| De Frankfurter Schule en de media. Is haar kritiek nog geldig? (Lambert Heijnen) |
| home | lijst scripties | inhoud |
1 INLEIDING
De titel van deze verhandeling impliceert de stelling dat de kritiek van de Frankfurters op de media geldig was. Als deze these juist is, dan betekent zulks dat hun huidige kritiek geldig blijft op voorwaarde dat de media fundamenteel niet veranderden.
Wij moeten dus twee dingen nagaan: de geldigheid van de kritiek van de Frankfurters op hun eigentijdse media en ten tweede in hoever de mediawereld zijn contouren heeft behouden.
Dit zal "bemiddeld" moeten gebeuren. Immers hebben de Frankfurters zich nauwelijks rechtstreeks over de media uitgelaten. Dit mag vreemd lijken omdat zij de media als een machtig manipulatie-instrument van de heersende klasse beschouwen. Maar zoals andere segmenten kadert ook de mediakritiek van de Frankfurter Schule in haar maatschappijkritiek en meer in het bijzonder in haar conceptie van de cultuurindustrie.
Wij moeten dan ook een excursieve weg bewandelen om het onderwerp naderbij te komen, waarbij wij het zonder veel empirie zullen moeten stellen.
De Frankfurter Schule heeft immers nooit empirisch onderzoek over de media gedaan. In 1938 werkte Adorno weliswaar een tijdlang op het "Office of Radio Research" van Lazarsfeld maar omdat hun visies t.a.v. de onderzoeksmethoden te ver uiteenliepen, kwam het al spoedig tot een breuk. In een brief aan Adorno verwijt Lazarsfeld hem trouwens dat zijn minachting voor verificatietechnieken ten onrechte is temeer nog omdat: "...hetgeen je schrijft het vermoeden doet rijzen, dat je zelfs niet weet, hoe je een hypothetische veronderstelling empirisch toetst." (Jay, 1977, 266).
Desalniettemin vindt Lazarsfeld de kritische methode van de Frankfurter Schule als aanvulling op en interpretatie van empirisch onderzoek en voor het aandragen van nieuwe concepten waardevol. Voor wat de media betreft is het kritische onderzoek nuttig voor terreinen die door empirisch onderzoek niet worden bestreken zoals het materiaal dat de media nooit bereikt omdat het wordt weggeselecteerd, inhoudsanalyses van muziekuitzendingen door Adorno of literatuurstudies van Lowenthal (Lazarsfeld, 1941, 22-25).In hetzelfde artikel in het Zeitschrift für Sozialforschung pleit Lazarsfeld voor een integratie van beide studiemethodes: "Als het mogelijk zou zijn, een werkelijk uitvoerbaar onderzoeksprogramma, waarin zich empirisch werk zou laten integreren, in begrippen van kritisch onderzoek te formuleren, zouden alle deelnemers de behandelde problemen en ten slotte het effectieve nut van het werk in grote mate daarvan profiteren". In 1946 deed Lazarsfeld concreet het voorstel zijn "Bureau of Applied Social Research" met het "Institut für Sozialforschung" (IfS) te fusioneren (Jay, 1977, 295). Ook dit werd afgewezen: de Frankfurters hebben altijd de theorie boven de "praxis" gesteld. Bovendien zetten ze zich af tegen deeltheorieën, of dat nu rol-, ruil-, mediatheorieën of andere zijn - alles moet opgaan in
één kritische theorie van de maatschappij hoe utopisch dit voornemen ook is. Dit betekent dat in hun kritische mediabeschouwingen media niet centraal zullen staan. De media worden immers alleen maar door belangengroepen gebruikt als "Herrschaftsmittel" ter onderdrukking, en ter handhaving van de bestaande machtsverhoudingen. Hiernaar moet de kritiek uitgaan; zij moet de historische voorwaarden van de huidige onmacht blootleggen en zich daarbij bedienen van het gehele ter beschikking staand wetenschappelijk potentieel. In de algemene theorie van de maatschappij is mediakritiek niet méér dan een weliswaar belangrijke factor tussen vele andere, ter verklaring en ontmaskering van een schijnbaar harmonieuze samenleving.
Mediakritiek gaat dus op in maatschappijkritiek.
Daar bovendien het politieke motief voor de analyse van massamedia vooral bij Horkheimer en Adorno in hun intellectuele controverse met het fascisme ligt (Negt, 1973, 9), en omdat het fascisme gezien wordt, niet als een in de geschiedenis isoleerbaar fenomeen maar als antidemocratische tendensen die zich voortdurend manifesteren, konden wij niet anders dan een grote omweg maken die ons op de eerste plaats leidt naar het fascisme van het Derde Rijk.
De gemiste kans in 1919 op een revolutie die alles nog "ten goede" had kunnen keren en de daaropvolgende nazi-dictatuur heeft het denken en de maatschappijvisie van de Frankfurters diepgaand beïnvloed. Die visie op de maatschappij is dan het volgende kruispunt waar we even halt houden. Verder op onze weg liggen de psychologische persoonlijkheidsanalyses van Adorno. Wat maakt het individu ontvankelijk voor irrationele autoriteit? Dezelfde vraag wordt ook historisch-filosofisch benaderd: de Verlichting is uitgedraaid op massabedrog: de cultuur is een industrie geworden zoals elke andere; het individu is het slachtoffer van antidemocratische (fascistische) krachten.
Na de terugkeer van de leden van het IFS uit de Verenigde Staten naar Duitsland, ging het samenwerkingsverband dat de groep tot "school" maakte verloren. Strikt genomen behoort Habermas dus niet tot de Frankfurter Schule (FS). Als opvolger van Horkheimer als professor te Frankfurt, werkte hij alleszins (een tijdlang) in de traditie van de school. Wij bekijken ook zijn visie op de evolutie van de media.
"Linkse" standpunten nodigen uit tot vergelijkingen met "rechtse" opponenten. Hierop gaan wij niet in en wij zullen linkse mediakritiek niet met visies à la McLuhan confronteren. Het is dus niet de bedoeling de pro's en contra's van de manipulatieopvatting en van de reflectie-idee op een rij te zetten.
De geldigheid van de mediakritiek van de Frankfurter Schule toetsen wij aan enkele "klassieke" opvattingen, aan haar eigen uitspraken en aan die van enkele van haar geestesverwante navolgers.
De Duitse nederlaag in WO I had de afschaffing van de monarchie en de oprichting van de "Weimarer Republik" tot gevolg. De sterkste partij, de SPD (sociaal-democraten), ging met kleinere monarchistisch en traditioneel gezinde partijen een regeringscoalitie aan. Zij zag daarmee af van de verandering van de maatschappelijke orde en "moest grootgrondbezit, de grootindustrie en het officierenkorps verder als machtsfactoren in de staat erkennen" (Rössler, 1961, 589). De naar Russisch voorbeeld opgerichte radendemocratieën in enkele steden, waren derhalve maar een kort leven beschoren.
De communistische partij (KPD) had vergeefs pogingen tot revolutie ondernomen. Haar kopstukken Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht werden in 1919 vermoord. Deze gebeurtenissen bleken van grote invloed op een aantal jonge intellectuelen waaronder Horkheimer, Luckács, Weil.
De Weimarrepubliek verkeerde in een voortdurende crisis.
Politieke stabiliteit werd onmogelijk gemaakt door de versnippering van de bourgeoisie over te veel kleine partijen, de verzwakking van de SPD en de lamentabele economische situatie.
Gevolgen hiervan waren veelvuldige stakingen en pogingen tot machtsgreep.
Het Verdrag van Versailles had Duitsland vrijwel onbetaalbare herstelbetalingen opgelegd en zowat alle bewegingsvrijheid ontnomen. De Duitse bevolking voelde zich vernederd, zocht naar nieuwe eigenwaarde maar vond geen houvast in de te wankele Weimarrepubliek. Stefan Zweig (1958, 597) beschrijft de beginjaren van de republiek als een: "gekkenhuis van reusachtige afmetingen. Alle waarden werden veranderd en niet enkel op materieel gebied; er werd met de verordeningen van de staat gelachen en zeden noch moraal werden gerespecteerd...Op alle terreinen begon een tijdperk van de wildste experimenten. Alles, wat extravagant en oncontroleerbaar was, beleefde gouden tijden, ...elke vorm van drugs, morfine, cocaïne en heroïne vond een grote en snelle afzet, in het theater waren incest en vadermoord, in de politiek communisme en fascisme de enige gewenste thema's; volledig uit den boze daarentegen was elke vorm van normaliteit en matiging...En in het geheim haatte men de republiek, niet omdat ze de wilde vrijheid zou hebben onderdrukt, maar integendeel omdat zij de teugels te los in de hand hield".
Het zag er in de jaren '20 even naar uit dat de mogelijkheid van een politiek bevrijde maatschappij erin zat. Maar zo vervolgt Adorno (1962, 73), eigenlijk was deze mogelijkheid door de gebeurtenissen van 1919 al verworpen. Dit dubbele aspect, dit van een wereld die zich ten goede zou kunnen keren en dit van de mogelijkheid voor het zich vestigen van ondemocratische machten, is niet alleen zichtbaar in maatschappelijke conflicten maar komt ook tot uitdrukking in de ambivalentie van de kunst.
De gehele sfeer weerspiegelt zich in de pers. Een deel ervan "scheen het erop aan te leggen, traditionele voorstellingen over de waarde van de mens, over het geloof aan iets groots, bovenpersoonlijks, door middel van ironie en cynisme aan het wankelen te brengen" (Rössler, 1961, 598). Deze "culturele wanorde" deed weliswaar roepen om orde en speelde het latere fascisme leuzen in handen waarvoor velen ontvankelijk bleken te zijn, maar toch was zij niet de directe oorzaak ervan: "Aangenomen mag worden" zegt Adorno (1975-2, 162), "dat in Duitsland de economische conflicten en de maatschappelijke ontwrichting van dien aard waren dat alleen al daardoor de triomf van het fascisme vroeg of laat onvermijdbaar werd; maar de nazi-leiders handelden niet alsof zij geloofden dat dat zo was; in plaats daarvan handelden zij alsof het op elk ogenblik nodig was rekening te houden met de psychologie van de mensen - door elke gram van hun antidemocratisch potentieel te activeren, door met hen compromissen aan te gaan, door ook maar de kleinste vonk van rebellie te doven".
