| Franco en Afrika. Een onderzoek naar de invloed van ‘Afrikanistische’ opvattingen in de uitingen van Franco vanaf de opstand van de Movimiento Nacional in 1936 tot aan de onafhankelijkheidsverklaring van Spaans-Marokko in 1956. (Bart van Zessen) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
Francisco Franco Bahamonde (1892-1975) was negentien jaar toen hij in februari 1912 voor het eerst voet zette op het Afrikaanse continent. Van de veertien jaar die volgden, bracht hij bijna elf jaar in het Spaanse koloniale leger van Marokko door.[1] In 1912 begon hij als luitenant met het bevel over een bataljon Regulares Indigenas, Marokkaanse soldaten die de Spaanse troepen hielpen de Berberguerrilla, gericht tegen de Spaanse inmenging, neer te slaan.[2] Tijdens zijn verblijf in Marokko groeide Franco uit tot een beroemde officier. In 1926 verdiende hij met zijn optreden in de pacificatie van de kolonie, op 33-jarige leeftijd, de promotie tot generaal en werd hiermee de jongste generaal in Europa.[3]
Paul Preston schrijft in Franco; A Biography, dat Franco’s verblijf als koloniale officier in Marokko, hem diep vormde. Hij verwijst hierbij naar een citaat waarin Franco tegenover journalist Manuel Aznar verklaarde dat zijn jaren in Afrika met een onbeschrijfbare kracht in hem voortleefden en dat hij zonder Afrika niet zou weten hoe hij zichzelf zou kunnen verklaren. Volgens Preston verkreeg Franco in Afrika zijn belangrijkste politieke opvattingen.[4] Sebastian Balfour sluit bij deze these aan. In zijn boek: Deadly Embrace; Morocco and the Road to Civil War, beweert Balfour dat het Franquistische regime zijn mythologische en ideologische basis aan de koloniale ervaring ontleende.[5]
Preston besteedt in zijn biografie vervolgens wel aandacht aan de episode Marokko, net als overigens andere biografen zoals Arrarás, Crozier en Hills al tijdens het Franquistische regime en meer recent Tussell en Ashford Hodges. In de biografieën die deze historici schreven wordt telkens wel stilgestaan bij de vraag: wat deed Franco in Afrika, maar veel minder bij wat Afrika nu precies deed met Franco. Preston beschrijft wel kort, op een halve bladzijde, de politieke bagage die Franco volgens hem uit Afrika terugbracht, maar laat de invloed van de koloniale opvattingen tijdens het regime (1936-1975) van de Caudillo vrijwel helemaal achterwege. Ook Balfour gaat niet verder dan het poneren van de bovenstaande stelling. In zijn boek over de alledaagse praktijk van de Spaanse koloniale oorlog is geen ruimte voor een uitgebreide studie van de kwestie welke denkbeelden, die in de barakken van Marokko leefden, nu tijdens het Franquistische bewind van invloed waren.
In de nu volgende scriptie zal ik daarom niet alleen aandacht besteden aan het optreden van Franco in de koloniale oorlog in Marokko maar juist stil staan bij de vraag welke sporen zijn verblijf in het leger van Afrika nu bij hem achterlieten. Door middel van een uitgebreide studie van primaire bronnen met uitingen van de Caudillo, in brieven en andere geschriften maar vooral toespraken en uitspraken in privé-kring, zal ik een antwoord proberen te vinden op de volgende onderzoeksvraag: Welke denkbeelden, afkomstig uit het leger van Afrika en de koloniale ervaring, komen naar voren in de uitingen van Franco tijdens zijn dictatuur in Spanje? En in hoeverre waren deze ‘Afrikanistische’ opvattingen van invloed tijdens de verschillende fases die het regime doormaakte? Ik beperk mijn onderzoek tot de periode 1936-1956. In 1956 verklaarde Marokko zich onafhankelijk van Spanje. Vanaf dit jaar ging Franco zich steeds minder met de politieke macht bemoeien.
Voordat ik in hoofdstuk 4 verslag zal doen van mijn onderzoek naar de sporen van Afrika in de uitlatingen van Franco, zal ik in hoofdstuk 1 eerst stilstaan bij wat achtergrond informatie over de belangrijkste ontwikkelingen in Spanje in de periode 1898-1936. Dit is van belang om een goed beeld te krijgen binnen welke context de denkbeelden van koloniale officieren zich ontwikkelden. In dit hoofdstuk zal ik bijvoorbeeld aandacht besteden aan de relatie tussen Spanje en Marokko en aan de rol die de kolonie voor het land speelde.
Daarna zal ik in hoofdstuk 2 onderzoeken welke rechtse politieke denkbeelden er nu in Spanje aan de vooravond van de Spaanse Burgeroorlog leefden. Dit is om twee redenen belangrijk. Ten eerste, omdat een overzicht van de belangrijkste politiek opvattingen essentieel is voor een goede analyse van Franco’s uitspraken als Caudillo. Alleen met kennis van de overige rechtse politieke denkbeelden van die tijd is een ‘Afrikanistische’ uitspraak van bijvoorbeeld een Falangistische uitspraak te onderscheiden. Ten tweede omdat een studie van het rechtse politieke landschap tot een goed begrip leidt van Franco’s verhouding tot de denkbeelden en belangen van de verschillende rechtse groeperingen die samen vertegenwoordigd in de Movimiento Nacional, op 18 juli 1936, onder zijn bevel, de regering van de Tweede Republiek van Spanje de opstand verklaarden. Het vaststellen van Franco’s positie binnen de Movimiento Nacional geeft tot slot antwoord op de vraag of een uitgebreide studie naar de ‘Afrikanistische’ ideologie in Franco’s woorden gerechtvaardigd is.
In hoofdstuk 3 zal ik onderzoeken welke ideeën en opvattingen er leefden in de barakken van de Spaanse kolonie in Marokko. Door aan de hand van literatuur over het leger en de oorlog in Marokko de loop van de geschiedenis van het Spaanse leger in de kolonie te volgen, ontstaat het beeld van de ideeën die in het Protectoraat belangrijk waren en begrijpt men onder welke omstandigheden deze denkbeelden vorm kregen. Aan het einde van dit hoofdstuk zal ik nagaan of het mogelijk is om de verschillende opvattingen als ideologie, La Ideologia Africanista, te omschrijven.
In hoofdstuk 4 zal ik, voordat ik de onderzoeksvraag aan de hand van de primaire bronnen behandel, eerst de invloed van Afrika in het leven van Franco beschrijven. Op deze manier wordt duidelijk welk belang Marokko voor Franco heeft. Daarnaast kan een analyse van de impact die zijn verblijf in de Spaanse kolonie op hem had, leiden tot de vondst van nieuwe ‘Afrikanistische’ opvattingen die aan de Ideologia Africanista toegevoegd kunnen worden. Ik zal de verschillende componenten van de ‘Afrikanistische’ cultuur dan nog eens op een rij zetten en in het resterende deel van het hoofdstuk onderzoeken welke componenten tijdens de verschillende fases van het Franquistische regime in Franco’s woorden naar voren komen.
