Lidmaatschap van een vereniging en sociale druk tot drinken bij adolescenten. (Hans De Steur)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

Inleiding

 

De laatste jaren staat het gebruik van illegale drugs bij jongeren volop in de kijker. Terecht overigens, maar alcohol, als legale drug, raakt daarbij wel eens in de vergeethoek. De gemiddelde Vlaming weet echter even weinig over de effecten en risico's van alcohol als over die van illegale drugs. Nochtans is alcohol al sinds mensenheugenis de meest gebruikte drug. Het drinken van alcoholische dranken is in België maatschappelijk geaccepteerd. Alcohol drinken is dan ook eerder de regel dan uitzondering. En hierin schuilt dan ook het gevaar van alcohol. Doordat het drinken sociaal geaccepteerd is, worden mensen weinig of niet tegengehouden om al op vroege leeftijd alcohol te drinken. Zo worden jongeren reeds vroeg geconfronteerd met alcohol. Het is dan ook niet verwonderlijk dat bijna alle jongeren op hun zestiende ooit al eens alcohol gedronken hebben (CAD, 2002).

 

In de onderzoekswereld krijgt het gebruik van alcohol veel aandacht. In de eerste veertig jaar van de vorige eeuw legde men vooral nadruk op theorieën van sociale kritiek, waarbij de maatschappij de alcoholgebruiker als deviant beschouwde. Tussen de jaren ‘40 en ‘60 had men vooral oog voor de psychologische en biologische oorzaken van alcoholgebruik. Maar mettertijd groeide de aandacht en het belang van sociologische verklaringen van alcoholgebruik (Linsky, 1970). Hierbij werd naast de individuele, de sociaal-demografische en de maatschappelijke determinanten van alcoholgebruik vooral gefocust op de sociale determinanten van alcoholgebruik.

Het onderzoek naar alcoholgebruik spitste zich naderhand ook toe op de adolescentie. Vooral de invloed van de ouders en de vriendengroep (de zogenaamde peergroep) van de adolescent kregen hierbij veel aandacht. De peergroep heeft immers een belangrijke invloed op het alcoholgebruik van de adolescent. Deze peergroep kan zelfs de adolescent onder druk zetten of hem aanzetten tot het drinken van alcohol.

 

In deze scriptie staat de invloed van de peergroep op het alcoholgebruik van de adolescent, meerbepaald de sociale druk tot drinken, centraal. Aangezien alcoholgebruik vooral tijdens de vrije tijd plaatsvindt, zullen we de invloed van de peergroep op alcoholgebruik binnen deze omgeving nagaan. We zullen ons hierbij toespitsen op het verenigingsleven van adolescenten. In drie soorten verenigingen, namelijk de sport-, jeugd- en studentenvereniging, gaan we na of het alcoholgebruik van een adolescent verschilt, naargelang de vereniging waarvan hij of zij lid is. We onderzoeken of het verschil in alcoholgebruik kan verklaard worden door een verschil in sociale druk tot drinken.

Dit brengt ons tot de onderzoeksvraag van deze scriptie: “Is er een verband tussen het lidmaatschap van een vereniging en het alcoholgebruik van een adolescent? En in welke mate kan dit verschil verklaard worden door de sociale druk tot drinken van de referentiegroep binnen die vereniging?”.

 

In het theoretische kader (I), dat aan het eigenlijk onderzoek voorafgaat, bakenen we in het eerste deel de doelgroep, de adolescentie, af. Op die manier kunnen we in de volgende hoofdstukken de theoretische bevindingen in het licht van de adolescentie plaatsen. Ook met betrekking tot het empirisch onderzoek is een duidelijke definiëring van adolescentie noodzakelijk. Hiervoor doen we een beroep op het meest gangbare leeftijdscriterium.

Vervolgens zullen we het begrip “alcohol”, in al zijn facetten toelichten. Hierbij wordt enerzijds de nadruk gelegd op alcoholische drank als middel: de soorten alcohol, de wetgeving omtrent alcohol, de werking en de effecten, en de gevolgen van het drinken van alcohol. Anderzijds wordt ook aandacht besteed aan de alcoholgebruiker: de soorten drinkers, de ontstaansfactoren van alcoholgebruik, de verschillende stadia waarin de alcoholgebruiker zich kan bevinden, en de motieven waarom iemand drinkt.

Een overzicht van de determinanten van alcoholgebruik mag in deze studie niet ontbreken. In het derde deel worden de vier belangrijkste groepen van determinanten besproken: de individuele, sociaal-demografische determinanten, maatschappelijke determinanten en omgevingsdeterminanten, en tot slot de sociale determinanten. De laatste groep determinanten vormt de kern van het theoretische gedeelte en bestaat uit drie hoofdstukken: sociale theorieën, de sociale invloed en de ouders en de peergroep. Het laatste hoofdstuk van de drie vormt integreert de twee vorige hoofdstukken en maakt op die manier de overgang naar het vierde en laatste deel.

Hierin gaan we dieper in op drie soorten verenigingen: de sportvereniging, de studentenvereniging en de jeugdvereniging. We schetsen de algemene achtergrond van deze verenigingen en de bevindingen omtrent het alcoholgebruik binnen deze verenigingen.

 

Na het theoretische kader worden de methode en de resultaten van het onderzoek (II) beschreven. In het hoofdstuk over de methode wordt de wijze van dataverzameling, de onderzoekspopulatie en de vragenlijst (operationalisering van de variabelen en de bijhorende univariate statistieken) uitgebreid besproken. De resultaten van het onderzoek zijn gebaseerd op bivariate en multivariate analyses waardoor we onze bovenstaande onderzoeksvraag kunnen beantwoorden.

 

 

I. THEORETISCH KADER

 

A. ADOLESCENTIE

 

Wanneer we over de adolescentie spreken, kunnen we niet om het begrip “jeugd” heen. Verhofstadt-Denève (1991) stelt vast dat er grote verwarring bestaat over het begrip “jeugd”. Afhankelijk van de wetenschappelijke invalshoek, hanteert men een verschillende begripsomschrijving. Zo legt de ontwikkelingspsycholoog eerder de nadruk op jeugd als een bepaalde fase met eigen biologische, psychische en sociale kenmerken. De socioloog zal dan weer kijken naar jeugd als een groep binnen een bepaald socio-(sub)cultureel kader. Naast deze en andere verschillende invalshoeken, heerst er ook onduidelijkheid als men andere ontwikkelingspsychologische termen zoals puberteit en adolescentie met jeugd gaat linken. Zo benadrukt puberteit meer de biologische geslachtsrijping, terwijl adolescentie hoofdzakelijk verwijst naar de psycho-sociale persoonsontwikkelingen, zoals het vinden van een eigen plaats en rol in de maatschappij. Volgens De Wit & Van Der Veer “begint adolescentie in de biologie en eindigt ze in de cultuur.” (1987, p. 17). De term adolescentie wordt dan ook gebruikt om de gehele periode van de overgang tussen de kinderjaren en de volwassenheid te beschrijven.

 

Ook over het indelen van het begrip “adolescentie” in leeftijden bestaat weinig of geen unanimiteit. Toch is leeftijd een belangrijk criterium aangezien de ontwikkeling van de adolescent beïnvloed wordt door leeftijdsgrenzen en de daaraan verbonden wetgeving (Verhofstadt-Denève, 1991). Volgens De Wit & Van Der Veer (1987) en Verhofstadt-Denève loopt de adolescentie van 12 tot 21 jaar. Deze adolescentiefase wordt daarbij opgesplitst in drie fasen, gevolgd door een eindfase (21 tot 25 jaar) die hoofdzakelijk de studerende jongeren of jongvolwassenen omvat. Op die manier komen we tot de volgende indeling:

 

- Vroege adolescentie: loopt van ongeveer 12 tot 15 jaar en komt na de latentie- en pre-adolescentiefase. In de vroege adolescentie gaat men zich proberen losmaken van de primaire liefdesobjecten, de ouders (De Wit & Van Der Veer, 1987).

 

- Midden-adolescentie: loopt van 16 tot 18 jaar. Het experimenteren met verschillende keuzemogelijkheden staat hier centraal. Men gaat ook meer en meer interageren met adolescenten van het andere geslacht. Vanaf deze fase zijn het niet de ouders maar andere personen, voornamelijk de leeftijdsgenoten, die de belangrijkste plaats in het leven van de adolescent innemen (De Wit & Van Der Veer, 1987).

 

- Late adolescentie: loopt van 18 tot 21 jaar. Men gaat verplichtingen aan met betrekking tot een maatschappelijke positie en de persoonlijke relaties. De adolescent stapt af van het kinderlijke en gaat meer en meer een volwassen rol aannemen, al dan niet in conflict met de volwassenen en de maatschappij (Sherif, 1968 [1953]; De Wit & Van Der Veer, 1987).