Wat vanaf 1933 op Europa en de wereld vanuit Duitsland werd losgelaten, zo schrijft Sänger (1975, 18), ..."waren illusies, misleidingen, leugens en bedrog, een "Umwertung aller Werte", systematisch aangewend tot aan de morele en fysieke chaos toe. Er heerste rechteloosheid, willekeur en geweld, en door verdraaiing van de feiten geplande verhindering van betrouwbare en objectieve informatie. Door middel van vervalsing van gebeurtenissen werd de publieke opinie de mogelijkheid van kritische observatie en subjectieve duiding ontnomen."
In 1933 was Hitler rijkskanselier geworden en in hetzelfde jaar werd orde op zaken gesteld.
Zijn politieke carrière begon in 1919 als lid en later in dat jaar als propagandaleider van de "Deutsche Arbeiterpartei" (DAP) te München. In 1921 werd hij voorzitter van de tot de "National Sozialistische Deutsche Arbeiterpartei" (NSDAP) verruimde DAP.
In 1924 dicteerde hij zijn secretaris Hess "Mein Kampf". Hierin wijst hij op het grote belang van propaganda. Hij is van mening dat de Duitse nederlaag te wijten is aan een gebrekkige propagandavoering en de uitstekend georganiseerde oorlogspropaganda van de Engelsen.
In 1926 benoemde Hitler Goebbels tot leider van de Berlijnse NSDAP-afdeling. Het jaar daarop kreeg Goebbels er spreekverbod omdat zijn redevoeringen steevast uitliepen op rellen met antinazi's, communisten en socialisten. Goebbels schuwde de provocatie niet: hij liet geregeld de fanfares van de "Sturmabteilung" (SA) van de NSDAP door het socialistisch-communistische Berlijn trekken en onder de tonen van het "Deutschland Lied" ontaardden zulke manifestaties in vechtpartijen (Verduyn, 1984).
Als reactie op het spreekverbod, richtte Goebbels de krant "Der Angriff" op. In 1929 werd hij chef van de propagandadienst van de NSDAP voor de gehele Weimarrepubliek.
De NSDAP-propaganda wierp haar vruchten af in deze Weimarrepubliek . De toestand was er rijp voor: grote economische problemen, werkloosheid, frustraties ten gevolge van het "onrechtvaardige" Verdrag van Versailles, politieke instabiliteit, angst voor het oprukkende communisme.
In 1928 kreeg de NSDAP 2,6% van de stemmen, in 1933 is dat
43, 9% (Rössler, 1961, 593).
Het jaar van Hitlers machtsovername droeg, gemeten aan de regeringsmaatregelen, de kiem van de toekomstige nazi-terreur in zich: er komt een volmachtenwet die de "Reichstag" voor vier jaar buitenspel zet, een "ambtenarenwet" politiseert de bureaucratie waardoor Joden en linksen als ambtenaar kunnen worden verwijderd; de vakbonden worden afgeschaft; de "Sozial-democratische Partei Deutschlands" (SPD) wordt opgeheven (de andere partijen hadden dat reeds uit zichzelf gedaan); bij wet wordt de oprichting van nieuwe politieke partijen verboden; Duitsland stapt uit de Volkerenbond; bij wet wordt de NSDAP tot eenheidspartij verklaard; Goebbels wordt de eerste minister van het nieuwe "Reichsministerium für Volksaufklärung und Propaganda" (RVP of PROMI) Het Promi talmde niet om de pers aan banden te leggen. De persconferenties waarop journalisten vrijuit aan regeringswoordvoerders vragen mochten stellen, werden afgeschaft.
Voortaan moesten de redacties een aanvraag tot deelname van een journalist aan de persconferenties bij het Promi indienen. Dit betekende dat niet meer een commissie van collega's besliste of een journalist werd toegelaten, maar dat de selectie rechtstreeks door de regering gebeurde. De verantwoordelijkheid voor publicaties ging naar de redacties, want de journalisten mochten enkel nog aan hun redactie verslag uitbrengen over mededelingen die tijdens de persconferenties werden gedaan. Zij werden met strafrechtelijke vervolging bedreigd als ze informatie uit de persconferenties aan derden zouden doorgeven.
Woordvoerders waren vooral de chef van de afdeling "Deutsche
Presse" in het Promi, van het "Auswärtiges Amt" (AA) en later
ook van de "Wehrmacht".
De "Reichspressekonferenz" gaf ook rechtstreeks en schriftelijk instructies aan de krantenredacties zelf. In juni 1933 liep de eerste "mededeling aan de redacties" binnen. In het kort luidde ze als volgt (Sänger, 1975, 36):
Publicaties die niet gewenst zijn:
1.zonder uitdrukkelijke toestemming van het Promi mag geen "Kanzlerinterview" worden gepubliceerd;
2.er wordt gewaarschuwd voor de verspreiding van verklaringen van bepaalde instanties over de "Deutsch nationale Kampfstaffel" en alles wat daarmee samenhangt;
3.over activiteiten van de "Arbeitsdienst" die met landsverdediging te maken hebben zoals onderricht over wapens, verdedigingssporten e.d., mag niets gepubliceerd worden;
4.meldingen over wetsontwerpen mogen niet gebracht worden;
5.het woord "Deutsch-Österreichischer Anschluss" mag niet meer worden gebruikt;
6.aankondigingen over kabinetszittingen zijn weg te laten;
7.uitweidingen over het probleem van de uniformkeuze in de "Arbeitsdienst" zijn niet gewenst;
8.over standplaatswijzigingen bij politie en leger mag niets worden gepubliceerd.
In mei van dat jaar waren de vakbonden reeds afgeschaft en vervangen door het "Deutsche Arbeitsfront". In juli na de opheffing van de politieke partijen en na het aan banden leggen van de pers verklaarde minister Wilhelm Frick: "die Revolution ist nach voller Gleichschaltung abgeschlossen" (Sänger, 1975, 41). Nog voor de machtsovername hadden de nazi's de weg geëffend voor de "Gleichschaltung" van de pers.
De SA-stormtroepen hadden regelmatig redacties en drukkerijen van de andersdenkende pers in puin geslagen. Nadien bediende men zich van wetten zoals het "Gesetz über die Einziehung volks- und staatsfeindliche Vermögen". In 1939 verdwenen daardoor 600 verschillende, vooral joodse en linkse titels van de markt (Verduyn, 1984, 67-69). Niets werd onverlet gelaten om de greep op de pers te vergroten. Op 1/1/34 werden alle persagentschappen ondergebracht onder het "Deutsche Nachrichtenbüro" (DNB) dat door het Promi werd gecontroleerd.
De meeste kranten namen kritiekloos de persberichten van het DNB over. In een poging de lezers toch tot enig nadenken aan te zetten liet de "Frankfurter Zeitung" aanvankelijk berichten voorafgaan door: "Das Deutsche Nachrichtenbüro teilt mit... "(Sänger, 1975, 42).
Hoe groot de impact van de regering op de pers werd, blijkt uit haar bemoeienis zelfs met de kleinste details. Sänger(1975, 94-103) haalt voorbeelden aan. Enkele daarvan:
het woord "Salonwagen" mag niet meer gebruikt worden.
De treinwagon waarmee de "Kanzler" en ministers reizen, moet "Sonderwagen" worden genoemd;
journalisten mogen niet meer naar privé-recepties. Zulke "liberalistische" gewoonten moeten worden afgeleerd;
de pers heeft zich niet te moeien met de discussie tussen de tandartsen en de dentisten;
het woord "Bildberichterstatter" moet gebruikt worden i.p.v. Pressephotograph";
de regering roept het tijdschrift "Der deutsche Tierfreund" tot de orde nadat dit in een artikel beweerde dat Liechtenstein de beste wet op de dierenbescherming zou hebben;
de pers mag niets onthullen over trucages bij filmopnamen omdat het volk niet van zijn illusies mag worden beroofd.
Tenslotte werd van regeringszijde zelfs geen poging meer gedaan haar propagandistische en misleidende bedoelingen te verhullen. Zo kreeg de pers de opdracht om gedurende de Olympische Spelen de kranten dusdanig op te maken dat ze propagandistisch op de buitenlandse bezoekers zouden inwerken. Zij moesten schrijven dat in Duitsland de levensmiddelenbevoorrading geen enkel probleem was. Over "Rassenschande-Prozesse" mocht gedurende de O S geen woord worden gepubliceerd. Evenmin was het toegestaan puntentabellen van de gewonnen medailles op te maken. Euforie over de grote Duitse puntenvoorsprong die men verwachtte zou op de buitenlandse bezoekers een onvriendelijke indruk kunnen maken.
Maar enkele dagen na de O S, werden de kranten verplicht de tabellen te publiceren (Sänger, 1975, 109).
Voor de Spelen was de pers verzocht de bevolking op te roepen om massaal de radio-uitzendingen te beluisteren. De "Reichs-Rundfunk-Gesellschaft" werd door Goebbels vanaf toen tot een volledige wereldomroep uitgebouwd (Verduyn, 1984, 69-71).
In 1935 vonden de eerste televisie-uitzendingen plaats. Door het beperkte aantal ontvangsttoestellen bleef dit medium zonder veel betekenis voor de nationaal-socialistische propagandamachine.
Met het oplopen van de politieke spanning, werden de propaganda-inspanningen opgevoerd en steeds belangrijker geacht.
Begin 1939 werd tussen het "Oberkommando der Wehrmacht" en het "Promi" een samenwerkingsakkoord gesloten i.v.m. het voeren van oorlogspropaganda. Het akkoord bevestigt o.m. dat de "propagandaoorlog evenwaardig is aan de militaire oorlog" (Verduyn, 1984, 93).Vanaf 1940 verscheen het tijdschrift "Signaal". Het werd enkel in het buitenland verspreid en haalde een oplage van meer dan drie miljoen. Vanzelfsprekend moest het de psychologische oorlogsvoering ondersteunen. Belangrijker echter is dat het tijdschrift in Duitsland zelf streng verboden was. Toen de oorlog niet meer naar wens verliep en dit niet langer verborgen kon worden gehouden, achtte men zelfs absurde middelen goed om het moreel van de Duitse bevolking op te vijzelen. In zijn memoires vermeldt SPEER dat zelfs de krantenhoroscopen met dat doel werden opgesteld. Een voorbeeld: "diepe dalen van duisternis liggen nog op de weg naar de uiteindelijke overwinning" (Verduyn, 1984, 109).
