Oproer in de Franse voorsteden. Van frustratie tot functioneel geweld? De conflicttheorie van Ralf Dahrendorf toegepast. (Katrien Stynen)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

1. Situering van het onderwerp

 

De problematiek van migranten in westerse landen staat de laatste jaren meer en meer op de politieke agenda. De polarisatie tussen allochtonen en autochtonen, vooral in de steden, maar ook daarbuiten, stijgt. Een belangrijke indicatie hiervan is het feit dat extreemrechtse partijen het steeds beter doen bij verkiezingen.[1]

Duidelijk is dat allochtone jongeren gefrustreerd zijn over hun situatie in de Europese landen. Dezen moeten dringend meer doen om discriminatie van migranten op de arbeids- en huizenmarkt en in het onderwijs aan te pakken. Dat zegt het Europese Observatiecentrum voor Racisme en Xenofobie (EORX) in zijn jaarrapport van 2005.[2] Dit rapport verwijst naar de incidenten in november in een aantal belangrijke voorsteden in Frankrijk, incidenten die het verbindt met gebrek aan kansen voor allochtone jongeren. In 2002 was de werkloosheidsgraad bij de allochtonen in Frankrijk meer dan twee keer zo hoog als die van de autochtone Fransen: een percentage van 18,4 % tegenover 8,3 %. Bij de vreemdelingen van buiten de Europese Unie lag dit percentage zelfs boven de 25 %.[3]

 

Van groot belang in deze zaak is ook de ruimtelijke ordening van grote Franse steden als Parijs. In vele voorsteden, zoals ook in de gemeente Clichy-Sous-Bois, waar de rellen eerst uitbraken, worden mensen in enorme appartementsblokken gestoken, als het ware opgehokt als kippen. Dit idee komt onder andere van de beroemde Franse architect Le Corbusier, die, als toonbeeld van het Franse rationalisme, geloofde in de maakbaarheid van de samenleving.[4]

 

Ook brak er eind 2003 in Frankrijk een debat uit rond het dragen van hoofddoeken. Dit debat legde heel wat tegenstellingen bloot. Uiteindelijk werd in 2004 het wetsontwerp goedgekeurd dat islamitische hoofddoeken en andere, opvallende religieuze symbolen, zoals joodse keppeltjes of grote kruisen, uit scholen en openbare gebouwen bant.[5] Hierop kwam heel wat protest van moslims in Frankrijk, maar ook van ver daarbuiten. Het gaf hen het idee geen enkele inspraak te hebben in de politieke besluitvorming in Frankrijk. Zoals in het vervolg van deze verhandeling zal duidelijk worden, blijkt deze gedachte niet geheel onterecht. Hoe dan ook, na deze hoofddoekenkwestie stond de relatie tussen autochtoon en allochtoon in Frankrijk op een laag pitje. De wet heeft als gevolg gehad dat de intolerantie en discriminatie tegen moslimvrouwen die een hoofddoek dragen is gestegen. De vrouwen die hierin volharden kunnen immers niet meer trouwen, stemmen, of examens afleggen. [6]

 

Wat er op 27 oktober 2005 gebeurde was echter de druppel. Drie jongeren werden op de hielen gezeten door de politie, en verstopten zich bijgevolg in een elektriciteitscabine. Er ontstond brand en twee van hen zijn omgekomen, één zwaar verbrand. Dit drama was het begin, het zogenaamde trigger event van ruim twee weken van oproer in de voorsteden van Parijs en andere grote steden in Frankrijk. Bovendien vuurde de politie op 30 oktober enkele traangasgranaten af in de buurt van een moskee, en een ervan ontplofte in de moskee, waar op dat moment gelovigen aan het bidden waren. Het oproer, dat door deze voorvallen veroorzaakt werd, had zich in het verleden ook al voorgedaan, al was dit in de vorm van kleinere incidenten. Nu ontstonden rellen op veel grotere schaal.

 

 

2. Verklaring van keuze onderwerp

 

Bij mijn keuze van dit onderwerp hebben verschillende factoren meegespeeld.

De rellen in de buitenwijken van een aantal belangrijke steden in Frankrijk waren op het moment van de beslissing over het onderwerp van mijn verhandeling een ‘hot item’. Dat is nu misschien verminderd, maar de migrantenproblematiek in en rond de westerse steden is al lang een belangrijke problematiek, en zal dat ook nog lange tijd blijven. Daarom is het zeker de moeite waard om een verhandeling te maken rond die rellen, en rond de oorzaken en gevolgen ervan.

Ook in België waren de rellen in november 2005 een van de belangrijkste onderwerpen van gesprek. Er heersten verschillende opinies. Enerzijds vroegen sommigen zich af of het wel slim was van de jongeren om het probleem met geweld aan te pakken, en dat ze zichzelf zo nog meer buiten de maatschappij plaatsten. Langs de andere kant bestond er ook ergens de gedachte dat dit de enige manier was voor de gefrustreerde jongeren om aandacht te krijgen voor hun problemen, en dat de autochtone bevolking hier ook schuld aan had door decennialang een gemeenschap buiten te sluiten.

Bij het maken van deze verhandeling is het de bedoeling te weten te komen wat de juiste houding is tegenover een zodanig geweld, hoe het überhaupt zover is kunnen komen, en of de jongeren er iets mee bereikt hebben, of er iets kan/zal veranderen in de toekomst.

 

 

3. Onderzoeksvragen

 

3.1 Wat maakt het conflict zo gewelddadig en intens?

 

Een belangrijke vraag is hoe het komt dat dit conflict, dat toch redelijk onder controle was, uiteindelijk toch is geëxplodeerd tot een zo agressief en haatdragend geweldgebruik. De aanleiding hiertoe was het trigger event, de dood van de twee tieners in Clichy-Sous-Bois. Maar waarom protesteerden de allochtone jongeren niet op een vreedzame manier, door bvb. geweldloos op straat te komen, of via politieke participatie? Waarom was men bereid zelfs mensenlevens op te offeren voor deze zaak?

Interessant in dit verband is hoe het komt dat men dit geweld niet heeft voorzien, laat staan voorkomen. Via deze verhandeling zal ik onderzoeken hoe het komt dat dit conflict zo gewelddadig en intens is, en hoe men hieruit lessen kan trekken voor de toekomst. Dit door de voorwaarden voor een gewelddadig en intens conflict volgens Dahrendorf na te gaan.

 

 

3.2 Is het geweld functioneel geweest?

 

Omdat de gebeurtenis die we bespreken nog niet echt lang geleden is, zal het moeilijk zijn om structurele veranderingen te bekijken, daarom dat er in de eerste plaats wordt nagegaan of er een klimaat aanwezig is dat het potentieel vormt voor structurele verandering. Is structurele verandering dus mogelijk in de huidige context, in het huidige klimaat in Frankrijk? Het gaat enerzijds over institutionele verandering. Ziet het er naar uit dat de regering of wetgever iets zal ondernemen om het leven voor de allochtone jongeren beter te maken? Zullen zij meer inspraak krijgen in de besluitvorming? Hebben de presidentskandidaten hun programma aangepast aan de noden van deze bevolkingsgroep? Of is er misschien helemaal niks veranderd, en kunnen we daarmee besluiten dat het geweld zinloos is geweest? Anderzijds is ook de psychologische verandering belangrijk. Voelen mensen in de banlieues zich meer of minder geïntegreerd? Staan ze positiever tegenover de Franse politiek? Is de houding van de autochtone Franse burger tegenover de jongeren in de probleemwijken veranderd, of zal die in de toekomst veranderen?

 

 

4. Methodologie

 

Het is de bedoeling in deze verhandeling de conflicttheorie van Ralf Dahrendorf toe te passen op de rellen van eind november 2005. Dit gebeurt door op zoek te gaan naar bronnen, voornamelijk wetenschappelijke artikelen, maar bvb. ook rapporten van onafhankelijke organisaties en/of overheid die met dit onderwerp bezig zijn. De informatie uit deze bronnen worden in de verschillende onderdelen van de theorie toegepast, en zo zal er nagegaan wordt waarom, volgens deze theorie, het conflict een bepaalde gewelddadigheid en intensiteit heeft, en of het geweld iets uitgehaald heeft. Regelmatig wordt er ook gebruik gemaakt van krantenartikelen omdat deze vaak de actuele stand van zaken beter weergeven. Deze verhandeling bestaat dus hoofdzakelijk uit een literatuurstudie. Vooral het laatste hoofdstuk is echter eerder een ‘actualiteitsstudie’, waarbij vooral gebruik wordt gemaakt van krantenartikelen, televisieoptredens en ‘vers van de pers’ commentaren.