 

Naast de arbitraire indeling op basis van leeftijden, kan men de adolescentiefase ook vanuit andere criteria typeren. Op psychisch/psychologisch vlak wordt de adolescentie bijvoorbeeld ingedeeld op basis van de identiteitsontwikkeling van de adolescent. Vanuit de fysiologie legt men de nadruk op het biologische rijpingsproces, het seksuele gedrag, de puberteit, enzovoorts. Vanuit cultureel-antropologisch standpunt gaat men ervan uit dat de adolescentie een verschillende betekenis krijgt in de verschillende culturen. Vanuit sociologische hoek tenslotte, ziet men de adolescentie als een overgangsperiode van een afhankelijke positie binnen het gezin en de samenleving naar een meer zelfstandige positie met eigen verantwoordelijkheden. De sociale rol ondergaat dus veranderingen tijdens de adolescentie. Men creëert een eigen levensstijl die door de relaties met anderen gevormd wordt (De Wit & Van Der Veer, 1987).

 

 

B. ALCOHOL

 

Alcohol is een reuk- en smaakloze vloeistof die bij het drinken een branderig gevoel geeft. Alcohol behoort tot de categorie van de legale drugs. Met legale drugs bedoelt men drugs die toegelaten zijn door de wet. Andere voorbeelden van gelegaliseerde drugs zijn kalmeer- en slaapmiddelen, koffie en tabak. Legale drugs worden in tegenstelling tot illegale drugs (amfetamines, XTC, cocaïne, …) maatschappelijk aanvaard. Zo zijn alcohol en tabak, ondanks hun negatieve effecten, algemeen ingeburgerd in onze cultuur. Ingeburgerd wil echter niet zeggen dat deze drugs minder gevaarlijk zouden zijn. Het feit dat alcohol legaal en sociaal aanvaard is, maakt dat het vaak niet gezien wordt als een drug. Alcohol drinken van jongs af aan, is dan ook heden ten dage de gewoonste zaak (Devriendt, 2002; Suchman, 1968).

Uit de resultaten van het syntheserapport van de leerlingenbevraging 2000-2001 (CAD, 2002) en 2003-2004 (VAD, 2005), door de Vereniging van Alcohol- en andere Drugsproblemen uitgevoerd, blijkt dat alcohol inderdaad nog steeds de populairste drug is, gevolgd door medicatie, tabak, cannabis en andere illegale drugs (zie figuur 1). Voor een belangrijke determinant van druggebruik, het ‘laatstejaarsgebruik’ of de prevalentie, scoort alcohol het hoogst. Drie kwart van alle leerlingen, tussen 12 en 18 jaar, heeft tijdens het jaar van de bevraging (2001-2002) alcohol gedronken. Slechts een klein aantal van de alcoholgebruikers, 12,2 %, is gestopt met drinken (CAD, 2002).

 

 Bron: CAD, 2002, p. 19

 

De resultaten over de frequentie van alcoholgebruik tonen nogmaals de populariteit van alcohol aan: 40 % van de leerlingen heeft het afgelopen jaar één tot meermaals per maand (occasioneel) alcohol gedronken en maar liefst één op drie leerlingen drinkt minstens eenmaal per week (regelmatig) alcohol (CAD, 2002).

Uit het jaarboek van de Nationale Drug monitor blijkt dat in de periode 1989-2001 het aantal jongeren uit het secundair onderwijs dat alcohol drinkt sterk toegenomen is (Van Laar, et al., 2003). Sinds 2000 bleken deze trends weinig tot niet gewijzigd te zijn in het secundair onderwijs (VAD 2005).

 

1. Soorten alcohol

 

We onderscheiden een zestal verschillende soorten alcohol. de “lichte” biersoorten (1) bevatten ongeveer 5 % alcohol. Jupiler, Hoegaarden en Primus vallen bijvoorbeeld onder deze categorie. Wijn (2) bevat ongeveer 12 % alcohol. Gedistilleerde sterke dranken (3) zoals jenever, whisky en cognac, hebben een alcoholpercentage van ongeveer 35 % alcohol. Eén standaardglas bier bevat echter evenveel alcohol als een glas wijn of een glaasje sterke drank. Dit komt doordat de hoeveelheid per glas vermindert naarmate het percentage alcohol stijgt. Onder de sterke bieren (4) vind je trapisten, streekbieren en abdijbieren. Hun alcoholpercentage ligt meestal tussen 7,5 en 11 %. (5) Cocktails, zoals bijvoorbeed Pisang Ambon en Passoa, hebben een alcoholpercentage van ongeveer 20% (NIGZ, 1999). De alcoholpops (6) of alcoholische limonademixen zijn een relatief nieuw fenomeen. Deze drankjes zijn zeer trendgevoelig (alcoholpops zijn eigenlijk een samenvoegsel van ‘alcohol’ en ‘populair’) en vele jongeren weten niet goed wat ze precies drinken. De alcopops of alcoholpops kan men indelen in een vijftal soorten op basis van de sterke drank die wordt toegevoegd. Van de vijf soorten alcoholpops zijn enkel de boosters, zoals Red Bull, geen alcoholische dranken. De overige vier alcoholpops hebben een alcoholpercentage, gaande van ongeveer 5,6 % tot 35 %, afhankelijk van de hoeveelheid sterke drank die wordt toegevoegd (Devriendt, 2002).

 

Uit recent onderzoek van de Vereniging voor Alcohol- en andere Drugsproblemen (VAD) blijkt dat het succes van alcohol voornamelijk bij bier en alcoholpops ligt. Bier blijft de kroon spannen en wordt veel frequenter gedronken dan de overige dranken: bijna 25 % van de leerlingen dronk tijdens het jaar van de leerlingenbevraging (2001) minstens eenmaal per week bier. Een belangrijke bevinding in het onderzoek is dat de populariteit van alcoholpops op twee jaar tijd (1999-2001) enorm gestegen was. Eén op zeven leerlingen had tijdens het jaar van de leerlingenbevraging minstens eenmaal per week alcoholpops gedronken (CAD, 2002). Door de stijging van het alcoholpops-gebruik, stijgt ook het wekelijks alcoholgebruik bij jongeren. Men kan zelfs spreken van een verdubbeling van het aantal wekelijkse alcoholgebruikers. Het zijn vooral de jonge leeftijdscategorieën die alcoholpops drinken. Het is vooral door de zoete smaak dat de alcoholpops geliefd zijn bij de 12 tot 15-jarigen. Wat deze groep vaak niet weet is dat het alcoholgehalte minstens 5,6 promille bedraagt. In dit opzicht waarschuwt de VAD voor het succes van de alcoholpops en ijvert voor een duidelijkere wetgeving zoals het verbod op het aanbieden van alcoholpops in drankautomaten (Devriendt, 2002: CAD, 2002).

Recente bevindingen uit het syntheserapport van de leerlingenbevraging 2003-2004 (VAD, 2005) relativeren de problematiek rond alcoholpops. Sinds 2001 bleek dat het gebruik van alcoholpops gedaald is. Niet zozeer het ‘ooit’-gebruik, maar eerder het laatstejaarsgebruik van deze alcoholpops was gedaald. Deze daling van het alcoholpop-gebruik, voornamelijk bij de jongens, zou erop kunnen wijzen dat de hoogdagen van de alcoholpops voorbij zijn. Het verdwijnen van de hype is vooral in het ASO en bij de oudere leeftijdsgroep zichtbaar. Op het algemene alcoholgebruik heeft deze specifieke daling echter geen invloed gehad. Dit komt hoogstwaarschijnlijk omdat jongeren niet exclusief alcoholpops drinken, maar verscheidene dranken. Slechts 2 % van alle alcoholpop-drinkers zijn exclusieve alcholopop-drinkers. Ze behoren voornamelijk tot de jongste leeftijdscategorie, waar de hype nog niet verdwenen is (VAD, 2005).

 

2. Soorten drinkers

 

In de literatuur richten auteurs zich op verschillende maten van alcoholgebruik, zoals bijvoorbeeld: zwaar drinken, excessief drinken, overmatig drinken, enzovoorts. Ook de terminologie en het operationaliseren van de maten is niet overal hetzelfde.

 

Het Nationaal instituut voor Gezondheidsbevordering en Ziektepreventie (NIGZ) onderscheidt vijf verschillende soorten drinkers. De niet-drinker (1) drinkt uiteraard geen alcohol. De gezelligheidsdrinker (2) drinkt uit gezelligheid of omdat er iets te vieren valt. Deze drinkers zullen dan ook nooit meer dan één of twee keer per week alcohol drinken. Een weekenddrinker (3) drinkt logischerwijze enkel in het weekend. Deze drinkstijl is bij jongeren vaak verbonden met de uitgaanscultuur. In de week hebben deze drinkers vaak school- en werkgerelateerde verplichtingen waardoor het beter is niet te drinken. De regelmatige drinker (4) zal zo’n drie tot vijf dagen per week alcohol drinken. Dit is op zich geen probleem als het bij 2 à 3 glazen per dag blijft. Als laatste is er de gewoontedrinker (5). Deze persoon drinkt zes of zeven dagen per week alcohol. Alcohol hoort bij het dagelijkse leven van de gewoontedrinker (NIGZ, 2001a).

Het NIGZ stelt dat verantwoord alcoholgebruik zich beperkt tot 2 glazen alcohol per dag voor een vrouw en 3 voor een man. Een verantwoord drinker drinkt volgens hen minstens 2 dagen in de week geen alcohol (NIGZ, 2000).

