| Media binnen gescheiden gezinnen. Kwalitatief onderzoek naar de begeleiding van het mediagebruik en familie communicatiepatronen. (Marlies Heuvelmann) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
De gezinsstructuur in de samenleving is de laatste jaren sterk veranderd. Zo is er steeds minder sprake van een “traditioneel gezin” bestaande uit een moeder, vader en biologische kinderen. We denken aan adopties, nieuw samengestelde gezinnen, éénoudergezinnen, enzovoort. In het kader van ons onderzoek is de toename van het aantal echtscheidingen belangrijk. België behoort, binnen Europa, tot de groep met het hoogste echtscheidingscijfer. Alsmaar meer kinderen maken een scheiding van hun ouders mee. In 1991 was ongeveer 12% van de kinderen in het Vlaamse gewest betrokken bij een scheiding. In 2004 was dit al ruim 20%.
Ondanks de gestegen sociale zichtbaarheid, die bijdraagt aan de normalisering van echtscheidingen als sociaal maatschappelijk fenomeen, worden gescheiden gezinnen nog vaak bestempeld vanuit een tekortmodel. In de bestaande literatuur en in maatschappelijke opvattingen, nemen de negatieve gevolgen van echtscheidingen de bovenhand.
Ook het medialandschap is de laatste tientallen jaren spectaculair veranderd. Gezinnen leven in een multimediale samenleving en worden overspoeld door nieuwe media. De leefwereld van kinderen wordt gedomineerd door televisie en computer. Commerciële zenders, video’s, DVD’s, internet en computerspelletjes behoren tot het dagelijkse leven van kinderen. Onze noorderburen spreken reeds van “beeldschermkinderen”.
Het groeiende World Wide Web brengt stilaan een nieuwe digitale cultuur voort. We vinden er een rijkdom aan informatie terug maar het veroorzaakt ook nieuwe gevaren. Kinderen komen vaker in contact met geweld, pornografisch materiaal, agressieve reclame en vreemde mensen. De bezorgdheid over schadelijke media-inhouden voor kinderen is niet nieuw. Maar het huidige medialandschap doet deze zorgen alleen maar toenemen. Ouders staan echter niet machteloos tegenover de negatieve effecten van de media. Maar het is noodzakelijk dat zij het mediagebruik van hun kinderen begeleiden.
De begeleiding van het mediagebruik bij kinderen is reeds meermaals het onderwerp van onderzoek geweest. Op welke manier begeleiden ouders het mediagebruik van kinderen? Zowel kwantitatief als kwalitatief onderzoek biedt een antwoord op deze vraag. Maar gescheiden ouders worden meestal geweerd omdat zij niet voldoen aan de definitie van een “traditioneel gezin”.
Met deze eindverhandeling en het gevoerde onderzoek willen wij daarin verandering brengen. Aan de hand van voorgaand onderzoek trekken wij de lijn door naar nieuwe gezinsstructuren, meer bepaald naar gescheiden gezinnen.
Het eerste deel omvat een grondige literatuurstudie. Aan de hand van de bestaande literatuur schetsen we de huidige situatie over echtscheidingen en ouderlijke begeleidingstrategieën van het mediagebruik. Het eerste hoofdstuk betreft hoofdzakelijk de toename van het aantal echtscheidingen, de gevolgen hiervan en de daardoor nieuwe leefsituatie zowel voor kinderen als ouders. Het tweede hoofdstuk richt zich op bestaande typologieën van ouderschapsstijlen, familie communicatiepatronen en ouderlijke begeleiding.
Het tweede deel geeft de methodebeschrijving van ons eigen empirisch onderzoek weer. Door middel van halfgestructureerde diepte-interviews en een korte schriftelijke vragenlijst trachten we een inzicht te krijgen in de leefwereld van gescheiden gezinnen. Een gevarieerde selectie van onderzoekseenheden, bestaande uit gescheiden ouders, wordt ondervraagd. We peilen hoofdzakelijk naar de manier waarop gescheiden ouders het mediagebruik van hun kinderen begeleiden: welke factoren, als gevolg van een echtscheiding, hebben een invloed op het begeleidingsgedrag en op de opvoedings- en communicatiepatronen binnen gescheiden gezinnen? Hoe ervaren gescheiden ouders hun situatie? We baseren ons daarbij op typologieën van Bybee, Robinson en Turow, Ritchie en Baumrind. Deze worden verbonden met specifieke literatuur over echtscheidingen om ons onderzoek te vervolledigen.
Het derde en laatste deel van onze eindverhandeling betreft de resultaten van ons empirisch onderzoek. Op basis van de diepte-interviews met onze respondenten trachten we een beeld te schetsen van de mediabegeleidingspatronen binnen een gescheiden leefwereld. Waar mogelijk, worden onze resultaten verbonden met de bestaande literatuur en gevoerde onderzoeken.
Hoofdstuk 1: Echtscheiding en gevolgen
1. Inleiding
Het aantal echtscheidingen neemt toe en er zijn geen signalen dat deze trend zal vertragen of ophouden. Kinderen en ouders maken regelmatiger deel uit van eenoudergezinnen en nieuw samengestelde gezinnen. Voor hen is de nieuwe leefsituatie opnieuw een aanpassing. In de literatuur vinden we veel aanwijzingen dat deze veranderingen zowel negatieve als positieve effecten uitoefenen op ouders en kinderen.
We bespreken eerst de verschillende motieven voor een echtscheiding. Vervolgens gaan we dieper in op de toename van het aantal echtscheidingen. De oorzaken van deze stijging worden verder toegelicht.
We staan stil bij het beginpunt van een echtscheiding, namelijk de beslissing om het huwelijk te beëindigen. Hier leggen we de nadruk op een aantal genderverschillen.
Welke regeling kunnen de ex-partners na deze beslissing treffen? De omgangsregelingen, namelijk co-ouderschap en omgangsregeling met of zonder bezoekrecht, worden besproken. We schenken ook even aandacht aan de manier waarop ex-partners met elkaar omgaan.
Vervolgens belichten we de situatie van kinderen. Hoeveel kinderen zijn er betrokken bij een echtscheiding en waar verblijven ze? We bespreken het eenoudergezin, aangezien kinderen na een echtscheiding meestal in deze leefsituatie verblijven.
Wat zijn de gevolgen van een echtscheiding zowel voor kinderen als ouders? We evalueren de manier waarop echtscheidingen in de maatschappij worden ervaren. Ten slotte staan we even stil bij de vraag of we wel van “algemene gevolgen” kunnen spreken. Nadien worden de korte en lange termijn effecten toegelicht.
1.1. De aanleiding tot echtscheiding
Elk huwelijk kent goede en minder goede dagen. Problemen en stress zijn een feit in een huwelijksrelatie. Een echtscheiding is niet alleen het gevolg van een eenmalige gebeurtenis zoals een job verliezen of een buitenechtelijke verhouding. Zelfs een conflictsituatie blijkt geen goede voorspeller te zijn voor een echtscheiding. Heel wat koppels ruziën vaak en dit is een onderdeel van hun relatiepatroon geworden. Een echtscheiding is veeleer gebaseerd op een cumulatie van verdriet en leed (Hetherington & Kelly, 2002, pp. 32-33). Er zijn verschillende motieven voor een echtscheiding. We geven een overzicht van de meest voorkomende redenen.
Relatieproblemen: Vooral vrouwen zien een gebrek aan communicatie en affectie in hun relatie als een groot probleem. Zij hebben nood aan een goede omhelzing of een complimentje (Vanhove & Matthijs, 2003, p.38). Mannen daarentegen vinden het voldoende dat zij er gewoon zijn voor hun vrouw. Ongeveer een derde van de vrouwen vindt een gebrek aan gedeelde interesse en een oneerlijke verdeling van de huishoudelijke taken ook een storend element. Een vierde van de vrouwen kampt met problemen rond alcohol en fysiek geweld. Hoewel het hier om ernstige problemen gaat, zijn ze vaak onvoldoende als basis om te scheiden. Vrouwen vergeven wel eens een nachtelijk avontuurtje of een enkele dronkenschap. Wanneer het echter om een aanhoudende relatie met een andere vrouw gaat, verbreken ze het huwelijk. De andere vrouw wordt als een bedreiging voor zichzelf en de kinderen gezien. Voor mannen draagt het gezeur en gevit van de vrouwen bij tot huwelijksontgoocheling. Ze storen zich ook aan het onverantwoord of onvolwassen gedrag van hun vrouw. Problemen rond alcohol en ontrouw dragen ook voor hen bij tot relatieproblemen (Hetherington & Kelly, 2002, pp. 33-35).
Financiële problemen: Ongeveer een derde van zowel mannen als vrouwen wijst financiële problemen aan als een factor voor een echtscheiding. Ook hier vinden we genderverschillen terug. Vrouwen zijn ontgoocheld als hun man er niet in slaagt de familiale economische situatie te verbeteren. Zij zijn bezorgd voor de impact hiervan op de toekomst van de kinderen. Mannen die werkloos zijn of een slecht betaalde job uitoefenen, storen zich veeleer aan het gezeur hierover en het gebrek aan empathie vanwege hun echtgenoot. Werkloosheid heeft meestal een negatieve invloed op een huwelijk, vooral in gezinnen met een werkende moeder en een werkloze vader (Hetherington & Kelly, 2002, p. 35).
Seksuele problemen: Deze problemen zijn vaak gebaseerd op financiële moeilijkheden. In een eerste fase gebruiken mannen seks als een soort van morele steun: ze willen aantonen dat ze nog steeds de man zijn die hun vrouw gelukkig maakt. Spijtig genoeg komt seksueel geweld twee keer meer voor in gezinnen met een werkende moeder en een werkloze vader dan in gezinnen waarin beide een inkomen hebben. Seksuele problemen leiden bij mannen tot huwelijksproblemen. Voor hen telt de kwantiteit en leidt een gebrek aan seks tot huwelijksmoeilijkheden. Vrouwen daarentegen klagen eerder over de kwaliteit. Zij ervaren te weinig romantiek en gevoeligheid tijdens een vrijpartij. Bij vrouwen is de correlatie tussen seksuele tevredenheid en huwelijkstevredenheid lager dan bij mannen, zeker na de geboorte van een eerste kind (Hetherington & Kelly, 2002, pp. 35-37).
Fysiek geweld: Voor sommige vrouwen is fysiek geweld gericht op zichzelf of op de kinderen een reden om te scheiden. Cijfers tonen aan dat in 33% van de huwelijken die in een echtscheiding eindigt, er ten minste één incident van fysiek geweld voor kwam (Hetherington & Kelly, 2002, pp. 37-38).