1. Spanje en Afrika; de historische context
Bij de schets van de historische context van Spanje tussen 1898 en 1936 is het niet mijn bedoeling de sociaal, economische en politieke ontwikkelingen van het tijdvak uitputtend te beschrijven. Het gaat er meer om een uitgebreide jaartallenlijst op te tekenen die duidelijk maakt tegen welk decor de Spaanse politieke bewegingen hun ideeën en standpunten formuleerden. Daarnaast wil ik de relatie die Spanje met Marokko onderhield, beknopt van een achtergrond voorzien.
De schets van de historische context begint in het jaar 1898, een belangrijk maar vooral desastreus jaar voor Spanje. De Spaanse vloot verloor de slag bij Santiago de Cuba tegen de Amerikanen. De definitieve nederlaag in de Spaans-Amerikaans oorlog betekende de ondergang van een eens groot en machtig Spaans wereldrijk. Spanje verloor nu ook haar overzeese restanten Cuba, Puerto Rico en de Fillippijnen.[6] Op hetzelfde moment gingen, begin 20e eeuw, linkse atheïstische intellectuelen zich met organisatie van de arbeidersklasse bemoeien.[7]
In Spanje groeide onder de burgerbevolking het wantrouwen tegenover een onbekwaam geacht leger. In het leger rees de weerzin tegen burgers die na 1898 steeds luider tegen conscriptie protesteerden. Binnen de militaire gelederen werd de nederlaag van 1898 toegeschreven aan het verraad van de liberale politici die de vloot en infanterie met ontoereikende middelen de strijd in stuurden.[8] De Spaanse liberale regering die Spanje onder toeziend oog van vorst Alfonso XIII bestuurde, stond onder leiding van Mauro, een fervent katholiek, monarchist en liberaal. Hij wilde de revolutie van onderaf voorkomen door deze van bovenaf op te leggen. Als conservatief liberaal probeerde hij Spanje politiek te vernieuwen op een manier die paste binnen de Spaanse traditie. Hij probeerde het lokale bestuur voor te bereiden op de democratische praktijk. Het verlies van 1898 en de roerige tijd die volgde, maakten Spanje tot een ondankbaar terrein voor een experiment met de parlementaire democratie.[9]
Het verlies van Cuba leidde tot een verheviging van het regionalisme vooral in Catalonië. De Catalaanse economie werd voor een groot deel gedragen door handel met Cuba. Door de militaire nederlaag verloren de Catalanen het vertouwen in en het respect voor de regering in Madrid.[10] De ondergang van de Spaanse hegemonie buiten de Spaanse grenzen en de sociale en regionale onrust in het land zelf verdreven het ideaalbeeld van het grote Spaanse katholieke imperium naar het terrein van de nostalgie.[11]
Marokko
In Spaans Marokko[12], het enige gebied waar Spanje na 1898 nog enige koloniale invloed behield, wakkerde de schande van de nederlaag de drang om de overgebleven overzeese gebieden met trots en fanatisme te verdedigen, verder aan.[13] Welke belangen had Spanje in Marokko nu precies te verdedigen en hoe was de Spaanse inmenging in het Noord-Afrikaanse gebied ontstaan?
De onzekerheid die de politieke elites na de Spaans-Amerikaanse oorlog overviel vormde een belangrijke motivatie voor het starten van een nieuwe Spaanse kolonialistische onderneming in Marokko. Dit gevoel van onzekerheid werd verder versterkt door de zojuist al beschreven, arbeidersonrust en roep om regionale vrijheden. Het conservatieve deel van het leger en de politieke elites grepen zich vast aan traditioneel Spaanse waarden om in naam van de nationale eenheid en sociale orde de linies te sluiten en op te treden tegen de dreiging van de proletarische revolutie en het separatisme.[14] De aandacht van het Spaanse leger werd in 1908 van de binnenlandse problemen afgeleid door de toename van aanvallen op Spaanse mijnwerken in Marokko.[15] Aan de overkant van de Straat van Gibraltar ontstond zo de mogelijkheid om de eer van het leger te herstellen en de hoop op terugkeer naar de grandeur van weleer nieuw leven in te blazen.[16]
Voordat de Spaanse troepen in 1908 gemobiliseerd werden, kende Marokko al een lange traditie van Europese inmenging op zijn grondgebied. Het gebied werd nooit in zijn geheel door één Europese mogendheid bezet. Wie Marokko wilde beheersen moest, afrekenen met fanatiek vechtende lokale stammen die bijzonder goed in staat waren hun geografische kennis van hun vertrouwde omgeving tegen de binnendringende Europeanen uit te spelen.[17] Dit betekende echter niet dat het land van Europese interventie gevrijwaard bleef. Op politiek gebied, maar ook op het terrein van de handel en economie nam de inmenging van de Europeanen gedurende de 19e eeuw steeds verder toe.[18] De handel met Europa was ook gunstig voor de inheemse bevolking. Sommige Berberstammen probeerden een slaatje te slaan uit de handel met Spanjaarden, Belgen, Fransen en Engelsen. Anderen verzetten zich hevig tegen de invasie van vreemdelingen.[19]
Spanje raakte in 1859 al verwikkeld in een conflict met de Berberstammen van Marokko. Generaal Leopold O’Donnell, vanaf 1858 aan de macht in Spanje, was van mening dat een overwinning in Afrika de geloofwaardigheid van zijn regime ten goede zou komen. Het Spaanse leger bezette Tetoean. De nederlaag die de Marokkanen tegen de Spanjaarden leden, betekende een keerpunt in de geschiedenis van het land in de 19e eeuw. Het gewapende conflict legde alle tekortkomingen van het land bloot. Door de oorlog van 1859-1860 ging de Makhzan, de verzamelnaam voor het regeringsbestuur en het leger van Marokko, failliet. Spanje drong aan op een handelsverdrag met Marokko om de Europese dominantie in het land zeker te stellen. Veel Marokkanen zagen de Europese oorlogsmanoeuvres als een aanval op Dar al-Islam, ruimte voor de Islam. Volgens hen vielen de Europeanen Marokko binnen met religieuze doeleinden.[20]
Geen enkele Europese mogendheid was in staat heel Marokko aan zich te onderwerpen.[21] Op 14 januari 1906 vond de Conferentie van Algeciras plaats. De conferentie zou de kwestie Marokko bij wet regelen. In de Wet van Algeciras, bestaande uit een totaal van 123 wetsartikelen werden de orde, vrede en welvarendheid van het land verzekerd. De artikelen waarborgden de soevereiniteit en de territoriale integriteit van de domeinen van de Sultan. Op papier zou geen enkel Europees land overheersen. Het openen van de Marokkaanse markt voor de Europese economie was een belangrijk onderdeel van de Wet van Algeciras die in april 1906 door Europese en Marokkaanse delegaties en een afvaardiging van de Verenigde Staten ondertekend werd.[22] Vanaf 1907 ging Spanje zich bemoeien met de Marokkaanse mijnwerken. Er werden twee mijnondernemingen opgericht, de Compania Norte Africano en de Sociedad Española de Minas del Rif. Beide ondernemingen gingen zich toeleggen op het delven van metalen in Marokko. Minas del Rif onderhield nauwe banden met Catalaanse kapitalisten en de Spaanse liberale partij. Hierdoor kon de onderneming op steun van de liberale regering rekenen.[23]
De Rif was een extreem arm gebied. De plotse, ongelijke toestroom van geld en arbeidsmogelijkheden die ontstonden door de Spaanse mijnwerken, vergrootten de verschillen en spanningen tussen de verschillende stammen als gevolg van scheve verdeling van de welvaart. Bestaande commerciële patronen werden verstoord en het sociaal-politieke systeem van de regio raakte ontwricht. Anarchie en chaos waren het gevolg en het land begon zich richting revolutionaire praktijk te bewegen. In 1907 leed een groot deel van de bevolking honger. Het aantal rellen en aanslagen gericht tegen Europeanen nam toe uit onvrede over het feit dat de beloftes van Algeciras niet nagekomen werden. Het koloniale leger probeerde de orde te herstellen, maar stuitte hierbij op fanatieke agressie van de Berberbevolking die zich bediende van de guerrilla om de indringer te ontmoedigen.[24]
De regering liet het bestuur en de inrichting van de Spaanse staat in Marokko volledig aan de militairen over.[25] Het protectoraat werd door de liberale politici beschouwd als een militaire aangelegenheid waarover legerbewindvoerders zich moesten buigen.[26] De Spaanse Hoofdcommissaris van Marokko kreeg geen financiële tegemoetkoming van de staat. De schatkist bleek ontoereikend om de dure koloniale expeditie te bekostigen en had de grootste problemen met het financieren van de noodzakelijke militaire operaties. Door het begrotingstekort van de regering en de desinteresse voor de koloniale onderneming onder het volk en de gegoede klassen, was de Spaanse staat niet bij machte infrastructurele projecten op te zetten. Op deze manier werd de schade die de mijnwerken en de aanwezigheid van de koloniale troepen de lokale economie toebrachten, niet gecompenseerd.[27] De houding van het thuisfront had op deze manier niet alleen de weerzin van het officierskorps ten opzichte van het regeringsbeleid tot gevolg, maar leidde ook tot de toename van het geweld in het door de Spanjaarden bezette gebied.