 

De Vereniging voor Alcohol- en andere Drugsproblemen onderscheidt de soorten alcoholgebruikers op basis van twee concepten: prevalentie en frequentie van alcoholgebruik. De VAD definieert de prevalentie van alcoholgebruik als “Het aantal leerlingen dat binnen de aangegeven periode (ooit, ooit maar niet het laatste jaar, het laatste jaar) minstens éénmaal een bepaald product heeft gebruikt” (CAD, 2002, p.18). Op basis van de prevalentie van alcoholgebruik zijn er drie types van alcoholgebruikers. De onthouders hebben nooit alcohol gedronken, de stoppers hebben het laatste jaar geen alcohol meer gedronken en de alcoholgebruikers drinken nog steeds (CAD, 2002).

 

De frequentie van alcoholgebruik wordt als volgt omschreven: “Hoe vaak de leerlingen tijdens het afgelopen jaar een bepaald middel hebben gebruikt” (CAD, 2002, p.18). Op basis van deze frequentie van alcoholgebruik kiest de VAD voor drie types gebruikers: Niet-gebruikers, occasionele gebruikers (die minder dan één maal tot meerdere malen per maand alcohol drinken), en regelmatige gebruikers (die minstens éénmaal per week alcohol drinken) (CAD, 2002).

 

Dit lijkt een erg rudimentaire indeling, die overmatige drinkers niet van regelmatige drinkers kan onderscheiden. Kellner (1997) onderscheidt daarom vier soorten drinkers op basis van de frequentie van het alcoholgebruik en het aantal consumpties per gelegenheid:

 

- Licht niet-frequente drinker: Minder dan één keer per week, meestal minder dan vijf consumpties per keer.

- Licht frequente drinker: Minimaal één keer per week, minder dan vijf consumpties per keer.

- Zwaar niet-frequente drinker: Minder dan één keer in de week, meer dan vijf consumpties per keer.

- Zwaar frequente drinker: Eén keer per week of vaker, meer dan vijf consumpties per keer.

 

Pos & Hekkink (2004) hanteren een uitgebreide indeling op basis van de dagelijkse alcoholconsumptie. Ze houden hierbij rekening met het geslacht van de drinker:

 

 

- Matig drinken: niet meer dan 1 consumptie per dag voor een vrouw en niet meer dan 2 consumpties per dag voor een man.

- Veilig drinken: maximaal 14 consumpties per week voor een vrouw en maximaal 21 consumpties voor een man per week.

- Zwaar drinken: meer dan 14 consumpties per week voor een vrouw en meer dan 21 consumpties per week voor een man.

- Excessief drinken: meer dan 21 consumpties per week voor een vrouw en meer dan 35 consumpties per week voor een man.

- Gevaarlijk drinken: 22 à 50 consumpties per week voor een man en 15 à 35 voor een vrouw.

- Hoog risico drinken: een inname van meer dan 50 consumpties per week voor een man en meer dan 35 consumpties per week voor een vrouw (Pos & Hekkink, 2004).

 

Over binge-drinken of piekdrinken, het fenomeen waarbij men af en toe in korte tijd een grote hoeveelheid alcohol drinkt, voornamelijk om dronken te worden, blijkt er in de literatuur eveneens geen eenduidigheid te bestaan. Over het algemeen wordt binge-drinken gedefinieerd als het drinken van 5 of meer consumpties voor een man of 4 of meer consumpties voor een vrouw tijdens één gelegenheid. In andere gevallen, zoals in de Engelse literatuur, wordt het binge-drinken vaak gelijkgeschakeld aan het ‘risky single-occasion drinking’ (RSOD) waarbij 11 of meer alcoholische dranken per drinkgelegenheid worden geconsumeerd (Murgraff, Parrott & Bennett, 1999). Poppelier, Van de Wiel en Van de Mheen (2002) waarschuwen voor de opkomende trend van het binge-drinken. In recent onderzoek blijkt dat binge-drinken of RSOSD steeds populairder wordt, voornamelijk bij studenten (Johnston & White, 2003).

 

Uit de resultaten van recente onderzoeken, gepubliceerd door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, blijkt dat het aantal glazen op een weekendavond bij jongeren in 2004 erg hoog ligt (Tabel 1). Vooral vanaf de leeftijd van 15 jaar bevinden vele studenten zich in de categorie met 5 tot 10 glazen en in de groep met meer dan 10 glazen, de binge-drinkers. In die laatste categorie zijn het voornamelijk de jongens die een snelle opgang maken (MinVWS, 2005).

 

Tabel 1. Scholieren die drinken, aantal glazen op een weekendavond, per leeftijdscategorie.

 Bron: (MinVWS, 2005, p. 15)

 

3. Alcohol en de wet

 

Ofschoon alcohol toegelaten is door de wet, zijn er toch verschillende wetten die het gebruik en misbruik van alcohol regelen. Door de groeiende bezorgdheid van de overheid over de gevolgen van alcoholgebruik bij jongeren, is de drank- en horecawet sinds 1 november 2000 veranderd en strenger geworden (NIGZ, 2001b). De belangrijkste punten van deze wet zijn de volgende:

 

 

4. Ontstaansfactoren

 

Volgens Devriendt (2002) zijn er drie groepen van factoren, de “drie M’s”, die het middelengebruik bij jongeren beïnvloeden.

Een eerste factor is de “mens” of de persoon zelf. De belangrijkste individuele kenmerken die het alcoholgebruik bepalen zijn volgens het Centrum voor Alcohol- en andere Drugsproblemen (CAD, 2002): biochemische eigenschappen, persoonlijkheid, leeftijd, gemoedstoestand, kennis en opvattingen, verwachtingen, normen en waarden, en geslacht.

De adolescentieperiode is veelal een experimentele fase, waarbij jongeren zoeken naar hun eigen identiteit en nieuwsgierigheid. Het experimenteren met genotsmiddelen is hier een veelvoorkomend voorbeeld van. Door het gebruik van alcohol wordt het subjectief gevoel van zelfvertrouwen en zelfwaardering verhoogd, wat bij onzekere adolescenten welgekomen is (CAD, 2002; Devriendt, 2002).

Ten tweede beïnvloedt ook het “milieu” het gebruik van alcohol. Het milieu, de setting of de (sub)cultuur, bevat vele aspecten die een significante invloed kunnen uitoefenen: de socio-economische factoren, de context waarin men drinkt, het gezin, de school, de vriendengroep, subcultuur, media, reclame en belangrijke derden (CAD, 2002; Devriendt, 2002).

Een laatste factor is het “middel” zelf. Het aanbod van alcohol, de mogelijkheid om alcohol te verkrijgen en de hoeveelheid alcohol die men inneemt, bepalen uiteraard het alcoholgebruik. Ook de verschillende werking en het effect van alcoholische dranken heeft zijn invloed op het alcoholgebruik. Elk middel heeft immers specifieke eigenschappen. Zo is het logisch dat men van drank met hoge alcoholpercentages vlugger dronken wordt (CAD, 2002; Devriendt, 2002).

Hierboven zijn de drie groepen van ontstaansfactoren afzonderlijk besproken. In realiteit is het natuurlijk de combinatie van die factoren die het alcoholgebruik en -misbruik bepalen.

 

5. Werking en effecten

 

Er bestaan verschillende soorten genotsmiddelen. Men maakt een onderscheid tussen drie soorten genotsmiddelen op basis van het effect van de drug: verdovende, stimulerende en bewustzijnsveranderende of hallucinogene middelen. De verdovende middelen zorgen voor een gelukzalig, ontspannen, sloom gevoel. Alcohol heeft deze verdovende werking (CAD, 2002; VVKSM, 2004a; Devriendt, 2002).

We zullen hier kort de werking van alcohol beschrijven. Wanneer iemand alcohol drinkt, komt de alcohol via de slokdarm, de maag en de dunne darm in het bloed terecht. Eens alcohol in het bloed zit, verspreidt het zich over het hele lichaam. Alcohol vermengt zich ook met de lucht in de longen (cfr. ademtest).

Zodra de alcohol de hersenen bereikt, worden de hersenen, die het gedrag en de emoties controleren, verdoofd en wordt men dronken. Zo ontstaat een gevoel van “licht in je hoofd” en vallen sommige remmingen weg. Het zelfvertrouwen vergroot en men durft risico’s nemen die men anders nooit neemt. In een verder stadium vermindert het reactievermogen (gehoor en zicht), en wordt de controle over de eigen bewegingen bemoeilijkt. Wanneer de hersenen zodanig verdoofd zijn, kan er een zelfs een tijdelijke stoornis ontstaat onder de vorm van een black-out (NIGZ, 2000; Devriendt, 2002; CAD, 2002).

Alcohol is eigenlijk een giftige stof voor het lichaam. Vandaar dat de lever deze stof keer op keer moet afbreken. Het afbreken van een standaardglas duurt één tot anderhalf uur. Dit afbraakproces kan door niets versneld worden(NIGZ, 2000).

