Frenologie in België en Nederland in de negentiende eeuw. (Evi Loncke)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Hoofdstuk 4: Frenologie in Nederland

 

In Nederland werd er veel vroeger dan in België aandacht geschonken aan de frenologie: al omstreeks 1800 werd er begonnen met het aanleggen van schedelverzamelingen, vanaf 1802 verschenen er verschillende artikelen over de frenologie in Nederlandse tijdschriften en vanaf 1804 werden er lezingen gegeven over ditzelfde onderwerp.  Rond 1805 was de frenologie in Nederland dan ook bekend geworden door mededelingen in wetenschappelijke tijdschriften, verslagen van Galls lezingen in Duitsland en vertalingen van buitenlandse publicaties.  Bovendien brachten Gall en Spurzheim in 1806 een bezoek aan Nederland, wat leidde tot meerdere uitgaves en lezingen over hun leer.  De belangstelling voor de frenologie nam echter ook sneller af in Nederland dan in België: na het bezoek van beide promotoren leek de frenologie verdwenen uit Nederland.  De lezingen van Gall gaven geen aanleiding tot het ontstaan van een frenologische beweging of het publiceren van een gespecialiseerd tijdschrift, zoals dat in andere Europese landen wel gebeurde.

 

Ontstaan en opgang van de frenologie in Nederland

 

Het Nederlandse tijdschrift Algemeene Konst- en Letterbode publiceerde tussen 1802 en 1829 een reeks artikelen over de frenologie.  Reeds in 1802 verscheen er voor de eerste keer een commentaar op Galls leer[288].  Het artikel was ingepast in een geheel dat internationale feiten en wetenswaardigheden besprak.  Er werd melding gemaakt van het feit dat het Gall verboden was nog les te geven in Duitsland.  Daarna werd uitgelegd wat Galls leer inhield.  De anonieme auteur was voorzichtig in het uiten van zijn mening over de leer: hij had het over Galls “waarnemingen, of gissingen” en schreef dat Gall “meende” dat hij de plaats van elk vermogen van de ziel kon aanwijzen op de schedel.  Hij nam een afwachtende houding aan[289]:

“Men moet bekennen, dat de leer van Dr. Gall zeer zonderling en fraai is; doch hoe gegrond, zal men aan zijn plaats laten[290].”

 

Op 10 en 17 januari van het jaar 1804 introduceerde de Amsterdamse arts en hoogleraar Gerardus Vrolik[291] de frenologie tijdens een bijeenkomst van de Maatschappij voor Natuurkunde “Felix Meritis” te Amsterdam. Vrolik werd geboren in 1775 te Leiden. Hij studeerde voor arts bij onder meer S. J. Brugmans. Vrolik was hoogleraar in de botanie, de plantkunde, de anatomie en in de fysiologie te Amsterdam. Hij leverde bovendien een belangrijke bijdrage tot de beoefening van de verloskunde. In het jaar 1859 overleed hij in Amsterdam[292].

 

Vrolik hield twee voordrachten waarin hij zijn bevindingen omtrent de frenologie nader verklaarde.  Deze lezingen werden in datzelfde jaar uitgegeven onder de titel “Het Leerstelsel van Joseph Gall, geschetst en met eigene waarnemingen opgehelderd”.  In 1804 nam de Algemeene Konst- en Letterbode een recensie van het boek op[293].  De frenologie had zoveel reactie uitgelokt, dat volgens de auteur van het artikel de leer het waard was om diepgaander onderzocht en besproken te worden.  Dat het tijdschrift een recensie opnam van een boek dat over Galls doctrine handelde, wijst erop dat de redactie van mening was dat er voor dit thema wel degelijk interesse bestond bij de lezers.

 

Vrolik was een uitstekend anatoom en daarom de uitgelezen persoon om een kritische analyse te maken van Galls leer.  Vrolik was voorzichtig in zijn mening over de frenologie.  Hij zag de leer als een nieuwe mogelijkheid om de essentie van de mens te leren kennen; hij was ervan overtuigd dat de toepassing van de leer op de psychiatrie, de opvoeding en het strafrecht van groot nut kon zijn.  Hij was het eens met Gall dat de hersenen de zetel van de ziel waren en dat de karaktereigenschappen een specifieke plaats in de hersenen hadden.  Volgens Vrolik was de leer niet deterministisch omdat ze de vrije wil niet ontkende: de eigenaar van de eigenschappen kon zelf kiezen welke eigenschappen hij onderdrukte en welke hij exploiteerde.  Hij twijfelde echter  of de grootte van een hersenorgaan evenredig was met de ontwikkeling van de daarmee samenhangende eigenschap.  Vrolik was er ook niet van overtuigd dat de craniometrische diagnose en prognose correct waren.  Hij gaf echter wel aan dat, wanneer Gall de frenologie vervolledigde en de vragen die de leer opriep beantwoordde, hij zijn mening zou herzien[294].

 

Tijdens zijn uiteenzetting maakte Vrolik gebruik van een plaat waarop vier schedelaanzichten te zien waren[295].  Op de schedels waren nummers aangebracht, die de plaats van dertig verschillende werktuigen of organen van karaktereigenschappen aanduidden[296].  In het algemene hoofdstuk over de frenologie kwam echter ter sprake dat Galls topografie van de schedel slechts zeventwintig faculteiten telde.  Vrolik stelde nog een uitbreiding voor, zoals vele van Galls navolgers deden.  Dit betekende dat hij instemde met Galls ideeën.  Hij had het er dan ook moeilijk mee dat Galls werktuigen niet altijd dezelfde plaats werden toegewezen door de verschillende personen die diens doctrine bespraken; ze spraken elkaar tegen en raakten zo aan de geloofwaardigheid van de leer.

 

Van alle auteurs die in deze periode werken over de frenologie uitgaven, werd Vrolik de meest betrouwbare en gezaghebbende genoemd.  Bovendien was hij een van de eersten om Galls leer buiten Duitsland en Oostenrijk te bespreken.  We kunnen stellen dat Vrolik een voorzichtig voorstander was van de frenologie.  Hoewel hij verschillende bezwaren had, besloot hij deze voor zich te houden totdat Gall hier meer duidelijkheid over schiep of tot hijzelf tot nieuwe feiten was gekomen die meer helderheid konden scheppen[297].  Op sommige vlakken was Vrolik het echter niet eens met Gall, zoals bijvoorbeeld over het verschil in het karakter van mensen die pas na lang nadenken handelen en mensen die handelen zonder na te denken.  Gall schreef dit verschil toe aan de ontwikkelingstoestand van een bepaald deel in de hersenen; volgens Vrolik hing dit echter samen met het totale karakter van de persoon in kwestie.  Vrolik betreurde het bovendien dat Gall de invloed die de temperamenten op het gedrag uitoefenden, niet besprak.  We zagen in het hoofdstuk over de frenologie in België dat Camille Wins de invloed van de temperamenten op het gedrag wel besprak.  Hoewel Vrolik beweerde zijn mening in beraad te houden tot  Gall zijn leer geperfectionneerd had, mengde hij zich later niet meer in de discussies[298].

 

De twee belangrijkste personen in de discussie over de frenologie in Nederland waren de Nederlandse arts Jacob Doornik en de remonstrantse geestelijke Martinus Stuart.  Ze hielden er zeer verschillende meningen op na wat de schedelleer betrof en voerden door middel van hun werken een discussie rond dit thema. 

 

Doornik gaf ongeveer gelijktijdig met Vrolik een werk uit dat ook handelde over de frenologie.  Jacobus Elisa Doornik (1777-1837) was een Amsterdamse arts. Hij was een studiegenoot van Gerard Sandifort, die later in dit hoofdstuk aan bod komt. Doornik kan beschouwd worden als een Darwinist avant-la-lettre, omdat hij er vanuit ging dat de mens afstamde van de aap. Om politieke redenen moest hij Nederland verlaten, waarna hij emigreerde naar de Nederlandse kolonie Batavia. Nadat hij echter kritiek had geuit op de toestand in de kolonie, verhuisde hij naar de Verenigde Staten waar hij ettelijke jaren later overleed[299]

 

Het boek dat Doornik schreef over de frenologie was getiteld “De Herssen-Schedelleer van Franz Joseph Gall getoetst aan de Natuurkunde en Wijsbegeerte”.  Hij had de leer leren kennen via Duitse publicaties en door zijn aanwezigheid op enkele van Galls lessen in Berlijn, waardoor hij goed op de hoogte was van de inhoud van de leer[300]. Doornik had verscheidene bezwaren tegen de frenologie, die hij in dit werk uitvoerig uit de doeken deed.  Doornik was van mening dat de mens als een “zinnelijk” en een “zedelijk” wezen beschouwd moet worden; het probleem was echter dat die twee verschillende, maar met elkaar verweven aspecten van de mens, niet tegelijkertijd onderzocht konden worden.  Om de mens als zinnelijk wezen te bestuderen, moest men zich beperken tot de natuurkunde; wie de zedelijke kant van de mens wou onderzoeken, moest zich beperken tot de “zedelijke wereld”. Als men alleen de natuurkunde bestudeerde, zag men dus een belangrijk aspect van de mens over het hoofd.  Doornik vond dat Gall zich hieraan schuldig maakte, doordat hij zijn leer enkel baseerde op de studie van de hersenen.  De kennis van de functies van de hersenen was echter nog niet volledig, waardoor het ook niet mogelijk was iemands karaktereigenschappen te verklaren door alleen een analyse van diens schedel te maken[301]

 

De zedelijke kant van de mens kon niet onderzocht worden vanuit de anatomie van de hersenen of van de rest van het lichaam; de zedelijke mens werd immers bepaald door de rede.  De rede maakte dat de mens onderscheiden kon worden van het dier, de rede maakte de mens tot mens.  Gall hield echter geen rekening met het bestaan van de rede: de mens handelde volgens hem enkel vanuit zijn aangeboren neigingen en driften.  Doornik besloot hieruit dat Gall het gedrag van het dier, dat vooral geleid werd door zijn instincten, verwarde met de handelingen van de mens, die bewust en “redelijk” waren. 

 

Gall had bovendien geen anatomische bewijzen voor een aantal van zijn zintuigen en hij was ook niet in staat het denkproces van de mens volledig te ontraadselen.  Doornik geloofde daarom niet dat hij wel in staat zou zijn om de intellectuele vermogens te kennen en hun plaats op de schedel aan te duiden.  Hij aanvaardde ook niet dat de omvang van een hersenorgaan de mate waarin het werkzaam was, bepaalde.  Organen konden in volume toenemen door bijvoorbeeld ziekte, maar dit had niet noodzakelijk invloed op de werkzaamheid ervan[302].

 

Naar Doorniks mening was het onmogelijk dat in eenzelfde hersendeel totaal verschillende en zelfs tegenstrijdige karaktereigenschappen voorkwamen; Gall situeerde het orgaan voor welwillendheid immers in de nabijheid van het orgaan voor moordzucht.  Eigenschappen van deze soort werden volgens Doornik niet bepaald door een bepaald orgaan, maar stonden in verband met  het karakter en de ontwikkeling van de mens in zijn totaliteit.  Doornik geloofde ook niet in een orgaan van de moed: hoe moedig iemand was, werd bepaald door een samenloop van factoren, zoals bijvoorbeeld de mate waarin iemand zijn kalmte kon bewaren in benarde situaties.  Menselijke neigingen waren niet, zoals bij de dieren, constant; ze ontstonden door een samenwerking van aanleg, karakter, temperament en omgevingsinvloeden. De mens verschilde hierin dus ook van het dier. 

