonlijk en hij begon aan Germany: Jekyll&Hyde, waarmee de tweede periode begon. Germany: Jekyll&Hyde was een boek over de psychologische samenstelling van de Duitse bevolking zoals hij het had achtergelaten. Dit volk bestond uit Hitler, de nazi’s en de oppositie, maar de twee grootste delen van de bevolking waren de ‘loyalen’ en de ‘illoyalen’. Veertig procent van de bevolking was ‘loyaal’, met andere woorden, dit waren mensen die Hitler steunden zonder nazi te zijn. Het waren de mensen die nog steeds geloofden te werken voor een regering die het harde werk verdiende. Een andere veertig procent van de bevolking was niet-loyaal. Dit wil zeggen, het wilde evenzeer als de geallieerden dat Hitler ten val werd gebracht. Het probleem was echter dat dit deel, in tegens