 

6. Negatieve gevolgen

 

6.1. Lichamelijk

 

6.2. Geestelijk

 

Met psychologische of geestelijke afhankelijkheid bedoelt men dat iemand steeds meer naar alcohol gaat verlangen en niet meer gelukkig kan zijn zonder alcoholgebruik. (Devriendt, 2002). Op lange termijn kan diens karakter daardoor veranderen. Gevolgen zijn onder meer jaloersheid, prikkelbaarheid, achterdocht, depressies, hallucinaties, enzovoorts (CAD, 2002).

 

6.3. Sociaal

 

7. Stadia van alcoholgebruik

 

Wat verslaving aan middelengebruik betreft, onderscheidt de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) vier gradaties: de experimenteerfase, de fase van het geïntegreerd gebruik, de fase van het excessief gebruik, en de fase van de verslaving. Het Centra voor Alcohol- en andere Drugsproblemen heeft op basis van deze algemene indeling, vijf specifieke stadia in het gebruik van alcohol bij adolescenten opgesteld (cf. infra). Hierbij stellen ze dat niet elke vorm van alcoholgebruik tot afhankelijkheid of misbruik zal leiden. Men kan de 5 stadia dan ook eerder zien als een piramide, met heel veel mensen in het eerste stadium, maar heel weinig in het laatste stadium (CAD, 2002; De Kiem, n.d.).

 

7.1. Eerste contact

 

Aangezien alcohol een legale drugs is, wordt deze meestal voor het eerst in familiale kringen geproefd, dit in tegenstelling tot illegale drugs. Geen enkele drug, of het nu koffie, tabak, alcohol, cannabis of heroïne is, wordt bij de eerste keer echt lekker bevonden. Men moet daarom alcohol “leren” drinken, leren dat het lekker is. De opkomst van alcoholpops, die naar limonade smaken, spreekt deze bevinding echter tegen. In deze eerste fase komt naast het middel als ontstaansfactor, ook het milieu naar voor. Men leert populaire drinkende vrienden kennen en tracht met hen mee te drinken om zo aanvaard te worden in de groep (CAD, 2002).

 

7.2. Experimenteerfase

 

Experimenteren wil zeggen dat men andere soorten alcoholische dranken gaat uitproberen. Men gaat ook nieuwe manieren van drinken, zoals binge-drinken, uitproberen en op meerdere plaatsen alcohol nuttigen. Zo leren de jongeren gaandeweg de verschillende effecten kennen. Bij dit experimenteren baseert men zich voornamelijk op de peergroep of groep van leeftijdsgenoten (cf. infra). En hier komt het gevaar van groepsdruk de kop opsteken. De groepsnormen kunnen immers mee bepalen of iemand begint te drinken of zijn drinkgedrag voortzet. Meestal wil de adolescent bij een bepaalde groep horen en zal daarom zelf kiezen om zijn grens te verleggen, in lijn met de groepsnormen (CAD, 2002). Deze fase is niet noodzakelijk alarmerend en is zelfs leerzaam in de zin dat men door het aftasten van grenzen kan ontdekken wat men echt wil (De kiem, n.d.).

 

7.3. Regelmatig, sociaal gebruik

 

In deze fase wordt alcohol vaak gedronken in functie van de sfeer. Men gaat drinken binnen het kader van de sociale activiteiten, zoals tijdens of na een activiteit van een vereniging. Men merkt dat het (soms) leuker is mét alcohol en men gaat alcohol drinken als een positieve sfeerbrenger ervaren. Het drinken wordt een onderdeel van de eigen levensstijl, veelal verbonden met de uitgaanscultuur van de peergroep. Een groot deel van de alcoholgebruikers zijn sociale drinkers. Het alcoholgebruik van deze drinkers blijft beperkt en levert weinig problemen op (De kiem, n.d.; De Wit & Van Der Veer, 1987; Petraitis, Flay & Miller, 1995). Deze fase kenmerkt zich ook doordat sommige sociale drinkers in scènegroepen vertoeven. Door enkel nog met drinkende vrienden om te gaan, neemt het contact met vorige niet-drinkende vrienden af. Meestal is het ontstaan van scènegroepen enkel in het uitgaansleven zichtbaar. Het probleem komt pas wanneer dit fenomeen zich op alle domeinen van het leven begint te manifesteren. Op zo’n moment komt de jongere in een neerwaartse spiraal terecht omdat de nadelen van het alcoholgebruik verborgen blijven achter de positieve visie van de scènegroep ten opzichte van alcoholgebruik.(De kiem, n.d.).

 

7.4. Overmatig gebruik

 

Volgens het CAD (2002) is de overgang van regelmatig naar overmatig gebruik moeilijk vast te stellen. Er is pas sprake van overmatig gebruik als het alcoholgebruik een gewoonte geworden is en als er te veel en te vaak gedronken wordt. In deze fase ontstaan ook regelmatig problemen op andere terreinen zoals op school, op het werk, thuis, enzovoorts. In deze fase gaat men ook alsmaar meer drinken en schakelt men veelal over op alcoholische dranken met hogere alcoholpercentages (De kiem, n.d). Belangrijk is dat men nu ook alleen begint te drinken (CAD, 2002).

 

7.5. Afhankelijkheid

 

Weinig alcoholgebruikers stoten door naar de top van de piramide, namelijk afhankelijkheid van alcohol. Hier is het alcoholgebruik een noodzaak. Men heeft alcohol nodig om problemen weg te werken, men drinkt met andere woorden om zich niet meer slecht te voelen in plaats van te drinken om zich goed te voelen. Door geestelijke of lichamelijke afhankelijkheid ontstaat er een drang om te blijven drinken, “craving” genaamd, en eens begonnen kan men het ritme, de snelheid en de hoeveelheid niet meer controleren. Sociale afhankelijkheid komt voor wanneer alcoholgebruik de persoon heeft geïsoleerd van zijn/haar omgeving. Deze personen verliezen stap voor stap hun oude milieus, zoals familie en vrienden, en geraken zo hun greep op de maatschappij en de realiteit kwijt (CAD, 2002; Wall, Thrussell & Lalonde, 2003; De kiem, n.d.).

 

8. Motieven

 

Uit het onderzoek over middelengebruik van jongeren dat in 2001 door de VAD werd uitgevoerd, bleek dat er twee groepen van redenen zijn waarom jongeren beginnen te drinken.

Enerzijds zijn er de positief gerichte motieven, met als voornaamste redenen: drinken uit gezelligheid, om te ontspannen of te relaxen, voor het plezier en omdat het lekker is. Anderzijds zijn er ook de negatief gerichte motieven zoals het drinken ‘om problemen te vergeten’ en ‘om zoals anderen te doen’ (Devriendt, 2002; Keefe, 1994). Uit onderzoek van Wilks & Callan (1988) blijkt dat de maatschappij vooral de positief gerichte motieven gaat aanmoedigen. Sociaal drinken wordt dus maatschappelijk aanvaard, terwijl drinken om persoonlijke redenen als ongepast drinkgedrag gepercipieerd wordt.

Als we de motieven binnen de bovenstaande stadia van alcoholgebruik bekijken, blijkt dat naast de nieuwsgierigheid, ook de aanvaarding in de groep en de groepsdruk heel belangrijk motieven zijn om te beginnen drinken en te experimenteren met alcoholgebruik. Bij de overgang van geïntegreerd naar excessief gebruik gaan zowel sociale (drinkende vrienden, …) als individuele motieven (waarden, normen, het zelfbeeld, …) meespelen (Shilts, 1991; De kiem, n.d.). De overgang naar verslaving tenslotte, wordt enkel gekenmerkt door individuele motieven zoals het ontstressen via alcohol (De kiem, n.d.).

 

 

C. DETERMINANTEN VAN ALCOHOLGEBRUIK

 

Zoals eerder vermeld, zijn er zijn er drie groepen van determinanten, de “drie M’s” genaamd, die het middelengebruik bij jongeren beïnvloeden: de mens, het middel en het milieu (Devriendt, 2002). In mijn overzicht over de determinanten van alcoholgebruik bij adolescenten is het “middel” alcoholische drank. De “mens” of de intra-persoonlijke factoren worden opgesplitst in individuele en socio-demografische factoren. De derde ontstaansfactor, het “milieu”, bevat enerzijds maatschappelijke factoren en omgevingsfactoren en anderzijds sociale determinanten.

Uit de literatuur blijkt dat ondanks het feit dat vele wetenschappers een andere klemtoon leggen om alcoholgebruik te verklaren, ze het over het algemeen eens zijn dat alcoholgebruik door individuele, sociaal-demografische, maatschappelijke en sociale factoren kan verklaard worden (Petraitis, Flay & Miller, 1995; Pos & Hekkink, 2004).

 

1. Individuele determinanten

 

Volgens Pos & Hekkink (2004), die verwijzen naar de theorie van alcoholgebruik van Wagenaar en Perry, zijn individuele factoren de meest “directe” voorspellers van drinkgedrag. Drinkgedrag wordt bijvoorbeeld rechtstreeks beïnvloed door persoonlijke cognities en percepties met betrekking tot alcohol, algemene opvattingen en persoonlijkheid, geconditioneerde reacties en biologische, genetische en farmacologische reacties. Ondanks de sociale invloed (cf. infra) stelde Bank et al. (1985) dat drinkgedrag toch nog altijd een persoonlijke keuze en een verantwoordelijkheidskwestie is.

