Hervorming van het brugpensioen
in kader van het eindeloopbaandebat.

 

Bram Vanhoutte

 

Seminariewerk voorgedragen tot het bekomen van het diploma van:
de aanvullende opleiding Economie en Bedrijfskunde optie
Algemene Economie
 

Academiejaar: 2004-2005

UNIVERSITEIT GENT
FACULTEIT ECONOMIE EN BEDRIJFSKUNDE

Promotor: Prof. Dr. E. Omey

 

home lijst scripties  

 

1. Inleiding

 

2. Verkenning van de eindeloopbaanstelsels en aanverwante statuten

2.1 Volledige uittreding van de arbeidsmarkt

2.1.2 Conventioneel rustpensioen

2.2 Vervroegde volledige uittreding van de arbeidsmarkt

2.2.1 Conventioneel brugpensioen

2.2.2 Het statuut van de niet-werkzoekende oudere werkloze

2.2.3 Canada Dry Systemen

2.2.4 Het ziekte- en invaliditeitsysteem

2.3 Deeltijdse vervroegde uittreding van de arbeidsmarkt

2.3.1 Halftijds brugpensioen

2.3.2 Tijdskrediet

2.4 Andere maatregelen

2.4.1 Verlaging loonlasten

2.4.2 Financiële stimulansen voor de werkende

2.4.3 Aanpassing van de arbeidsomstandigheden

2.4.4 Andere maatregelen

2.5 Samenvatting

 

3. Op zoek naar verklaringen voor de populariteit van het brugpensioen

3.1 De vraagzijde van de arbeidsmarkt

3.2 De aanbodzijde van de arbeidsmarkt

3.3 Samenvatting

 

4. Aanpassen of afschaffen?

4.1 Oudere werknemers stimuleren langer aan de slag te blijven

4.2 Werkgevers stimuleren oudere werknemers aan de slag te houden of aan te werven

4.3 Maatregelen die zowel werkgevers als werknemers ontmoedigen om gebruik te maken van de systemen van vervroegde uittreding van de arbeidsmarkt

4.4 Samenvatting

 

5. Besluit

 

6. Bibliografie

 

 

1. Inleiding

 

Een van de belangrijkste punten op de sociaal-economisch agenda van de regering Verhofstadt II is het zogenaamde eindeloopbaandebat, een overleg tussen de vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers (de groep van 10) en onder leiding van de bevoegde minister (Freya Van Den Bossche) uit de regering. Al tijdens de moeizame interprofessionele onderhandelingen liepen spanningen tussen werkgevers en werknemers op, iets wat misschien meer te maken had met machtsvertoon in de periode van voorbereiding op het eindeloopbaandebat dan met het uiteindelijk door de ABVV-centrales verworpene interprofessioneel akkoord (IPA). Het eindeloopbaandebat zelf wordt ook voortdurend op de lange baan geschoven. De biechtstoelprocedure bij de minister leverde nog niet veel op. De vakbonden willen het overleg verbreden, en ook over de financiering van de sociale zekerheid en het aanpakken van de werkloosheid hebben. Dit zien de regering en de werkgeversorganisaties echter niet zitten. Aangezien de sectorale CAO’s (2005-2006), die ondermeer het verlengen van de bestaande eindeloopbaanregelingen inhouden, toch al grotendeels afgesloten zijn is de implicatie van wat ook beslist wordt tijdens de eindeloopbaandebatten reeds indirect verschoven naar de volgende CAO-onderhandelingen. Al deze politieke manoeuvres doen vermoeden dat het hier om erg moeilijke onderhandelingen gaat, die over fundamentele belangentegenstellingen gaan. Het lijkt erop dat de sociale partners het water te diep vinden, en enkel de regering probeert de vaart erin te houden. Wie tussen de lijnen leest begrijpt dat de bestaande regelingen voor de sociale partners voordelig zijn, maar de regering handenvol geld kosten.(DS 21/05/2005, p.75)