1.2. Evolutie van het aantal echtscheidingen
1.2.1. Overzicht van 1830 tot 1965
De periode tot aan de Eerste Wereldoorlog wordt gekenmerkt door het ontstaan van echtscheidingen als een sociaal fenomeen. Bij de oprichting van België in 1830 was het aantal echtscheidingen bijna onbestaande. In deze periode zijn er slechts vier aangiftes bekend. Vijftig jaar later waren dat er al 214. Dit aantal liep langzaam op zodat er jaarlijks reeds 1000 echtscheidingen werden geregistreerd in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog. Echtscheidingen waren op dit moment herkenbaar geworden in de maatschappij. Betreffende de periode tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn er geen echtscheidingscijfers beschikbaar (Dumon, 1998, p. 83).
De tweede periode situeert zich meteen na de Eerste Wereldoorlog en net voor het uitbreken van Wereldoorlog II. Op dat moment telt ons land ongeveer 2000 à 2500 echtscheidingen per jaar, met een eerste piek meteen na Wereldoorlog I toe te schrijven aan uitgestelde echtscheidingen tijdens de oorlog. Een tweede piek samenvallend met de crisis van de jaren dertig. Zo krijgen we een echtscheidingstrend gekenmerkt door een vlakke U-curve (zie figuur 1) (Dumon, 1998, p. 83).
De jaren tussen 1945 en 1965 vormen een spiegelbeeld van de periode tussen de twee Wereldoorlogen. Er is een stijging van het aantal echtscheidingen met een piek na Wereldoorlog II en een tweede piek die geen duidelijk einde kent (zie figuur 1) en zo overvloeit naar een laatste fase (Dumon, 1998, p. 83). Deze laatste piek valt samen met veranderingsprocessen in onze maatschappij. Tot vóór de jaren zestig huwde bijna iedereen op jonge leeftijd, had meerdere kinderen en bleef samen tot de dood. Bijgevolg was het huwelijkscijfer en de huwelijksvruchtbaarheid hoog en het echtscheidingscijfer vrij laag. Doorheen het seculariseringproces verloor de absolute en religieuze normering haar vanzelfsprekendheid. Het individu herkent de eigen rol in de realisatie van zijn leven. Sinds de jaren zestig vervaagt de traditionele link tussen huwelijk, seksualiteit en reproductie. Alternatieve leefvormen, zoals ongehuwd samenwonen of alleen wonen, worden aanvaard. Ook de huwelijksvruchtbaarheid daalt en het aantal echtscheidingen en buitenechtelijke kinderen stijgt (Vanhove & Matthijs, 2003, p. 6).
Vanaf 1965 tot vandaag krijgen we dus een ander beeld. Echtscheidingscijfers blijven sterk stijgen én in een versnellend tempo (Dumon, 1998, p. 83; Corijn, 2005, p. 1). De toename kan het meest zorgvuldig worden uitgedrukt door de stijging van het aantal echtscheidingen per 1000 gehuwde vrouwen in België. In 1970 waren er bijna drie vrouwen op 1000 die een echtscheiding meemaakten. In 2000 waren dit er al ruim 11 op 1000. De kans om uit het echt te scheiden is met andere woorden verviervoudigd (Corijn, 2005, p. 36). Om de reële betekenis van echtscheidingen te onderkennen, volstaan absolute cijfers niet. Zodra het aantal huwelijken toeneemt, stijgt het echtscheidingscijfer ook (zie 1.2.2.2.) en dit duidt niet op een verandering in de maatschappij (Dumon, 1998, p. 84). In België is de reële verandering in de toename van het aantal echtscheidingen toe te schrijven aan verschillende oorzaken. Deze oorzaken worden hieronder besproken.
Figuur 1: Verhouding tussen het aantal huwelijken en echtscheidingen in België vanaf 1866 tot 2003

Bron: Federale overheidsdienst Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische informatie, z.d.
1.2.2. Oorzaken van het toenemend aantal echtscheidingen na 1965
1.2.2.1. De versoepeling van de echtscheidingswetgeving
Via verschillende wetswijzigingen is de echtscheidingswetgeving in België aanzienlijk versoepeld. De nieuwe wetgeving van 30 juni 1994 maakt het eenvoudiger om uit het echt te scheiden. De duur van de echtscheidingsprocedure wordt ingekort van achttien tot zes maanden bij echtscheiding met onderlinge toestemming. Echtscheidingen met onderlinge toestemming zijn ook goedkoper, aangezien men geen advocaat nodig heeft. Vele mensen hebben gewacht op deze nieuwe wetgeving. Dit veroorzaakte een forse stijging van het aantal echtscheidingen (zie figuur 1). Echtscheidingen waarbij de twee echtgenoten samen eisende partij zijn stijgen en het aantal echtscheidingen met één eisende partij daalt. In België steeg het aantal echtscheiding met onderlinge toestemming van 56,2% in 1994 naar 74,2% in 1995 (FOD Economie – Algemene directie Statistiek en Economische Informatie, 12.10.2004; Corijn, 2005, p. 1Dumon, 1998, p. 81) .
De huidige twee procedures bestaan uit echtscheidingen met onderlinge toestemming en echtscheidingen op grond van bepaalde feiten/echtscheidingen wegens feitelijke scheiding (Federale overheidsdienst Justitie, 25.11.2005).
Bij echtscheidingen met onderlinge toestemming zijn de twee echtgenoten samen eisende partij. Zonder elkaar de schuld te geven, kunnen echtgenoten een einde stellen aan het huwelijk en vooraf zelf een regeling treffen voor materiële en familiale zaken. Echtscheidingen op grond van bepaalde feiten (zoals overspel, mishandeling of gewelddaden) en echtscheidingen wegens feitelijke scheiding (de partners zijn nog gehuwd maar wonen niet meer samen onder hetzelfde dak) vormen de tweede procedure. Hier is er sprake van één echtgenoot als eisende partij. Na twee jaar feitelijke scheiding kan de rechtbank de echtscheiding uitspreken ten nadele van diegene die de echtscheiding heeft gevraagd. Deze persoon wordt gezien als de schuldige en kan veroordeeld worden tot persoonlijk onderhoudsgeld. Dit vermoeden is weerlegbaar (FOD Justitie, 25.11.2005; FOD Economie – Algemene directie Statistiek en Economische Informatie, 12.10.2004).
Scheidingen van tafel en bed worden hier niet meegerekend aangezien het huwelijk er niet door ontbonden wordt. Ze zijn nog weinig frequent en worden ook niet meegeteld in de cijfers van het FOD economie - Algemene Directie Statistiek en Economische informatie (FOD Economie – Algemene directie Statistiek en Economische Informatie, 12.10.2004).
1.2.2.2. Demografische oorzaak
Een tweede groep oorzaken van het toenemend aantal echtscheidingen vinden we in de demografische structuur van onze samenleving. Echtscheidingen treden pas op na x aantal jaren huwelijk. In 2002 bedroeg de gemiddelde duur van ontbonden huwelijken 12 jaar en vijf maanden. Hoe meer huwelijken, hoe meer kans op echtscheidingen. De babyboomgeneratie van eind jaren vijftig en begin jaren zestig zorgt dus voor meer huwelijken en vanzelfsprekend voor een toename in het aantal echtscheidingen. Mensen leven ook steeds langer. De statistische kans op echtscheidingen stijgt lichtjes door de toenemende levensverwachting (FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, 01.10.2003).
Gemengde huwelijken, huwelijken tussen autochtonen en allochtonen, nemen toe. Onderzoek toont aan dat er meer kans is op echtscheiding in gemengde dan in niet-gemengde huwelijken (FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, 01.10.2003; Bendadi, 08.10.2005, pp. 14-15).
Steeds meer koppels blijven kinderloos of hebben weinig kinderen. De aanwezigheid van kinderen vormt een belangrijke factor om het huwelijk niet te verbreken. Er treden dan immers praktische en morele bezwaren op (Lodewijckx, 2005, p. 54; Corijn, 2005, p. 47). Onderzoek uit Nederland toont aan dat kinderen die een echtscheiding meemaakten twee keer meer kans hebben om later zelf uit het echt te scheiden. Hoe jonger het kind is tijdens te echtscheiding, hoe groter de kans om zelf later te scheiden (FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, 01.10.2003; Hetherington & Kelly, 2002, p. 89).
1.2.2.3. Sociaal-culturele processen
Externe veranderingen, zoals individualisering en detraditionalisering van de private leefwereld, verhogen de individuele vrijheidsgraden en beslissingsmogelijkheden. Gendergelijkheid en (economische) onafhankelijkheid worden nieuwe dominante gezinswaarden (Vanhove & Matthijs, 2003, p. 6; Cliquet, 1996, p. 144). Er is een stijging van de vrouwelijke arbeidsmarktparticipatie. Hierdoor vergroten vrouwen hun economische onafhankelijkheid. Vrouwen nemen ook vaker het initiatief om een echtscheiding aan te vragen (zie infra) (Van Crombrugge, Verstraeten & Mortelmans, 2002, p. 107; Vanhove & Matthijs, 2003, p. 45, 62; Hetherington & Kelly, 2002, p. 40; Dumon, 1998, p. 85; FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, 12.10.2004).
Ook intern ondergaat het gezin structurele veranderingen. De afstemming van wederzijdse verlangens en verwachtingen binnen een relatie verloopt meer via een voortdurend proces van onderhandelingen en interactie en minder via een voorgeschreven patroon. Deze gezinnen maken de overgang van een bevelshuishouding naar een onderhandelingshuishouding (Vanhove & Matthijs, 2003, pp. 6-7; Cliquet, 1996, p. 144). Mensen stellen tegenwoordig ook hogere eisen aan hun huwelijkspartner. Hierdoor wordt het moeilijker je partner als “de ware” of “de perfecte wederhelft” te aanschouwen. Door deze veeleisendheid stijgt het risico op echtscheidingen (FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, 01.10.2003).
