Macht en subject. Een analyse aan de hand van Foucault en Nietzsche. (Lieven Vandenhole)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

Uitgangspunt van deze scriptie vormt de confrontatie met de theorie van het criminologische vierkant waarin criminaliteit wordt voorgesteld als de resultante van de interactie tussen de volgende factoren: de staat, de gemeenschap, de dader en het slachtoffer. Hierbij worden de dader en het slachtoffer enerzijds, en de staat en de gemeenschap anderzijds, respectievelijk als actie- en reactiefactoren naar voren gebracht. Enige nadere uitleg. De rol van de staat in het criminaliteit producerende interactieproces (zoals voorgesteld in het criminologisch vierkant), bestaat in het criminaliseren van welbepaalde gedragingen (wetgevers), het opsporen van deze strafbaar gestelde gedragingen (politie) en het vervolgen en bestraffen ervan. De gemeenschapsfactor omvat onder meer de in een welbepaalde maatschappij heersende materiële en andere verschillen, de in een samenleving heersende morele opvattingen (die invloed uitoefenen op de activiteiten van de staat), de in een samenleving heersende tolerantie, enz. Staat en gemeenschap zijn reactief in die zin dat ze in de multifactoriële produktie van criminaliteit van belang zijn in hun reactie op welbepaalde daden door ze te veroordelen, strafbaar te stellen, te vervolgen, ... De rol van het slachtoffer heeft niet enkel betrekking op het slachtofferschap maar valt eveneens te situeren op gebied van aangiftebereidheid.

 

De aanname van de zogenaamde actiefactoren (dader en slachtoffer) vooronderstelt een aan de woorden “dader” en “slachtoffer” beantwoordende (subject)vorm. De in deze thesis naar voren te brengen hypothese is dat deze (subject)vorm een maatschappelijke machtsconstructie uitmaakt. Indien deze hypothese kan onderbouwd worden, vervallen de zogenaamde actiefactoren tot reactieve constructies.

 

De betreffende hypothese wordt in onderscheiden stappen opgebouwd. In een eerste deel bespreken we het concept macht aan de hand van Foucault en Nietzsche. Indien we willen stellen dat de subjectvorm een machtsconstructie uitmaakt, is een nadere verklaring van hoe het woord macht door ons wordt verstaan, wenselijk. In deel twee wordt het (als voorbeeld fungerende) proces van subjectconstructie binnen het disciplinerend machtsdispositief besproken. Deel drie wordt een deel dat in zijn versplinterdheid een bredere kijk werpt op de betreffende hypothese en eventuele verzetsvormen onderzoekt.

 

Alvorens de eigenlijke presentatie van onze hypothese aan te vangen, dienen we te wijzen op onze selectiviteit aangaande het gebruikte materiaal: voor deze scriptie werd bijna uitsluitend beroep gedaan op de geschriften van Foucault en Nietzsche. Deze keuze heeft verscheidene gronden. In eerste instantie verzekerde een voorafgaande vertrouwdheid met deze auteurs ons van hun eventuele bruikbaarheid tot het onderbouwen van de betreffende hypothese. Een al lang sluimerende wens om met een uitgesproken destructieve auteur als Nietzsche iets produktiefs aan te vangen, kan zeker als tweede reden worden vermeld. Ten derde motiveerde de relatieve afwezigheid van Nietzsche en Foucault in de opleiding criminologie ons om hen grondig door te nemen op hun mogelijke bijdragen tot de criminologie. Onmiddellijk dienen we er op te wijzen dat hun eventueel belang voor de criminologie veel omvattender uitkomt, dan we in het kader van deze scriptie kunnen laten naar voor komen.

 

Tenslotte enkele formele opmerkingen. Indien ronde haakjes binnen een citaat worden aangetroffen en een beletselteken omsluiten, dan duidt dit erop dat kortere of langere fragmenten van het betreffende citaat door ons werden weggelaten. Alle in deze tekst aan te treffen onderstrepingen werden door ons aangebracht en het belang van het onderstreepte blijkt vroeger of later.

 

 

1. Macht

 

1.0. Inleiding

 

In dit deel geven we - zoals reeds gesteld - een bondige weergave van ons begrip van het woord macht.

 

 

1.1. Het woord macht

 

Inderdaad, men moet nominalist zijn: de macht is geen instelling en evenmin een structuur, noch een bepaald vermogen waarmee sommigen zouden zijn uitgerust: het is de naam die in een bepaalde maatschappij aan een complexe strategische situatie wordt gegeven.”[1]

 

1.1.1. Positieve definiëring: Hoe ?

 

Het lijkt wellicht vreemd dat deze nadere verklaring van het woord macht niet met de algemeen verwachte vraag “Wat is macht?”, maar met de vraag naar het hoe van de macht wordt aangevangen. Reeds in de vraagstelling zijn echter heel wat veronderstellingen besloten.

 

De vraag “Wat is macht?” veronderstelt dat macht een “iets” zou zijn. Indien macht een ding is dan kan het goed macht worden bezeten (Foucault spreekt in dit verband over de economisering van de macht). Wie het goed macht bezit, heeft macht over anderen, kan hen laten doen (geboden) of hen ontzeggen (verboden) wat hij maar wil. Een dergelijke conceptualisering van de macht, waarbij de macht essentieel bestaat in de wet, benoemt Foucault als juridische conceptualisering van de macht.[2] Foucault verklaart het succes van deze juridische conceptualisering vanuit historisch perspectief:

 

Pourquoi concevons-nous toujours le pouvoir comme loi et comme prohibition, pourquoi ce privilège? (...) Je crois que nous pouvons en analyser grossièrement la raison dans les termes suivantes: au fond, dans l’Occident, les grands systèmes établis depuis le Moyen Age se sont développés par l’intermédiaire de la croissance du pouvoir monarchique, aux dépens du pouvoir, ou mieux, des pouvoirs féodaux. Or, dans cette lutte entre les pouvoirs féodaux et le pouvoir monarchique, le droit a toujours été l’instrument du pouvoir monarchique contre les institutions, les mœurs, les règlements, les formes de bien et d’appartenance caractéristique de la société féodale. (...) En d’autres termes, la croissance de l’état en Europe a été partiellement assurée ou en tout cas, a utilisé comme instrument le développement d’une pensée juridique.[3]

 

Hoewel het recht in het nabije verleden meermaals fungeerde als belangrijkste instrument van machtsuitoefening, vormt het slechts een van de vele machtsinstrumenten. De verwaarlozing van het instrumenteel karakter van het recht bewerkstelligt de gelijkschakeling van macht en recht en de daaruit voortvloeiende juridische conceptualisering van macht. Volgens Nietzsche bestaat het recht in de “wil een op een gegeven ogenblik heersende machtsverhouding te vereeuwigen...”[4] Het is een instrument (van machtsuitoefening) dat wordt aangewend om bestaande machtsverhoudingen te vereeuwigen en dus helemaal niet gelijk te schakelen met deze machtsverhouding.