Samengevat kunnen we een zevental individuele hoofdfactoren onderscheiden die het alcoholgebruik beïnvloeden.

 

1.1. Genetische en biologische factoren

 

Genetisch gezien, is een familiegeschiedenis van alcoholisme een risicofactor voor excessief tot hoog risico alcoholgebruik bij adolescenten. Volgens het “model van kwetsbaarheid” van Sher is alcoholmisbruik bijvoorbeeld erfelijk bepaald: 40 tot 60 % van de variantie zou verklaard worden door genetische invloeden. Verder kunnen biologische factoren zoals de gezondheid en de individuele verschillen in farmacologische gevoeligheid tegenover alcoholgebruik, het alcoholgebruik beïnvloeden (Petraitis, Flay & Miller, 1995).

 

1.2. Persoonlijkheid

 

Petraitis, Flay & Miller (1995) onderscheiden enkele theorieën die intrapersoonlijke kenmerken als oorzaken nemen voor het alcoholgebruik van adolescenten. Het sociaal ecologisch model van Kumfer en Turner stelt bijvoorbeeld dat stress, voornamelijk schoolgerelateerde stress, de onderliggende oorzaak van alcoholgebruik is bij adolescenten. Alcohol fungeert dan als middel om situaties van stress te ontvluchten (Pos & Hekkink, 2004). Een andere theorie is de “theorie van zelfvernedering”, ontwikkeld door Kaplan. Hierbij wordt gezegd dat een lage zelfwaardering en een frequente zelfvernedering de kans op het gebruik van alcohol verhogen (Petraitis, Flay & Miller, 1995; Pos & Hekkink, 2004).

Als laatste vermelden we het “multistage socal learning model” van Simons. Hierbij wordt vooral aandacht gegeven aan “inadequate coping skills”, zoals ontwijking en afwijzing, en zwakke sociale interactie-skills, zoals onbeleefdheid of verlegenheid (Petraitis, Flay & Miller, 1995; Simons & Robertson, 1989). Ook andere persoonlijkheidskenmerken zoals antisociaal gedrag, impulsiviteit en gebrek aan zelfbeheersing vergroten de kans op zwaar alcoholgebruik (Pos & Hekkink, 2004).

 

1.3. Attitude

 

Als we het concept “attitude” willen bespreken, is de theorie van beredeneerd handelen van Ajzen en Fishbein belangrijk (Petraitis, Flay & Miller, 1995). Ajzen en Fishbein (1980) stellen in deze theorie dat sociaal gedrag verklaard kan worden via determinanten zoals attitudes en intenties. Intenties zijn volgens Ajzen en Fishbein de ‘directe’ determinanten van het handelen. De redenen waarom men op basis van intenties gaat handelen, zijn terug te brengen naar een individuele en een sociale component, respectievelijk de attitudes en de subjectieve norm (cf. infra). Beiden beïnvloeden rechtstreeks de intenties en onrechtstreeks het gedrag (Ajzen & Fishbein, 1980; Johnston & White, 2003).

 

Een attitude of houding is een positieve of negatieve evaluatie van een bepaald sociaal gedragspatroon (Ajzen & Fishbein, 1980, Johnston & White, 2003). De kern van attitudes over gedrag wordt dus bepaald door de waarde die men hecht aan de evaluaties of verwachtingen van dat gedrag. Attitudes kunnen daarom gedefinieerd worden als de verwachtingen van de kosten en de baten van een bepaald sociaal gedrag. Indien de baten van een gedrag de kosten overstijgen, zal men een positieve attitude omtrent dat gedrag vormen (Ajzen & Fishbein, aangehaald in: Keefe, 1994; Petraitis, Flay & Miller, 1995 Brehm, et al., 2000).

Volgens Petraitis, Flay & Miller (1995) en Johnston & White (2003) kan men de theorie van beredeneerd handelen uitstekend toepassen op vele gedragspatronen met betrekking tot de gezondheid, zoals alcoholgebruik, roken en condoomgebruik.

Als we de theorie van beredeneerd handelen daarom naar alcoholgebruik vertalen, kan gesteld worden dat hoe positiever een attitude over het drinkgedrag is, hoe groter de intentie is dat men zal drinken en dus hoe groter de kans dat men drinkt. Ham en Hope (2003) en Van Gorp, Lemmers & Paulussen (1998) vonden bijvoorbeeld dat een positieve attitude over alcohol een positieve invloed heeft op het alcoholgebruik. Volgens Kandel (aangehaald in: Shilts, 1991) zijn drugsgerelateerde attitudes één van de belangrijkste voorspellers van het eigen druggebruik. Pos & Hekkink (2004) vinden meer specifiek dat van alle determinanten de attituden de sterkste samenhang vertonen met drinkintentie en drinkgedrag. Ook Keefe (1994) vindt dat de persoonlijke attitudes het alcoholgedrag van adolescenten in sterke mate voorspellen. Deze attitudes worden volgens hem positiever naarmate de adolescenten ouder worden.

Ondanks dat vele auteurs dus een sterke invloed van attitudes op gedrag verwachten en vaststellen, zijn attitudes maar één van de vele factoren die het gedrag kunnen beïnvloeden (Ajzen & Fishbein, 1980; Petraitis, Flay & Miller, 1995; Pos & Hekkink, 2004).

Verder is het zo dat alcoholgebruik ook een invloed heeft op de attitudes over het alcoholgebruik. Het drinken van alcohol zorgt immers voor nieuwe kennis, nieuwe verwachtingen en nieuwe ervaringen die de attitude gaan vormen. Volgens Reed & Rountree (1997) blijkt dit effect zelfs sterker te zijn dan het effect van attitudes op alcoholgebruik. Attitudes omtrent het drinkgedrag en het drinkgedrag zelf, kunnen elkaar dus wederzijds beïnvloeden.

Johnston & White (2003) stellen echter dat attitudes niet altijd met het gestelde gedrag overeenkwamen. Ze verklaren dit door de invloed van de sociale component binnen de theorie van beredeneerd handelen, de subjectieve norm. Deze norm creëert sociale druk waardoor mensen, ondanks negatieve attitudes over een bepaald gedrag, toch dat gedrag zullen stellen (cf. infra).

 

1.4. Uitkomstverwachting

 

De klassieke sociale leertheorie (zie 4.1.1.) stelt dat een uitkomstverwachting de kans op het stellen van een gedrag alleen zal vergroten als de persoon waarde hecht aan of verlangt naar de verwachte uitkomst (Wall, Thrussell & Lalonde, 2003; Dijkstra, Sweeney & Gebhardt, 2001). Er zijn twee soorten uitkomstverwachtingen. Enerzijds is er een “positieve” uitkomstverwachting (baten) over alcoholgebruik, wat een positief effect heeft op het drinkgedrag. Anderzijds is er ook een “negatieve” uitkomstverwachting (kosten) over alcohol die de kans om te drinken doen verminderen (Dijkstra, Sweeney & Gebhardt, 2001). Deze redering gaat terug op de ruiltheorie die stelt dat een gedrag slechts gesteld wordt wanneer de baten van het gedrag de kosten overstijgen, als het met andere woorden de moeite loont om te drinken (Thibaut & Kelley, aangehaald in: Clark, 1972; Keefe, 1994).

Volgens Humphrey et al. (1988) zijn er drie soorten gevolgen die de uitkomstverwachting over alcohol beïnvloeden. Er zijn de opvattingen over de intrinsieke gevolgen van een gedrag, zoals bijvoorbeeld opvattingen over het effect van een middel zoals alcohol. Kennis over de nadelige gevolgen van alcohol kan bijvoorbeeld het alcoholgebruik doen verminderen (Pos & Hekkink, 2004). Bij de opvattingen over de normatieve gevolgen van een handeling, gaat men zijn eigen handeling vanuit het standpunt van de anderen evalueren. Zo kan de peergroep bijvoorbeeld enkel de positieve gevolgen van alcoholgebruik verspreiden, waardoor een drinkend lid zijn drinkgedrag vanuit die positieve evaluatie goedkeurt. Ten derde zijn er de extrinsieke gevolgen zoals middelen (tijd en geld) om het gedrag te kunnen stellen.

Op basis van deze drie gevolgen zal men een bepaalde uitkomstverwachting hebben over het drinkgedrag. Hoe negatiever die uitkomstverwachting, hoe minder vlug iemand zal drinken. Volgens die redenering is het duidelijk dat onthouders van alcohol bijvoorbeeld meer negatieve dan positieve verwachtingen zullen hebben over alcoholgebruik (Dijkstra, Sweeney & Gebhardt, 2001).

 

De verwachtingen van alcoholgebruik bij adolescenten verschillen volgens leeftijd en geslacht. De verwachtingen omtrent de baten van alcohol zullen bijvoorbeeld hoger liggen naarmate de adolescent ouder wordt (Keefe, 1994). Jonge adolescenten gaan dus meer negatieve consequenties (kosten) verwachten als ze alcohol drinken. Op basis van het geslacht werd gevonden dat jongens meer positieve uitkomstverwachtingen hadden bij het drinken van alcohol dan meisjes. (Keefe, 1994; Wall, Thrussell & Lalonde, 2003).