1.2.2.4. Veranderingen in de maatschappelijke opvatting
In onze onmiddellijke omgeving komen we vaak in aanraking met kennissen of familieleden die gescheiden zijn. De gestegen sociale zichtbaarheid draagt bij aan de normalisering van echtscheidingen als sociaal maatschappelijk fenomeen. Dit verlaagt de sociale drempel om zelf ook een einde te maken aan een ongelukkig huwelijk. Bovendien zien meer mensen in dat een echtscheiding een mogelijke oplossing kan zijn voor hun probleem. Echtscheidingen zijn ook sociaal aanvaardbaar geworden: in 1999 werden echtscheidingen door een vijfde van de Belgen afgekeurd, in 1981 was dit nog door bijna de helft. De sociale legitieme voorwaarden om een huwelijk te beëindigen waren vroeger uitsluitend op basis van objectief en ernstig waarneembare normovertredingen, zoals misbruik of voortdurende ontrouw. Tegenwoordig is de legitimiteit van een echtscheiding een subjectieve privé-zaak geworden. De sociaal aanvaardbare motieven bij een echtscheiding zijn nu minder streng en meer subjectief. De sociale druk om een minder geslaagd huwelijk toch in stand te houden, is aanzienlijk kleiner geworden. Gescheiden vrouwen en mannen worden nog zelden gestigmatiseerd. Toch is het stigma na een echtscheiding nog niet helemaal verdwenen (Vanhove & Matthijs, 2003, p. 7, 62; Dumon, 1998, p. 81; FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, 01.10.2003).
1.3. De beslissing om te scheiden
Vroeger moest men minimaal met twee zijn om te kunnen overleven. De vader zorgde voor financiële middelen om zijn gezin te onderhouden. De moeder deed het huishouden en was afhankelijk van haar echtgenoot. Echtscheidingen waren toen ondenkbaar. Niet zozeer door religieuze overtuigingen maar vanwege een economische noodzaak. Veel mensen zijn tegenwoordig voldoende kapitaalkrachtig om zelfstandig te kunnen functioneren (Van Crombrugge e.a., 2002, p. 107).
1.3.1. Genderverschillen
Alsmaar meer vrouwen begeven zich op de arbeidsmarkt. Op die manier zorgen zij ook voor een deel van het gezinsinkomen. Binnen deze economische context is de klassieke rol van de vader sterk afgezwakt. Door de emancipatie slagen veel vrouwen erin onafhankelijk te leven. De beslissing om te scheiden wordt de laatste tijd dan ook vaker door vrouwen ingezet (Van Crombrugge e.a., 2002, p. 107; Vanhove & Matthijs, 2003, p. 45, 62; Hetherington & Kelly, 2002, p. 40; Dumon, 1998, p. 85). In 1980 namen vrouwen voor 53 % het initiatief bij een echtscheiding met één eisende partij, in de periode 2000 tot 2002 was dit voor 57 % (FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, 12.10.2004). Hogere echtscheidingsrisico’s vinden we voornamelijk terug bij opgeleide vrouwen of vrouwen met werkervaring. Zij kunnen, in tegenstelling tot niet-opgeleide of onervaren vrouwen, in hun eigen inkomen voorzien. Bovendien zijn gehuwde vrouwen met een job geëmancipeerder als het op waarden aankomt. Deze sterke geëmancipeerde waarden leiden tot meer tolerantie ten aanzien van het afbreken van een huwelijk (Vanhove & Matthijs, 2003, p. 62). Deze trend zal zich voortzetten aangezien steeds meer vrouwen hoog geschoold zijn en de arbeidsmarkt betreden (Van Crombrugge e.a., 2002, p. 107).
Genderverschillen beperken zich niet tot de initiatiefnemer. Vrouwen benaderen een echtscheiding ook veel doelbewuster dan mannen. Zij voelen zich gedurende een lange periode ongelukkig en er gaat heel wat denkwerk aan vooraf vooraleer zij definitief een beslissing nemen. Mannen zijn minder emotioneel en hebben een grotere tolerantie ten opzichte van minder geslaagde huwelijken. Zo heeft ongeveer 25 % van de mannen geen enkel idee dat hun vrouw wil scheiden (Hetherington & Kelly, 2002, p. 40).
Mannen houden vooral stand in een ongelukkig huwelijk omwille van de kinderen. Hun angst om hen uit het oog te verliezen na een echtscheiding is groot (Hetherington & Kelly, 2002, p. 40). Aangezien moeders doorgaans de kinderen krijgen toegewezen, vrezen vaders terecht dat zij meer kans hebben om het contact met hun kinderen te verliezen. Meestal zijn zij immers de niet-verzorgende ouders en zien ze hun kinderen heel weinig. In principe is er een bezoekregeling voor de niet-inwonende ouder: één weekend op twee en de helft van de schoolvakanties. In de praktijk kan dit uiteraard verschillen per gezin. Bovendien heeft ongeveer 25% van de kinderen geen contact meer met de niet-verzorgende ouder. Dit percentage stijgt naarmate men meer jaren gescheiden is (Kúti, Colpin, De Munter & Vandemeulebroecke, 2004, p. 19).
Vrouwen vrezen vooral financiële problemen na een echtscheiding. Deze angst is ook terecht. Uit onderzoek blijkt dat vrouwen meer dan mannen in financiële moeilijkheden terechtkomen (Hetherington & Kelly, 2002, pp. 41, 48). Moeders met zonen zijn ook bang voor het verlies van de vaderlijke voorbeeldrol en voor opvoedingsproblemen. Onderzoek toont aan dat deze angsten gegrond zijn. Depressie komt vaker voor bij alleenstaande moeders met een zoon. De reden hiervoor is dat een gescheiden moeder het moeilijker heeft met de opvoeding van jongens dan die van meisjes (Hetherington, Clingempeel & Anderson, 1992, p. 130; Furstenberg & Cherlin, 1991, p. 67).
1.4. Wat na een echtscheiding?
1.4.1. De omgangsregeling na een echtscheiding
In België is, sinds de wet van 13 april 1995 betreffende de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag, het klassieke systeem van hoede- en bezoekrecht afgeschaft. De wet introduceert het systeem van co-ouderschap: beide ouders blijven verantwoordelijk voor de opvoeding van hun kinderen ook al wonen zij niet meer samen. Ze treden samen op voor alle beslissingen aangaande de opvoeding van hun kinderen. Het systeem staat los van de omgangsregeling. De verblijfs- en omgangsregeling na een echtscheiding zorgt echter wel voor de meeste conflicten. De regeling van de hoofdverblijfplaats en het recht op persoonlijk contact met beide ouders veroorzaken veel spanningen zowel bij ouders als kinderen. De materiële verdeling van gemeenschappelijke goederen kan men immers eenvoudig in twee delen, kinderen niet. Zowel voor de kinderen als de ouders is het een hele aanpassing om elkaar gedurende lange tijd niet meer te zien. Sommige ouders krijgen hun kinderen in de praktijk niet meer te zien. Het kinderrechtencommissariaat ontving in het werkjaar 2004 voornamelijk meldingen in verband met problemen rond echtscheidingen. Deze waren meestal klachten over de verwarring en conflicten bij het bepalen van de omgangsregeling. Een derde van deze klachten ging uit van minderjarigen zelf (Kinderrechtencommissariaat, 17.11.2004; Kúti e.a., 2004, pp. 17-18).
De juridische regeling verschilt vaak grondig van de omgangsregeling die in de praktijk getroffen is. We houden in ons onderzoek alleen rekening met de feitelijke omgangsregeling. Vanuit pedagogisch perspectief is deze maatregel zeer belangrijk. In de praktijk zijn er verschillende mogelijkheden om de omgang tussen kinderen en ouders te regelen. In Vlaanderen spreekt men in de omgangstaal doorgaans van een regeling “met of zonder bezoekrecht” en “co-ouderschap” (Kúti e.a., 2004, p. 18).
1.4.1.1. Co-ouderschap
Bij een co-ouderschapregeling staan beide ouders ongeveer evenveel in voor de opvoeding van de kinderen. De kinderen verblijven ongeveer de helft van de tijd bij de moeder en de andere helft bij de vader. Deze regeling wordt steeds frequenter getroffen. Ook hier vinden we verschillende vormen terug. Sommige ex-partners werken met een heel flexibele omgangsregeling, andere volgens een nauwkeurig uitgewerkt systeem. Meestal is er sprake van een week om week regeling, soms wordt er om de drie à vier dagen van gezin gewisseld. Qua financiële afspraken zijn er ook verschillen, gaande van een gemeenschappelijke rekening tot een maandelijkse bijdrage voor de onkosten, voornamelijk voor kleding en schoolmateriaal. Er worden soms afspraken gemaakt in verband met de locatie van de nieuwe verblijfplaatsen zodat het wederzijds contact optimaal kan blijven (Kúti e.a., 2004, pp.56-57).
Een co-ouderschapregeling vraagt om een goede verstandhouding en voldoende communicatie tussen de ex-partners. Men haalt regelmatig aan dat een co-ouderschapregeling de beste situatie is voor een kind. Zo kan het kind na een echtscheiding nog steeds beroep doen op beide ouders. Hiernaast vinden we ook andere motieven terug. Men streeft naar de gelijkwaardigheid van beide ouders. Vaders worden door de rechter vaak nog benadeeld bij het bepalen van de omgangsregeling. Zij vrezen om enkel een “weekendvader” te worden (Drieskens, Vandekerckhove, Buysse & Renders, 15.02.2005). Praktische motieven spelen ook een rol. Men wil de verdeling van werk, opvoeding en vrije tijd behouden zoals die voor de echtscheiding was. Vooral vrouwen vrezen dat ze onvoldoende vrije tijd zullen overhouden wanneer zij alleen voor de kinderen moeten instaan. Uit wetenschappelijke literatuur blijkt echter dat co-ouderschap niet voor alle kinderen de beste oplossing is. Zeker wanneer beide ouders niet bereid zijn tot overleg, leidt deze regeling tot nog meer ouderlijk conflict wat op zijn beurt uitmondt in traumatische situaties voor zowel kinderen als ouders. Men moet elke situatie individueel bekijken en dan bepalen wat zowel voor de kinderen als de ouders de beste omgangsregeling is (Drieskens, Vandekerckhove, Buysse & Renders, 15.02.2005; Meesters & Singendonk, 1995, pp. 149-151).
Hetherington en Kelly onderscheiden drie algemene types van co-ouderschap (2002, pp. 136-140). Conflicterend co-ouderschap leidt tot veel problemen na een echtscheiding en is zeker geen gunstige regeling in het belang van de kinderen. Veel ouders willen na een echtscheiding geen contact meer bewaren met de ex-partner. Maar wanneer ze beide verantwoordelijk blijven voor de kinderen, wordt dit problematisch. Ze uiten beledigingen over elkaar, proberen elkaar’s relatie met het kind te ondermijnen of vechten waar de kinderen bij staan. Dit is heel nadelig voor het welzijn van kinderen. Deze vorm komt in een vierde van de co-ouderschapregelingen voor. Ouders worden er ook ongelukkig van. Ze voelen zich schuldig over hun gedrag maar de woede neemt de overhand waardoor ze zich niet kunnen richten op een meer betekenisvol leven (Hetherington & Kelly, 2002, pp. 137-138).