 

De vraag naar het hoe van de macht reduceert, door de in deze vraag besloten veronderstellingen, de mogelijke manieren om macht te denken. Zo leidt volgens sommigen de bevraging van het hoe van de macht tot het zich beperken tot het beschrijven van de machtseffecten zonder deze ooit in verband te brengen met het wezen, de kern van de macht. Indien Foucault echter voorstelt de macht te analyseren vanuit het hoe, dan heeft hij niet de vraag “Hoe openbaart de macht zich?” (m.a.w. welke zijn haar uitingen of waarneembare effecten?) maar de vraag “Hoe oefent macht zich uit?” (m.a.w. wat gebeurt er precies wanneer macht wordt uitgeoefend?) op het oog. Het hem gemaakte verwijt dat deze vraagstelling de macht als een mysterieuze, on(be)grijpbare aangelegenheid presenteert, beantwoordt hij door te wijzen op de door deze uitgangsvraag gecreëerde mogelijkheden:

 

Si j’accorde un certain privilège provisoire à la question du ”comment”, ce n’est pas que je veuille éliminer la question du quoi et du pourquoi. C’est pour les poser autrement; mieux: pour savoir s’il est légitime d’imaginer un pouvoir qui s’unit un quoi, un pourquoi, un comment. En termes brusques, je dirai qu’amorcer l’analyse par le “comment” c’est introduire le soupçon que le pouvoir, ça n’existe pas; c’est se demander en tout cas quels contenus assignables on peut viser lorsqu’on fait usage de ce terme majestueux, globalisant et substantificateur; c’est soupçonner qu’on laisse échapper un ensemble de réalités fort complexes, quand on piétine indéfiniment devant la double interrogation” Le pouvoir, qu’est-ce que c’est? Le pouvoir d’où vient-il?” La petite question toute plate et empirique: ”Comment ça se passe?”, envoyée en éclaireur, n’a pas pour fonction de faire passer en fraude une ”métaphysique”, ou une “ontologie” du pouvoir; mais de tenter une investigation critique dans la thématique du pouvoir.[5]

 

De nominalistische benadering van macht - waarbij het woord macht wordt begrepen als de naam die in een bepaalde maatschappij aan een complexe strategische situatie wordt gegeven - en de vraag naar het hoe van de macht - met name hoe macht zich uitoefent - doet het vermoeden rijzen dat voor Foucault macht als zodanig niet bestaat. Dit vermoeden blijkt terecht wanneer hij stelt “qu’il n’y a pas quelque chose comme le pouvoir, ou du pouvoir qui existerait globalement, massivement ou à l’état diffus, concentré ou distribué: il n’y a de pouvoir qu’exercé par les ‘uns’ sur les ‘autres’; le pouvoir n’existe qu’en acte.”[6] In Le cours du 7 janvier 1976 zal hij deze stellingname nogmaals onderschrijven: “que le pouvoir ne se donne pas, ni ne s’échange, ni ne se reprend, mais qu’il s’exerce et qu’il n’existe qu’en acte.”[7]

 

Welk antwoord geeft Foucault dan op de zijn als analysemotor opgevatte vraag naar het hoe van de macht? Machtsuitoefening, zo stelt hij, bestaat in het inwerken op de mogelijke handelingen van de ander: macht stimuleert, induceert, vergemakkelijkt of bemoeilijkt, vergroot of vermindert de waarschijnlijkheid van bepaalde handelingen uit het geheel van alle mogelijke gedragingen. Dit betekent dat de ander niet gedwongen of verplicht wordt tot één welbepaalde handeling maar dat er tal van technieken en middelen worden aangewend om hem tot die handeling te brengen. Machtsuitoefening bestaat in het verleiden van de ander - wat zowel subtiel als cru kan gebeuren - tot de door de partner gewenste gedraging. In dit verband spreekt Foucault over het “conduire des conduites”.

 

Om van een machtsverhouding te kunnen spreken is vereist dat beide partijen worden erkend en behouden als handelende partners en dat een mogelijkheidsveld van verschillende antwoorden, reacties en uitwegen wordt aangetroffen. Om machtsuitoefening te benoemen, gebruikt Foucault eveneens de term “gouvernement” waarbij “gouverner” dient te worden begrepen als het structureren van het veld van de mogelijke handelingen van de ander. Het moge duidelijk wezen dat een dergelijke definiëring van machtsuitoefening de vrijheid[8] van de individuen waarover macht wordt uitgeoefend, tot een essentiële voorwaarde (om van een machtsrelatie te kunnen spreken) maakt. Machtsuitoefening veronderstelt dus subjecten die over de mogelijkheid beschikken  verschillende gedragingen, reacties ... te kunnen stellen:

 

Il n’y a donc pas un face-à-face de pouvoir et liberté avec entre eux un rapport d’exclusion (partout où le pouvoir s’exerce, la liberté disparaît); mais un jeu beaucoup plus complexe: dans ce jeu la liberté va bien apparaître comme condition d’existence de pouvoir.[9]

 

De afwezigheid van deze vrijheid maakt dat we niet langer met een machtsrelatie maar met een geweldsrelatie te maken hebben.[10]

 

1.1.2. Negatieve definiëring

 

1.1.2.1. Macht verschilt van geweld

 

Machtsverhoudingen verschillen van geweld. Geweld werkt in op lichamen of dingen en dwingt, vervormt, vernietigt deze. Een machtsverhouding is daarentegen een “mode d’action qui n’agit pas directement et immédiatement sur les autres, mais qui agit sur leur action propre.”[11]

 

De geschriften van Markies de Sade, een meester in het uitdenken en beschrijven van machtsspelen, kunnen het bovenstaande onderscheid tussen geweld en machtsuitoefening verhelderen. De scène De familie de Cloris wordt uitverkoren om als licht in het donker te fungeren. Het belang van de Sade is gelegen in zijn beschrijving van geweld en machtsuitoefening in hun meest elementaire vorm. In de scène De familie de Cloris wordt zowel geweld gepleegd als macht uitgeoefend:

 

 

Geweld:

 

Toen sprong Saint-Fond woedend op, hij had een stijve, alleen ik mocht hem volgen, hij ging naar de stevig geketende[12] onverschrokkene toe, gaf hem zo hard hij kon enkele oorvijgen, hij beledigde hem, spoog hem in 't gezicht, en riep, zijn lid tegen de borsten van Julie wrijvend, die nog steeds aan de voeten van haar vader zat:

- Wreek je maar, als je kan, wreek je dan.

- Lafaard, je zou op de vlucht slaan als ik niet gebonden was.[13]

 

Hij beveelt dat de ongelukkige Cloris op de funeste sofa wordt neergelegd, nog steeds met gebonden handen.

- Delcour, zegt hij tegen de beul, doe een touw om zijn nek en snoer dat aan als hij tegenwerkt, desnoods tot hij stikt.[14]

 

 

Machtsuitoefening:

 

...; ik wil het meisje weer met de zweep geven, maar nu moet ze worden vastgehouden door haar vader en haar moeder, Juliette, en jij, Delcour, moet ze allebei de loop van een pistool tegen de slaap richten en hun een kogel door de schedel jagen als ze zich verzetten terwijl ze hun kind vasthouden.[15]

 

- Dit is goddelijk, zei Saint-Fond, en ik verleen hem stellig gratie als hij snel gebruik maakt van de toestand waarin hij nu verkeert in mijn kont, en er in toestemt, zijn dochter te sodomiseren.

- Mijnheer, zeg ik tegen die man, valt er te aarzelen, is het niet honderd maal beter dat u uw dochter neukt dan dat u haar vermoordt?

- Haar vermoorden!

- Ja meneer, als u weigert, is haar lot bezegeld, als u daarin volhardt, wordt zij gedood.

En terwijl een van mijn vrouwen de billen van de kleine goed uiteendrukt en het gat bevochtigt, trek ik snel zijn apparaat uit de kont van Saint-Fond en richt het op de ingang van die van het meisje, maar Cloris werkt tegen en duwt niet door...

- Kom, vooruit, we gaan haar doden, zegt Saint-Fond, want hij wil haar niet neuken.

Dit wrede vonnis geeft de doorslag: ik breng de lendenen van het jonge meisje naar het lid toe, en duw het enorme geval in haar anus; daar alles goed voorbereid is, slagen mijn pogingen, en Cloris pleegt bloedschande om niet de moordenaar van zijn dochter te worden.[16]

 

Misschien is het onduidelijk waarom de eerste twee citaten als voorbeelden van geweld, de volgende als voorbeelden van machtsuitoefening worden bestempeld. In de eerste twee voorbeelden is de heer Cloris volledig onderworpen aan de grillen van Saint-Fond. Hij kan deze enkel ondergaan, ieder mogelijk verzet is bij voorbaat uitgesloten, hij is het tot passiviteit veroordeelde object van de wellust van Saint-Fond. Hij is een “machteloos” lichaam (zie onderstreepte). In de tweede reeks voorbeelden bevindt de heer Cloris zich in een totaal verschillende positie. Hij is niet langer een passief object maar een actieve partner. Hoe beperkt de keuzevrijheid in het eerste voorbeeld van de tweede reeks ook moge zijn - de dood of het vasthouden van zijn dochter - , toch wordt de heer Cloris erkend als handelend persoon. Zijn bijdrage is onmisbaar voor het verdere verloop van de wellustige scène. Hij wordt weliswaar gedood wanneer hij weigert zijn dochter vast te houden, maar deze dood ontzegt tegelijkertijd aan Saint-Fond het excentrieke genot het meisje te neuken terwijl de ouders haar vasthouden. Het voorbeeld bevindt zich op de limiet van de machtsuitoefening, één stap verder en het gaat om geweld. In het tweede voorbeeld van de tweede reeks wordt de heer Cloris al voor een even moeilijke keuze gesteld: zijn dochter sodomiseren of dit weigeren en als dusdanig haar doodvonnis tekenen. Hij wordt niet langer materieel gedwongen tot een of andere daad, maar subtieler (?) verleid, gestuurd tot het sodomiseren van zijn dochter. Ook hier oefent de heer Cloris macht uit in de mate dat het hij is die kiest en dus, weliswaar binnen de hem opgelegde beperkingen, het verdere verloop van het gebeuren bepaalt.

