| De Golfoorlog (1991): een strategische en militaire analyse en de gevolgen voor het Amerikaans defensiebeleid. (Tom Grandjean) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
‘Politieke macht komt uit de loop van een geweer’. Met dit citaat uit 1938 lijkt Mao Zedong, de stichter van de Chinese Volksrepubliek, het bij het rechte eind te hebben. De 20e en ook de eerste jaren van de 21e eeuw tonen aan dat wie militaire macht kan uitoefenen het ook in de internationale politiek vaak voor het zeggen zal hebben.
Het ultieme doel van militaire strijdkrachten is te dienen als een instrument dat in tijden van oorlog tegen andere politieke entiteiten ingezet kan worden. Dit is meteen de verklaring waarom de ontwikkeling van militaire organisaties als aparte en permanente instituties samenviel met de opkomst van het Westfaalse statensysteem in Europa.[1]
Het in stand houden van een militaire strijdmacht kan dus nooit een doel op zich zijn, maar is steeds een middel tot het bereiken van een hoger doel. In de eerste plaats wordt dan terecht gedacht aan het verdedigen van de natie, maar een krijgsmacht kan de meest diverse taken toebedeeld krijgen, gaande van het verlenen van humanitaire bijstand tot het bestrijden van terroristische groeperingen. Essentieel is dus dat de militaire organisatie ten dienste staat van de natiestaat waaruit ze ook is voortgekomen. Hieruit volgt dat de krijgsmacht niet zelf haar beleid te bepalen heeft, maar dat ze ondergeschikt is aan en steeds gecontroleerd wordt door democratisch verkozen politieke leiders.
Oorlog, hier gedefinieerd als een toestand van openlijk gewapend conflict tussen twee of meer partijen (meestal staten, al kunnen ook terroristische groeperingen zoals Hezbollah in een oorlog verwikkeld geraken), heeft dus steeds een instrumenteel karakter.
In het Westen wordt oorlog immers alleen gevoerd omwille van objectief waar te nemen doeleinden, hoe irrationeel het bloedvergieten soms ook lijkt voor buitenstaanders.[2] Psychologen en antropologen zullen ons ongetwijfeld vertellen dat conflicten inherent zijn aan de menselijke natuur, maar oorlog als georganiseerde en doelgeoriënteerde activiteit is wel degelijk een sociale constructie die al eeuwenlang voortkomt en die met de opkomst van het Europese statensysteem een exclusieve aangelegenheid voor de natiestaat werd. De politieke wetenschappen bestuderen militaire organisaties en de manier waarop deze worden ingezet omdat zij nu eenmaal in het verlengde van de politiek liggen.
Karl von Clausewitz poneerde deze stelling al in zijn boek ‘Over oorlog’, waarin hij oorlog identificeerde als een politiek instrument, ‘de voortzetting van politiek met andere middelen’.[3]
Ook in de Verenigde Staten worden de militaire strijdkrachten beschouwd als een legitiem instrument voor het buitenlandsbeleid. Meermaals in het verleden bleek de dreiging met of de daadwerkelijke inzet van deze militaire macht een effectief beleidsinstrument te zijn voor het realiseren van bepaalde politieke doeleinden. Idealiter zou oorlog slechts een ultieme oplossing mogen zijn voor een gepercipieerd probleem, waartoe pas wordt overgegaan nadat alle vreedzame middelen uitgeput zijn.
De actualiteit, maar vooral de geschiedenis toont aan dat dit niet steeds het geval is en dat militaire macht soms ook voorbarig en overhaast ingezet wordt. Ook de Verenigde Staten hebben zich in het verleden aan deze fout bezondigd.
Het onderzoeksobject van deze thesis is de Golfoorlog van 1991 (in de Engelstalige literatuur: Persian Gulf War). Er wordt een grondige strategische en militaire analyse van het conflict gemaakt. Deze geslaagde militaire interventie van een coalitie samengesteld door de Verenigde Staten kwam er na de invasie van Koeweit door buurland Irak. Daarom wordt er ook de nodige aandacht besteed aan de motieven van het Iraakse regime om zijn buurland te annexeren. De VS kregen de militaire en financiële steun van een heel aantal landen, maar de hoofdinspanning werd geleverd door de Amerikaanse strijdkrachten.
Deel 1 behandelt de globale context van de Golfoorlog, het
strategische belang van de Perzische Golfregio en de belangen van de Verenigde
Staten in dit deel van de wereld.
In deel 2 wordt dan vervolgens uitgebreid ingegaan op de Golfoorlog van 1991:
aanleiding, verloop en gevolgen worden besproken.
Deel 3 tenslotte behandelt de belangrijkste kenmerken van de Golfoorlog, die samengevat kunnen worden onder de noemer Revolution in Military Affairs, waarop dan ook uitgebreid wordt ingegaan. Omdat de Amerikaanse oorlogsinspanning fundamenteel is geweest voor het succes van de Golfoorlog gaan we ook in op de gevolgen die dit conflict op het Amerikaans defensiebeleid hebben gehad.
Van het concept ‘militaire interventie’ kunnen twee definities gegeven worden. Een juridische op basis van het internationaal verdragenrecht luidt als volgt: ‘The forcible and arbitrary interference of a state in the affairs of another state, calculated to impose certain serious consequences on that other state.’[4]
Artikel 2(4) van het charter van de Verenigde Naties verbiedt trouwens de dreiging met of het gebruik van geweld, maar later zullen we zien dat de coalitie die Irak uit Koeweit verdreef over de autorisatie van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties beschikte.
De Golfoorlog werd uiteindelijk gevoerd onder de auspiciën van de VN en was meer bepaald een toepassing van hoofdstuk VII van het VN-charter, dat de Veiligheidsraad machtigt om geweld in te zetten tegen een agressor, i.c. Irak.[5]
Een algemene of politieke definitie van een ‘militaire interventie’ zal voor mijn onderzoek van meer nut zijn: ‘The use of military forces, irrespective of whether unilaterally, or bilaterally or multilaterally constituted covering land, sea and/or air, conducted either with or without the consent of the state or states in which they are taking place, and either with or without endorsement by a competent regional authority or the United Nations, to intervene in internal affairs of another state or in international disputes.’[6]
Door een grondige literatuurstudie uit te voeren, pogen we in deze thesis de oorzaken, het verloop, de gevolgen en de karakteristieken van de Golfoorlog bloot te leggen. Vervolgens kunnen we de impact van de Golfoorlog op het Amerikaans defensiebeleid sindsdien deduceren. Twee voorbeelden kunnen hier aangehaald worden die verderop uitgebreid uitgediept worden.
De Golfoorlog injecteerde bij een groot aantal defensieverantwoordelijken het geloof dat air power alleen volstaat om oorlogen te winnen. Deze overtuiging zagen we onder meer tot uiting komen in het defensiebeleid onder de Clinton-administratie.
Na de Golfoorlog dook in allerlei analyses het concept
‘Revolution in Military Affairs’ (RMA)
op. Nieuwe geavanceerde technologie is het meest saillante kenmerk van de RMA.
Deze revolutie, of alleszins de perceptie ervan, zou een diepgaande invloed
uitoefenen op de transformatie van de Amerikaanse strijdkrachten tijdens de
jaren ’90.
1. Globale context van de Golfoorlog
De Golfoorlog van 1991 volgde na een aantal zeer intense, maar interessante jaren in de wereldpolitiek. Als we het willen hebben over het Amerikaanse defensiebeleid tijdens en na de Golfoorlog van 1991, dan kan immers onmogelijk voorbijgegaan worden aan het einde van de Koude Oorlog. Deze geopolitieke en strategische omwenteling kwam er onverwacht, maar heeft verstrekkende gevolgen gehad voor het Amerikaanse veiligheids –en defensiebeleid en dit zonder dat de confrontatie tussen de twee supermachten op oorlog is uitgedraaid.
Tijdens de jaren volgend op de dissolutie van het Sovjetrijk, kwam er een hevige discussie op gang over het toekomstige Amerikaanse veiligheidsbeleid. De rol van de Verenigde Staten in de wereld en dan vooral in Europa diende herbekeken te worden. In de eerste plaats gebeurde deze analyse in strategische en militaire termen.
1.1. Het einde van de Koude Oorlog
In de jaren 1989-1991 veranderde het aanzien van de wereldpolitiek zeer ingrijpend. Dit was het gevolg van de politieke en economische hervormingen in de landen van Oost –en Centraal Europa, de val van de Berlijnse muur en de hereniging van Oost –en West-Duitsland en de daaropvolgende implosie van de Sovjet-Unie. Het einde van de Koude Oorlog werd ingeleid door enerzijds de opkomst van hervormer Michail Gorbatsjov als leider van de Sovjet-Unie en anderzijds door de massaal verhoogde defensie-uitgaven die doorgevoerd werden door Ronald Reagan. De Amerikaanse president beoogde een roll back van de invloed van de Sovjet-Unie. Dit moest gebeuren door de wapenwedloop steeds intensiever op te drijven en op die manier de Sovjet-Unie economisch te ruïneren. Op een meer verdoken manier verhoogde Reagan ook de financiële en militaire steun aan diverse oppositiegroepen wereldwijd om zo regimes in de Derde Wereld, die door Moskou gecontroleerd werden, omver te werpen.
