De nieuwe rechtspositie van het slachtoffer. Een praktijktoetsing van de Wet-Franchimont in het gerechtelijk arrondissement Kortrijk. (Ophélie Depoortere)

 

home lijst scripties inhoud  

 

Dankwoord

 

Op deze wijze wil ik iedereen bedanken

die me geholpen en gesteund heeft

bij het tot stand brengen van dit eindwerk.

In het bijzonder dank aan mevr. Verheecke Greet,

mevr. De Decker Carin, dhr. De Smedt Pierre

en dhr. Devos Bart.

Bedankt!

 

1 Inleiding

 

1.1 Probleemstelling.

 

Het eerste boek van de ouders van een vermoord kind, “Leven met een schaduw”, verscheen in 1992 en vormde zowel een pijnlijke aanklacht als een waarschuwing en een oproep. Justitie, de hulpverlening en de brede samenleving bekommeren zich te weinig om de slachtoffers van misdrijven. Als reactie op de publicatie van het boek werd de dienst slachtofferonthaal bij de parketten experimenteel gestart in 1993. (Vandeurzen, 1999, p 9)

 

Sinds 1990 was een commissie Strafprocesrecht aangesteld. Hieruit werd de Wet-Franchimont, of de Wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek, geboren. (Hutsebaut, p1)

 

Doordat de dienst slachtofferonthaal instaat voor de positie van het slachtoffer binnen Justitie, heeft de Wet-Franchimont onvermijdelijk haar invloed op de dienst. De dienst slachtofferonthaal kan immers bij heel veel van de procedures in de Wet-Franchimont (waarbij het slachtoffer betrokken wordt) bijstand en ondersteuning geven. De Wet-Franchimont herformuleerde het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek. Hierbij had ze aandacht voor een aantal rechten voor slachtoffers zodat de Wet-Franchimont een handig instrument is geworden voor de dienst slachtofferonthaal.

 

De wet had de bedoeling om een zekere doorzichtigheid en leesbaarheid te scheppen in het Belgisch strafprocesrecht. Vanuit de stage-ervaring op de dienst slachtofferonthaal in het gerechtelijk arrondissement Kortrijk werden enkele haperingen bemerkt bij deze nieuwe rechtspositie van het slachtoffer. De bedoeling van de wet en het effect op het terrein hiervan, hebben mijn belangstelling getrokken. Bij de zoektocht naar informatie viel het op dat er, vanuit de zijde van de slachtoffers, nog geen vorm van evaluatie gekomen is.

 

Het is niet de bedoeling om de wet te analyseren. Het is in dit eindwerk belangrijk om de menselijke kant van de wet naar voor te schuiven. Is deze wet wel zo slachtoffervriendelijk als beweerd wordt te zijn? Vanuit de stage-ervaring willen we hier navolgend een voorstelling en praktijktoetsing voorleggen.

 

 

1.2 Werkwijze.

 

Op onze stageplaats, de dienst slachtofferonthaal in het gerechtelijk arrondissement Kortrijk, komt de Wet-Franchimont sterk naar voren bij de opdrachten van de dienst. Het viel ons op dat bij deze nieuwe rechtspositie toch enkele haperingen zijn. Enerzijds zijn bepaalde rechten niet zo evident om uit te voeren, anderzijds moeten slachtoffers nog steeds lang wachten om bepaalde rechten te verkrijgen. Zoals reeds vermeld in de probleemstelling, wekte deze Wet en dan voornamelijk de nieuwe rechtspositie van het slachtoffer onze belangstelling. We vonden het de moeite waard om ze eens van dichtbij te kijken.

 

Voor we met dit eindwerk van start gingen, hebben we heel wat literatuur doornomen. Hieruit werd een selectie gemaakt wegens de beperkte tijd en ruimte. Toch zal men merken dat er veel theorie aan bod komt. De nieuwe rechtspositie van het slachtoffer speelt zich af bij het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek. Het is dus noodzakelijk om een duidelijk beeld te geven van de theoretische omkadering om zo een zicht te krijgen op de praktijk. De praktijk in ons eindwerk is gebaseerd op onze ervaringen met slachtoffers tijdens de stageperiode.

 

Het eerste hoofdstuk is een inleidend hoofdstuk. Het bevat een toelichting tot het onderwerp van dit eindwerk en de wijze waarop het is opgebouwd.

 

Het tweede hoofdstuk betreft een voorstelling van de stageplaats. We geven het ruime kader van het justitiehuis waarna we de dienst slachtofferonthaal uitdiepen. We bekijken haar geschiedenis en reglementering. Daarna bespreken we de opdrachten van de dienst in hun vele facetten.

 

Hoofdstuk drie wil naar een betekenis zoeken van het slachtofferschap. Hiermee willen we aantonen dat er vele gevolgen gekoppeld zij aan een traumatische ervaring. Ook diverse slachtoffergerichte instanties die doorheen de geschiedenis zijn ontstaan, passeren de revue. Om af te sluiten staan we even stil bij de rechten van het slachtoffer die mede dankzij deze instanties zijn verwezenlijkt.

 

In hoofdstuk vier geven we een korte inhoud van de Wet-Franchimont. De Wet-Franchimont omvat een hervorming van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek. Natuurlijk hebben we in dit eindwerk enkel de rechtspositie van het slachtoffer tijdens deze procedures van dichtbij bekeken.

We tonen eerst aan hoe deze wet is tot stand gekomen, daarna gaan we dieper in op deze nieuwe rechtspositie van het slachtoffer.

 

In het vijfde hoofdstuk gaan we dieper in op het opsporingsonderzoek. We bekijken de procedure van dit onderzoek zoals het door de wet geregeld is. Daarna maken we een toepassing van deze wet op de praktijk in het gerechtelijk arrondissement Kortrijk. Via enkele voorbeelden uit de praktijk van de stage-ervaring wordt bekeken wat de effecten zijn op het terrein.

 

Het zesde hoofdstuk geeft een verduidelijking van het gerechtelijk onderzoek. In eerste instantie wordt net als in hoofdstuk vijf de procedure onder de loep genomen. In tweede instantie wordt opnieuw een praktijktoetsing voorgesteld uit het gerechtelijk arrondissement Kortrijk.

 

Het zevende hoofdstuk betreft een aantal besluiten en voorstellen.

 

Het eindwerk wordt afgesloten met een aantal bijlagen en een bronnenlijst.

 

 

2. Voostelling stageplaats.

Het Justitiehuis Kortrijk: De dienst slachtofferonthaal.

 

In dit hoofdstuk geven we een uitgebreide uitleg over de werking van de stageplaats. Op deze manier kan er doorheen de volgende hoofdstukken een betere combinatie gevormd worden tussen de werking van de dienst slachtofferonthaal en de Wet-Franchimont. Zo hoeft ook niet elke opdracht van de dienst, die ter sprake komt doorheen de tekst, opnieuw uitgelegd worden.

Vooreerst wordt er een korte uitleg gegeven over de andere diensten die tot het justitiehuis horen. Daarna wordt ruim de plaats gegeven aan de dienst slachtofferonthaal omdat dit onze eigenlijke stageplaats is.

 

 

2.1 De opdrachten van het justitiehuis.

 

De dienst Justitiehuizen werd opgericht in 1999. De dienst groepeert de voormalige Dienst Sociaal Werk (die tot 1998 behoorde tot de Strafinrichtingen), slachtofferonthaal bij de parketten en bemiddeling in strafzaken. Het Justitiehuis vormt een brug tussen het gerecht en de samenleving. Er is er één per gerechtelijk arrondissement. (Bouverne – De Bie e.a., 2002, p124)

Zie bijlage één voor het organogram van het justitiehuis te Kortrijk.

 

2.1.1 Bemiddeling in Strafzaken.

 

“Bemiddeling in strafzaken poogt op een alternatieve manier een oplossing te bieden aan de conflictsituatie die ontstaat naar aanleiding van een misdrijf. Er wordt gestreefd naar een aanvaardbare overeenkomst tussen verdachte en slachtoffer, zonder tussenkomst van een rechter. De procedure is vrijwillig en de instemming en de actieve medewerking van alle betrokkenen is nodig. Beide partijen moeten via directe of indirecte bemiddeling proberen te komen tot een overeenkomst voor wat betreft het herstel en de schade. Daarnaast kan er een alternatieve maatregel worden voorgesteld aan de verdachte.” (Vandenberghe, 2000, p35)

 

2.1.2 Probatie.

 

Probatie betekent dat men gedurende een proeftermijn onder begeleiding en controle staat van een justitieassistent. De taak van de justitieassistent probatie is het bieden van maatschappelijke begeleiding, ondersteuning, controle en toezicht. Probatie kan niet uitgevoerd worden zonder de toestemming van de beklaagde. Bij een straf voor nieuwe feiten tijdens de lopende probatie, valt de rest van de probatieperiode weg, ongeacht of deze goed verliep of niet. (De Wit, 2004)

 

2.1.3 Penitentiaire dienst.

 

De justitieassistent van de penitentiaire dienst werkt onder drie verschillende soorten mandaten:

VLV of Voorlopige invrijheidstelling, voor straffen met een termijn van minder dan drie jaar. VI of Voorwaardelijke invrijheidstelling, voor straffen met een termijn van meer dan drie jaar. VOP of Vrijheid op proef, die meestal wordt opgelegd bij internering.