 

1.1.2.2. Macht is verschillend van “capacités objectives” en ”rapports de communication”

 

Hoewel er een samenhang bestaat tussen object-, communicatie- en eigenlijke machtsrelaties, mogen deze niet door elkaar worden gehaald. De macht die wordt uitgeoefend op dingen en die de mogelijkheid biedt deze te transformeren, te gebruiken, verbruiken of vernietigen - een macht steunend op rechtstreeks in het lichaam ingekerfde, of middels aanwending van instrumenten gerealiseerde, bekwaamheden - krijgt de naam “capacités objectives”.[17] De “rapports de communication” verzorgen de overdracht van informatie aan de hand van taal, een tekensysteem of ieder ander symbolisch medium.[18]

 

Dat “relations de pouvoir”, “rapports de communication” en “capacités objectives” niet verward mogen worden, betekent evenwel niet dat het om drie nauwkeurig afgeschermde terreinen zou gaan. Veeleer zijn het onderscheiden relatievormen die elkaar overlappen, elkaar wederzijds als steunpunt en instrument gebruikend: het inwerken op objecten impliceert communicatie- en machtsrelaties (de organisatie van een fabriek kan als voorbeeld gelden); communicatie veronderstelt “capacités objectives” (als het juiste gebruik van tekens) en induceert, door de verandering van het informatieveld, machtseffecten; macht wordt in belangrijke mate uitgeoefend doorheen de produktie en uitwisseling van tekens en is innig verbonden met de “capacités objectives” die de machtsuitoefening mogelijk maken. In een gegeven maatschappij is de onderlinge afstemming van deze relaties noch constant, noch universeel. Veeleer is er sprake van specifieke interrelaties naar gelang van verschillende omstandigheden. Wanneer object-, communicatie- en machtsrelaties in hun afstemming op elkaar een geregeld en eensgezind systeem vormen, spreekt Foucault van een “bloc de capacité-communication-pouvoir”.[19]

 

1.1.2.3. Macht is niet van de orde van de consensus

 

Indien er al overeenstemming bestaat dan is deze het gevolg van een aan die consensus voorafgaande strijd.[20] Consensus wordt gecreëerd:

 

Je crois que le grand fantasma, c’est l’idée d’un corps social qui serait constitué par l’universalité des volontés. Or ce n’est pas le consensus qui fait apparaître le corps social, c’est la matérialité du pouvoir sur le corps même des individus.[21]

 

Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Veronderstellen we een algemene eensgezindheid inzake de ontoelaatbaarheid van pedofilie. De aan deze consensus voorafgaande machtsuitoefening situeert zich op het slagveld der vorming van individuen. De aangetroffen overeenstemming werd geproduceerd doorheen de fabricatie van bepaalde wijzen van denken, voelen en ageren. Dit produktieproces vormt een ware oorlog waarbij de mogelijkheid tot verzet tegen deze of gene conditionering alomtegenwoordig is.

 

1.1.3. Strategie

 

Het woord strategie wordt voornamelijk gebruikt in drie betekenissen. Ten eerste om de keuze van de middelen tot het bereiken van een bepaald doel aan te duiden; het gaat om de tot het bereiken van een bepaald doel aangewende “rationaliteit”[22]: “Geen macht zonder een reeks bedoelingen en intenties.”[23] Dit betekent evenwel niet dat de macht het resultaat is van de keuze of beslissing van een subject of een of ander “generale staf”.[24] De vermelde rationaliteit is niet te situeren binnen personen of groepen van personen. De rationaliteit van de macht is de rationaliteit van de tactieken, die zich vaak onverbloemd te kennen geven op het beperkte niveau waarop ze werkzaam zijn - het lokale machtscynisme - die zich onderling aaneenschakelen, elkaar oproepen en vermeerderen, elders hun steunpunten en bestaansvoorwaarden vinden, en zo tenslotte omvattende dispositieven vormen. Ook dan is de logica nog volstrekt helder, kunnen de bedoelingen ontcijferd worden, en toch komt het voor dat er niemand meer valt aan te wijzen die ze heeft bedacht en nauwelijks iemand die ze verwoordt: dit is het impliciete karakter van de grote anonieme en bijna stomme strategieën die spraakzame tactieken coördineren, waarvan de bedenkers of besluitvormers vaak geen hypocrisie kennen.

 

Ten tweede wordt de term gebruikt om mijn handelen, waarbij rekening wordt gehouden met mijn opvattingen over het handelen van mijn partners en mijn opvattingen over hun beoordeling van mijn handelen, aan te duiden. Hier kan verwezen worden naar wat hierboven gezegd werd aangaande het “conduire des conduites”:

 

Les relations de pouvoirs sont des relations stratégiques, c-à-d que chaque fois que l’un fait quelque chose, l’autre en face déploie une conduite, un comportement qui contre-investit, tâche d’y échapper, biaise, prend appui sur l’attaque elle-même.[25]

 

De term strategie wordt eveneens gebruikt als aanduiding voor het geheel van de, tot de onthouding van strijdmogelijkheden van de tegenstander bijdragende, procedures, procedures die tot de overwinning leiden.

 

Het moge dus duidelijk wezen dat machtsverhoudingen in termen van strategie kunnen ontleed worden. Dit gegeven, gecombineerd met de vaststelling dat oorlogvoering essentieel bestaat in het tegenover elkaar plaatsen, de confrontatie van onderscheiden strategieën, verleidt Foucault tot het omkeren van de beroemde stelling van Clausewitz - “Oorlog is de voortzetting van de politiek met andere middelen” - tot ”le pouvoir, c’est la guerre, c’est la guerre continuée par d’autres moyens”.[26]

 

Dat macht in termen van oorlog dient gedacht te worden, heeft verscheidene consequenties. Een eerste consequentie is dat de in een welbepaalde maatschappij heersende machtsverhoudingen hun oorsprong vinden in de in en door een (historisch lokaliseerbare) oorlog gevestigde en bewerkstelligde krachtsverhoudingen. Indien de politiek(e macht) de oorlog staakt en de vrede laat regeren of poogt te laten regeren, dan niet doorheen het creëren van een evenwicht of het opschorten van de onenigheid die zich in de oorlog vertoonde, maar door de krachtsverhoudingen in een stille oorlog in te schrijven, door hen opnieuw in te schrijven in instellingen, economische ongelijkheden, de taal en de onderscheiden lichamen[27]:

 

N’est-il [de macht] pas une sorte de guerre généralisée qui prendrait simplement, à certains moments la forme de la paix et de l’état? La paix serait une forme de guerre et l’état une manière de la conduire.[28]

 

Een tweede consequentie van het oorlogskarakter van de macht is dat de binnen de burgerlijke vrede bestaande politieke strijd en botsingen, dienen begrepen te worden als het voortduren van de oorlog, als episodes van de oorlog.[29]

 

 

1.2. Macht werkt in op het lichaam

 