 

Gall en Doornik verschilden op nog een ander vlak radikaal van mening:  Gall was ervan overtuigd dat de vorm van de hersenen overeenkwam met de vorm van de schedel, maar Doornik was het hier niet mee eens.  Schedelonderzoek had immers uitgewezen dat de schedel zich tijdens zijn groei niet zo sterk vormde naar de hersenen.  Bovendien verschilden schedels in dikte en in sterkte. Uit al deze feiten concludeerde Doornik dat de bulten op de schedel geen uitwendige tekenen konden zijn van sterk ontwikkelde hersenorganen[303]

 

Doornik eindigde zijn betoog met de mededeling dat Galls bevindingen niet volstonden om er een wetenschappelijke theorie op te baseren.  Hij was er bovendien niet van overtuigd dat de hersenen ingedeeld waren in verschillende organen met elk een eigen functie; aangezien de frenologie daar voor een groot deel op gebaseerd was, wees Doornik de leer af.  Hij vond Galls doctrine te materialistisch en “een bedreiging voor de zedenleer”[304].  Hij was dus gekant tegen de frenologie en haalde daarvoor sterke argumenten aan.

 

Martinus Stuart, een remonstrantse dominee uit Amsterdam, had de frenologie leren kennen via de lezingen van Vrolik en Doornik in het Amsterdamse genootschap “Felix Meritis”. Hij schreef verschillende werken over Gall’s doctrine en maakte bovendien een vertaling van drie Duitse commentaren op Gall[305].  Hij was goed op de hoogte van de stand van zaken van de vergelijkende biologie; de frenologie had voor hem geen geheimen[306].  Martinus Stuart werd geboren in 1765 te Rotterdam. Zijn familie was van Schotse afkomst. In 1780 trad hij binnen in het remonstrantse broederschap te Amsterdam, waar hij onderricht werd in de theologie, oude talen, wiskunde en natuurkunde. Hij was achtereenvolgens dominee in Dokkum, Utrecht en Amsterdam. Hij overleed in 1826[307].

 

Stuart bekeek de frenologie vanuit een Verlicht-Christelijk wereldbeeld.  Stuart was immers niet alleen dominee maar ook wetenschapper; in deze visie verbond hij deze twee posities.  Zijn geloof vormde het richtsnoer voor zijn werk en zijn leven, wat hij combineerde met zijn vertrouwen in de vooruitgang van de wetenschap en van de maatschappij.  Binnen de protestants-christelijke traditie werden de rede en het empirisch onderzoek gecombineerd met de religie.  Het remonstrante broederschap, waar Stuart deel van uitmaakte, had sterke voeling met het Verlichte gedachtengoed: de remonstranzen geloofden in het vermogen van de mens om de wereld en zichzelf te leren kennen door middel van empirisch onderzoek[i].  Stuart combineerde een godsdienstig geloof met een geloof in de wetenschap. We zagen eerder dat de katholieke clerus erg gekant was tegen de frenologie; door zijn bijzondere wereldbeeld stond Stuart echter wel open voor de frenologie.  Hoewel hij geen anatoom was, was Stuart van mening dat hij vanuit zijn positie als geestelijke een nieuwe visie kon geven op de frenologie. 

 

In 1804 maakte Stuart een bewerking van een werk van de Duitse professor J.C.F. Leune; deze verhandeling was getiteld “De leer van Gall over de hersenen en schedel”.  Stuart aanvaardde de frenologie op bijna alle punten; Leune aarzelde volgens hem te veel.  De leer moest naar Stuarts mening over heel Nederland gekend zijn en Leunes tegenargumenten moesten daarom ook verworpen worden.  De frenologie kon immers zeer nuttig zijn voor de theologie, voor het bestuur van de staat en voor de natuurkunde: ze zou een goede invloed uitoefenen op het leven van het individu en op de ontwikkeling van het staatsbestel[308].

 

Stuart gaf Gall op bijna alle vlakken gelijk; hij wou een verslaggever zijn en beperkte zich dan ook tot het weergeven van de ideeën van Leune en dus ook van die van Gall.  Hij wierp zo goed als geen bezwaren op, zelfs niet tegen het orgaan van de moordzucht, waar Gall veel  kritiek op had gekregen.  Er waren ook veel bezwaren geuit tegen Galls overtuiging dat de binnenkant en de buitenkant van de schedel overeenkwamen; Stuart zei daarover alleen dat men die regel niet zo strikt moest toepassen.  Het maakte hem ook niet uit of men de volledige hersenen als gemeenschappelijk werktuig van alle geestesvermogens zag of slechts een deel ervan en of men voor elk geestesvermogen een aparte plaats in de hersenen voorzag.  Gall kreeg veel tegenwind omdat hij de mens ook slechte eigenschappen toewees; Stuart verdedigde dit door te zeggen dat God de mens net zoals het dier een neiging tot het kwade had gegeven, om ons zo te oefenen in het bestrijden ervan.  Op enkele zeldzame punten was Stuart het niet eens met Gall.  Een voorbeeld daarvan was Galls opvatting over het “werktuig van de zelfstandigheid van het karakter”: volgens Stuart was het karakter verbonden met de hersenen in hun geheel en niet aan een enkel orgaan[309]

 

In de loop van het jaar 1805 maakte de arts Johannes Wilhelmus Kirchner een Nederlandse vertaling van een boek van de Duitse hoogleraar W.G. Kelch.  Johannes Wilhelmus Kirchner werd rond 1774 geboren in het Duitse Kassel. Hij studeerde voor arts in Nederland en vestigde zijn praktijk in Amsterdam. Hij vertaalde verschillende geneeskundige werken van het Duits naar het Nederlands. Hij overleed te Amsterdam in 1822[310].  Kirchners boek handelde over de schedelanalyse van de filosoof Kant.  Het was getiteld het “Het bekkeneel van Kant”.  Kirchner voorzag het boek van aantekeningen en Vrolik schreef de voorrede. In het jaar waarin het boek uitkwam, verscheen er een recensie over in de Algemeene Konst- en Letterbode[311].

 

De anonieme recensent vroeg  zich af of de frenologie waar, nuttig en nieuw was.  Naar zijn mening was de leer in elk geval niet nieuw, dat stond immers te lezen in Vroliks voorrede.  Deze maakte een vergelijking van de frenologie met de leer van een zekere dokter Johannis Huart die verscheen aan het einde van de zeventiende eeuw.    Huart had daarin het verband besproken tussen de toestand van de hersenen  en die van de zielsvermogens, waarvan het verstand, de verbeelding en het geheugen de belangrijkste waren.  Hij zag het bewijs voor het verband tussen die twee elementen in het feit dat wanneer een van de delen vermoeid werd, enkel dat ene deel van de hersenen daaronder leed.  Vrolik wees erop dat er een duidelijke overeenkomst bestond tussen de leer van Gall en die van Huart; of Gall het werk van Huart kende en zijn leer erop inspireerde, liet hij echter wijselijk in het midden[312].  In deze periode had Gall immers zelf nog niets geschreven over zijn frenologie, waardoor het zeer moeilijk was om dit aan te tonen. 

 

Rond de jaarwisseling van 1805-1806 hield Jacob Doornik, net zoals Vrolik dat had gedaan, een aantal lezingen over de frenologie voor het genootschap “Felix Meritis”.  Deze werden in de zomer van het jaar 1806 uitgegeven onder de titel “Voorlezingen over F.J. Gall’s Herssen-Schedelleer, gehouden in de Maatschappijen Felix Meritis en Doctrina et Amicitia, in den Winter van 1805-1806”.  Galls bezoek aan Nederland en het verschijnen van Stuarts Herinneringen aan de Lessen van Franz Joseph Gall, waren ongetwijfeld de reden van het publiceren van Doorniks werk.

 

Tijdens zijn eigen uiteenzetting in Amsterdam besprak Doornik de faculteiten en hun plaats op de schedel, het meten van de schedel of de craniometrie en de karakterkunde[313].  Hij verwees daarbij naar de vader van de frenologie als “de Columbus van de waereld in ons”.  Doornik vroeg zich af of de frenologie nuttig en juist was en of het ermee samenhangende onderzoek geoorloofd was.  Hij was er nog steeds van overtuigd dat Gall onverantwoorde conclusies verspreidde  en het materialisme aanhing.  Ook hier had hij het over de mens als zedelijk handelend wezen met plichten en verantwoordelijkheden.  Hij bleef dus bij zijn oude stellingen, maar verwoordde ze anders[314].

 

Doornik vergeleek de schedel met een kaart waarop plaatsen aangeduid waren en die de mens hielp verklaren.  Hij gaf Gall gelijk wanneer die beweerde dat de hersenen het stoffelijk middel waren waardoor de geest tot uiting kwam; het bewijs hiervoor lag in het feit dat een wezen met weinig hersenen ook weinig geestelijke vermogens had.  Iedereen werd geboren met bepaalde neigingen en driften, die konden echter onderdrukt worden door middel van de rede.  Hij maakte echter dezelfde opmerking als Vrolik: Gall moest nog meer bewijzen  aanbrengen om zijn leer overtuigend te maken.  In afwachting daarvan moest men er zich van weerhouden blind vertrouwen te stellen in Galls doctrine[315].  Doornik raadde daarom aan mensen niet te beoordelen naar hun talenten, maar wel naar de manier waarop ze deze gebruikten[316]

 

We beschikken over een bron waarvan niet bekend is in welk jaar ze verschenen is.  Het betreft een Nederlandse vertaling van een Duits toneelstuk, dat getiteld is “De phrenologen.  Blijspel in een bedrijf[317]”.  Dat de frenologie in het stuk beschouwd werd als wetenschap, doet ons vermoeden dat het toneelstuk dateert uit het begin van de negentiende eeuw.  We hebben nog een andere reden om het toneelstuk aan deze tijdsperiode toe te wijzen: er werd gesproken over “voorlezingen over phrenologie in de stad[318]” en over “den professor, die de phrenologie heeft meegebracht[319]”.  Vermoedelijk ging het hier over Gall, die Wenen was ontvlucht en naar Duitsland was getrokken om er zijn leer te verspreiden.  Zoals we reeds eerder aantoonden, hield hij daar aan het begin van de negentiende eeuw voorlezingen om zijn leer te verspreiden.

 

Het stuk handelt over twee mannen, Karel Eichwald en Wilhelm Frei, die sind kort geboeid waren geraakt door de frenologie; ze hadden lezingen bijgewoond in de stad, waarna ze zich een aantal gipsen schedels hadden aangeschaft en zelf waren beginnen meten en studeren.  Ze wilden hun kennis uittesten op hun respectievelijke verloofdes, Jenny en Auguste, met de bedoeling uit te zoeken of de dames wel geschikte echtgenotes zouden zijn voor hen.  Karel, die verloofd was met Jenny, wilde het karakter van zijn verloofde Jenny leren kennen opdat hij tijdens zijn huwelijk niet voor onaangename verrassingen zou komen te staan:

“Wilhelm: En daar ge zoo’n gewichtigen stap als’t huwelijk niet dan met behoorlijke voorzichtigheid en bedachtzaamheid doet, wilt ge er eerst zeker van zijn, dat in mijn zuster geen huisduiveltje verborgen zit.[320]

 

Wilhelm had een andere reden om het hoofd van Auguste te onderzoeken: hij zocht wetenschappelijke bevestiging voor al haar goede eigenschappen:

Wilhelm: Ik wil me enkel ’t genoegen verschaffen al de heerlijke eigenschappen van mijn lief meisje, die zo onuitwischbaar in mijn hart geschreven staan, door de wetenschap bevestigd te zien.[321]

 

De vrouwen waren bij aanvang niet echt enthousiast, maar ze lieten zich uiteindelijk toch overhalen.  Tijdens het onderzoek stonden de heren achter hun verloofdes, terwijl ze hun hoofd van achter naar voor aftasten en zo nu en dan nota’s namen.  Karel ontdekte bij Jenny niets anders dan “goede” kwaliteiten: haar orgaan voor de aanhankelijkheid was groot, haar gevoel van eigenwaarde was niet bovenmatig ontwikkeld en haar orgaan voor welwillendheid was zeer groot.  Karel was dan ook uitermate tevreden:

“Karel: Een heerlijk hoofd, alles stemt voortreffelijk samen, ’t past zoo schoon bijeen, de organen vullen elkaar aan.[322]

 

Anders verliep het bij Karel en Auguste: hij vond bij haar eigenschappen als onverdraagzaamheid en huichelarij.  Hij was daar uiteraard niet tevreden mee en voelde zich bedrogen door zijn verloofde, omdat ze zich anders had voorgedaan dan ze was. Auguste was dan weer teleurgesteld dat Wilhelm eerder vertrouwde op de wetenschap dan op zichzelf en zijn mensenkennis.  Even zag het er naar uit dat de verloving verbroken zou worden, maar alles kwam weer goed.  Wilhelm besloot immers te vertrouwen op zijn mensenkennis; hij geloofde nog steeds in de frenologie, maar was ervan overtuigd dat zijn verloofde een uitzondering op de regel was:

“Auguste: Zal er geen wantrouwen bij u overblijven? Ge zijt immers overtuigd van de waarheid der wetenschap?