Hier kunnen twee voorbeelden die later omwille van hun negatieve repercussies voor de Verenigde Staten nog uitgebreid aan bod zullen komen, aangehaald worden. Ondanks hun publieke neutraliteit in het conflict tussen Irak en Iran, dat duurde van 20 september 1980 tot 20 augustus 1988, voorzagen de Verenigde Staten het regime in Bagdad van de nodige wapens. Een overwinning van het Islamitisch regime in Teheran moest koste wat het kost vermeden worden. Een tweede voorbeeld is al even stuitend als men de gebeurtenissen van de jaren ’90 en vooral de terroristische aanslagen van 9/11 in perspectief houdt. Op 25 december 1979 vielen sovjettroepen Afghanistan binnen in een poging de toestand in het land te stabiliseren en een marxistische regering stevig in het zadel te helpen. Voormalig CIA-directeur Robert Gates stelde in zijn memoires dat de Amerikaanse geheime diensten reeds zes maanden voor de sovjetinvasie een campagne voerden om oppositionele facties te steunen.[7] Op 3 juli 1979 ondertekende VS president Carter een besluit dat de CIA machtigde om hun geheime propagandaoperaties te intensifiëren. Over deze informatie is later in de literatuur een hevige discussie op gang getrokken. Zo wordt er namelijk beweerd dat de VS zich bewust in de Afghaanse politiek gemengd hebben om de Sovjet-Unie een casus belli aan te leveren en hen zo in een bloedig conflict te lokken dat voor de Sovjet-Unie even rampzalig zou eindigen als Vietnam voor de Verenigde Staten.
Deze controversiële these werd later door Zbigniew Brzezinski, de National Security Adviser van president Carter (1977-1981), bevestigd: ‘We did not push the Russians to intervene, but we knowingly increased the possibility that they would.’[8] De Verenigde Staten zijn de Afghaanse mujahedien op progressieve wijze blijven steunen, totdat de definitieve terugtrekking van de Sovjets uit Afghanistan voltrokken was op 15 februari 1989. Met hulp van buurland Pakistan werd een coalitie van binnenlandse en buitenlandse islamitische strijders van wapens voorzien. De mujahedien, waarvan er velen afkomstig waren uit het Midden-Oosten, kregen bijvoorbeeld in 1986 voor het eerst Amerikaanse Stinger grond-luchtraketten toegeleverd, die cruciaal bleken te zijn om de Sovjet counterinsurgency operations te dwarsbomen.[9]
Alles samen hebben de Sovjets een slordige 75 miljard $ uitgegeven aan hun avontuur in het Centraal-Aziatische land. De Verenigde Staten besteedden een bescheiden 3,3 miljard $ aan steun voor de mujahedien en zij leken met dat geld de betere resultaten geboekt te hebben.[10] De opeenstapeling van problemen in Afghanistan hebben er, samen met de fiscale situatie ten gevolge van de verhoging van de defensie-uitgaven, voor gezorgd dat de Sovjet-Unie steeds verder achterop liep bij de hoogtechnologische militaire ontwikkelingen die de Verenigde Staten doorvoerden. Het Sovjet economisch systeem geraakte helemaal ontregeld in een poging om de defensie-uitgaven van de NAVO en vooral de VS te evenaren. Tegen het eind van de jaren ’80 was de Sovjet-Unie dan ook virtueel bankroet. De presidenten Reagan en Bush Sr. eisten meteen na het einde van de Koude Oorlog de overwinning op. De Sovjets hadden volgens hen gecapituleerd omdat ze de wapenwedloop met de Amerikanen niet meer aankonden en ze inzagen dat het Amerikaanse systeem van de vrije markt volstrekt superieur was.
Volgens Yvan Vanden Berghe klopt deze Amerikaanse analyse van
het einde van de Koude Oorlog niet helemaal.[11]
De Sovjets hebben de fenomenale verhoging van het defensiebudget tijdens de
eerste ambtsperiode van Reagan bewust nooit willen beantwoorden. Aanvankelijk
waren ze wel bevreesd voor het SDI-project, maar ze zagen er weldra de utopie
van in. Op 23 maart 1983 stelde Reagan zijn Strategic Defence Initiative immers
aan een nationaal televisiepubliek voor. De oorspronkelijke idee achter het
SDI-programma was de Verenigde Staten een perfecte bescherming te bieden tegen
inkomende nucleaire raketten door middel van in de ruimte geplaatste
interceptoren.[12]
Het volledig uitwerken van het programma zou het nucleair strategisch evenwicht
tussen de VS en de Sovjets volledig overhoop gehaald hebben, maar al gauw
stuitte het project op onoverkomelijke organisatorische en technologische
barrières.[13]
Ondanks hun initiële uiting van verontwaardiging hoefde de Sovjet-Unie zich dus niet al te veel zorgen te maken over het utopische ‘Star Wars-project’ van president Reagan. De Sovjets streefden reeds van in het begin van de jaren tachtig naar ontwapening en wapenbeheersingscontracten met de Verenigde Staten. Ondanks het fenomenale overwicht van de Amerikaanse militaire macht, besloot Gorbatsjov in december 1988, vertrekkend van nieuwe strategische inzichten, eenzijdig zijn troepen te verminderen. Het antwoord op de gigantische Amerikaanse inspanningen was dus een reductie van de sovjettroepen. Gorbatsjov en een aantal sovjetleiders wilden zich reeds lang terugtrekken uit de machtsstrijd om de Derde Wereld en hun troepen terughalen uit Afghanistan.[14]
Ook over de economische hervormingen in de Sovjet-Unie is er discussie en men kan niet simpelweg concluderen dat het einde van de Koude Oorlog over de ganse lijn een overwinning betekende voor de westerse vrijemarkteconomie. Vanden Berghe nuanceert opnieuw door te stellen dat het Gorbatsjov zelf was die de aanzet gaf door zich, net zoals zijn voorganger Andropov, te laten inspireren door het West-Europese sociaal-democratische model. Hij wilde voor de Sovjet-Unie namelijk een gemengd systeem van vrije ondernemingen en staatsbedrijven. De staat zou volgens de sovjetleiders hoe dan ook het sociaal-economische proces blijven reguleren.[15]
Met het wegvallen van de dreiging vanuit de Sovjet-Unie, kon ook eindelijk nagedacht worden over een substantiële terugtrekking van de Amerikaanse strijdkrachten uit Europa. Bovendien betekende het einde van de Koude Oorlog een mogelijke fiscale verlichting voor het uit de pan rijzende defensiebudget van de Verenigde Staten. Tussen 1986 en 1994 was er inderdaad een reductie in de Amerikaanse defensie-uitgaven van maar liefst 21%, desondanks steeg het aandeel van de VS in de wereldwijde defensie-uitgaven tijdens deze periode van 28 tot 34%. Deze trend was waarneembaar in alle landen behorend tot de NAVO en de OESO.[16]
In de Verenigde Staten werden de belangrijkste bezuinigingen gerealiseerd door het aantal militairen terug te dringen, een groot aantal basissen te sluiten en door de aankoop van nieuwe, dure wapensystemen uit te stellen of te annuleren. Het is president Bush die in 1990 de aanzet gaf tot de inkrimping van het Amerikaanse militaire establishment. In 1991 telde het Amerikaanse leger nog 18 actieve landmachtdivisies, de mariniers hadden 3 actieve divisies, de zeemacht had 16 vliegdekschepen en de luchtmacht had 24 wings en zo’n 228 langeafstandsbommenwerpers. Elk van de krijgsmachtonderdelen werd gedurende de jaren ‘90 aanzienlijk ingekrompen door president Bush en diens opvolger president Clinton. Zoals verwacht zijn de aanpassingen aan een lager niveau van defensie-uitgaven niet pijnloos geweest. In 1991 schatte het Congres van de VS dat tussen 1991 en 2001 mogelijk twee en een half miljoen defensiegerelateerde arbeidsplaatsen verloren zouden gaan.[17] Uiteindelijk gingen in de brede defensiesector twee miljoen banen verloren. De defensie-industrie werd hard getroffen omdat de wapenproductie aanzienlijk daalde, maar ook militair en ander overheidspersoneel diende af te vloeien. De erfenis van Reagan, een enorme militaire ‘build-up’ en aansluitend het einde van de Koude Oorlog betekenden dat wereldwijd meer dan honderd Amerikaanse basissen gesloten moesten worden.[18]
Ook anno 2006 gaan de herstructureringen onverminderd voort. De door het VS Congres opgerichte Defense Base Closure and Realignment Commission stelde in 2005 de sluiting voor van 182 militaire installaties. De volgende twintig jaren zullen deze besparingen ongeveer 35,6 miljard $ opbrengen.[19] Volgens de minister van defensie Donald Rumsfeld blijven deze recente bezuinigingen, ondanks de ‘Global War on Terror (GWOT)’, nodig om de Amerikaanse strijdkrachten te transformeren tot een strijdmacht die in staat is de nieuwe veiligheidsdreigingen aan te pakken. We zullen later zien dat de VS vandaag de dag inderdaad met andere problemen geconfronteerd wordt dan begin jaren ’90.
Net zoals tijdens de Koude Oorlog wordt het Amerikaanse defensiebeleid na 1990 bepaald en vorm gegeven door de vitale belangen van de Verenigde Staten. En deze zijn sinds 1945 quasi-onveranderd gebleven. In de eerste plaats gaat het dan om de fysieke overleving en het beschermen van de Amerikaanse ‘way of life’. Al even belangrijk is het economisch welzijn van de Verenigde Staten. In een beperkt aantal gevallen behandelden de Verenigde Staten ook democratische waarden (waaronder mensenrechten) als vitale belangen die het buitenlandsbeleid sturen. Vervolgens is er een logisch pad dat leidt van de belangen tot de militaire macht nodig om deze belangen veilig te stellen (belangen – veiligheidsobjectieven – politieke objectieven – militaire objectieven – militaire capaciteiten – militaire macht).[20] Net zoals elke natiestaat ter wereld hebben de Verenigde Staten steeds de hoogste prioriteit verleend aan hun fysieke overleving. Tijdens gans de Koude Oorlog was het voortbestaan van de Verenigde Staten bedreigd door de Sovjet-Unie, omdat beide supermachten elkaar van de kaart konden vegen met behulp van nucleaire wapens. Deze situatie stond bekend als M.A.D., ‘mutual assured destruction’.