De Spanjaarden probeerden de orde te handhaven door verschillende Berberstammen, die voortdurend in een onderlinge machtsstrijd verwikkeld waren, tegen elkaar uit te spelen. In theorie had de Sultan tot november 1912 het absolute gezag.[28] In de praktijk moest de Sultan tot die tijd constant door middel van terreur en gezag, belasting afdwingen van verschillende lokale stamhoofden. Hij kreeg hierbij regelmatig met grote opstanden te maken.[29] In 1902 leidde Abu Himara een opstand in de bergen bij Fez.[30] De Sultan sloeg de opstand neer en de rebellenleider vluchtte naar Selouane waar hij een ministaat stichtte die hij vijf jaar lang onder zijn gezag wist te handhaven. Abu Himara financierde zichzelf met geld dat hij verdiende aan de handel met de Europeanen.[31] Toen zijn geld in 1907 opraakte verkocht hij mijnvergunningen aan twee Spaanse mijnondernemingen in de buurt van Melilla. De Compañia del Norte de Africa kreeg toestemming om lood te delven en Minas del Rif mocht ijzer winnen. Daarnaast kregen beide ondernemingen toestemming om spoorwegen aan te leggen om de metalen naar Melilla te kunnen transporteren.[32] In 1909 werd Abu Himara definitief verslagen. Na de ondergang van zijn staat, begonnen de lokale stammen de mijn en spoorwerken van de Spanjaarden aan te vallen. Dit was het moment waarop de Spaanse conservatief-liberale regering besloot in te grijpen. Het leger werd naar Marokko gestuurd om de Spaanse mijnwerken te verdedigen.[33]
In juni 1909 vertrokken de eerste troepen naar Afrika. Tot dat moment toonde de Spaanse regering, op de exploitatie van mijnen na, weinig interesse in het uitbreiden van haar invloedssferen in Marokko. De aanvallen van de Berbers op de mijnwerken in het noordoosten dwongen de regering tot het uitbreiden van de koloniale troepenmacht. Het regeringsbesluit stuitte op hevig verzet en leidde tot heftige politieke discussie.[34]
Door de rampzalige nederlaag van 1898 zag men de onderneming in Marokko binnen een groot deel van het leger als een goede mogelijkheid op uitbreiding van de Spaanse gebied met economisch potentieel. Het was de kans om de eerder geleden schade te compenseren en bovenal een uitgelezen gelegenheid om uiting te geven aan de Spaanse militaire trots. Het eerherstel van de historische en geografische missie die nauw verbonden was met het lot van Spanje kreeg vorm in een hernieuwde confrontatie tussen moren en christenen.[35] “Marokko had de mythische weerklank van de Reconquista”.[36]
Voor progressieve groeperingen uit de Spaanse maatschappij leidde de herinnering aan 1898 juist tot het verlangen om in de nabije toekomst van ieder nieuw koloniaal avontuur af te zien. In Madrid protesteerden socialisten dat het een schande was dat het leger werd ingezet ter verdediging van dubieuze industriële belangen. Hevige protesten op plaatsen waar soldaten naar Marokko werden ingescheept, volgden.[37]
Spanje
Dit is het moment om terug te keren naar het Spaanse vaste land waar in juli 1909 in Barcelona de Semana Tragica plaats vond. Tijdens deze ‘tragische week’ barstten in de havenstad felle protesten tegen de koloniale oorlog van de regering los. De regionalisten en linkse politici protesteerden tegen het koloniale project van het centrale gezag. De oorlog in Marokko bracht meer kosten dan baten voort en leidde tot conscriptie. De Catalanen lieten zich niet langer gebruiken door het parasiterende Madrileense gezag en kwamen eind juli in opstand.[38] De anti-oorlogdemonstraties, gericht tegen het centrale conservatief-liberale katholieke gezag, kenden een anticlericaal karakter. Het oproer verspreidde zich snel over de rest van het land. Socialisten en anarchisten riepen op tot een algemene staking. In de straten van de arbeidersdistricten in Barcelona vonden gevechten plaats tussen arbeiders, aangespoord door anarchisten, en het leger. Terwijl in Catalonië de kerken brandden kreeg de regering ook nog een flinke tegenslag buiten de landsgrenzen te verkroppen. Berberstammen brachten het koloniale leger een gevoelige nederlaag toe bij El Barranco del Lobo.[39]
Ondanks de woelige tijden bleef het liberalisme in Spanje tot 1923 onaangetast.[40] Mauro slaagde er niet in het liberalisme tot een volksbeweging te maken. De politieke stroming behield een elitair karakter en wist zich niet aan te passen aan de praktijk van massapolitiek en democratische verkiezingen.[41] Tussen 1917 en 1923 begon het tij voor het liberalisme te keren.[42]
Terwijl de regering de binnenlandse rust wilden herstellen en zocht naar een oplossing voor de problemen in Marokko, naderde op het Europese continent de Eerste Wereldoorlog. Spanje bleef in de periode 1914-1919 neutraal. Zijn neutrale positie stelde het land in staat zowel de Entente als de Centralen te bevoorraden.[43] De industriële take-off die hiervan het gevolg was leidde tot de escalatie van de al bestaande problemen in de Spaanse maatschappij. De economische groei veroorzaakte verwarring en sociale ontwrichting. In het Baskenland en Catalonië klonken de regionalistische leuzen al maar harder. Vanuit de industriële bourgeoisie ontstond de roep om modernisering en hervorming, die hard botste met de belangen van het traditionele conservatieve Spanje.[44]
Een nieuwe nederlaag van het koloniale leger bij Anual, die duizenden Spaanse soldaten het leven kostte, maakte de positie van de regering onhoudbaar. De gevangen genomen Spaanse soldaten moesten bevrijd worden en de opstandige Berbers eisten hiervoor hoge bedragen. Binnen de regering ontstond fel debat over het toekomstige beleid ten aanzien van het Spaanse protectoraat in Marokko. Moest men de oorlog voort zetten of kon men het koloniale gebied beter opgeven? In het land nam de sociale onrust toe, mede door steeds heviger wordende anti-oorlogprotesten.[45] De oorlog had tussen 1919 en 1923 meer dan 12000 soldaten het leven gekost. De regering had in deze periode 3,5 biljoen peseta’s in de koloniale onderneming geïnvesteerd, een bedrag dat gelijk stond aan de totale inkomsten van de Spaanse schatkist.[46] Een republikeinse krant protesteerde dat Spanje er genoeg van had haar zonen op te offeren aan de verovering van een gebied dat haar niets dan problemen opleverde.[47] De politici hadden geen antwoord op het steeds heviger wordende Berberverzet en de wanorde in Spanje en wezen de koning en de legertop als zondebokken aan. Generaal Primo de Rivera kwam in september 1923 in opstand tegen de politiek die het land naar de afgrond hielp.[48] Een tijdelijke verstoring van de constitutionele orde in de vorm van door het leger geleid bestuur zou de Marokkaanse kwestie oplossen en het terrorisme in Spanje beëindigen.[49]