 

 

Hoofdstuk 1: De feiten en het theoretische kader

 

1. Historische introductie en de feiten

 

Al sinds de 19de eeuw is er veel immigratie richting Frankrijk. In de jaren 50 echter, genoot Frankrijk, zoals vele West-Europese landen, van een grote economische bloei na de tweede wereldoorlog. Om de vele economische taken te vervullen, trok men in grote getale immigranten aan. Frankrijk trok vooral immigranten van Zuid-Europa aan (Italianen, Spanjaarden en Portugezen), en van Noord-Afrika (Algerijnen, Marokkanen, Tunesiërs).[7] Vooral Algerijnen zakten in grote getale af naar Frankrijk, mede omwille van de oorlog die ginder aan de gang was.

Toen het nadien, in de jaren ’70, wat slechter ging met de economie, bleef echter de immigratie groeien, onder andere omwille van een stijgend aantal asielzoekers, en familieherenigingen. Ook meer en meer immigranten komen uit Sub-Sahara Afrika en Azië. Het aantal immigranten uit Sub-Sahara Afrika is in 2004 met 45% gestegen tegenover 1999.[8]

Door de economische crisis echter, en de deïndustrialisering van de voorsteden van Parijs en onder andere Lyon, verminderde de mogelijkheid tot sociale mobiliteit, waar immigranten voorheen wel van konden dromen, zienderogen. De helft van de arbeidsplaatsen in de industrie verdwenen. Banen in de dienstensector bloeiden, maar daar was een zeker niveau van scholing voor nodig. De jongerenwerkloosheid schoot de hoogte in.[9]

 

Frankrijk heeft een nationaal integratieregime dat wordt gekenmerkt door een civiel-assimilationistische model van burgerschap. [10] Dit betekent dat het voor immigranten redelijk gemakkelijk is om de Franse nationaliteit te verkrijgen. Voor de duidelijkheid wordt hier even kort en in vereenvoudigde vorm uiteengezet wanneer iemand de Franse nationaliteit kan verkrijgen. Om te beginnen kan je bij de geboorte de Franse nationaliteit verwerven, dit als minstens één van je ouders de Franse nationaliteit heeft, ongeacht waar je geboren wordt, of als minstens één van je ouders in Frankrijk (of buiten-Europese delen van Frankrijk) geboren is. Daarnaast kan je ook de Franse nationaliteit op latere leeftijd verkrijgen door zogenaamde ‘déclaration’. Dit kan als je in Frankrijk bent geboren uit buitenlandse ouders, of als je trouwt met iemand met de Franse nationaliteit. Er zijn echter een aantal voorwaarden waaraan voldaan moet worden om op een dergelijke déclaration te kunnen rekenen, en de tendens van de laatste jaren is dat deze criteria bij wet alsmaar strenger worden gemaakt. Tenslotte kan je ook nog de Franse nationaliteit verkrijgen door naturalisatie. Hiervoor moet je volwassen zijn, minstens 5 jaar in Frankrijk wonen, vlot Frans spreken, de Franse waarden verinnerlijkt hebben, en nog nooit veroordeeld zijn.[11]

 

Bijna alle relschoppers van november 2005 waren migrantenjongeren van de tweede of derde generatie. Zij hebben dus de Franse nationaliteit ofwel ‘geërfd’ van hun ouders, die deze ook al hadden, ofwel gekregen bij hun geboorte omdat hun ouders in Frankrijk of buiten-Europese delen van Frankrijk, zoals Algerije voor 1962, geboren zijn. Slechts zeven percent van de gearresteerden had niet de Franse nationaliteit.[12]

In ruil voor die Franse nationaliteit worden mensen wel geacht zich aan te passen aan het ‘republikeinse ideaal van de staat’, en moeten ze dus hun eigen etnische identiteit grotendeels laten varen.[13] De Fransen hebben altijd hun eigen cultuur erg belangrijk gevonden, en ze vinden het dus ook belangrijk dat mensen zich hieraan aanpassen. Zoals in de tijd van de kolonisering zien ze het als een soort van missie tot het brengen van beschaving (mission civilatrice). Een belangrijk voorbeeld hierbij is een wet uit 2005, waarbij Franse geschiedenisleraars de positieve rol van de Franse aanwezigheid in overzeese gebieden, zeker in Noord-Afrika, moeten erkennen/benadrukken, en de heldhaftige rol van de Franse militairen hierin.[14] [15]

 

Hoewel de schaalgrootte van de rellen nieuw is, is onrust in de Franse banlieues dat zeker niet. Al sinds het begin van de jaren ‘80 worden er regelmatig opstootjes met brandende auto’s en gevechten met de politie gemeld. Zo gebeurde het in 1981, nadat de politie een razzia had gehouden in de Cité de la Cayolle in Marseille, waarbij een heel aantal vrouwen, kinderen en ouderen gewond raakten, dat jongeren omliggende shoppingcenters en politiekantoren in brand staken. In diezelfde periode kwamen in Les Minguettes, een voorstad van Lyon, heel wat gewelddadige confrontaties tussen jongeren en de politie voor. Jonge mannen stalen auto’s, lieten de politie hen achtervolgen, en lieten daarna een in brand gestoken voertuig achter. Deze situatie werd bekend als de rodeo’s van Les Minguettes.[16]

Als reactie op het onrecht dat de immigranten vonden dat hen werd aangedaan, werd in 1983 een grote ‘mars voor de gelijkheid’ gehouden, waarbij men van Marseille naar Parijs trok. Toen ontstond ook SOS racisme, een belangrijk front tegen racisme, gesponsord door de overheid.[17] Dit gaf hoop maar heeft niet veel verbeterd. Sinds de jaren ‘80 is er dus reeds een aaneenschakeling van opstootjes.

 

Maar het was op 27 oktober 2005, 18.12 u, wanneer Bouna Traoré en Zyed Benna, twee Franse jongeren van Malische en Tunesische herkomst op de vlucht voor de politie, geëlektrocuteerd werden in Clichy-Sous-Bois, een gemeente in de banlieues van Parijs, dat de meest uitgebreide rellen ontstonden.[18] Voorgaande confrontaties waren namelijk meestal beperkt tot een bepaalde gemeente of buurt, terwijl nu, wat begon in Clichy-Sous-Bois, zich binnen de paar dagen uitbreidde binnen het departement Seine-Saint-Denis, daarna tot omliggende departementen, na een week over heel Frankrijk, en zelfs tot in de buurlanden.[19] In totaal is er meer dan 200 miljoen euro schade, met 9000 auto’s en veel gebouwen en scholen die vernield zijn. In totaal werden er bijna 2900 relschoppers gearresteerd. 126 politie- of brandweerlui zijn gewond geraakt, en er is zeker één dode gevallen.[20]

Toen het geweld al bijna twee weken in zware vorm voortduurde, heeft de Franse regering besloten de noodtoestand af te kondigen, die uiteindelijk tot in januari 2006 is aangehouden. Dit maakte mogelijk voor de gemeentebesturen om een uitgangsverbod in te stellen en huiszoekingen te laten uitvoeren.[21]

 

Aanvankelijk werd door de politieagenten, en door het ministerie van binnenlandse zaken nog ontkend dat de politieagenten de drie jongens hadden achtervolgd, en dat zij überhaupt ergens schuld aan hadden, maar uiteindelijk zijn de agenten in februari 2007 toch veroordeeld. Uit een intern politieonderzoek bleek dat de agenten ernstige fouten hadden gemaakt, en dat ze wel degelijk de tieners hadden opgejaagd, en verzuimd hadden hen te helpen in nood.[22]