1.2. Het theoretisch debat van de jaren ‘90
Verschillende gebeurtenissen tussen 1989 en 1991 hebben er dus voor gezorgd dat er een einde kwam aan de Koude Oorlog en meteen was er een aanzienlijke dooi waarneembaar in de relaties tussen Rusland, de voornaamste opvolgerstaat van de Sovjet-Unie, en de Verenigde Staten. Jarenlang had de wereld op de rand van een nucleair armageddon gestaan, maar de jaren ’90 dienden zich aan als een decennium van grootse mogelijkheden, waarin eindelijk afgerekend kon worden met de bloedige interstatelijke conflicten die zo kenmerkend zijn geweest voor de twintigste eeuw. Sommigen gewaagden zelfs te spreken over het einde van de geschiedenis.
De belangrijkste profeet van die denkrichting, de Amerikaan Francis Fukuyama, betoogde in zijn boek ‘The end of history and the last man’ dat de Koude Oorlog op definitieve wijze beslecht is geworden in het voordeel van het Westen en de Verenigde Staten in het bijzonder.[21] Het einde van de Koude Oorlog had volgens hem een opvallende consensus met zich mee gebracht: de liberale democratie zou overal ter wereld de enige echt legitieme bestuursvorm worden en de mens was dan ook, volgens Fukuyama, aan het eindpunt van zijn ideologische evolutie gekomen. Deze mening werd destijds al fel bestreden en met bijvoorbeeld de opkomst van de radicale islam kan vandaag de dag moeilijk ontkend worden dat er niet opnieuw een hevige ideologische en religieuze strijd woedt.
Daarmee zijn we aan het andere uiteinde van het intellectuele spectrum beland: de botsing der beschavingen met Harvardprofessor Samuel Huntington als voornaamste woordvoerder. Hij schreef in 1993 een artikel in Foreign Affairs waarin hij zijn visie op de wereldpolitiek na de Koude Oorlog verwoordde.[22] Hij reageert vooral tegen de denkers die als vanouds teruggrijpen naar interstatelijke paradigma’s om conflicten te analyseren. Huntington daarentegen is de mening toegedaan dat de fundamentele bron van conflicten van culturele aard is en niet langer alleen ideologisch (democratisch liberalisme versus communisme, fascisme en de erfelijke monarchie) en economisch (de tegenstrijdige krachten van tribalisme en globalisme) te verklaren zijn.
Natiestaten zullen belangrijke actoren blijven in de internationale politiek, maar ze zullen zich uiteindelijk groeperen in culturele blokken en langs die scheidingslijn zullen de voornaamste conflicten zich ontwikkelen. Huntington voorzag dan ook conflicten op globale schaal: Noord tegen Zuid, het christendom tegen de islam en het Oosten tegen het Westen.[23]
Daar waar het strategische denken zich in de jaren ’80 nog concentreerde op relatief beperkte en technische aspecten van de Koude Oorlog zoals bijvoorbeeld de capaciteiten van bepaalde wapensystemen of voorstellen om de nucleaire arsenalen van beide grootmachten te reduceren, maakten de dramatische omwentelingen in het internationaal systeem deze overpeinzingen zo goed als irrelevant. De inspanningen om de nucleaire spanning af te bouwen gingen wel onverminderd voort.
Globaal gezien waren er begin jaren ’90 op drie verschillende niveaus grote veranderingen te onderscheiden. Allereerst waren er evoluties die zowel op de binnenlandse als de internationale politiek een impact hadden. We denken dan bijvoorbeeld aan het opkomen van een werkelijk globale economie met machtige transnationale ondernemingen, de elektronische revolutie in communicatie- systemen en de wereldwijde beweging in de richting van democratische politieke systemen en vrijemarkteconomieën. Ten tweede zijn er uiteraard de veranderingen in de distributie van macht in het internationale systeem. De Sovjet-Unie kende de meest significante en dramatische neergang, die door de opvolgerstaat Rusland verder gezet werd. Japan, China en een verenigd Europa met Duitsland als machtigste exponent waren dan weer in opgang, net zoals een aantal grote landen in de Derde Wereld zoals India en Brazilië. Het derde niveau van drastische veranderingen betreft de onderlinge relaties tussen landen. Tijdens de Koude Oorlog waren de verhoudingen tussen landen relatief stabiel en voorspelbaar. Er waren allianties, tegenstanders en neutrale landen en op een paar uitzonderingen na, China is het voorbeeld bij uitstek, viel niemand uit zijn rol. Diplomatieke verrassingen kwamen dan ook zelden voor. Na de Koude Oorlog veranderde dit alles.[24]
In feite kan gesteld worden dat het internationale systeem gedurende de jaren ’90 complexer geworden is en een transitie doormaakte van een unipolair naar een multipolair model, waarin toch nog elementen van beide onderkend kunnen worden. Ten tijde van de Koude Oorlog werd dit nog gekenmerkt door een strikte bipolariteit. Huntington noemt dit hybride systeem een uni-multipolair model. Hij moet wel toegeven dat er in dit systeem één echte supermacht is, de Verenigde Staten, die op alle domeinen een overwicht hebben en die hun macht overal ter wereld kunnen projecteren. Maar dit gegeven betekent niet dat de VS voortaan alle internationale problemen op eigen houtje kunnen oplossen.
Vooral op economisch vlak kwam de leidinggevende positie van de Verenigde Staten meer en meer onder druk te staan. Sinds WO II is de economische positie van de VS er relatief gezien zwakker op geworden.[25] Militaire macht was dan ook niet langer allesbepalend en de enige component van nationale macht. De strijd tussen de grootmachten, waar nu ook het herenigde Duitsland, China en Japan bij gerekend werden, werd nu hoe langer hoe meer ook op het economische veld uitgevochten. Er kwam in de opstelling van de Westerse strategieën nu ook aandacht voor issues zoals energie, milieu, handel en technologie.[26] Terreinen waarop internationale samenwerking meer dan ooit vereist was en waar dan ook een belangrijke rol weggelegd lag voor organisaties zoals de Verenigde Naties.
De Golfoorlog van 1991 is in deze een sprekend voorbeeld omdat al snel bleek dat de Verenigde Staten het probleem niet unilateraal zouden kunnen aanpakken en op zoek moesten gaan naar ad hoc coalitiepartners, al was het maar omdat er hoogoplopende rekeningen dienden betaald te worden.
Andere vragen doken nu op en hielden de gemeenschap van strategische denkers en politici bezig. Hoe zal het internationale systeem er voortaan uitzien nu bipolariteit tussen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten tot het verleden behoort? Welke vormen van macht zullen belangrijk zijn? Is militaire macht nog steeds een adequaat beleidsmiddel? Welke allianties en welke breuklijnen zullen zich vormen? En misschien wel de belangrijkste vraag: wat zal de rol van de Verenigde Staten zijn nu zij zich opwerpen als de enige supermacht?
De neorealisten, waaronder Kenneth Waltz en John Mearsheimer, zagen een systeem van self-help tot stand komen en zij bieden ons dan ook een derde theoretisch model aan, naast die van Fukuyama en Huntington, om de gebeurtenissen van begin jaren negentig te plaatsen. In een anarchistische wereld worden landen namelijk gedwongen om unilateraal op te treden en hun eigen belangen na te streven. Vooral Mearsheimer uitte een zeer pessimistische visie over de toekomst van Europa na het einde van de Koude Oorlog.[27] Doordat de twee supermachten zich zouden terugtrekken uit Europa, zou er een einde komen aan het bipolaire en stabiele evenwicht dat ervoor gezorgd heeft dat Europa vijfenveertig jaar lang van oorlog gespaard is gebleven.
In een artikel uit 1990 stelt hij dat bipolariteit, een militair machtsevenwicht en ten slotte ook nucleaire wapens ervoor gezorgd hebben dat een historisch gezien erg gewelddadige regio veranderde in een vreedzame zone, waar verregaande economische integratie mogelijk is geworden.
Het einde van de Koude Oorlog en de bijhorende opkomst van een multipolair internationaal systeem betekende dan ook een verhoogde kans op vernieuwde conflicten en zelfs oorlogen. Volgens Mearsheimer hadden de Europeanen en de VS er paradoxaal gezien alle belang bij om het antagonisme tussen het Westen en het sovjetblok in stand te houden. Multipolariteit diende in de ogen van de neorealisten te allen prijze vermeden te worden. De neorealisten hechtten bovendien veel belang aan de verspreiding en concentratie van vooral militaire macht en deze visie zal later in mijn analyse van de Golfoorlog nog de nodige aandacht krijgen.[28]
Een vierde theorie zal voor mijn onderzoek, en voor de Perzische Golf in het algemeen, van minder belang zijn, maar bleek destijds zeer relevant te zijn omdat zij een verklaring kon bieden voor een groot aantal conflicten die begin jaren negentig woedden of uitbraken. De conflicten in onder meer Centraal-Afrika en het voormalige Joegoslavië draaiden allemaal op de een of andere manier rond etniciteit. Zbigniew Brzezinski en Robert Kaplan waren twee prominente figuren die deze nieuwe etnische conflicten onder de aandacht brachten van het grote publiek en ze op wetenschappelijke wijze poogden te analyseren, al is de stijl van Kaplan eerder journalistiek.[29] Oorlogen zouden volgens hen in de toekomst uitbreken als gevolg van etnische tegenstellingen, economische degradatie, overbevolking, ecologische verloedering, etc… De jaren negentig leken hen daarin gelijk te geven.