Vanaf 1934 werd de schoolfilm onder centrale controle geplaatst. Vooral films over geschiedenis, aardrijkskunde en heemkunde leenden zich voor de NS-ideologie.
De film werd dan ook een belangrijk middel voor de opvoeding van de jeugd buiten de school: de filmvoorstelling wordt "tot middelpunt van een gemeenschapsfeest gemaakt. Reeds de gemeenschappelijke opmars in gesloten formatie geeft de voorstelling van een Hitler Jugend-filmvoorstelling. een
heel andere weerklank. Deze wordt, als de plaatsen zijn ingenomen, verdiept door het zingen van liederen, die in de Hitler Jugend een zo belangrijke rol spelen omdat ze, uit de volksbewuste geest van deze jeugd geboren, steeds weer en door niets anders te overtreffen gemeenschapsstimulerende kracht openbaren. Een actueel lied zoals "Soldaten tragen Gewehre" leidt bijvoorbeeld de legerfilm "Waffenträger der Nation" in. Dan pas begint de film. Hier zijn het niet de vele enkelingen die tot een vluchtige gelijkheid van de emoties komen. Hier is het het blok van de gemeenschap, dat de film in zijn levensgevoel opneemt en met dit levensgevoel de belevenisinhouden van de film doordringt. Hier is de gemeenschap in de geest van het witte doek werkelijkheid geworden" (Hickethier, 1974, 39).
De film moest "levensecht" zijn, hij moest het "völkische" bewustzijn bijbrengen en versterken.
De schoolradio had bovendien de opdracht "tijdsecht" te zijn: fascistische redevoeringen en propaganda-uitzendingen waren politieke gebeurtenissen waaraan de scholieren rechtstreeks konden deelhebben.
Voor wat de pers betreft kregen de leerkrachten opdracht de leerlingen aan de hand van de lokale krant en de "Völkische Beobachter" propagandistische thema's te behandelen en namen van partijleiders en partijactiviteiten in de geheugens te verankeren en vreemde woorden te verklaren (Hicketier, 1974, 38).
Voor studenten werden zelfs speciale cursussen ingericht om ze vertrouwd te maken met de terminologie van regering en instituties teneinde tot gelijklopende interpretaties van gebeurtenissen te komen.
Ook met dit doel voerde men nieuwe woorden in en werden andere van nieuwe inhouden voorzien. Het "Meyers Lexicon" uit 1936 werd aangevuld met woorden als "Aufartung" d.i. verbetering van het ras, "Rassenbrei" d.i. gemengde rassen, "Volksschädling" d.i. iemand die het volk schade toebrengt enz. "Blutschande" werd in 1924 omschreven met "incest" en in 1936 met " intiem contact met een niet-ariër". "Fanatisch" was een "woord met negatieve connotaties" en werd een "woord met positieve connotaties. "Hass" was in 1924 gewoon haat en in 1936 luidde de omschrijving: "haat heeft een positieve betekenis als hij aan de goede kant wordt gebruikt. De heroïsche haat van het Noord-Europese ras staat in sterke tegenstelling tot de laffe haat van het Jodendom". De "Sprachregelung" hield zich aldus vrijwel met alles bezig. Volgens Müller (1973, 34) heeft de manipulatie van de taal er zeker toe bijgedragen dat in Duitsland het systeem zo lang overeind bleef. Hij wijst er trouwens op dat de DDR dit beproefde systeem in mindere mate en meer gesofisticeerd, heeft overgenomen. Een voorbeeld: "Duden Rechtschreibung, Leipzig, 1957" vermeldt onder "Militarismus": "subordinatie in imperialistische landen van alle maatschappelijke en gouvernementele kringen aan militair gezag, begeleid door repressie van de volksmassa en agressieve buitenlandse politiek"; de "Duden" van Mannheim uit 1961 omschrijft het begrip als: "overheersen van militaire overtuigingen".
Müller is van mening dat taal en bewustzijn van mensen gevormd worden overeenkomstig het politieke systeem waarin hij leeft als dit systeem zich van zulke gestuurde ("directed") communicatie bedient.
De media in het Derde Rijk werden dan ook niet verondersteld informatie te brengen. Informatie, zo zei Goebbels in 1934 in de Reichstag is " in de grond defensief en evolutionair. Ze hamert niet en insisteert niet. Ze is gematigd en probeert te beleren. Ze geeft uitleg, verklaart en geeft feiten weer". Propaganda daarentegen "is een middel tot doel". Dit doel is het volk tot zodanige inzichten te brengen dat "het zich gewillig en zonder innerlijke weerstand aan de [daarin besloten] opgaven en doelstellingen van een superieure staatsleiding onderwerpt".
Propaganda geeft dus geen feiten weer, maar overreedt, is manipulatie en geen informatie; ze is offensief en agressief van toon. Goebbels: "Zij was ons scherpste wapen bij de verovering van de staat. Ze blijft ons scherpste wapen bij de handhaving en opbouw van de staat" (Tutas, 1973, 2-3).
Een verordening van de Sprachregelung schreef dan ook voor dat propaganda steeds als "iets goeds" moet worden voorgesteld.
De hierboven geciteerde uitspraken van Goebbels zouden zonder meer - zoals uit het vierde hoofdstuk moet blijken - als het uitgangspunt voor het oordeel van de Frankfurter Schule over de media kunnen dienen. Op zich rationele middelen worden ingezet om irrationele doeleinden te bereiken. De autoriteit is irrationeel omdat zij beoogd wordt om zichzelf: het gaat om macht om de macht zonder verdere ideologie.
Thans zorgt niet de dictatuur maar wel de cultuurindustrie ervoor dat het volk tot zodanige inzichten wordt gebracht dat het zich gewillig en zonder innerlijke weerstand aan het systeem onderwerpt. De nazi-leiders hadden politieke macht op het oog; nu worden de media gebruikt om vooral economische belangen veilig te stellen. De methoden zijn weliswaar veranderd maar niet de doelstellingen.
2.3 DE OPPOSITIE VAN DE EXIL-PERS
De talrijke Joden, politieke tegenstanders, auteurs en wetenschapsmensen in exil hadden in hun oppositie tegen het nazi-regime maar één degelijk wapen en dat was protest via de media.
Niet alleen wilde men het informatie- en duidingsmonopolie van de Duitse machtshebbers doorbreken maar vooral probeerde men hun pogingen om een identiteit tussen nationaal-socialisme en Duitsland te bewerkstelligen, doen mislukken. Het buitenland moest ervan overtuigd worden dat er géén "Gleichschaltung" was tussen nazisme en Duitse bevolking en instellingen. Zulke oppositie werd vooral gevoerd door dié emigranten die na de verhoopte ineenstorting van het régime naar Duitsland wilden terugkeren. Deze groep bestond vooral uit politiek geëngageerden die niet van plan waren zich blijvend in een ander land te vestigen en zich te integreren. Degenen die zich wel wensten te assimileren, voelden zich minder geroepen tot de directe strijd met de nazi's. De meeste medewerkers van het Institut für Sozialforschung (IfS) behoorden tot deze groep.
Bovendien stelden zij ook hier de theorie boven de "praxis".
In 1933 moest ook de top van de "Kommunistische Partei Deutschlands" (KPD) emigreren. Met behulp van de Komintern richtte ze in Parijs de "Editions du Carrefour" op. Ook via de radio, en wel de zenders Moskou en Freies Deutschland werd tegen Hitler gepropageerd.
De SPD trok naar Praag waar men de uitgeverij "GRAPHIA" stichtte. De invloed van de ondergrondse publicaties die onder de Duitse arbeiders werden verspreid, moet zeer groot zijn geweest want bij de verkiezingen van ondernemersraden in 1935 dreigden de arbeiders op een dusdanig groot succes af te stevenen dat de verkiezingen door de nazi's werden afgebroken (Berglund, 1972, 25). Met uitzondering van de "Deutsche Freiheitspartei" (DFP) richtten de "burgerlijke" partijen geen verzetsorganisaties in ballingschap op. De DFP verspreidde in Duitsland "Deutsche Freiheitsbriefe" in de vorm van pamfletten en gaf in het buitenland het maandblad "Das wahre Deutschland" uit. Via de "Freiheitssender" in Engeland deed ze oproepen tot het leger om Hitler af te zetten. Begin 1933 werd het "Schutzverband Deutscher Schriftsteller" (SDS) ontbonden en vervangen door het "Reichsverband Deutscher Schriftsteller". Auteurs die oppositie hadden gevoerd of zich niet wilden laten "gleichschalten" moesten emigreren. Sommigen (Erich Kästner bv) bleven en konden overleven. Anderen werden aangehouden. Tussen 1933 en 1945 schreven meer dan 1800 auteurs vanuit ballingschap (Berglund, 1972, 45).
Het SDS gaf "Der Schriftsteller " uit dat in Duitsland illegaal werd verspreid en niet zonder invloed bleef. In Parijs gaven een aantal auteurs verenigd in het "Deutsche Volksfront" de "Deutsche Informationen" uit.
Na de bezetting van Frankrijk, verloren de Duitse ballingen hun belangrijkste persorganen in Europa. De meesten weken uit naar Amerika waar men onmiddellijk met nieuwe publicaties begon: in New York met de "Neue Volkszeitung", in Mexico: het "Freies Deutschland"; Chili: "Deutsche Blätter"; Argentinië "Das andere Deutschland". In de Sovjet Unie werd een nationaal comité het "Freies Deutschland" in het leven geroepen dat in samenwerking met een aantal auteurs radio-uitzendingen vanuit Moskou verzorgde.
De ballingen hadden allen hun afkeer voor het fascisme gemeen. Toch zijn zij er nooit in geslaagd in hun verzet een eenheidsfront te vormen (Berglund, 1972). Hun publicaties echter over vervolgingen, terreur en bloedige excessen deed bij de buitenlandse pers een koerswijziging ontstaan. De wereldpers die tot 1933 relatief terughoudend was gebleven, werd kritischer en agressiever en verenigde zich tenslotte tot één forum van afkeuring (Tutas, 1973, 52-53).
Intussen stelden de nationaal-socialisten in Duitsland alles in het werk om "Greuelmeldungen" van emigranten te beletten en om zich tegen de "Greuellügen" te verdedigen. De nazi's schrokken er niet voor terug familieleden te gijzelen teneinde emigranten te dwingen hun pen neer te leggen. Sommige auteurs werden op die manier zelfs gedwongen hun vroegere beweringen in te trekken. In de kranten en vooral het nazi-partijblad "Völkischer Beobachter" werden zulke "Lügenbekentnisse" breed uitgesmeerd. Concentratiekampgevangenen werden gedwongen naar buitenlandse krantenredacties brieven te schrijven waarin zij het bestaan van gruweldaden ontkenden.