 

1.5. Eigen effectiviteit

 

De eigen effectiviteit is de mate waarin men van zichzelf verwacht dat men aan de neiging om alcohol te drinken kan weerstaan. Eigen effectiviteit betekent met andere woorden de waargenomen controle die iemand heeft over een bepaald gedrag. Indien men niet aan alcoholgebruik kan weerstaan, dus bij een lage eigen effectiviteit, zal men vlugger drinken. De eigen effectiviteit kan dus als een beschermende factor voor overmatig alcoholgebruik werken. Zware drinkers scoren dan ook laag op eigen effectiviteit (Dijkstra, Sweeney & Gebhardt, 2001; Van Gorp, Lemmers & Paulussen, 1998; Ajzen, aangehaald in: Petraitis, Flay & Miller, 1995).

Eigen effectiviteit kan ook slaan op de eigen bekwaamheid om aan sociale invloed of sociale druk te weerstaan. Adolescenten die ontvankelijker zijn om zich te laten beïnvloeden door het alcoholgebruik van de peergroep, zullen hun alcoholgebruik vlugger afstemmen op dat van de peergroep (De Wit & Silverman, 1995; Dornbush, 1989; Reed & Rountree, 1997). Hoe hoger iemand zijn verwachtingen omtrent de eigen effectiviteit, hoe minder die persoon zal drinken (Dijkstra, Sweeney & Gebhardt, 2001).

Ontvankelijkheid of gevoeligheid voor sociale druk van de peergroep komt vooral voor bij mensen met positieve uitkomstverwachtingen omtrent alcoholgebruik (Dijkstra, Sweeney & Gebhardt, 2001), een lage status, weinig supervisie door ouders of andere controle-invloeden, en een slecht gezinsklimaat (Dornbush, 1989).

 

1.6. Drinkgedrag

 

Het alcoholgedrag uit het verleden heeft een invloed op het alcoholgedrag in het heden en in de toekomst (Maxwell, 2002). Zo zullen bijvoorbeeld studenten die tijdens hun middelbare schooltijd zwaar dronken, dit gedrag voortzetten op de universiteit (Pos & Hekkink, 2004).

Het soort drank dat iemand verkiest heeft ook een invloed op het alcoholgebruik (De Wit & Silverman, 1995). Volgens Jensen et al. (aangehaald in: Pos & Hekkink, 2004) heeft iemand die bier verkiest meer kans om een zware of excessieve drinker te worden dan iemand die wijn prefereert.

Als iemand zijn eigen drinkgedrag als een gewoonte ervaart, zal de kans op een verhoogd alcoholgebruik stijgen. Eens men alcohol drinken als een gewoonte ervaart, worden er immers geen bewuste afwegingen meer gemaakt met betrekking tot het drinkgedrag (Maalsté, 2000).

 

1.7. Samenhang met andere gedragingen

 

De “problem-behavior theory” van Jessor toont aan dat personen die één probleemgedrag vertonen, ook vatbaar zijn voor andere probleemgedragingen (Petraitis, Flay & Miller, 1995). Vandaar dat alcoholgebruik en zeker alcoholmisbruik gerelateerd zijn aan deviant gedrag zoals crimineel gedrag en drugsgebruik.

 

2. Sociaal-demografische determinanten

 

Van elke persoon wordt verwacht dat zijn gedrag zal aansluiten bij de positie of de status waarin hij zich bevindt. Determinanten zoals het inkomen, opleiding, socio-economische status en de huwelijksstaat bepalen deze positie en beïnvloeden dus ook bepaalde gedragspatronen (De Wit & Van Der Veer, 1987). Hieronder volgt een overzicht van de meest relevante socio-demografische factoren. Hierbij zal vooral de link gelegd worden naar alcoholgebruik bij adolescenten.

 

2.1. Leeftijd

 

Het drinkgedrag van een adolescent hangt samen met zijn/haar leeftijd (De Wit & Van Der Veer,1987; Keefe, 1994; Pos & Hekkink, 2004). Op basis van zijn indeling van het soort drinkers (cf. supra), stelt Kellner (1997) vast dat de levenslange onthouders voornamelijk tot de jongste (15 tot 17 jaar) en oude (65+) leeftijdsgroepen behoren. De adolescenten blijken desondanks de zwaarste drinkers te zijn.

Niet alleen de frequentie, maar ook het moment wanneer men drinkt, verschilt volgens leeftijd. Zo drinken jongens onder 18 jaar en ouder dan 24 jaar het meest tijdens het weekend, terwijl studenten (18-24 jaar) meer tijdens de werkdagen drinken. Naast het alcoholgebruik daalt ook de kans op alcoholmisbruik bij mannen en vrouwen naarmate men ouder wordt. (Keefe, 1994; Van Gorp, Lemmers & Paulussen (1998).

 

In de leerlingenbevraging van de VAD in 2000-2001 worden drie leeftijdsgroepen onderzocht: 12- tot 14-jarigen, 15-16-jarigen en 17-18-jarigen. Uit de resultaten blijkt dat het percentage jongeren dat ooit alcohol gebruikt heeft, stijgt met de leeftijd (zie figuur 2). Bij de oudste leeftijdsgroep wordt zelfs bijna een plafondeffect bereikt (94,7 %), waarbij bijna iedereen ooit alcohol gebruikt heeft (CAD, 2002).

 

 Bron: CAD, 2002, p.20

 

Als we inzoomen op de frequentie van alcoholgebruik, zien we gelijkaardige verschillen volgens leeftijdsgroep (zie figuur 3). Het valt op dat het percentage regelmatige drinkers stijgt, wanneer de leeftijd stijgt. Maar nog belangrijker is dat de frequentie van de grootste groep gebruikers gerelateerd is aan de leeftijd. Terwijl het grootste deel van de 12-14-jarigen niet-drinkers zijn, worden de occasionele drinkers bij de 15-16-jarigen de grootste groep. Deze worden op hun beurt bij de 17-18-jarigen vervangen door de regelmatige drinkers als grootste groep (CAD, 2002). Uit de leerlingenbevraging in 2003-2004 werden deze bevindingen opnieuw bevestigd (VAD, 2005).

 

 Bron: CAD, 2002, p.20

 

2.2. Geslacht

 

Ook op basis van het geslacht kan men een bepaald drinkgedrag verwachten (De Wit & Van Der Veer, 1987). Uit de resultaten van de leerlingenbevraging in 2000-2001, werd het geslachtsverschil in alcoholgebruik door de VAD bevestigd. Meer jongens dan meisjes hebben dus ooit alcohol gedronken. Verder gaan meisjes eerder occasioneel drinken, terwijl de jongens meer het regelmatige alcoholgebruik verkiezen (CAD, 2002). Deze geslachtsverschillen veranderen nauwelijks in het onderzoek vier jaar later (VAD, 2005).

Mannen drinken verder niet alleen vaker dan vrouwen, ze zijn ook meer geneigd tot binge-drinken, het drinken van grote hoeveelheden en zwaar drinken (Murgraff, Parrott & Bennett, 1999). Het onderzoek van de “Nationale Drug monitor” onderzocht bijvoorbeeld het aantal zware alcoholdrinkers volgens geslacht en leeftijd in Nederland. Volgens de definitie van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, zijn zware drinkers mensen die één of meer dagen per week alcohol zes of meer glazen drinken. Tabel 2 vat de resultaten van 2002 als volgt samen (Van Laar, et al., 2003):

 

 Bron: Van Laar, et. al., 2003, p 117.

 

Uit de bovenstaande tabel 2 is het duidelijk dat de jongeren tussen 18 en 24 jaar het hoogst scoren. In 2002 bedroeg het percentage zware drinkers onder jonge mannen 42,2 % en onder jonge vrouwen 18,4 %. In 1990 waren 38 procent van deze mannen en slechts 6 % van deze vrouwen een zware drinker (Van Laar, et al., 2003).

 

Huselid en Cooper (1992) stellen dat alcoholgebruik en dronkenschap meer aanvaard is voor mannen omdat dit gedrag strookt met de traditionele mannelijke genderrol. Mannelijke adolescenten zien het drinken van alcohol als een manier om hun sociaal imago op te krikken, terwijl vrouwelijke adolescenten het drinken niet als iets sociaal wenselijks beschouwen. Volgens Huselid en Cooper hebben traditionele, vrouwelijke genderrol-attitudes een negatief effect op het alcoholgebruik, terwijl de traditionele, mannelijke genderrol-attitudes een positief effect hebben op het alcoholgebruik. Uit dit onderzoek blijkt dus dat niet-conventionele vrouwen en conventionele mannen meer alcohol drinken dan andere mannen en vrouwen. Met ‘conventioneel’ wordt bedoeld dat men zich gedraagt op basis van de genderrol die volgens de cultuur met het eigen geslacht overeenkomt. Net zoals in de Nationale Drug monitor, blijkt uit deze studie dat de sekseverschillen in alcoholgebruik ook op het vlak van alcoholgerelateerde attitudes en verwachtingen voorkomen (Huselid & Cooper, 1992). Mannen zullen bijvoorbeeld eerder positieve, persoonlijke uitkomstverwachtingen hebben over alcohol, terwijl vrouwen zich eerder richten op positieve,

sociale uitkomstverwachtingen (Dijkstra, Sweeney & Gebhardt, 2001).