2. Het strategisch belang van de Perzische Golf
2.1. Het westerse perspectief
Om verscheidene redenen is de Perzische Golf van vitaal
strategisch en geopolitiek belang. Als in deze regio een oorlog uitbreekt,
draagt bijna heel de wereld hiervan de gevolgen. Voornamelijk het Westen is erg
gevoelig voor instabiliteit in de Perzische Golf. De parlementaire assemblee van
de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) ziet drie clusters van oorzaken
voor de strategische belangrijkheid van de Perzische Golf.[30]
Allereerst is er de geografische ligging. Het grotere Midden-Oosten, dat de
Perzische Golf omvat, ligt op het kruispunt van drie continenten: Europa, Afrika
en Azië. Het heeft hierdoor dan ook steeds een soort culturele en economische
brugfunctie vervuld tussen de verschillende werelddelen en het is de bakermat
van de drie grote wereldgodsdiensten.
Met de term ‘Perzische Golf’, soms ook wel de Arabische Golf genoemd, wordt de 1
000 km lange waterstrook tussen Iran en het Arabisch schiereiland aangeduid
waaraan volgende landen grenzen: Bahrein, Iran, Irak, Koeweit, Katar,
Saoedi-Arabië en de Verenigde Arabische Emiraten. De Golf, en meer bepaald
haar functie als waterweg, is voornamelijk van enorm strategisch belang voor het
transport van olie naar de wereldmarkten. Op z’n smalst is de Golf slechts 55 km
breed. Dit is de Straat van Hormuz, die de Perzische Golf in het westen verbindt
met de Golf van Oman in het oosten.
Een tweede reden waarom het Midden-Oosten, en de Perzische Golf in het bijzonder, van belang is, is de voortdurende instabiliteit van de regio. Deze spanningen uiten zich op verschillende niveaus: nationaal, regionaal en internationaal.
Het voor ons belangrijkste conflict in de regio, de Golfoorlog van 1991, begon als een regionale burenruzie, maar escaleerde uiteindelijk tot een conflict met globale implicaties, waarbij alle wereldmachten rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken waren. Het volstaat hier de nadruk te leggen op de diversiteit van oorzaken die ten grondslag liggen aan de blijvende instabiliteit in het Midden-Oosten. Het heeft dan ook geen zin om de regio te beschouwen als een singuliere politieke en socio-economische entiteit. Politieke, militaire, etnische en bovenal religieuze fricties zorgen er voor dat de regio een kruidvat blijft. Robert Fisk schreef onlangs zijn magnum opus over dertig jaar oorlog in het Midden-Oosten.[31] Heterogeniteit is wat het Midden-Oosten kenmerkt en waar het voorlopig niet al te best mee omgaat. Bernard Lewis, een autoriteit op het vlak van de geschiedenis van het Midden-Oosten, omschrijft het als volgt: ‘Unlike India, China or Europe, the Middle East has no collective identity. The pattern form the earliest times to the present day, has been one of diversity – in religion, in language, in culture, and above all in self-perception. The general adoption at the present time, in countries east and west and north and south of the so-called Middle East, and even in the Middle East itself, of this meaningless, colourless, shapeless, and for most of the world, inaccurate term is the best indication of the lack of a perceived common identity, either at home or abroad’.[32]
Ten slotte, en vanuit westers oogpunt het belangrijkste aspect van de regio, zijn er nog de immense energievoorraden in de Perzische Golf. Naar schatting 60% van de wereldoliereserves bevinden zich in de regio en bovendien beschikken vijf landen in de Golf, na Rusland, over de grootste aardgasreserves van de wereld. De wereldeconomie is nog steeds extreem afhankelijk van de Perzische Golflanden wat betreft energie. Deze afhankelijkheid lijkt zich de komende decennia te zullen bestendigen.[33] Conflicten in de Perzische Golf hebben dan ook meestal erg vervelende gevolgen voor de westerse economieën omdat die steevast vertaald worden in hogere olieprijzen.
De eerste oliecrisis van 1973, veroorzaakt door de weigering van
de OPEC-landen om nog langer olie uit te voeren naar westerse landen die Israël
steunden tijdens de Yom Kippoer-oorlog, heeft bijvoorbeeld een erg bepalende
impact gehad op de vorming van het Amerikaans energie –en veiligheidsbeleid
sindsdien. Dit werd met de Golfoorlog nog maar eens duidelijk in de verf gezet
en hier wordt later uitgebreid op teruggekomen.
2.2. Het Midden-Oosten: patronen van
onzekerheid [34]
Bij het aanbreken van het nieuwe millennium schetste de regiospecialist Fred Halliday een erg somber beeld van de toekomst voor het Midden-Oosten. Hij onderscheidt vier patronen die voor blijvende problemen zullen blijven zorgen:
De relatie tussen de economie van het
Midden-Oosten en de wereldeconomie blijft er één van zwakheid en
afhankelijkheid. Afgezien van olie, slaagt de regio er niet in om andere
primaire goederen te exporteren naar de OESO-landen.
Wat ze wel uitvoert, voert ze uit aan structureel nadelige voorwaarden. Behalve
op het vlak van olieproducten en investeringsfondsen, heeft de regio geen enkele
inbreng in de economische globalisering van de jaren ’90. Het gebrek aan
vruchtbare landbouwgrond, snel toenemende bevolkingen, urbanisatie en dalende
waterreserves zorgen er bovendien voor dat de regio steeds afhankelijker wordt
van
de import van voedsel.[35]
Het IMF heeft de landen van het Midden-Oosten meermaals aangeraden hun
economieën te diversifiëren. Die kans wordt hun de laatste jaren geboden door de
hoge energieprijzen. Stabiele economische groei is dringend vereist om
werkgelegenheid te bieden aan de steeds groter wordende groep werklozen.In vele
landen van het Midden-Oosten kijkt men namelijk aan
tegen een explosieve bevolkingsgroei waardoor er een enorme pool van jonge
werkwilligen ontstaan is. Onn Winckler van de Universiteit van Haïfa heeft het
probleem van de bevolkingsgroei in het Midden-Oosten grondig bestudeerd en ziet
twee concrete oplossingen. Allereerst moet er door de regeringen getracht
worden de vruchtbaarheidsgraad verder te laten afnemen en ten tweede dient met
financiële middelen, die voorheen aangewend werden voor defensie-uitgaven, de
socio-economische ontwikkeling gestimuleerd te worden. Doet men dit niet op
korte termijn, dan riskeert het Midden-Oosten overspoeld te worden door
menselijke en ecologische rampen.[36]
Socio-economisch beleid kan immers op een paar jaar tijd tot resultaten leiden,
maar om de demografische trends en de leeftijdsstructuur van de bevolking te
veranderen zijn minstens twee generaties nodig. De Arabische landen zien zich de
komende decennia voor een enorm demografisch, politiek en economisch probleem
geplaatst. Nathan Keyfits illustreert de demografische paradox van de
ontwikkelingslanden als volgt: ‘Population growth prevents the development that
would slow population growth.’[37]
In de overgrote meerderheid van de landen van de regio, worden relaties tussen de staat en de civiele maatschappij gekenmerkt door autoritaire gezagsstructuren. Hier komt nog bij dat elites gemiddeld 30 percent van het nationaal inkomen naar zich toetrekken en dat in verscheidene landen nationalistische of religieuze demagogen de dienst uitmaken. De indices over democratie, vrijheid en mensenrechten, opgesteld door NGO’s zoals Human Rights Watch en Freedom House laten aan duidelijkheid niet te wensen over. Van de zeventien landen in het Midden-Oosten en Noord-Afrika catalogiseert Freedom House er elf als not free.[38] Waar er wel vooruitgang geboekt wordt, zoals bijvoorbeeld op het vlak van persvrijheid en economische liberalisering, blijft deze nog ver achter bij de standaarden die in het Westen gehanteerd worden. Zoals al eerder werd gesteld blijven nationalisme en religieus fundamentalisme een verregaande democratisering van het Midden-Oosten in de weg staan.
De relaties tussen landen in het Midden-Oosten blijven gekenmerkt door wantrouwen, conflicten en openlijke confrontaties. Van economische samenwerking zoals in het Westen is weinig of geen sprake. Handel, investeringen en uitwisseling van kennis en goederen blijven tussen de landen van het Midden-Oosten beperkt. Enkele initiatieven zoals de Gulf Cooperation Council en de Arab Maghrib Union leverden weinig tastbare resultaten op en faalden op sommige vlakken zelfs jammerlijk. De liberale modellen van de internationale politieke economie voorspellen dat economische en financiële stromen, politieke spanningen en vijandigheid tussen landen kunnen doen afnemen. In het Midden-Oosten daarentegen, lijkt het er op dat economische factoren juist bijdragen aan nog grotere instabiliteit. Deze politieke instabiliteit laat zich ook gevoelen in de militaire uitgaven van de landen van de regio. Waar in andere regio’s van de wereld, met het einde van de Koude Oorlog, een blijvende détente ingang vond, geldt dit helemaal niet voor het Midden-Oosten. Naast de toenemende spanning, namen ook het gevoelen van onveiligheid en ipso facto de militaire uitgaven toe. Het is niet overdreven de Perzische Golf vandaag de dag één van de meest gemilitariseerde regio’s van de wereld te noemen. In 1995, enkele jaren na het einde van de Golfoorlog, spendeerde elk van de Golfstaten, Iran uitgezonderd, meer van zijn bruto nationaal inkomen aan defensie-uitgaven dan het wereldgemiddelde van 4,2 %. Vier van de Golfstaten spendeerden zelfs meer dan 10 % van hun BNP aan militair materieel.[39] Vandaag de dag is de situatie ongeveer vergelijkbaar, al zijn er een aantal hoopgevende lichtpuntjes waar te nemen. Tot dat besluit komt het International Institute for Strategic Studies in zijn jaarlijkse ‘The Military Balance’. In 2004 en 2005 lieten de landen van het Midden-Oosten een sterke economische groei optekenen, die in grote mate te verklaren is door de historisch hoge olieprijzen. Regionaal nam het BNP met 5,7 % toe in 2004.[40] Voorlopig lijkt het erop dat, ondanks de penibele veiligheidssituatie in vele landen, de extra fiscale inkomsten niet aangewend worden voor de aankoop van dure, buitenlandse wapensystemen. Voor gans de regio stegen de militaire uitgaven wel van 55,5 miljard $ in 2003 naar 59,6 miljard $ in 2004, maar als een proportie van het BNP, bleven de uitgaven dalen tot 5,65 %.[41] Vooral Saoedi-Arabië en Iran zijn de laatste jaren erg actief geweest op de internationale wapenmarkten. Zo tekenden de Saoedi’s in april 2005 een akkoord met Frankrijk met het oog op de aankoop van 48 Rafale gevechtsvliegtuigen en bij de firma Sikorsky werden twaalf tot vierentwintig Black Hawk helikopters besteld. De nucleaire ambities van Iran zorgen daarenboven de laatste jaren ook geregeld voor zenuwachtigheid binnen de internationale gemeenschap en het blijft afwachten hoe de Verenigde Staten het probleem gaan aanpakken, nu het er steeds meer en meer op lijkt dat ook de VN-Veiligheidsraad er niet zal in slagen krachtdadig op te treden. Sancties ten aanzien van Iran lijken uitgesloten door de krachtdadige tegenkanting van Rusland en China, twee permanente leden van de Veiligheidsraad en dus beschikkend over een veto.