Het eenvoudigweg dementeren van de door de emigranten gesignaleerde feiten, was niet voldoende. De feiten moesten weerlegd worden. Daar dit meestal onmogelijk was, veranderde de nazi-propaganda van tactiek: de informatie zelf werd niet meer weerlegd, maar de informanten zelf werden aangevallen.
Door ze voortdurend de stempel op te drukken van marxisten, landverraders, joods-bolsjevistische samenzweerders, leugenachtige opruiers, pacifisten, criminelen, "Untermenschen", enz. werd gepoogd een identificatie tot stand te brengen van emigrant met ongeloofwaardigheid (Tutas, 1973, 51).
Deze tactiek bleef niet zonder succes. In sommige buitenlands krantenartikels waarin Duitse toestanden aan de kaak werden gesteld, werd om de geloofwaardigheid te verhogen, uitdrukkelijk vermeld dat de auteur geen emigrant was.
De NS-propaganda tegen de emigranten had ook een belangrijke interne politieke functie. De aandacht van de bevolking moest immers worden afgeleid van de socio-economische problemen waarmee het land overspoeld was. De oorzaak van de ellende moest in het buitenland liggen. Als schuldigen konden de emigranten worden aangewezen die in het buitenland tegen Duitsland (de nazi-propaganda vermeldt nooit dat de emigranten enkel het nationaal-socialisme bestreden) ageerden en tot boycot opriepen. Zo werd er een vijandbeeld gecreëerd van een wereldwijde joodse en marxistische macht die het bestaan van Duitsland bedreigde (Tutas, 1973, 42).
Via de media hield de nazi-top dit vijandbeeld voldoende levendig als middel om het doel n.l. de macht over een volk dat de autoriteit als bescherming aanvaardt, te bereiken.
Daarom was het nodig deze vijand niet als té sterk voor te stellen en regelmatig uit te pakken met opzienbarende overwinningen.
In nazi-Duitsland wordt, zoals in andere totalitaire staten de communicatie volledig "gestuurd". De partij-ideologie wordt verspreid via opvoedingsinstellingen en de media; de geschiedenis geherinterpreteerd. De machtshebbers doen het aan hun burgers voorkomen alsof elke handeling, ook uit het gewone dagelijkse leven, een politieke betekenis heeft.
Zoals trouwens nu nog in een bepaald soort pers
(bv "Bildzeitung") het geval is, wordt de "restricted code" gebruikt: concrete metaforen, gedichotomiseerde uitspraken, vereenvoudigde zinsconstructies en ongedifferentieerde vocabulaire- en stereotypificaties. De stereotypen zetten niet aan tot kritische bedenkingen over maatschappelijke toestanden.
Het publiek krijgt nauwelijks andere standpunten dan de officiële te horen en is geneigd deze als werkelijkheid te gaan aannemen. Willens nillens steunt het op die manier de bestaande instituties en politiek. De bestaande condities worden nog versterkt ("reinforcement") omdat de overgebrachte boodschappen met de communicatieve vaardigheden van het publiek corresponderen daar dit eenzelfde interpretatiekader wordt aangekweekt dat door de media wordt gebruikt (Müller, 1973, 99-101).
De nazi-machtshebbers geloofden in de media als machtige instrumenten voor beïnvloeding, manipulatie en onderdrukking. In hoever dit geloof gerechtvaardigd was, laat zich niet objectief vaststellen. De blinde volgzaamheid van miljoenen aan hun leiders is echter moeilijk te verklaren zonder de invloed van de media. Anderzijds is het niet ondenkbaar dat de media hoofdzakelijk de tijdsfactor hebben beïnvloed. Zonder radio en pers zou het proces misschien alleen maar langzamer zijn verlopen. Hoe dan ook, het geloof in de kracht van het medium wordt door de Frankfurters gedeeld, en volgens hen hebben de nieuwe machthebbers zoals de "Generaldirektoren", economische, politieke en ideologische lobby’s hetzelfde geloof en maken zij het individu met behulp van de media binnen de structuur van een allesomvattende cultuurindustrie tot een blinde volgeling van het systeem.
Tussen "Heil Hitler" en "Persil wast zo wit, witter kan het niet" is er dan geen groot verschil. De nieuwe leiders geloven immers even sterk in de media als manipulatiemiddelen. Vooral Horkheimer en Adorno hebben zich met dit "kapitalistische fascisme" beziggehouden.
3 HET "INSTITUT FÜR SOZIALFORSCHUNG"
Twee maanden na de machtsovername door Hitler werd het IfS wegens "vijandige neigingen jegens de staat" (Jay, 1977, 47) gesloten. Horkheimer, toen directeur, had het gevaar tijdig onderkend en al in 1937 een afdeling in Genève opgericht die door Pollock en Mandelbaum werd geleid.
In 1932 werd Marcuse lid van het IfS te Genève. Het jaar daarop gingen Horkheimer, Fromm en Lowenthal er eveneens naartoe. Adorno bleef voorlopig officieel in Duitsland gedomicilieerd maar trok voor verdere studie naar Oxford. De enige niet-jood van het IfS en communistisch activist Wittfogel kwam in een concentratiekamp terecht, maar slaagde er toch in nog in 1933 te emigreren. Benjamin vluchtte naar Parijs. Na de bezetting van Frankrijk in 1940 en opnieuw op de vlucht kwam hij op een tragische manier aan zijn einde.
In Genève werd het IfS omgedoopt tot de "Société Internationale des Recherches Sociales". In Londen en Parijs werden eveneens kleine afdelingen opgericht. Het in 1932 te Frankfurt gestichte "Zeitschrift für Sozialforschung" (ZfS) werd vanaf 1933 verder in Parijs uitgegeven.
In 1934 toen men zich ook in Genève niet meer veilig waande, vestigden zich de meeste medewerkers in New York. De Columbia University aldaar zorgde voor de nodige faciliteiten om wetenschappelijk werk te kunnen verrichten.
Intussen verwijderde zich vooral Horkheimer meer en meer van het orthodoxe marxisme van de beginperiode. Aandacht ging naar empirische studies over autoriteit, de ontstaansvoorwaarden van fascisme en antisemitisme, psychoanalyse, economie, politiek en cultuur.
De verandering van aanpak was begonnen met de benoeming in 1930 van Horkheimer tot directeur van het IfS. Daarmee kwam een einde aan het "fantasieloze marxisme" van de "Grünbergperiode" (Jay, 1977, 29). Grünberg als orthodox marxist was kort na de stichting van het IfS in 1923 directeur geworden. Het toenmalige tijdschrift en voorloper van het ZfS het "Archiv für die Geschichte des Sozialismus und der Arbeiterbewegung" stond ook open voor bijdragen van links-hegelianen zoals Georg Luckàcs en Karl Korsch. Later zal vooral Horkheimer dit soort marxisme hevig bekritiseren (Korthals, 1981, 16).
Horkheimer drukt als directeur dermate zijn stempel op de ontwikkeling van het IfS dat het een heel eigen gezicht krijgt en school maakt. De Frankfurter Schule (FS) bestaat uit de kern van de IfS-medewerkers die (voor langere of kortere tijd) nauw met Horkheimer zullen samenwerken: Pollock, Fromm, Marcuse, Adorno, Lowenthal.
3.2 DE MAATSCHAPPIJVISIE VAN DE FRANKFURTERS
Zoals alle cultuuruitingen zijn de media een product van maatschappelijke stromingen en krachten. De mediasituatie in het Derde Rijk is een extreem voorbeeld hiervan. Het is niet mogelijk de media los te zien van het onderliggend maatschappelijke spectrum van economische, politieke, levensbeschouwelijke, historische, psychologische en sociale factoren.
Het is derhalve noodzakelijk om na te gaan hoe de multidisciplinaire FS over de maatschappij denkt om haar standpunten m.b.t. de media te kunnen blootleggen.
De "Kritische Theorie" (KT) van de maatschappij is weliswaar geworteld in het historisch-materialisme maar komt er niet mee overeen. Ze laat zich niet herleiden tot zomaar een marxisme of een variant ervan. "Dé KT van de Frankfurter Schule bestaat in feite niet" zegt Korthals (1981, 7), hoogstens zijn er thema's te noemen die de opvattingen van haar vertegenwoordigers weergeven. Zo zag Horkheimer zich zelfs genoodzaakt herhaaldelijk zijn denkbeelden te herzien:"....zijn ontwikkeling loopt van een positivistisch getint marxisme naar een gepolitiseerd en geradicaliseerd marxisme gedurende de opkomst van het fascisme tot het einde van de jaren dertig; en daarna van een pessimistisch marxisme naar een niet-marxistisch pessimisme tijdens en na de koude oorlog" (Korthals, 1981, 8).
De FS bouwde nooit een afgesloten geheel van wetenschappelijke kennis in de zin van één theorie op. Horkheimer uit zijn denkbeelden door middel van essays en artikels over zeer uiteenlopende onderwerpen. Fromm poogt door middel van psychoanalytische en sociaal-psychologische inzichten een brug te slaan tussen de economische onderbouw en de culturele bovenbouw; Adorno besteedt aandacht aan muziek en zeer uiteenlopende filosofische, sociologische en sociaal-psychologische kwesties; de ééndimensionale mens van Marcuse is evenmin een maatschappijtheorie en dat zijn de publicaties van Pollock over politieke economie en de sociologische literatuuranalyses van Lowenthal nog minder.
De multidisciplinaire aanpak van de KT moet haar instaat stellen de maatschappij in haar totaliteit te benaderen. De KT zelf maakt er derhalve ook deel van uit en is dus eveneens haar object.