Wilhelm: Dat ben ik zeker, maar op elken regel zijn uitzonderingen. Gij zijt er een van.[323]

 

Dit stuk gaf naar mijn mening een mooi beeld van de mentaliteit van deze tijd; het betrof hier immers de periode van het positivisme.  Dat er een zeer groot geloof werd gehecht aan de wetenschap, kwam in het toneelstuk duidelijk naar voor: de twee mannen hadden een dermate groot vertrouwen in de frenologie, dat ze zelfs op het punt stonden er hun huwelijk voor op te geven.  Voor de leer van Gall zag het er in de loop van het stuk niet goed uit: de analyse bleek helemaal niet overeen te komen met de realiteit.  De toeschouwers moesten hun geloof in de wetenschap echter niet verliezen: aan het einde van het stuk bleek immers dat Wilhelm zich vergist had tijdens het onderzoek en dat zijn analyse van Augustes hoofd toch overeenkwam met hoe ze zich voordeed.  De fout bleek bij de mens te liggen en niet bij de frenologie.  De wetenschap en de frenologie in het bijzonder, kregen dus toch gelijk.  Dit wees duidelijk op de positivistische tijdsgeest van de negentiende eeuw. 

            “Auguste: Dus is de phrenologie toch proefhoudend gebleken.

            Karel (Jenny’s hand kussende): De dames en de wetenschap zijn gerechtvaardigd![324]

 

Het betrof hier een blijspel, maar we moeten wel benadrukken dat de frenologie als wetenschap niet belachelijk gemaakt werd. Er liep wel een heleboel mis bij het frenologisch onderzoek van Auguste en haar huwelijk met Wilhelm kwam zelfs even in het gedrang, maar uiteindelijk bleek het slechts om een misverstand te gaan.  Er werd ook gespot met de niet al te slimme bediende Peter.  Deze had moeite om het woord frenologie uit te spreken:

“Peter (met een voorkomen van gewicht, iedere lettergreep met nadruk uitsprekende): Met de phre-no-lo-gie! ’t Is een raar goed.  Ik heb veel moeite gehad eer ik den naam onthouden kon, maar nu weet ik’t.[325]

 

Peter was er bovendien tevreden mee dat hij de laagste graad van verstand had, want dat was immers beter dan niets:

“Peter: Maar ’t is me toch lief, dat ik voor mijn verstand nommer een gekregen heb.  Nommer nul was toch te weinig geweest.[326]

 

Naar mijn mening had de auteur zich tot doel gesteld de geloofwaardigheid van de frenologie in de verf te zetten; hij wou aantonen dat men vertrouwen moest hebben in de wetenschap en in  de schedelleer.  Eerst zaaide hij twijfel, het publiek moest zich afvragen of de frenologie overeenstemde met de realiteit.  Aan het einde van het stuk bleek de wetenschap de grote overwinnaar te zijn.  De frenologie was steeds overeengekomen met de waarheid; de mens had haar enkel verkeerd toegepast, waardoor alle verwarring was ontstaan.  De auteur wou dus aangeven dat twijfel rond de schedelleer niet gegrond was en dat men er vertrouwen in moest hebben. 

 

 

Bezoek van Gall en Spurzheim aan Nederland

 

De interesse voor de frenologie in Nederland aan het begin van de negentiende eeuw was al niet gering, wat bleek uit de voorgaande pagina’s.  Ze kreeg echter een zeer grote impuls door een belangrijke gebeurtenis die in deze periode plaatsvond: in het jaar 1806 brachten Gall en Spurzheim een bezoek aan Nederland.  Gall wilde er lezingen komen geven over zijn hersenschedelleer.  Hoewel de frenologie nog niet lang bestond, was ze toch al bekend: de Nederlandse kranten en tijdschriften maakten ruim voor zijn komst bekend dat Gall naar Nederland kwam.  Gall keek zelf ook uit naar zijn bezoek, omdat hij de schedelkabinetten van Gerard Vrolik en van de anatoom Petrus Camper  te zien zou krijgen[327] Petrus Camper (1722-1789)[328] was een bekend anatoom. Hij was beroemd geworden in het buitenland omwille van zijn beschrijving van de gelaatshoek. Campers gelaatshoek wordt gevormd door een lijn die van het midden van de uitwendige gehoorgang naar de onderste rand van de neus wordt getrokken en die wordt doorkruist door een andere lijn die van de glabella naar de tandrandkast van de bovenkaak gaat[329].  Camper kon aanzien worden als de schepper van de schedelmeting en als een van de grondleggers van de antropologie; hij was immers een van de eersten om metingen uit te voeren op schedels, bekkens, en levende personen om zo het onderscheid te kunnen maken tussen de verschillende rassen.  Camper was de eerste om de schedel als een belangrijke bron van kennis te beschouwen; Gall bouwde zijn theorie gedeeltelijk op rond Campers overtuiging[330].

 

De Algemeene Konst- en Letterbode berichtte over Galls komst naar Nederland[331].  In het bericht stond dat Gall op 31 maart was aangekomen in Utrecht, na Hamburg en Münster bezocht te hebben.  Gall bleef slechts een dag in Utrecht; hij ontmoette  er een aantal geleerden en bezocht de bezienswaardigheden.  Galls kortstondige verblijf in Utrecht had mogelijk te maken met de koele manier waarop hij ontvangen werd door Matthias van Geuns. Matthias van Geuns (1735-1817) studeerde in Utrecht en Leiden voor arts; hij was gespecialiseerd in klinische geneeskunde en in vroedkunde. Hij verbleef twee jaar in Parijs voor zijn studies. Bij Petrus Camper leerde hij anatomie en chirurgie. In 1791 werd hij aan de universiteit van Utrecht benoemd tot hoogleraar[332].  Naar verluidt liet hij geruime tijd op zich wachten toen Gall hem wilde ontmoeten; wanneer hij Gall uiteindelijk ontving, deelde hij deze meteen mee dat hij weinig respect kon opbrengen voor diens leer.  Vervolgens liet hij Gall verbouwereerd achter[333].

 

Op 1 april begaf Gall zich naar Amsterdam.  Van 8 tot 18 april gaf hij tien lessen in het Amsterdamse logement “Het Wapen van Amsterdam”. De vijf eerste lessen gebruikte Gall om de inhoud van zijn leer uiteen te zetten en de bezwaren ertegen weg te werken.  Hiervoor legde hij de nadruk op de tweedeling van zijn leer: de frenologie bestond uit een hersenleer en een schedelleer.  In de vijf laatste lessen besprak Gall zijn zevenentwintig faculteiten[334].  Er kwamen ongeveer honderd toehoorders opdagen[335].  Onder hen bevonden zich Stuart en Vrolik, maar ook de Leidse anatoom Sebald Brugmans en zijn Amsterdamse collega Andreas Bonn.  Sebald Justinus Brugmans(1763-1819) studeerde geneeskunde in Groningen. Hij werd benoemd tot hoogleraar aan de universiteit van Franeker en later ook aan die van Leiden[336].  Andreas Bonn (1739-1818) had geneeskunde gestudeerd in Amsterdam, Leiden en Parijs. In de loop der jaren had hij een anatomisch kabinet samengesteld, dat vooral een belangrijke verzameling zieke beenderen bevatte; na zijn dood werd zijn collectie aangekocht door de universiteit van Leiden[337] Bonn toonde tijdens Galls lessen enkele schedels uit zijn collectie en overhandigde hem een aantal tekeningen van waterhoofden[338].

 

De Amsterdamse krant “De Ster” bracht verslag uit van Galls lessen.  Uit de commentaar bleek dat er niet echt hoog mee werd opgelopen: ze werden omschreven als geestig, maar niet van een academisch niveau.  Gall werd voorgesteld als een arrogant persoon die geen tegenspraak duldde en moeilijk was in de omgang.  De reden waarom Gall een tweede reeks lezingen wilde geven, was volgens de journalist van financiële aard.  Die tweede reeks kwam er echter niet bij gebrek aan belangstelling en door de hoge toegangsprijs. Om diezelfde redenen gingen de geplande lezingen in Den Haag ook niet door en in Leiden kwamen er maar twintig toehoorders opdagen. Gall was teleurgesteld over de beperkte interesse van de Nederlanders voor zijn doctrine[339]

 

Na zijn verblijf in Amsterdam trok Gall naar Haarlem en daarna naar Franeker waar hij de schedelcollectie van Petrus Camper ging bewonderen.  Tenslotte deed hij Leiden aan; daar hield hij vijf voordrachten, maar zoals reeds gezegd was de belangstelling zeer beperkt.  Gall maakte bovendien ruzie met zijn Leidse gastheer, dokter Groen.  Deze had immers kritiek geuit op Galls leer, waarop deze in de verdediging ging; na dit voorval wou Groen niets meer met Gall te maken hebben[340].  Gall had dus blijkbaar zeer fel gereageerd en de Leidse dokter tegen zich in het harnas gejaagd.  Hij bracht ook een bezoek aan de schedelverzameling van Sebald Brugmans. Brugmans had een uitgebreide collectie anatomische preparaten uitgebouwd, die bekend was over heel Europa; rond 1800 was hij bovendien begonnen met het aanleggen van een schedelverzameling.  De schedels waren afkomstig uit “bijzondere natiën” en van soldaten die vochten bij de Slag van Waterloo van 1815.  Brugmans had deze collectie  samengesteld met de bedoeling Galls leer te toetsen aan de praktijk[341] In mei verliet Gall Nederland om zijn reis door Europa in 1807 te beëindigen in Parijs[342]

 

Na Galls vertrek nam de belangstelling voor zijn leer af.  De frenologie sloeg nooit echt aan in Nederland: er werden geen frenologische verenigingen opgericht en er werden geen tijdschriften gelanceerd zoals in Duitsland, Frankrijk, Engeland en Amerika.  Er werden ook weinig werken geschreven en uitgegeven die betrekking hadden op de frenologie. De reden van de desinteresse van de Nederlanders voor frenologie was niet duidelijk.  Galls lezingen werden er reeds bij aanvang niet enthousiast onthaald en diens moeilijke houding droeg ook niet bij tot de promotie van zijn  theorie[343].  De frenologie oefende echter wel invloed uit op de ontwikkeling van de gerechterlijke geneeskunde en op de ontwikkeling van de psychiatrie[344].   