Tenslotte is er de impact van repressieve en dictatoriale regimes op de cultuur, individuele vrijheid van meningsuiting en ideologie. De episode rond de Deense spotprenten van de profeet Mohammed heeft duidelijk aangetoond dat de moslimwereld nog een hele weg af te leggen heeft op het vlak van tolerantie en andere liberale vrijheden. In literatuur, populaire muziek en vooral film zijn er steeds meer tekenen van verzet waarneembaar. Hoopgevend is dat ook de bevolkingen zich meer en meer gaan verzetten tegen corrupte machthebbers, tegen de wreedheid van dictators, tegen fundamentalistische clerici en ten slotte tegen interetnische en sociale conflicten.[42]
Tussen de landen aan de Golf zijn er in het verleden, en ook vandaag nog, ernstige territoriale disputen geweest. Naast de Irakese invasie van Koeweit in augustus 1990, en voordien, de Iraans-Irakese Oorlog die duurde van 1980 tot 1988, dient ook het conflict tussen de Verenigde Arabische Emiraten en Iran kort vermeld te worden. Beiden betwisten sedert lang de soevereiniteit over drie kleine, maar economisch en strategisch erg belangrijke eilanden in de Straat van Hormuz: Kleine Tonb, Grote Tonb en Abu Musa. Het Britse Koninkrijk annexeerde de eilanden in 1903 en hield ze onder de vorm van een protectoraat bezet tot in 1971. In de maand november van datzelfde jaar lijfden Iraanse troepen met een bliksemactie de eilanden opnieuw bij Iran in.
Dit militaire manoeuvre, uitgevoerd door Mohammed Reza Shah,
bracht echter geen einde aan het conflict. De onenigheden tussen Iran en de
erfgenaam van het Britse protectoraat, de Verenigde Arabische Emiraten, bleven
voortsluimeren. In 1992 escaleerde het conflict dan opnieuw, nadat de Iraanse
autoriteiten, die officieel de verantwoordelijkheid droegen voor de veiligheid
en verdediging van Abu Musa, er door de VAE van werden beschuldigd de toegang
tot dit eiland te weigeren aan buitenlandse werknemers van de VAE, die niet in
het bezit waren van een Iraans visum. Het Iraanse Ministerie van Buitenlandse
Zaken heeft herhaaldelijk verklaard dat de eilanden een integraal en
onafscheidbaar deel van Iran vormen en dat Iran het als haar legitiem recht
beschouwt om op die eilanden te bouwen en militaire manoeuvres te houden.[43]
In 1996 weigerde Iran nog een bemiddelingsvoorstel van de Gulf Cooperation
Council, dat een voorlegging van het dispuut aan het Internationaal Gerechtshof
inhield.[44]
Dit banale soevereiniteitsconflict lijkt voor ons van minder belang, maar kan desondanks toch enorme strategische implicaties met zich meebrengen en illustreert waarom de veiligheidssituatie in de regio in vele westerse landen op de voet gevolgd moet worden. Iran heeft er in het verleden immers meermaals mee gedreigd de Straat van Hormuz af te sluiten als het zich in zijn nationale veiligheid bedreigd zou voelen. Een tweede, naast de nucleaire ambities, niet mis te verstane dreigement aan het adres van de olieafhankelijke landen in het Westen.
Zo komen we opnieuw bij het belangrijkste aspect van de Perzische Golf en de omliggende landen: de enorme voorraden ruwe aardolie die er zich in de ondergrond bevinden. Om klimatologisch en geografisch evidente redenen beschikken de landen in de regio over beperkte voorraden vruchtbare landbouwgronden, maar zoals gezegd, andere natuurlijke hulpbronnen zoals aardgas en aardolie zijn er in alle landen rond de Perzische Golf overvloedig aanwezig. Dit heeft een erg eenzijdige economische ontwikkeling met zich meegebracht, vele landen in de regio hebben in het verleden uitsluitend op de olie-inkomsten vertrouwd om tot een zekere mate van ontwikkeling te komen, met alle gevolgen van dien.
In dit onderzoek zal de nadruk vooral komen te liggen op de vitale belangen die de Verenigde Staten in de regio hebben en die in de periode 1990-2006 tot twee grootschalige militaire conflicten hebben geleid. Het zou in mijn ogen een te simplistische misvatting zijn om de Amerikaanse betrokkenheid in de Perzische Golf te reduceren tot een louter veiligstellen van de toegang tot de energievoorraden in de regio, maar het hoeft evenmin betoogd te worden dat de toegang tot olie van levensbelang is voor de Verenigde Staten. Vandaag de dag voorziet olie in 40 % van de Amerikaanse energiebehoeften en in maar liefst 97 % van de brandstof nodig voor transport. Toegang tot en controle over olie is ook essentieel om in oorlogstijd ten strijde te kunnen trekken. ‘The United States with just 5 percent of the world’s population, has an enormous appetite for oil: it goes through 19 million barrels a day, or nearly one quarter of the world total of about 76 million barrels. Imports increased about 4.5 million barrels a day in the last decade. To put it in perspective, …, Germany and France together consume 4.7 million barrels a day.’[45] Daarom wordt in het volgende hoofdstuk kort ingegaan op de voornaamste belangen van de VS in de Perzische Golf, zoals ze in verleden en heden door de verantwoordelijke beleidsmakers in Washington gepercipieerd werden.
3. De belangen van de Verenigde Staten in de Perzische Golf: een historisch overzicht[46]
Het is uiteraard niet de bedoeling een exhaustief historisch overzicht te geven van de relaties tussen de VS en de landen van de Perzische Golf. Het volstaat duidelijk te maken dat de VS reeds sinds het einde van WO I het strategisch belang van de regio onderkennen en dat zij bij het uitwerken van hun buitenlands -en defensiebeleid steeds veel aandacht geschonken hebben aan het Midden-Oosten. Al kwam dit besef er maar geleidelijk aan, zoals blijkt uit volgend citaat van Yetiv: ‘The Persian Gulf is now emblazoned on the American psyche, but it entered the American consciousness slowly.’[47]
3.1. De Verenigde Staten en de Perzische Golf: olie als bindmiddel
De ontdekking en de opkomst van de Perzische Golf als olierijke en bijgevolg aantrekkelijke regio, verliep in de negentiende eeuw parallel aan de industrialisatie van de Noord-Amerikaanse economie, die op haar beurt een enorme toename in de vraag naar olieproducten met zich mee bracht. Historicus Micheal Palmer merkt op dat: ‘Industrial revolution changed the face of the world. By the turn of the century machine power had replaced that supplied by animals or nature. Coal had long since replaced wood, and was being replaced by petroleum, yet another fossil fuel. (…) by 1900, the strategic significance of the Persian Gulf increased steadily, even at a time when the Middle East’s oil production was limited and the region’s known reserves were marginal. Of the world’s industrial and military powers, only the United States and Czarist Russia were major producers and exporters of oil. The other powers – Germany, Japan, France and Great Britain – relied on foreign, usually American, imports, and eagerly searched abroad for new sources of oil’.[48]
In de negentiende eeuw waren het vooral Amerikaanse private ondernemers en investeerders die belangstelling vertoonden voor de regio. De politieke machthebbers van die tijd hadden nog niet de reflex ontwikkeld van de politici van vandaag de dag. Net zoals overal ter wereld werd er ijverig naar nieuwe afzetmarkten gespeurd voor de industriële producten en later was er dan de door grote potentiële winsten ingegeven bereidwilligheid van Amerikaanse kapitalisten om te investeren in de beginnende olie-exploitatie in de Perzische Golf.
Na WO I veranderde één en ander. Het Verdrag van Versailles dat nog veel andere, al dan niet negatieve, consequenties voor het Midden-Oosten met zich meebracht, kende Frankrijk en Groot-Brittannië het mandaat toe over belangrijke gebieden in het Midden-Oosten. Frankrijk bekwam op die manier de de facto controle over Syrië en Libanon en Groot-Brittannië had het voortaan voor het zeggen in Irak en Palestina. Omdat de VS er meteen na WO I voor kozen een isolationistisch buitenlands beleid te voeren en zich ver weg te houden van het koloniale gekibbel onder de Europese mogendheden, konden de Europeanen een strategische voorsprong bekomen in het Midden-Oosten. Maar desondanks slaagden Amerikaanse bedrijven er toch in een aanzienlijk aandeel te verwerven in de explosief groeiende olie-industrie.