Bij coöperatief co-ouderschap verdwijnt het antagonisme tussen de ouders en worden de belangen van de kinderen op de eerste plaatst gesteld. Men komt soms tot deze goede verstandhouding door een ongeluk of een crisis zoals een ernstig ziek kind of bij gedragsproblemen van een kind. Uit het onderzoek van Hetherington en Kelly blijkt dat 25% van de co-ouderschapregelingen positief verloopt. Ze bespreken de problemen van hun kinderen, coördineren huishoudelijke regels en schikken hun schema’s aan de noden van de kinderen (Hetherington & Kelly, 2002, p. 138).
In ongeveer de helft van de co-ouderschapregelingen kunnen we spreken van parallel co-ouderschap. Beide ouders negeren elkaar simpelweg en dat maakt het de eenvoudigste vorm om toe te passen. Er is weinig of geen ouderlijk conflict. Ieder huishouden heeft zijn patroon en er wordt geen rekening gehouden met de (soms) grote verschillen tussen beide leefmilieus. Onderzoekers zijn wel verrast over de flexibele aanpassing van de kinderen binnen deze twee verschillende levens. De minimale communicatie tussen de ouders zorgt evenwel voor problemen of misverstanden onder andere verkeerde medicatie toedienen of het niet op de hoogte zijn van huiswerk, schoolresultaten of activiteiten (Hetherington & Kelly, 2002, pp. 139-140).
1.4.1.2. Omgangsregeling met of zonder bezoekrecht
Wanneer de opvoedingsverantwoordelijkheid ongelijk verdeeld wordt tussen de moeder en vader, dan spreken we van een regeling met of zonder omgangsrecht. De kinderen verblijven dan meer bij één ouder en aanzienlijk minder bij de andere. De ouder die de kinderen krijgt toegewezen en de meeste tijd met hen doorbrengt, wordt de verzorgende ouder genoemd. De andere ouder wordt de niet-verzorgende ouder genoemd, hij of zij heeft wel recht op omgang met de kinderen. Meestal krijgt de moeder de kinderen toegewezen. De meest voorkomende vorm is een omgangsregeling van één weekend om de 14 dagen en de helft van de schoolvakanties. In de praktijk komen verschillende regelingen aan bod (Kúti e.a., 2004, p. 19).
De verzorgende ouders hebben meer het gevoel dat ze de verantwoordelijkheid alleen dragen. Zij staan in voor de dagelijkse routine en bij hen is het leven alledaags en minder spannend. De ex-partners gedragen zich daarentegen vaak als “sinterklaasouders” waar vooral leuke activiteiten worden georganiseerd. Moeders met omgangsrecht onderhouden meer contact met hun kinderen dan vaders met bezoekrecht. Deze moeders bezoeken hun kinderen twee keer meer dan vaders. Zij reorganiseren hun leven ook beter naar de noden van de kinderen, zo is er meer speelgoed en kleding aanwezig. Er is ook een hechtere band aanwezig tussen de uitwonende moeder en de kinderen dan bij de uitwonende vader. Toch verliest ongeveer een vierde van de kinderen het contact met zijn of haar uitwonende ouder en vaak is dit de vader. Het initiatief ligt zowel bij de kinderen, de uitwonende ouders of de verzorgende ouders. Vooral kinderen onder de drie jaar verliezen het contact met de niet-verzorgende ouder, kinderen tussen 6 en 8 jaar onderhouden het meeste contact (Kúti e.a., 2004, p. 58; Spruijt, Kormos & Burggraaf, 2002, pp. 28, 44-45; Hetherington & Kelly, 2002, p. 121).
Onderzoek toont aan dat het welbevinden van het kind niet samenhangt met de contactfrequentie van de uitwonende ouder. De kwaliteit van het contact is doorslaggevender dan de kwantiteit. Factoren als “authoritative parenting” (zie 2.1 en 2.1.1.), de band met het kind voor de echtscheiding en de betaling van alimentatie spelen een belangrijkere rol dan de contactfrequentie op zich. Bovendien overschaduwen ernstige conflicten tussen de ouders de positieve betekenis van de uitwonende ouder. Het doel van een goede omgangsregeling is niet het bereiken van een maximaal contact met beide ouders, maar vermijden dat het kind voortdurend gevangen zit in een ouderlijk conflict (Hetherington & Kelly, 2002, p. 134; Hetherington, 1999, p. 103; Spruijt e.a., 2002, pp. 46-47; Drieskens e.a., 15.02.2005).
1.4.2. De relatie tussen ex-partners
Goed contact met beide ouders is heel belangrijk voor kinderen maar uitsluitend als er relatief weinig ouderlijk conflict is. Wetenschappelijk onderzoek toont immers aan dat niet de omgangsregeling op zich, maar wel het aanslepend ouderlijk conflict, de meeste problemen voor het welbevinden van kinderen veroorzaakt (Drieskens e.a., 15.02.2005). Zes jaar na een echtscheiding gaat ongeveer een vierde van de koppels nog steeds conflictueus met elkaar om (Hetherington & Kelly, 2002, p. 138). Regelmatig en goed contact met de uitwonende ouder kan problemen bij kinderen verminderen maar onregelmatig en gebrekkig contact bezorgt kinderen negatieve gevoelens zoals zich verworpen, verlaten en gekwetst voelen. Een verblijfsregeling heeft enkel kans op slagen indien de ex-partners een overeenkomst bereiken en het conflict zoveel mogelijk inperken. Bij de bepaling van de omgangsregeling moet zoveel mogelijk rekening gehouden worden met de noden van de kinderen zoals school, opgroeien met broers of zussen, hobby’s, vriendjes enzovoort. Maar kinderen worden zelden of nooit gehoord en uiten vaak dat zij te weinig inspraak hebben in de beslissing voor de omgangsregeling. Een echtscheiding heeft een grote impact op de toekomst van de kinderen. We mogen hier niet onverschillig voor blijven (Drieskens e.a., 15.02.2005; Van Peer & Van den Bergh, 2004, p. 11; Meesters & Singendonk, 1995, pp. 102-103).
1.5. Kinderen van de echtscheiding
1.5.1. Hoeveel kinderen zijn betrokken bij een scheiding?
Alsmaar meer kinderen maken een scheiding van de ouders mee. We weten echter niet precies hoeveel kinderen er betrokken zijn bij een scheiding. Officiële bevolkingstatistieken kunnen hier immers geen antwoord op bieden. Wil men informatie over huwelijks, relatie en gezinsontbinding en de betrokkenheid van kinderen, dan kan men beroep doen op enkele grootschalige surveys. In België zijn deze slechts beperkt in aantal en worden ze sporadisch georganiseerd. In een werkdocument van het Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudies worden schattingen op basis van het rijksregistergegevens gemaakt, met als voordeel dat zij de volledige populatie beschrijven en een jaarlijkse opvolging van de situatie mogelijk maken (Lodewijckx, 2005, pp. 1-2).
Op 1 januari 2004 heeft ruim 20% van de kinderen (0- tot 17-jarige) in het Vlaamse gewest een scheiding meegemaakt: bij 11% van de kinderen scheidden de ouders uit het echt, bij 3% leefden de ouders feitelijk gescheiden, bij bijna 6% waren de ouders ongehuwd toen ze uit elkaar gingen (decohabitatie) en bij 1% van de kinderen overleed één van beide ouders. In totaal waren er ongeveer 250.000 kinderen betrokken bij een (echt)scheiding van hun ouders. Hoe ouder de kinderen zijn, hoe groter de kans dat zij een scheiding meemaakten want met de leeftijd verhoogt de risicoduur. Het type van scheiding verandert ook naargelang de leeftijd van het kind. Bij jongere kinderen ging het vaker om relatieontbinding van ongehuwde samenwonende ouders, bij oudere kinderen veel vaker om een echtscheiding (zie figuur 2) (Lodewijckx, 2005, pp. 53-57).
Figuur 2: Het percentage kinderen in het Vlaamse gewest dat op 1/1/2004 al of
niet een scheiding van de ouders meemaakte,
naar type van scheiding en leeftijd
van de kinderen

Bron: Lodewijckx, 2005, p.32
We vinden ook verschillen terug afhankelijk van de woonplaats. Zo telt het Vlaamse gewest minder kinderen met gescheiden ouders dan het Waalse of Brussels Hoofdstedelijk gewest. In het Vlaamse gewest bestaan er tevens verschillen tussen de gemeenten. De (groot)steden, zoals Antwerpen en Gent evenals vele andere steden, de kuststreek en de regio’s rond het Brussels Hoofdstedelijk gewest, zijn koplopers. Sinds 1991 is de variatie tussen de gemeenten afgenomen maar het aandeel kinderen met gescheiden ouders varieert in 2004 nog steeds van 8% tot 35%. In een stedelijke omgeving is er vaak minder sociale controle, waardoor een scheiding misschien eenvoudiger wordt. Het stedelijke karakter is ook aantrekkelijk omwille van sociale, financiële (huurprijzen) en praktische (school, kinderopvang) redenen (Lodewijckx, 2005, pp. 27-29).
Huwelijken worden na een steeds kortere huwelijksduur ontbonden. Kinderen worden dus op alsmaar jongere leeftijd geconfronteerd met een echtscheiding. Van alle kinderen op 1 januari 2004 die een echtscheiding meemaakten, was 17% jonger dan drie jaar tijdens de echtscheiding, 27% was een kleuter (3 tot 5 jaar), 43% had op dat ogenblik de lagere school leeftijd (6 tot 11 jaar), en 13% was tussen de 12 en 17 jaar (Lodewijckx, 2005, pp. 33-34).
1.5.2. De woonsituatie van de kinderen na een scheiding
In het Vlaamse Gewest woont drie vierde van de kinderen (0- tot 17-jarige) bij een gehuwd paar: 70% woont bij beide biologische ouders, 3% woont bij één biologische ouder en een stiefouder en voor 2% van de kinderen is de verwantschap tussen de huwelijkspartners onduidelijk. Negen procent van de 0- tot 17-jarige woont bij een ongehuwd paar: ruim 3% woont bij beide biologische ouders, ruim 3% woont met één ouder en een stiefouder en voor de overige 2% is de verwantschap tussen de partners onduidelijk. Ongeveer 13% woont bij een alleenstaande ouder (Lodewijckx, 2005, pp. 23-24).