 

 

2. Theoretisch kader[23]

 

“While building on Marx, social conflict theory has to substitute relations of power for property as the cause of conflict and explore the intensity and violence of conflicts as variable rather than linear. Thus, conflict gives rise to changes of differing degrees of radicalness and rapidity. In this form, the theory is applicable to capitalist as well as post capitalist society.”[24]

 

 

Als theoretische omkadering voor deze verhandeling zal de conflicttheorie van Ralf Dahrendorf worden gebruikt.[25] Deze conflicttheorie ligt in de lijn van die van Marx in die zin dat hij niet uitgaat van de maatschappelijke integratietheorie of het consensusmodel zoals Parsons dat voorstaat. Parsons gaat uit van een collectieve overeenkomst over normen en waarden in een maatschappij en dat dit zorgt voor de sociale orde. Dahrendorf echter, net als Marx, meent dat conflict een onvermijdelijk deel is van de menselijke natuur, en dat conflict dus een voorwaarde is om sociale orde te bereiken. In tegenstelling tot Marx echter, ligt voor Dahrendorf de oorzaak van conflict in de verdeling van macht, en niet in de verdeling van eigendom.[26]

 

Dahrendorf gaat dus uit van de theorie van de maatschappelijke dwang.[27] Een aantal basisassumpties[28] hiervan zijn:

1) Elke maatschappij is altijd onderworpen aan veranderingsprocessen; sociale verandering is alomtegenwoordig.

2) Elke maatschappij legt steeds onenigheid en conflict aan de dag; sociaal conflict is alomtegenwoordig.

3) Elk element in een maatschappij draagt bij tot desintegratie en verandering.

4) Elke maatschappij is gebaseerd op dwang van sommige leden van de maatschappij op anderen.

 

Autoriteit is een heel belangrijk begrip bij deze theorie van sociale conflicten. Dahrendorf vertrekt van de these dat de (ongelijke) verdeling van autoriteit de determinerende factor is van sociale of (marxistische) klassenconflicten.[29] De oorsprong van groepsconflicten moet dan gezocht worden bij de verdeling van dominantie (het bezit van autoriteit) en onderwerping (geen autoriteit). Aangezien enkel de rollen van dominantie en onderwerping bestaan, zorgt autoriteit, volgens Dahrendorf, voor de vorming van deze twee, en slechts deze twee conflictgroepen. De bezetters van deze twee posities hebben bepaalde belangen, die tegengesteld zijn aan elkaar. Het is namelijk zo dat zij die in de positie zitten van dominantie, er belang bij hebben de sociale structuur, die hen voorziet van autoriteit, te behouden. Voor hen in de positie van onderwerping, echter, is het tegengestelde van belang, namelijk verandering te brengen in de sociale structuur. Deze twee belangen staan dus duidelijk in conflict.

Samenvattend is volgens Dahrendorf conflict dus fundamenteel goed, en verlangbaar, omdat het gewoon een deel van het leven is, en het een belangrijke manier is om sociale verandering te bekomen. Van alle innovaties en ontwikkelingen die gebeuren bij een individu, een groep of een maatschappij, ligt de oorzaak voor een groot deel bij conflicten hieromtrent.

De drie kernwoorden van de conflicttheorie van Dahrendorf zijn dus dwang, conflict, en sociale verandering. Deze concepten dienen dan ook in het achterhoofd gehouden te worden bij het doorworstelen van de komende bladzijden.

 

De twee belangrijkste delen in de theorie van Dahrendorf gaan enerzijds over de variabiliteit van een conflict, en anderzijds over de gevolgen van het conflict, namelijk de structurele veranderingen. Hoofdstuk twee en drie van deze verhandeling zullen dan ook deze delen behandelen

 

2.1 Variabiliteit van een conflict

 

Conflicten zijn variabel. Dit betekent dat voor elk conflict een bepaalde graad van intensiteit kan worden ‘gemeten’ alsook een bepaalde graad van gewelddadigheid. Dezen kunnen variëren binnen een bepaald conflict.

 

-Intensiteit wordt gemeten op basis van energie-uitgave en graad van betrokkenheid van de conflicterende partijen. Een conflict heeft dus een hogere intensiteit als de kost van een overwinning of verlies voor de partijen hoog ligt, en als ze er dus veel energie in steken. Hoe meer men belang hecht aan de kwestie, hoe intenser het conflict. Dit betekent dat een conflict, waar individuen met heel hun persoonlijkheid middenin zitten, en niet met slechts een klein deel van hun leven, het conflict intenser maakt.

-De mate van gewelddadigheid van een klassenconflict is in principe onafhankelijk van de intensiteit van betrokkenheid van de partijen. Deze wordt in feite ‘gemeten’ door het soort van ‘wapens’ dat gebruikt wordt.

Van groot belang hiervoor zijn onder andere de organisatievoorwaarden.

Hieronder volgt een opsomming van een aantal factoren die invloed hebben op de intensiteit en/of de gewelddadigheid van een conflict.

 

2.1.1 Structurele organisatievoorwaarden

 

Dit zijn de voorwaarden waaraan voldaan moet zijn om zich als conflictgroep te kunnen organiseren. Er zijn drie soorten van organisatievoorwaarden.

Ten eerste zijn er de technische organisatievoorwaarden. Er moeten groepsleiders zijn, mensen die de touwtjes in handen nemen, en ervoor zorgen dat de groep een geheel vormt, die initiatief nemen. Daarnaast zijn er natuurlijk ook leden nodig. Ook zijn een gemeenschappelijk ideeëngoed, en duidelijke normen noodzakelijk.

Ten tweede heb je politieke organisatievoorwaarden. Deze vereisen een democratische omgeving waarin belangengroepen zich mogen, kunnen, en/of willen vormen. Deze politieke voorwaarden noemt men ook een gunstige politieke opportuniteitsstructuur(POS).

Ten derde heb je nog de sociale organisatievoorwaarden. Dezen draaien enerzijds om het feit dat om jezelf als organisatie te vormen en te behouden, je praktisch de mogelijkheid moet hebben om te communiceren. Anderzijds is het ook van belang dat de rekrutering voor een conflictgroep op een niet-willekeurige manier gebeurt.

 

De organisatievoorwaarden voor belangengroepen hebben invloed op de variabiliteit van een conflict. Hoe meer een groep voldoet aan de technische, politieke en sociale organisatievoorwaarden, hoe minder gewelddadig het conflict zal zijn. Betere organisatie betekent immers rationelere actie. Als conflictgroepen gelegitimeerd zijn, erkend en eventueel zelf gesubsidieerd worden door de staat, en ook degelijk georganiseerd zijn, worden vaak ernstige vormen van geweld uitgesloten, en onnodig. De intensiteit van een conflict hangt dan weer positief samen met de organisatiegraad. Dit wil echter niet zeggen dat conflicten tussen georganiseerde groepen niet erg intens en gewelddadig kunnen zijn.

Buiten de organisatievoorwaarden zijn er nog een heel aantal factoren die meespelen.

 

2.1.2 Pluralisme versus superimpositie

 

Om het belang van deze factor te duiden, is het nodig eerst het tweeklassenmodel te verduidelijken. Dit model, dat Dahrendorf hanteert, is niet bedoeld voor totale maatschappijen, maar enkel voor specifieke associaties, waaronder ook die van de staat. Zo zijn er in een bepaalde maatschappij misschien vijftig associaties, waarin er dus honderd klassen zijn, honderd conflictgroepen, namelijk voor elke associatie een klasse met autoriteit, en een zonder autoriteit. Het verschil tussen pluralisme en superimpositie zal hier nu worden verduidelijkt met een voorbeeld. Laat ons stellen dat er in een land drie dominante types van sociaal conflict zijn: tussen socio-economische klassen, tussen stad en platteland, en tussen protestanten en katholieken. Pluralisme zou dan betekenen dat wie autoriteit heeft in het ene conflict onafhankelijk is van wie autoriteit heeft in een ander conflict. Dit geldt ook voor onderworpenheid. Superimpositie echter, zou zich voordoen als mensen elkaar tegenkomen in verschillende contexten of conflicten, maar met vaak identieke relaties tegenover elkaar. Wie in het ene conflict de autoriteit heeft, heeft die vaak ook in het andere. Vooral voor de graad van intensiteit is deze schaal erg belangrijk. Er is namelijk een sterke positieve relatie tussen de graad van superimpositie en de intensiteit van het conflict.