In navolging van Nietzsche zal ook Foucault wijzen op de lichamelijkheid van machtsuitoefening[30]: “ce que je cherche, c’est à essayer de montrer comment les rapports de pouvoir peuvent passer matériellement dans l’épaisseur même des corps sans avoir à être relayés par la représentation des sujets. Si le pouvoir atteint le corps, ce n’est pas parce qu’il a d’abord été intériorisé dans la conscience des gens.”[31] We moeten ons dus bevrijden van de wijd verspreide opvatting volgens dewelke in onze burgerlijke maatschappij de inwerking op het lichaam zou verwaarloosd worden ten voordele van de ziel, het bewustzijn:

 

Le pouvoir politique, avant même d’agir sur l’idéologie, sur la conscience des personnes, s’exerce de façon plus physique sur leur corps. La manière dont on leur impose des gestes, des attitudes, des usages, des répartitions dans l’espace, des modalités de logement, cette distribution physique, spatiale des gens appartient, me semble-t-il à une technologie politique du corps.[32]

 

 

1.3. Macht is alomtegenwoordig

 

“De macht is alomtegenwoordig niet omdat ze het voorrecht zou bezitten alles onder haar onoverwinnelijke eenheid samen te brengen, maar omdat zij op elk moment, in elk punt, of beter gezegd in elke relatie tussen punten geproduceerd wordt. De macht is overal; dat wil niet zeggen dat ze alles omvat, maar wel dat ze overal vandaan komt.”[33] In dit verband spreekt Foucault over de capillariteit van de macht, dit wil zeggen dat macht zich in elke relatie binnenzuigt.

Deze omnipresentie van de macht moet niet worden geduid als de eerste uitgangsstelling van een nieuwe metafysica van de macht. De stelling van de omnipresentie dienen wij allereerst te zien als de kritische tegenhanger van de idee dat de macht altijd ergens op een bepaalde plaats zou zijn gelokaliseerd - Foucault bekampt dit idee letterlijk als volgt: “il [de macht] n’est jamais localisé ici ou là”[34] - en slechts op een beperkt terrein, via repressie, tot gelding zou komen.

 

 

1.4. Plusieurs pouvoirs

 

De machtsuitoefening van de ouders over hun kinderen, de werkgever over de werknemer, de leraar over zijn leerlingen, de bewaker over de gedetineerde... elk van deze machtsvormen kennen een verschillende en lokale werking[35]:

 

... il n’existe pas un pouvoir, mais plusieurs pouvoirs. Pouvoirs, cela veut dire des formes de domination, des formes de sujétion, qui fonctionnent localement, par exemple dans l’atelier, dans l’armée, ...[36]

 

Elk van deze lokaal functionerende machtsvormen wordt gekenmerkt door specifieke mechanismen, eigen technieken en tactieken[37]:

 

Tout cela, ce sont des formes locales, régionales de pouvoir, qui ont leur propre mode de fonctionnement, leur procédure et leur technique.[38]

 

Er is dus helemaal geen sprake van één enkele homogene macht die het gehele maatschappelijke lichaam zou doordringen, maar van heterogene, lokaal functionerende machtsvormen. De specifieke werkingsmechanismen van deze lokale machtsrelaties worden gebruikt, verspreid, getransformeerd en gekoloniseerd door globalere machtsmechanismen. De op lokaal en regionaal niveau aangewende technieken en procedures worden geannexeerd door een omvattender machtsdispositief:

 

Une société n’est pas un corps unitaire dans lequel s’exerçait un pouvoir et seulement un, mais c’est en réalité une juxtaposition, une liaison, une coordination, une hiérarchie aussi, de différents pouvoirs, qui néanmoins demeurent dans leur spécificité. Marx insiste beaucoup, par exemple, sur le caractère à la fois spécifique et relativement autonome, imperméable en quelque sorte, du pouvoir de fait que le patron exerce dans un atelier, par rapport au pouvoir de type juridique qui existait dans le reste de la société. Donc existence de régions de pouvoir. La société est un archipel de pouvoirs différents.[39]

 

Om machtsuitoefening in zijn verscheidenheid te onderzoeken is een microfysica van de macht noodzakelijk.

 

 

1.5. Staat

 

Entre chaque point d’un corps social, entre un homme et une femme, dans une famille, entre un maître et son élève, entre celui qui sait et celui qui ne sait pas, passent des relations de pouvoir qui ne sont pas la projection pur et simple du grand pouvoir souverain sur les individus; elles sont plutôt le sol mobil et concret sur lequel il vient s’ancrer, les conditions de possibilité pour qu’il puisse fonctionner. La famille, même jusqu'à nos jours, n’est pas le simple reflet, le prolongement du pouvoir d’état: elle n’est pas le représentant de l’état auprès des enfants, tout comme la mâle n’est pas le représentant de l’état auprès de la femme.[40]

 

De zo dikwijls herhaalde stelling dat de vader, man, baas, volwassene, onderwijzer een staatsmacht representeren, negeert de complexiteit, de specificiteit en de aangrijpings- en steunpunten van deze specifieke machtsverhoudingen:

 

De sorte que, si on veut saisir les mécanismes du pouvoir dans leur complexité et leur détail, on ne peut pas s’en tenir à l’analyse des seuls appareils d’état. Il y aurait un schématisme à éviter (...) qui consiste à localiser le pouvoir dans l’appareil d’état, et à faire de l’appareil de l’état l’instrument privilégié capital, majeur, presque unique du pouvoir ...[41]

 

Dit betekent evenwel niet dat de staat helemaal niet belangrijk zou zijn. Er wil enkel op gewezen worden dat de overbeklemtoning van de staat neigt tot het verwaarlozen van de machtsmechanismen die door de staat enkel gecodificeerd worden:

 

Je crois simplement qu’à trop insister sur son rôle, et sur son rôle exclusif, on risque de manquer tous les mécanismes du pouvoir qui ne passent pas directement par l’état, qui souvent le supportent bien mieux, le reconduisent, lui donnent un maximum d’efficacité. On a avec la société soviétique l’exemple d’un appareil d’état qui a changé de mains et qui laisse les hiérarchies sociales, la vie de la famille, la sexualité, le corps à peu près comme ils étaient dans une société de type capitaliste. Les mécanismes du pouvoir qui jouent à l’atelier entre l’ingénieur, le contremaître et l’ouvrier, croyez-vous qu’ils sont très différents en Union Soviétique et ici ?[42]

 

Het zijn deze in de Sovjetunie ongewijzigd gelaten machtsverhoudingen waarop de staat zich steunt:

 

Pour que l’état fonctionne comme il fonctionne, il faut qu’il y ait de l’homme à la femme ou de l’adulte à l’enfant des rapports de domination bien spécifiques, qui ont leur configuration propre et leur relative autonomie.[43]

 

Deleuze formuleert het in zijn werk over Foucault als volgt:

 

Foucault montre (au contraire)[44] que l’état apparaît lui-même comme un effet d’ensemble ou une résultante d’une multiplicité de rouages et de foyers qui se situent à un niveau tout différent, et qui constituent pour leur compte une microphysique du pouvoir.[45]

 

Het geheel van de machtsverhoudingen die in een maatschappij worden uitgeoefend - en die in deze maatschappij de hegemonie van een klasse of elite verzekeren - kunnen niet worden samengevat in de staat. De staat met zijn grote militaire en judiciaire apparaten vertegenwoordigt enkel de garantie van een machtsnetwerk dat zich via andere kanalen constitueert.[46]

 

 

1.6. Macht is intentioneel

 

“Macht is intentioneel: geen macht zonder een reeks bedoelingen en doeleinden”.[47] Waarschijnlijk doet deze stelling nog steeds het beeld opdoemen van een regerende kast, van een gezelschap dat het geheel der staatsapparaten controleert, of van een elitair genootschap van economische besluitvormers, dat heel het machtsnetwerk dat in een bepaalde maatschappij functioneert, zou sturen. De bepaling van het aan machtsuitoefening vooropgestelde doel kan echter aan geen van deze worden toegeschreven. Veeleer dient gedacht te worden aan het zich aaneenschakelen van de diverse machtsrelaties[48] waardoor een omvattender machtsdispositief wordt gevormd. Dit machtsdispositief dat aan geen enkele bedenker kan worden toegekend, wordt desalniettemin gekenmerkt door een bepaald doel.[49]