De taak van de justitieassistent van de penitentiaire dienst heeft een dubbele functie: Aan de ene kant moet hij zijn cliënt controleren en aan de andere kant moet hij hem begeleiden. (Vallaeys, 2004)

 

2.1.4 Burgerrechtelijke opdrachten.

 

De burgerrechtelijke opdracht is een maatschappelijk onderzoek door de rechter aangevraagd om een betere beslissing te kunnen nemen in het belang van de kinderen. Het grootste deel van de opdrachten komt voort uit echtscheidingssituaties waarbij de ouders het niet eens zijn over wat de beste oplossing voor de kinderen zou zijn. In dat geval zal de rechter een beslissing nemen. Indien de rechter oordeelt dat hij over onvoldoende informatie beschikt, kan hij een maatschappelijk onderzoek aanvragen.

Het verslag van deze opdracht, door de justitieassistent opgemaakt, probeert een weergave te geven van de huidige situatie en een advies te geven aan de bevoegde magistraat over een best mogelijke oplossing in het belang van de kinderen. (Deboutte, 2004)

 

2.1.5 Eerstelijnsinfo/Rechtsbijstand.

 

“Advocaten verzekeren een permanentie en beantwoorden vragen van juridische aard. Justitieassistenten verstrekken informatie en verwijzen, indien nodig, naar de bevoegde diensten. Deze dienstverlening is bestemd voor iedereen, burger of professioneel, die in aanraking komt met de gerechtelijke wereld en opzoek is naar informatie.” (Ministerie van Justitie, 2001, p4)

 

2.1.6 Slachtofferonthaal.

 

De dienst slachtofferonthaal staat in voor het onthaal, de bijstand en de ondersteuning aan slachtoffers van misdrijven of hun nabestaanden. De justitieassistent geeft informatie over de procedure en de werking van het onderzoek. Ze legt uit wat hun rechten en mogelijkheden als slachtoffers of nabestaanden zijn. De justitieassistent slachtofferonthaal geeft ook bijstand bij bepaalde elementen van het onderzoek zoals bijvoorbeeld een dossierinzage, een burgerlijke partij stelling bij de onderzoeksrechter of een rechtszitting. Bijstand houdt in dat de justitieassistent uitleg geeft, bijvoorbeeld bij bepaalde documenten in een dossier, hoe een zitting verloopt. Ook geeft de justitieassistent hierbij emotionele ondersteuning aan het slachtoffer of de nabestaande.

Bij de strafuitvoering geeft de justitieassistent uitleg over de procedure, bijvoorbeeld van een Voorwaardelijke Invrijheidstelling, en kan de justitieassistent bijstand geven aan het slachtoffer wanneer die door de Commissie voor Voorwaardelijke Invrijheidstelling gehoord wil worden.

 

 

2.2 De dienst Slachtofferonthaal op het Parket en de Rechtbank.

 

2.2.1 Ontstaan en evolutie.

 

“De aanzet tot het ontstaan van de dienst slachtofferonthaal bij het parket en de rechtbank werd in 1993 gegeven door de vzw ‘Ouders van een vermoord kind’. In het kader van het contact met de burger besliste de regering dat er op het niveau van de parketten en rechtbanken een onthaalstructuur voor slachtoffers moest komen.” (Draaiboek slachtofferonthaal, p5)

In 1993 werden bij 5 parketten 8 maatschappelijk assistenten aangesteld die een plaats kregen in het justitiepaleis, maar dit zonder een wetgevend kader. Er was wel een Ministeriële richtlijn, maar die was zeer vaag. (Draaiboek slachtofferonthaal, p5)

“Drie jaar later, in 1996, werd in elk gerechtelijk arrondissement een maatschappelijk assistent voor slachtofferonthaal aangesteld en werden zes adjunct-adviseurs aan het kader toegevoegd.” (Draaiboek slachtofferonthaal, p5)

Dit toont aan dat men overtuigd was van het nut en de werking van de dienst slachtofferonthaal, en dat de dienst een oplossing kon bieden voor de vele vragen en behoeften van de burgers. Er werd dus een uitbreiding doorgevoerd, niet alleen naar de andere parketten toe, maar ook het aantal justitieassistenten per gerechtelijk arrondissement werd aangepast.

Deze uitbreiding vroeg dus een beter wetgevend kader. En dit kwam er op 15 september 1997: De ‘Ministeriële richtlijn inzake het onthaal van slachtoffers op parketten en rechtbanken’. Deze richtlijn omschrijft de rol en de taken van de personen die bij het onthaal van slachtoffers op rechtbanken en parketten een specifieke bevoegdheid krijgen. (Draaiboek slachtofferonthaal, p5)

In 1999 vindt er een herstructurering plaats binnen Justitie. De dienst Justitiehuizen krijgt zijn wettelijke basis. Voor de dienst slachtofferonthaal heeft dit als gevolg dat ze wettelijk gezien tot het justitiehuis behoort. In de praktijk bevindt de dienst (in Kortrijk, maar ook in andere gerechtelijke arrondissementen) zich in het justitiepaleis en blijft zij haar functie bij de Procureur des Konings uitvoeren. (Draaiboek slachtofferonthaal, p5)

 

2.2.2 Reglementering.

 

Zoals we hierboven al aanhaalden, werden de doelstellingen en de activiteiten van de dienst slachtofferonthaal omschreven in de Ministeriële richtlijn van 1997. Deze richtlijn vormt het belangrijkste wettelijke kader die de dienst heeft om haar werking te garanderen.

 

“Alle personeelsleden van de rechtbanken en parketten moeten alle burgers die in contact komen met de rechterlijke orde zorgvuldig en correct bejegenen. Dit geldt in het bijzonder ten aanzien van slachtoffers en hun verwanten door hen de nodige informatie te verstrekken en hen, indien nodig, te verwijzen naar de gepaste hulpverlening.” (Ministeriële Richtlijn, 15.09.1997, p3)

Vanaf 1993 werden er dus maatschappelijk assistenten ter beschikking gesteld om de werking van de dienst slachtofferonthaal uit te voeren. Deze onthaalstructuur, die dankzij de dienst werd uitgebouwd, wordt uitdrukkelijk beperkt tot het organiseren van een goede bejegening van slachtoffers teneinde de secundaire victimisering te voorkomen. Dit komt doordat het geven van hulpverlening een bevoegdheid is van de Gemeenschappen en Gewesten, en de dienst Justitiehuizen behoort tot de federale overheid. De dienst slachtofferonthaal heeft dan ook een belangrijke doorverwijzingfunctie die verder in dit hoofdstuk zal toegelicht worden.

(Ministeriële Richtlijn, 15.09.1997, p3)

 

2.2.3 De dienst slachtofferonthaal.

 

2.2.3.1 De plaats van de dienst.

Zoals eerder vermeld, behoort de dienst slachtofferonthaal tot de dienst Justitiehuizen, maar bevindt zij zich in het justitiepaleis. Het justitiepaleis bevat enerzijds het parket en anderzijds de rechtbank. De Procureur des Konings en zijn Substituten Procureur des Konings vormen, samen met de administratieve diensten, het parket. Het parket omvat het onderzoek. De rechtbank wordt gevormd door de rechters, inclusief de onderzoeksrechters en de griffiers. De dienst slachtofferonthaal heeft zowel bij het parket als bij de rechtbank een aantal taken.

 

Sinds het ontstaan van het justitiehuis, werd er gesproken over de idee om de dienst slachtofferonthaal ook fysiek in het justitiehuis te plaatsen. Vanuit de stage-ervaring bemerkten we hierbij een aantal voor- en nadelen die we als opmerking aan dit eindwerk toevoegen.

 

De andere justitieassistenten van het justitiehuis zouden makkelijker een grotere kennis opdoen over de werking van de dienst slachtofferonthaal. En zo zou de permanentie beter en makkelijker kunnen ingevuld worden bij afwezigheid van de justitieassistenten slachtofferonthaal. Ook omgekeerd kunnen de justitieassistenten slachtofferonthaal inspringen bij de anderen diensten van het justitiehuis indien dit nodig zou blijken.

De accommodatie van het justitiehuis zorgt ervoor dat een slachtoffer beter ontvangen kan worden. Wanneer de justitieassistenten slachtofferonthaal afwezig of in gesprek zijn, kan er iemand anders uit het justitiehuis het slachtoffer opvangen. Dit kan zowel een andere justitieassistent zijn als iemand van het onthaal. Ook is de drempel veel lager om een justitiehuis binnen te treden dan de rechtbank binnen te stappen.