 

Hier dient ook bij gezegd, dat eigendom, economische status, en sociale status, hoewel het geen determinanten van klassen zijn aangezien enkel de verdeling van autoriteit dat is, toch belangrijke factoren zijn met invloed op het verloop van een conflict. Een zeker parallellisme tussen het hebben van autoriteit en eigendom, economische status en sociale status kan worden vermoed, maar het is zeker niet altijd noodzakelijk. Maar in elk geval: hoe lager de correlatie tussen de machtspositie en andere aspecten van socio-economische status, hoe minder intens en gewelddadig klassenconflicten zullen zijn.

 

2.1.3 Relatieve deprivatie

 

Dahrendorf benadrukt ook dat relatieve in plaats van absolute deprivatie van belang is. Men vergelijkt zijn eigen situatie met die rond zich, en met wat men denkt dat men verdient, en op basis daarvan oordeelt men.

 

2.1.4 Mobiliteit versus immobiliteit

 

Hier is de vraag of er mobiliteit is tussen de verschillende klassen in het conflict. Is het mogelijk om van de machteloze klasse naar de groep met autoriteit te evolueren, en omgekeerd? Wat als er geen mogelijkheid tot opwaartse mobiliteit bestaat gedurende iemands leven, of als daar slechts een zeer kleine kans toe is? En wat als men zelfs generaties lang in hetzelfde straatje blijft zitten, als de status van een zoon grotendeels afhankelijk zou zijn van die van zijn vader?

Hoe meer sociale mobiliteit er is in een maatschappij, hoe minder fundamenteel, en bijgevolg hoe minder intens de conflicten zullen zijn. Hoe groter de mobiliteit, hoe meer groepssolidariteit wordt vervangen door competitie tussen individuen, en hoe minder energie wordt gestoken in klassenconflict.

 

2.1.5 De regulering van klassenconflicten

 

Deze factor heeft, in tegenstelling tot de vorigen, niet zoveel invloed op de intensiteit van het conflict, maar net op de gewelddadigheid.

Met conflictregulering bedoelt Dahrendorf conflictcontrole. Hierbij werkt men eerder met uitingen van het conflict, dan met de oorzaken, en de antagonistische belangen blijven bestaan. Effectieve conflictregulering veronderstelt de aanwezigheid van ten minste drie factoren, waarvan elke factor afzonderlijk invloed heeft op de graad van geweld van het conflict.

 

Ten eerste: beide partijen moeten de realiteit van het conflict erkennen, en daarmee de rechtvaardigheid van de oorzaak voor het conflict voor de opponent. Beide partijen aanvaarden het conflict voor wat het is, namelijk een onvermijdelijk gevolg van de autoriteitsstructuur van de associatie. Belangrijk is ook dat de nadruk wordt gelegd op de tegenstellingen en oppositie van beide partijen, en niet op de gemeenschappelijke belangen. Deze zullen er ongetwijfeld zijn, maar een overdreven nadruk daarop zal eerder het geweld doen toenemen dan afnemen.

Een tweede belangrijke voorwaarde om een conflict goed te kunnen reguleren, is de organisatie van de belangengroepen. Zolang die groepen diffuus en incoherent zijn blijft regulering zeer moeilijk. Paradoxaal genoeg willen conflictgroepen vaak dus ook dat hun tegenstander zich organiseert, want “a unified party prefers a unified opponent[30].

Ten derde moeten de twee partijen een bepaald kader goedkeuren waarin de regels van het spel vastliggen. Dit zijn een soort van procedurele normen die bindend zijn voor de deelnemers en zonder dat dit enig effect heeft op het resultaat. Ze moeten de twee partijen ook gelijk behandelen, zonder dus een van beide partijen te verlammen. Wanneer deze voorwaarden voor conflictregulering aanwezig zijn, kunnen er verschillende vormen van regulering gebruikt worden.[31]

 

Zo heb je bijvoorbeeld het parlementaire of quasi-parlementaire systeem. Dit is een relatief vredevolle manier van regulering, maar er zijn wel een aantal voorwaarden voor het slagen ervan. Zo moet het autonoom zijn, monopolistisch, verplicht en democratisch. Dit heeft een duidelijk effect op de graad van geweld. Deze daalt als de effectiviteit van de parlementaire instituties stijgt. Het is echter geen garantie op het stoppen van geweld. Hiervoor zijn vaak nog extra vormen van regulering nodig. Deze houden allemaal het betrekken van een derde partij in. Een daarvan is niet-bindende mediatie. Een andere is arbitratie, waarbij de beslissing moet aanvaard worden. Het effect op gewelddadigheid hiervan hangt ervan af of er een compromis wordt gezocht, dan wel of het eerder een judiciële beslissing is, waarbij er gekozen wordt tussen goed en slecht, en waarbij een partij gefrustreerd zou kunnen achterblijven en tot geweld overgaat.

Als een bepaalde routine, of een mix van deze routines is vastgelegd, dan is conflict niet meer zo hevig, en wordt het een bepaald patroon in het sociale leven. Om van revolutionaire bewegingen of opstanden, evolutionaire veranderingen te maken, is er dus effectieve conflictregulering nodig, en dan wordt klassenconflict een doodgewoon element van onze voortdurend evoluerende wereld. De intensiteit blijft dan misschien groot, maar de gewelddadigheid zal in elk geval gekanaliseerd worden.

 

2.1.6 Besluit

 

Het eerste deel van de conflicttheorie van Ralf Dahrendorf bespreekt de factoren die de variabiliteit van een conflict bepalen. Dezen hebben elk afzonderlijk effect op ofwel de intensiteit ofwel de gewelddadigheid van een conflict, ofwel op beiden. Samenvattend kan je stellen dat de intensiteit stijgt, naarmate aan de organisatorische voorwaarden is voldaan, naarmate de verdeling van de macht overeenkomt met andere voordelen, en naarmate sociale mobiliteit geringer is. Gewelddadigheid zal vooral stijgen naarmate er aan de organisatorische voorwaarden minder is voldaan, en er minder reguleringen zijn. De bedoeling is om in het tweede hoofdstuk van deze verhandeling aan de hand van de indeling die Dahrendorf maakt, de oorzaken voor de eventuele intensiteit en gewelddadigheid van het conflict in de Franse voorsteden te analyseren. Vervolgens kunnen we dan lessen trekken uit het verleden, om het in de toekomst niet meer zo ver te laten komen.

 

2.2 Structurele verandering

 

Een belangrijk onderdeel van de conflicttheorie van Dahrendorf is ook de structurele verandering. Volgens hem zorgt conflict automatisch voor structurele verandering. Veranderingen die voorkomen door een bepaald klassenconflict, in dit geval dat van de allochtone bevolking in de banlieues van de grote steden in Frankrijk, tegenover de autochtone bevolking, kunnen worden onderzocht. De veranderingen die kunnen voorkomen worden ingedeeld in twee vormen: de normatieve of ideologische veranderingen, en de feitelijke of institutionele veranderingen. Beide niveaus zijn belangrijk. De eerste vorm betekent dat er in de gedachten van de mensen iets veranderd is, en dat de waardeoriëntatie veranderd is. De facto een psychologische verandering dus. De tweede vorm houdt echte institutionele veranderingen in, waarbij er zwart op wit een evolutie valt te bemerken. Zoals gezegd is de oorzaak van het klassenconflict altijd de verdeling van autoriteit in bepaalde associaties, en bijgevolg zijn de veranderingen als gevolg van deze conflicten, altijd veranderingen in deze autoriteitsstructuren. Zo zijn er uiteindelijk drie manieren van institutionele verandering. Een eerste is: totale wisseling van het personeel dat dominante posities beheerst. Dit is een zeer plots type. Het wordt ook het revolutionaire type genoemd. De tweede manier is deelse wisseling van het personeel dat dominante posities beheerst. Dit stelt eerder evolutionaire dan revolutionaire verandering voor. De meest belangrijke echter is de derde manier, die helemaal geen wisseling van personeel inhoud. Het is namelijk mogelijk dat bepaalde belangen van de onderworpen groep toch worden nagestreefd, zonder dat zij zich in een dominante positie bevinden. Dit is het traagste type van evolutie, en het is hierbij belangrijk dat de mensen met autoriteit zulke onderwerping van tegengestelde belangen vermijden, opdat er geen revoltes uitbreken.