Kinderen van gescheiden ouders komen het vaakst bij één ouder terecht: 11% van de kinderen woont bij een alleenstaande moeder en bijna 2% bij een alleenstaande vader. Oudere kinderen wonen vaker bij een alleenstaande ouder, jongere kinderen (0- tot 2- jarige) bij een ongehuwd paar (Lodewijckx, 2005, pp. 23-24). Kinderen blijven niet altijd bij een alleenstaande ouder wonen. De kans om na vijf jaar met één ouder samen te wonen is wel duidelijk groter na een echtscheiding dan na een overlijden van de huwelijkspartner (Lodewijckx, 2005, pp. 23-24).
1.5.2.1. Het eenoudergezin
“Een eenoudergezin is een gezin waarin één ouder samenleeft met zijn of haar kinderen, in een huishouden, waarin geen vaste partner van de ouder aanwezig is en waarin ten minste één kind jonger dan 18 jaar aanwezig is” (Kúti e.a., 2004, p. 13). Kinderen die door één ouder worden opgevoed, hebben echter altijd al bestaan.
Vroeger werd de term “eenoudergezin” hoofdzakelijk gebruikt om weduwnaarsschap aan te duiden, tegenwoordig geldt het ook voor andere levensomstandigheden. Deze zeer verscheiden situaties worden onder één noemer geplaatst. Ze verschillen onder andere qua ontstaansredenen. Het kan gaan om een gezin waar één van beide ouders is overleden. Een eenoudergezin kan ook ontstaan na een echtscheiding. Bewust ongehuwde moeders kiezen ervoor om alleen voor de opvoeding van de kinderen in te staan. Of één van de ouders kan of wil de opvoedingsverantwoordelijkheid van de kinderen niet opnemen (Koning Boudewijnstichting, 2001, p.1).
Door de stijgende levensverwachting en de toename van het aantal echtscheidingen ontstaan vandaag de meeste eenoudergezinnen na een echtscheiding en niet meer na het overlijden van een partner. Eenoudergezinnen verschillen ook qua gezinssamenstelling. In moedergezinnen zorgt een alleenstaande moeder voor de kinderen, in vadergezinnen is dit de vader. Het aantal kinderen en de leeftijd varieert ook per eenoudergezin en bovendien gaat het meestal slechts om een tijdelijke tussenfase. We hebben op die manier diverse situaties die doorheen de tijd evolueren. Omwille van deze verscheidenheid zijn er weinig volledige gegevens terug te vinden en liggen vergelijkende studies niet voor de hand (Kúti e.a., 2004, pp. 13-14; Cliquet, 1996, p.22; Koning Boudewijnstichting, 2001, p.1).
Bovendien lijkt de term “eenoudergezin” beter geschikt om de vroegere situaties te beschrijven. Toen werd de verantwoordelijkheid voor de opvoeding van kinderen daadwerkelijk door één ouder gedragen, meestal na overlijden van de partner. Sociologe N. Lefaucheur stelt dan ook een andere term voor namelijk “famille bifocale”, gezin met dubbele kern, omdat in de hedendaagse samenleving beide ouders meestal nog in sterkere of mindere mate aanwezig zijn. Het kind heeft een dubbele thuis. Ze verwijst hiermee ook naar de ontwikkeling van het co-ouderschap, waarbij de vader na een echtscheiding ook een rol krijgt in de opvoeding van zijn kinderen (Koning Boudewijnstichting, 2001, p.2).
Eenoudergezinnen vormen dus geen nieuwe gezinsvorm. In België is hun aandeel in het totale aantal huishoudens sinds 1970 gestegen van 5% naar 13,1% in 2005. Bij 9,5% van de eenoudergezinnen gaat het om alleenstaande moeders met ongehuwde kinderen, alleenstaande vaders met ongehuwde kinderen tellen voor 3,6%. Eenoudergezinnen beperken zich niet tot jonge moeders alleen. Veel alleenstaanden zijn veertigers met ouder wordende kinderen, ook de vadergezinnen vormen een belangrijke subgroep (FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, 23.12.2005).
Eeenoudergezinnen bestaan bijna drie keer meer uit alleenstaande moeders. Dit valt te verklaren doordat moeders bij een echtscheiding vaker de kinderen krijgen toegewezen. Bovendien hertrouwen alleenstaande vaders vaker dan alleenstaande moeders (zie infra). Maar het aantal alleenstaande vaders neemt sterk toe. In absolute aantallen zijn ze net niet verdubbeld tegenover 10 jaar geleden. Vlaamse vadergezinnen vormden in 2003 ongeveer 27% van het totale aantal eenoudergezinnen, 10 jaar voordien was dit 20% (Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap Afdeling Planning en Statistiek, 2004; Koning Boudewijnstichting, 2001, p.1). Niet iedereen gaat akkoord met deze sterke toename van het aantal vadergezinnen. Een ander onderzoek toont aan dat er in Vlaanderen geen sprake is van een spectaculaire verandering en dat de verhouding tussen moeder en vadergezinnen de laatste decennia vrijwel constant gebleven is. Veel zal te maken hebben met de manier waarop onderzoekers het begrip “eenoudergezin” definiëren (Kúti e.a., 2004, p.17).
In ons onderzoek wordt evenwel de nadruk gelegd op eenoudergezinnen ontstaan na een echtscheiding. Zowel alleenstaande ouders met een omgangsregeling als ouders uit een co-ouderschapregeling komen in ons onderzoek aan bod. In navolging van sociologe N. Lefaucheur nemen we deze laatste groep op in het onderzoek aangezien ook zij gedurende de helft van de tijd alleen instaan voor de kinderen. Bovendien bestaan er in de praktijk verschillende omgangsregelingen na een echtscheiding. De grens tussen co-ouderschap en bezoekregeling is vaak moeilijk te onderscheiden.
1.5.2.2. Genderverschillen tussen gescheiden moeders en vaders
Kinderen kunnen na een echtscheiding bij hun moeder of vader wonen. Waar ze uiteindelijk verblijven, speelt een belangrijke rol aangezien er duidelijke verschillen zijn tussen gescheiden moeders en vaders. Kinderen die bij hun vader wonen, hebben na de echtscheiding meer kans om tot een nieuw samengesteld gezin te behoren. Zes op de tien mannen hebben al een nieuwe partner één jaar na de officiële scheidingsdatum. Bij vrouwen is dit ten hoogste drie op tien. Kinderen, die bij hun moeder verlijven, maken dus meer deel uit van een eenoudergezin (zie figuur 3). We stellen reeds vanaf het eerste jaar na de breuk een opmerkelijk genderverschil vast (Lodewijckx, 2005, p. 38; Beel, 01.10.2005, p. 1).
Figuur 3: Het percentage kinderen in het Vlaamse gewest dat een echtscheiding van de ouders meemaakte in 1999: hun woonsituatie in 2004, naar de leeftijd tijdens de echtscheiding en naargelang het geslacht van de ouder bij wie zij wonen

Bron: Lodewijckx, 2005, p. 39
Ook de leeftijd van het kind op het moment van de echtscheiding is bepalend voor hun woonsituatie enkele jaren later, voornamelijk wanneer het kind bij de vader woont. Jongere kinderen hebben meer kans om na enkele jaren al met een stiefouder samen te wonen (zie figuur 3). Meer dan 30% van de peuters die bij hun moeder verblijft, woont binnen één jaar na de echtscheiding samen met een stiefvader. Meestal woont de moeder ongehuwd samen met haar nieuwe partner. Het percentage voor jonge kinderen, die bij de vader verblijven, ligt dubbel zo hoog (63%). Hier hertrouwt de vader binnen één jaar na de echtscheiding bij bijna twee op tien peuters. Meer dan 80% van de kinderen die jonger waren dan drie jaar toen hun ouders het huwelijk beëindigden en die bij hun vader woonden, leeft vier jaar na de echtscheiding samen met een stiefmoeder. In meer dan de helft van deze situaties, hertrouwde de vader ook (zie figuur 3) (Lodewijckx, 2005, pp. 38-40).
Na een echtscheiding worden kinderen en ouders geconfronteerd met ingrijpende veranderingen. De gewijzigde gezinssamenstelling, en de daarmee samenhangende nieuwe woonsituatie, is slechts één punt waaraan gescheiden gezinnen zich moeten aanpassen. Een echtscheiding brengt tal van andere gevolgen met zich mee.
1.6. De gevolgen van een echtscheiding
1.6.1. Echtscheiding en maatschappij
Hoe beleven ouders en kinderen echtscheidingssituaties? Welke effecten hebben huwelijksontbindingen op hun leefsituaties?
De sociaal wetenschappelijke literatuur toont aan dat men in de jaren zeventig veronderstelde dat een echtscheiding weinig negatieve gevolgen veroorzaakte. De tijdelijke emotionele verwarring na een echtscheiding was gering voor kinderen en volwassenen. Deze literatuur focust zich op de specifieke sterke en zwakke punten van de verschillende familietypes. Zij suggereren onder andere dat alternatieve familietypes niet minderwaardig zijn dan traditionele families. Zij bieden op hun beurt ook een werkbaar klimaat aan voor de ontwikkeling van kinderen en volwassenen (Van Peer & Van den Bergh, 2004, p. 3).
Deze gedachtegang werd omstreden begin jaren tachtig. In deze periode startten onderzoekers met de eerste cross-sectionele en longitudinale studies. Men stelde vast dat alleenstaande ouders meer emotionele problemen hadden. Ook kinderen ondervonden negatieve gevolgen van een echtscheiding (Van Peer & Van den Bergh, 2004, p. 3).
Vanaf 1980 maakt men steeds meer gebruik van longitudinaal onderzoek. Vandaag beschikken we over uitgebreid onderzoeksmateriaal. Hieruit blijkt dat er heel wat gevolgen aan een echtscheiding verbonden zijn, zowel op korte als op lange termijn (zie infra) (Van Peer & Van den Bergh, 2004, p. 3).
Het welzijn van eenoudergezinnen wordt niet alleen bepaald door de echtscheiding en met gevolg de afwezigheid van één ouder. Ook de negatieve beeldvorming in de maatschappij ten aanzien van eenoudergezinnen oefent een sterke invloed uit (Van Crombrugge e.a., 2002, p. 169; Meesters & Singendonk, 1995, p. 135). De beeldvorming is meestal gebaseerd op vooroordelen. Dit uit zich in de manier waarop mensen alleenstaande ouders aanspreken, naar hen kijken of met hen omgaan. Onderzoek, naar de opvattingen van eenoudergezinnen over deze vooroordelen, toont aan dat 38% van eenoudergezinnen vooroordelen over hun gezinstype opmerkt. In dit onderzoek gaat het wel om de waarnemingen van alleenstaande ouders. Deze kunnen verschillen van de realiteit. Bovendien wijst onderzoek aan dat 42% van de alleenstaande ouders een sterke mate van sociale controle ondervindt bij de opvoeding van hun kinderen (Kúti e.a., 2004, pp. 147-152).