 

 

Nasleep van het bezoek van Gall aan Nederland

 

In 1806 woonde de remonstrantse dominee Stuart de lessen bij die Gall gaf tijdens zijn bezoek aan Amsterdam.  De aantekeningen die hij toen maakte, werden in datzelfde jaar uitgegeven onder de titel “Herinneringen uit de lessen van Franz Joseph Gall”.  Ook hier toonde hij zich weer een groot voorstander.  De bezwaren van Galls tegenstanders wuifde hij weg en waar hij dat niet kon, gaf hij te kennen dat de opposanten Gall verkeerd begrepen hadden[345]

 

Stuart verdedigde Gall op alle vlakken en ruimde alle bezwaren van tegenstanders van de frenologie uit de weg.  Het verwijt dat Galls leer zich te veel toespitste op het gedeelte van de schedelleer, deed hij af als onjuist: volgens hem ging Galls doctrine niet om een schedelleer, maar wel om “een bestemming der Hersenen tot onderscheidene en bepaalde werktuigen van den geest”.  Zo nu en dan sprak Stuart zichzelf tegen.  Hij deelde mee dat Gall hem zelf had meegedeeld dat men hem ten onrechte in staat achtte uit de vorm van iemands schedel de staat van diens hersenorganen en dus ook van diens karakter af te leiden. Verder in zijn verhandeling meldde hij echter dat Gall had bewezen uit de schedel de toestand van de organen te achterhalen.    Hierbij hield hij er geen rekening mee dat de bloedvaten op de hersenen die te zien waren op de binnenkant van de schedel, geen veruitwendiging hadden op de buitenkant.  Volgens Stuart waren de organen namelijk groter dan de bloedvaten, zodat die zich wel aftekenden op het schedeloppervlak.  Hij vond het onderzoek van de schedel dus wel een doeltreffende manier om de toestand van de hersenorganen te beoordelen[346].

 

De frenologie werd vaak aanzien als een ongeoorloofde vermenging van filosofie en natuurkunde; Stuart maakte hier komaf mee door te zeggen dat Gall het in zijn leer niet had over de ziel, omdat deze niet toegankelijk is voor natuurkundig onderzoek.  Bovendien waren zowel de natuur als de ziel door God geschapen, zodat deze twee onmogelijk met elkaar in strijd konden zijn.  Om de harmonie tussen de natuurkunde en de filosofie te bewaren, moesten ze elk op hun eigen terrein blijven.  Het zedelijke kon nooit onderworpen zijn aan het stoffelijke: het was immers niet omdat iemand de mogelijkheid tot handelen in zich had, dat de handeling automatisch uitgevoerd zou worden.  De mens was immers vrij in zijn handelen en Gall had nooit het tegendeel beweerd.  Door dit te aanvaarden, toonde Gall dat hij het bestaan van God niet verloochende en kon hij geen materialist en fatalist genoemd worden; Gall was volgens Stuart immers alleen een materialist[347].

 

Zoals we reeds eerder zagen, kreeg Gall veel kritiek over zich heen omdat hij de mens een orgaan van moordzin toekende; hij vergeleek de mens met een roofdier.  Omwille van dit orgaan verloor Gall aan populariteit.   Stuart gaf hem gelijk:  in de Bijbel was er immers ook sprake van broedermoord en iets dergelijks kon opnieuw gebeuren.  De mens moest dus wel degelijk een orgaan voor moordzin bezitten, net zoals de roofdieren.  Het enige verschil was dat het orgaan bij de mens in verschillende maten van ontwikkeling voorkwam.  Stuart gaf hier aan dat de wetenschapper niet mocht twijfelen aan Gods goede bedoelingen, hij mocht zich enkel afvragen welke neigingen de mens bezat en niet waarom God hem die had gegeven[348].  Stuart gebruikte zijn hoedanigheid als geestelijke dus om bezwaren tegen de frenologie uit de wereld te helpen.

 

De kritiek op Galls hersenanatomie kon Stuart ook ontkrachten.  Volgens Gall kwamen alle hersenorganen twee maal voor in de hersenen: een keer in elk van de beide hersenhelften.  Deze stelling werd echter niet algemeen aanvaard, maar Stuart zag het bewijs ervan in het feit dat wanneer een van beide hersenhelften ontstoken, aangetast of vernietigd was, de faculteiten die in die hersenhelft lagen zich nog steeds manifesteerden[349]

 

Het bijzondere aan Stuarts benadering van de frenologie was het feit dat hij erin slaagde de leer vanuit godsdienstig oogpunt te rechtvaardigen, in tegenstelling tot alle bezwaren die er vanuit de katholieke Kerk waren gekomen tegen de leer.  Stuart haalde zelfs verschillende religieus getinte argumenten aan om het gelijk van de doctrine te bewijzen.  Volgens hem was de leer dus niet fatalistisch, zoals het bezwaar van kerkelijke zijde luidde, en kon ze bovendien van groot maatschappelijk nut zijn.

 

In datzelfde jaar werd er een ander ooggetuigenverslag uitgegeven van Galls lessen, dit keer door een anonieme auteur. De titel van het werk luidde “Verhandeling over de onzekerheid der Physiognomie of Gelaatkunde, uit de rede en ondervinding aangetoond en bij gelegenheid der Hersenschedelleer van Doctor Gall ter overweging aangeboden, uit het Duitsch vertaald[350].  Het betrof hier een oorspronkelijk Duits werk dat, zeer waarschijnlijk naar aanleiding van Galls bezoek, vertaald werd naar het Nederlands.  De auteur had Gall tijdens een van zijn lezingen in Duitsland of Oostenrijk aan het werk gezien en bracht daar een kritisch verslag van.  Hij uitte verschillende bezwaren tegen de frenologie.  Zo had hij veel kritiek op Galls opinie in verband met de ontwikkeling van de vorm van de schedel[351]

 

De anonieme auteur vond dat het hoofd niet als een “meloen” gezien mocht worden, waarvan de buitenkant de inhoud bepaalde.  Het was verkeerd er van uit te gaan dat het karakter af te lezen was van iemands schedel en gezicht, omdat men dan veronderstelde dat er een algemene regel was volgens dewelke ieder levend wezen handelde.  De mens was echter geen machine, zodat er geen sprake kon zijn van een algemene regel.  Een ander bezwaar om het karakter van iemands uiterlijk af te lezen, was dat niet ieders uiterlijk even beweeglijk en expressief was.  Het was ook zo dat niet elk gevoel even duidelijk geuit kon worden: sommige gevoelens waren steeds  duidelijker dan andere. Een gevoel dat lange tijd in hevige mate aanwezig was geweest, liet bovendien slechts in extreme gevallen sporen na.  De auteur geloofde niet dat vermogens en karaktereigenschappen een specifieke plaats hadden in de hersenen.  Om dit te bewijzen, had men immers niet alleen die mensen moeten onderzoeken waarvan men zeker wist dat ze over die uitgesproken karaktertrek beschikten.  Om zeker te zijn, had men ook mensen aan bod moeten laten komen die deze bepaalde eigenschap duidelijk niet hadden.  Gall had dat niet gedaan; de auteur kon dan ook niet geloven in diens theorie omdat hij ze niet bewezen achtte[352]

 

De auteur besloot dat de “gelaatkunde” bedrieglijk was; gevoelens lieten wel sporen na op het uiterlijk, maar deze sporen verschilden vaak en waren erg wisselvallig.  Bovendien was het volgens de stellingen van Gall onmogelijk dat een mooie ziel in een lelijk lichaam huisde.  De auteur kon echter niet geloven dat God de bedoeling had een goed karakter te tonen door middel van het uiterlijk; het lichaam werd immers niet gevormd volgens de trekken van de ziel.  Als men geloofde dat iemand met een platte neus dom was, volgde uit deze redenering immers dat iemand wiens neus platgedrukt werd, dom moest worden.  De anonieme auteur  haalde het voorbeeld aan van de Tartaren, Calmukken en Baschieren die volgens deze stelling allemaal dom zouden moeten zijn; er waren onder hen echter dappere en stoutmoedige mannen. De frenologie had dus ongelijk[353]

 

De nasleep van Galls bezoek was maar van korte duur; Gall had dus duidelijk geen grote indruk gemaakt op de Nederlanders. Na deze periode daalde de belangstelling voor de frenologie gevoelig; de commentaren die erover werden geschreven, waren ook vaak kritischer en strenger.

 

 

Neergang van de frenologie in Nederland

 

In 1808 gaf de arts Doornik, die reeds aan bod kwam in verband met zijn werken “De Herssen-schedelleer” uit 1804 en “Voorlezingen over F.J. Galls hersenschedelleer” uit 1806,  een derde werk uit waarin hij de frenologie besprak.  Het was getiteld “Wijsgerig- Natuurkundig  Onderzoek  aangaande den oorspronkelijken Mensch, en de oorspronkelijke stammen van deszelfs geslacht”.  Doornik was vooral geïnteresseerd in de frenologie vanuit zijn belangstelling voor de “dier-mensch” en de relatie tussen de natuurlijke vermogens en de beschaving.  Zoals we reeds eerder meldden, bestond er naar zijn mening namelijk een onderscheid tussen de mens als zinnelijk wezen en de mens als zedelijk wezen.  De geschiedschrijving van volkeren liet zich enkel in met de beschaving van de mensheid en niet met de periode van de “dier-mensch”.  Met “dier-mensch” bedoelde Doornik de mens in zijn oorspronkelijke staat, de mens voor de beschaving.  Biologen en artsen waren naar zijn mening het best geplaatst om meer inzicht te verschaffen in de dier-mensch. 

 

Om de ontwikkeling van “dier-mensch” tot mens volledig te vatten, kon het niet volstaan om alleen gebruik te maken van schriftelijke bronnen: het was noodzakelijk de mens als “organisch-zintuiglijk wezen” ook op een wijsgerige manier te behandelen.  Doornik dacht dat de frenologie de kloof tussen de zinnelijke en de zedelijke mens kon dichten[354].  Doornik had dus een eigen visie op de frenologie.  Hij deed immers onderzoek naar de oorsprong van de mens en dacht dat de frenologie daartoe kon bijdragen.  De frenologie stelde bijvoorbeeld dat de hersenen zich ontwikkelden naarmate ze gebruikt werden; dit paste in Doorniks overtuiging dat de hersenomvang van onbeschaafde volkeren kleiner was dan die van beschaafde volkeren.  Wanneer de hersenen slechts in beperkte mate gebruikt werden, bleven ze onderontwikkeld, zoals het met spieren ging.  Doornik ging er dus vanuit dat de hersenorganen van de primitieve volkeren niet tot volle ontwikkeling waren gekomen; door middel van opvoeding en onderwijs konden de “goede” organen echter ontwikkeld worden.  Dit zou leiden tot een openbaring van de individuele kwaliteiten.  Op deze manier legde de frenologie het verband tussen de fysiologische vermogens, de samenlevingsvorm en individuele kwaliteiten, wat neerkwam op de bevestiging van de Verlichtingsidealen[355].

 

Doornik schreef drie boeken over de frenologie.  In al zijn werken toonde hij zich een groot tegenstander van de leer.  Gall bracht geen bewijzen aan voor zijn theorie, was materialistisch ingesteld en verspreidde onverantwoorde conclusies.  Doornik vroeg zich ook af wat het nut was van de leer.  In zijn laatste boek deelde hij mee dat de frenologie nuttig kon zijn bij het onderzoek naar de oorsprong van de mens, maar daarvoor zou de leer eerst uitgebreid en sterker onderbouwd moeten worden.  Doornik bleef doorheen de jaren dus bij zijn standpunt, maar hij verwoordde die telkens anders.