Deze drie manieren van verandering, duiden eigenlijk de schaal aan van de snelheid van verandering. Een ander criterium is de radicaalheid of diepgang van de verandering. Deze is onafhankelijk van de snelheid. Er zijn voorbeelden te noemen van zeer plotse veranderingen, maar wel slechts oppervlakkig, en van zeer radicale veranderingen, die echter traag gaan.

 

Om het effect van de variabiliteit van het conflict op de structurele veranderingen te verduidelijken kan beknopt gesteld worden:

De snelheid van de veranderingen varieert samen met de gewelddadigheid van het conflict. De diepgang van de veranderingen hangt dan weer vaak samen met de intensiteit van het conflict. Zoals bij intensiteit en gewelddadigheid kunnen diepgang en snelheid samengaan, maar vaak zijn ze juist tegengesteld.

 

Dit is hoe Dahrendorf structurele verandering ziet. Belangrijk is wel hier te vermelden dat in deze verhandeling de veranderingen als gevolg van de rellen in 2005 niet in zulke details zullen worden uiteengezet. Voornamelijk omdat de tijdsperiode van anderhalf jaar tussen de gebeurtenissen en het schrijven van de verhandeling, te kort is om al structurele veranderingen te kunnen analyseren. Er zal dus vooral uiteengezet worden of het huidige klimaat in Frankrijk potentieel biedt tot verandering.

 

2.3. Besluit

 

De conflicttheorie van Ralf Dahrendorf geeft een duidelijk theoretisch kader weer waarin het conflict dat onderwerp van deze verhandeling is, in de volgende hoofdstukken ingepast zal worden.

De conflicttheorie die hier is uiteengezet, geeft beknopt de zienswijze weer die Dahrendorf heeft op de oorzaken en de gevolgen van een conflict. De bedoeling is om in de rest van deze verhandeling deze theorie nu toe te passen op de rellen in Parijs eind 2005. Af en toe zal de theorie niet al te letterlijk worden gehanteerd, om zo de toepassing wat duidelijker en actueler te maken.

Voor een verduidelijkende samenvatting in tabelvorm van deze conflicttheorie, zie bijlage 1.

 

 

Hoofdstuk 2: Variabiliteit van het conflict

 

In dit hoofdstuk passen we de theorie van Darhendorf over de variabiliteit van een conflict toe op het conflict waar deze verhandeling over gaat. We zullen dus achtereenvolgens de verschillende factoren bespreken die een invloed hebben op de gewelddadigheid en intensiteit van het conflict, en trachten hierbij een algemeen beeld te geven over wat de onderliggende oorzaken zijn van de problemen in de banlieues. Uit dit hoofdstuk zouden we dan uiteindelijk ook moeten kunnen concluderen wat er misgegaan is bij de behandeling van het conflict, wat men in de toekomst anders zou kunnen doen om het te verbeteren, of welke problemen opgelost moeten worden vooraleer men fundamentele verbeteringen kan verwachten.

 

 

1. Structurele organisatievoorwaarden

 

Zoals al vermeld bij de uitleg over het theoretische kader, zijn er voorwaarden opdat een quasi-groep een belangen-of conflictgroep kan vormen. Hoe minder aan deze organisatievoorwaarden is voldaan, hoe gewelddadiger het conflict zal zijn. Hoe meer aan de organisatievoorwaarden is voldaan, hoe meer intens het conflict. We zullen achtereenvolgens de verschillende soorten organisatievoorwaarden bepreken.

 

1.1 Politieke organisatievoorwaarden

 

Bij de politieke organisatievoorwaarden of politieke opportuniteitsstructuur (POS) gaat het om de politieke context waarin een belangengroep zich wil, kan of mag organiseren. Voor Dahrendorf geeft het concept POS antwoord op de vraag of het juridisch mogelijk is in een land om een, of eender welke belangengroep te vormen. Er zijn voldoende voorbeelden te vinden van totalitaire staten waarbij drukkingsgroeperingen of vrije verenigingen werden gefnuikt. Het is vanzelfsprekend dat Frankrijk zich niet in deze steeg bevindt. In een democratisch land als Frankrijk kunnen we ervan uitgaan dat belangengroepen niet met geweld onderdrukt worden. Als groepen van bijvoorbeeld allochtonen of moslims zich willen organiseren, is dat dus juridisch niet onmogelijk. Een voorbeeld hiervan, welk ik later grondiger zal bespreken, is Le Mouvement de l’immigration et des banlieues. Frankrijk is geen totalitaire staat.

 

De vraag die zich in dit geval eerder stelt, is of het veel zin heeft om een dergelijke belangengroep op te richten. In tegenstelling tot vele andere westerse landen, zoals België, heeft Frankrijk geen verleden van samenwerking met belangen- of drukkingsgroeperingen. Wij gaan dus de POS eerder interpreteren als de kans op succes voor hervorming voor een bepaalde sociale beweging in een bepaald land, en over de mate van facilitatie of repressie van een land ten opzichte van de oprichting en het bestaan van sociale bewegingen. Het idee is dat sociale bewegingen zich beter kunnen ontwikkelen als de politieke context waarin ze bestaan hen de kansen geeft die ze nodig hebben om succesvolle collectieve actoren te worden.[32]

Hierbij gaat men de formele en informele institutionele structuur van een land na, en ook de strategieën van de overheid. Frankrijk blijkt een land te zijn met een situatie van volle exclusie.[33] Dit betekent dat het een sterke staat heeft, met een exclusieve dominante strategie. Er is dus noch formeel, noch informeel gemakkelijk toegang tot het politieke systeem voor sociale bewegingen en belangengroepen. Er zijn wel een heel aantal verenigingen die wel gesteund worden door de staat, ook in de banlieues. Dit gaat dan echter veelal om bijvoorbeeld sociale bewegingen, vrouwenbewegingen enzovoort. Maar deze bewegingen vormen geen bedreiging voor de politiek die gevoerd wordt. Ze zorgen er net eerder voor dat er geen sociale onrust zal zijn, en betreffende hun bestaan maakt men dus zeker geen problemen.[34]

Uitdagers van het regime of drukkingsgroeperingen echter, zullen vaak simpelweg genegeerd worden, omdat de staat net zo sterk is. En als de staat toch reageert, is dit vaak met repressie. Repressie heeft echter niet altijd de gewenste gevolgen, het kan namelijk collectieve actie net stimuleren. Door de verdrukking wordt de identiteit van deze bewegingen versterkt, wat vaak leidt tot meer radicale offensieve reacties, of de repressie zelf kan cruciaal worden voor de uitdagers. Het is allesbehalve uitgesloten dat deze beschrijving toepasbaar is op wat in Frankrijk eind 2005 gebeurde. In het geval van Frankrijk namelijk, vertrouwen mensen niet echt in de effectiviteit van matige vormen van protest, aangezien Frankrijk zulk een gesloten en gecentraliseerde staat is. Het feit dat de staat in Frankrijk zo sterk is, werkt dus juist haar zwakte in de hand. Er is via formele of informele kanalen geen toegang tot het politieke gebeuren, en dat kan leiden tot heel wat oproer, omdat dit als laatste/enige mogelijkheid wordt gezien. Als we de vormen van protest in Frankrijk vergelijken met enkele andere West-Europese landen blijkt dat in Frankrijk deze wel degelijk heviger en radicaler zijn. Frankrijk is namelijk een erg centralistisch land, wat voor weinig toegangsmogelijkheden zorgt.