 

Dit doel kan niet als oorzaak van het ontstaan van het desbetreffende machtsdispositief worden beschouwd:

 

...veeleer geldt voor de historie van welke aard dan ook geen belangrijker stelling dan deze die met zoveel moeite verworven is, doch ook verworven moest worden - namelijk dat de ontstaansoorzaak van een ding en de uiteindelijke nuttigheid ervan in een systeem van doeleinden, toto coelo uiteenliggen; dat uit een bestaand feit, iets dat op de een of andere manier tot stand is gekomen, voortdurend door een superieure macht nieuwe bedoelingen worden geïnterpreteerd, dat het opnieuw in beslag genomen, tot een nieuw nut omgevormd en herwaardeerd wordt; dat ieder gebeuren in de organische wereld een overweldigen, meester worden, en ieder overweldigen en meester worden op zijn beurt weer een herinterpreteren, een bewerken is, waarbij de “zin” en het “doel” van tot dusverre noodzakelijkerwijze verdoezeld of helemaal uitgewist moeten worden. Ook al heb je de nuttigheid van het een of ander fysiologisch orgaan (of van een rechtsinstituut, een maatschappelijke conventie, een politiek gebruik, een vorm in de kunst of in de godsdienstige cultus) nog zo goed begrepen, je hebt dan nog niets van zijn ontstaan begrepen: hoe onprettig dit ook moge klinken voor oudere oren - want vanouds had men gemeend uit het aanwijsbare doel, uit de nuttigheid van een ding, vorm of instituut ook hun ontstaansgrond te begrijpen, het oog was gemaakt om te zien en de hand was gemaakt om te grijpen.[50]

 

Foucault zal deze stelling in verschillende van zijn boeken schitterend illustreren. In Discipline, toezicht en straf beschrijft hij hoe de, “op de een of andere manier tot stand gekomen” disciplinerende technieken aanvankelijk de organisatie van de door de pest bezochte stad als doelhadden:

 

In deze afgegrendelde, opgedeelde en tot in alle uithoeken bewaakte ruimte worden de individuen op een vaste plaats ingesloten, worden de geringste bewegingen gecontroleerd en alle voorvallen geregistreerd, verbindt een ononderbroken beschrijving centrum en periferie, wordt de macht onverdeeld uitgeoefend volgens een continu hiërarchisch patroon en wordt ieder individu permanent gelokaliseerd, onderzocht en ingedeeld bij de levenden, de zieken of de doden ... Orde als reactie op de pest om de wanorde te ontwarren: de wanorde van de ziekte die overgedragen wordt als de lichamen met elkaar in aanraking komen; en de wanorde van het kwaad dat zich vermenigvuldigt als angst en dood alle verboden wegvagen.[51]

 

Later werden soortgelijke technieken aangewend om tot het droombeeld van een strak gedisciplineerde samenleving te komen.

 

In Geschiedenis van de waanzin in de zeventiende en achttiende eeuw toont Foucault hoe de, “op de een of andere manier tot stand gekomen” uitsluitingsrituelen na aanvankelijk de uitstoting van de leproos als doel gehad te hebben later, met name ten tijde van de Grote Opsluiting, aangewend worden om tot een gezuiverde gemeenschap te komen.

 

 

1.7. Immanentie

 

Machtsverhoudingen staan ten opzichte van andere typen relaties (economische processen, kennisverhoudingen, ...) niet in een positie van uitwendigheid, maar zijn daaraan immanent:

 

Naar mij dunkt moet men onder macht in de eerste plaats de veelheid van de krachtsverhoudingen verstaan die immanent zijn aan het domein waarop ze functioneren en constitutief zijn voor hun eigen organisatie.[52]

 

Ze zijn enerzijds de directe uitwerkingen van de delingen, ongelijkheden en onevenwichtigheden binnen deze relaties ( juridische verschillen of traditionele verschillen inzake status en privileges; economische verschillen in de toeëigening van rijkdom en goederen; talige of culturele verschillen; ...), anderzijds vormen ze de interne voorwaarden voor deze verschillen. Machtsuitoefening is gebaseerd op de binnen andere relaties bestaande ongelijkheden en deze ongelijkheden zijn op hun beurt het gevolg van verschillen qua mogelijkheden tot machtsuitoefening:

 

Toute relation de pouvoir met en oeuvre des différenciations qui sont pour elle à la fois des conditions et des effets.[53]

 

Hier verwijzen we naar de circulariteit van de macht.[54]

In het licht van deze immanentie kunnen de samengestelde termen “macht-plezier”[55] en “weten-macht”[56] worden begrepen.

 

 

1.8. Circulariteit

 

Macht produceert niet enkel effecten, deze effecten vormen tegelijkertijd het instrument van machtsuitoefening. Het disciplinerende machtsregime bijvoorbeeld, produceert gedisciplineerde lichamen / individuen, die op hun beurt als instrument voor de effectieve uitoefening van de macht fungeren.[57] Een vergelijkbare circulaire relatie treffen we aan in de verhouding tussen waarheid en macht.[58]

 

Het functioneren van de macht is bijgevolg op te vatten als een netwerk waardoorheen macht circuleert, terwijl de verschillende posities of instanties binnen dat netwerk elkaar wederkerig beïnvloeden.[59]

 

 

1.9. Verzet

 

“Verzet is deel van de strategische relatie waaruit macht bestaat.”[60] Machtsverhoudingen kunnen enkel bestaan als functie van een veelheid van verzetspunten, die in de machtsverhouding de rol van tegenstander, doelwit, steun- of aangrijpingspunt vervullen. Deze verzetspunten zijn in het netwerk van de macht alomtegenwoordig. Daarom bestaan er verschillende vormen van verzet, waarvan elk een geval op zich is: verzet dat mogelijk, noodzakelijk, onwaarschijnlijk, spontaan, woest, eenzelvig, beraamd, sluipend, gewelddadig, onwezenlijk, compromisbereid, baatzuchtig, of opofferingsgezind is; al deze verzetsvormen kunnen per definitie enkel binnen het strategische veld van de machtsverhoudingen bestaan.[61] Dit betekent niet dat ze daarvan slechts de negatieve afdruk zijn, dat ze uiteindelijk altijd de passieve keerzijde van de eigenlijke heerschappij blijven en steeds gedoemd zijn te verliezen. Zij vormen de andere pool, de andere term van de machtsverhoudingen; zij maken daar als de niet weg te denken tegenkant onverminderd deel van uit:

 

Comme il ne saurait y avoir de relation de pouvoir sans points d'insoumission qui par définition lui échappent, toute intensification, toute extension des rapports de pouvoir pour les soumettre ne peuvent que conduire aux limites de l'exercice de pouvoir.[62]

 

Verzet en macht zijn eigenlijk twee verschillende benamingen voor een zelfde aangelegenheid: “een complexe strategische situatie”. Deze dubbele benaming wordt enkel gebruikt om het begrip van het concept macht te bevorderen.