Voor de regering dringt de tijd omdat het eindeloopbaandebat een van de uitlopers is van de uitdagingen die de vergrijzing stelt aan ons sociale zekerheidsstelsel. Enerzijds zal de vergrijzing van de Belgische bevolking de afhankelijkheidsratio in ons land drastisch doen toenemen. Dit betekent dat er minder bevolking op actieve leeftijd zal zijn om bij te dragen tot ons sociale zekerheidsstelsel. Tegelijkertijd zal ook de bevolking op pensioensleeftijd sterk stijgen door de pensionering van de babyboomers. Anderzijds is ook de levensverwachting voor de Belgische bevolking toegenomen, zodat er langer van een pensioen kan worden genoten. Daarenboven is de werkgelegenheidsgraad voor de groeiende groep van oudere werknemers in ons land erg laag. De tewerkstellingsgraad van oudere werknemers verhogen is de kern van de eindeloopbaanproblematiek.(Pestiau, P. (2003), pp.1448-1449 )

 

Aan de hand van de verschillende statuten, de beschikbare statistieken en enkele economische studies over de Belgische stelsels van vervroegde uittreding van de arbeidsmarkt zal ik in de eerste twee hoofdstukken pogen de lezer inzicht te verschaffen in de oorzaken van de lage tewerkstellingsgraad onder oudere werknemers. Ik behandel enkel het stelsel van de werknemers in de private sector, en focus daarbij op de eerste pijler van het pensioenstelsel, het wettelijke pensioen. Om het overzicht te behouden vat ik de belangrijkste punten uit elk hoofdstuk op het einde samen. Eenmaal we meer inzicht hebben in het probleem zal ik enkele maatregelen, die momenteel op tafel liggen en waarvan het grootste deel in de federale beleidsverklaring werden voorgesteld, bespreken. Ik benadruk dat ik de financiering van de sociale zekerheid hier maar oppervlakkig aanraak, omdat dit nog een dossier op zich is. Tenslotte zal ik in het besluit de hoofdlijnen van deze scriptie op een rijtje zetten. Ik wijs er in dit verband graag op dat in de eindeloopbaanproblematiek politiek en economie erg met elkaar verbonden zijn. De maatregelen die zullen worden genomen zullen waarschijnlijk in een even grote mate op politieke als op economische argumenten gebaseerd zijn. Dit kan ook niet anders als het om sociale zekerheid gaat. Men moet namelijk niet enkel de economische houdbaarheid (of ‘sustainability’) maar ook naar de sociale toereikendheid (of ‘adequacy’) van het pensioensysteem kunnen garanderen.( Tobback, B. (2004), p.31) In de doelstellingen van Lissabon wordt duidelijk gesteld dat naast economische groei en milieuzorg ook sociale bescherming een van de drie pijlers van Europa is. In de campagne rond de Europese grondwet wordt momenteel alles aan iedereen beloofd: een geliberaliseerde eenheidsmarkt voor personen, goederen, diensten en kapitaal, en daarnaast ook nog sociale, ecologische en fundamentele mensenrechten aan iedereen. In de praktijk zal moeten blijken of dit wel te verzoenen valt, en wie welke prioriteiten in een concreet politiek en economisch beleid kan omzetten.

 

 

2. Verkenning van de eindeloopbaanstelsels en aanverwante statuten

 

Om een duidelijk kader te schetsen en niet in details te vervallen zal ik het vooral hebben over de stelsels van vervroegde uittreding van werknemers, hetzij volledig of deeltijds. Eerst en vooral zal ik echter het stelsel van het rustpensioen uitleggen, zodat we duidelijk de voor en nadelen van de stelsels van vervroegde uittreding van de arbeidsmarkt kunnen zien. Op de (budgettaire) werking van het Belgische pensioenstelsel in het algemeen en haar uitdagingen voor de toekomst ga ik hier niet in.[1]

 

 

2.1 Volledige uittreding van de arbeidsmarkt

 

Het Belgisch pensioenstelsel bestaat uit drie pijlers, waarvan we binnen het bestek van dit werk de eerste pijler het meeste aandacht geven. De eerste pijler is het wettelijke rustpensioen, een repartitiesysteem dat wordt gefinancierd door wettelijk bepaalde bijdragen van werkgevers en werknemers.[2] De tweede pijler bestaat uit een aanvullend pensioen (gebaseerd op een kapitalisatiesysteem met bijdragen van zowel werkgevers als werknemers), uitgaande van het bedrijf of de sector waar de werknemer in kwestie is tewerkgesteld. Volgens schattingen zou ongeveer 30 tot 35 procent van de loontrekkenden een tweede pijler-contract hebben.(Zilvernota (2004), p.150) De derde pijler is een individuele pensioenverzekering gebaseerd op een kapitalisatiestelsel en individuele bijdragen. Het succes van de tweede en derde pijler is vooral afhankelijk van het overheidsbeleid en de fiscale stimulatie die in dit kader wordt aangeboden.