Ondanks de evolutie in de samenleving blijft het traditioneel gezin met beide ouders de norm en worden eenoudergezinnen negatief bestempeld vanuit een tekortmodel (Van Crombrugge e.a., 2002, p. 169). Alleenstaande ouders kennen een belangrijke rol toe aan media en onderwijs om de maatschappelijke beeldvorming te veranderen. De media verspreidt eenzijdige negatieve berichtgeving over kinderen uit eenoudergezinnen. We moeten streven naar een realistisch beeld waar ook ruimte is voor positieve berichtgeving. Ook het onderwijs kan een steentje bijdrage, via de opvoeding van kinderen, door een gevarieerd lessenpakket aan te bieden waarin aandacht is voor alternatieve gezinsvormen (Kúti e.a., 2004, p. 155).
Anderzijds kunnen we niet ontkennen dat een echtscheiding voor velen een vrij “normaal” maatschappelijk gegeven is geworden (zie supra). De sociale zichtbaarheid is enorm toegenomen. We komen vaak in contact met vrienden of familieleden die gescheiden zijn. De sociale drempel ligt lager waardoor het eenvoudiger wordt om te scheiden. Een echtscheiding vraagt nog steeds om rechtvaardiging, maar er gelden geen zware sociale straffen meer zoals vroeger (Vanhove & Matthijs, 2003, pp. 7, 62; Dumon, 1998, p. 81).
Een onderzoek van het CBGS toont aan dat het huwelijk geen voorwaarde meer is om gelukkig te zijn. De Vlaming meent dat het beter is een slecht huwelijk te beëindigen. Toch vinden acht op tien Vlamingen het toenemend aantal echtscheidingen onrustwekkend. De demografische ontwikkelingen worden dus niet ondersteund door een maatschappelijke goedkeuring (Corijn, 2005, p. 34).
1.6.2. Kunnen we spreken van “algemene” gevolgen?
Onderzoek toont aan dat een echtscheiding in het algemeen negatieve gevolgen heeft voor zowel kinderen als ouders. Maar deze onderzoeksresultaten moeten ook kritisch benaderd worden. In veel studies wordt geen correcte vergelijking gemaakt met gehuwde koppels. Zo is niet altijd duidelijk welke problemen typisch zijn voor alle gezinnen en welke specifiek op gescheiden gezinnen van toepassing zijn. Men moet ook rekening houden met de gehanteerde definities in elk onderzoek. Zo wordt het begrip “eenoudergezin” verschillend gedefinieerd en wordt het moeilijk de resultaten te vergelijken ( Hetherington & Kelly, 2002, p. 5; Kúti e.a., 2004, p. 21).
In de literatuur vinden we vooral algemene negatieve gevolgen van een echtscheiding terug. Deze gevolgen zijn niet in alle situaties even rampzalig. Risico en beschermende factoren bieden een verklaring voor deze verscheidenheid.
1.6.2.1. Risico en beschermende factoren
Een echtscheiding gaat steeds gepaard met veel stress. Stress activeert op zijn beurt een set van risico factoren die individuen meer kwetsbaar maakt voor negatieve gevolgen van een echtscheiding. Maar ook beschermende factoren worden door stress geactiveerd. Deze beschermen individuen tegen tegenspoed en schakelen risico factoren, en dus de negatieve gevolgen, uit. Risico en beschermende factoren bepalen samen de capaciteit waarmee individuen een echtscheiding doorstaan. Veerkracht ontwikkelt zich wanneer risico en beschermende factoren zich verenigen. Mensen beschikken over voldoende kracht om zich te beschermen tegen de gevolgen van een echtscheiding wanneer beschermende factoren domineren. Nemen risico factoren de overhand dan zijn mensen gevoeliger en zwakker. Zowel ouders als kinderen krijgen na een echtscheiding met deze factoren te maken. Elk individu beschikt over een eigen set van factoren. De nadelen van een echtscheiding kunnen dus beperkt worden door zoveel mogelijk beschermende factoren te ontplooien en risico factoren uit te schakelen. (Hetherington & Kelly, 2002, pp. 70-71; Kúti e.a., 2004, p. 120). De risico en beschermende factoren worden hieronder aangehaald (Hetherington & Kelly, 2002, pp. 72-86; Hetherington, 1999, p. 61; Kúti e.a., 2004, pp. 120-121; Meesters & Singendonk, 1995, pp. 126-127; Spruijt e.a., 2002, pp. 36-37).
Beschermende factoren
Een goed functionerende ouder: een ouder die goed voor de kinderen zorgt en ze steunt. Een ouder die concrete plannen maakt, zichzelf in de hand houdt, zich kan aanpassen aan de nieuwe situatie, sociaal verantwoordelijk en autonoom is.
Goede samenwerking met de ex-partner: weinig conflict en gedeelde verantwoordelijkheid
Steun van sociaal netwerk (familie en vrienden)
Beroep doen op een formeel steunnetwerk
Alimentatie ontvangen voor de kinderen. Dit is zowel positief voor de aanschaf van materiële zaken maar ook omdat het kinderen het gevoel geeft dat ze nog belangrijk zijn voor de uitwonende ouder.
Goede verstandhouding tussen broers en/of zussen
Kenmerken van de kinderen: geslacht, leeftijd, temperament en intelligentie
….
Risico factoren
Een slecht functionerende ouder: een ouder die depressief wordt, agressief gedrag vertoont, onvoldoende controle op de kinderen uitoefent, onverantwoordelijk is of impulsief reageert
Financiële achteruitgang of een ongunstige financiële situatie
Ouderlijk conflict, vooral als de kinderen tegen elkaar worden uitgespeeld
Hoe meer veranderingen, hoe slechter voor de kinderen (nieuwe omgeving, nieuwe school,…)
Promiscuïteit
Voorgaande echtscheidingen
…
1.6.2.2. De gevolgen voor kinderen
Kinderen reageren, net zoals ouders, verschillend op een echtscheiding. Meestal voelen ze zich verward, boos of bang. Afhankelijk van het temperament van de kinderen kunnen zij voor extra opvoedingsproblemen zorgen. Gescheiden ouders hebben het al zo druk met zichzelf en kunnen een “vervelend” kind wel missen. Deze kinderen zijn prikkelbaar, onvoorspelbaar en heel actief. Zij reageren heftig en negatief op veranderingen. Intelligente kinderen hebben in het algemeen minder last van psychosociale problemen. Bij deze kinderen domineren beschermende factoren en zodoende bezitten zij voldoende kracht om zich tegen de negatieve gevolgen te beschermen (zie supra) (Hetherington & Kelly, 2002, pp. 147-148; Meesters & Singendonk, 1995, p. 124).
We stelden reeds enkele opmerkelijke genderverschillen vast bij gescheiden moeders en vaders (zie 1.5.2.2.). Tussen jongens en meisjes vinden we minder opvallende genderverschillen terug. Jongens passen zich iets minder goed aan wanneer ze na een echtscheiding bij hun moeder verblijven. Een verklaring hiervoor is dat een alleenstaande moeder het moeilijker heeft met de opvoeding van zonen dan van dochters (zie supra). Meisjes krijgen meer emotionele steun van de moeder. Er ontstaat vaak een vriendschappelijke moeder-dochter relatie. Bovendien hebben jongens het moeilijker met het vertrek van de vader. Voor hen verdwijnt de identificatiefiguur: een vader is in vele opzichten een model, een rolvoorbeeld (Hetherington & Kelly, 2002, p. 149).
Wat betreft de gevolgen van een echtscheiding voor schoolprestaties, zelfbeeld, sociale relaties, psychologisch en emotioneel welbevinden treffen we geen genderverschillen aan in de literatuur. Wel presteren kinderen van gescheiden ouders in het algemeen slechter op deze vlakken dan kinderen uit intacte families. Genderverschillen vinden we evenwel terug in de manier waarop jongens en meisjes hun concrete probleemgedrag uiten. Meisjes zijn eerder op zichzelf gericht, ze internaliseren hun problemen. Ze zijn depressief, hebben stress, klagen over lichamelijke klachten en hebben een laag zelfbeeld. Jongens vertonen symptomen als antisociaal, agressief en licht delinquent gedrag. Zij externaliseren hun problemen (Kúti e.a., 2004, p. 118; Meesters & Singendonk, 1995, p. 100; Spruijt e.a., 2002, p. 34).
Op elke leeftijd heeft een echtscheiding nadelige gevolgen voor kinderen. Maar onderzoek toont aan dat er geen samenhang bestaat tussen leeftijd van kinderen en andere psychosociale problemen. De leeftijd van kinderen tijdens de echtscheiding heeft vooral een invloed op de manier waarop ze de echtscheiding verwerken. De cognitieve ontwikkeling van het kind wordt besproken door Piaget. Hij spreekt over drie fases die kinderen doorlopen. De pre-operationele fase vindt plaats tussen twee en zeven jaar. In deze fase denken kinderen egocentrisch en hebben moeite om zich in de plaats van andere te stellen. Complexe problemen zoals een echtscheiding kunnen zij nog niet vatten. Ze voelen zich schuldig omdat ze denken dat de echtscheiding hun fout is. Dit komt omdat ze nog niet alle factoren tegelijkertijd kunnen begrijpen. Van zes à zeven tot 12 jaar bevinden kinderen zich in de fase van de concrete operaties. Ze nemen steeds meer deel aan activiteiten buitenshuis. Ze leggen nieuwe contacten en ontwikkelen sociale vaardigheden. Ze kunnen beter nadenken over de opeenvolging van gebeurtenissen en kunnen zo een echtscheiding wel begrijpen. Ze denken ook na over de gevolgen die een echtscheiding voor hen zal hebben. In de laatste fase, vanaf 12 jaar, ontwikkelen jongeren de mogelijkheid tot abstract denken. Ze ontwikkelen een eigen sociale identiteit en maken de overgang naar een volwassen wereld (Roe, 2004; Meesters & Singendonk, 1995, pp. 54-60; Spruijt e. a., 2002, p. 34).
1.6.3. Korte termijn effecten
Meteen na een echtscheiding zijn er verschillende factoren waarmee ouders geconfronteerd worden. Vooral praktische, emotionele en psychologische problemen vragen voor een oplossing. Belangrijk is dat we de algemene gevolgen bespreken en deze niet op elk gezin van toepassing zijn.