 

 

1.10. Macht is produktief

 

Bataille, een van de personen die een intellectueel inspirerende rol heeft gespeeld in de ontwikkeling van Foucault, begrijpt machtsuitoefenig essentieel in termen van verbod:

 

Meestal geschiedt arbeid in een gemeenschap, en deze gemeenschap dient, in de tijd die voor het werk gereserveerd is, te voorkomen dat deze aanstekelijke excessieve krachten losbarsten, waarbij alles alleen nog maar beheerst zou worden door een onmiddellijk toegeven aan gewelddadigheid. Daarom wordt de menselijke gemeenschap, die een groot deel van de tijd aan arbeid wijdt, duidelijk bepaald door verboden.[63]

 

Aanvankelijk huldigde ook Foucault deze negatieve conceptie van macht die via uitsluiting en negatie zou werken. Zo hanteerde hij in Geschiedenis van de waanzin in de zeventiende en achttiende eeuw een machtsconcept waarbij macht zijn effecten wezenlijk zou sorteren doorheen mechanismen als verbod of uitsluiting. Zelf erkent Foucault dat hij grote moeilijkheden ondervond om zich los te maken van deze negatieve definiëring van de macht. Toch zal hij uiteindelijk deze opvatting achter zich laten en aan de macht een creatief vermogen toekennen. Zijn ervaringen tijdens de revolten in de gevangenissen in Frankrijk, in andere Europese landen en in de Verenigde Staten brengen hem definitief tot het inzicht, dat de zuiver negatieve en repressieve conceptie van de macht niet volstaat om maatschappelijke fenomenen te begrijpen:

 

Quand on définit les effets de pouvoir par la répression, on se donne une conception purement juridique de ce même pouvoir; on identifie le pouvoir à une loi qui dit non; il aurait surtout la puissance de l’interdit. Or je crois que c’est là une conception toute négative, étroite, squelettique du pouvoir qui a été curieusement partagée. Si le pouvoir n’était jamais que répressif, s’il ne faisait jamais rien d’autre que de dire non, est-ce que vous croyez vraiment qu’on arrivait à lui obéir. Ce qui fait que le pouvoir tient, qu’on l’accepte, mais c’est tout simplement qu’il ne pèse pas seulement comme une puissance qui dit non, mais qu’en fait il traverse, il produit les choses, il induit du plaisir, il forme du savoir, il produit du discours; il faut le considérer comme un réseau productif qui passe à travers tout le corps social beaucoup plus que comme une instance négative qui a pour fonction de réprimer.[64]

 

De essentiële werkingswijze van de macht bestaat dus niet in het verbieden of gebieden.Verboden en geboden zijn slechts instrumenten waarvan de macht zich bedient[65]:

 

La fonction primitive, essentielle et permanente de ces pouvoirs locaux et régionaux est, en réalité, d’être des producteurs d’une efficience, d’une aptitude, des producteurs d’un produit.[66]

 

Dit kunnen we illustreren aan de hand van de produktie van de soldaat. Doorheen de meest waanzinnige bevelen en verboden wordt de nieuwkomer getransformeerd tot het produkt soldaat. De geboden en verboden waaraan de nieuwkomer dient te gehoorzamen fungeren slechts als produktiemiddelen, zij zijn noodzakelijk voor de fabricatie van het volstrekt gehoorzame, volledig betrouwbare en kwalitatief hoogstaande produkt soldaat en zijn enkel in deze produktieve eigenschappen van belang.

 

1.10.1. Macht en plezier

 

Wat de macht haar kracht verleent, is dat haar voornaamste wijze van functioneren niet bestaat in de onderdrukking . De macht heeft positieve effecten, zij induceert plezier[67]:

 

Tous les rapports de pouvoir sont tellement chargés d'érotisme. (...) Cela fait tellement plaisir de commander. Cela fait aussi plaisir d'être commandé.[68]

 

Alle machtsrelaties zijn erotisch geladen. In dit verband wijst Foucault op sadomasochisme als doelbewuste erotisering van strategische relaties. Sadomasochisme bestaat uit het gebruiken van een strategische relatie als bron van (fysiek) plezier. De binnen het S.M.-spel bestaande strategische relatie is zowel bepaald als open. Enerzijds is ze bepaald omdat vooraf wordt uitgemaakt wie de meester en wie de slaaf zal spelen. Anderzijds is ze open daar de beide partners kunnen verliezen. De meester kan verliezen als hij niet in staat is om tegemoet te komen aan de behoeften en verlangens van zijn slachtoffer. Parallel kan de slaaf verliezen, als hij niet in staat is in te gaan op de uitdaging van zijn meester. Het interessante in het S.M.-spel is gelegen in de beweeglijkheid van de strategische relaties. Maatschappelijke macht wordt daarentegen gekenmerkt door in instituties geconsolideerde strategische relaties. Deze geïnstitutionaliseerde bolwerken die vaste voet hebben verkregen in rechtbanken, wetboeken, ... beperken de beweeglijkheid van maatschappelijke strategische relaties.[69]

 

1.10.2. Macht en weten

 

1.10.2.1. Algemeen

 

Macht produceert niet enkel plezier maar ook weten: “Le pouvoir, loin d'empêcher le savoir, le produit.”[70]

 

In dit verband willen we verwijzen naar Foucaults interpretatie van het Oedipusverhaal. Volgens hem representeert Oedipus een weten-macht-type. Wat in Sophocles’ Oedipusverhaal wordt aangevallen is juist dit personage van de tiran ( = Oedipus) die als politiek machthebber de drager was van een bepaald type weten dat niet aan andere sociale groepen was toebedeeld. Enkel Oedipus is erin geslaagd het enigma van de sfinx op te lossen. Daarbij maakte hij geen gebruik van het weten van anderen, hij vond de oplossing helemaal alleen zonder hulp van goden of medemensen. Oedipus houdt niet op te zeggen dat hij iedereen om informatie vroeg en dat hij, daar niemand hem enige inlichtingen kon geven, zijn ogen en oren opende en (de oplossing) zag. Dit moeilijk nader te omschrijven weten, dat uitblinkt in zijn doeltreffendheid (enkel Oedipus vindt de oplossing), wordt door Foucault autocratisch weten genoemd.

Weten en macht zijn in het personage van de tiran innig met elkaar verstrengeld: “Savoir et pouvoir étaient exactement correspondants, corrélatifs, superposés.”[71] Het is deze weten-macht-vorm die in Sophocles’ tragedie wordt aangevallen. Oedipus verenigt in zich het weten van het orakel en het weten van de herder. Niet in de zin dat hij drager is van dit respectievelijke weten, maar wel dat de voorspelling van het orakel en de getuigenis van de herder elkaar bevestigen in hun respectievelijke weten over Oedipus. Uiteindelijk zal het weten van het orakel en het weten van de gewone man (de herder) het aan de tiran eigene, autocratische weten overtreffen en onnodig maken. Het combineren van het orakel-weten en het herder-weten laat toe uit te maken dat Oedipus de moordenaar is van de koning van Thebe en dat hij het is die dus verbannen moet worden. Oedipus zelf zal tot op het laatste moment de onwetende blijven: de machtige wordt de onwetende! Vanaf het klassieke Griekenland, waarvan Sophocles de startdatum representeert, zal de machthebber als onwetend worden gepresenteerd:

 

L’occident va être dominé par le grand mythe selon lequel la vérité n’appartient jamais au pouvoir politique, le pouvoir politique est aveugle, le véritable savoir est celui qu’on possède quand on est en contact avec les dieux ou quand on se souvient des choses, quand on regarde le grand soleil éternel ou que l’on ouvre les yeux à ce qui s’est passé. Avec Platon commence un grand mythe occidental: qu’il y a antinomie entre savoir et pouvoir. S’il y a savoir, il faut qu’il renonce au pouvoir. Là où savoir et science se trouvent dans leur vérité pure, il ne peut plus y avoir de pouvoir politique.(...) C’est ce mythe que Nietzsche a commencé à démolir, en montrant, (...), que derrière tout savoir, derrière toute connaissance, ce qui est en jeu, c’est une lutte de pouvoir.[72]

 

Hier willen we Nietzsche zelf aan het woord laten:

 

Wat is een woord? De afbeelding van een zenuwprikkel in klanken. (...) Eerst een zenuwprikkel overdragen op een beeld! eerste metafoor. Het beeld op zijn beurt krijgt weer vorm in een klank! tweede metafoor.[73]

 

Wat is waarheid dus ? Een mobiel leger metaforen, metonymia’s, antropomorfismen, kortom een som van menselijke relaties die op poëtische of retorische wijze zijn verheven, overgedragen en opgesierd, en die een volk na lang gebruik als vaststaand, canoniek en bindend voorkomen: waarheden zijn illusies waarvan men vergeten is dat ze illusies zijn, metaforen die versleten zijn en letterlijk krachteloos zijn geworden, munten die hun beeltenis hebben verloren en nu als metaal, niet meer als munten in aanmerking komen. Wij weten nog steeds niet, waar de drang tot waarheid vandaan komt: want tot dusverre hebben we alleen van de verplichting gehoord die de samenleving ons oplegt om te kunnen bestaan: waarachtig te zijn, dat wil zeggen de gangbare metaforen te gebruiken, dus moreel uitgedrukt: van de verplichting volgens vaste conventies te liegen.[74]