 

2.1.1 Conventioneel rustpensioen

 

De minimumleeftijd waarop men in België van een volledig pensioen kan genieten is 65 jaar voor mannen en 63 jaar voor vrouwen. Geleidelijk zal de minimumleeftijd voor vrouwen worden verhoogd tot 65 jaar in 2009. Op deze regel bestaan enkele uitzonderingen voor specifieke beroepen zoals zeevarenden, mijnwerkers en vliegend personeel binnen de burgerluchtvaart. Er bestaat ook de mogelijkheid vanaf 60 jaar met vervroegd pensioen te gaan. Dit kan enkel indien men een loopbaan van 35 jaar achter de rug heeft. Een soortgelijke vereiste minimumduur van de loopbaan geldt niet bij rustpensioen op de leeftijd van 65. Bij het bepalen van de pensioenuitkering wordt hiermee echter wel rekening gehouden. Men telt het aantal gewerkte jaren en deelt dit getal door 45 (voor mannen), een zogenaamde volledige loopbaan. Voor vrouwen is de volledige loopbaan momenteel 43, maar die zal naar analogie met de pensioenleeftijd worden opgetrokken tot 45. Verder hangt de pensioenuitkering nog af van de (begrensde) beroepsinkomsten[3] en het al dan niet ten laste hebben van een partner[4].

Het opnemen van een vervroegd pensioen leidt niet tot een financiële bestraffing. De uitkering is wel lager aangezien minder gewerkte jaren kunnen worden aangetoond.

De pensioenuitkering is geplafonneerd en een minimumpensioen kan worden verkregen indien ten minste 2/3 van de volledige loopbaan beschouwd kan worden als beroepsloopbaan. ( Hoge Raad voor Werkgelegenheid (2004), pp.116-117)

 

 

50 min

50-54 jaar

55-60 jaar

60-64 jaar

Totaal 50-64 jaar

65+

Gepensioneerden

3 867

2 294

2 329

151 256

155 879

1 205 781

% t.o.v. van totaal

0.3

0.2

0.2

11.1

11.4

88.3

% t.o.v. bevolking in leeftijdsgroep

/

0.3

0.4

30.9

8.7

68.4

Tabel 1: Cijfers in verband met gepensioneerden (2003)

Bron: RVP

 

Wat het meest opvalt in tabel 1 is dat een vrij groot deel van de 60 tot 64 jarigen gebruik maakt van de mogelijkheid vervroegd op pensioen te gaan. Het grootste aandeel dat geniet van een rustpensioen zit logischerwijze in de categorie 65+. De personen jonger dan 60 die van een pensioen genieten zitten in een speciaal statuut zoals mijnwerker, zeevarende of vliegend personeel van de burgerluchtvaart.

 

De officiële volledige loopbaan bedraagt 45 jaar. Het is interessant eens te onderzoeken wat de effectieve loopbaanduur is in het pensioenstelsel van de werknemers. Een belangrijke kanttekening hierbij is wel dat 37 % van alle gerechtigden een gemengde loopbaan heeft, dit betekent dat er ook een bepaalde periode van de loopbaan als zelfstandige of bij de overheid werd gewerkt. We beschouwen hier echter enkel de loopbaanduur als werknemer om de analyse te vereenvoudigen. De gemiddelde loopbaanduur bij intrede op 65 jaar in het pensioenstelsel bij mannen ligt op ongeveer 39 jaar, en bij intrede op 60 jaar maar op 29 jaar. Ongeveer 60% van de mannen die tot de wettelijke pensioenleeftijd werken hadden een volledige loopbaan, en bij de mannen die op 60 op pensioen gaan is dit percentage gedaald tot ongeveer 16%. Bij vrouwen is de loopbaan duidelijk korter met een gemiddelde loopbaan van 22 tot 24 jaar. Bijna 1/5 vrouwen doorliep een volledige loopbaan als werknemer. Door de lagere pensioenleeftijd voor vrouwen is het met deze cijfers (2003) niet echt nodig een opsplitsing te maken tussen vervroegde of normale uittreding van de arbeidsmarkt. (RVP 2003, statistische studies, pp. 3-6)

 

 

2.2 Volledige vervroegde uittreding van de arbeidsmarkt

 

2.2.1 Conventioneel brugpensioen

 

Het brugpensioen werd in 1974 gecreëerd als antwoord op twee problemen. Enerzijds wou men de werkloosheid onder jongeren terugdringen door op deze indirecte manier arbeidsplaatsen te scheppen. Anderzijds is het brugpensioen een vast instrument geworden voor ondernemingen die willen herstructureren om oudere werknemers op een aanvaardbare manier aan de deur te zetten.