 

Maar er zijn ook een aantal nadelen aan verbonden. Het is namelijk zo dat strafdossiers niet buiten de muren van het justitiepaleis mogen komen. Dit heeft als gevolg dat de justitieassistent slachtofferonthaal telkens heen en weer moet tussen het justitiehuis en het justitiepaleis om een dossier te raadplegen. Zo kan de bijstand bij dossierinzage ook niet in het justitiehuis gebeuren. Om het goeie verloop van de inzage te blijven garanderen dient dan een lokaal gereserveerd te worden op het justitiepaleis, zodat men toch wat privacy heeft.

Wanneer de dienst slachtofferonthaal niet in het justitiepaleis is gelegen, heeft men ook minder rechtstreeks contact met de verschillende administratieve diensten en de magistraten. Voor de goede doorstroming van dossiers is dit wel noodzakelijk. Je kunt makkelijker iets aan hen vragen en zij zullen de dienst ook sneller zelf eens contacteren wanneer ze weten wie je bent. Het is niet alleen belangrijk dat de andere diensten en de magistraten weten wat de dienst slachtofferonthaal doet. Het is ook belangrijk dat men weet wie je bent, hoe je te werk gaat, dat je te vertrouwen bent enzovoort. Doordat je op het justitiepaleis zit, kun je zelf ook makkelijker eens bij hen langs lopen. Zo blijft men telkens herinnerd aan de dienst.

De andere diensten binnen het justitiehuis zijn gericht op daders. Dit betekent concreet dat wanneer een slachtoffer naar het justitiehuis komt, en enkele minuten in de wachtzaal moet zitten, zij daar samen zitten met daders. Het slachtoffer heeft een traumatische gebeurtenis meegemaakt en dan is het niet evident om naast een dader in een zelfde wachtzaal te zitten.

De drempel om het justitiepaleis binnen te stappen is groter, maar dit kan makkelijk omzeild worden. Bijvoorbeeld door een goed onthaal aan de ingang, een eenvoudige ligging van het bureel of de justitieassistent die het slachtoffer zelf ontvangt aan de ingang.

 

2.2.3.2 De opdrachten van de dienst.

Doelgroep.

“De justitieassistent slachtofferonthaal is bevoegd om tussen te komen voor slachtoffers van misdaden en wanbedrijven en hun familie, gepleegd door zowel meerder- als minderjarigen, zowel burgers als militairen.” (Draaiboek Slachtofferonthaal, p10)

Om een onderscheid te maken tussen de misdrijven die de dienst wel opneemt en diegene die de dienst niet opneemt, baseert de justitieassistent zich op de verplichte categorieën zoals opgesomd in de Ministeriële richtlijn van 1997:

- Moord;

- Verdacht overlijden;

- Zelfdoding;

- Diefstal met geweld;

- (On)opzettelijke slagen en verwondingen, met ernstige letsels als gevolg;

- Zedenfeiten, met uitzondering van exhibitionisme;

- Dodelijk verkeersongeval;

- Dodelijk arbeidsongeval;

- Stalking.

De justitieassistent van het parket dat het strafrechtelijk dossier behandelt, is territoriaal bevoegd. Dit betekent dat de dienst bevoegd is voor alle slachtoffers van de misdrijven gepleegd in het betreffende gerechtelijk arrondissement, ook al woont een slachtoffer in een ander gerechtelijk arrondissement. In het kader van de strafuitvoering is de justitieassistent slachtofferonthaal bevoegd van het gerechtelijk arrondissement, waarin de woonplaats van het slachtoffer of de familie ervan is gesitueerd. (Informatienota Justitiehuizen, p10)

Doelstellingen.

1) Secundaire victimisering voorkomen.

Naast de gevolgen van het eigenlijke delict – de ‘primaire victimisering’ – ervaren slachtoffers van misdrijven in vele gevallen een bijkomende benadeling. Zij worden onheus behandeld of voelen zich niet erkend in hun contacten met uiteenlopende instanties, o.a. justitie. Men spreekt dan van ‘secundaire victimisering’. Het slachtoffer is in het strafrechtssysteem dienstig als aanbrenger van informatie en wordt niet van meet af aan als volwaardige partij betrokken bij de probleemafhandeling. De eigen doelstellingen van het strafrechtssysteem zorgen ervoor dat de afhandeling niet in de eerste plaats gericht is op de vragen en behoeften van slachtoffers. (Informatienota Justitiehuizen, p7)

 

2) Slachtofferbejegening binnen het parket verbeteren.

Dit omvat een goed onthaal, een goede eerste opvang van het slachtoffer. Slachtofferbejegening gebeurt dus door politie, rechtbank, huisarts… (Informatienota Justitiehuizen, p8)

Individuele opdrachten.

Als justitieassistent slachtofferonthaal heeft men een aantal individuele opdrachten. Elk heeft zijn eigen cliënten en dossierbeheer. De verdeling hiervan is afhankelijk van de justitieassistenten zelf. In Kortrijk bijvoorbeeld zijn er twee justitieassistenten, die elk een week op out-reach gaan. Out-reach betekent dat de justitieassistent langs gaat bij de Procureur des Konings die de dag ervoor van dienst was. Welke dossiers de justitieassistent opneemt, is afhankelijk van de verplichte categorieën of de afspraken met de Procureur des Konings. De justitieassistent stuurt dan een eerste brief, ook wel een hulpaanbod genoemd (zie bijlage twee), naar het slachtoffer waarin de dienst slachtofferonthaal kort wordt voorgesteld.

Elke justitieassistent volgt zo zijn eigen dossiers op en contacteert zijn eigen cliënten. Bijvoorbeeld wanneer het onderzoek van een dodelijk verkeersongeval afgerond is, stuurt de dienst dagvaarding het dossier door naar de dienst slachtofferonthaal, nadat er een rechtsdag bepaald werd. Zo kan er naast de algemene brief vanuit het parket ook een brief vanuit slachtofferonthaal verstuurd worden. In deze brief vermeldt de dienst tevens dat men recht heeft op inzage en dat men hiervoor een beroep kan doen op de dienst slachtofferonthaal. Evenals wanneer mensen bijstand willen tijdens de rechtszitting.

- Onthaal en informatie. Slachtoffers en hun nabestaanden hebben recht op informatie in het algemeen en recht op informatie over het concrete verloop van hun dossier. Zoals we hierboven schreven, worden de slachtoffers van de verplichte categorieën op de hoogte gesteld van het bestaan van de dienst. Maar ook mensen die niet tot die categorieën behoren, kunnen op slachtofferonthaal beroep doen. De dienst verschaft hen allerlei vormen van informatie, zoals uitleg omtrent de procedure van het opsporingsonderzoek of het gerechtelijk onderzoek, wat de Procureur des Konings tot hiertoe ondernomen heeft, wat men nog kan verwachten in de toekomst. Er wordt kort ook uitleg gegeven van de eventuele gevolgen zoals een klassering zonder gevolg, een rechtszitting, plus wat de dienst slachtofferonthaal tijdens al deze stappen voor de slachtoffers kan betekenen. De meer gedetailleerde uitleg hieromtrent komt pas later in de procedure, wanneer de informatie ook van toepassing is.

- Bijstand en ondersteuning. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren tijdens een dossierinzage. De justitieassistent geeft dan uitleg bij de documenten en verzorgt de inzage van het fotodossier. Ook wanneer er tijdens een zelfdoding een afscheidsbrief in beslag genomen is, kan de dienst slachtofferonthaal bijstand verlenen bij de teruggave hiervan. Ze stelt de nabestaanden op de hoogte van de mogelijkheid tot teruggave en vraagt hen of zij die terug wensen. Zo kan de justitieassistent ervoor zorgen dat de brief op een serene en respectvolle manier kan teruggeven worden. Ook kan zij vermelden wat in de brief staat, wanneer de nabestaanden deze nog niet zouden gelezen hebben. Bijstand kan ook gegeven worden bij teruggave van in beslag genomen goederen, zoals bijvoorbeeld kledij. Tijdens een rechtszitting kan de justitieassistent uitleg geven omtrent het verloop van de zitting en uitleg geven bij wat door de rechters en advocaten gezegd wordt.

- Doorverwijzing. Zoals we al eerder vermeldden, heeft de dienst slachtofferonthaal geen bevoegdheid voor het geven van hulpverlening. Daarom hebben de justitieassistenten slachtofferonthaal een belangrijke verwijsfunctie wanneer het slachtoffer intensieve of meer specifieke hulp nodig heeft. Bijvoorbeeld een doorverwijzing naar de dienst slachtofferhulp van het Centrum Algemeen Welzijnswerk of naar het Centrum Geestelijke Gezondheidszorg. De justitieassistent kan zelf de eerste stap naar de andere dienst zetten, natuurlijk met de toestemming van de cliënt. Zo wordt de drempel naar de andere dienst lager.