Een echtscheiding is meteen voelbaar in de alledaagse gang van het leven. Als ouder kom je er immers alleen voor te staan. Financiële problemen zijn bij gescheiden ouders, vooral moeders, geen uitzondering. Vele sociale wetenschappers wijzen erop dat alle gevolgen afhankelijk zijn van de economische instabiliteit van een gescheiden ouder. Als de economische stress in deze gezinnen wordt geminimaliseerd, zullen er ook minder nadelige gevolgen zijn (Hetherington & Kelly, 2002, pp. 48-49; Meesters & Singendonk, 1995, p. 135).
Toch is de financiële ellende niet het enige aspect waarom gescheiden ouders vaker in de problemen komen. Alleen instaan voor de opvoeding van kinderen is niet eenvoudig. Het gebrek aan een partner die steun biedt, mag niet onderschat worden (Hetherington & Kelly, 2002, pp. 45-49). Bovendien gaat de alleenstaande ouder, vaak de moeder, meer werken om financieel rond te kunnen komen. Deze ouders kunnen minder tijd met hun kinderen spenderen dan voordien. Daarbij komen nog een hele hoop zorgen, schuldgevoel, stress en verdriet. Voornamelijk in het eerste jaar na een echtscheiding zijn gescheiden ouders depressief, woedend of onstabiel. Hun humeur verandert om de haverklap en ze hebben het gevoel “gefaald” te hebben (Hetherington, 1999, p. 130; Kúti e.a., 2004, p. 83-84; Furstenberg & Cherlin, 1991, p. 55; Meesters & Singendonk, 1995, p. 135).
Na een echtscheiding is het moeilijk om het juiste evenwicht te vinden tussen werk, huishouden en de opvoeding van de kinderen. Al de verantwoordelijkheid ligt nu bij één ouder. Zij kunnen met niemand overleg plegen, ze zijn alleen op zichzelf aangewezen. Er is immers niet altijd iemand in de directe omgeving die raad kan geven (Hetherington, 1999, p. 135; Kúti e.a., 2004, p. 50). Hetherington (1999, pp. 135-138) toont aan dat er degelijk sprake is van verminderd ouderschap in eenoudergezinnen. De afwezigheid van twee ouders bij de opvoeding van kinderen is voelbaar. Gebrek aan tijd, energie en controle zijn geen vreemde elementen in het leven van deze gezinnen. Er is duidelijk minder gezinsstructuur aanwezig. Een traditioneel koppel beschikt over twee ouders die voor de kinderen zorgen. Dit leidt automatisch tot een verhoogde capaciteit om actief en betrokken met de kinderen bezig te zijn. Alleenstaande ouders zijn minder betrokken bij de opvoeding van hun kinderen en oefenen in mindere mate controle uit. Zo laten getrouwde moeders hun kinderen minder vaak alleen thuis dan gescheiden moeders. Gehuwde moeders hebben ook vaker regels in verband met televisie kijken (36,9%) dan gescheiden moeders (31,9%). In eenoudergezinnen is er in het algemeen minder controle, minder discipline, minder emotionele betrokkenheid en minder tijd en energie aanwezig voor de opvoeding van de kinderen (Hetherington & Kelly, 2002, pp. 45-46, 50; Hetherington, 1999, p. 85; Meesters & Singendonk, 1995, p. 69, 128; Van Peer & Van den Bergh, 2004, pp.10-12; Kúti e.a., 2004, p. 45).
Veel gescheiden ouders moeten ook verhuizen. Dit omwille van financiële redenen of ze willen dichter bij hun familie wonen. Kinderen en ouders moeten zich in deze nieuwe omgeving aanpassen. Deze situatie brengt extra onzekerheid met zich mee. Anderzijds kan het ook voordelig zijn omdat men daar een nieuw leven kan opbouwen (Meesters & Singendonk, 1995, pp. 70, 134).
Het sociaal netwerk verandert snel na een echtscheiding. Oude vrienden hebben het er moeilijk mee. De vanzelfsprekendheid van het contact met beide ouders valt weg, zoals samen op vakantie gaan of samen nieuwjaar vieren. Vrienden en familieleden nemen vaak een afwachtende houding aan. Ze zijn bang te moeten kiezen voor één van beide ouders of dat ze betrokken zouden geraken in conflicten. De alleenstaande ouder treft ook enige schuld. Alle problemen rond de echtscheiding eisen hun tol en er blijft heel weinig energie over om de contacten te bewaren (Hetherington & Kelly, 2002, p. 51; Hetherington, 1999, p. 139; Meesters & Singendonk, 1995, pp. 70-71).
1.6.4. Lange termijn effecten
Veel onderzoek baseert zich op de korte termijn effecten van een echtscheiding. We mogen echter niet uit het oog verliezen dat een echtscheiding ook op lange termijn voelbaar aanwezig is. Een echtscheiding is geen discreet moment maar een proces met veel radicale en voortdurende veranderingen. In de eerste twee jaar na een echtscheiding vinden we de meeste negatieve gevolgen terug. Vanaf twee tot drie jaar volgend op een echtscheiding keert de rust meestal terug in gescheiden gezinnen. De meeste ouders en kinderen passen zich aan, aan de veranderde omstandigheden maar de gevolgen zijn nog niet volledig verdwenen. Men noemt deze aanpassingsperiode vaak de crisisperiode. Na vijf tot zes jaar is het evenwicht vrijwel helemaal hersteld. Deze periodes verschillen uiteraard van gezin tot gezin (Hetherington & Kelly, 2002, pp. 63, 149; Meesters & Singendonk, 1995, p. 67; Spruijt e.a., 2002, p. 35; Kúti e.a., 2004, p. 119).
De literatuur suggereert hoofdzakelijk dat kinderen altijd het slachtoffer zijn van een echtscheiding. Deze stelling moet echter worden genuanceerd. De negatieve lange termijn effecten worden overdreven. Een onderzoek van Hetherington en Kelly (2002, p.7) toont immers aan dat slechts 25% van jongeren afkomstig uit een gescheiden gezin, in vergelijking met 10% van jongeren uit een intact gezin, te kampen had met ernstige sociale, emotionele of psychologische problemen. Hoewel de meeste jongeren terugblikken op de echtscheiding van hun ouders als een pijnlijke ervaring, slagen ze er toch in hun leven in goede banen te leiden. Bovendien kan een echtscheiding op lange termijn ook een goede zaak zijn. Kinderen, die het ouderlijk huwelijk als ongelukkig en conflictueus beschrijven of geconfronteerd werden met alcoholmisbruik en geweld, ondervinden weinig nadelige gevolgen. Een echtscheiding betekent immers het einde van deze benarde periode en verbetert het welzijn van de kinderen (Vanhove & Matthijs, 2003, p. 60; Hetherinton, 1999, p. 136).
In de literatuur vinden we twee visies terug op de rol van het kind in een echtscheiding. Ten eerste wordt het kind gezien als een slachtoffer. Een kind is afhankelijk en heeft bescherming van beide ouders nodig. Anderzijds vinden we ook terug dat kinderen van gescheiden ouders meer autonomie verwerven. Zij zijn in staat zelf een oordeel te vellen zonder al te veel hulp van volwassenen. Ze nemen meer verantwoordelijkheden in vergelijking met andere kinderen van hun leeftijd (Spruijt e.a., 2002, p. 38; Kúti e.a., 2004, p. 110).
Hoofdstuk 2: Ouderlijke begeleiding van het mediagebruik
2. Inleiding
Het medialandschap is de laatste tientallen jaren spectaculair veranderd. Gezinnen worden overstelpt met nieuwe media zoals internet, geavanceerde computerspelletjes, DVD’s, mp3-spelers, iPods enzovoort. Radio en televisie kunnen door de meeste ouders gecontroleerd worden, aangezien deze voor hen niet geheel onbekend zijn. Onderzoek wijst uit dat ouders het mediagebruik van hun kinderen, in meerdere of mindere mate, begeleiden (zie infra). Recentelijk voert men, aan de hand van de bestaande begeleidingstypologieën, ook onderzoek naar de begeleiding van nieuwe media (Eastin, Greenberg & Hofschire, 2005. p. 3).
Uit recente onderzoeken blijkt dat deze begeleiding noodzakelijk is. Sinds de introductie van het interent in de huiskamers, neemt het mediagebruik bij kinderen spectaculair toe. Kinderen, afhankelijk van hun leeftijd, spenderen zes uur per dag aan één of meerdere media. Onze noorderburen spreken reeds over “beeldschermkinderen” en in de VS heeft men het over “Generation M”, met de M voor media. Een toename in mediagebruik vergroot bovendien de kans op confrontatie met schadelijke media-inhouden (Valkenburg, 2005, p. 4).
Met het oog op de bespreking van de resultaten gaan we eerst dieper in op een aantal opvoedings- en communicatiepatronen binnen een gezin. Aan de hand van Baumrinds parenting typologie bespreken we de verschillende ouderschapsstijlen. Onderzoek van Hetherington en Kelly, naar de verschillen in ouderschapsstijlen tussen traditionele en gescheiden gezinnen, wordt ook vermeld.
Nadien gaan we dieper in op de communicatiepatronen binnen eenoudergezinnen aan de hand van het werk van meerdere onderzoekers. Vervolgens behandelen we de familie communicatiepatronen op basis van de RFCP index van Ritchie.
Centraal in ons onderzoek staat de ouderlijke begeleiding van het mediagebruik. Verschillende begeleidingstypes worden uitvoerig besproken aan de hand van het werk van Bybee, Robinson en Turow en van Fujioka en Austin. Vervolgens wijzen we het verband aan tussen communicatiepatronen en begeleidingstypes.
Ten slotte maken we de overgang van de bestaande literatuur naar ons uiteindelijke onderzoek en lichten we onze onderzoeksvragen toe.
2.1. Parenting typologie van Baumrind
Baumrinds parenting typologie (1968) is tegenwoordig standaard geworden voor onderzoek naar de verschillende ouderschapsstijlen. Aanvankelijk ontwikkelde ze drie parenting styles (authoritative, authoritarian en permissive parenting). Nadien werd een vierde type toegevoegd, namelijk neglectful parenting. Dit type is een verdere opsplitsing van permissive parenting (Pellerin, 2005, pp. 285-286; Eastin e.a., 2005, p. 4).
Baumrind onderscheidt twee parenting dimensies: warmth/responsivness en control/demandingness. Een hoge score op beide dimensies staat voor positief ouderschap en wordt authoritative parenting genoemd. Pellerin (2005, p. 285) citeert Baumrind:
The authoritative parent…attempts to direct the child's activities in a rational issue-oriented manner. He or she encourages verbal give and take, shares with the child the reasoning behind parental policy, and solicits the child's objections… Such a parent affirms the child's present qualities, but also sets standards for future conduct, using reason as well as power and shaping by regimen and reinforcement to achieve parental objectives.