Het brugpensioenstatuut betekent dat de ontslagen werknemer boven op zijn werkloosheidsuitkering een aanvullende vergoeding van zijn voormalig werkgever ontvangt. Deze aanvullende vergoeding is minimum de helft van het verschil tussen zijn (begrensde) oude nettoloon en zijn werkloosheidsuitkering. Eigenlijk moet de bruggepensioneerde minimum 60 jaar oud zijn en een loopbaan van ten minste 25 jaar achter de rug hebben, maar sectorale en ondernemings-CAO’s maken het mogelijk hierop talrijke uitzonderingen te maken. Ondernemingen in moeilijkheden of die herstructureren kunnen mensen van 50 al op brugpensioen sturen bijvoorbeeld. In principe moet de werkgever de bruggepensioneerde werknemer ook vervangen, in de praktijk gebeurt dit echter weinig.

Vanaf de wettelijke pensioenleeftijd (65 jaar voor mannen en 63 jaar voor vrouwen) stapt de bruggepensioneerde over naar het rustpensioen en wordt de periode van brugpensionering gelijkgesteld aan een actieve periode, zodat ze meegerekend wordt bij de bepaling van het wettelijke rustpensioenbedrag. Bruggepensioneerden mogen geen vergoede nevenactiviteiten verrichten als ze dit voor hun brugpensionering niet deden.(Hoge Raad voor Werkgelegenheid (2004), pp.121-122)

 

Laat ons eens een blik werpen op het aantal werknemers dat van deze regeling gebruik maakt. De cijfers van 2004 zijn al beschikbaar, maar met deze van 2003 kunnen we een gedetailleerder beeld krijgen.

 

 

50-54 jaar

55-59 jaar

60-64 jaar

Totaal

Aantal personen

6 453

41 284

60 178

107 917

% t.o.v. totaal

6.0

38.3

55.8

100

% t.o.v. bevolking in leeftijdsgroep

0.9

6.4

12.3

5.9

Tabel 2: Cijfers i.v.m. conventioneel bruggepensioneerden (2003)

Bron : RVA

 

We zien in Tabel 2 dat een groot deel van de bruggepensioneerden de leeftijd van 60 nadert of al voorbij is, en de jongere groep bruggepensioneerden van minder dan 55 jaar oud een vrij kleine groep vormt binnen de bruggepensioneerden en ook binnen hun leeftijdsgenoten.

In 2004 steeg het aantal bruggepensioneerden lichtjes tot een aantal van 109 870 personen (DS 18/03/2005, p.56).

 

2.2.2 Statuut van de oudere niet-werkzoekende werkloze

 

Dit statuut ontstond in 1985 als gevolg van het statuut van brugpensionering. In de sectoren waar de CAO geen brugpensioen voorzag of in KMO’s was namelijk geen speciale regeling voorzien voor oudere ontslagen werknemers, zodat er een groot verschil was tussen de uitkeringen van bruggepensioneerden en andere oudere werklozen. Anderzijds waren de oudere werklozen bij de berekening van hun pensioen een tweede maal de dupe aangezien hun jaren van inactiviteit niet werden gelijkgesteld. De minimumleeftijd om als oudere niet-werkzoekende werkloze te worden ingeschreven werd aangepast van 55 jaar naar 50 jaar (in 1996). Vanaf midden 2002 tot juli 2004 werd de minimumleeftijd geleidelijk terug opgetrokken tot 58 jaar, uitgezonderd als een loopbaan van 38 jaar als gesalarieerde kan worden bewezen. (Hoge Raad voor Werkgelegenheid (2004), p.122)

Oudere niet-werkzoekende werklozen moeten zich niet inschrijven als werkzoekende en moeten ook niet gaan stempelen. De werkloosheidsuitkering ligt voor personen in dit statuut meestal lager dan voor bruggepensioneerden (40 tot 60 procent van het begrensde loon, afhankelijk van werkloosheidsduur en gezinssituatie). Onder bepaalde voorwaarden is wel een anciënniteitstoeslag voorzien.