 

Ook het burgerschapsmodel dat bestaat in Frankrijk, dat gekarakteriseerd wordt door de civiel-assimilationistische visie, betekent voor immigranten dat ze zich moeten aanpassen aan het republikeinse ideaal van de staat, en dat etnische diversiteit onderdrukt wordt. Het is redelijk eenvoudig voor immigranten om de Franse nationaliteit te verkrijgen, maar daarvoor moet dus heel wat aanpassing en assimilatie in de plaats komen.[35] Dit is ook een vorm van onderdrukking van culturen. Tot 1981 waren er zelfs wettelijke beperkingen op migrantenorganisaties, betreffende migranten zonder de Franse nationaliteit. Er worden ook beduidend minder subsidies gegeven aan drukkingsgroeperingen dan in veel andere West-Europese landen. Sinds 1981, wanneer niet-Fransen gelijk werden behandeld, met het recht zich te verenigen, ontstonden er meer zelforganisaties voor migranten. Echt grote, vertegenwoordigende nationale organisaties zijn er echter niet veel.[36]

 

Samenvattend kunnen we stellen dat het feit dat deze rellen net in Frankrijk gebeurden, niet tegen de verwachtingen ingaat. Frankrijk heeft namelijk een ongunstige POS voor belangengroepen, waardoor er minder formele en informele toegang is tot het politieke gebeuren, waardoor ze zich minder degelijk zullen organiseren, en de reacties dus radicaler, gewelddadiger zullen zijn. Want hoe minder aan de politieke organisatievoorwaarden is voldaan, hoe gewelddadiger het conflict. Het Franse mobilisatiepatroon is dus gecentraliseerd, weinig formeel georganiseerd, en radicaal.[37]

 

1.2 Technische organisatievoorwaarden

 

Naast de politieke organisatievoorwaarden zijn ook de technische heel belangrijk voor het vormen van conflictgroepen. Er moeten een aantal dingen aanwezig zijn voor je van een organisatie kan spreken. Dahrendorf somt hieromtrent 5 punten op:

 

Het meest in het oog springend is hierbij het gemeenschappelijke ideeëngoed of ideologie die aanwezig moet zijn voor een organisatie überhaupt kan ontstaan. In deze paragraaf wordt onderzocht of er eind 2005, bij de allochtone jongerenbevolking in de voorsteden van Frankrijk zulke algemeen erkende ideologie aanwezig was, waar iedere ‘relschopper’ zich mee verbond, achterstond, en wat je dus zou kunnen beschouwen als het programma van een allochtonenorganisatie. Ook de rest van de technische organisatievoorwaarden zal worden bekeken. Hadden de allochtone jongeren bepaalde mensen die de leiding op zich wilden nemen, de groep wilden organiseren? Leiders, die geaccepteerd konden worden, als waren ze representatief voor de hele groep?

 

Als eerste wordt onderzocht of de migrantenjongeren die met geweld rebelleerden in feite dezelfde ideeën en belangen hadden. Daarna wordt bekeken of er organisaties zijn (ontstaan) in Frankrijk die deze belangen zodanig in het vaandel dragen dat ze voldoen om hen te representeren, en of deze organisaties dan ook aan de rest van de technische voorwaarden voldoen.

 

1.2.1 Gemeenschappelijke belangen/ideologie?

 

Er zijn veel verschillende meningen over wat de ideologie van de relschoppers zou zijn. Velen linken de rellen met illegale immigratie, moslimfundamentalisme of polygamie. Enkele extreme gevallen zullen zelfs zeggen dat geweld ingebakken zit in hun cultuur, of nog verregaander, in hun bloed.

 

In het discours hieromtrent overheerst toch vaak de link met de I

islam. De mainstream islamorganisaties in Frankrijk echter, zoals de Union des Organisations Islamique de France, en het JMF, les Jeunes Musulmans de France, rekruteren eerder bij de middenklasse en bij studenten, dan bij de arbeidersklasse in de banlieues. De islamorganisaties die dus redelijk politiek getint zijn, kan men bezwaarlijk populair noemen bij de groep waar het in deze verhandeling over gaat. Er zijn ook enkele noemenswaardige neofundamentalistische moslimorganisaties aan het werk in de banlieues, maar deze verwerpen net wat de relschoppers willen. Zo streven ze niet naar volledig burgerschap, bestrijden niet de discriminatie die heerst bij bijvoorbeeld de toegang tot nachtclubs, en zijn ze tegen de westerse ‘straatcultuur’. Deze beide soorten van islamorganisaties hebben tijdens de rellen dan ook bewezen dat ze weinig invloed hebben, dat hun mediatie niet werkt. [38]

 

De jongeren protesteren dus niet tégen de westerse waarden. Men wil net bij die westerse wereld horen. De jongeren in de banlieues hebben een westerse stedelijke cultuur. Ze dragen ook dure sneakers en merkenkledij, en eten fast-food.[39] Ze strijden niet tegen, maar voor iets, voor integratie, respect en erkenning. In feite bestaat er geen twijfel over, dat het onderliggende probleem, aangezien het om de tweede generatie migrantenjongeren gaat, gaat over sociale en economische uitsluiting, over raciale discriminatie, en het achterblijven van overheidsmaatregelen om hier iets aan te doen.[40] De woede van de jongeren gaat dus niet uit van een soort Arabisch nationalisme, een antiwesters denken, maar het gaat wel om langdurige werkloosheid, mislukt onderwijs, alledaagse raciale discriminatie en pesterijen door de politie.[41]

 

Voor alle duidelijkheid, allesbehalve iedereen in de Franse banlieues ging akkoord met de rellen, en met het geweld dat er aan te pas kwam. Velen waren ook tegen dit geweld, en wilden er afstand van nemen. Dat neemt echter niet weg, dat de meesten wel dezelfde ideeën hadden over wat de problemen waren die hun troffen, over wat niet goed ging. Mensen hebben dezelfde frustraties.

De vraag is nu of er organisaties zijn die deze frustraties en belangen kunnen bundelen, en waarvan de jongeren denken dat het goed genoeg is om deze organisaties te steunen, om resultaat te boeken.

 

1.2.2 Organisaties

 

Er zijn in Frankrijk, op nationale en stedelijke niveaus, heel wat migrantenorganisaties, met verschillende functies, doelen en doelpubliek.[42] Er zijn vooral veel cultuur en sportorganisaties, maar je hebt ook speciale organisaties voor vrouwen, voor huisvesting, tegen aids en dergelijke. Deze hebben een maatschappelijk doel, maar zorgen niet voor een gemeenschappelijk politiek front. De vraag is of er ook zijn die alle migrantenjongeren verenigen, en aldus een goed platform zouden zijn voor de structurele vereniging van hun belangen, en die de gewelddadige vorm die het conflict nu had, had kunnen voorkomen.

 

Zoals al vermeld, is men duidelijk niet op zoek naar moslimorganisaties. Dit is niet waar de jongeren mee bezig zijn, en zij zullen dus niet als een platform kunnen dienen om de gemeenschappelijke ideologie te verenigen en aldus slagkracht te hebben.

Er zijn enkele bewegingen van wie je op het eerste zicht zou kunnen denken dat zij wel degelijk een dergelijk platform zouden kunnen zijn.