Dit betekent dat de KT, zoals de maatschappij onderhevig is aan verandering en nooit "af" kan zijn. Zij is zoals de maatschappij een dialectisch proces en kan zich niet vastpinnen op onveranderlijke begrippen en ideeën. Horkheimer (1941, 42) hierover: "... leidt het pedante insisteren op nuchtere feiten tot een fetisjisme van de ideeën. Ze worden heden halsstarrig ernstig genomen; elk geldt terstond als vaste grootte, als recept, dat de maatschappij geneest, of als een gif waaraan ze ten gronde gaat. De hele ambivalentie van de gehoorzaamheid zet zich in de houding tegenover de ideeën door. Men wil er zich aan onderwerpen of er zich tegen verzetten alsof ze afgoden waren. Eerst spelen ze de rol van handleidingen, tenslotte die van autoriteiten en leiders. Wie ze uitspreekt, geldt als profeet of als ketter, als object van massaverering of politieke vervolging. Dat aldus ideeën nog slechts als verdicten, directieven of signalen begrepen worden, kentekent de zwakte van het subject in de huidige tijd. Lang voor autoritaire regimes werd zijn intellectuele functie beperkt tot het vaststellen van feiten. De beweging van het denken breekt af op slagzinnen, diagnosen en prognoses. Ieder wordt geclassificeerd: als bourgeois, communist, fascist, jood vreemdeling of "één van ons" - en dat bepaalt voor eens en altijd de houding. Naar zulke modellen hebben de afhankelijke massa's en betrouwbare wijsgeren steeds in de wereldgeschiedenis hun denken gericht. Ze plegen zich onder "Ideeën", dus denkproducten te verenigen die tot fetisjen waren geworden. Denken dat aan zichzelf trouw blijft, weet zichzelf op elk ogenblik tegelijk als een geheel en als onvoleindigd. Het lijkt minder op de uitspraak van de rechter dan op het laatste woord van een veroordeelde die men voortijdig onderbreekt."
Maar Horkheimer (1937, 114) geeft ook toe dat: " De kritische theorie van de maatschappij eveneens [begint] met abstracte bepalingen; voor zover ze de tegenwoordige periode behandelt, begint ze met de karakterisering van een op ruil gefundeerde economie. De bij Marx voorkomende begrippen als waar, waarde en geld kunnen als soortbegrippen dienst doen, .."
In tegenstelling tot de traditionele theorie liggen in deze begrippen reeds hun historische ontwikkeling en hun belang voor de toekomst besloten. Bovendien zijn ze niet aan één vakgebied gebonden. Zij zijn het resultaat van de kennis over mens en natuur die in de vakwetenschappen aanwezig is. "De uitspraak bijvoorbeeld dat de laagste klassen van de maatschappij onder bepaalde voorwaarden ook de meeste kinderen hebben, speelt een belangrijke rol bij het aantonen hoe de burgerlijke ruilmaatschappij noodzakelijk tot het kapitalisme met industrieel reserveleger en crises voert. De psychologische fundering van deze uitspraak wordt aan de traditionele wetenschappen overgelaten. De kritische theorie begint dus met een door relatief algemene begrippen bepaalde idee van de eenvoudige warenruil; uitgaande van alle beschikbare kennis, na verwerking van het materiaal dat uit eigen en andermans onderzoeken wordt toegeëigend, wordt dan aangetoond hoe de ruileconomie bij de gegeven en weliswaar onder haar invloed veranderende hoedanigheid van mensen en dingen, zonder dat haar eigen, door de academische economie geformuleerde principes geschonden worden, noodzakelijk moet leiden tot de verscherping van de maatschappelijke tegenstellingen, die in de huidige historische periode tot oorlogen en revoluties aandrijft" (Horkheimer, 1937, 116).
Het kapitalisme leidt dus noodzakelijk tot zijn eigen ondergang. De louter logische noodzakelijkheid van dit proces kan echter net zo goed uit de traditionele theorie afgeleid worden.
Wat is er dan bijzonder aan de KT? Het verschil ontstaat aldus Horkheimer (1937, 118) "zodra er niet meer sprake is van een louter logische, maar van een reële noodzakelijkheid, van de noodzakelijkheid van feitelijke processen". In de traditionele theorie wordt het object waarmee de vakwetenschap bezig is, door zijn theorie niet beroerd. Subject en object zijn gescheiden. "Tot de ontwikkeling van de maatschappij behoort echter het bewust kritische gedrag. De constructie van het historische proces als het noodzakelijke product van een economisch mechanisme omvat tegelijkertijd het zelf daaruit voortkomende protest tegen deze orde en het idee van de zelfbeschikking van het menselijke geslacht, dat wil zeggen een toestand waarin zijn daden niet meer uit een mechanisme, maar uit zijn eigen beslissingen voortvloeien. Het oordeel over de noodzakelijkheid van het gebeuren tot nu toe impliceert hier de strijd om haar verandering van een blinde in een zinvolle noodzakelijkheid" (ibidem, 119). De louter logische, mechanische, blinde noodzakelijkheid van de maatschappelijke ontwikkeling, waarbij de mensen slechts passieve deelnemers zijn aan een reusachtig gebeuren, moet door de mens zodanig omgevormd worden dat de noodzakelijkheid een door de rede beheerst proces wordt.
De maatschappij moet van object tot een redelijk handelend subject worden, dat uitbuiting en onderdrukking bant.
De kritische theorie heeft geen andere legitimeringsgrond dan de rede, zij heeft "geen andere instantie die voor haar spreekt dan het met haar zelf verbonden belang bij de opheffing van het maatschappelijke onrecht" (ibidem, 131).
De rede krijgt hier een andere inhoud dan in de idealistische filosofie die gesteld had "dat de rede de eigenlijke werkelijkheid is. In het burgerlijke tijdperk werd de werkelijkheid van de rede tot de taak die het vrije individu moest volbrengen. Het subject was de zetel van de rede: van hem uit moest de objectiviteit redelijk worden. De materiële bestaansverhoudingen lieten de autonome rede echter alleen in het zuivere denken en in het zuivere willen haar vrijheid.
Maar nu is er een maatschappelijke situatie bereikt, waarin de verwerkelijking van de rede niet meer beperkt hoeft te worden tot het zuivere denken en willen. Wanneer de rede de vormgeving van het leven volgens de vrije beslissing van de kennende mens betekent, dan wijst de eis van de rede thans op de schepping van een maatschappelijke organisatie, waarin de individuen naar hun behoeften gemeenschappelijk hun leven regelen. In zo een maatschappij zou met de verwerkelijking van de rede ook de filosofie opgeheven zijn (Marcuse, 1937, 158). Aldus gaat het filosofische ideaal van een betere wereld en het ware zijn op in de kritische theorie die moet instaan voor de verwerkelijking van de redelijke maatschappij.
Hiervoor is meer nodig dan het opheffen van de bestaande economische verhoudingen: de economie moet aan de behoeften van de individuen ondergeschikt worden gemaakt. Het arbeidsproces moet volgens plan worden gereguleerd en wel zodanig dat de vrijheid en het geluk van de mensen gevrijwaard worden. Want "zonder de vrijheid en het geluk in de maatschappelijke relaties van de mensen blijft ook de grootste stijging van de productie en de afschaffing van de individuele eigendom van de productiemiddelen behept met de oude onrechtvaardigheid" (Marcuse, 1937, 161). Het slechte materialisme van de burgerlijke filosofie is de troost dat in de materiële wereld alles wel in orde is m.a.w. dat binnen de bestaande structuren wordt gehandeld en dat " de geest niet in deze wereld zijn eisen moet stellen en een plaats moet vinden in een andere, die met de materiële wereld niet in conflict raakt. Het slechte materialisme van de filosofie wordt in de materialistische theorie van de maatschappij overwonnen. Dit is het idealisme, dat aan haar materialisme ten grondslag ligt. Net zolang als de werkelijkheid, die ze ten doel heeft, nog niet gegeven is, hebben ook haar constructieve begrippen een rest van abstractheid" (Marcuse, 1937, 169).
Deze "rest van abstractheid" zal blijven zolang er moet worden uitgezien naar de toekomstige toestand van de mens. Deze kan niet door middel van streng wetenschappelijke methodes gereveleerd worden. "Om in het heden het nog niet tegenwoordige als doel vast te houden, is er fantasie nodig. Zonder fantasie blijft alle filosofische kennis altijd maar in de greep van het heden of het verleden, afgesneden van de toekomst, die als enige de filosofie verbindt met de werkelijke geschiedenis van de mensheid"(ibidem, 171). De nieuwe orde die moet komen, wordt wel afgedaan als een utopie maar daarvoor heeft de KT geen angst. Immers, zo vervolgt Marcuse, (ibidem, 160), al datgene wat in de bestaande orde niet te verwezenlijken is, wordt door deze laatste als utopisch bestempeld en daar behoort ook de waarheid toe. Dit is een reden te meer om eigenzinnig aan de waarheid vast te houden en het huidige grillige en ongeremde opportunisme in de filosofie af te wijzen.
De kritische theorie van de maatschappij houdt dan ook vast aan volgende waardeoordelen (Marcuse, 1971, 10):
"1. Het oordeel dat het menselijk leven de moeite waard is; of liever gezegd, dat het de moeite waard kan zijn en gemaakt behoort te worden;
2. Het oordeel dat er, in een gegeven samenleving, bepaalde mogelijkheden zijn om het bestaan van de mens te verbeteren en bepaalde wegen en middelen om deze mogelijkheden te verwerkelijken".
De verwerkelijking vereist echter méér dan speculatie, analyse van de politieke economie en filosofie; nodig is eveneens de empirie: er dient nagegaan wat de huidige maatschappij is en welke mogelijkheden ze biedt.
Nu laat zich de maatschappij niet volgens de traditionele logica definiëren en evenmin deiktisch aantonen (Adorno, 1965, 11). Immers kan men begrippen "waarin zich een volledig proces semiotisch samenbalt" (Nietzsche) niet in een definitie onderbrengen. Om inzicht te krijgen in datgene wat de maatschappij is, is een uitvoerige theorie nodig. Fragmentarische sociologische theorieën schieten te kort.
De roltheorie bijvoorbeeld zou het sociale handelen verklaren. De mensen bezetten rollen in de structuren van de maatschappij die hen tot puur zelfbehoud dresseert en tegelijkertijd het behoud van hun "zelf" belet. "Het allesbeheersende identiteitsprincipe, de abstracte vergelijkbaarheid van hun maatschappelijke arbeid, drijft hen tot de vernietiging van hun identiteit. Niet voor niets is het zich als waardevrij voordoende begrip van de rol aan het theater ontleend, waar acteurs niet echt die zijn, die ze spelen. Maatschappelijk drukt zulke divergentie het antagonisme uit" (Adorno, 1965, 13). Als de roltheorie zich niet afvraagt waarom de mensen nog steeds aan rollen vastgekluisterd zitten, draagt ze ertoe bij de "wantoestand van de rol te vereeuwigen" (ibidem). "Een maatschappijbegrip dat daarmee niet tevreden is, zou kritisch zijn. Het zou boven de trivialiteit dat alles met alles samenhangt uitgaan. De slechte abstractheid van die zin is niet alleen een mager denkproduct maar ook een slecht uitgangspunt van de maatschappij zelf: dat van de ruil in de moderne maatschappij" (ibidem).