Eens de pensioengerechtigde leeftijd is bereikt wordt de overstap gemaakt naar het rustpensioen. In tegenstelling tot bruggepensioneerden kan ook een vervroegd pensioen worden aangevraagd. Ook in dit statuut wordt de periode van werkloosheid gelijkgesteld aan een actieve periode bij de berekening van de pensioenuitkering.

Alhoewel geen vergoede activiteit mag worden uitgeoefend, mag wel een cumuleerbare bijkomstige activiteit (m.a.w. bijberoep) worden verder gezet of opgestart, wat niet het geval is voor een gewone werkloze. (Hoge Raad voor Werkgelegenheid (2004), p.123)

 

 

50-54 jaar

55-59 jaar

60-64 jaar

Totaal

Aantal personen

41 132

71 899

33 386

146 417

% t.o.v. totaal

28.1

49.1

22.8

100

% t.o.v. bevolking in leeftijdsgroep

5.9

11.2

6.8

8.0

Tabel 3: Cijfers i.v.m. niet-werkzoekende oudere werklozen (2003)

Bron: RVA

 

We kunnen in Tabel 3 waarnemen dat dit statuut meer voorkomt onder de leeftijdsgroep 55 tot 59 jaar. Dit heeft misschien te maken met het feit dat de minimumleeftijd in 1996 omlaag getrokken werd naar 50, zodat meer personen in aanmerking kwamen op deze manier om de arbeidsmarkt te verlaten. Aangezien de minimumleeftijd nu echter terug op 58 jaar ligt zal de populariteit van dit statuut dalen in de jongste leeftijdsgroep. We kunnen uit de cijfers ook afleiden dat het statuut effectief als alternatief voor het conventioneel brugpensioen functioneert, en dan vooral bij werknemers die de leeftijd van 60 nog niet hebben bereikt.

In 2004 daalde het aantal oudere niet-werkzoekende werklozen lichtjes tot 136 906, wat waarschijnlijk in verband staat met de hervorming van het statuut.

 

Er is nog een weliswaar klein aandeel van de oudere werklozen die niet voldoen aan de vereisten om het statuut van oudere niet-werkzoekende werkloze te bekomen. Dit betekent dat ze niet zijn vrijgesteld van de stempelplicht en dat ze verplicht zijn actief op zoek te gaan naar werk als ze hun uitkering willen behouden.

 

 

50-54 jaar

55-59 jaar

60-64 jaar

Totaal

Aantal personen

27 520

10 498

1 633

39 651

% t.o.v. totaal

69.4

26.5

4.1

100

% t.o.v. bevolking in leeftijdsgroep

3.9

1.6

0.0

2.1

Tabel 4: Cijfers in verband met werklozen in de oudere leeftijdscategorieën (2003)

Bron: RVA

 

In de leeftijdsgroep 50 tot 54 jaar is het aantal werklozen het grootst, dit is vrij normaal aangezien het statuut van de oudere werkloze pas vanaf 58 kan worden aangevraagd indien geen loopbaan van 38 jaar kan worden bewezen, wat in deze leeftijdsgroep voor weinigen is weggelegd. In de groep van 55 tot 59 jaar kan voor een deel dezelfde redenering worden gemaakt, alhoewel een loopbaan van 38 jaar hier in theorie mogelijk zou moeten zijn voor laaggeschoolden. Te verwachten valt dat de personen in deze categorie al enkele jaren werkloos zijn. Dit geldt in een nog hogere mate voor de categorie 60 tot 64 jaar. Zij zijn slachtoffers zijn van de werkloosheidsval[5]. Het gaat hier om een relatief klein deel van de oudere werknemers, maar dit zijn waarschijnlijk ook de echte probleemgevallen.

 

2.2.3 Canada Dry systemen

 

De benaming Canada Dry systeem is een verzamelnaam voor een resem regelingen die de wettelijke voorwaarden inzake vervroegde pensionering omzeilen en van de voordelen van het statuut van de oudere werklozen gebruik maken. Vaak gaat het om werknemers die de wettelijke minimumleeftijd voor brugpensioen nog niet bereikt hebben. Een voorbeeld van een Canada Dry-regeling is als een oudere werknemer ontslagen wordt, zodat hij een werkloosheidsuitkering ontvangt. Hij maakt dan kans om als oudere werkloze te worden ingeschreven. Na een loopbaan van minimum 20 jaar maakt de oudere werkloze namelijk kans om een verhoogde werkloosheidsuitkering te ontvangen, dit noemt men een anciënniteitstoeslag. Daarnaast krijgen ze van hun vroegere werkgever nog een extralegale ontslagvergoeding of een periodieke uitkering tot de wettelijke pensioenleeftijd, bijvoorbeeld via de opgebouwde pensioenrechten in de tweede pijler van het pensioenstelsel. (Hoge Raad voor Werkgelegenheid (2004), pp.123-124)