Rellen rond de inscheping van rekruten voor Afrika in Malaga vormden de directe aanleiding voor de militaire coup van Miguel Primo de Rivera. Socialisten, anarchisten en Catalaanse en Baskische nationalisten protesteerden in de havens van de zuidelijke havenstad. Soldaten en officieren werden aangevallen. De Guardia Civil moest ingrijpen om een rel tussen demonstranten en soldaten, van wie enkele dronken, te sussen. Hierbij werd een ingenieur van het Leger van Afrika gedood. De dader zou in eerste instantie ter dood veroordeeld worden maar kreeg gratie. Het koloniale leger voelde zich vernederd door de incidenten in Malaga en de publieke verwerping van de onderneming in Marokko. Na het pardon was de maat vol.[50]
Eenmaal aan de macht probeerde Primo de Rivera het regionalisme te onderdrukken en de arbeidersonrust te verminderen.[51] Een omvangrijk programma van infrastructurele investeringen in wegen en spoorwegen moest het land werkgelegenheid en welvaart brengen. De dictator twijfelde aan de winstgevendheid van het protectoraat in Marokko en overwoog zelfs de opgave van de koloniale gronden. Volgens hem lag de toekomst van Spanje in interne reconstructie van het land in plaats van wilde avonturen aan de overkant van het nauw van Gibraltar.[52] Ontwikkeling van landbouw en industriële vooruitgang zouden Spanje in de moderne tijd weer op de kaart zetten.[53] Deze visie leidde tot een conflict tussen de Africanistas en Primo de Rivera, dat later in hoofdstuk 3 over het Leger van Afrika, uitgebreid besproken zal worden. Miguel Primo de Rivera besloot uiteindelijk tot een strategische hervorming die de verdediging van het Spaanse gebied zou vergemakkelijken.[54]
Het bewind van Primo de Rivera faalde in zijn opzet om in Spanje de eenheid en de orde te herstellen. In 1930 had de dictator met zijn denkbeelden en beleid bijna alle groeperingen binnen de Spaanse maatschappij van zich vervreemd. Alleen op de ‘Afrikanisten’ kon hij nog steeds rekenen. De economische malaise verzwakte de machtspositie van de generaal en zijn gezag brokkelde af. Primo de Rivera begreep dat zijn dagen geteld waren en vertrok naar Frankrijk, waar hij op 16 maart 1930 te Parijs stierf.[55]
In Spanje rees de vraag hoe men na de dictatuur terug kon keren naar het politieke bestel van voor de staatsgreep, een constitutionele monarchie. Er volgde een onstuimige periode waarin arbeidsonrust, regionalisme en antimonarchisme de overhand namen. Alfonso XIII, koning van Spanje onder Primo de Rivera, wist geen raad met de situatie. Zijn besluit om de hulp van generaals in te roepen en rebellen door middel van executies het zwijgen op te leggen werkte contraproductief.[56]
Aan het einde van de zomer van 1930 sloegen socialisten, republikeinen, Baskische en Catalaanse regionalisten en enkele afvallige monarchisten de handen in een. In de Baskische stad San Sebastián sloten zij het pact dat de basis zou vormen voor het latere Volksfront. Ze stelden een provisionele regering samen en begonnen plannen te smeden om de monarchie ten val te brengen. De gemeentelijke verkiezingen die op 12 april 1931 plaats vonden en de eerste fase van een gecontroleerde terugkeer naar constitutionele normaliteit moesten inluiden, resulteerden in een overwinning van de leden van het Pact van San Sebastián. Twee dagen later namen de socialisten en de republikeinen het heft in handen. De Tweede Republiek was een feit.[57]
De regering van de Tweede Republiek ging over tot rigoureuze hervormingen van de Spaanse traditionele instituten. Vooral de Kerk moest het ontgelden. De antikatholieke inhoud van de constitutie provoceerde een nationale katholieke reactie.[58] In de nieuwe grondwet werd vastgelegd dat Spanje geen staatsreligie had. Dit was voor veel katholieken onacceptabel. Wetsbepalingen over vrijheid van religie, recht op echtscheiding en seculier onderwijs dreven katholieken in de oppositie.[59] Als de republiek stand wilde houden, moest zij een constitutie hebben die ook voor de katholieken acceptabel was.[60] Nu werd religieuze herovering het ideaal van veel gelovigen.[61] Azaña, een linksrepublikeinse politicus die in december een coalitie met de socialisten smeedde, bevond zich op glad ijs door meteen een frontale aanval op de kerk te plegen. Dit stelde tegenstanders van bijvoorbeeld sociale hervorming en decentralisatie in staat hun belangen aan de religieuze kwestie te koppelen.[62]
Daarnaast kwam er veel kritiek op een wet die de Republiek tegen agressie moest beschermen.[63] Volgens rechts beperkte de wet de bewegingsruimte van rechtse politieke partijen. De linksrepublikeinse regering trad alleen op tegen rechts en liet de socialisten ongemoeid.[64] Volgens rechtse politieke groeperingen was de regering niet in staat de orde te handhaven. De vrijheid die socialistische ordeverstoorders kregen en de industriële onrust die hiervan het gevolg was, schaadde, volgens rechts, de interne en externe handel.[65]De socialisten beschouwden de nieuwe Grondwet als de eerste fase van de invoering van het socialisme in Spanje.[66]
Ook het leger kreeg met hervormingen te maken. Azaña, eerst Minister van Oorlog en later President, was vastberaden om het probleem van het militarisme in Spanje uit te roeien. Hij beschouwde de bemoeienis van de officieren in het maatschappelijk leven als een obstakel voor de nationale politiek. Zijn hervormingen tastten binnen het leger vooral de waarden en principes van de ‘Afrikanisten’ aan.[67] Azaña wilde het leger inkrimpen en het aantal officieren beperken.[68] Hij dreigde met het ongedaan maken van promoties die tijdens de dictatuur hadden plaats gevonden. Op 30 juni 1931 ging de minister over tot het sluiten van de militaire academie in Zaragoza volgens hem een ‘Afrikanistisch’ bolwerk. In het leger nam de woede over het onrechtvaardige beleid van de republikeinse regering, snel toe.[69] Op 10 augustus 1932 leidde dit tot een opstand van officieren van het Leger van Afrika onder leiding van generaal Sanjurjo. De Sanjurjada die tot doel had de regering ten val te brengen, mislukte door uitblijven van brede steun voor de opstand.[70]