Niet pas in de wetenschappelijke reflectie, maar in het universele ruilproces wordt al objectief geabstraheerd. Er wordt afstand genomen van de kwalitatieve hoedanigheid van de producenten en consumenten, van de productiewijze en zelfs van de behoefte. Primair is de winst. De mensheid wordt geclassificeerd als cliënteel, als behoeftesubject en is weliswaar niet alleen door de technische stand van de productiekrachten maar evenzeer door de economische verhoudingen gepreformeerd. De abstracte ruilwaarde is niet zoals bijvoorbeeld het de maatschappelijke gemiddelde arbeidstijd doet voorkomen, maatschappelijk neutraal. In de reductie van mensen tot agenten en dragers van de warenruil, verbergt zich de heerschappij van mensen over mensen.
Dit blijft waar ondanks alle kritiek waaraan tegenwoordig de politieke economie blootstaat. Wie niet ten onder wil gaan moet zich aan de wetten van de ruil onderwerpen of men nu door winstmotief geleid wordt of niet.
Een institutie zoals het gezin, zo vervolgt Adorno (1965, 14 -15), heeft zijn interne structuur van het ruilproces moeten vrijwaren om zijn voortbestaan te kunnen verzekeren. In de maatschappelijke ruilverhouding daarentegen wordt het antagonisme gecreëerd en gereproduceerd. Iedere maatschappij is nog een klassenmaatschappij vanuit de tijd dat dit begrip zijn intrede deed. De mateloze druk in de Ooststaten toont aan dat het daar niet anders is.
Hoewel de prognoses van de verpaupering doorheen een lange periode, zich niet verwerkelijkten, is het verdwijnen van de klassen slechts een epifenomeen gebleven. Empirisch sociologisch onderzoek toont duidelijk het verschil in wereldbeeld tussen leden van de hogere en lagere klassen aan. "De arbeiders zien de maatschappij nog steeds als gespleten naar boven en beneden"(ibidem).
De onophoudelijke en subjectief verborgen voortschrijdende concentratie van het kapitaal doet het objectieve klassenverschil toenemen. Terwijl consumptiegedragingen convergeren, wordt het verschil tussen maatschappelijke macht en onmacht groter dan ooit tevoren. Ieder kan bijna aan den lijve ondervinden dat hij zijn maatschappelijke existentie niet meer zelf bepaalt maar naar gaten, open plaatsen, jobs moet zoeken die voor zijn onderhoud instaan, zonder dat hij rekening kan houden met wat hij als eigen menselijke bestemming voor ogen heeft. De mens heeft zich aan te passen. Het sociaal-darwinistische begrip "aanpassing" wordt tot ideologie. Dat het ondanks alles in wankel evenwicht verder gaat, is toe te schrijven aan de in alle landen ter wereld uitgeoefende controle op het maatschappelijke krachtenspel.
De technologie mag voor deze ontwikkelingen niet als zondebok aangewezen worden, zo gaat Adorno verder, techniek als zodanig is de verlengde arm van de mens. Evenmin kan een rationeel doorzichtige, werkelijk vrije maatschappij zonder bureaucratie of arbeidsdeling. Maar overal tenderen de bureaucratieën naar verzelfstandiging hetgeen de mensen verlaagt tot objecten van abstract genormeerde processen.
Het massale aanbod van verbruiksgoederen, de cultuurindustrie en de ontelbare rechtstreekse en onrechtstreekse geestelijke controlemechanismen, dragen ertoe bij dat het subject zich niet meer als subject herkent. De cultuurindustrie is een product van de vrije markt en moest zich dus aan haar consumenten aanpassen.
Zij werd de instantie die het bewustzijn in zijn bestaande vormen, de geestelijke status quo, fixeert en versterkt.
Integratie gaat nog verder dan aanpassing.
"De aanpassing van de mensen aan de maatschappelijke verhoudingen en processen die de geschiedenis bepaalt en zonder dewelke het de mensen moeilijk zou zijn geworden voort te bestaan, heeft zich in hen zodanig gesedimenteerd, dat de mogelijkheid om er zonder ondraaglijke instinctconflicten zelfs slechts in het bewustzijn uit te breken, zeer klein wordt. Zij zijn, triomf van de integratie, tot in hun innerste gedrag, geïdentificeerd met datgene wat met hen gebeurt. Subject en object zijn, als smadelijke tegenzet aan de hoop van de filosofie, verzoend" (Adorno, 1965, 18). "Zo komt er een patroon te voorschijn van denken en handelen in één dimensie, waarbij ideeën, verlangens en doeleinden die gezien hun inhoud de gevestigde orde van spreken en handelen overstijgen ofwel worden afgewezen ofwel herleid worden tot termen van deze orde" (Marcuse, 1971, 32).
Ook de hogere cultuur, de cultuur van voor de industrialisatie, is slachtoffer van deze reductie. De hogere cultuur bezat twee dimensies want ze transcendeerde de werkelijkheid. De samenleving bestond uit twee antagonistische lagen.
Natuurlijk was de groep die zich oppositioneel, strijdig en transcendent kon gedragen, maar klein. Ze bezat echter nog de verering voor de autonome persoonlijkheid, voor humanisme, voor de tragische en romantische liefde. Deze hogere cultuur bevatte de sublimaties; het waren de idealen. De werkelijkheid heeft de hogere cultuur ingehaald en er vond ontsublimering plaats. "Deze gelijkschakeling van het ideaal met de werkelijkheid laat duidelijk zien hoezeer het ideaal overtroefd is. Het is uit het gesublimeerde rijk van de ziel, de geest, of de innerlijke mens neergehaald en is in operationele termen en problemen vertaald"(ibidem, 77).
Hierdoor heeft de hogere cultuur het grootste deel van haar waarheid verloren. Haar protagonisten (dichters, de krijger, de nar, de overspelige, degene die niet voor de kost werkte) waren ordeverstorende figuren: zij bevestigden de bestaande maatschappij niet. De beelden, woorden en klanken van de hogere cultuur zijn niet door hun artistieke veroudering van hun kracht beroofd. Enkele ervan blijven verder leven. "Maar de subversieve kracht is er aan ontnomen, de vernietigende inhoud - de waarheid. In deze nieuwe vorm voelen zij zich in huis, tuin en keuken op hun gemak. De opstandige en vervreemdende oeuvres van een intellectuele cultuur worden alledaagse goederen en diensten. Duidt de massale reproductie en consumptie ervan slechts op een kwantitatieve verandering n.l. op een groeiende waardering, op meer begrip voor de cultuur, op een democratisering ervan?" (Marcuse, 1971, 81)
Er kwam inderdaad een culturele verzoening tot stand: de meest tegenstrijdige cultuuruitingen leven vreedzaam naast elkaar. Dat kunnen ze alleen maar omdat ze onverschillig tegenover elkaar staan. De hogere cultuur sluit niet meer "de rationaliteit van de negatie" in. Zij is niet meer de "Grote Weigering" - het protest tegen dat wat bestaat. De artistieke vervreemding, de distantie is er niet meer: de "andere dimensie" wordt in het gewone levenspatroon opgezogen. Bach als achtergrondmuziek in de keuken, Shelley en Baudelaire in het warenhuis komen inderdaad daardoor veel dichter bij de mensen. "Maar tot leven komend als klassieken, komen zij als anderen dan zichzelf tot leven; ze zijn beroofd van hun antagonistische kracht, van het afstand nemen waarin juist de dimensie van hun waarheid lag. De inhoud en de functie van deze werken zijn op deze manier fundamenteel veranderd. Als ze al eens in tegenspraak waren met de status quo, dan is deze tegenspraak nu opgeheven"(Marcuse, 1971, 84).
De culturele gelijkschakeling komt te vroeg omdat ze niet gelijkloopt met de bevrijding van de mens. De overheersing blijft immers bestaan. Dat vroeger cultuur slechts toegankelijk was voor een handvol geprivilegieerden, was de schuld van een repressieve samenleving. Deze wordt niet ongedaan gemaakt door goedkope pockets en langspeelplaten. De cultuurindustrie houdt de status quo, de reductie van de mens tot één dimensie in stand.
Eén van haar instrumenten zijn de massamedia.
Voordat we dieper ingaan op het door Horkheimer en Adorno geïntroduceerde begrip "cultuurindustrie" dat de visie van de Frankfurters op de ideologische bovenbouw en dus ook op de media weergeeft, is het nodig even stil te staan bij hun opvattingen over autoriteit als één van de oorzaken voor het ontstaan van het fascisme dat nauw zou zijn verbonden met het kapitalisme en de daaruit voortspruitende cultuurindustrie.
De opkomst van het fascisme kan beschouwd worden als een nederlaag voor de kritische theorie. Zij probeert dan ook verklaringen te vinden. Een tweede nederlaag lijdt de KT toen bleek dat het politieke fascisme niet door het proletariaat maar door één van zijn oorzaken n.l. het kapitalisme zelf, werd overwonnen. Ook met dit feit hebben de Frankfurters de grootste moeite: zij zullen deze "overwinning" blijven aanvechten.
Auteurs zoals bv Oscar Negt die in de traditie van de FS verderwerken, blijven het "causale" verband tussen kapitalisme en fascisme benadrukken (1973, 14).
4.1.1. PSYCHOLOGISCHE PROPAGANDATECHNIEKEN
Fascisme is niet een fenomeen dat uitsluitend verbonden is met één tijdperk en één plaats n.l. voor en tijdens het "Dritte Reich" in Duitsland en aanverwante landen. Evenmin hoeft het zich te beperken tot politiek. Antisemitisme, bepaalde religieuze stromingen, enz. vertonen grote overeenkomsten met het nazi-fascisme. Zo toont Adorno(1975-1) aan de hand van radiotoespraken van een Amerikaans dominee aan dat deze dezelfde psychologische propagandatechnieken hanteert als Hitler en diens medewerkers.