 

1.2.2.1 SOS Racisme

 

Deze Franse organisatie, die in 1984 is ontstaan, aansluitend op de grote mars voor de gelijkheid, levert strijd tegen alle vormen van raciale discriminatie. Ze staat heel dicht bij de Parti Socialiste en is er grotendeels afhankelijk van. Enkele kopstukken van die partij liggen mee aan de grondslag van deze organisatie. Vanaf de jaren ’90 begon SOS Racisme met het aanklagen van de situatie van de stedelijke ‘getto’s’ in de banlieues. Ze geven juridische hulp bij discriminatie, zijn begonnen met discriminatietesten voor onder andere dancings, wat de jongeren toch heel belangrijk vinden, en ze zijn voor anonieme sollicitaties.[43]

De organisatie ligt echter vaak onder vuur bij de linksere groeperingen, en migrantenorganisaties.[44] Ze wordt grotendeels onderhouden en gefinancierd door de Parti Socialiste, en wordt ervan verdacht zuiver opgezet te zijn om de oproerkraaiers te sussen, en om zo stemmen te halen bij de allochtone bevolking. Een oud-voorzitter van SOS Racisme heeft zelfs in 2005 enkele uitspraken gedaan over quota’s voor immigratie, over afschaffing van onder andere de dubbele nationaliteit en de familiehereniging. Het ging zover dat France D’abord, een tijdschrift van het Front National, de extreemrechtse partij van Le Pen, zijn gezond verstand prees. [45]

 

Het is zoals Le mouvement de l’immigration et des banlieues zegt: SOS Racisme, zoals vele andere migrantenorganisaties, wordt onderhouden door de politiek en de Parti Socialiste, en is daardoor niet geloofwaardig, omdat de strijd die de jongeren voeren, toch een is met een oproep tot de overheid. SOS Racisme kan dit niet geloofwaardig verwezenlijken, en heeft nog weinig te maken met de jongeren in de banlieues.[46]

 

1.2.2.2 Mouvement de l’immigration et des banlieues.

 

Het MIB is een onafhankelijke organisatie, ontstaan in 1995, die dus zelf haar fondsen verzamelt. Volgens hen is er bijna geen tegengewicht komende vanuit de banlieues, net omdat de meeste migrantenorganisaties niet onafhankelijk zijn. Het MIB echter is dus autonoom, en ziet dat als een voorwaarde om de strijd voor hun belangen degelijk te kunnen leveren. Bovendien sponsort de staat graag groepen zoals sportverenigingen en dergelijke vrijblijvende groeperingen, maar organisaties, zoals het MIB, die echt willen strijden voor de rechten van de banlieues en tegen het onterechte politie-en racistisch geweld, reikt men liever niet de hand.[47]

 

Een zij-project van het MIB, is Le Forum Social des Quartiers Populaires. Dit is een bijeenkomst op 22, 23, en 24 juni 2007, in Saint-Denis. Het is een nationaal gebeuren, en de oproep wordt dus gericht tot alle mensen die de problemen van de banlieues belangrijk vinden, ook migrantenorganisaties van Toulouse en Lyon werken mee.

 

Op 9 november 2005, in het heetst van de strijd, verspreidde het MIB een communiqué: Hierin zetten ze niet letterlijk aan tot het voortdoen met de rellen, maar ook zeker niet het tegendeel. Hieronder volgt een citaat uit dit persbericht:

 

«Assez des crimes policiers impunis, assez des contrôles au faciès, assez des écoles poubelles, assez de chômage programmé, assez de logements insalubres, assez des prisons, assez de hagra et d’humiliations! Assez aussi des justices parallèles qui protègent les hommes politiques corrompus et qui condamnent systématiquement les plus faibles.»[48]

 

 

Deze organisatie weet wat er leeft in de jonge allochtonenbevolking, en werd in feite ook door hen opgestart en onderhouden. Helaas hebben ze weinig drukkingskracht in de politieke partijen, dus is het moeilijk om via een dergelijke organisatie iets te bereiken. Vaak is men het ook oneens over de methodiek die zou moeten gebruikt worden, en de prioritaire strijdpunten. Bovendien proberen de jongeren al jaren, decennia, iets te bereiken via politiek initiatief, maar het blijkt onmogelijk om dit via de normale gang van zaken te realiseren. Het is de ongunstige politieke opportuniteitsstructuur die dit veroorzaakt.

 

1.2.2 Besluit

 

Er zijn natuurlijk nog een heel aantal andere organisaties die opkomen tegen racisme en discriminatie, en voor de rechten van immigranten en allochtonen. Deze kunnen spijtig genoeg hier niet allemaal uitgebreid besproken worden, maar nog enkele noemenswaardige zijn:

Maar het is dus zo dat een belangrijk deel van de Franse maatschappij simpelweg uitgesloten is van het democratische debat. Aan de technische organisatievoorwaarden is, wat de verschillende organisaties betreft, grotendeels voldaan. Echter de gemeenschappelijke ideologie blijft een moeilijk punt. Het Mouvement de l’immigration et des banlieues komt hier grotendeels aan tegemoet, maar kan omwille van de politieke voorwaarden eigenlijk niet doorbreken.

 

1.3 Sociale organisatievoorwaarden

 

De eerste voorwaarde hiervan is dat communicatie mogelijk moet zijn tussen de leden van een mogelijke organisatie. Dit moeten we in het licht zien van een pre-industriële maatschappij waar Dahrendorf het over heeft, waarbij volkeren, hoewel ze zich in een gelijkaardige positie bevonden, en dus gemeenschappelijke belangen hadden, geen manier hadden om te overleggen. De relevantie van deze voorwaarde is in de 20ste eeuw exponentieel afgenomen, en heeft nu, in de 21ste eeuw nagenoeg geen waarde meer. Communicatie is altijd mogelijk. In deze tijd van hoogontwikkelde communicatiemethoden, kan men bezwaarlijk de mogelijkheid tot regelmatig contact uitsluiten. De rol van de nieuwe media valt niet te onderschatten. Men ziet op televisie de regelmatige confrontaties tussen de jongeren en politie, ook vanuit het buitenland. Men gebruikt web blogs en massale sms’jes om het geweld aan te moedigen en te coördineren.[49] Deze eerste sociale organisatievoorwaarde is dus in feite een constante geworden.

 

Een tweede sociale organisatievoorwaarde is dat de quasi-groep, waaruit een georganiseerde belangengroep moet volgen, op een structurele manier moet zijn samengesteld. Dit betekent dat ze niet willekeurig mogen terechtkomen bij die groep. Een voorbeeld van een dergelijke willekeurige selectie voor een quasi-groep is de allerlaagste ‘klasse’ in een samenleving, waar onder andere verslaafden, ex-gevangenen, daklozen en geesteszieken zich bevinden. Voor hen is het vormen van een belangengroep uitgesloten, omdat ze verder geen gemeenschappelijk kenmerken hebben. Dit geldt duidelijk niet voor de groep die ik hier bespreek. De allochtone jongeren zitten in dezelfde situatie, omwille van een structurele rekrutering, en niet omwille van een lukrake selectie.[50]

 

We kunnen dus besluiten dat aan de sociale voorwaarden voor de organisatie van een belangengroep voldaan is. Er is namelijk een basis van gemeenschappelijke belangen, in dit geval, hun etniciteit, en de mogelijkheid tot communicatie is een constante.

 

1.4 Besluit

 

Aan de politieke organisatievoorwaarden blijkt dus zeker niet voldaan. Frankrijk heeft hoe dan ook geen POS die verenigingen stimuleert. Het is bijna destimulatief tegenover echte politieke organisaties, die hun eigen doel en rechten nastreven, welke vaak tegengesteld zijn aan die van de machtigen, de overheid en politieke partijen.

Aan de technische organisatievoorwaarden is slechts gedeeltelijk voldaan. Het is moeilijk om bij de migrantenjongeren een echte gemeenschappelijk ideologie en gemeenschappelijke prioritaire doelstellingen te omkaderen, en de organisaties die een platform zouden kunnen zijn voor de gefrustreerde migrantenjongeren, krijgen niet voldoende ruimte om zich goed te organiseren.

Aan de sociale organisatievoorwaarden is voldaan.

We kunnen dus concluderen dat gedeeltelijk aan de structurele organisatievoorwaarden is voldaan. De politieke organisatievoorwaarden verhinderen echter dat de technische en sociale voorwaarden volledig en legitiem tot hun recht kunnen komen. Een eenduidig antwoord op de vraag wat de invloed is geweest van de organisatievoorwaarden op de intensiteit en de gewelddadigheid van het conflict is derhalve moeilijk te geven. Omwille van het niet voldoen aan de politieke voorwaarden, en bijgevolg het minder tot hun recht komen van de technische en sociale voorwaarden, is het conflict zo gewelddadig als we hebben kunnen vaststellen. Omdat de intensiteit van een conflict positief gerelateerd is aan de structurele organisatievoorwaarden, is het dus niet omwille van dezen, dat het conflict een dergelijke intensiteit heeft. Het blijken andere factoren die hierin een cruciale rol spelen, wat in het volgende punt in detail uiteen wordt gezet.