Tot een echte verbetering van de situatie in Spanje wist de nieuwe regering niet te komen. De hooggespannen verwachtingen van de arbeiders en boeren werden niet waargemaakt.[71] In de verkiezingen die in november 1933 plaatsvonden, gaven de linksrepublikeinen terrein prijs aan rechtsrepublikeinen en de katholieke CEDA. Deze zouden in een centrumrechtse coalitie de komende twee jaar in Spanje de dienst uitmaken. De rechtse politici maakten gebruik van de gelegenheid om de hervormingen van de afgelopen 19 maanden ongedaan te maken. De jaren die volgden, door links getypeerd als de Biennio Negro, de twee zwarte jaren, stonden in het teken van politieke polarisatie. De links georiënteerde politici meenden het fascisme te herkennen in ieder handeling van de rechtse politiek, terwijl deze en het leger in iedere staking en demonstratie van links als een door communisme geïnspireerde revolutie dachten te doorzien.[72]
De politieke situatie in Spanje bleef chaotisch en instabiel. In 1935 laaide de linkse protesten tegen het regeringsbeleid hoog op. Het heftigst waren de revolutionaire stakingen in de mijnen van Asturië.[73] Het leger trad hard op om een einde te maken aan de onrust en de orde te herstellen. Onder rechtse politici groeide de idee dat Spanje alleen gered kon worden door de Republiek omver te werpen en terug te keren naar de essentie van de Spaanse traditie: de monarchie gesteund door de katholieke kerk. De samenzwering die met de chaos van de republiek wilde afrekenen begon steeds meer vorm te krijgen. Toen in februari 1936 de linkse republikeinen de parlementsverkiezingen wonnen, nam de noodzaak van een opstand toe. Het leger en radicaal rechts bereidden samen de coup voor.[74]
In de aanloop naar juli 1936 staken anarchisten opnieuw de kerken in de brand en er volgde een reeks aanslagen op politici. Het leger en de radicaal rechtse politici vonden dat de politiek hen liet begaan en niet hard genoeg optrad tegen de linkse oproerkraaiers. De spanningen tussen links en rechts liepen verder op. Op 12 juli schoten falangisten (Spaanse fascisten) een linkse officier van de republikeinse stoottroepen dood. De stoottroepen namen wraak door op 13 juli 1936 Calvo Sotelo, de radicaal rechtse leider van de monarchisten, te ontvoeren en te vermoorden.[75] Radicaal rechts en het leger bezegelden hun samenwerking. Op 18 juli 1936 riep de Movimiento Nacional vanuit Melilla in Marokko de opstand tegen de republiek uit. De Spaanse Burgeroorlog was begonnen.
Na deze korte schets van de Spaanse context van 1898 tot 1936, zal ik nu dieper ingaan op de verschillende componenten waaruit de Movimiento Nacional bestond. Bij het beschrijven van de standpunten van de verschillende rechtse stromingen die op 18 april 1936 in opstand kwamen, blijf ik vrij dicht bij bestudeerde secundaire literatuur over de politieke situatie van Spanje algemeen, zoals het boek: The Origins of Franco Spain: the Right, the Republic and the Revolution, 1931-1936 van Richard Robinson. Daarnaast gebruik ik boeken die zich specifiek richten op één politieke stroming in Spanje, bijvoorbeeld Fascism in Spain 1923-1977 van Stanley Payne en Carlism and Crisis in Spain; 1931-1939 van Martin Blinkhorn. Om Franco’s positie binnen de Movimiento Nacional goed vast te kunnen stellen, zal ik naast de secundaire literatuur over de politieke belangen in de Spaanse maatschappij in de eerste helft van de 20e eeuw, ook gebruik maken van primair bronnenmateriaal. Het gaat hierbij vooral om verslagen van mensen uit Franco’s directe omgeving zoals Franco Salgado Araujo, Franco’s neef en Ramon Serrano Suñer, Franco’s zwager en constructeur van het Franquistische regime vanaf april 1937. Aan het einde van dit hoofdstuk zal ik afstand nemen van de literatuur om tot een eigen conclusie te komen over Franco’s positie binnen het opstandige kamp.
Spaans Rechts
Laat ik beginnen met wat algemene opmerkingen over de rechtse politiek in Spanje. Spaans rechts stond van oudsher vijandig tegenover de ideeën die de Verlichting en de Franse Revolutie voort brachten. Deze buitenlandse ideeën vormden een bedreiging voor de Spaanse traditionele instituten als kerk en monarchie. De ideologische strijd van de 19e en 20e eeuw ging daarom tussen progressieve krachten die de moderne principes tot in Spanje wilden laten doordringen en de conservatieve groeperingen die de traditioneel Spaanse culturele erfenis wilden verdedigen.[76] Conservatieve intellectuelen voedden rechts met het idee dat de geschiedenis van Spanje bestond uit de strijd tegen toenemende seculiere invloeden.[77] Al sinds de middeleeuwen vervulde Spanje haar historische missie door tegen de Moren te vechten, die het christendom bedreigden.[78] In de moderne tijd zouden de Spanjaarden het opnemen tegen het socialisme, dat men in rechtse kringen beschouwde als de consequentie van het liberalisme, om de antithese van deze politieke ideologieën: het katholicisme, te verdedigen.[79]
Vanaf 1890 groeide een kritische intellectuele generatie op die concludeerde dat het liberale Spanje van de 19e eeuw er niet in was geslaagd vooruitgang en modernisering te brengen.[80] De ramp van 1898 legde de zwakke plekken van het land bloot. De vraag was hoe Spanje zich verder moest ontwikkelen. De rechtse generatie van ’98 ging op zoek naar datgene wat het meest authentiek was binnen de Spaanse sociale en culturele traditie en stuitte op het traditionele samenwerkingsverband tussen de monarchie en de katholieke kerk, zo succesvol aan het eind van de middeleeuwen, begin renaissance toen de koppeling van deze instituten Spanje een wereldrijk opleverde.[81]
Was er in Spanje sprake van een eendrachtig Spaans blok? Aan het begin van de 20e eeuw zochten de verschillende rechtse stromingen naar een manier om de krachten te verenigen. Tot een succesvolle samenwerking kwam het tot 18 juli 1936 niet. In principe waren in Spanje na 1931 alle rechtse partijen tegen de Republiek.[82] Onderling verschilden de rechtse groeperingen niet alleen wat ideologie betreft maar ook aangaande de manier waarop deze idealen gerealiseerd dienden te worden. Er bestond op dit gebied een belangrijk onderscheid tussen ‘accidentalisten’ en ‘catastrofisten’. De ‘accidentalisten’ waren van mening dat de katholieke en patriottistische belangen het best verwezenlijkt konden worden binnen de gevestigde orde, dat wil zeggen vanaf 1931 binnen de republiek. De ‘catastrofisten’ beschouwden de Tweede Republiek als synoniem voor revolutionaire verandering. Volgens hen moest het nieuwe regime beëindigd worden en kon alleen een sterk autoritair bewind kerk, nationale eenheid, sociale orde en culturele trots verdedigen.[83]
Gil Robles: CEDA