- Taak in het kader van de strafuitvoering. Wanneer in dossiers, met betrekking tot de verplichte categorieën, een dader in aanmerking komt voor een voorwaardelijke invrijheidstelling of een andere vorm van vrijheid, contacteert de justitieassistent het slachtoffer of zijn nabestaanden. Het is de taak van de justitieassistent om de slachtoffers of de nabestaanden te informeren over de procedure en hun rechten hieromtrent. Zo kunnen slachtoffers hun bemerkingen en bezorgdheden meedelen aan de commissie die over de invrijheidstelling beslist. Deze bezorgdheden worden door de justitieassistent genoteerd in een slachtofferfiche (zie bijlage drie). Een slachtofferfiche is een document dat door het slachtoffer, samen met de justitieassistent, wordt opgemaakt. Het omvat de identiteit van het slachtoffer en van de veroordeelde; de inlichtingen die het slachtoffer aan de commissie wil meedelen met betrekking tot de houding van de dader; de slachtoffergerichte voorwaarden die kunnen opgelegd worden, zoals bijvoorbeeld niet in een bepaalde gemeente wonen of er zich begeven, op geen enkele wijze contact opnemen met het slachtoffer of zijn nabestaanden; informatie betreffende de schadevergoeding, bijvoorbeeld of het slachtoffer al geheel of gedeeltelijk werd vergoed indien er een schadevergoeding werd toegekend; bijkomende gegevens die het slachtoffer aan de commissie wenst mee te delen, zoals de psychosociale gevolgen van de feiten, hoe het slachtoffer met de feiten omgaat enzovoort.
Daarnaast kan het slachtoffer ook meedelen of hij verder wenst op de hoogte gehouden worden, bijvoorbeeld van het tijdstip dat de veroordeelde vervroegd in vrijheid wordt gesteld. Ook kan hij meedelen of hij door de commissie zou willen gehoord worden. Hierbij kan de justitieassistent slachtofferonthaal bijstand verlenen. Dit document wordt door het slachtoffer ondertekend en door de justitieassistent opgestuurd naar de bevoegde dienst.

 

Structurele opdrachten.

Naast de individuele opdrachten die hiervoor beschreven staan, hebben de justitieassistenten een aantal structurele opdrachten. Dit zijn de opdrachten die de diensten slachtofferonthaal algemeen meekrijgen.

- Sensibiliseren. Het is belangrijk dat zoveel mogelijk betrokkenen op het parket en de rechtbank bekend raken met de problematiek van slachtoffers en hun nabestaanden. Het is daarom een belangrijke taak van de justitieassistenten om hen daar voortdurend aan te herinneren. Men kan er bijvoorbeeld voor zorgen dat de verschillende diensten op de hoogte zijn van de verplichte categorieën zodat zij de dossiers kunnen doorsturen naar de dienst slachtofferonthaal. Op de stageplaats te Kortrijk heeft men kaartjes gemaakt met vermelding van die verplichte categorieën als geheugensteuntje voor de verschillende administratieve diensten. Ook hebben zij een stempel van de dienst slachtofferonthaal gekregen, die zij op de dossiers kunnen plaatsen die tot die verplichte categorieën horen. Zo weet men dat het dossier telkens naar de dienst slachtofferonthaal dient doorgegeven te worden bij een belangrijke stap in de procedure, bijvoorbeeld de bepaling van een datum voor een rechtsdag.
Ook is het belangrijk om politieagenten voldoende in te lichten over de werking van de dienst slachtofferonthaal, zodat ook zij de slachtoffers juist kunnen inlichten over het bestaan en de werking van de dienst.

- Signaleren. Dit heeft betrekking op de verbetering van de slachtofferbejegening en het slachtofferbeleid.
Voorbeeld: Tot voor kort kon de justitieassistent slachtofferonthaal in het gerechtelijk arrondissement Kortrijk geen bijstand verlenen tijdens een zitting met gesloten deuren. Bij zedenfeiten met minderjarige slachtoffers, vraagt het openbaar ministerie om de zitting met gesloten deuren te laten verlopen ter bescherming van de privacy van de minderjarige. De voorzitter van de rechtszitting besliste dat enkel de verdachte, de burgerlijke partijen en de advocaten op deze zitting mochten aanwezig zijn. De justitieassistent slachtofferonthaal werd hierbij uitgesloten en dus ook de belangen van het slachtoffer. De justitieassistenten deden hiervan melding bij hun verbindingsmagistraat. De verbindingsmagistraat, een eerste Substituut Procureur des Konings, verzorgt een brugfunctie tussen de justitieassistenten slachtofferonthaal enerzijds en het parket en de rechtbank anderzijds. De verbindingsmagistraat bracht de gevoeligheid van de problematiek over aan de voorzitter van de zitting die hierna bereid was om de justitieassistenten slachtofferonthaal toe te laten tot de rechtszitting met gesloten deuren.

 

 

2.3 Besluit.

 

De dienst slachtofferonthaal behoord tot de dienst Justitiehuizen maar bevindt zich, aldus in het gerechtelijk arrondissement Kortrijk, in het Justitiepaleis.

De werking van de dienst slachtofferonthaal omvat een brede waaier van opdrachten. Men kan als slachtoffer bij de dienst terecht tijdens de volledige duur van het onderzoek en het proces. Daarna kan men blijvend beroep doen op de dienst tot de dader volledig in vrijheid gesteld is. Naast hun individuele opdracht, staan de justitieassistenten ook in voor het sensibiliseren en signaleren ter verbetering van de slachtofferbejegening binnen het parket.

De dienst slachtofferonthaal heeft als prioriteit om tegemoet te komen aan de noden en behoeften van slachtoffers. Laten we dus eens kijken wat het betekend om slachtoffer te zijn.

 

 

3. Slachtofferschap

 

Zoals we in hoofdstuk twee al konden merken, heeft het slachtoffer een heel belangrijke plaats in dit eindwerk. Daarom is het belangrijk om er even bij stil te staan. Allereerst moet bepaald worden wie het slachtoffer is waarna we de aandacht geven aan enkele belangrijke gevolgen van slachtofferschap.

Daarnaast zijn er enkele slachtoffergerichte instanties die zeker de moeite waard zijn. Daaruit volgden onder andere de zeven fundamentele rechten van het slachtoffer, waarmee we dit hoofdstuk afsluiten.

 

 

3.1 Wie is het slachtoffer?

 

Er bestaan veel verschillende definities om een betekenis te geven aan de term ‘slachtoffer’. Maar in dit eindwerk beperken we ons tot het slachtoffer van een misdrijf. Volgens het Nationaal Forum voor Slachtofferbeleid wordt het als volgt omschreven:

“Alle personen en hun na(ast)bestaanden aan wie materiële, morele en/of lichamelijke schade is toegebracht als gevolg van een inbreuk op de strafwet, worden erkend als slachtoffer van een misdrijf.” (Ministerie van Justitie, 2001, p 7)

 

 

3.2 De gevolgen van het slachtofferschap.

 

Slachtoffers worden na het misdrijf met allerlei consequenties geconfronteerd. Het trauma beperkt zich niet tot het moment van het misdrijf zelf, maar leidt tot een grote diversiteit aan gevolgen die zich tezelfdertijd kunnen manifesteren. We bekijken ze even van dichtbij.

 

3.2.1 Financiële en materiële gevolgen

 

De rechtstreekse financiële gevolgen zijn er bijna altijd te vinden. Bij een diefstal bijvoorbeeld, is er in de eerste plaats de financiële waarde van het gestolen goed, maar in de tweede plaats ook de materiële schade die hiernaast werd aangebracht. Bijvoorbeeld een geforceerde deur, een ingeslagen raam of vernieling van het meubilair. Wanneer men slachtoffer is geworden van lichamelijk geweld, zijn er kosten van bijvoorbeeld vernielde kledij, de onmiddellijke medische kosten enzovoort.