 

Dit systeem lijkt formeel erg goed op het conventioneel brugpensioen[6], aangezien de werknemer in plaats van zijn vroegere loon een werkloosheidsvergoeding ontvangt en daarnaast nog een aanvullende uitkering van zijn werkgever. Canada Dry systemen omzeilen echter de bestaande regelingen voor vervroegde pensionering omdat ze niet gebonden zijn aan een minimumleeftijd of –loopbaan. Het zijn ad hoc regelingen die erg goedkoop zijn voor werkgevers aangezien geen wettelijke aanvullende vergoedingen (waarop sociale lasten gelden) moeten worden betaald zoals in het systeem van conventioneel brugpensioen, en er ook geen sprake is van vervangingsplicht.(Hoge Raad voor Werkgelegenheid (2004), p.124)

 

Het is dan ook vanzelfsprekend dat er snel (fiscale) maatregelen werden genomen om deze achterpoortjes binnen de vervroegde pensioenregeling te sluiten. Zo werd ervoor gezorgd dat de uitkering van opgebouwde rechten binnen de tweede pijler slechts mogelijk werd vanaf 60 jaar. Eveneens werd de minimumleeftijd om in aanmerking te komen voor het statuut van oudere werkloze, zoals eerder vermeld, opgeschroefd van 50 naar 58 jaar.(Hoge Raad voor Werkgelegenheid (2004), p.124)

Omdat er geen verplichting bestaat extralegale uitkeringen aan te geven, zijn geen cijfers beschikbaar rond het aantal personen die in een Canada Dry regeling ontslagen werden.

 

2.2.4 Het ziekte- en invaliditeitssysteem

 

Een andere stelsel waarin oudere werknemers terecht komen op het ogenblik dat ze (meestal onvrijwillig) uit de arbeidsmarkt is via de tak van de ziekte- en invaliditeitsuitkeringen.[7] De persoon in kwestie is dan wel niet meer in staat zijn arbeid te verrichten wegens psychische of fysieke problemen. Het eerste jaar wordt dit door de geneesheer van de verzekeringsinstelling gecontroleerd, dit is het statuut van de primaire arbeidsongeschiktheid. Vanaf het tweede jaar wordt de arbeidsongeschiktheid door de Geneeskundige Raad geëvalueerd en komt men terecht in het statuut van de invaliditeit. Indien de invaliditeit werd veroorzaakt door een arbeidsongeval of beroepsziekte geldt een andere regeling.(Hoge Raad voor Werkgelegenheid (2004), p.125)

De invaliditeitsuitkering is geen eindeloopbaanregeling in de strikte zin van het woord in België, aangezien ze enkel op medische gronden wordt toegekend. In sectoren waar veel lichamelijk zwaar belastende arbeid wordt uitgevoerd, is het echter wel vaak zo dat de invaliditeit wordt veroorzaakt door de loopbaan binnen de sector. Niet elk fysiek of psychisch letsel dat veroorzaakt werd door arbeid wordt echter erkend. Soms (bijvoorbeeld in de bouwsector) wordt het brugpensioen dan ook toegekend op medische gronden, eveneens omdat de brugpensioenuitkering hoger ligt dan de invaliditeitsuitkering. Het gebruiken van de invaliditeitsregeling als brugpensioen wordt in België niet toegepast wat wel het geval is in andere landen (zoals Nederland).