 

Kennis is een symbolische aangelegenheid: ze wordt slechts mogelijk door de taal of enig ander tekensysteem. Voorwaarde om tot kennis te komen, is bijgevolg dat zenuwprikkels worden gemetamorfoseerd tot woorden of tekens. Deze metamorfosering verloopt in verscheidene stappen en elk van deze stappen zijn ware reuzenschreden die ons voeren naar telkens totaal verschillende, van enige gelijkenis verstoken, werelden. De wereld van zenuwprikkels vormt de vertrekplaats van onze bewogen reis, één stap en we bevinden ons reeds in een totaal verschillende wereld: de beeldenwereld (“een zenuwprikkel wordt overgedragen op een beeld”). “Zelfs de verhouding van een zenuwprikkel tot het voortgebrachte beeld is op zich niet noodzakelijk; maar als datzelfde beeld miljoenen keren is voortgebracht en vele mensengeslachten lang is overgeërfd, ja uiteindelijk bij de gehele mensheid telkens als gevolg van dezelfde aanleiding verschijnt, dan krijgt het tenslotte voor de mens dezelfde betekenis, alsof het het enige noodzakelijke beeld is en alsof de verhouding van de oorspronkelijke zenuwprikkel tot het voortgebrachte beeld strikt causaal is; zoals een droom die eeuwig wordt herhaald, absoluut als werkelijkheid zou worden ervaren en beoordeeld.”[75] De volgende stap slaat ons uit de beeldenwereld in de woordenwereld. Ook hier de willekeur in het omzettingsproces.

 

De gehoorzaamheid in het kleven van het algemeen erkende woord op de desbetreffende prikkel, is een eerste getuigenis van de aan iedere kennis voorafgaande machtsbetrekking (“...de verplichting volgens vaste conventies te liegen.”). Of om het met Nietzsche te zeggen: “Het recht van de meester tot het geven van namen gaat zo ver dat men ook eens zo vrij moet durven te zijn de oorsprong van de taal zelf als een machtsuiting van de heersers te begrijpen: zij zeggen ‘dat is dat en dat’, ze verzegelen ieder ding en iedere gebeurtenis met een klank en nemen het daardoor als het ware in bezit.”[76]

 

We laten Nietzsche een tweede maal aan het woord:

 

Inmiddels: wat is dit intelligere in laatste instantie anders dan de vorm, waarin ons juist de drie eerstgenoemde zaken tegelijk voelbaar worden? Een resultaat uit de verschillende en tegenstrijdige driften van het willen uitlachen, beklagen en verwensen. Voordat perceptie mogelijk is, moet elk van deze driften eerst een eenzijdige kijk op het ding of voorval naar voren gebracht hebben; achteraf ontstond dan de strijd tussen deze eenzijdigheden en daaruit soms een midden, een kalmering, een gelijkgeven naar alle drie de kanten, een soort gerechtigheid en verdrag: want krachtens de gerechtigheid en het verdrag kunnen al deze driften zich in het bestaan waarmaken en in vereniging gelijk krijgen. Wij, die ons slechts bewust worden van de laatste verzoeningsscènes en eindafrekening in dit langdurig proces, menen dientengevolge dat intelligere iets verzoenends, gerechtigs, goeds is, iets dat in wezen tegenovergesteld is aan de driften; terwijl het niet meer is dan een zekere verhouding van de driften onderling.[77]

 

Kennis is niet anders dan een zekere verhouding van de driften van het willen uitlachen, beklagen en verwensen. De algemeen verbreide opvatting dat de kennis van een ding of voorval een zekere toenadering tot dit ding of deze gebeurtenis inhoudt, wordt in het bovenstaande aforisme sterk gecounterd. Kennisverwerving bestaat namelijk in het onderwerpen van het te kennene aan verwensing, beklaging en bespotting; drie driften die eerder een verwijdering dan een toenadering inhouden, of sterker nog, driften waarin zich een zekere vernietigingsdrang manifesteert. Slechts de onderwerping van de dingen aan deze driften, of met andere woorden de machtsuitoefening over de dingen, maakt kennis mogelijk.[78]

 

Dit betekent dat het onjuist is te menen dat we de waarheid, de realiteit, de objectiviteit van de dingen kunnen ontdekken zonder enige macht, een vorm van dominantie, van onderwerping in het spel te brengen:

 

Connaître et assujettir, savoir et commander ce sont des choses qui sont intimement liées.[79]

 

Dit citaat kan, met Nietzsches aforisme in het achterhoofd, begrepen worden als betrekking hebbend op de aan de kennisvorming inherente vernietigingsdrang. Foucault vult dit echter op een andere manier in. Enkele voorbeelden die zijn invulling verduidelijken, volgen:

 

De gevangenis creëert de mogelijkheid tot de vorming van een weten over dé delinquent. Dé delinquenten, begrepen als die personen die door het strafrechtelijk apparaat als dusdanig gelabeld worden, worden bijeengebracht in de gevangenis. Deze verzameling van (dé) delinquenten, en de observatie en het onderzoek waaraan ze binnen het gevangenissysteem zijn onderworpen, vormen de mogelijkheidsvoorwaarde voor de constructie van een weten over de (delinquente) mens.

Een gelijkaardige functie als de gevangenis heeft voor de produktie  van een weten over dé delinquent, vervulde en vervult de psychiatrische instelling voor de constructie van een weten over de geesteszieke.

Zelf reikt Foucault het voorbeeld aan van het leger en de school die een weten over het lichaam mogelijk maken:

 

Si on a pu constituer un savoir sur le corps, c’est au travers d’un ensemble de disciplines militaires et scolaires. C’est à partir d’un pouvoir sur le corps qu’un savoir physiologique, organique était possible.[80]

 

Het laatste voorbeeld heeft betrekking op de produktiesfeer. De aan de macht van de lopende band onderworpen arbeiders zoeken antwoorden op de door hen ondervonden moeilijkheden. De binnen de fabriek met toezicht belaste personen constateren deze door de arbeiders ondervonden moeilijkheden en de antwoorden die ze daarop formuleren. Deze kennis (welke moeilijkheden en welke oplossingen) wordt door de opzichters gecentraliseerd en doorgegeven om nadien gebruikt te worden om de rendabiliteit van het produktieproces te verhogen:

 

On peut rien comprendre au savoir économique si l’on ne sait pas comment s’exerçait, dans sa quotidienneté, le pouvoir et le pouvoir économique. L’exercice du pouvoir crée perpétuellement du savoir et inversement, le savoir entraîne des effets de pouvoir.[81]

 

In elk van deze voorbeelden creëert de machtsuitoefening de mogelijkheid tot een zeker weten, een weten dat op zijn beurt machtseffecten sorteert. Het weten over de delinquent of geesteszieke zal de toekomstige machtsuitoefening dienaangaande sturen: de in iedere behandeling doorschemerende machtsuitoefening kan als voorbeeld fungeren. Inzake de fabriek werd de circulariteit van de weten-macht-relatie reeds hierboven tot uitdrukking gebracht.