 

Ensminger et al. (aangehaald in: Toray, et al., 1991) ontdekte dat er geslachtelijke verschillen zijn in de invloed van de peergroep op het alcoholgebruik. Jongens zouden meer beïnvloed worden door de leden van de peergroep dan meisjes. Meisjes zouden volgens hen minder beïnvloed worden door invloeden buiten het gezin, waardoor de invloed van de biologische factoren groter wordt. Nochtans vond Kandel (aangehaald in: Bullers, Cooper & Russell, 2001) dat vrouwen vatbaarder waren voor sociale invloeden dan mannen.

 

2.3. Sociaal-economische status (SES)

 

De socio-economische status of sociale herkomst is een multi-dimensioneel concept dat hoofdzakelijk gemeten wordt via de indicatoren opleiding, beroep en inkomen van de respondent of van zijn ouders (Brutsaert, 2001; Pos & Hekkink, 2004).

De sociale herkomst van een persoon is een belangrijke predictor van alcoholgebruik. Zo hebben personen met een hoge SES een hoger dagelijks alcoholgebruik dan mensen met een lage of gemiddelde SES. Zware alcoholgebruikers daarentegen, bevinden zich voornamelijk in de categorie van personen met een lage SES. Ook personen die nooit alcohol drinken komen meer voor in de lage sociale klassen dan in de hogere sociale klassen (Van Laar, 2003). Uit een onderzoek van het Nederlands Instituut voor Publieke Opinie en het Marktonderzoek bleek dat onverantwoord en excessief alcoholgebruik voornamelijk in de lage SES klassen voorkomt omdat deze klassen meer te kampen hebben met materiële en financiële problemen. Een gebrekkig sociaal netwerk, werkloosheid en stress zijn andere determinanten die samenhangen met een lage socio-economische status en alcoholgebruik (Van Laar, 2003; Pos & Hekkink, 2004).

Volgens de peercluster-theorie heeft de socio-economische status enkel een invloed op het alcoholgebruik van een adolescent via de alcoholgebruikende vrienden (cf. infra). Uit de kritieken over de peercluster-theorie blijkt echter dat SES ook een directe invloed heeft. We kunnen daarom stellen dat socio-economische status zowel een direct als een indirect effect heeft op het alcoholgebruik van een adolescent (Petraitis, Flay & Miller, 1995).

Aangezien SES samenhangt met veel determinanten, zoals opleiding, inkomen en werkloosheid, worden deze hieronder besproken.

 

Als we de opleiding nader bekijken, zien we dat deze determinant op dezelfde wijze als socio-economische status het alcoholgebruik beïnvloedt. Zo zullen hoger opgeleide personen vaker frequente drinkers of binge-drinkers zijn dan de personen met een lagere opleiding. Zwaar alcoholgebruik komt dan weer eerder voor onder lager opgeleiden (Pos & Hekkink, 2004). In een Nederlandse studie (Verdurmen, aangehaald in: Pos & Hekkink, 2004) werd echter gevonden dat het juist de hoger opgeleide vrouwen waren die meer kans hadden om een zware drinker te zijn.

Verder komen niet-drinkers niet alleen vaker uit de lage sociale klassen, zoals hierboven vermeld wordt, maar zijn ook voornamelijk mensen met een lage opleiding (Kellner, 1997; Murgraff, Parrott & Bennett, 1999).

De opleiding bepaalt ook het moment waarop adolescenten drinken. Zo zullen personen die een wetenschappelijke opleiding volgen of reeds voltooid hebben, meer alcohol tijdens de werkdagen drinken, terwijl mensen met een lage opleiding voornamelijk in het weekend drinken (Pos & Hekkink, 2004).

 

Ook de VAD onderzocht in zijn leerlingenbevraging de invloed van het soort opleiding op het alcoholgebruik bij jongeren tussen 12 en 18 jaar (CAD, 2002). Hieruit blijkt dat er een verschil is in het alcoholgebruik tussen de verschillende vormen van het secundair onderwijs. Men vond bijvoorbeeld een duidelijk verschil tussen leerlingen van het ASO en TSO enerzijds en leerlingen van het BSO anderzijds (zie figuur 4). In het ASO en TSO zijn er 10 % meer leerlingen die ooit alcohol gedronken hebben. In totaal hebben in het ASO en TSO ongeveer 9 op 10 leerlingen ooit alcohol gedronken.

 

 Bron: CAD, 2002, p. 20

 

Figuur 5 toont het verschil in laatstejaarsgebruik van alcohol tussen de onderwijsvormen. Deze is net zoals bij het ‘ooit’-gebruik het laagst in het BSO. Het percentage occasionele drinkers is in alle onderwijssystemen groter dan het percentage regelmatige drinkers. Het valt wel op dat zowel de ‘nooit-drinkers’ als de regelmatige drinkers in het BSO een veel grotere groep vormen dan in de andere onderwijsvormen. Men drinkt dus minder in het BSO, maar van diegene die wel drinken, zijn er meer regelmatige drinkers in het BSO (CAD, 2002). Bovenstaande verschillen in onderwijsvorm werden eveneens in de leerlingenbevraging van 2003-2004 teruggevonden (VAD, 2005).

 

 Bron: CAD, 2002, p. 20

 

De specifieke beroepsactiviteit van de ouders of de adolescenten, met het daarbijhorende inkomen, is gerelateerd aan de opleiding. Het inkomen speelt bijvoorbeeld een rol bij de economische beschikbaarheid van alcohol. Al is het daarom niet zo dat mensen met een lager inkomen daarom minder geld aan alcohol besteden (Pos & Hekkink, 2004). Materiële bronnen, zoals het wekelijkse geld dat aan alcohol kan gespendeerd worden, zijn volgens Humphrey, et al. (1988) belangrijke factoren die het alcoholgebruik van adolescenten verklaren.

Over de overgang van de school naar het werk is er nogal wat onenigheid. Volgens sommige bronnen veroorzaakt deze transitie een stijging in het alcoholgebruik, volgens anderen daalt het alcoholgebruik als men gaat werken (Safron, Schulenberg & Bachman, 2001; Pos & Hekkink, 2004). Adolescenten die beginnen te werken kennen over het algemeen een verhoogde alcoholconsumptie. Dit ligt waarschijnlijk aan de nieuwe financiële mogelijkheden die ter beschikking komen (inkomen). De verhoogde alcoholconsumptie bij beginnende werknemers druist evenwel in tegen theorieën die veronderstellen dat een verhoogde verantwoordelijkheid, zoals het hebben van een baan, het starten van een gezin of een voorbeeldfunctie in de vrije tijdsbeoefening, zou leiden tot een daling van het alcoholgebruik (Safron, Schulenberg & Bachman, 2001).

Werkloosheid zou over het algemeen een positieve invloed hebben op iemands drankgebruik. Werklozen zullen bijvoorbeeld meer kans hebben om zware drinkers te worden dan werkenden (Safron, Schulenberg & Bachman, 2001). Maar het effect van werkloosheid op alcoholgebruik is niet altijd eenduidig. Pos & Hekkink (2004) stellen twee tegengestelde hypothesen op met betrekking tot alcohol en werkloosheid: ofwel stijgt de alcoholconsumptie onder werklozen, voornamelijk door stress, ofwel drinken werklozen minder alcohol doordat ze een gebrek aan financiële middelen hebben. De invloed van werkloosheid op het alcoholgebruik hangt verder af van de duur van de werkloosheid en het geslacht.

 

2.4. Burgerlijke staat

 

Uit verschillende studies vonden Pos en Hekkink (2004) dat trouwen voor een daling in het drankgebruik van de partners zorgt. Scheiden leidt dan weer tot een verhoogd alcoholgebruik. Dit ‘marriage effect’ kan ook indirect een invloed hebben op de kinderen. Gescheiden ouders kunnen zo, in vergelijking met gehuwde ouders, andere drinknormen en een ander drinkpatroon naar hun kinderen overdragen. Stress, een verkleining van de familiale verantwoordelijkheden en een herstructurering van het sociaal netwerk zijn mogelijke gevolgen van een scheiding en zorgen voor een verhoogde kans op alcoholgebruik bij de ouders en van daaruit ook op de kinderen (Pos & Hekkink, 2004).

 

2.5. Cultuur, etniciteit en religie

 

De invloed van cultuur en etniciteit is vooral belangrijk in Amerikaanse studies, waarbij een onderscheid gemaakt wordt tussen “Afro”-, “Caucasian”-, “Anglo”-, “Hispanic”-, “Asian”- Americans (Bank, Biddle, et al, 1985).