Onderzoek toont aan dat kinderen van authoritatieve ouders hogere sociale en cognitieve vaardigheden bezitten, betere schoolresultaten behalen, hogere aspiraties hebben, een beter psychologisch welzijn hebben en beter gedrag vertonen dan andere kinderen (Pellerin, 2005, p. 286).
Authoritarian parenting scoort hoog op control/demandingness maar laag op warmth/responsivness. Hier staat discipline en gehoorzaamheid centraal maar er wordt weinig aandacht aan genegenheid en warmte besteed. Deze kinderen zijn externe controle in plaats van zelfregulatie gewoon. Er ontstaat meer kans dat zij zullen rebelleren. Toch vinden we weinig gedragsproblemen terug bij deze kinderen. Ze zijn wel minder sociaal vaardig en hebben minder eigenwaarde. Hun schoolresultaten en aspiraties liggen iets lager dan die van kinderen met authoritatieve ouders (Pellerin, 2005, p. 286; Eastin e.a., 2005, pp. 5-6).
Indulgent-permissive parenting wordt gekenmerkt door hoge warmth/responsivness en lage control/demandingness. Bij deze ouders gelden er weinig regels en heerst er minimale discipline. Ze besteden daarentegen veel aandacht aan liefde en affectie voor hun kinderen. Deze kinderen scoren relatief hoog op sociale vaardigheden en eigenwaarde maar hun schoolresultaten en aspiraties liggen laag. Ze vertonen ook meer gedragsproblemen (Pellerin, 2005, p. 286; Eastin e.a., 2005, pp. 5-6).
Zowel bij authoritative, authoritarian en permissive parenting worden er door de ouders voldoende inspanningen geleverd voor de opvoeding van hun kinderen. Bij het laatste type indifferent-neglectful parenting wordt een minimum aan moeite vastgesteld. De ouders vertonen inconsistent gedrag. Soms geven ze veel aandacht en liefde aan hun kinderen dan negeren ze hen. Ook qua regels en discipline is er onvoldoende duidelijkheid. Hier zijn verschillende oorzaken voor zoals stress, alcoholmisbruik, depressie, carrière maken enzovoort. Kinderen met zulke ouders hebben de meest ongunstige uitgangspositie voor de toekomst. Ze behalen de slechtste resultaten op sociale vaardigheden, eigenwaarde, schoolresultaten, aspiraties en gedragsproblemen (Pellerin, 2005, pp. 286-287; Eastin e.a.,2005, pp. 5-6).
2.1.1. Parenting typologie in eenoudergezinnen
Hetherington en Kelly (2002, pp. 127-133; Hetherington, 1999, pp. 68, 85) onderzochten in welke mate deze parenting styles variëren tussen traditionele en gescheiden ouders.
Authoritative parenting vraagt veel energie en aandacht. Als je alleen verantwoordelijk bent voor de opvoeding van de kinderen, wordt dit moeilijker. Dit type komt bij gescheiden ouders duidelijk minder aan bod in vergelijking met gehuwde koppels (Van Peer & Van den Bergh, 2004, p. 11). Vooral in het eerste jaar na een echtscheiding vinden we vaker de andere drie types terug. Authoritative parenting biedt voor de kinderen wel de meeste bescherming. De ouder reageert op een consistente manier en dit is gunstig voor een situatie waarin alles reeds aan het veranderen is. Er ontstaat wederzijds respect, warmte en betrokkenheid en de ouder-kind relatie kan op die manier optimaal verlopen. Deze ouders zijn ook gevoelig voor de noden van hun kinderen. Ze weten wanneer er problemen zijn en staan klaar om steun te bieden. Kinderen van authoritatieve ouders komen als de meest sociaal verantwoordelijke en minst bezorgde uit een echtscheiding. Veel gescheiden ouders denken echter dat ze authoritative parenting toepassen. Maar Hetherington en Kelly ondervonden meermaals tijdens hun onderzoek dat emotioneel overstuurde ouders hun kinderen gewoon negeren of uitschelden (Hetherington & Kelly, 2002, pp. 127-130).
Rond de periode van een echtscheiding oefenen ouders minder controle uit, tonen minder affectie en communiceren minder. Neglectful parenting komt dan ook meer aan bod bij gescheiden ouders dan bij traditionele gezinnen. Dit moet ons niet verwonderen aangezien een alleenstaande ouder het al zo druk heeft met de echtscheiding en de reorganisatie van het huishouden (zie 1.6.3.). Een onderzoek uit Vlaanderen toont aan dat ouders dit wel beseffen. Ze beoefenen het ouderschap op “automatische piloot”: de meerderheid van de moeders vermeldde dat al hun tijd en energie in de echtscheiding werd opgeslorpt. Financiële en emotionele ellende dragen bij tot een minder kwaliteitsvolle opvoeding (Hetherington & Kelly, 2002, pp. 132-133; Van Peer & Van den Bergh, 2004, p. 12).
Een behoorlijk aandeel van gescheiden ouders vinden we terug in het type permissive parenting. Ze zijn vrij mild en tolerant doorgaans omdat ze fysisch en emotioneel uitgeput zijn of omdat ze zich schuldig voelen. Uit schuldgevoel, omwille van de pijn die met een echtscheiding gepaard gaat, willen ze hun kinderen niet te streng opvoeden en worden ze toegeeflijker. Aan liefde en affectie geen gebrek maar er worden weinig regels en beperkingen opgelegd. Kinderen die nood hebben aan een strakke regulering vertonen later meer gedragsproblemen (Hetherington & Kelly, 2002, pp. 130-131).
Andere ouders worden na een echtscheiding juist strenger en strikter. Ze proberen de chaos die een echtscheiding met zich meebrengt, te beheersen. Autoritaire ouders eisen discipline en hanteren duidelijke regels. Maar gescheiden ouders slagen hier meestal niet in. Authoritarian parenting wordt vaak gebruikt door gescheiden ouders met een gebrek aan autoriteit. Dit leidt tot een ineffectieve en onstabiele opvoedingsstijl. De kinderen genieten niet van de voordelen die authoritarian parenting normaal met zich mee brengt (Hetherington & Kelly, 2002, pp. 131-132).
2.2. Communicatiepatronen
2.2.1. Communicatie in eenoudergezinnen
Verschillende auteurs tonen aan dat de communicatie tussen ouder en kind in eenoudergezinnen slechter is dan in traditionele gezinnen. Uit onderzoek van Bhushan en Shirali (1992) blijkt dat de communicatie in intacte families meer effectief is. Demo en Acock (1996) vinden meer conflict terug in de ouder-kind communicatie bij gescheiden gezinnen. Walker en Hennig (1997) observeerden de verbale interactie in eenoudergezinnen. Ook zij vinden meer conflictsituaties, minder tolerantie, minder empathie en meer antisociaal gedrag terug (Van Peer & Van den Bergh, 2004, p. 13).
De relatie tussen een moeder en kind verschilt van de relatie tussen een vader en kind. Deze verschillen komen ook naar voor in de uiteenlopende communicatiestijlen. De communicatie met vaders is in het algemeen minder open. Vaders benadrukken vooral de waarden deskundigheid, prestatie en autonomie. Kinderen uit gescheiden gezinnen missen, toch op dagelijkse basis, deze communicatie met hun vaders. Kinderen komen immers meestal bij de moeder terecht en het contact met de uitwonende vader is niet altijd optimaal (zie 1.4.1.2.). Onderzoek van Simon en Beaman (1996) toont aan dat meer dan de helft van kinderen van gescheiden ouders, zowel jongens als meisjes, nooit met hun vader praat over problemen (Van Peer & Van den Bergh, 2004, p. 14).
Een goede communicatie met de vader is belangrijk voor het welzijn van de kinderen, voornamelijk jongens hebben hier nood aan. De rol van de vader in het gezin heeft opnieuw aandacht gekregen. Vroeger werd hoofdzakelijk de moeder centraal gesteld. Maar tegenwoordig nemen vaders steeds meer actief deel aan het gezinsleven. Communicatie tussen vader en kind is vooral belangrijk voor de identiteitsontwikkeling van kinderen. De vader is een identificatiefiguur: voor jongens is hij een model en rolvoorbeeld. Bij meisjes gaat het om de positieve aandacht van hun vader voor hun moeder en voor zichzelf. Zo worden zij in hun vrouwelijke identiteit bevestigd (Van Peer & Van den Bergh, 2004, pp. 14-16; Van Crombrugge e.a., 2002, p.164).
Eenoudergezinnen gebruiken andere communicatiestijlen omwille van hun specifieke situatie en problemen. Door een zwakkere familiecohesie en zwaardere problemen gaan gescheiden moeders meer negatief (kibbelen, roepen en boosheid) communiceren dan in traditionele gezinnen. Kinderen met een alleenstaande moeder ervaren wel evenveel positieve communicatie (praten over gevoelens en leuke dingen) als kinderen uit een traditioneel gezin. De positieve communicatie tussen vader en kind komt het minst aan bod bij vaders die omgangsrecht hebben. Negatieve communicatie komt hier het meest frequent voor. Tussen traditionele gezinnen en vaders met een co-ouderschapregeling treffen we weinig verschillen aan. Positieve communicatie moet worden opgebouwd en vaders met omgangsrecht zijn onvoldoende aanwezig in het leven van hun kinderen. De afwezigheid van de vader speelt ook een rol in de hoge mate van negatieve communicatie. Vaders uit een co-ouderschapregeling hebben frequenter contact met hun kinderen en bijgevolg minder communicatieproblemen (Van Peer & Van den Bergh, 2004, pp. 28-30).
Onderzoek in Vlaanderen toont aan dat kinderen veel belang hechten aan communicatie in een gezin. Voor hen is het belangrijk dat de ouders tijd maken voor hen om te praten en leuke activiteiten te organiseren. De afwezigheid van een ouder kan het gevoel van “aanvaarding” verminderen (Van Peer & Van den Bergh, 2004, p. 21; Van den Bulck & Van den Bergh, 1998, p. 30).
Ondanks de hoge mate van negatieve communicatie in eenoudergezinnen, merken Walker en Hennig (1997) op dat deze familieleden een hechtere band met elkaar hebben dan in een traditioneel gezin. Hetherington en Clingempeel (1992) tonen aan dat er een grotere mate van gelijkheid heerst tussen familieleden van een eenoudergezin. Aan deze kinderen wordt vaak meer autonomie en verantwoordelijkheid gegeven (Van Peer & Van den Bergh, 2004, p. 21).
2.2.2. Familie communicati