 

In veel gevallen is het voor het slachtoffer moeilijk of zelfs onmogelijk om de financiële schade nauwkeurig te bepalen. Men kent bijvoorbeeld de aankoopwaarde niet meer of de schade is niet meer te herstellen. Ook hebben bepaalde goederen een veel grotere subjectieve waarde, die emotioneel veel zwaarder doorwegen dan de louter financiële kost. Denk maar aan de diefstal of de beschadiging van persoonlijke voorwerpen zoals brieven, juwelen, foto’s enzovoort. (Aertsen e.a., 2002, p18)

 

De onrechtstreekse financiële gevolgen kunnen zeer uiteenlopend van aard zijn. Bijkomend zijn ze dikwijls nog moeilijker te ramen. De medische kosten bijvoorbeeld kunnen op lange termijn zwaar doorwegen. Denk maar aan de apothekerskosten, kosten van kinesitherapeutische hulpverlening, revalidatie en ook psychische hulp. In bepaalde gevallen is er ook financieel verlies door werkverlet, nodig voor allerlei verplichtingen zoals bijvoorbeeld verplaatsingen naar politie of rechtbank, administratieve regelingen, afhandelingen van het verzekeringsdossier enzovoort. Daarnaast zorgt ook het vermijdingsgedrag voor bijkomende kosten. Het plaatsen van extra sloten of een alarminstallatie. Misschien wordt er ook een bijkomende verzekering afgesloten. Tenslotte zijn er ook nog de juridische consultatie en procedurekosten. Het ereloon van de advocaat wordt immers niet betaald door de veroordeelde en moet dus door het slachtoffer zelf gedragen worden. (Aertsen e.a., 2002, p19-20)

 

3.2.2 Lichamelijke gevolgen.

 

Slachtoffers van de veelvoorkomende gewelddaden zoals slagen, handtastelijkheden, bedreigingen en diefstal blijken veel minder echte fysieke letsels op te lopen dan algemeen verwacht wordt. Bij de opzettelijke slagen en verwondingen komt fysiek slachtofferschap meer voor bij mannen dan bij vrouwen. De fysieke letsels worden vaak veroorzaakt door het verweer van de slachtoffers of doordat daders reageren op dit verweer. In geval van echte straatberoving zijn het eerder oudere dames die hier het slachtoffer zijn. De letsels treden hier op doordat bijvoorbeeld bij het afrukken van een handtas, het slachtoffer ten val komt. (Aertsen e.a., 2002, p21)

 

Bij de onrechtstreekse gevolgen doen er zich twee soorten voor: de fysieke gevolgen op lange termijn en de psychosomatische klachten. Psychosomatische klachten zijn aandoeningen die zich lichamelijk uiten maar die een psychologische oorsprong hebben. Bijvoorbeeld spierspanningen, maag- en darmklachten, hoofdpijn, slaapproblemen en dergelijke. De fysieke gevolgen kunnen gevonden worden in de aard en de duur van de medische behandeling, de duur van de arbeidsongeschiktheid of het medicatiegebruik. (Aertsen e.a., 2002, p22)

 

3.2.3 Psychologische gevolgen

 

Bij gewelddaden komen de kenmerken van een shock sterk naar boven. Tijdens een overval of een verkrachting wordt een slachtoffer zwaar bedreigd in zijn psychische integriteit. Tijdens het delict kan een slachtoffer geen initiatief nemen, hij heeft geen greep op wat er gebeurt. De machteloosheid is enorm, men kan niet normaal denken en handelen. Het gevoel van onkwetsbaarheid wordt met één klap doorprikt. (Peters&Goethals, 1993, p103-104)

 

Hoe mensen reageren op schokkende gebeurtenissen hangt van veel factoren af. Het type delict; de aard en de graad van de bedreiging die tegen het slachtoffer werd gebruikt; of men met lichamelijke letsels werd geconfronteerd; of men de agressor kende; of men tijdens het gebeuren nog op enige wijze actief kon zijn. Bovendien dragen verschillen in persoonskenmerken van het slachtoffer bij tot verschillen in beleving. (Peters&Goethals, 1993, p105)

 

3.2.4 Sociale gevolgen

 

In een slachtofferervaring wordt de directe omgeving betrokken. Het slachtoffer doet beroep op deze omgeving, bijvoorbeeld bij de behoefte om over de feiten te praten. Anderzijds ondervindt diezelfde omgeving ook een aantal gevolgen zoals de verhoogde prikkelbaarheid bij slachtoffers van geweld of de invloed die de gebeurtenis kan hebben op de relatie met de partner of de verhoudingen met mensen in het algemeen. (Aertsen e.a., 2002, p38)

 

Slachtoffers veranderen ook vaak hun dagelijkse gewoonten en hun vaste gedragspatronen. Men gaat minder weg, men controleert meer of alles in orde is of men durft ’s avonds niet meer alleen op straat. (Aertsen e.a., 2002, p39)

 

3.2.5 Secundaire victimisering.

 

Hierbij denkt men snel aan de behandeling door politie en het gerecht. Maar het probleem stelt zich ook bij andere instanties waarmee het slachtoffer in aanraking komt, zoals de verzekeringsmaatschappij of zelfs de eigen gezinsleden. Ook in de medische sector wordt het slachtoffer in de eerste plaats gezien als patiënt en is er niet altijd voldoende aandacht voor de specifieke psychologische gevolgen. Ook de hulpverleners in de welzijnssector en de geestelijke gezondheidszorg onderkennen niet altijd de specifieke problemen van slachtoffers van misdrijven. Opdringerige journalisten schrijven ongevraagd persoonlijke gegevens in de krant. Of bepaalde gegevens van het onderzoek verschijnen in de pers terwijl diezelfde informatie werd ontzegd ten opzichte van de slachtoffers wegens het geheim van het onderzoek. (Aertsen e.a., 2002, p39-44)

 

 

3.3 Een aantal diverse slachtoffergerichte instanties.

 

Doorheen de geschiedenis werden diverse instanties opgericht die de positie van slachtoffers van misdrijven wilden verbeteren. Hieronder bespreken we de belangrijkste initiatieven die een stem geven aan slachtoffers of nabestaanden in functie van het eindwerk. Eén van deze instanties is uiteraard de dienst slachtofferonthaal, maar die bespreken we hier niet aangezien we dit reeds uitvoerig deden in hoofdstuk twee.

 

3.3.1 Slachtofferbejegening bij de politie.

 

De taakomschrijving die hieronder beschreven wordt heeft vooral betrekking op de dienstverlening tijdens het eerste contact. In vele gevallen is de politie de eerste en enige instantie waar men als slachtoffer, vrij snel na de feiten, terecht kan. De slachtofferbejegening kan niet herleid worden tot een automatisme. Elke situatie moet telkens weer opnieuw ingeschat worden. (Aertsen e.a., 2002, p206-207)

 

Ten eerste is het onthaal en de opvang van het slachtoffer van groot belang. Het onthaal slaat op de wijze waarop het slachtoffer wordt ontvangen bij de aanmelding, bijvoorbeeld aan de balie of aan de telefoon. De opvang heeft betrekking op het contact tijdens het verhoor of op latere contacten. De opvang moet gekenmerkt worden door luisterbereidheid. Dit heeft niet enkel een direct belang voor het slachtoffer, maar heeft ook een psychologische betekenis. (Aertsen e.a., 2002, p207-208)

 

Ten tweede heeft het slachtoffer een sterke behoefte aan informatie. Door de toestand waarin het slachtoffer zich kan bevinden is het soms moeilijk hem alle informatie onmiddellijk te geven. Informatie kan dus ook gegeven worden als er later opnieuw contact wordt opgenomen met het slachtoffer. (Aertsen e.a., 2002, p213-214)

 

Ten derde biedt slachtofferbejegening een praktische bijstand aan die prioritair is in crisissituaties. Deze bijstand betreft vaak heel eenvoudige dingen zoals het verwittigen van een verwante, het zorgen voor vervoer enzovoort. (Aertsen e.a., 2002, p216)

 

Tenslotte wordt de nadruk gelegd op het verwijzen. Dit is geen eenvoudige opdracht. Slachtoffers zijn geen nadrukkelijke hulpvragers. Toch blijken velen van hen het positief te vinden dat zij in contact gebracht worden met instellingen voor hulpverlening op sociaal of psychologisch vlak. (Aertsen e.a., 2002, p217)

 

3.3.2 Slachtofferhulp bij het Centrum Algemeen Welzijnswerk.

 

“Slachtoffers reageren normaal op een abnormale gebeurtenis.” Dit is het basisprincipe van slachtofferhulp. Sedert 1997 is er in Vlaanderen in elk gerechtelijk arrondissement een dienst slachtofferhulp. Slachtofferhulp richt zich tot alle slachtoffers van misdrijven en hun na(ast)bestaanden. Maar ook de nabestaanden van een dodelijk verkeersongeval, nabestaanden van een zelfdoding of de slachtoffers van rampen kunnen bij slachtofferhulp terecht. (Steunpunt Algemeen Welzijnswerk, 2004, p3)

 

De medewerkers van slachtofferhup bestaan uit zowel professionelen als vrijwilligers. Ze hebben steeds een gepaste opleiding gekregen. De hulpverlening is gratis en kan op de dienst, bij het slachtoffer thuis of op een andere overeen gekomen plek plaatsvinden. Slachtofferhulp werkt samen met politie en justitie, maar behoudt haar onafhankelijkheid. Het slachtoffer wordt actief gesteund om zijn controle en onafhankelijkheid terug op te nemen. Ook onderschrijft slachtofferhulp een herstelgerichte visie en houding en besteedt in zijn hulpverlening aandacht aan de daderdimensie. (Steunpunt Algemeen Welzijnswerk, 2004, p3)

 

Het hulpaanbod bestaat uit een individuele hulpverlening, een groepsopvang of een structurele opdracht.