 

In datzelfde jaar verscheen er een nieuw artikel in de Algemeene Konst- en Letterbode over de leer, dat was getiteld “Iets over de schedelleer van Dr. Gall[356].  De afwachtende toon was volledig omgeslagen: deze keer ging het om een zeer negatieve beoordeling.  De auteur noemde de frenologie onwijsgerig, onmenselijk en gevaarlijk en hij omschreef ze als een verzameling van speculatieve en hypothetische waarnemingen.  Aan het begin van zijn uiteenzetting deelde hij mee dat de basis van de leer ongegrond was:

De Leer van Joseph Gall rust ten deele op bekende waarheden, ten deele op twijfelachtige vooronderstellingen, ten deele op geheel onware gronden[357].”

 

Gall beweerde bijvoorbeeld dat de hersenschors niet uit bloedvaten bestond, maar dat het integendeel een “glutineus ingewand” was.  Anatomische proefnemingen hadden echter het tegendeel bewezen.  Een andere vooronderstelling van Gall was dat de hersenen en het ruggenmerg uit twee gelijkvormige delen bestonden en dat alle organen in elk van die twee delen vertegenwoordigd waren.  Daaruit volgde naar Galls mening dat wanneer een van de twee helften beschadigd werd, de andere helft daar geen last van ondervond.  Volgens de auteur van het artikel was dit onmogelijk.  De organen aan de ene kant van de hersenen zouden dan volledig onafhankelijk moeten zijn van de andere kant.  Dat zou dan betekenen dat, door de mens te voorzien van twee keer dezelfde organen, de natuur onnodig werk gedaan had, wat hij niet geloofde:        

“…dan heeft de Natuur den Mensch, als het ware, zoo wel wat het intellectuele als physieke betreft, dubbel gevormd, en dus onnoodig, overtollig werk verrigt…[358]

 

Dat de uitstulpingen op de schedel overeenkomstig waren met de grootte van de organen, was eveneens naast de waarheid.  De toestand van de schedel was voor een deel afhankelijk van de structuur van de hersenen, maar slechts in zeer beperkte mate.  De vorm van de schedel was dus geen perfecte kopie van de vorm van de hersenen zoals Gall beweerde.  Hieruit volgde dat het onmogelijk was iemands karakter te bepalen door een analyse te maken van diens schedel.  Dit doen was volgens de auteur bovendien een “vergeefssche en eene ondoelmatige arbeid[359]”; er was immers slechts een orgaan waarop de ziel steunde en dat waren de hersenen in het algemeen.  De auteur was het niet enkel oneens met Gall, hij vond de frenologie bovendien gevaarlijk wanneer ze in de handen van lichtgelovigen zou vallen.  Waarom hij dat vond, legde hij echter niet uit.

 

De auteur van dit artikel maakte dus duidelijk dat hij absoluut geen voorstander was van Galls doctrine; hij was er bovendien van overtuigd dat men in de toekomst de spot zou drijven met de aanhangers van de leer, die hij bestempelde als lichtgelovig. Dan zou de frenologie haar ware aard als “lydende, light ontvlambare, verbeelding[360]” immers getoond hebben.  De recensent spaarde de frenologie dus niet; het lijkt zelfs dat hij met zijn harde kritiek de mensen er voor wilde behoeden zich met de leer in te laten. 

 

We kwamen uit deze zelfde periode een bron op het spoor, die een heel ander karakter had dan de voorgaande: in deze bron werd objectief meegedeeld wat Gall in zijn lessen besprak, zonder dat er kritiek op werd geuit.  Het betreft hier het verslag van een reis die in het jaar 1818 gemaakt werd door drie Nederlandse studenten geneeskunde, C.B. Tilanus[361], P.J.I. De Fremery [362]en J.C. Broers[363].  Gedurende een jaar reisden ze door Frankrijk en Duitsland in het kader van hun studie. Tilanus schreef het verhaal van hun reis neer in een soort van reisdagboek[364].  Ondanks de negatieve commentaar die de leer kreeg in hun vaderland, woonden de drie studenten tijdens hun verblijf in Parijs enkele lessen van Gall bij; waarschijnlijk waren ze nieuwsgierig en wilden ze met eigen ogen zien wat Gall te vertellen had.  Een van hen nam aantekeningen in de lessen, die vervolgens in hun geheel werden overgenomen in het dagboek van Tilanus[365]

 

Tijdens de eerste les, die op 12 mei 1819 plaatsvond, vertelde Gall over zijn afkomst, zijn levensloop en de aanleiding tot het ontstaan van de frenologie[366]. Gall meldde bovendien dat zijn leer in alle wetenschappen toegepast moest worden, dat de opvoeding van kinderen er op afgestemd moest worden, net zoals de wetgeving en in het bijzonder het strafrecht.  Tijdens de tweede les kwam het aangeboren karakter van de faculteiten of disposities aan bod.  Hij vergeleek de mens met de anorganische natuur, met planten en met dieren; de mens werkte immers volgens dezelfde fysische wetten en had veel gemeen met de innerlijke organisatie van dieren.  Aan de hand van voorbeelden toonde Gall aan dat instincten en driften, net zoals de typisch menselijke eigenschappen of disposities, aangeboren zijn en niet verworven.  In de derde les besprak Gall de afhankelijkheid van de eigenschappen van de organisatie.  Hij verdedigde zich tegen de beschuldigingen van fatalisme en materialisme.  Volgens Gall was zijn leer niet materialistisch, omdat hij het bestaan van de ziel niet ontkende.  Hij beweerde alleen dat de ziel het lichaam nodig had[367].

 

De vierde les van 23 mei besteedde Gall aan het verdedigen van zijn leer tegen de beschuldigingen als zou ze fatalistisch zijn.  Gall beweerde dat de wereld geschapen was en dat de wetten, volgens dewelke alles verliep, vastgelegd waren.  De mens bepaalde dus niet over welke vermogens hij beschikte of welke godsdienst hij aanhing.  Hij zag fatalisme dus als afhankelijkheid van de Schepper; fatalisme was dus geen negatief iets.  Daaruit volgde dat alle driften en neigingen noodzakelijk waren: men kon er niet aan ontsnappen.  Een dief stal, omdat zijn orgaan voor eigendom te sterk ontwikkeld was.  Hij vervolgde met de mededeling dat deze redenering niet nadelig was voor de Schepper, maar dat zedelijk kwaad, net zoals fysiek kwaad, aanwezig was in de wereld.  Fysiek kwaad was aanwezig in de natuur en kon dus niet ontkend worden.  De oorsprong van beide vormen van kwaad kon verklaard worden door de organen te bekijken: de organen waren zo geschapen dat ze vatbaar waren voor een te sterke activiteit en een afwijking van hun normale manier van werken[368].  Hieruit volgde dat er geen sprake kon zijn van volledige vrijheid: de mens werd geleid door zijn driften en handelde niet uit vrije wil.  De mens beschikte enkel over zedelijke vrijheid: hij had de vrijheid om morele of immorele handelingen uit te voeren. De mens moest kiezen uit een groot aantal motieven, zoals honger, vrees voor straf en dergelijke; opvoeding en andere uitwendige factoren oefenden grote invloed uit bij het maken van deze keuzes.  Door een goede opvoeding was de kans klein dat men een foute keuze zou maken.  Deze keuze was individueel en voor iedereen verschillend, omdat ieders innerlijke organisatie en opvoeding verschilden[369].  Uit deze redenering leidde Gall bovendien af dat zijn leer toegepast moest worden op het strafrecht: sommige mensen, bij wie een bepaalde drift of neiging immers in sterke mate aanwezig was, beschikten immers niet over voldoende intellectuele capaciteiten om die drift te overwinnen.  Hij was dan ook van mening dat er een geneesheer, die kennis had van de frenologie, aanwezig moest zijn bij de heropvoeding van misdadigers[370]

 

De drie Nederlandse studenten volgden in totaal vier lessen bij Gall.  Op 27 mei begonnen ze gevangenissen te bezoeken.  Het is heel waarschijnlijk dat ze op dit idee kwamen, na wat ze over de criminologie vernomen hadden in Galls collegezaal[371].  Uit de inhoud van Tilanus’ dagboek kunnen we afleiden dat er in deze periode duidelijk nog belangstelling bestond voor de frenologie in wetenschappelijke, en meer bepaald in medische kringen.  De Nederlandse studenten volgden Galls lessen uit interesse; er was bovendien nergens sprake van negatieve commentaar, noch van ongeloof in hun aantekeningen.  Hoogst waarschijnlijk waren ze ervan op de hoogte dat de frenologie reeds veel kritiek te verduren had gekregen, maar vonden ze het blijkbaar toch de moeite een deel van hun verblijf in Parijs te spenderen aan het volgen van Galls lessen.    

 

In 1829 verscheen er voor de laatste keer een artikel in de Algemeene Konst- en Letterbode, dat gewijd was aan de frenologie; het was de Nederlandse vertaling van een artikel dat in 1807 geschreven werd door de Duitse anatoom Samuel Th. Soemmering(1755-1830).  Soemmering was tot 1803 voorstander van Gall en van de frenologie. In 1807 woonde hij echter in München een lezing van Gall bij; in een zaal die enkel verlicht werd door kaarsen voerde Gall, volledig in het zwart gekleed, een soort van show op terwijl hij omgeven was door schedels.  Hierna veranderde Soemmering in een felle tegenstander van Gall[372].

 

Soemmerings artikel was getiteld “Mijne gedachten over eenige leerstellingen van Dr. Gall, door den Geheimraad von Soemmering[373]”.  Volgens deze auteur was Galls leer ontleedkundig juist; Gall kon zijn zevenentwintig organen immers stuk voor stuk aanduiden op elke schedel.  Het was echter niet bewezen dat die plaatsen wel degelijk kenmerken van een bepaalde karaktereigenschap of neiging waren.  De auteur gaf Gall krediet omdat hij zich met veel vlijt toelegde op het  oplossen van dit probleem[374].  In welke mate hij vond dat Gall geslaagd was in zijn opzet, besprak hij in het verder verloop van het artikel.

 

Soemmering nam een aantal vooronderstellingen aan; hij twijfelde er bijvoorbeeld niet aan dat de schedels die Gall gebruikte om specifieke eigenschappen als muziektalent en dichterlijk talent aan te tonen, effectief van bekende musici en dichters waren.  Hij had Gall ook nog nooit op een fout betrapt: wanneer Gall zei dat een schedel een verhevenheid vertoonde op een bepaalde plaats, was dat ook zo.  De auteur vond het bovendien evident dat wanneer de schedel van buiten een verhevenheid vertoonde, de binnenkant ervan uitgehold zou zijn en dat de schedel boller werd naarmate hij omhoog geduwd werd door de hersenen[375].  Alle dierenschedels vertoonden echt de twaalf verhevenheden die volgens Gall de typisch dierlijke eigenschappen, zoals geslachtsdrift en liefde voor kinderen aanduidden.  Het was echter niet bewezen dat deze twaalf bulten overeenkwamen met de verhevenheden op de menselijke schedel en dat ze ook echt de karaktereigenschappen aanduidden.  Het was ook niet duidelijk of de plaats van de vergrote hersenmassa echt de materiële oorzaak was van een bepaalde drift of neiging; de recensent sprak dan ook niet van “hersenorganen” omdat hij niet overtuigd was van hun bestaan[376]

 

Soemmering, die zelf erg bedreven was in het ontleden van hersenen en zich al geruime tijd met het onderzoek naar de hersenen bezighield, had bovendien moeite met de manier waarop Gall de hersenen ontleedde. Gall was tegen het doorsnijden van de hersenen en tegen gebruik van messen en andere scherpe voorwerpen; hij gebruikte steeds dezelfde dissectiemethode, die zijn leer telkens opnieuw bevestigde. Soemmering constateerde echter dat, wanneer men de hersenen op een andere manier ontleedde dan dat Gall dat deed, men bewijzen vond tegen diens bevindingen.  Hij was er dan ook van overtuigd dat Gall zich hier bewust van was en het daarom altijd op zijn eigen manier van disseceren hield[377].  Bovendien veroorzaakte Galls dissectiemethode scheidingen in de hersenen die er normaal gezien niet zijn; de mergachtige draden die van nature uit voorkwamen in de hersenen, werden doorgescheurd en weggewassen[378].  Gall maakte dus alleen gebruik van de hersendissectie in zoverre ze zijn leer bevestigde; tegenbewijzen of elementen die vragen opriepen, werden verwijderd en genegeerd. 