In 1933 bijvoorbeeld haalde Standard Oil of California (SOCAL, vandaag bekend onder de naam Chevron), als partner in de California-Arabian Standard Oil Company (CASOC), een zestig jaar lopende concessie binnen om de petroleumindustrie in Saoedi-Arabië te exploiteren, wat hetzelfde bedrijf eerder al gelukt was in het buurland Bahrein.[49] Koning Abd al-Aziz Ibn Saud koos ervoor de olieconcessie toe te kennen aan een Amerikaans bedrijf omdat hij ervan overtuigd was geraakt dat de Amerikanen, die zich destijds hevig verzetten tegen kolonialisme en imperialisme in elke vorm, enkel gemotiveerd werden door puur economische redeneringen. De Europeanen wantrouwend, geloofde het staatshoofd oprecht dat de Amerikanen de concessie niet zouden gaan misbruiken voor politieke en imperialistische doeleinden.[50]
Gedurende de jaren ’30 bleef de regering van de Verenigde Staten private Amerikaanse oliebelangen actief steunen, maar op het diplomatieke front bleef men ten aanzien van de landen van de Perzische Golf vrij passief. Grotendeels door tussenkomst van Amerikaanse bedrijven nam de petroleumproductie in de periode 1920-39 met 900 % toe. Dit opmerkelijke feit is toe te schrijven aan de technologische superioriteit die de Amerikanen in de eigen olievelden verworven hadden.
In de aanloop naar en tijdens WO II daalde de petroleumproductie aanzienlijk in die landen, vooral in Irak en Iran dan, waar Britse bedrijven de olieoperaties in handen hadden. CASOC slaagde er daarentegen in, dankzij het technologisch en militair overwicht van de Verenigde Staten, de petroleumproductie op een stabiel peil te houden, wat van levensbelang is gebleken voor het draaiend houden van de Amerikaanse oorlogsmachine.
Tegen het einde van de Tweede Wereldoorlog was het dan ook snel duidelijk dat de Verenigde Staten, en niet langer het Britse Rijk, de leidende rol van het Westen zouden gaan spelen in de Perzische Golf.[51] Michael Palmer zegt hierover: ‘The American decision to take the leading role in the postwar development of the petroleum industry of the Middle East was based on a sober, but realistic assessment of British capabilities – diplomatic, economic, and political. Since the end of the first World War, Great Britain had demonstrated that it lacked the capital to develop the region, certainly to the extent that the United States now considered necessary.’[52]
Het feit dat Amerikaanse ondernemingen steeds belangrijker werden voor de productie van olie in de Perzische Golf had zowel op korte als op lange termijn belangrijke consequenties. Op de korte termijn vloeiden aanzienlijke oliewinsten terug naar de in de VS gevestigde ondernemingen, maar met de jaren groeide ook de afhankelijkheid van de Amerikaanse economie van ingevoerde olie uit de Perzische Golfregio. Doordat Groot-Brittannië, en in mindere mate ook Frankrijk, niet langer garant konden staan voor de onbelemmerde toevoer van olie, werden de Verenigde Staten op de langere termijn min of meer verplicht een belangrijkere politieke en militaire rol te gaan spelen in de Perzische Golf.
3.2. De Verenigde Staten en Saoedi-Arabië
Opnieuw zijn de ontluikende relaties tussen de Verenigde Staten en het Saoedische Koninkrijk instrumenteel om de evolutie te schetsen. Met de Tweede Wereldoorlog bekwam de bilaterale relatie namelijk een strategische en militaire dimensie en werd James Moose als VS-gezant in het Koninkrijk aangeduid. Voor het eerst werden dus diplomatieke betrekkingen aangeknoopt tussen de twee landen. Door de oorlog was Saoedi-Arabië niet in staat zijn pas ontdekte olievoorraden uit te voeren en door het verstoren van de globale reisroutes waren ook de inkomsten uit de Hadj-pelgrimstocht naar Mekka grotendeels weggevallen. Kortom, Koning Abd al-Aziz zat krap bij kas en hij kon enkel overleven dankzij vooruitgeschoven kredieten van CASOC. In 1943 zochten de eigenaars van CASOC steun bij de VS-regering om de financiële nood van het Koninkrijk te ledigen. Hierop werd positief gereageerd en Saoedi-Arabië kwam vervolgens in aanmerking voor uitgebreide economische hulp onder de vorm van een zogenaamde lend-lease-overeenkomst. Door dit programma konden aanzienlijke financiële middelen naar Saoedi-Arabië vloeien, maar daarnaast werd er ook, samen met het Verenigd Koninkrijk, werk gemaakt van militaire training voor de Saoedische strijdkrachten.
Belangrijk in dit opzicht is te vermelden dat de relatie tussen de Verenigde Staten en Saoedi-Arabië er steeds één is geweest die stevig gefundeerd is op gemeenschappelijke en wederzijdse belangen: zowel op het strategische als op het economische vlak waren er talrijke raakvlakken tussen beide landen. Op het economische vlak was er duidelijk sprake van een quid pro quo: in ruil voor economische steun bekwamen de Amerikaanse oliebedrijven concessies voor de exploitatie van de talrijke olievelden.
Op veiligheidsvlak boden de Verenigde Staten de Saoedi’s de nodige garanties, met onder meer de vestiging van een luchtmachtbasis in Dhahran in ruil voor de steun van de Saoedi’s in de strijd tegen de As-mogendheden en later de Sovjet-Unie. De ontmoeting tussen VS-president Franklin D. Roosevelt en Koning Abd al-Aziz van 15 februari 1945 wordt algemeen gezien als het formele startpunt van de speciale relatie tussen de twee landen.
Volgend citaat uit 1944 van president Roosevelt, wiens gesprekspartner de Britse ambassadeur is, is veelzeggend: ‘Persian oil … is yours. We share the oil of Iraq and Kuwait. As for Saudi Arabian oil, it’s ours.’[53] Op dat moment draaide alles dus rond de toegang tot de oliereserves van de Perzische Golf en daarin was Groot-Brittannië de grootste concurrent. Over de Sovjets maakten de Amerikanen zich meteen na WO II nog niet al te veel zorgen. Op het moment dat Secretary of the Navy James Forrestal ingelicht werd over de omvang van de petroleumreserves in Saoedi-Arabië zei hij Secretary of State Byrnes het volgende: ‘I don’t care which American company or companies develop the Arabian reserves, but I think most emphatically that it should be American.’[54]
Na de oorlog bleven gemeenschappelijke olie –en veiligheidsbelangen het partnerschap domineren, maar door het uitbreken van de Koude Oorlog veranderde het karakter van de relaties wel aanzienlijk.[55] Gedurende gans de Koude Oorlog werd het buitenlands beleid van de Verenigde Staten bepaald door de constante dreiging van de Sovjet-Unie, dus ook in de relaties met de landen van de Perzische Golf stond de communistische dreiging bovenaan het prioriteitenlijstje. Elke beslissing werd qua opportuniteit steeds afgewogen tegen de houding die in Moskou ten aanzien van de landen van het Midden-Oosten aangenomen werd. Men kan makkelijk stellen dat het Midden-Oosten, dankzij het uitbreken van het bipolaire conflict, aan strategische belangrijkheid heeft gewonnen.
Voor het veiligheidsbeleid van de Verenigde Staten uit dit zich in twee voorname bekommernissen: het veiligstellen van de toevoer van olie en het indammen van de sovjetinvloed in de regio. Die laatste zorg kwam voort uit de zogenaamde Containment Doctrine van George Kennan, die wereldwijd van toepassing was op het buitenlands beleid van de Verenigde Staten sinds eind jaren ’40.[56]
Containment hield in dat de VS ernaar streefden de globale expansie van sovjetinvloed een halt toe te roepen, en dit op verschillende vlakken, namelijk militair, politiek, ideologisch en economisch, en er op rekenden dat het sovjetsysteem door zijn inherente gebreken uiteindelijk in zou storten.[57] Vooral Saoedi-Arabië, een groot dunbevolkt land met immense olievoorraden, was in dit opzicht belangrijk, omdat het land de Verenigde Staten nodig had als beschermheer.
In ruil voor de al eerder vermelde toegevingen boden de VS de Saoedi’s en andere landen in de Perzische Golf een veiligheidsparaplu aan tegen de externe dreiging die destijds uitging van de Sovjet-Unie en andere radicale landen in de regio. Washington beloofde ‘to take energetic measures under the auspices of the United Nations to confront such aggression.’[58] Dit hield onder meer een nauwe militaire samenwerking in tussen de Verenigde Staten en Saoedi-Arabië, die tot op de dag van vandaag wordt verder gezet. Zo werd bijvoorbeeld in 1949 tussen beide landen een akkoord afgesloten dat de VS het recht gaf blijvend gebruik te maken van de luchtmachtbasis in Dahran. Met de vestiging van deze luchtmachtbasis en de bijhorende aanwezigheid van Amerikaanse militairen op Saoedisch grondgebied werd weliswaar door de VS tegemoetgekomen aan de veiligheidsbekommernissen van de Saoedische monarchie, maar tegelijkertijd werd een ambivalente situatie gecreëerd. Dit omdat een te opvallende Amerikaanse aanwezigheid een provocatie zou betekenen ten aanzien van de ultraconservatieve religieuze autoriteiten, de zogenaamde Ulema. De Saoedische leiders bewandelen sindsdien dus een slappe koord tussen externe veiligheidsgaranties en binnenlandse politieke en religieuze gevoeligheden. Een gigantisch probleem waar de Saoedi’s vandaag de dag nog steeds mee worstelen en dat ook belangrijke gevolgen zal blijken te hebben voor het Amerikaans veiligheids –en defensiebeleid van de jaren ‘90.[59]
Het zou ons te ver leiden de ganse periode van de Koude Oorlog te bespreken, maar samengevat kan gesteld worden dat het Saoedi-VS partnerschap hoogtes en laagtes heeft gekend. De intensiteit van de relatie was afhankelijk van hoe nauw de veiligheid van Saoedi-Arabië aansloot bij de containment policy van de Verenigde Staten ten aanzien van de Sovjet-Unie.