 

1.10.2.2. Macht en waarheid

 

Ware en onware kennis situeren zich beide binnen de leugen: kennis als zodanig ( in de betekenis van kennis ongeacht of deze als waar of onwaar wordt beschouwd) bestaat juist als verdubbelde metamorfosering.[82]

 

De vraag die we ons hier willen stellen, is waar de ons achtervolgende wil tot waarheid vandaan komt en hoe het ware van het onware wordt onderscheiden. Deze scheiding tussen het ware en het onware is ongetwijfeld historisch. Waar in de voorsocratische periode het ware vertoog bestond in het vertoog dat ontzag en vrees inboezemde, in het doeltreffende, rituele of met macht en gevaar beladen vertoog, wordt met Socrates een verschuiving gekristalliseerd waarbij het ware van het vertoog niet langer wordt bepaald door de vorm (het zogenaamde “goed spreken”) maar door de zin / inhoud van het vertoog. Dit breukmoment ligt aan de basis van het ons overheersende onderscheid tussen waar en onwaar en onze, met deze scheiding samenhangende, wil tot waarheid. De regio’s van het ware en het onware kennen geen definitief vastgelegde grens maar worden gekenmerkt door voortdurende grensconflicten en -verschuivingen. Foucault stelt het in zijn inaugurale rede als volgt:

 

Maar zij [de grens] is niettemin blijven verschuiven: de grote wetenschappelijke omwentelingen laten zich soms wellicht lezen als de gevolgen van een ontdekking, maar ze kunnen ook gelezen worden als de opkomst van nieuwe vormen binnen de wil tot waarheid. Ongetwijfeld kent de negentiende eeuw een wil tot waarheid die noch in de vormen die hij inzet, noch in de objectgebieden waarop hij zich richt, noch in de technieken waarop hij steunt met de voor de klassieke cultuur kenmerkende wil tot weten samenvalt. En als wij iets verder terug gaan: bij de overgang van de zestiende naar de zeventiende eeuw (en vooral in Engeland) zien wij een wil tot weten opkomen die, vooruitlopend op wat hij tegenwoordig omvat, schema’s van mogelijke, waarneembare, meetbare en klasseerbare objecten ontwierp; een wil tot weten die het kennende subject (eigenlijk voorafgaand aan elke ervaring) een zekere plaats, een zekere blik, een zekere functie toewees (eerder zien dan lezen, eerder toetsen dan uitleggen); een wil tot weten die (globaler dan elk specifiek instrument) het technische niveau voorschreef waarop de kennis zijn beslag moest krijgen om verifieerbaar en nuttig te zijn. Zo lijkt de waarheid sedert de grote platoonse [sic] scheiding zijn eigen geschiedenis te hebben, die niet de geschiedenis van dwingende waarheden is maar de geschiedenis van de schema’s van te kennen objecten, de geschiedenis van de functies en posities van het kennende subject, de geschiedenis van de materiële, technische en instrumentele inkleding van de kennis.[83]

 

De definiëring van de waarheid als bepaald zijnde door de vastlegging van de te kennen objecten, de oplegging van welbepaalde subjectposities en de fixatie van aan te wenden en als “betrouwbaar” bestempelde technieken - moge de link tussen macht en waarheid verduidelijken. In dezelfde inaugurale rede zal Foucault nogmaals deze relatie tussen macht en waarheid uitspreken. Dit maal op zodanige manier dat het zelf voor de meest hardhorige hoorbaar wordt:

 

...de overgang tussen de zestiende en de zeventiende eeuw, de tijd dat vooral in Engeland een wetenschap van de waarneming, de observatie, de vaststelling opkwam, een soort natuurlijke filosofie die uiteraard niet los gezien kan worden van de vestiging van nieuwe politieke structuren en ook niet van de religieuze ideologie...[84]

 

De zich in de zestiende en zeventiende eeuw voltrekkende verschuivingen inzake de - om enige aanspraak op waarheid te kunnen maken - vereiste “schema’s van de te kennen objecten”, de geëiste “functies en posities van het kennende subject”, en de noodzakelijke “materiële, technische en instrumentele inkleding van de kennis”, kunnen niet los gezien worden “van de vestiging van nieuwe politieke structuren en ook niet van de religieuze ideologie.”

 

Samenvattend zouden we de volgende definiëring van waarheid kunnen geven: waarheid is het geheel van regels waaraan een vertoog dient te beantwoorden om als waar te gelden.

 

De verbondenheid tussen macht en waarheid wordt door Foucault eveneens op een minder abstracte manier benaderd:

 

Le pouvoir ne cesse de questionner, de nous questionner; il ne cesse d’enquêter, d’enregistrer; il institutionnalise la recherche de la vérité, il la professionnalise, il la récompense; nous avons à produire la vérité comme, après tout, nous avons à produire des richesses, et nous avons à produire la vérité pour pouvoir produire des richesses. Et, d’un autre côté, nous sommes également soumis à la vérité, en ce sens que la vérité fait loi; c’est le discours vrai qui, pour une part au moins, décide; il véhicule lui-même des effets de pouvoir. Après tout, nous sommes jugés, condamnés, classés, contraints à des tâches, voués à une certaine manière de vivre ou à une certaine manière de mourir en fonction de discours vrais, qui portent avec eux des effets spécifiques de pouvoir.[85]

 

In het bovenstaande citaat wordt tegelijkertijd de circulariteit van de macht nogmaals in alle pracht beschreven: enerzijds leidt de macht tot waarheidsproduktie, anderzijds sorteert de waarheid machtseffecten.

 

1.10.2.3. Weten-macht-vormen

 

In Théories et institutions pénales stelt Foucault dat er zich enerzijds geen enkel weten vormt zonder een systeem van communicatie, registratie en accumulatie, met andere woorden zonder een vorm van macht.[86] Anderzijds is machtsuitoefening zonder onttrekking, aanpassing, onthouding of verspreiding van weten ondenkbaar. Deze beide stellingen vinden we verenigd terug in het volgende citaat:

Er bestaat tussen weettechnieken en machtsstrategieën geen uitwendigheid, ook al hebben zij elk hun specifieke rol en zijn zij op grond van hun verschil op elkaar geënt.[87]

 

Het gaat dus om vormen van macht-weten. Dergelijke vormen van macht-weten, die tegelijkertijd middelen tot machtsuitoefening als regels van de produktie van weten uitmaken, werden door Foucault uitgebreid bestudeerd. Meer bepaald besteedde hij heel wat aandacht aan de volgende weten-macht-vormen: “l’épreuve”, de enquête en het examen. Deze drie weettechnieken staan niet los van elkaar maar zijn onderling verbonden. De enquête maakte gebruik van de “épreuve” en het examen viel terug op de “épreuve” en de enquête.[88] In het kader van deze thesis zal vooral op het examen nader worden ingegaan.[89]

 

Toch wil ook aan de enquête enige nadere aandacht worden besteed omwille van de aan het verschijnen van de enquête gekoppelde radicale veranderingen die heden ten dage nog steeds doorwerken: de overgang van een accusatoire naar een inquisitoire (inquisitio, enquête) procesvorm; van een beslissing op basis van de uitslag van de “épreuve” naar een oordeel op basis van bewijzen (gebruik makend van getuigen); van het geleden nadeel, aanleiding gevend tot het rechtsgeding, naar de overtreding, aanleiding tot vervolging; van een justitie die geschillen onder individuen regelt naar een justitie die zich boven de individuen, tegenstanders plaatst en aldus de mogelijkheid tot zelfregulering ontneemt; het verschijnen van de procureur; niet langer de benadeelde die herstel eist maar de staat die ook vergoed wil worden (confiscaties, ...)[90]:

 

Met het onderzoek eigent de soevereine macht / de staat zich het recht toe om de waarheid te bepalen met behulp van een aantal gereglementeerde technieken, dit in tegenstelling tot de oude procedures van eed, gerechtelijk tweegevecht, (...). Hoewel het onderzoek sindsdien (en tot in onze dagen) is versmolten met de Westerse rechtspraak, dienen wij zijn politieke oorsprong, zijn band met de opkomst van de staten en de monarchale soevereiniteit niet te vergeten, noch zijn latere afgeleiden en zijn rol in de kennisvorming.[91]

 

De juridische vorm van het onderzoek is enerzijds ontleend aan de regelmatig door de ambtenaren van het Karolingische rijk aangewende administratieve praktijken, anderzijds aan de door de kerk georganiseerde enquêtes (die veeleer spirituele dan administratieve bedoelingen hadden).[92] Het is vanuit deze praktijken dat de enquête in zijn karakteristieke vragen (Wie heeft wat gedaan? Is het feit van publiek belang? Wie heeft gezien en kan als dusdanig een getuigenis afleggen? Zijn er bewijzen? Is er een bekentenis?), in zijn stadia (onderzoek van een feit, onderzoek dat de schuldige bepaalt, onderzoek naar de omstandighe