 

De individuele hulpverlening omvat informatieverstrekking, ondersteuning en begeleiding. De informatieverstrekking poogt een antwoord te bieden op diverse vragen van het slachtoffer. Welke zijn mijn rechten als slachtoffer? Wat gebeurt er met mijn klacht? Zijn mijn reacties normaal? Kan ik terecht bij mensen die hetzelfde meemaakten? De ondersteuning kan bestaan uit een administratieve ondersteuning, de opvolging van het schadedossier of ondersteunende gesprekken. Een begeleiding kan zinvol zijn om te voorkomen dat de verwerking vastloopt. Soms dient doorverwezen te worden of samengewerkt te worden met meer gespecialiseerde hulp. (Steunpunt Algemeen Welzijnswerk, 2004, p4)

 

Voor misdrijven met meerdere betrokkenen, bijvoorbeeld een overval in een winkel, restaurantketen of bank en voor slachtoffers van rampen, organiseert slachtofferhulp groepsdebriefings en informatievergaderingen. Dit is een interventievorm waarbij aan het individu en aan de groep een kader wordt geboden waarbinnen reacties kunnen geplaatst worden. (Steunpunt Algemeen Welzijnswerk, 2004, p5)

 

Ook heeft slachtofferhulp structurele opdrachten. Ze wil mee gestalte geven aan een geïntegreerde welzijnsbenadering van criminaliteit en onveiligheid, met bijzondere aandacht voor het slachtofferperspectief. (Steunpunt Algemeen Welzijnswerk, 2004, p5)

 

Slachtofferhulp heeft ook aandacht voor kinderen. Momenteel kunnen in alle diensten slachtofferhulp kinderen en jongeren terecht voor begeleiding. Beroepskrachten en vrijwilligers werden opgeleid in de opvang van kinderen. (Steunpunt Algemeen Welzijnswerk, 2004, p7)

 

3.3.3 Het Europees Forum voor Slachtofferhulp.

 

Het Europees Forum bestaat sinds 1990. Ze brengt erkende slachtofferhulpdiensten uit verschillende Europese landen samen. Ze ijvert voor de rechten van het slachtoffer en tracht op Europees niveau invloed te hebben op het slachtofferbeleid. (www.caw.be)

 

3.3.4 Het Nationaal Forum voor Slachtofferbeleid.

 

Het Forum werd op 16 juni 1994 door de minister van Justitie geïnstalleerd. Het is het aangewezen platform voor overleg tussen de vertegenwoordigers van de Federale Staat, de Gemeenschappen en Gewesten en de relevante diensten en instanties. (Aertsen e.a., 2002, p285)

 

Door die oprichting werd een einde gemaakt aan het onoverzichtelijk lappendeken van hulpverleningsorganisaties. De initiatieven die bestonden inzake slachtofferhulp waren tot dan toe onvoldoende op mekaar afgestemd. (www.cdcs.irisnet.be)

 

Tijdens de eerste werkingsjaren van het Forum is er intens overleg gepleegd en is er een uitvoerige uitwisseling van informatie gebeurt. Dit leidde tot een aantal verschillende belangrijke realisaties:

- een inventaris van de regelgeving en initiatieven (februari 1995);

- het Strategisch Plan voor een Nationaal Slachtofferbeleid (juni 1996);

- het Handvest voor het slachtoffer van een misdrijf (maart 1998).

Daarnaast heeft het Forum verschillende adviezen en aanbevelingen, over uiteenlopende aspecten van het slachtofferbeleid, geformuleerd. (www.just.fgov.be)

 

 

3.4 De zeven fundamentele rechten van het slachtoffer.

 

Het Europees Forum voor Slachtofferhulp ondertekende op 22 februari 1993 de ‘Verklaring van de rechten van het slachtoffer’. Sindsdien is deze dag de ‘Europese dag van het slachtoffer’. Het Europees Forum formuleerde destijds zes rechten in zijn verklaring. Het Nationaal Forum voor Slachtofferbeleid voegde hierbij een zevende recht aan toe. (Steunpunt algemeen Welzijnswerk, 2004, p8)

 

3.4.1 Het recht op een eerbiedige, correcte behandeling.

 

“Het slachtoffer heeft recht op een vriendelijke, correcte en tactvolle behandeling, ongeacht het misdrijf, nationaliteit, sociale afkomst, politieke overtuiging, religie of seksuele geaardheid. Dit geldt vanaf de feiten. Het is ook van toepassing op medische, sociale en andere tussenkomsten. De nabestaanden van een overleden slachtoffer hebben recht op eerbied voor hun rouwproces.” (Ministerie van Justitie, 1998, p 6)

 

3.4.2 Het recht om informatie te krijgen.

 

“Het slachtoffer heeft recht op alle informatie over het verloop van de gerechtelijke procedure, de bijstand van een advocaat, de middelen om schadevergoeding of financiële hulp te krijgen en de diensten voor hulpverlening. Deze verplichting geldt zowel voor openbare instanties als voor privé-diensten. Ook heeft het slachtoffer het recht om, binnen een redelijke termijn, zo volledig mogelijke informatie te krijgen over het verloop van zijn dossier. Dit geldt ook voor de inhoud van het dossier, in overeenstemming met de wettelijk regels terzake.” (Ministerie van Justitie, 1998, p 6)

 

3.4.3 Het recht om informatie te geven.

 

“Het slachtoffer heeft het recht om gehoord te worden. Dit betekent ook dat hij of zij alle elementen kan meedelen die nodig zijn voor de juiste inschatting van de materiële en morele schade. Belangrijk is tevens dat het slachtoffer alle inlichtingen kan geven over de feiten en over wat hij of zij na de inbreuk heeft ervaren. Dit kan het gerechtelijk onderzoek ten goede komen.” (Ministerie van Justitie, 1998, p 6)

 

3.4.4 Het recht op juridische bijstand en rechtsbijstand.

 

“Ieder slachtoffer heeft recht op juridische bijstand, o.m. het recht te worden verdedigd door een advocaat indien dit nodig is, ongeacht zijn of haar financiële middelen.” (Ministerie van Justitie 1998, p 7)

 

3.4.5 Het recht op financieel herstel.

 

“Het slachtoffer heeft recht op herstel van de geleden schade binnen een redelijke termijn. Dit impliceert een vergoeding, die wordt berekend op grond van de materiële en morele schade van het slachtoffer. Is een effectief herstel van de schade niet mogelijk, dan heeft het slachtoffer van een opzettelijke gewelddaad het recht de Staat om een financiële hulp te verzoeken.” (Ministerie van Justitie, 1998, p 7)

 

3.4.6 Het recht op hulp.

 

“Het slachtoffer heeft recht op aangepaste, kwalitatief hoogwaardige psychosociale hulp. Deze hulp wordt o.m. verleend door de diensten voor hulpverlening. Zij adviseren en begeleiden het slachtoffer op psychisch en sociaal vlak, naar gelang van de specifiek situatie en behoeften.” (Ministerie van Justitie, 1998, p 7)

 

3.4.7 Het recht op bescherming en respect voor het privé-leven.

 

“Politie en justitie moeten aan het slachtoffer een optimale bescherming bieden tegen bedreigingen of wraakacties van de dader. Deze bescherming moet zo nodig voorrang krijgen tijdens heel het gerechtelijk onderzoek. Het slachtoffer heeft ook recht op bescherming tegen elke aantasting van zijn of haar privé-leven, en zeker onmiddellijk na de feiten.” (Ministerie van Justitie, 1998, p 7)

 

 

3.5 Besluit.

Slachtoffers zijn personen die door een misdrijf benadeeld werden. Dit heeft zijn gevolgen op financieel, lichamelijk, psychologisch en sociaal vlak. Ook niet te onderschatten is de secundaire victimisering die op zichzelf heel veel schade kan aanrichten. Doorheen de recente geschiedenis zijn een aantal slachtoffergerichte instanties ontstaan die heel veel voor de positie van het slachtoffer betekend hebben en nog steeds betekenen. De zeven fundamentele rechten van het slachtoffer zijn daar een basisbewijs van. Natuurlijk mag het hier niet bij eindigen. Men moet blijven opkomen voor de rechten van het slachtoffer en ervoor zorgen dat hun stem gehoord en serieus genomen wordt.

 

 

4 De wet van 12 maart 1998 tot verbetering van de strafrechtspleging in het stadium van het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek.

 

In dit hoofdstuk bekijken we de Wet-Franchimont kort van dichtbij. Ze is ontstaan door onder andere de onrust die bestond in België over het onderzoek naar de Bende van Nijvel en de zaak Dutroux. De Belgische bevolking was helemaal niet tevreden met de wijze waarop slachtoffers van misdrijven werden behandeld en zette druk op de regering.