Gil Robles was een ‘accidentalist’. Hij richtte in 1931 Acción Nacional op met als doel het katholicisme meer leven in te blazen. Binnen welk regime dit gebeurde was van minder belang.[84] Hij wilde de evolutie naar zijn ideaal van een katholiek regime met legale middelen, binnen de parlementaire democratie van de Tweede Republiek verwezenlijken.[85] Acción Nacional was geen politiek partij maar meer een overkoepelende rechtse organisatie die de rechten en waardigheid van de kerk in stand wilde houden. Internationaal socialisme en separatisme vormden een bedreiging voor de traditioneel katholieke Spaanse natie.[86] Volgens de leider van de organisatie moest het christelijk gedachtegoed de klassenstrijd vervangen. Gil Robles en zijn ‘accidentalistische’ medestanders hoopten dat Acción Nacional zou veranderen in een daadkrachtige katholieke politieke partij binnen de republiek.[87]
Begin 1933 werd de opvolger van Acción Nacional, de Confederación Española de Derechas Autonomas (CEDA), opgericht. De partij zou zich tijdens het verdere voortbestaan op legale wijze hard maken voor de christelijke beschaving, herziening van de republikeinse grondwet en corporatieve sociaal-economische organisatie als derde weg tussen economisch individualisme en socialisme. Daarnaast was de CEDA van Gil Robles voorstander van een gematigde vorm van regionalisme in de vorm van vrijheden op lokaal niveau.[88]
Gil Robles baseerde zijn katholieke, ‘accidentalistische’ standpunten op een traditionele visie van de Spaanse geschiedenis. Hij wilde terugkeren naar het door het katholicisme gedomineerd corporatisme, een systeem dat werkte voordat het liberalisme in Spanje geïntroduceerd werd. De oude maatschappelijke organisatie werd door het achttiende eeuwse rationalisme ondermijnd. Het rationalisme en het individualisme strookten niet met de katholieke leer. Terugkeer naar de sociaal politieke organisatie van de middeleeuwen was wenselijk maar niet reëel. De corporatieve organisatie van de maatschappij diende nu gerealiseerd te worden via politieke participatie binnen de realiteit van de parlementaire democratie.[89] Na de politieke verschuiving tijdens de parlementsverkiezingen in november 1933 probeerde hij zijn plaats in de regering te gebruiken om de grondwet te herzien en de tevredenheid binnen het leger te herstellen.[90]
Het ‘accidentalisme’van Gil Robles hield de CEDA buiten alle samenzweringen die in de loop van 1936 tegen de regering beraamd werden. De CEDA zou niet in opstand komen tegen de regering zolang deze zich gematigd opstelde en de orde zou handhaven. Gil Robles beloofde de regering van Azaña in 1936 loyaliteit wanneer deze geweld zou bestrijden en een programma van economische reconstructie door zou voeren. Daarnaast pleitte hij voor vrij katholiek onderwijs. Gil Robles vertrouwde volgens eigen zeggen op het patriottisch verstand van Azaña die de regering naar het politieke centrum zou leiden en de banden met de socialisten en de communisten zou verbreken. In de aanloop naar de Burgeroorlog klaagden de Cedistas over gebrek aan respect tegenover het katholieke geloof. Toch hielden Gil Robles en zijn volgelingen zich afzijdig van de gewelddadige plannen die elders in het rechtse kamp gesmeed werden.[91]
Calvo Sotelo: ‘Catastrofistische Monarchisme’
De Alfonsisten, de monarchistische volgelingen van Alfonso XIII, die het land uitvluchtte toen de Republiek uitgeroepen werd, hielden zich aanvankelijk ook op binnen Acción Nacional.[92] De monarchisten wilden de organisatie voor hun eigen antirepublikeinse doeleinden gebruiken.[93] Al snel begonnen de monarchisten een andere visie te spuien dan het ‘accidentalisme’ van Gil Robles. Zij beschouwden de Republiek als een regime dat de nationale eenheid kapot maakte en onverenigbaar was met de traditie en toekomst van Spanje.[94] De positie van de monarchisten binnen AN werd onhoudbaar mede door hun antirepublikeins activisme. In februari 1931 richtten zij hun eigen organisatie, Renovación Española, op.[95] De monarchistische organisatie ontplooide zich als antimarxistische, antiliberale en antidemocratische beweging die contrarevolutie propageerde.[96] Renovación Española mislukte als gevolg van verdeeldheid tussen de monarchisten die trouw bleven aan Alfonso XIII en de Carlisten (op het onderscheid tussen beide groepen monarchisten kom ik in de volgende paragraaf, gewijd aan het Carlisme, terug).[97] De monarchisten hielden vast aan hun ‘catastrofisme’ en weigerden iedere vorm van deelname aan een republikeinse regering.[98]
Calvo Sotelo, leider van de monarchisten, was overtuigd van het idee dat de Spaanse Gouden Eeuw in 1700 onderbroken werd door tweehonderd jaar van revolutie, een periode waarin de buitenlandse ideeën van de Verlichting de Spaanse traditie ondermijnden.[99] Tijdens het bestaan van de Republiek raakte de monarchistenleider steeds meer overtuigd van het feit dat de Spaanse traditie alleen te handhaven was binnen een totalitaire staat met een autoritaire basis en een corporatief systeem.[100] Calvo Sotelo wilde in Spanje de essentie van de monarchie: één bevel, continuïteit, traditie en gezag, in ere herstellen. Om het ideaal van een door de monarchie en het katholicisme verenigd Spanje te realiseren, richtte Calvo Sotelo in december 1934 Bloque Nacional op.[101]
De leider van Bloque Nacional was tegen het conservatieve parlementarisme van de Republiek en zag weinig in het revolutionair-syndicalisme van fascistische groeperingen, omdat dit volgens hem niet paste binnen de Spaanse traditie. Wat Spanje volgens Calvo Sotelo nodig had, was een geïntegreerde mobilisatie van alle contrarevolutionaire krachten in een door het leger geleide rechtse oplossing.[102] Volgens de ‘catastrofistische’overtuiging kon de rechtse reactie van het leger alleen plaatsvinden binnen radicaal gepolariseerde omstandigheden.[103] Bloque Nacional probeerde de leider van de Spaanse fascisten: José Primo de Rivera binnen het monarchistische kamp te krijgen. Volgens de monarchisten was een fascistische reactie in Spanje noodzakelijk. José Antonio Primo de Rivera predikte als zoon van dictator Miguel Primo de Rivera en leider van de Spaanse fascistische beweging, zoals later in de paragraaf over het Spaanse fascisme uitgebreid aan de orde zal komen, het belang van een autoritair regime om Spanje van de ‘afgrond’ te redden.[104] De monarchisten wilden dit autoritaire bewind door middel van een staatsgreep realiseren. Hiervoor was de steun van het leger onmisbaar.[105] Calvo Sotelo drong er daarom bij de regering op aan het leger in te zetten om het anarchisme en de revolutionaire dreiging te bestrijden.[106]