3.3. De Verenigde Staten en de veiligheid van de Perzische Golf
Het is pas eind jaren ’70 dat de VS er door de omstandigheden toe gedwongen werden echt belangrijke engagementen op te nemen ten einde de veiligheid van de Perzische Golf veilig te stellen.
In januari 1979 was er immers eerst de islamitische revolutie in Iran waarbij het pro-Amerikaanse regime van de Sjah omver geworpen werd. De afgezette en zieke Sjah zocht vervolgens onderdak in de Verenigde Staten en als represaillemaatregel hiervoor bestormden Iraanse revolutionaire studenten de Amerikaanse ambassade in Teheran en gijzelden er de aanwezige Amerikaanse diplomaten. Nog datzelfde jaar vielen de Sovjets Afghanistan binnen en vormden zo een rechtstreekse bedreiging voor de Perzische Golf. Een reactie vanuit Washington liet niet lang op zich wachten: op 23 januari 1980 kondigde president Carter de zogenaamde Carter-doctrine af, waarmee resoluut komaf werd gemaakt met het non-interventionistische beleid van de voorafgaande decennia.
Voortaan zouden de VS zich krachtdadig verzetten tegen externe bedreigingen van de veiligheid van de Perzische Golf: ‘An attempt by any outside force to gain control of the Persian Gulf will be regarded as an assault on the vital interests of the United States of America, and such an assault will be repelled by any means necessary, including military force.’ Carter zou de eerste, maar zeker niet de laatste Amerikaanse president zijn die de Perzische Golf tot de vitale belangen van de Verenigde Staten rekende
Onder de Carter administratie werd ook werk gemaakt van de vorming van een Rapid Deployment Force (RDF) teneinde een permanente Amerikaanse militaire macht in de Perzische Golf te vestigen. Het plan lag al sinds 1977 op tafel, maar de al dan niet overdreven bezorgdheid over de sovjetinvasie van Afghanistan versnelde een en ander aanzienlijk. Bedoeling was, om het met de woorden van Carters National Security Adviser Zbigniew Brzizinski te zeggen: ‘Helping a friendly government under a subversive attack’ en dit specifiek ten aanzien van de landen van de Perzische Golf.[60] Voortaan beschikten de Verenigde Staten over een snelle reactiemacht die op korte termijn, weliswaar op vraag van bevriende regeringen, ingezet kon worden om de Amerikaanse belangen in de regio krachtdadig veilig te stellen.[61] Om de RDF te kunnen realiseren en tijdig ter plaatse te kunnen krijgen, had het Pentagon nood aan een netwerk van basissen, wereldwijd, maar dan toch vooral in het Midden-Oosten.
Defensieplanners hamerden er voortdurend op extra aandacht te schenken aan de landen van de Perzische Golf en zoveel mogelijk militaire basissen te vestigen in de regio. Net zoals Saoedi-Arabië in het verleden, waren de Golfstaten echter niet meteen enthousiast om Amerikaanse troepen op hun grondgebied toe te laten, maar de imminente dreiging van de Iran-Irak Oorlog zorgde voor een ommekeer en met het voortduren van die oorlog ebde de terughoudendheid weg. In 1985 meldde de New York Times dat Oman ‘has become a base for Western intelligence operations, military manoeuvres and logistical preparations for any defense of the oil-producing Persian Gulf.”[62] Een paar maanden later bleek uit een geheim, maar uitgelekt regeringsdocument dat Saoedi-Arabië er mee instemde de Verenigde Staten gebruik te laten maken van haar militaire basissen in tijden van crisis.[63] Een informeel akkoord dat de deuren voor VS-invloed in de regio verder openduwde en dat vijf jaar later de basis zou vormen voor de massale militaire VS-ontplooing in Saoedi-Arabië na de invasie van Koeweit door Irak.
De opvolger van Jimmy Carter, Ronald Reagan, baseerde zijn beleid verder op de weg die door Carter ingeslagen was, ook al omdat Reagan ideologisch een hardere aanpak van de Sovjet-Unie voorstond. Reagan vreesde vooral dat interne instabiliteit in de Perzische Golf in de kaart zou spelen van de Sovjets. Tijdens zijn presidentschap was de Iran-Irak Oorlog de belangrijkste uitdaging voor zijn Midden-Oostenbeleid en de houding van de Verenigde Staten ten aanzien van de strijdende partijen was duidelijk ingegeven door de eigen strategische, economische en politieke belangen. Bij het begin van het conflict, in september 1980, stonden de Verenigde Staten vrij onverschillig ten opzichte van de oorlog tussen de twee buurlanden. Het had met geen van beide landen diplomatieke betrekkingen, officieel waren de Verenigde Staten dan ook neutraal. Hoe langer de oorlog duurde, hoe meer mogelijkheden er zich echter voor de VS aandienden om strategische voordelen in de regio te bekomen. Een medewerker van het State Department, het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, drukte het in 1983 als volgt erg cynisch uit: ‘We don’t give a damn as long as the Iran-Iraq carnage does not affect our allies in the region or alter the balance of power.’[64] Het Iraanse leger was voornamelijk uitgerust met Amerikaans materieel, dat nog dateerde uit het tijdperk van de Sjah, terwijl het Iraakse wapenarsenaal grotendeels van sovjetmakelij was. Met het vastlopen van de stellingenoorlog nam de behoefte van beide partijen toe om financiële middelen en wapentuig te bekomen en dit bleek voor de VS een ideale opening te zijn om zelf beter te worden van de oorlog en een strategische voorsprong op de Sovjet-Unie te bekomen.
Vooral met het Irak van Saddam Hoessein verbeterden de relaties aanzienlijk. De Verenigde Staten waren al geruime tijd eerder tot de vaststelling gekomen dat een Iraanse overwinning haar belangen ernstig zou schaden en Secretary of State Alexander Haig zorgde er dan ook voor dat de verkoop van Amerikaanse wapens aan Bagdad zonder problemen goedgekeurd werd. Hij verdedigde die plotse wending in het buitenlandsbeleid voor de Senate Foreign Relations Committee als volgt: ‘I see the possibility of improved ties with Baghdad and note that Iraq is concerned by the behavior of Soviet imperialism in the Middle Eastern area.’[65] Er werden onder meer een vijftal Boeing straalvliegtuigen aan het Iraakse regime geleverd en Irak werd in februari ’82 door het State Department van de beruchte lijst geschrapt van landen die het terrorisme ondersteunen. Verder verleende Washington garanties voor een lening van 400 miljoen $ om Irak daarmee in staat te stellen goederen uit de VS, vooral landbouwproducten, in te voeren. Amerikaanse diplomaten lobbyden daarnaast intensief bij andere landen en internationale instellingen om Irak de nodige kredieten te verstrekken. Vooral de Golfstaten steunden Irak massaal met financiële middelen, omdat zij een panische angst hadden voor een overwinning van het islamitische, maar vooral fundamentalistische regime van Ayatollah Khomeini.
Deze heroriëntering van de Amerikaanse regering ten aanzien van het regime van dictator Saddam Hoessein kwam er in overeenstemming met beleidsrichtlijnen van president Reagan, die opgesteld werden in navolging van een National Security Study Memorandum uit maart 1982 (NSSM 4-82), waarin aangedrongen werd het VS buitenlandsbeleid met betrekking tot het Midden-Oosten drastisch te herzien.[66] De achterliggende idee was dat steun aan Irak in de oorlog tegen Iran de stabiliteit en dus ook de belangen van de Verenigde Staten in de regio ten goede zou komen.
De oorlog was ongetwijfeld een menselijke tragedie maar de Amerikanen en andere westerse regeringen dachten toch in de eerste plaats aan de strategische implicaties van het conflict.
Cordesman onderscheidt drie punten van belang:
1. de impact op de samenstelling en het beleid van de regeringen in Iran en Irak,
2. de impact op de rol die beide landen spelen als buffer tussen de Sovjet-Unie en het Westen,
3. de impact op de beschikbaarheid van olie-exporten uit beide landen.[67] Ondertussen kregen de geheime diensten van verschillende westerse landen via diverse onafhankelijke bronnen bevestiging van de beschuldiging van Iran in verband met het gebruik van chemische wapens door de Iraakse strijdkrachten.
Het antwoord van de Reagan-administratie was even voorspelbaar als laconiek. Het ministerie van Buitenlandse Zaken besloot, teneinde niet op Iraakse tenen te trappen, ‘to limit its efforts against the Iraqi Chemical Weapons Program to close monitoring because of our strict neutrality in the Gulf War, the sensitivity of sources, and the low probability of achieving desired results.’[68] Op 26 november 1983 werd dan National Security Decision Directive 114 uitgevaardigd, die de positie van de VS met betrekking tot de Iran-Irak oorlog verduidelijkte.[69] De richtlijn belichaamt de prioriteiten van de Verenigde Staten en roept op tot intensievere militaire samenwerking met de landen rond de Perzische Golf en verdere maatregelen om de Amerikaanse militaire aanwezigheid in de regio te verhogen.