Professor Verstraeten Raf stelde in de inleiding tot zijn studie over de burgerlijke partij en het gerechtelijk onderzoek in 1990 het volgende: “zo het misdrijf ons doorgaans drie protagonisten toont, namelijk de dader, het slachtoffer en de maatschappij, het strafrechtelijk apparaat traditioneel enkel de relatie tussen dader en maatschappij op de voorgrond plaatst.” (Peters & Goethals, 1993, p59)

Er was dus dringend een herziening nodig van het Wetboek van Strafvorderingen, dit werd de Wet-Franchimont genoemd, naar professor Michel Franchimont die er de leiding over had. Hier leggen we die elementen van de wet onder de loep die betrekking hebben op de rechtspositie van het slachtoffer. Maar eerst bekijken we de geschiedenis van die wet.

 

 

4.1 Een korte voorgeschiedenis.

 

De Wet-Franchimont was het gevolg van een beslissing van de regering om een herziening te laten onderzoeken van het Wetboek van Strafvorderingen. In het bijzonder werden de bepalingen betreffende het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek bekeken (de betekenis van deze termen zal ik in de betreffende hoofdstukken verder toelichten). De aanleiding hiertoe kan gevonden worden in het verslag van de parlementaire onderzoekscommissie naar de wijze waarop de bestrijding van het banditisme en het terrorisme wordt georganiseerd. (Hutsebaut, p1)

Het Vlaams Parlement heeft een onderzoeksrecht. De onderzoekscommissie, die de plenaire vergadering (de algemene vergadering van alle 124 Vlaamse volksvertegenwoordigers, die wordt voorgezeten door de voorzitter van het Vlaams Parlement) opricht, doet het onderzoek. Elke volksvertegenwoordiger kan een motie indienen waarin hij of zij vraagt dat het Vlaams Parlement een onderzoek doet en daarvoor een onderzoekscommissie opricht. (www.vlaamsparlement.be)

 

Het bleek namelijk zo dat het gerecht zich bij een misdrijf vooral richt tot twee partijen. Die partijen zijn ten eerste de dader die een wet heeft overtreden en ten tweede de maatschappij die een overtreding niet tolereert, vertegenwoordigd door het Openbaar Ministerie. De maatschappij heeft bij deze overtredingen een straf geplaatst. Zodoende wordt elke veroordeelde gestraft naar de normen van de wet.

De procedure van het onderzoek hield zeer weinig of zelfs geen rekening met het slachtoffer. Het slachtoffer werd slechts gezien als een aanbrenger van een misdrijf, een informant. Bij de veroordeling kon men wel een schadevergoeding eisen, maar daar bleef het meestal bij.

 

Door welbepaalde gebeurtenissen zoals de Bende van Nijvel, de zaak Dutroux, enzovoort, zaken die wrevel opwekten bij vele burgers in onze samenleving, kwam de stem van het slachtoffer meer en meer op de voorgrond. De regering zag in dat het huidige Wetboek verouderd was en dat de nieuwe noden zeker een plaats dienden te krijgen.

 

De Wet-Franchimont, die vele luiken van het Wetboek van Strafvorderingen aanhaalt, poogt ook op die schreeuw van het slachtoffer een antwoord te bieden.

 

Professor Michel Franchimont, naar wie de wet genoemd werd, heeft in een relatief korte periode, samen met de andere commissieleden, deze wet tot stand gebracht. Ze is duidelijk, grondig en doorzichtig.

 

 

4.2 De inhoud van deze wet.

 

Hierbij geven we een korte schets weer van de inhoud van de wet. We beperken ons tot die elementen die van toepassing zijn op de rol van het slachtoffer in de procedure. Zoals we al eerder vermeld hebben, bewaren we de uitleg over het Opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek voor de desbetreffende hoofdstukken. Hier zullen we enkele begrippen en belangrijke rechten voor slachtoffers toelichten.

 

4.2.1 Het recht op een kosteloze kopie van het proces-verbaal van het verhoor.

 

Elke ondervraagde (dus ook de slachtoffers of nabestaanden) dient door zijn verhoorder geïnformeerd te worden over zijn recht op een kosteloze kopie. Deze kopie dient onmiddellijk overhandigd of binnen een maand verstuurd te worden. (Vandeurzen, 1999, p122)

 

4.2.2 De laatste groet.

 

De nabestaanden hebben het recht om een laatste groet te brengen aan de overledene. De contactpersoon, die de begeleiding van de nabestaanden verzorgt, dient enige tijd vooraf het lichaam bekeken te hebben om de verwondingen en de staat van het lichaam aan de familie te kunnen meegeven en hen hierop voor te bereiden. De nabestaanden moeten voldoende tijd krijgen om het lichaam te begroeten. Ook dient er achteraf voldoende aandacht te worden besteed aan een nagesprek met de contactpersoon, waarbij zij nog bijkomende informatie kunnen krijgen en vragen kunnen stellen. (Draaiboek slachtofferonthaal, p51)

 

In het Draaiboek voor slachtofferonthaal staat vermeldt dat dit een taak is van de justitieassistent slachtofferonthaal. Uit de praktijk is gebleken dat dit in het gerechtelijk arrondissement Kortrijk door de dienst slachtofferbejegening van de betreffende politiezone verzorgd wordt.

 

4.2.3 Het recht op het krijgen van informatie.

 

Mede dankzij de dienst slachtofferonthaal kunnen slachtoffers een antwoord krijgen op hun vele vragen. Zo kunnen zij uitleg vragen rond de procedure naargelang het een opsporingsonderzoek, of een gerechtelijk onderzoek is. Zij kunnen ingelicht worden over hun rechten als slachtoffer, over hun mogelijkheden en bijdragen in het verloop van het onderzoek.

 

4.2.4 De hoedanigheid van benadeelde persoon.

 

Dit statuut kan zowel tijdens een opsporingsonderzoek als een gerechtelijk onderzoek verkregen worden en dit op het secretariaat van het Openbaar Ministerie die zich in het Justitiepaleis bevindt. Het personeel vult er een document in, door het slachtoffer of de nabestaande ondertekend, waarin vermeld staat welke schade men heeft geleden. Hierdoor krijgt het slachtoffer een aantal rechten:

- De benadeelde persoon kan ieder document, dat hij nuttig acht voor het onderzoek, aan het dossier laten toevoegen;

- De benadeelde persoon wordt op de hoogte gesteld van een klassering zonder gevolg en de reden daarvan;

- De benadeelde persoon wordt op de hoogte gesteld van het instellen van een gerechtelijk onderzoek;

- De benadeelde persoon wordt op de hoogte gesteld van de bepaling van een rechtsdag.

De benadeelde persoon heeft echter geen recht tot inzage van het dossier en hij heeft ook geen recht om aanvullende opsporingshandelingen te laten verrichten. (Draaiboek slachtofferonthaal, p39-40)

 

4.2.5 De burgerlijke partijstelling.

 

Men kan zich op twee verschillende wijzen burgerlijke partij stellen, namelijk tijdens het gerechtelijk onderzoek en na het gerechtelijk onderzoek.

 

Tijdens het onderzoek kan men zich in eigen persoon of via een advocaat burgerlijke partij stellen bij de onderzoeksrechter. Hierdoor krijgt men een aantal rechten.

1.Inzage van het dossier tijdens het gerechtelijk onderzoek. Dit kan via het indienen van een verzoekschrift op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg, ten vroegste één maand na de burgerlijke partij stelling. (Draaiboek slachtofferonthaal, p49)

2.Bijkomende onderzoekshandelingen. Men dient hiervoor een verzoekschrift in te dienen op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg, die de reden voor de onderzoekshandelingen vermeldt en men moet nauwkeurig beschrijven welke onderzoekshandelingen men vraagt. (Draaiboek slachtofferonthaal, p49)

3.Verzoekschrift langdurig onderzoek. De burgerlijke partij kan de zaak aanhangig maken bij de Kamer van Inbeschuldigingstelling, indien het gerechtelijk onderzoek na één jaar nog niet afgerond is. Men dient hiervoor een verzoekschrift in te dienen op de griffie van het Hof van Beroep, die de reden voor de onderzoekshandelingen vermeldt. (Draaiboek slachtofferonthaal, p50)

 

Na het onderzoek kan men zich burgerlijk partij stellen op de raadkamer. De slachtoffers worden verwittigd van de datum van de rechtsdag. Op de raadkamer wordt beslist welk gevolg er aan het onderzoek gegeven zal worden. Bijvoorbeeld een buiten vervolging stelling (dit is vergelijkbaar met een klassering zonder gevolg bij een opsporingsonderzoek), een internering of een verwijzing naar een rechtbank, bijvoorbeeld de correctionele rechtbank. Hier kan men zich als slachtoffer burgerlijke partij stellen met het oog op de inzage van het dossier of een vraag tot bijkomende onderzoekshandelingen.