Omdat wij later nog zullen ingaan op het onderzoek van de Frankfurters van de autoritaire persoonlijkheid die in verband staat met de mogelijkheidsvoorwaarden voor manipulatie van recipiënten van mediaboodschappen, moeten wij even stilstaan bij het beeld dat de fascistische agitator van zichzelf ophangt bij het publiek. Adorno deed een inhoudsanalyse van de radiotoespraken uit de jaren 1934 en 1935 van dominee M.L. Thomas, en stelde vast dat deze voortdurend de volgende kunstgrepen of motto's gebruikt: de "eenzame wolf"; de "vrije-emotie"; de "vervolgde onschuld"; de "onvermoeibaarheid"; de "boodschap"; de "grote kleine man"; de "goede oude tijd".
Enkele daarvan lichten wij nader toe (Adorno, 1975-1, 14-36).
De "eenzame wolf".
Deze kunstgreep komt uit het arsenaal van Hitler die er steeds prat op ging dat hij zijn beweging startte met zeven eenzame en heroïsche partijkamaraden en er zich over beklaagde dat anderen de pers, radio, ja alles controleerden en dat hijzelf over niets beschikte. Thomas beklaagt er zich over dat hij geen sponsors heeft en dat de politici geen cent aan zijn beweging geven. Hij speelt erop in dat het publiek wantrouwig is t.o.v. politiek die met geld is verbonden en hij valt die politiek dan ook scherp aan. Hoe scherper zijn aanvallen zijn, hoe minder men zal denken dat hijzelf achter geld aanzit. Karakteristiek voor fascistische propaganda is dat zij haar eigen ondeugden in haar slachtoffers projecteert. Het "eenzame wolf"-motto moet ook de schrik van de mensen voor manipulatie verminderen. Immers wantrouwt men de economische centralisatie en monopolisering van de communicatiekanalen. De geloofwaardigheid van Thomas' uitspraken stijgt dus door zich van politiek geld te distantiëren.
Anderzijds hebben de mensen nood aan passieve manipulatie.
Zij willen beschermd (gemanipuleerd) worden door leiders waarin ze vertrouwen hebben. De grenzen tussen propagandistische en "ware" uitspraken vervagen omdat "ware" uitspraken overeenkomen met bestaande machtsrelaties die met de algemeen aanvaarde hiërarchische structuren van de economische organisatie corresponderen. Veelbetekenend in dit verband is, dat Goebbels zijn dienst "Ministerium für Volksaufklärung und Propaganda" noemde. Deze ambiguïteit t.o.v. manipulatie speelt een rol bij het "eenzame wolf"- motto van de propagandist.
Hij voedt het wantrouwen tegenover de macht van de communicatiekanalen en partijpolitiek en suggereert dat in feite zeer veel achter hém staat, n.l. het werkelijke en het echte. Dan wordt: "juist het aan de kaak stellen van manipulatie, [is] het middel tot manipulatie.
Het "vrije-emotie"-motto.
Hitlers toespraken zitten vol emotionele uitbarstingen. Eén van zijn geliefkoosde uitspraken is: "Ik schiet me nog liever dood dan..". Ook de toespraken van Thomas zijn steeds emotioneel en hij zet het publiek aan te gesticuleren, te huilen, kortom de gevoelens de vrije loop te laten. Eens deze drempel van zelfbeheersing overschreden, is de toehoorder ook bereid ongecontroleerd zijn verdrongen gevoelens van haat en woede te uiten. Fascistische krachten maken gebruik van het onvermogen van vele mensen om in de industriële maatschappij tot emotionele behoeftebevrediging te komen. Zij staan hen dus die irrationele voldoening toe, die hen door de sociale en economische inrichting van de maatschappij ontzegd wordt. Zulks gebeurt door gebruikmaking van, uiterlijk gezien, rationele middelen. Anderzijds is het doel van fascisme n.l. manipulatie tegengesteld aan het de "vrije-loop" laten van emoties. De wortels van emotionele frustraties worden dan ook door de fascistische propaganda niet geraakt. Zij blijven verborgen en enkel met woorden, wordt een emotionele stroom losgemaakt die met echte vreugde of welbevinden niets te maken heeft. M.a.w. de "vrije emotie" die het fascisme losmaakt is alleen maar een substituut voor de vervulling van wensen.
De "vervolgde onschuld".
Thomas blijft vaag over zijn persoonlijke achtergronden. Hij laat het aan de fantasie van de luisteraars over om hem te zien als een weldadig geestelijke, een roekeloos soldaat, een fijnbesnaard emotioneel mens, een sluw man die alles van het leven weet, of een brave ziel die eenzaam roept in de woestijn. Die vaagheid moet zoveel mogelijk verschillende types van mensen aan hem binden. Een zekere abstractheid doorspekt met aardige verwijzingen naar het dagelijkse leven, is karakteristiek voor het profiel van de fascistische agitator. Toch komen sommige thema's steeds weer aan bod. Op de eerste plaats zijn eigen onschuld. Zijn onbaatzuchtigheid maakt hem kwetsbaar voor zijn vijanden. "Bepaalde mensen zullen van alles over mij schrijven. Zij schrijven van alles tegen me. Ze schrijven dat ze mij zullen doden". En verder: " Luister Christenen, weet U nog wat hij zei: als ze mij vervolgd hebben, zullen ze U vervolgen".
Thomas wil het gevaar doen inzien van zijn strijd van één tegen allen en rationaliseert aldus agressiviteit onder het mom van zelfverdediging. Voor dominee Coughlin was het Hitler-nazisme dan ook een "zelfverdedigingsmechanisme".
Zulke uitspraken moeten niet volledig letterlijk genomen worden. Ze zijn eerder stimuli voor geweld. In dit verband heeft de psychoanalyse aangetoond dat de agressieve, sadistische tendensen waaraan de fascistische propaganda appelleert, geen duidelijk onderscheid maken tussen agressor en slachtoffer: psychologisch zijn beide noties tot op zekere hoogte verwisselbaar omdat ze dateren uit een ontwikkelingsfase waar het onderscheid tussen subject en object, ego en de externe wereld nog niet duidelijk vastligt.
Deze ambivalentie toont de belangrijke rol aan van het concept van zelfopoffering in alle fascistische propaganda. Zij opent verder de mogelijkheid het aanstaande slachtoffer de schuld te geven van precies die misdaad die men zelf wil begaan.
Het "onvermoeibaarheid"-motto.
Als dominee Thomas verwijst naar zijn eigen vervolgde onschuld, onbaatzuchtigheid en toewijding aan het grote doel, vergeet hij zelden zijn onvermoeibaarheid te vermelden; hij werkt dag en nacht. Onvermoeibaarheid schrijft hij ook toe aan zijn vijanden: "Denk eraan dat de communisten nooit vakantie nemen. Denk eraan dat de duivel voortdurend waakt". De affiniteit hiervan met "Duitsland, word wakker" ligt voor de hand. Het beklemtonen van de eeuwige noodzaak van hard werken legitimeert de eis tot discipline en oppressie.
Een fascistisch bewind staat, psychologisch bekeken, aan niemand toe om te "slapen". Daarom stelt de leider zijn onvermoeibaarheid als voorbeeld aan zijn volgelingen. Onvermoeibaarheid is een psychologische expressie van totalitarisme. Er zal geen rust zijn voordat alles in de greep, onder controle en georganiseerd is.
De "boodschap".
Thomas benadrukt in zijn toespraken dat enkel maar een boodschapper is en niet de redder. In zijn beginjaren als nazi-propagandist gebruikte Hitler trouwens hetzelfde motto: "Ich bin nur der Trommler".
Psychologisch betekent dit motto dat de propagandist zich het imago van de zoon wil aanmeten. Dit stelt hem instaat zich tegelijk als de sterke superieure man én als iemand die als zoon onderworpen aan een vaderlijke autoriteit ook zwakheden heeft, te presenteren. Hij staat in dienst van een zaak die hem overstijgt. Deze hogere zaak is echter niet meer de vader maar verwijst vaag naar de collectiviteit van alle "zonen" die deeluitmaken van de fascistische organisatie. De kracht van deze collectiviteit moet de zwakheid van de individuele deelnemer compenseren. Dit feit weerspiegelt het verval van het gezin als een zichzelf instandhoudende, onafhankelijke, economische eenheid. De vader is immers, in de huidige fase van de sociale ontwikkeling, niet meer degene die het overleven van het gezin kan waarborgen en is derhalve psychologisch niet meer de vertegenwoordiger in de maatschappij van een superieure sociale institutie.
Hitler bracht het zelfs zelf nooit tot vader: als neurotische zwakke zoon was het mogelijk tot een volledige identificatie te komen met zijn gelijken in de NSDAP.
De psychologische technieken die agitators, propagandisten, politici en anderen in de media gebruiken leggen de weg open voor en zijn bewust of onbewust bedoeld om identificatie, stereotyperingen en personaliseringen toe te laten vanwege groepen van mensen met een potentiële "autoritaire" persoonlijkheidsstructuur.
4.1.2. DE AUTORITAIRE PERSOONLIJKHEID
Zoals uit de analyse van de psychologische technieken van dominee Thomas blijkt, doet Adorno beroep op psychoanalytische inzichten. Voordien reeds had het IfS vooral onder impuls van Fromm belangstelling opgevat voor Freud.
Men was van mening dat er aanvullende psychologische categorieën nodig waren om het verband tussen sociaal-economische onderbouw en ideologische bovenbouw te verklaren.
Het economische aspect voldeed niet als enige verklaringsgrond. De materialistische psychoanalyse van Freud moest gestalte geven "aan het materialistische begrip van de wezenlijke natuur van de mens" (Jay, 1977, 116). Het gezin, als vertegenwoordiger van de maatschappij en bemiddeling tussen onder- en bovenbouw, werd daarbij een belangrijk studieobject.
Horkheimer (1936, 154-155) stelt de verandering vast van de rol van het gezin in het socialisatieproces. In het tijdperk van het burgerlijke liberalisme was de vader het natuurlijke en rationele hoofd van de huishouding. In de laatkapitalistische periode, is deze vaderlijke rationele autoriteit aangetast omdat deze wordt "overgedragen" op maatschappelijke instanties buiten het gezin. De socialisering wordt immers meer en meer geïnstitutionaliseerd. In zijn bijdrage aan de "Studien über Autorität und Familie" vestigt Fromm (1936, 155-157) er de aandacht op dat niet alleen de verzwakking van het ego en de daarmee gepaard gaande versterking van het superego (als gevolgen van o.m. de "overdracht" van de vaderlijke autoriteit op buiten het gezin liggende instituties) de toename van irrationele autoriteit verklaren. Veeleer ligt de kern van de autoritaire persoonlijkheid in het sadomasochistische karaktersyndroom als gevolg van het Oedipuscomplex.Fromm zal er later evenwel op wijzen dat het Oedipuscomplex niet universeel is en zal zich overigens ook verder van Freud en van het IfS dat zich aan de orthodoxe psychoanalyse vasthoudt, verwijderen.