Bedoeling was de oliefaciliteiten veilig te stellen die bedreigd werden door de oplopende spanningen in de regio: ‘Because of the real and psychological impact of a curtailment in the flow of oil from the Persian Gulf on the international economic system, we must assure our readiness to deal promptly with actions aimed at disrupting that traffic.’[70] Kort daarna wordt Donald Rumsfeld als gezant van Reagan naar Bagdad gestuurd voor een persoonlijk onderhoud met de Iraakse president Saddam Hoessein. De huidige minister van Defensie zal in de aanloop van de invasie van Irak in 2003 nog vaak herinnerd worden aan de hartelijke handdrukken die hij op 20 december 1983 uitwisselde met Saddam Hoessein en Tariq Aziz. De drie bespraken onder meer hun gemeenschappelijke belangen in de regio, hun aanpak van Iran en Syrië en de inspanningen van de Verenigde Staten om alternatieve routes te zoeken voor het transport van Iraakse olie, nu de normale bevoorrading gehinderd werd door Iraanse luchtaanvallen. Uit de gedetailleerde notulen van de ontmoeting tussen Rumsfeld en Saddam Hoessein blijkt dat er met geen woord over het gebruik van chemische wapens gerept werd.[71] In november 1984 werden de diplomatieke betrekkingen tussen Irak en de VS, die verbroken waren sinds 1967, dan ook officieel hersteld.
Deze korte beschrijving van het Amerikaanse buitenlandsbeleid met betrekking tot Irak in de jaren ’80 contrasteert uiteraard scherp met de retoriek die de Bush-administratie hanteerde om de inval in Irak van 2003 als een rechtvaardige oorlog te catalogiseren. De belangrijkste argumenten van Bush en diens entourage waren het vermeende bezit van massavernietigingswapens, links met terrorisme en het repressieve beleid van Saddam Hoessein. Elementen die de Verenigde Staten reeds in de vroege jaren ’80 bekend waren, maar die toen onuitspreekbaar waren omdat de Reagan-administratie in Irak een ideaal instrument gevonden had om de eigen belangen in de Perzische Golfregio te behartigen. De hierboven besproken regeringsdocumenten uit de periode van Reagan reflecteren duidelijk de Realpolitik van het toenmalige Amerikaanse Midden-Oostenbeleid.
De VS spaarden kosten nog moeite om de bloedige strijd tussen Iran en Irak aan de gang te houden. Een overwinning van de Iraanse revolutionairen zou rampzalig geweest zijn. Naast financiële en militaire steun voor Irak, gingen de defensieplanners van het Pentagon ook meer en meer aandacht besteden aan een eigen krachtige militaire aanwezigheid in de Golf. De olie moest blijven vloeien en dus dienden de Verenigde Staten zelf in te staan voor de bescherming van de oliefaciliteiten en de transportroutes.[72]
Met het aantreden van president George H.W. Bush in 1989 veranderde er betrekkelijk weinig. De Bush-administratie was voornamelijk bekommerd om het vreedzaam managen van het einde van de Koude Oorlog en deed er alles aan om de spanningen tussen de VS en de Sovjet-Unie niet al te hoog te laten oplopen door problemen in de Perzische Golf. De aandacht ging vooral uit naar de Duitse eenmaking en de dominoval van de communistische regimes in Oost-Europa.
Het resultaat was dat er aanvankelijk niet al te veel aandacht geschonken werd aan de regio. Bush en zijn National Security Advisor, Brent Scowcroft, gaven dit in hun gezamenlijke memoires dan ook minzaam toe: ‘The Persian Gulf had not been among our major concerns early in the Administration. Despite a number of sometimes exasperating differences with Iraq, developments in the region had begun to return to normal following the 1980-1988 Iran-Iraq conflict and occupied the attention of our specialists rather than the policy-making team.’[73]
De belangen van de Verenigde Staten in de regio bleven dezelfde. Een politieke of militaire crisis in het Midden-Oosten, zoals die op de schaal van de jaren ’70 moest koste wat het kost vermeden worden omdat die de toegang tot de levensbelangrijke oliebronnen in gevaar kon brengen. Een economische redenering bleef dus het buitenlandsbeleid van de Bush administratie beheersen. Daarom bleef men ook vasthouden aan de goede relaties die men sinds begin jaren ’80 onderhield met Bagdad. Irak werd in 1989 nog steeds gezien als een belangrijke speler die veel kon betekenen voor de Verenigde Staten, ondanks de ernstige problemen die men in het verleden gehad heeft met het regime van Saddam Hoessein. Men denkt dan aan het meermaals gebruiken van chemische wapens door Irak tegen de Iraniërs en tegen de eigen opstandige Koerden, maar ook het miserabele mensenrechtenbeleid van Irak stond bloot aan westerse kritiek.
Er waren ondertussen ook duidelijke aanwijzingen dat Irak verderging met de ontwikkeling van chemische en bacteriologische wapens. Maar nogmaals, deze minpunten wogen niet op tegen het strategische en economische belang dat Irak door Bush en zijn entourage werden toegedicht. Irak werd als een veelbelovende economische markt gezien en was een potentiële handelspartner voor de Verenigde Staten. Hoewel de Iran-Irak oorlog eindelijk voorbij was, hadden de VS en Irak als gemeenschappelijke vijand Iran en Saddam Hoessein kon dan ook perfect blijven functioneren als de waakhond van de Verenigde Staten in de regio. Secretary of State James Baker was binnen de Bush-administratie de voornaamste promotor van het onderhouden van goede relaties met het Irak van Saddam Hoessein.[74] Op zijn aandringen ondertekende president Bush op 26 oktober 1989 National Security Directive 26, die er bij alle departementen op aandrong de VS-Irak relaties te verbeteren door het aanbieden van ‘economic and political incentives’ teneinde ‘moderating Iraqi behavior and increasing U.S. influence.’[75] Een goed voorbeeld waren de kredieten ter waarde van ruim 1 miljard $ die door het Department of Agriculture in november 1989 aan Amerikaanse landbouwers verstrekt werden om de uitvoer van graan naar Irak te vereenvoudigen. Daarenboven autoriseerde president Bush een kredietlijn van 200 miljoen $ die Irak in staat diende te stellen het Amerikaanse graan aan te kopen. Met deze laatste beslissing kwam Bush voor het eerst lijnrecht tegenover het Congres te staan. Maar zoals al eerder gezegd brachten al deze goodwillmaatregelen, die de bedoeling hadden het radicalisme van Saddam Hoessein in te perken, al bij al weinig zoden aan de dijk.
Het Amerikaanse beleid van ‘constructive engagement’ ten opzichte van Irak was ingegeven door het feit dat het land een belangrijke speler bleef in een regio die van enorm strategisch belang bleef voor de Verenigde Staten.[76] In het volgende hoofdstuk zullen we zien dat de Iraakse dictator vanaf 1989 een veel hardere en zelfs bij wijlen oorlogszuchtige houding aan ging nemen, die hem op een directe aanvaringskoers met de Verenigde Staten zou brengen.
In de lente van het daaropvolgende jaar stuurde Saddam Hoessein een niet mis te verstane boodschap naar het Westen toen hij een Iraanse journalist van de Britse krant ‘The Observer’ liet executeren. De dood van de journalist kwam er uiteraard om mogelijke binnenlandse tegenstanders van de Baath-partij op andere ideeën te brengen. Een wereldwijde golf van verontwaardiging volgde en de internationale implicaties gingen veel verder dan wat Saddam Hoessein zelf verwacht had. Irak zag zich in 1990 ook geconfronteerd met een gecoördineerde westerse inspanning om zijn niet-conventionele wapenprogramma te dwarsbomen. Ondanks de economische problemen die Irak ondertussen overspoelden, was Saddam Hoessein nog volop bezig met de uitbouw van zijn militaire capaciteiten. Vooral de ambitie om massavernietigingswapens te ontwikkelen was sterker dan ooit aanwezig bij de Iraakse dictator. Maar zijn nucleaire, chemische en bacteriologische programma’s kostten uiteraard handenvol geld en het voeren van de achtjarige oorlog met Iran had Irak met een verwoeste economie en een torenhoge schuldenberg opgezadeld. De oplossing die Saddam voor ogen had was evenwel irreëel en zou hem gegarandeerd in de problemen brengen. Voormalig CIA-analist Kenneth Pollack legt het als volgt uit: ‘Saddam’s solution was as simple as it was misguided: raid the treasure chest next door. …Saddam believed that by invading Kuwait, he not only would get his hands on Kuwait’s oil wealth, and so improve Iraq’s economic prospects over the long term, but would be able to get his hands on Kuwait’s financial assets, which he could use to solve his short-term budgetary needs.’[77]
DEEL 2: AANLEIDING EN VERLOOP VAN DE GOLFOORLOG
4. Aanleiding van de Golfoorlog[78]
De Golfoorlog is het eerste grootschalige militaire conflict na het einde van de Koude Oorlog en was het directe gevolg van de invasie van Koeweit door Saddam Hoessein op 2 augustus 1990. De invasie en de daaropvolgende annexatie van Koeweit door Irak resulteerde zeven maanden later in een indrukwekkende militaire overwinning voor de VS- en Coalitietroepen. Op 3 maart 1991 kwam er een einde aan het conflict doordat Irak een opgelegd staakt-het-vuren accepteerde.
Het is hier niet de bedoeling een grondige en exhaustieve analyse te geven van de Golfoorlog van 1991. Militaire historici hebben de kroniek van de Golfoorlog reeds lang geschreven. Wel wordt kort ingegaan op de oorzaken, het verloop en de gevolgen.
4.1. Irak na de Iran-Irak Oorlog
Aan het eind van de acht jaar durende strijd met Iran riep de publieke opinie in het Midden-Oosten Irak tot overwinnaar uit. Irak was op dat moment militair sterker dan ooit, maar de panarabische en national