Calvo Sotelo uitte veel kritiek op de politiek van Gil Robles. Ten eerste was hij tegen het regionalisme van de leider van CEDA omdat een gebroken Spanje minstens zo erg was als een communistisch Spanje. Verder was democratie volgens de leider van de monarchisten gelijk aan chaos.[107] Spanje bevond zich in een burgeroorlog en de CEDA verzaakte het revolutionaire karakter van de situatie te erkennen.[108] Volgens Calvo Sotelo kon men in Spanje slechts kiezen tussen communisme en een sterke autoritaire nationale staat. Een tussenweg bestond niet.[109] Het mijnwerkersoproer in Asturië was het bewijs dat de socialisten het parlementaire systeem niet serieus namen. Rechts moest zich de Spaanse staat volledig toe-eigenen voordat links echt toe kon slaan.[110] Calvo Sotelo verweet Gil Robles daarom dat zijn regering het oktoberoproer niet benutte om de volledige macht op te eisen.[111] Het leger en niet het ‘accidentalisme’ bood de garantie voor een veilige toekomst voor de natie.[112]
De Carlisten
De Carlisten sloten zich in de loop van het bestaan van de Republiek aan bij dit laatste standpunt van de Alfonsistische monarchisten onder leiding van Calvo Sotelo. Voor dat het zover kwam kende het Carlisme een lange, maar niet altijd even zekere, traditie. Volgens Martin Blinkhorn ontstond het Carlisme al rond 1700 toen Lodewijk XIV zijn kleinzoon op de Spaanse troon zette.[113] Op deze manier werd Filips V de eerste Bourbonkoning van Spanje. In de 18e eeuw zouden de Bourbons het land de Verlichting en veel vernieuwing brengen. Filips V was verantwoordelijk voor de rationalisatie en centralisatie van het bestuur. Volgens de Carlisten vernietigden de Bourbons de centrale kracht van het Spanje van de Gouden Eeuw.[114]
Gedurende de 19e eeuw ontwikkelde het Carlisme zich tot een antiliberalistische kracht. De Carlisten prefereerden de traditionele Spaanse instituten, zoals de monarchie en de katholieke kerk, boven het seculiere en centralistische liberalisme. Zij benadrukten het regionalisme en het belang van decentralisatie als belangrijke historische Spaanse verschijnselen.[115] Tussen 1833 en 1876 grepen de Carlisten drie keer naar de wapens om met geweld het liberalisme te bestrijden.[116] Aan het einde van de 19e eeuw ontplooiden de Carlisten zich als de eerste Spaanse reactionairen. Ze ageerden heftig tegen de desintegratie van het liberale partijensysteem verantwoordelijk voor de vernedering van Spanje tegen de Verenigde Staten in 1898, en pleitten voor drastische herziening van de instituten van het land.[117]
Het Carlisme bleef gedurende de 19e en tot aan het begin van de 20e eeuw een vrij kleine, weinig betekenisvolle politieke kracht in Spanje. Rond de Carlistische troonopvolgers verzamelde zich steeds een bescheiden groep plattelandsmensen die eigen belangen probeerden te verdedigen tegen de dominante ontwikkelingen van de tijd: verstedelijking, industrialisatie, atheïsme, centralisatie van bestuur, liberalisme en socialisme.[118] Om deze moderne kwaden te bestrijden formuleerden de Carlisten een programma waarin de herinvoering van de traditionele katholieke, maar niet absolutistische, monarchie centraal stond. Decentralisatie op bestuurlijk niveau door middel van de traditionele fueros, rechten, of beter privileges, van de Spaanse autonome regio’s was een belangrijk onderdeel van het nieuwe regime. Regio’s verschilden onderling op het gebied van instituten, traditie, taal, landschap en klimaat.[119] Deze verschillen moesten volgens de Carlisten gerespecteerd worden. Regionalisme werkte niet verdelend maar juist integrerend omdat het de relatie tussen de gehele Spaanse natie en de afzonderlijke delen benadrukte.[120] Een corporatief sociaal-economisch systeem zou welzijn en harmonie binnen de samenleving garanderen.[121] Tot slot beschouwden de Carlisten de Spaanse eenheid als consequentie van één geloof, het katholicisme, als het belangrijkste wapen tegen het liberalisme. De traditionele katholieke monarchie met gedecentraliseerd bestuur en een corporatief sociaal-economische systeem zou afrekenen met de verdeling zaaiende ideologische en klassenconflicten, kenmerkend voor het liberaal-parlementarisme.[122]
Toen het nieuwe regime in februari 1931 de macht in Spanje greep, was het Carlisme als politieke stroming zeer zwak.[123] Als gevolg van eigen onvermogen voegden de Carlisten zich aanvankelijk bij de ‘accidentalisten’ van Acción Nacional. Op deze manier probeerden zij succes te behalen bij de verkiezingen om zo via de legale weg constitutionele herziening te realiseren.[124] In de periode 1931-1933 maakte het Carlisme, als onderdeel van katholieke oppositie tegenover het republikeinse regime, een heropleving door.[125] Het Carlisme groeide en het succes leidde ertoe dat de aanhangers van de ideologie hun standpunten daadkrachtiger gingen verdedigen. Het eigen succes en onvrede tegenover het beleid van de links republikeinse regering gaven de Carlisten steeds meer vertrouwen in het monarchistische ‘catastrofisme’.[126] Daarnaast durfden ze zich ook meer af te zetten tegen die standpunten van de monarchisten die afweken van hun eigen principes.[127] Begin 1932 gingen de Carlisten zich ook mengen in straatgevechten tussen rechtse knokploegen en socialisten. Tijdens de Sanjurjada maakten de Carlisten deel uit van de rebellen die de republiek te gronde wilden richten.[128] De positie van het Carlisme versterkte zich verder doordat Varela, een generaal van het leger van Afrika zich bekeerde tot de traditionalistische politieke stroming. Op deze manier haalden de Carlisten hun banden met het leger aan.[129]
Het Carlisme kwam in grote lijnen overeen met de principes die Gil Robles en de Cedistas voor ogen hadden, maar verschilde op het punt van het regime dat Spanje in de nabije toekomst moest gaan regeren. De Carlisten lieten het ‘accidentalisme’ los maar bleven in de tweede helft van de Republiek afhankelijk van samenwerking met de CEDA om successen te kunnen boeken bij de parlementsverkiezingen.[130] Wel nam in de loop van 1933 de kritiek van Fal Conde, de leider van de Carlisten, op Gil Robles toe. Volgens de Carlist waren ‘accidentalisme’ en het gegeven dat Gil Robles goede contacten onderhield met de republikeinen onverenigbaar met de taak het katholicisme te verdedigen en Spanje van de chaos te redden. Daarnaast maakte, volgens Fal Conde, de gematigde houding van de Cedista effectieve samenwerking aan rechtse zijde onmogelijk. De relatie tussen de Carlisten en de CEDA verslechterde tijdens de Tweede Republiek steeds verder.[131]