Wij nemen de draad dan maar bij Adorno op.
Hij gaat ervan uit (1975-2, 474-479) dat in het Oedipuscomplex de transformatie van de haat tegen de vader in liefde nooit volledig kan slagen.
Een gedeelte van de oorspronkelijke agressie wordt geabsorbeerd en veranderd in masochisme, terwijl een gedeelte overblijft als sadisme dat zich een uitweg zoekt naar degenen waarmee het individu zich niet kan identificeren, n.l. de outgroup. Het individu past zich sociaal aan, enkel door er plezier in te vinden te gehoorzamen en zich te onderwerpen.
Dit mechanisme is tegelijk oorzaak en gevolg van autoritaire samenlevingen. Want vooral daar (Fromm, 1936, 155-157) manifesteert masochisme zich als een passief aanvaarden van de macht der feiten, van het lot, de plicht, een hogere wil.
Het genieten van minderwaardigheid is negatief gezien het gevolg van de bevrijding van het individu van zijn angst, positief gezien van zijn gevoel van deelhebben aan de macht.
De ambivalentie van de autoritaire persoonlijkheid bestaat dus hierin dat zij zich enerzijds zal identificeren met autoritaire leiders waarvan zij de bevelen klakkeloos opvolgt en aan de andere kant zelf t.o.v. groepen waarmee zij zich niet kan identificeren eenzelfde irrationele autoriteit aan de dag legt. Het sadomasochistische karakter van de autoritaire persoonlijkheid hoeft niet manifest aanwezig te zijn: latent verklaart het de ontvankelijkheid voor de externe irrationele autoriteit van leiders, agitators en propagandisten. Die ontvankelijkheid wordt vergroot door de band die het individu met zijn groep heeft. Hierin ligt tevens een verklaring voor het feit dat diegenen die zich door de massa of groep laten opslorpen niet per se primitieve mensen moeten zijn, maar wel dat zij in de massa "primitieve gedragingen vertonen die tegengesteld zijn aan hun normaal rationeel gedrag" (Adorno, 1951, 413).
De band tussen groepsleden is van libidineuze aard. In de fascistische groep wordt er echter niet naar liefde gerefereerd. Fascistische leiders houden de primaire libidineuze energie op een onbewust niveau teneinde de uitingen ervan in een richting te kunnen sturen die voor hun politieke doeleinden dienstig is.
"Hoe minder een objectieve idee zoals het religieuze heil een rol speelt in het formeren van een massa, en hoe meer de manipulatie van de massa het enige doel wordt, des te grondiger moet niet-verdrongen liefde onderdrukt en tot gehoorzaamheid worden gekneed. Er is te weinig in de inhoud van een fascistische ideologie dat bemind zou kunnen worden" (ibidem, 415).
Het libidineuze patroon van het fascisme en de hele techniek van fascistische demagogen is autoritair. Het enige verschil met een hypnotische situatie is dat deze uit een groep van slechts twee personen bestaat n.l. de therapeut en de patiënt. De autoriteitsrelatie tussen beiden is even irrationeel en ook hier is er sprake van egoverlies (Jay, 1977, 156).
De fascistische persoonlijkheid externaliseert het superego. Dit wordt door een "groepsego" vervangen. Fascistische persoonlijkheden slagen er niet in een onafhankelijk autonoom geweten tot ontwikkeling te brengen en "vervangen dit door een identificatie met een collectieve autoriteit die zo irrationeel is als Freud ze beschreef, heteronoom, strak oppressief, in hoge mate strijdig met het eigen denken van het individu en, daarom, gemakkelijk uitwisselbaar ondanks haar structurele starheid"(Adorno, 1951, 416). Een illustratie hiervan is de slogan in het toenmalige Duitsland dat alles wat het Duitse volk dienstig is, ook goed is.
Het mechanisme dat de libido transformeert in de band tussen leider en volgelingen en tussen volgelingen onderling is dat van de identificatie. De volgeling projecteert narcistisch het ideaalbeeld dat hij van zichzelf heeft in de leider. Hij is immers niet in staat zelf dit ideaal naderbij te komen, en lost dit innerlijke conflict dan op door het idealiseren van de leider. Door van de leider zijn ideaal te maken "houdt hij als het ware van zichzelf, en kan hij zich ontdoen van de smetten van frustratie en ontevredenheid die het beeld dat hij van zijn eigen empirische zelf heeft, ontsieren" (ibidem, 419).
"Dit patroon van identificatie door idealisering, de karikatuur van ware, bewuste solidariteit, is echter van collectieve aard. Het uit zich bij grote aantallen mensen met gelijkaardige karakterologische disposities en libidineuze neigingen. De fascistische volksgemeenschap komt precies overeen met Freuds definitie van een groep als "een aantal individuen die één en hetzelfde object voor hun ego-ideaal in de plaats hebben gesteld en zich bijgevolg in hun ego met elkaar hebben geïdentificeerd" (ibidem).
Het hierboven beschreven mechanisme verklaart waarom bepaalde mensen tegelijkertijd zich aan autoriteit willen onderwerpen én de wens hebben zelf autoriteit te bezitten. Hoewel wij het gevaar lopen buiten het bestek van de verhandeling terecht te komen, moeten we even ingaan op de persoonlijkheidsstructuur van dit autoritaire individu omdat zulks zijn predispositie voor mediabeïnvloeding helpt verklaren. Adorno stelde dus vast dat groepen mensen bereid zijn tot onderwerping aan lieden die gebruik makend van rationele technieken, irrationele doeleinden nastreven. Als zulke mensen erg voor propaganda ontvankelijk zijn, dan moeten ze dat ook zijn voor mediaboodschappen die vaak, weliswaar op een subtielere manier maar met gebruikmaking van gelijkaardige methoden, dezelfde irrationele doeleinden voor ogen hebben.
Wat is de persoonlijkheidsstructuur van de potentiële fascist of m.a.w. van het individu dat ontvankelijk is voor antidemocratische propaganda?
Op deze vraag proberen Adorno e.a. (1975-2) in een groots opgezet empirisch werk "Studies in the Authoritarian Personality" een antwoord te geven.
Persoonlijkheid is een min of meer standvastige organisatie van krachten binnen het individu. Deze krachten helpen mede de response bepalen op situaties waarmee het individu wordt geconfronteerd. Consistentie van gedrag berust dus voor een groot deel op deze krachten. Gedrag echter is niet hetzelfde als persoonlijkheid: " de persoonlijkheid ligt achter het gedrag en binnen het individu. De krachten van de persoonlijkheid zijn geen responses maar bereidheden tot response;..(ibidem¬, 154). De krachten van de persoonlijkheid zijn primair de behoeften (driften, wensen, emotionele impulsen) die van individu tot individu verschillen.
Als opinies, houdingen en waarden van menselijke behoeften afhangen, en als de persoonlijkheid vooral een organisatie van behoeften is, dan mag de persoonlijkheid als een determinant van ideologische preferenties worden gezien.
De sociale omgeving en vooral die van de kindertijd heeft anderzijds een zeer grote invloed op het totstandkomen van de persoonlijkheid. Die sociale omgeving wordt op haar beurt weer diep beïnvloed door economische factoren.
Datgene wat zich onder invloed van behoeften en sociale omgeving heeft ontwikkeld is een structuur binnen het individu die zorgt voor een consistent gedrag en ideologische standvastigheid, ook in zeer verschillende situaties.
Het concept persoonlijkheidsstructuur zo vervolgt Adorno, is het beste verweer tegen nazi- en andere opvattingen dat een persoonlijkheid raciale, aangeboren of biologische determinanten zou hebben. Zulke verklaringen voor de standvastigheid van de persoonlijkheid zijn er even ver naast als diegenen die de mens een oneindig vermogen tot flexibiliteit en response op de sociale situatie toeschrijven. Deze laatsten bestempelen dan al vlug persistente trends in de persoonlijkheid als pathologische symptomen.
Standvastigheid en flexibiliteit moeten beschouwd worden als de twee extremen op een continuüm waarop de persoonlijkheidskenmerken kunnen worden uitgezet.
Nadruk dient te worden gelegd op het feit dat de persoonlijkheid een potentieel is; zij is een bereidheid tot een bepaald gedrag, eerder dan een gedrag zelf. Dit laatste hangt altijd af van de objectieve situatie van het ogenblik zelf (ibidem, 154-157).
Aan het begin van deze paragraaf hebben wij beschreven hoe Adorno e.a. een persoonlijkheidsstructuur die gevoelig is voor antidemocratische propaganda tot stand zien komen. Zij vestigen er de aandacht op dat antidemocratische tendensen in de persoonlijkheid van bepaalde mensen latent aanwezig zijn en pas manifest kunnen worden door invloeden van buiten af zoals bijvoorbeeld door de radio-uitzendingen van dominee Thomas.
Degenen die invloed uitoefenen willen hun economische of ideologische macht behouden of versterken. De volgelingen jagen eveneens hun eigen belangen na. Zeer vaak echter geven materiële belangen geen afdoende verklaring voor het gedrag van mensen. Een individu dat iets tegen Joden heeft, kan nog enigszins rationeel handelen als hij ze het land uit wil teneinde zijn economische belangen te beschermen. Irrationeel wordt het de Joden met alle zonden van de wereld te beladen (ibidem, 15¬9).
Het vooroordeel is trouwens een van de belangrijke kenmerken van de autoritaire persoonlijkheid. Het wordt in de hand gewerkt door onwetendheid en verwarring met betrekking tot politieke en maatschappelijke thema's. "Er is reden om aan te nemen", zegt Adorno (1975-2, 338), dat onwetendheid zelf ten gunste van reactionaire tendensen werkt". Warhoofdigheid schijnt het gevolg te zijn van onwetendheid, en mensen kunnen het worden tengevolge van "de onophoudelijke aanvallen van allerlei aard van massacommunicatiemiddelen en propaganda" (ibidem), omdat ze niet weten wat ze met de feiten moeten aanvangen.
Overigens wordt het de men