 

De auteur betrapte Gall nog op een andere oneerlijkheid: hij beschuldigde Gall er namelijk van te verkondigen dat zijn leer nieuw was, hoewel die helemaal niet nieuw was:

“(Ik wil bewijzen) dat Dr. Galls beschouwing van de ontwikkeling der hersenen, noch iets nieuws is, noch in het minst onze kennis der hersenen doet vorderen, maar dat zij in tegendeel oud is en slechts tot dwalingen aanleiding geeft[379].”

 

De auteur was er immers van op de hoogte dat een zekere Jacob Berengarius Carpensis, die anatoom was, driehonderd jaar voor Gall dezelfde ontdekkingen had gedaan in verband met de vouwen en kronkelingen van de hersenen.  Zelfs een leerling van Aristoteles, Erasistratus, was hier al van op de hoogte: hij had het in die tijd reeds over de kronkels of slangsgewijze wendingen van de hersenen[380]

 

Soemmering had ook geen goed woord over voor diegenen die geloofden in de frenologie; volgens hem ging het om “leeken, ja zelfs zoogenaamde Hoogleeraren in de Ontleedkunde, doch die den waren geest der wetenschap nooit bereikten[381]”.  Iemand die vertrouwd was met de anatomie van de hersenen  zou het volgens de auteur onmogelijk eens kunnen zijn met Gall[382].  Het ging hier dus om een uiterst negatieve beoordeling van Gall en van zijn doctrine: de frenologie was niet bewezen, allesbehalve nieuw en bovendien onnuttig en Gall was onbetrouwbaar en oneerlijk. 

 

Zoals blijkt uit deze uiteenzetting, veranderde de perceptie van de frenologie door de Algemeene Konst- en Letterbode in de loop der jaren volledig van toon.  Aan het begin van de negentiende eeuw werd een nieuwsgierig, afwachtende houding aangenomen, maar tegen het derde decennium stond men uitgesproken negatief tegenover de leer.

 

Acht jaar na het verschijnen van Soemmerings negatieve oordeel over de frenologie, schreef de Leidse anatoom Gerard Sandifort[383] het boek “Ontleedkunde voor Beeldende Kunstenaars” Sandifort werd in 1779 geboren in Leiden. Hij werd in 1801 benoemd tot buitengewoon hoogleraar in de ontleedkunde. In 1812 werd hij gewoon hoogleraar in de onleedkunde, geneeskunde en heelkunde aan de universiteit van Leiden. Hij gaf fysiologie en anatomie, waarbij hij uitblonk in demonstraties op lijken en in het hanteren van het ontleedmes.  Hij had bovendien de leiding over het anatomisch kabinet van de universiteit.  Hij overleed in 1848[384].

 

Sandifort had zijn boek speciaal geschreven voor kunstenaars, opdat ze in staat zouden zijn mens en dier anatomisch juist voor te stellen in hun werken.  Sandifort verluchtte zijn werk met vele illustraties, die hij staafde met anatomische uitleg over het weergegeven lichaamsdeel.  Uit dit werk bleek duidelijk dat hij beschikte over verschillende publicaties van Gall en Spurzheim, zoals een van de eerste edities van Galls “Leerstelsel”.  Hij besprak onder meer de verhouding tussen de ontwikkeling van de hersenen en de ontwikkeling van de schedel, wat de basis was van Galls leer.  Sandifort geloofde dat de schedel zich perfect vormde naar de grootte en de vorm van de hersenen.  De beenderen van de schedel waren immers zacht in de periode waarin de hersenen groeiden; door dit samenspel kreeg het hoofd zijn eigen gedaante[385]

 

Sandifort meldde een aantal keren in de loop van het werk dat de “verhevenheden en indruksels van het bekkeneel”, zoals hij de bulten en uitstulpingen van de schedel noemde, overeenkwamen met de onderliggende hersenen.  Dat de verhevenheden op de schedel voor een groot deel het aangezicht vormden, bewees hij door het voorbeeld van Socrates aan te halen. Socrates beschikte over een uitzonderlijk stel hersenen, waardoor zijn schedel een opmerkelijke vorm had; ook zijn gezicht was daardoor bijzonder[386].

 

Sandifort beschreef hoe de verhevenheden op het voorhoofd in grootte en aantal konden verschillen.  Hieruit bleek dat hij Galls stelling daarover niet volledig overnam: Gall had immers het verband tussen de vorm van de delen van het voorhoofd en de ontwikkelingstoestand van de hersenorganen vastgelegd, wat volgens Sandifort niet overeenkwam met de realiteit.  Wanneer hij melding maakte van de verschillende faculteiten die op deze plaats gelegen waren, gaf hij bovendien enkel een opsomming.  Hij gaf geen bijkomende uitleg en nam geen stelling in; hierdoor kunnen we vermoeden dat hij geen onvoorwaardelijke aanhanger van Gall was.  Hij trachtte zijn lezers niet te overtuigen van de juistheid van deze theorie door bewijzen aan te halen; een echte voorstander had dit wel gedaan[387].

 

In 1845 verscheen het boek “Iets over de geschiedenis en de waarde der Schedelleer, eene voorlezing gehouden voor eenen kring beschaafde toehoorders. Uit het Hoogduitsch vertaald en met eenige Aantekeningen en twee houtsneêfiguren vermeerderd”. Het werd geschreven door L. Choulant.  Hij beschikte over Galls publicatie uit 1792, waarin hij de beginselen van zijn latere leer neerschreef, met name “Philosophisch- Medicinische Untersuchungen über Natur und Kunst im kranken und gesunden Zustande des Menschen”; Choulant baseerde zijn opinie voor het overgrote deel rechtstreeks op wat hij las in het werk van Gall.

 

Hij uitte verschillende bezwaren tegen de frenologie in dit boek.  Hij had er bijvoorbeeld problemen mee dat de hersenen volgens Gall geen samenwerkend en levend geheel zijn.  Volgens Choulant waren de hersenen het edelste deel van het lichaam, ze moesten gezien worden als het punt waar de zenuwen samenkwamen en als het werktuig van alle verrichtingen van de ziel.  Hij geloofde niet dat de hersenen uit aparte organen bestonden, waarin de verschillende intellectuele vermogens huisden.  De hersenen functioneerden als een geheel; bovendien werkten ze samen met het lichaam.  De bulten op de schedel waren enkel een veruiterlijking van de meer ontwikkelde staat van de hersenen in het algemeen, en niet van een specifiek vermogen[388]

 

Bijna tien jaar later werd in het Nederlandse tijdschrift “De Gids[389]” een artikel opgenomen dat getiteld was “De Symboliek van den Schedel naar aanleiding van Carus’ Symbolik der menschlichen Gestalt. Ein Handbuch zur Menschenkenntnis[390]”.  Het ging om een recensie van een boek van de hand van de Duitse natuurfilosoof C.G. Carus, dat handelde over de “symboliek van den menschelijken lichaamsvorm”.  De recensent, dokter H. Van Capelle, besprak de mogelijkheid om karaktereigenschappen af te leiden uit iemands uiterlijk.  Zijn artikel was een bewijs van het nieuwe geloof in het verwerven van kennis, onder meer van de geest, door middel van kwantificeren en systematiseren[391].

 

Van Capelle haalde in de loop van zijn uiteenzetting een aantal keren de frenologie aan, maar naar onze mening hoofdzakelijk in negatieve zin.  De frenologie was onhoudbaar gebleken doordat de aanhangers volgens hem te grote verwachtingen koesterden.  Die aanhangers, die in de meeste gevallen niets met wetenschap te maken hadden, gebruikten de leer bijvoorbeeld om te achterhalen of hun dienstboden het orgaan van “dieverij” of dat van getrouwheid bezaten.  Volgens Van Capelle raakte de leer zowel bij de wetenschappers als bij de leken in minachting, omdat dit soort analyse niet altijd  overeenstemde met de realiteit[392]

 

De mening dat het uiterlijk symboliseerde wat er in de mens school, was volgens de recensent wijd verbreid, maar het was niet zo makkelijk de betekenis van het lichaam te achterhalen en het symbool te ontcijferen.  De frenologie beweerde dat ze dat wel kon; er moest dus voorzichtig mee omgegaan worden.  Om te bewijzen dat men geen vertrouwen mocht stellen in de frenologie, haalde de auteur verschillende argumenten aan.  Zo was hij er zeker van dat de schedel onafhankelijk was van de vorm van de hersenen en dat de schedel dus niet de vorm van de hersenen volgde.  De vorm van de schedel was in tegendeel een gevolg van de werking van de spieren die in het hoofd aanwezig waren.  Verder in zijn uiteenzetting haalde de auteur nog een argument aan om te bewijzen dat deze veronderstelling niet klopte: waar Gall de zogenaamde voorhoofdsboezem aanduidde, bogen de hersenen zich naar binnen terwijl de schedel naar buiten welfde[393].  Gall had dus ongelijk, wanneer hij beweerde dat de schedel perfect de vorm van de hersenen volgde.  De schedel had wel een symbolische betekenis, men kon immers in de vorm van alle voorwerpen een aanduiding zien van wat dieper zit[394].  Zo was het bijvoorbeeld mogelijk om aan de strepen op de rug van een dier te zien waar diens ruggengraat liep.  Het schedeloppervlak moest dus niet gezien worden als een perfecte weergave van de hersenen, maar men kon er wel vanuit gaan dat er een symbolische overeenstemming bestond tussen de schedel en de hersenen[395]

 

De auteur deelde de schedel in in drie delen, namelijk het voorhoofd, het middenhoofd en het achterhoofd.  Elk deel had zijn eigen psychische betekenis: het voorhoofd had betrekking op de modificaties van het verstandelijk vermogen, het middenhoofd op die van het gemoedsleven en het achterhoofd op die van de wil en de begeerte.   De verhevenheden op de schedel waren het gevolg van de ontwikkeling; bij kinderen en bij zwakzinnigen kwamen ze dan ook niet voor.  Het voorhoofd vertoonde de meeste golvingen; Gall had dit blijkbaar ook ontdekt, want vijftien van zijn zevenentwintig organen had hij daar een plaats toegekend.  De auteur wou hier echter niet dieper op ingaan, want Galls leer was al lang afgewezen:

“…Galls organenleer, die reeds lang, als op een valschen grondslag gebouwd, verworpen is, …[396]

 

De recensent hield een pleidooi voor Carus’ symboliek van het lichaam, hoewel hij vond dat deze kennis nog niet volledig op punt stond.  Hij twijfelde echter niet aan de wetenschappelijkheid ervan en het nut voor de geneeskunde, de pedagogie en de kunst[397].  Hij verwachtte dat ze in de toekomst tot een betere kennis van de mens zou leiden, dit in tegenstelling tot de frenologie.  Deze was makkelijker toepasbaar dan de symboliek van Carus, maar had in een aantal gevallen tot onaangename verrassingen geleid; de frenologische analyse bleek immers niet altijd overeen te stemmen met de realiteit[398].