 

 

2. Pluralisme versus superimpositie

 

2.1 Context en types

 

In deze paragraaf wordt de vraag behandeld of de conflictgroepen, hoewel ze elkaar in verschillende contexten of conflicten tegenkomen, vaak met identieke relaties tegenover elkaar staan. Hebben zij, die in het ene conflict de autoriteit hebben, die ook vaak in andere situaties? Ik zal onderzoeken of in zowel de politieke, de sociaal-economische, de culturele en de ruimtelijke zin, deze conflictgroepen zich in eenzelfde situatie tegenover elkaar bevinden. Hier wordt ook het conflict met de ordediensten bij betrokken omdat deze verhouding toch ook beslissend is in de behandelde problematiek. Als het antwoord op de vraag of de conflictgroepen zich in deze verschillende conflicten in dezelfde situatie bevinden ja is, kunnen we spreken van superimpositie, zoniet van pluralisme. Superimpositie zou in dit geval zorgen voor een stijging van de conflictintensiteit, niet persé van de gewelddadigheidsgraad.

 

In ons onderzoek is het nu dus van belang te bekijken of in Frankrijk voor en tijdens de rellen, een situatie van superimpositie bestond voor de allochtone jongeren die de hoofdrol speelden in het conflict, of een situatie van pluralisme. Met andere woorden, is het slechts in één ‘sector’ waar zij de autoriteit missen? Is het bijvoorbeeld enkel op de arbeidsmarkt dat zij minder macht hebben, en dus meer werkloosheid? Of is het misschien enkel op het gebied van sociale status dat zijn moeten onderdoen? Of ligt het probleem net daar, dat zij in positie van onderworpenheid liggen, in zovele sectoren in hun leven, dat de intensiteit van het conflict erg hoog wordt?

 

Er is echter een belangrijke obstructie om dit onderzoek eenvoudig te kunnen voeren. En dat is het eerder vermeldde civiel-assimilationistische model van burgerschap dat Frankrijk hanteert.[51] De geboorteplaats van mensen wordt geregistreerd. Dit wil zeggen dat het dus geen probleem is om statistische gegevens van immigranten te verzamelen, omdat zij per definitie niet in Frankrijk zijn geboren. Maar wat echter met de tweede of derde generatie van immigrantenjongeren, die geboren en getogen zijn in Frankrijk, en ook de Franse nationaliteit hebben, maar die toch als allochtoon worden bekeken. Hiervan zijn geen statistische gegevens beschikbaar, aangezien de Franse staat deze niet registreert.[52] De etnische afkomst van de ouders mag men namelijk niet gebruiken als criterium voor een indeling van mensen. De voornaamste reden voor de overheersing van dit idee is dat de zogenaamde registratie van de etnische afkomst eerder zou leiden tot breuk tussen de verschillende bevolkingsgroepen, dan voor integratie te zorgen. Dit in tegenstelling tot sommige ander meningen, die stellen dat deze registratie belangrijk is, zodat men statistische zichtbaarheid kan creëren, dit om discriminatie tegen te gaan.[53] In elk geval maakt dit gegeven het dus heel wat moeilijker de vertegenwoordiging van de allochtone bevolking in Frankrijk na te gaan. In deze verhandeling wordt toch getracht ook rekening te houden met allochtonen die geen immigranten zijn, hoewel dit bij statistische gegevens vaak niet vanzelfsprekend is. Vaak kunnen we er echter vanuit gaan dat wat voor de geïmmigreerde bevolking geldt, kan veralgemeend worden naar de gehele allochtone bevolking.

 

Om verwarring te voorkomen wordt de keuze van de benamingen hier nog eens duidelijk uiteengezet. Een immigrant wordt gedefinieerd als iemand die buiten Frankrijk is geboren, en nu in Frankrijk woont, ongeacht zijn nationaliteit. Sommigen van hen hebben dus gedurende hun verblijf de Franse nationaliteit verworven, anderen niet. Het criterium dat gehanteerd wordt is dus de plaats van geboorte.[54] Als de term niet-immigrant wordt gebruikt betekent dit dus iemand die in Frankrijk is geboren. Een ‘étranger’ of buitenlander is iemand die een andere nationaliteit dan de Franse heeft, ongeacht waar hij geboren is. Hier is het criterium dus de nationaliteit. Een groot deel van de immigranten en ‘étrangers’ overlapt, namelijk zij die in het buitenland geboren zijn, nu in Frankrijk wonen zonder de Franse nationaliteit te hebben. Het woord allochtoon wordt gebruikt voor hen die van buitenlandse afkomst zijn. Allochtonen zijn dus o.a. buitenlanders, maar ook jongeren van de tweede of derde generatie die de Franse nationaliteit hebben, en waarvan misschien zelfs de ouders dus al de Franse nationaliteit hebben. Het gaat over mensen wiens ‘roots’ eigenlijk in het buitenland liggen, en die daardoor verschillen van de autochtone Fransman.

 

In bepaalde gevallen zullen we vooral de Franse regio Île-De-France bespreken, dit is de regio rond de hoofdstad Parijs. Dit om bepaalde trends duidelijker weer te geven, aan de hand van cijfers van een departement waar deze problematiek zeer belangrijk is. Alvorens over te gaan tot het onderzoeken van conflicten in de verschillende sectoren, worden er wat algemene kenmerken van deze regio besproken.

Onderstaande figuur geeft weer wat men zich geografisch bij deze regio moet voorstellen.

 

Figuur 1. Map van de Franse regio Île-De-France.

 

Bron: SCHOMBURG, J.M., Île de France Région and the metropolitan area, 2005 (11/02/2007, wikimedia: http://commons.wikimedia.org/wiki/Image:Ile-de-France_jms.jpg#filehistory)

 

De rellen zijn begonnen in Clichy-Sous-Bois, een gemeente in het département 93, Seine-Saint-Denis. Dit is de gemeente waar het voorval gebeurde met de drie jongens die, op de vlucht voor de politie, zich in een elektriciteitscabine verschuilden, met als gevolg twee doden en één zwaar gewonde. De rellen breidden zich uit, maar Seine-Saint-Denis, bleef toch een van de belangrijkste hotspots voor de rellen.

 

In de regio Île-De-France wonen 40 % van de immigranten van Frankrijk. Dit komt neer op ongeveer 1 900 000 immigranten. 38 % van hen heeft de Franse nationaliteit. De immigranten vormen 17% van de bevolking van Île-De-France.[55] Zeven op tien van hen wonen in Parijs zelf en zijn dichtste banlieues, de kleine kroon genoemd. Hiermee bedoelt men Seine-Saint-Denis, Haute-De-Seine en Val-De-Marne.[56] In de meeste van de cijfers die in dit deel behandeld worden spreekt men over de immigranten. Hier worden de mensen die in Frankrijk zijn geboren, maar niet de Franse nationaliteit hebben, dus vergeten. [57] Ook, en wat veel belangrijker is, wordt hier geen rekening gehouden met de tweede of derde generatie, die geboren zijn in Frankrijk, de Franse nationaliteit hebben, maar wel komen uit een gezin met geïmmigreerde ouders. Er kan echter vanuit gegaan worden dat ook de situatie van hun ouders, waar het hier dan vaak over gaat, ook voor hun ontwikkeling en gemoedstoestand belangrijk is, en dat deze trends vaak ook grotendeels toepasbaar zijn op deze vergeten bevolkingsgroep.

 

Aan de hand van onderstaande tabel kunnen we zien dat de immigrantenbevolking in de banlieues van Parijs beduidend gestegen is gedurende de laatste decennia. In gevoelige departementen als Seine-Saint-Denis, Val d’Oise en Seine-et-Marne, is het aantal immigranten zelfs met de helft toegenomen in 17 jaar.

 

Tabel 1. De evolutie van de immigrantenbevolking in de Franse regio Île-De-France en geheel Frankrijk, van 1982 tot 1999, en de proportie van de immigranten in de gehele bevolking.

 

1982

1990

1999

Evolutie tussen 1982 en 1999 (in %)

Proportie immigranten in de bevolking in 1999 (in %)

Parijs

400184

399433

386398