 

Ook kan men zich burgerlijke partij stellen op de rechtszitting ten behoeve van de schadevergoeding. De burgerlijke partijstelling bij de onderzoeksrechter of de voorzitter van de raadkamer volstaat niet om de schadevergoeding in te dienen. Een uitzondering hiervoor is wanneer de raadkamer een eindbeslissing neemt, bijvoorbeeld een internering. Dan kan men wel een schadevergoeding indienen op de raadkamer.

 

4.2.6 Opheffen van een inbeslagname.

 

Voor eenieder die kan bewijzen dat de in beslag genomen goederen zijn eigendom zijn en dat hij schade lijdt onder de inbeslagname. Ook deze procedure verloopt via een verzoekschrift. Maar men hoeft geen benadeelde persoon te zijn, nog burgerlijke partij.

 

 

4.3 Besluit.

 

De Wet-Franchimont herformuleerde het opsporingsonderzoek en het gerechtelijke onderzoek. Daarbij was er aandacht voor de rechtspositie van slachtoffers van misdrijven of nabestaanden. Ieder persoon die verhoord wordt, heeft recht op een kosteloze kopie van zijn proces-verbaal. Nabestaanden hebben het recht om op een waardige manier afscheid te nemen van de overleden persoon. Slachtoffers moeten voldoende informatie krijgen over de procedure en zij beschikken over de mogelijkheid om zich te laten registreren als benadeelde persoon of zich burgerlijke partij te stellen. De praktische uitvoering van deze rechten in het gerechtelijk arrondissement Kortrijk wordt uitgelegd in de volgende twee hoofdstukken.

 

 

5 Het opsporingsonderzoek.

 

Tijdens de uiteenzetting van de Wet-Franchimont in hoofdstuk vier hebben we vermeld dat de uitleg over het opsporingsonderzoek en het gerechtelijk onderzoek in de desbetreffende hoofdstukken zou plaatsvinden. In dit hoofdstuk volgt dus de uitleg over het opsporingsonderzoek en de toepassing ervan in de praktijk. Eerst volgt een stukje theorie over de procedure van het opsporingsonderzoek. Daarna bekijken we hoe de Wet-Franchimont zich in de praktijk manifesteert.

 

 

5.1 De procedure.

 

5.1.1 Schema van de procedure.

 

 

5.1.2 De definitie van het opsporingsonderzoek.

 

Volgens artikel 28bis §1 van de Wet-Franchimont is het Opsporingsonderzoek het geheel van de handelingen die ertoe strekken de misdrijven, de daders en de bewijzen ervan op te sporen en de gegevens te verzamelen die bruikbaar zijn voor de uitoefening van de strafvordering. (Boonen e.a., 2002, p534)

 

Dit proces gebeurt onder leiding van de bevoegde Procureur des Konings. Het betreft hier natuurlijk een Substituut Procureur des Konings, ook simpelweg Procureur of parketmagistraat genoemd, daar hij behoort tot de staande magistratuur.

 

Het opsporingsonderzoek houdt geen enkele dwangmaatregel in, noch een schending van individuele rechten en vrijheden. De Procureur mag bijvoorbeeld een verdachte niet langdurig aanhouden, hij mag geen huiszoeking bevelen of goederen in beslag nemen. Op dit principe bestaan een aantal wettelijke uitzonderingen zoals de betrapping op heterdaad, de arrestatie en het mini-onderzoek (zie verder). (W. 12.03.1998)

 

5.1.3 Het Proces-verbaal.

 

Zoals men in het schema reeds merkt, start de procedure met een klacht, een aangifte of een vaststelling bij de politiediensten. Die worden doorgestuurd naar het parket onder de vorm van een proces-verbaal en worden toegewezen aan een Procureur. Dit is ofwel de Procureur die op die bepaalde dag van dienst is, ofwel de Procureur des Konings die bevoegd is voor de welbepaalde materie. In het gerechtelijk arrondissement Kortrijk zijn bijvoorbeeld twee parketmagistraten bevoegd voor alle zedenfeiten en zijn twee andere parketmagistraten bevoegd voor de zware criminaliteit.

 

5.1.4 Op het niveau van het parket.

 

Wanneer de bevoegde parketmagistraat op de hoogte werd gesteld van de feiten start het onderzoek op het niveau van het parket. De Procureur heeft de leiding en het gezag over het opsporingsonderzoek.

 

De parketmagistraat geeft opdrachten aan de politiediensten en andere instellingen. Zo probeert hij zoveel mogelijk informatie te verzamelen om uiteindelijk een beslissing bij het dossier te kunnen nemen. (Draaiboek slachtofferonthaal, p37)

De Procureur des Konings heeft als taak bij het openbaar ministerie om misdrijven op te sporen, daders te vervolgen, straffen te vorderen en straffen uit te voeren.

 

De Procureur beschikt over het opportuniteitsbeginsel. Dit betekent dat wanneer een vervolging geen bijdrage kan leveren voor het algemeen belang, de Procureur kan beslissen om niet te vervolgen (zie bijvoorbeeld 5.1.5.1 seponeren). (Boonen e.a., 2002, p531-532)

Daarnaast heeft de Procureur (volgens artikel 28 ter §1) een algemene opsporingsplicht en een algemeen opsporingsrecht. De opsporingsplicht betekent dat het parket verplicht is een opsporingsonderzoek in te stellen wanneer men vermoed dat een misdrijf is gepleegd. Het opsporingsrecht betekent dat het parket op eigen initiatief mag optreden, zelfs wanneer er geen sprake is van een klacht of een aangifte. (W. 12.03.1998)

 

Op het schema kan je zien dat er ook melding wordt gemaakt van het gerechtelijk onderzoek. De Procureur kan of moet een onderzoeksrechter vorderen wanneer de zaak te ingewikkeld of te delicaat is, of wanneer er specifieke onderzoeksverrichtingen noodzakelijk zijn. (Boonen e.a., 2002, p 535)

Zie hoofdstuk zes voor meer informatie over het gerechtelijk onderzoek.

 

Het opsporingsonderzoek houdt dus geen dwangmaatregel in, noch een schending van individuele rechten en vrijheden, behalve enkele wettelijke uitzonderingen. Deze zijn de betrapping op heterdaad, de arrestatie en het mini-onderzoek. Ik ga enkel verder in op het mini-onderzoek, omdat dit het meest voorkomt.

 

Het mini-onderzoek betreft het vorderen van een onderzoeksrechter om bepaalde onderzoekshandelingen te verrichten. Daarna kan de onderzoeksrechter beslissen om het volledige onderzoek zelf voort te zetten. (W. 12.03.1998)

Voorbeeld:

Tijdens een opsporingsonderzoek van een overlijden, blijken er verdachte omstandigheden te zijn. De Procureur kan in dit geval de onderzoeksrechter vorderen om een inwendige lijkschouwing, ook wel autopsie genoemd, te laten uitvoeren. Na de uitvoering van dit mini-onderzoek kan de onderzoeksrechter beslissen of hij het dossier terug naar de Procureur stuurt, of hij het onderzoek zelf verder zet.

 

5.1.5 De mogelijkheden van de Procureur des Konings na afronding van het onderzoek.

 

Na de afronding van het onderzoek kan de Procureur één van de volgende beslissingen nemen.

 

5.1.5.1 Seponeren.

Seponeren of het klasseren zonder gevolg betekent dat er op strafrechtelijk vlak niets meer gebeurt. Dit is een voorlopige beslissing. Bij nieuwe aanwijzingen kan het dossier heropend worden. (Draaiboek slachtofferonthaal, p37)

De motivering tot seponeren kan van velerlei aard zijn (zie bijlage vier). Enkele veel voorkomende voorbeelden zijn:

- Onvoldoende bewijzen;

- Geen misdrijf, bijvoorbeeld bij de afronding van een onderzoek naar een zelfdoding;

- Onbekende dader;

- Overlijden dader, bijvoorbeeld bij een dodelijk verkeersongeval.

 

5.1.5.2 Minnelijke schikking.

De strafvordering vervalt tegen betaling van een geldsom door de dader aan het slachtoffer. De dader moet in een geschrift zijn burgerlijke aansprakelijkheid erkend hebben. Dit model geldt, volgens de Wet van 28 juni 1984, voor alle misdrijven die maximaal bestraft worden met een gevangenisstraf tot vijf jaar. (Boonen e.a., 2002, p532-533)

 

5.1.5.3 Bemiddeling in strafzaken.

In eerste instantie wordt er bemiddeld tussen de dader en het slachtoffer. Maar hier bestaat ook de mogelijkheid om aan de dader een vorm van therapie of een gemeenschapsdienst voor te stellen. (Boonen e.a., 2002, p533)

Voor meer informatie hieromtrent, zie hoofdstuk twee: 2.1.1 Bemiddeling in strafzaken.