 

De belangstelling voor de frenologie bleef gedurende de hele negentiende eeuw bestaan. Ook aan het einde van de negentiende eeuw werd er nog steeds over de frenologie gesproken in wetenschappelijke kringen, maar wel alleen in uiterst negatieve bewoordingen. In 1886 bijvoorbeeld kwam ze nog eens ter sprake in de rectoraatsrede van professor Jacob Pieter van Braam Houckgeest. Van Braam Houckgeest (1838-1889) had geneeskunde gestudeerd aan de militaire school van Utrecht.  Later gaf hij les op deze school.  In 1877 werd hij benoemd tot professor in de anatomie aan de universiteit van Groningen.  Hij schreef bovendien verschillende medische werken over onder meer de maag, de ontleedkunde en breuken[399]. Op 21 september van het jaar 1886 hield van Braam Houckgeest in Groningen zijn rectoraatsrede; deze was getiteld “Phrenologie en lokalisatie”. Hij noemde de frenologie een dwaalleer, die onmogelijk aanvaard kon worden door wetenschappers[400]

 

In datzelfde jaar verscheen er in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde een artikel van de hand van August Sasse (1832-1893) Sasse, die woonachtig was te Zaandam, was geneesheer en antropoloog.  Hij had vooral interesse in de craniologie: hij maakte een groot aantal antropologische studies over de vorm van de schedel.  Hij schreef tussen 1861 en 1892 een twintigtal bijdragen over de craniologie en andere onderwerpen voor het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde[401].  In 1886 verscheen in dit tijdschrift een artikel dat getiteld was “Over het nut en de waarde eener craniologie in Nederland”.  Sasse nam hierin een duidelijke houding aan tegenover de frenologie: hij noemde Galls methode van schedels meten “craniomantie”.  Hij wou hiermee aangeven dat hij Galls craniometrie een vorm van bedriegerij vond, dit in tegenstelling tot de wetenschappelijke craniologie van Brugmans, Vrolik en verscheidene anderen[402].

 

Ondanks het feit dat de interesse voor de frenologie in deze periode sterk was afgenomen, oefende Galls leer samen met de criminele antropologie van de Italiaanse psychiater Cesare Lombroso invloed uit op de opvattingen over misdadigers.  Dat zagen we duidelijk bij de Amsterdamse arts Gerbrandus Jelgersma (1859-1942).  Jelgersma studeerde voor arts in Amsterdam.  In 1887 werd hij aangenomen als privé-docent in de criminele antropologie aan  de universiteit van Amsterdam; vanaf 1899 gaf hij les in de psychiatrie en de neurologie aan  de universiteit van Leiden[403].  Jelgersma was tijdens zijn studie gefascineerd geraakt door de anatomie van de hersenen; na zijn opleiding deed hij in een krankzinnigengesticht onderzoek naar hersenen van geestesgestoorden.  De Amsterdamse hoogleraar in de fysiologie Place had Jelgersma er van overtuigd dat de anatomie van een misdadiger abnormaliteiten vertoonde, waaraan men diens geestesafwijking kon afleiden.  Zo kreeg Jelgersma belangstelling voor de criminele antropologie.  Jelgersma mengde zich in het debat over Lombroso, van wie hij een groot voorstander was.  Hij was het eens met Lombroso’s veronderstelling dat de hersenen van misdadigers afwijkingen vertonen, maar die waren niet zichbaar voor het blote oog.  Criminelen hadden echter nog andere afwijkingen die wel zichtbaar waren, met name de degeneratietekens[404].  Met de term degeneratie bedoelt men het proces waarin het menselijk geestesvermogen onomkeer ontaardde, waardoor de mens in elke generatie steeds erstiger psychoses zou hebben.  Jelgersma zag de degeneratie echter meer als een syndroom, waardoor het geestesvermogen van een erfelijk belast persoon, verzwakte[405].

 

Jelgersma schreef in 1892 een artikel dat getiteld was “De geboren misdadiger” voor het Tijdschrift voor Strafrecht.   Jelgersma was het eens met Gall wat de aangeboren aanleg voor misdaad betrof.  De misdadiger moest beschouwd worden als een zieke en het was noodzakelijk dat de wetgeving aangepast werd aan deze overtuiging. Jelgersma hield door middel van de frenologie dus een pleidooi voor een humanere benadering van criminelen[406].

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

[288] “Stelsel van den Hoogl. Gall”, in: Algemeene Konst- en Letterbode, 1802/2, 130-131.

[289] T. Van Heiningen zegt in zijn artikel “ Van Franz Joseph Gall in Holland kort na 1800”, in: Gewina. Tijdschrift voor de Geschiedenis der Geneeskunde, Natuurwetenschappen, Wiskunde en Techniek, 20(1997) dat de auteur van het artikel “op bewonderende toon” en “voetstoots” aannam dat de frenologie inderdaad eigenschappen kon aflezen van de schedel; mijns inziens  sprak de auteur zijn mening over de frenologie echter niet uit en wachtte hij af wat de toekomst zou uitwijzen. Dit blijkt ook uit het citaat.

[290] “Stelsel van den Hoogl. Gall”, p.131.

[291] Zie bijlage 13.

[292] G.A. Lindeboom, Dutch Medical Biography. A Biographical Dictionary of Dutch Physicians and Surgeons, Amsterdam, 1984, p.2106.

[293] “Nieuw uitgekomen boeken. Akademische en andere schriften”, in: Algemeene Konst- en Letterbode, 1804/1, 436-438.

[294] M. Conradi, “Franz Joseph Gall in Nederland”, in: De psycholoog, 30(1995), deel 7/8, p.322.

[295] Zie bijlage 14.

[296] T.W. Van Heiningen, Gerard Sandifort (1779-1848)  in twee werelden, Utrecht, 1995, p.226.

[297] Van Heiningen, Gerard Sandifort, p.241.

[298] T. Van Heiningen, “Van Franz Joseph Gall in Holland kort na 1800”, in: Gewina. Tijdschrift voor de Geschiedenis der Geneeskunde, Natuurwetenschappen, Wiskunde en Techniek, 20(1997), p.118.

[299] G.A. Lindeboom, Dutch Medical Biography. A Biographical Dictionary of Dutch Physicians and Surgeons, Amsterdam, 1984, p.476.

[300] J. Steendijk-Kuypers, “Het succes van een dwaling. De hersen-schedelleer van Franz Joseph Gall(1758-1828) en de echo van de frenologie in Nederland”, in: Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 140(1996), deel 51, p.2563.

[301] T. Van Heiningen, “Van Franz Joseph Gall in Holland kort na 1800”, in: Gewina. Tijdschrift voor de Geschiedenis der Geneeskunde, Natuurwetenschappen, Wiskunde en Techniek, 20(1997), p.120.

[302] T. Van Heiningen, “Van Franz Joseph Gall in Holland kort na 1800”, in: Gewina. Tijdschrift voor de Geschiedenis der Geneeskunde, Natuurwetenschappen, Wiskunde en Techniek, 20(1997), p.121.

[303] T. Van Heiningen, “Van Franz Joseph Gall in Holland kort na 1800”, in: Gewina. Tijdschrift voor de Geschiedenis der Geneeskunde, Natuurwetenschappen, Wiskunde en Techniek, 20(1997), p.122.

[304] Van Heiningen, “Van Franz Joseph Gall”, p.120.

[305] R. Ensel, “Schedellezen. Een verlicht beschavingsdebat over de belichaamde natuur van de mens”, in: Amsterdams Sociologisch tijdschrift, 24(1997), nr.3/4, p.445.

[306] Ensel, “Schedellezen”, p.445.

[307] J.C. Kobus, J.C. en W. de Rivecourt, Beknopt Biographisch Handwoordenboek van Nederland, behelzende de levensbeschrijvingen van vele personen, die zich in Nederland hebben bekend gemaakt, deel 2, Zutfen, 1857, p.985.

[308] T. Van Heiningen, “Van Franz Joseph Gall in Holland kort na 1800”, in: Gewina. Tijdschrift voor de Geschiedenis der Geneeskunde, Natuurwetenschappen, Wiskunde en Techniek, 20(1997), p.122.

[309] T. Van Heiningen, “Van Franz Joseph Gall in Holland kort na 1800”, in: Gewina. Tijdschrift voor de Geschiedenis der Geneeskunde, Natuurwetenschappen, Wiskunde en Techniek, 20(1997), p.122.

[310] G.A. Lindeboom, Dutch Medical Biography.A Biographical Dictionary of Dutch Physicians and Surgeons, Amsterdam, 1984, p.1045.

[311] “Nieuw uitgekomen boeken. Akademische en andere schriften”, in: Algemeene Konst- en Letterbode, 1805/1, 27-29.

[312] “Nieuw uitgekomen boeken”, p.28.

[313] J. Steendijk-Kuypers, “Het succes van een dwaling. De hersen-schedelleer van Franz Joseph Gall(1758-1828) en de echo van de frenologie in Nederland”, in: Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 140(1996), deel 51, p.2563.

[314] T. Van Heiningen, “Van Franz Joseph Gall in Holland kort na 1800”, in: Gewina. Tijdschrift voor de Geschiedenis der Geneeskunde, Natuurwetenschappen, Wiskunde en Techniek, 20(1997), p.122.

[315] M. Conradi, “Franz Joseph Gall in Nederland”, in: De psycholoog, 30(1995), deel 7/8, p.322.

[316] Steendijk-Kuypers, “Het succes van een dwaling”, p.2563.

[317] R. Benedix en M. Middelhoven, De phrenologen. Blijspel in een bedrijf, Zutfen, s.d.

[318] R. Benedix en M. Middelhoven, De phrenologen. Blijspel in een bedrijf, Zutfen, s.d., p.9.

[319] Benedix en Middelhoven, De phrenologen, p.10.

[320] Benedix en Middelhoven, De phrenologen, p.12.

[321] R. Benedix en M. Middelhoven, De phrenologen. Blijspel in een bedrijf, Zutfen, s.d., p.12.

[322] Benedix en Middelhoven, De phrenologen, p.15.

[323] Benedix en Middelhoven, De phrenologen, p.80.

[324] R. Benedix en M. Middelhoven, De phrenologen. Blijspel in een bedrijf, Zutfen, s.d., p.32.

[325] Benedix en Middelhoven, De phrenologen, p.9.

[326] Benedix en Middelhoven, De phrenologen, p.10.

[327] M. Conradi, “Franz Joseph Gall in Nederland”, in: De psycholoog, 30(1995), deel 7/8, p.320.

[328] Zie bijlage 15.

[329] J. Schuller tot Peursum-Meijer en W.R.H. Koops(ed.), Petrus Camper(1722-1789): onderzoeker van nature, Groningen, 1989, passim. Zie bijlage 16.

[330] R. Ensel, “Schedellezen. Een verlicht beschavingsdebat over de belichaamde natuur van de mens”, in: Amsterdams Sociologisch tijdschrift, 24(1997), nr.3/4, p.448.

[331] “Berigten: Bataafsche republiek”, in: Algemeene Konst- en Letterbode, 1806/1, p.209.

[332] G.A. Lindeboom, Dutch Medical Biography. A Biographical Dictionary of Dutch Physicians and Surgeons, Amsterdam, 1984, p.670.

[333] J. Steendijk-Kuypers, “Het succes van een dwaling. De hersen-schedelleer van Franz Joseph Gall(1758-1828) en de echo in Nederland”, in: Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 140(1996), nr.51, p.2563.

[334] M. Conradi, “Franz Joseph Gall in Nederland”, in: De psycholoog, 30(1995), deel 7/8, p.322.

[335] T. Van Heiningen, “Van Franz Joseph Gall in Holland kort na 1800”, in: Gewina. Tijdschrift voor de Geschiedenis der Geneeskunde, Natuurwetenschappen, Wiskunde en Techniek, 20(1997), p.124.

[336] G.A. Lindeboom, Dutch Medical Biography. A Biographical Dictionary of Dutch Physicians and Surgeons, Amsterdam, 1984, p.282.