Vanaf 1933 maakte de Carlistische bezorgdheid over het lot van Spanje deel uit van een bredere Europese politieke crisis waarin recht en links botsten en de democratie verpulverden. De ineenstorting van de dictatuur van Miguel Primo de Rivera en de liberale monarchie, gevolgd door de invoering van de democratische republiek bracht Spanje, volgens de Carlisten, binnen de arena van de internationale strijd die in Europa zijn climax naderde. De democratie zou het socialisme waarschijnlijk niet in toom kunnen houden. Daarom waren ook de Carlisten van mening dat een tijdelijke autoritaire oplossing noodzakelijk was om de revolutie af te wenden. Fal Conde en zijn aanhangers hoopten dat het autoritarisme gevolgd zou worden door een monarchistische opleving.[132]
Na de mijnwerkersopstand in Asturië klonk in de Carlistische pers de roep om wraak en men schreef dat het noodzakelijk was om Spanje te ontdoen van socialisten en vrijmetselaars.[133] In de geest van de tijd gingen de Carlisten zich gewelddadiger gedragen en nam vanaf 1935 de rol van de requeté, de Carlistische burgermilitie, toe. Volgens de Carlisten bevond de Republiek zich in permanente prerevolutionaire staat. De requetés werden landelijk georganiseerd om rekrutering te vergemakkelijken. Varela hield zich bezig met de reorganisatie van de milities en droeg bij aan de toename van discipline.[134]
Het beleid van de regering die na de overwinning van de linksrepublikeinen in februari 1936 onder leiding van Azaña aantrad, overtuigde Fal Conde ervan dat de revolutie naderde.[135] Vanaf maart waren de Carlisten in verschillende samenzweringen, die de Republiek wilden beëindigen, vertegenwoordigd.[136] De Carlistische leider probeerde de banden met het leger verder te verbeteren. Generaal Mola, officier van het leger van Afrika, wilde de requetés gebruiken tijdens de opstand die hij voorbereidde. Fal Conde eiste de herinvoering van de Carlistische monarchie en omverwerping van de republikeinse constitutie.[137] Tijdens de Opstand van de 18e juli 1936 werd al snel duidelijk dat de idealen van het Carlisme op de tweede plaats kwamen. Het neerslaan van de revolutie en afrekenen met het Volksfront had prioriteit.[138] In de loop van de Burgeroorlog probeerden de Carlisten onder leiding van Fal Conde hun principes tegenover de standpunten van andere medestrijders binnen de Movimiento Nacional, te verdedigen.[139] Hierbij hadden zij af te rekenen met de belangen van de Falangisten.
Falange Española de las JONS en José Antonio Primo de Rivera
De politieke cultuur van Spanje was uniek in vergelijking met andere Europese landen door de afwezigheid van sterk nationalisme in een groot gedeelte van de moderne tijd. Dit bemoeilijkte pogingen om het fascisme in Spanje van de grond te krijgen.[140] Het nationalisme bleef door verschillende factoren zwak. Het gebied dat wij nu met Spanje aanduiden, ontwikkelde zich onder het gezag van Madrid vanaf de 11e eeuw onafhankelijk van de rest van Europa en vestigde in de eeuwen die volgden het eerste wereldrijk uit de geschiedenis.[141] Daarnaast kende de Spaanse monarchie een lange traditie van federalisme en decentralisatie. Alleen in de 18e probeerden de Bourbons het bestuur te centraliseren. Verder werden cultuur en traditie in Spanje geassocieerd met religie. Het katholicisme fungeerde als rem op de secularisering en werkte de ontwikkeling van sterk nationalisme tegen. Tot slot kende Spanje vanaf de invasie van Napoleon rond 1800 geen enkele buitenlandse bedreiging. Als gevolg van de geografische ligging van het land en gematigde externe ambities bleef het buiten de Eerste Wereldoorlog.[142] Hierdoor bleef de invloed van fascisme in Spanje beperkt.[143]
De eerste Spaanse intellectueel die fascistische ideeën verkondigde, Giménez Caballero, pleitte voor nationale vernieuwing met behulp van katholieke instituties binnen een sterke nationalistische autoritaire eenheidsstaat met gewapende milities en een sterk leger.[144] Ledesma en Redondo, twee Spaanse intellectuelen richtten in oktober 1931 de fascistische partij: Juntas de Ofensiva Nacional-Sindicalista (JONS), op. Zij streden voor nationale eenheid, respect voor de Spaanse katholieke traditie, het einde van de parlementaire politiek, herovering van Gibraltar op de Engelsen en expansie in Noord-Afrika ten koste van de Fransen. Invloed van de JONS in de Spaanse politiek bleef van weinig betekenis.[145] De Unión Mónarquica Nacional (UMN), vanaf 1930 in Spanje actief, predikte een nieuw monarchistisch regime gebaseerd op autoritair bestuur en was bereid tot het gebruik van geweld wanneer noodzakelijk. De beweging stond voor eenheid, verheerlijkte de traditioneel katholieke Spaanse identiteit en was tegen iedere vorm van regionalisme.[146] De leider van de UMN, José Antonio Primo de Rivera, zou tijdens de Tweede Republiek uitgroeien tot de leider van de Spaanse fascisten.
Zijn politieke carrière begon in feite met het falen van het regime van zijn vader, Miguel Primo de Rivera. José Antonio verdedigde in zijn eerste toespraken de dictatuur van de autoritaire generaal waarbij hij de nadruk legde op het autoritarisme en patriottisme van het regime. Daarnaast pleitte de zoon van de dictator voor een programma van nationale eenheid, herstel van de Spaanse economische onafhankelijkheid en versterking van leger en vloot.[147] Hij had van huis uit veel respect voor het leger meegekregen. Als politicus zou hij het Spaanse volk meermaals een houding van dienstbaarheid, zelfopoffering en een ascetische militaire manier van leven voorschrijven.[148] José Antonio Primo de Rivera liet zich inspireren door de belangrijke Spaanse intellectueel Ortega y Gasset. Van deze denker en schrijver ontleende hij het concept van de natie als eenheid van lotsbestemming dat José Antonio tot de kern van zijn doctrine zou maken.[149] Volgens Ortega was de natie een eenheid van mensen met eenzelfde missie in het universum.[150] Primo de Rivera nam dit idee over en verklaarde dat alle volkeren van Spanje, hoe divers ook, een harmonieuze eenheid vormden omdat zij verbonden waren in een gezamenlijke missie.[151]
Op 29 oktober 1933 werd hij leider van de Falange Española. José Antonio Primo de Rivera bepaalde het beleid en de politieke inhoud van de Falange. Hij benadrukte steevast zijn antiliberalisme en antisocialisme. Het liberalisme kende geen missie en leidde slechts tot economische slavernij waardoor het socialisme kon ontstaan. Het socialisme creëerde slechts nieuwe onderdrukking en verdwaalde in de materialistische interpretatie van het leven en de geschiedenis wat destructief was voor de sociale en spirituele eenheid van Spanje.[152] In El Fascio, een rechts dagblad verklaarde hij dat een sterke nationale eenheidsstaat noodzakelijk was om de fragmentatie en het