 

De invaliditeitsuitkering, die wordt uitgekeerd vanaf het tweede jaar arbeidsongeschiktheid is afhankelijk van de gezinssituatie. Indien men personen ten laste heeft is de begrensde uitkering 65% van het voorheen verdiende loon, indien men geen personen ten laste heeft bedraagt de uitkering 50% (voor alleenstaanden) of 40% (voor samenwonenden) van het vroegere loon. Vanaf een invaliditeit van 65% wordt de periode van invaliditeit ook gelijkgesteld bij de berekening van de pensioenuitkering. (Hoge Raad voor Werkgelegenheid (2004), p.125)

 

 

50-min

50-54 jaar

55-59 jaar

60-64 jaar

Totaal 50-64 jaar

65-plus

Aantal personen

91 576

42 148

49 046

34 278

125 472

465

Werknemers

88 180

39 475

44 263

28 340

112 168

355

Zelfstandigen

3 396

2 673

4 783

5 848

13 304

110

% t.o.v. totaal

42.1

19.4

22.5

15.8

57.7

0.2

% t.o.v. bevolking in leeftijdsgroep

-

6.0

7.3

7.0

6.7

-

Tabel 5: Cijfers i.v.m. de invaliditeitsuitkering (2003)

Bron: RIZIV

 

Tabel 5 toont ons dat de invaliditeitsuitkering een populaire maatregel is om een loopbaan af te sluiten. Meer dan de helft van de uitkeringen gaan naar 50-plussers, maar binnen de groep ouderen kunnen we geen leeftijdsgroep zien die significant meer terecht komt in de invaliditeitsuitkering.

 

 

2.3 Deeltijdse vervroegde uittreding van de arbeidsmarkt

 

Naast het volledig uit de arbeidsmarkt treden van oudere werknemers bestaat er ook de mogelijkheid naar het einde van de loopbaan toe minder te gaan werken. Het op deze manier geleidelijk uitdoven van de arbeidsactiviteiten wordt hoofdzakelijk mogelijk gemaakt via het halftijds brugpensioen en het tijdskrediet.

 

2.3.1 Het conventioneel halftijds brugpensioen

 

Vanaf 1994 kan een werknemer met een minimumloopbaan van 25 jaar en een minimumleeftijd van 55 jaar, die al tenminste een jaar bij dezelfde onderneming werkt, halftijds op brugpensioen gaan. Dit betekent dat hij maar de helft van de tijd gaat werken, en dus ook maar de helft van zijn loon ontvangt. De andere helft van de tijd is de werknemer eigenlijk bruggepensioneerde en ontvangt hij dus een werkloosheidsvergoeding en een aanvullende vergoeding van de werkgever, net zoals de voltijds bruggepensioneerden. (Hoge Raad voor Werkgelegenheid (2004), p.126)

 

 

50-54 jaar

55-59 jaar

60-64 jaar

Totaal

Aantal personen

-

863

210

1 073

% t.o.v. totaal

-

80.4

19.6

100.0

% t.o.v. bevolking in leeftijdsgroep

-

0.1

0.0

0.1

Tabel 6: Cijfers i.v.m. halftijds brugpensioen (2003)

Bron: RVA

 

Het valt onmiddellijk op uit de cijfers in Tabel 6 dat er erg weinig gebruik wordt gemaakt van het halftijds brugpensioen. Dit niettegenstaande het feit dat het statuut toch al vrij lang in voege is.

 

2.3.2 Het tijdskrediet voor oudere werknemers

 

Tijdskrediet is de benaming die in België sinds 2002 wordt gebruikt om deeltijdse arbeid in vast verband aan te geven. Hiervoor was er een stelsel van loopbaanonderbreking in voege. Voor oudere werknemers is een specifieke regeling van toepassing. Om van deze regelingen gebruik te kunnen maken dient de werknemer tenminste 50 jaar oud te zijn en een loopbaan van ten minste 20 jaar te hebben. Eveneens moet de werknemer al 5 jaar binnen de onderneming tewerkgesteld zijn. (Hoge Raad voor Werkgelegenheid (2004), pp.126-127)

 

Oudere werknemers kunnen kiezen voor een beperking van hun beroepsactiviteiten tot de helft of tot 4/5 van de voltijdse arbeid. Binnen het tijdskrediet voor oudere werknemers hebben de betrokken werknemers recht op een begrensde vergoeding (onderbrekingspremie) voor het afbouwen van hun arbeidstijd, die door de RVA wordt betaald. Het Vlaamse Gewest geeft verder nog een extra aanmoedigingspremie voor personen die kiezen voor het tijdskrediet. Er is geen maximumduur voor het tijdskrediet bij oudere werknemers, wat wel het geval is voor tijdskrediet in het algemeen. Halftijds tewerkgestelde oudere werknemers hebben de mogelijkheid activiteiten i.v.m. vorming en begeleiding te ontplooien bij bedrijven binnen dezelfde bedrijfstak.