[337] Lindeboom, Dutch Medical Biography, p.200-202.

[338] Van Heiningen, “Van Franz Joseph Gall”, p.118.

[339] Conradi, “Franz Joseph Gall”, p.323.

[340] Conradi, “Franz Joseph Gall”, p.323.

[341] H.C. Van der Boon Mesch, “Lofrede op Sebaldus Justinus Brugmans”, in: Werken der Hollandsche Maatschappij van Fraaije Kunsten en Wetenschappen, deel 7, Leiden, 1825, p.336.

[342] J. Steendijk-Kuypers, “Het succes van een dwaling. De hersen-schedelleer van Franz Joseph Gall(1758-1828) en de echo van de frenologie in Nederland”, in: Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 140(1996), nr.51, p.2563.

[343] M. Conradi, “Franz Joseph Gall in Nederland”, in: De psycholoog, 30(1995), deel 7/8, p.323.

[344] Steendijk-Kuypers, “Het succes van een dwaling”, p.2560.

[345] T. Van Heiningen, “Van Franz Joseph Gall in Holland kort na 1800”, in: Gewina. Tijdschrift voor de Geschiedenis der Geneeskunde, Natuurwetenschappen, Wiskunde en Techniek, 20(1997), p.124.

[346] Van Heiningen, “Van Franz Joseph Gall”, p.124.

[347] Van Heiningen, “Van Franz Joseph Gall”, p.125.

[348] T. Van Heiningen, “Van Franz Joseph Gall in Holland kort na 1800”, in: Gewina. Tijdschrift voor de Geschiedenis der Geneeskunde, Natuurwetenschappen, Wiskunde en Techniek, 20(1997), p.125.

[349] Van Heiningen, “Van Franz Joseph Gall”, p.126.

[350] Verhandeling over de onzekerheid der Physiognomie of Gelaatkunde, uit de rede en ondervinding aangetoond en bij gelegenheid der Hersenschedelleer van Doctor Gall ter overweging aangeboden, uit het Duitsch vertaald, Amsterdam, 1806.

[351] T.W. Van Heiningen, Gerard Sandifort(1779-1848) in twee werelden, Utrecht, 1995, p.235.

[352] Verhandeling over de onzekerheid der Physiognomie of Gelaatkunde, uit de rede en ondervinding aangetoond en bij gelegenheid der Hersenschedelleer van Doctor Gall ter overweging aangeboden, uit het Duitsch vertaald, Amsterdam, 1806, passim.

[353] Verhandeling over de onzekerheid der Physiognomie of Gelaatkunde, uit de rede en ondervinding aangetoond en bij gelegenheid der Hersenschedelleer van Doctor Gall ter overweging aangeboden, uit het Duitsch vertaald, Amsterdam, 1806, passim..

[354] R. Ensel, “Schedellezen. Een Verlicht beschavingsdebat over de belichaamde natuur van de mens”, in: Amsterdams Sociologisch Tijdschrift, 24 (1997), nr.3/4, p.447.

[355] R. Ensel, “Schedellezen. Een Verlicht beschavingsdebat over de belichaamde natuur van de mens”, in: Amsterdams Sociologisch Tijdschrift, 24 (1997), nr.3/4, p.455.

[356] “Iets over de schedelleer van Dr. Gall”, in: Algemeene Konst- en Letterbode, 1808/1, 51-54 en 69-72.

[357] “Iets over de schedelleer”, p.52.

[358]“Iets over de schedelleer van Dr. Gall”, in: Algemeene Konst- en Letterbode, 1808/1, p.56.

[359] “Iets over de schedelleer”, p.71.

[360] “Iets over de schedelleer”, p.72.

[361] C.B. Tilanus (1796-1883) was afkomstig van Harderwijk, maar studeerde in Utrecht. In 1819 promoveerde hij daar in de chirurgie. Hij werd hoogleraar in de heelkunde en in de chirurgie, uit: S. Van Mesdag, “Een criminologische bijdrage van het jaar 1819. Ontleend aan het dagboek-reisverhaal van C.B. Tilanus, beschrijvende de reis van J.C. Broers, P.J.I. De Fremery en C.B. Tilanus”, in: Tijdschrift voor strafrecht, 37(1927), p.192.

[362] P.J.I. De Fremery promoveerde eveneens in 1819. Hij was eerst buitengewoon hoogleraar en later gewoon hoogleraar aan de veeartsenijkunde van Utrecht. Hij overleed op achtenvijftigjarige leeftijd, uit: S. Van Mesdag, “Een criminologische bijdrage van het jaar 1819. Ontleend aan het dagboek-reisverhaal van C.B. Tilanus, beschrijvende de reis van J.C. Broers, P.J.I. De Fremery en C.B. Tilanus”, in: Tijdschrift voor strafrecht, 37(1927), p.192.

[363] J.C. Broers (1795-1847) promoveerde in 1818 aan de universiteit van Utrecht. Hij was hoogleraar in  heel- en verloskunde, uit: Van Mesdag, “Een criminologische bijdrage”, p.192.

[364] S. Van Mesdag, “Een criminologische bijdrage van het jaar 1819. Ontleend aan het dagboek-reisverhaal van C.B. Tilanus, beschrijvende de reis van J.C. Broers, P.J.I. De Fremery en C.B. Tilanus”, in: Tijdschrift voor strafrecht, 37(1927), p.189-209.

[365] Van Mesdag, “Een criminologische bijdrage”, p.193.

[366] Dit hebben we reeds besproken in het hoofdstuk in verband met het ontstaan van de frenologie, er zal hier dus niet meer dieper op in gegaan worden.

[367] Van Mesdag, “Een criminologische bijdrage”, p.196.

[368] S. Van Mesdag, “Een criminologische bijdrage van het jaar 1819. Ontleend aan het dagboek-reisverhaal van C.B. Tilanus, beschrijvende de reis van J.C. Broers, P.J.I. De Fremery en C.B. Tilanus”, in: Tijdschrift voor strafrecht, p.197.

[369] Van Mesdag, “Een criminologische bijdrage”, p.198.

[370] Van Mesdag, “Een criminologische bijdrage”, p.199.

[371] S. Van Mesdag, “Een criminologische bijdrage van het jaar 1819. Ontleend aan het dagboek-reisverhaal van C.B. Tilanus, beschrijvende de reis van J.C. Broers, P.J.I. De Fremery en C.B. Tilanus”, in: Tijdschrift voor strafrecht, 37(1927), p. 200.

[372] T. Van Heiningen, “Van Franz Joseph Gall in Holland kort na 1800”, in: Gewina. Tijdschrift voor de Geschiedenis der Geneeskunde, Natuurwetenschappen, Wiskunde en Techniek, 20(1997), p.113.

[373] “Mijne gedachten over eenige leerstellingen van Dr. Gall, door den Geheimraad von Soemmering”, in: Algemeene Konst- en Letterbode, 1829/1, p.195-199, 215-220 en 230-233.

[374] “Mijne gedachten over eenige leerstellingen van Dr. Gall”, p.195.

[375] “Mijne gedachten over eenige leerstellingen van Dr. Gall”, p.196.

[376] “Mijne gedachten over eenige leerstellingen van Dr. Gall, door den Geheimraad von Soemmering”, in: Algemeene Konst- en Letterbode, 1829/1, p.197.

[377] “Mijne gedachten over eenige leerstellingen van Dr. Gall”, p.198-199.

[378] “Mijne gedachten over eenige leerstellingen van Dr. Gall”, p.216.

[379] “Mijne gedachten over eenige leerstellingen van Dr. Gall”, p.199.

[380]“Mijne gedachten over eenige leerstellingen van Dr. Gall, door den Geheimraad von Soemmering”, in: Algemeene Konst- en Letterbode, 1829/1, p.199 en p.215.

[381] “Mijne gedachten over eenige leerstellingen van Dr. Gall”, p.230.

[382]“ Mijne gedachten over eenige leerstellingen van Dr. Gall”, p.230.

[383] Zie bijlage 17.

[384] A. J. Van der Aa, Biographisch Woordenboek der Nederlanden, deel 7, Haarlem, 1852, p.27-28.

[385] T.W. Van Heiningen, Gerard Sandifort (1779-1848) in twee werelden, Utrecht, 1995, p.239.

[386] Van Heiningen, Gerard Sandifort ( 1779-1848), p.241.

[387] T.W. Van Heiningen, Gerard Sandifort (1779-1848) in twee werelden, Utrecht, 1995, p.241.

[388] Van Heiningen, Gerard Sandifort (1779-1848), p.237.

[389] Het maandblad De Gids werd opgericht te Amsterdam in het jaar 1837 door de boekhandelaar en uitgever G.J.A. Beijerinck. Het bestond uit boekbesprekingen, verhandelingen en kleine wetenswaardigheden. De redactie van het tijdschrift had zich tot doel gesteld vrijzinnigheid en ontwikkeling op elk gebied te bevorderen, maar was niet gericht op vernieuwing. Vanaf 1840 nam het blad echter een politieke positie door het liberalisme te steunen, uit: R. Aerts, De letterheren. Liberale cultuur in de negentiende eeuw: het tijdschrift De Gids, Amsterdam, 1997, p.26-27.

[390] H. Van Capelle, “De Symboliek van den Schedel naar aanleiding van Carus’ Symbolik der menschlichen Gestalt. Ein Handbuch zur Menschenkenntnis”, in: De Gids, 18(1854), deel 2, p.433-461.

[391] Aerts, De letterheren, p.219.

[392] H. Van Capelle,”De Symboliek van den Schedel naar aanleiding van Carus’ Symbolik der menschlichen Gestalt. Ein Handbuch zur Menschenkenntnis”, in: De gids, 18(1854), deel 2, p.434.

[393] Van Capelle,”De Symboliek van den Schedel”, p.454.

[394] Van Capelle, “De Symboliek van den Schedel”, p.451.

[395] Van Capelle, “De Symboliek van den Schedel”, p.452.

[396] H. Van Capelle,”De Symboliek van den Schedel naar aanleiding van Carus’ Symbolik der menschlichen Gestalt. Ein Handbuch zur Menschenkenntnis”, in: De gids, 18(1854), deel 2, p.452.

[397] R. Aerts, De letterheren. Liberale cultuur in de negentiende eeuw: het tijdschrift De Gids, Amsterdam, 1997, p.219.

[398] Van Capelle,”De Symboliek van den Schedel”, p.461.

[399] G.A. Lindeboom, Dutch Medical Biography. A Biographical Dictionary of Dutch Physicians and Surgeons, Amsterdam, 1984, p.914.

[400] J. Steendijk-Kuypers, “Het succes van een dwaling. De hersen-schedelleer van Franz Joseph Gall(1758-1828) en de echo van de frenologie in Nederland”, in: Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 140(1996), nr.51, p.2563.

[401] G.A. Lindeboom, Dutch Medical Biography. A Biographical Dictionary of Dutch Physicians and Surgeons, Amsterdam, 1984, p.1730-1731.

[402] J. Steendijk-Kuypers, “Het succes van een dwaling. De hersen-schedelleer van Franz Joseph Gall(1758-1828) en de echo van de frenologie in Nederland”, in: Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 140(1996), nr.51, p.2563.

[403] Lindeboom, Dutch Medical Biography, p.980-981.

[404] Douwe-Draisma, “De Hollandse schedelmeters. Lombroso in Nederland”, in: Feit en Fictie. Tijdschrift voor de geschiedenis van de representatie, 2(1995), nr.2, p.55.

[405] Douwe-Draisma, “De Hollandse schedelmeters”, p.56.

[406] J. Steendijk-Kuypers, “Het succes van een dwaling. De hersen-schedelleer van Franz Joseph Gall(1758-1828) en de echo van de frenologie in Nederland”, in: Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 140(1996), nr.51, p.2563.