Bank, Biddle, et al. (1985) onderzoeken bijvoorbeeld de culturele verschillen in het drinken bij adolescenten. Dit doen ze voor 4 Westerse landen: de Verenigde Staten, Australië, Frankrijk en Noorwegen. Het algemene beeld van deze landen is inconsistent. Enerzijds wordt het alcoholgebruik aanvaard en wordt drinken als een teken van volwassenheid, sociaal gedrag en relaxatiemiddel; anderzijds worden jongeren gewaarschuwd voor de gevaren van alcohol. Ook in België zou dit contrasterende beeld aanwezig kunnen zijn.

 

Ook religie heeft zijn invloed op alcoholgebruik. Religieuze mensen drinken minder vaak alcohol dan niet-religieuze mensen. Verder zou de volledige onthouding van alcoholische drank gerelateerd kunnen zijn aan religieuze invloeden (Ham en Hope, 2003).

Zo wordt vaak gedacht dat de koran, het heilig schrift van de moslims, het nuttigen van alcoholische dranken verbiedt. Dit is echter niet volledig waar. Als men alle verzen over wijn, en dus alcoholische dranken, bekijkt, valt op dat wijn afgeraden, maar niet expliciet verboden wordt door de koran (Werkgroep Islamitische Bewustwording Nederland, n.d).

Marcos, Bahr en Richardson (1986) noemen dit fenomeen, religieuze aanhankelijkheid, de gevoeligheid voor de opinie van de religie. Aanhankelijkheid ten opzichte van de religie is volgens hen een sociale controle-invloed die het druggebruik direct (negatief) beïnvloedt. De directe invloed van religieuze aanhankelijkheid wordt enkel bij alcoholgebruik gevonden. Dit verklaren ze doordat religieuze bewegingen alcohol als hét symbool voor deviant drugsgebruik beschouwen.

 

3. Maatschappelijke determinanten en omgevingsdeterminanten

 

Er zijn een aantal belangrijke maatschappelijke factoren die de hoeveelheid alcohol die men drinkt en de frequentie waarmee men drinkt, beïnvloeden, zoals de economische beschikbaarheid (prijs van de alcohol ten opzichte van het inkomen van de drinker), de fysieke beschikbaarheid (waar en wanneer is alcohol te koop) en de fysieke omgeving waarin gedronken wordt.

De fysieke en economische beschikbaarheid zijn afhankelijk van het politieke beleid, meerbepaald de wetgeving met betrekking tot alcoholgebruik en alcoholreclame (Pos & Hekkink, 2004; Petraitis, Flay & Miller, 1995).

Volgens Pos & Hekkink (2004) beïnvloeden deze factoren het alcoholgebruik niet alleen indirect, via cognitieve processen, maar is er ook een rechtstreeks effect. Dit wil zeggen dat er, ongeacht de persoonlijke opvattingen van mensen ten opzichte van alcoholgebruik, minder gedronken wordt naarmate de maatschappij meer barrières voor het drinken van alcohol opwerpt. Samengevat zijn er een zestal maatschappelijke determinanten en omgevingsfactoren die het alcoholgebruik bepalen.

 

3.1. Wetgeving

 

Volgens Kuperman, et al; (2001) gaat de wetgeving over alcoholgebruik een rol spelen bij het drinkgedrag van mensen. Zo kunnen de eerder vermelde leeftijdsgrenzen, namelijk 16 jaar voor alcoholgebruik en 18 jaar voor het drinken van sterke dranken, een invloed gaan uitoefenen op adolescenten die deze leeftijd al dan niet bereikt hebben. De mogelijkheid tot sancties bij het overtreden van de alcoholwetgeving kunnen naast sociale sancties de jongere ook bewust maken van zijn illegaal drinkgedrag of alcoholmisbruik (Petraitis, Flay & Miller, 1995). Ondanks het wettelijk verbod blijkt uit onderzoek van de VAD (2005) dat jongeren tussen 16 en 18 jaar toch zware dranken consumeren.

De wetgever stelt ook bepaalde regels op over reclame over alcohol. Dit omdat ze willen vermijden dat jongeren die geen alcohol mogen drinken, gestimuleerd worden dat toch te doen (Fine & Kleinman, 1979). De mate waarin reclame over alcohol aanspreekt, heeft immers een direct positief effect op het alcoholgebruik. Alcoholreclame kan ook, doordat ze de attitudes en normen omtrent alcohol beïnvloeden, onrechtstreeks het alcoholgebruik beïnvloeden.

Omgekeerd kunnen waarschuwende reclames over alcohol de jongeren van de nodige kennis voorzien en zo een beschermende factor vormen tegen overmatig drankgebruik (VAD, 2003b).

 

3.2. Beschikbaarheid

 

Uit Huba en Bentler’s “domain model” blijkt dat de beschikbaarheid van alcoholische dranken gecorreleerd is met het alcoholgebruik (Petraitis, Flay & Miller, 1995). Uit onderzoek van Murgraff et al. blijkt dat hoe gemakkelijker men over alcohol kan beschikken, hoe meer alcohol er wordt gedronken. Met beschikbaarheid van alcohol bedoelt men het aantal verkooppunten, de verkoopsuren (avondklok) en de verkrijgbaarheid van alcoholische dranken (Pos & Hekkink, 2004). Volgens Maalsté (2000) heeft de verkrijgbaarheid van alcohol geen invloed op het alcoholgebruik. Een verklaring hiervoor zoekt ze in de Westerse cultuur. Omdat men in een cultuur opgroeit waarin alcohol gemakkelijke verkrijgbaar is, zet de beschikbaarheid op zichzelf niet (meer) aan tot drinken.

 

3.3. Prijs

 

Wanneer de alcoholprijzen stijgen, zal de alcoholconsumptie over het algemeen verminderen. De invloed van de prijs verschilt echter van drank tot drank. Zo zal de invloed van prijsverhogingen het minst effect hebben op de bierconsumptie, maar wel de verkoop van wijn en sterke drank reduceren (Petraitis, Flay & Miller, 1995; Pos & Hekkink, 2004). Omgekeerd zorgt een daling in de alcoholprijs voor een stijging in het alcoholgebruik. Deze stelling werd bevestigd in het onderzoek van Maalsté (2000). In haar onderzoek bij studenten, bleek dat studenten meer drinken als de drank goedkoop was. De lage prijs van alcohol tijdens activiteiten binnen de studentenverenigingen heeft volgens haar een positief effect op het alcoholgebruik (cf. infra). De studenten menen daarentegen niet dat ze minder zullen drinken wanneer er in de studentenvereniging “gewone” prijzen zouden gehanteerd worden.

 

3.4. Omgeving

 

Een omgeving waarin gedronken wordt, beïnvloedt het alcoholgebruik van de adolescent, binnen en/of buiten die omgeving (Kuperman, et al., 2001). In een omgeving waar veel alcohol gedronken wordt en waar alcoholgebruik algemeen aanvaard wordt, zal iemand zich minder geremd voelen tot drinken. Zulke locaties waar drinken als een maatschappelijk aanvaarde, sociale activiteit beschouwd wordt, zijn bijvoorbeeld: fuiven, cafés, familiefeesten, enzovoorts. Niet alleen het gebruik van alcohol maar ook de hoeveelheid alcohol die gedronken wordt, kan afhangen van de locatie (Wall, Thrussell & Lalonde, 2003). Oostveen, Knibbe & De Vries (1996) vonden bijvoorbeeld dat 80 % van de totale alcoholconsumptie van adolescenten geconsumeerd wordt op publieke drinklocaties en tijdens het weekend, met andere woorden buiten de thuissfeer. Zwaar alcoholgebruik komt bijvoorbeeld meer voor in locaties waar het gebruik van alcohol wettelijk toegelaten is (Wall, Thrussell & Lalonde, 2003).

 

3.5. School- en buurtkenmerken

 

De school en de buurt zijn twee belangrijke omgevingen voor een adolescent. Volgens Ennett, Flewelling, Lindrooth en Norton (1997) zijn er verschillen in alcoholgebruik naargelang de school of buurt. Ze hebben twee verklaringen voor deze verschillen.

Het besmettingsmodel of epidemisch model van druggebruik probeert een eerste verklaring voor die omgevingsverschillen te geven. Dit model zegt dat studenten uit dezelfde school of dezelfde buurt, door sociale interactie dezelfde gewoontes in alcoholgebruik gaan overnemen. Het is een soort sneeuwbaleffect waarbij normen aangaande het alcoholgebruik onder vrienden worden overgedragen. Wanneer de school of de buurt tolerant staat ten opzichte van alcohol en wanneer alcohol er gemakkelijk verkrijgbaar is, is de kans groot dat leerlingen zullen drinken (Ennett et al., 1997). Ook de aanhankelijkheid met de school kan het drankgebruik van een adolescent negatief beïnvloeden. (Guo, Hawkins, Hill, et al., 2001).

Een tweede verklaring wordt door de sociale desorganisatietheorieën gegeven. Deze theorieën stellen dat jongeren door de invloed van omgevingskenmerken een gelijk drinkpatroon gaan vertonen. Sociale desorganisatie en de afwezigheid van sociale controlemechanismen komen vaak voor in omgevingen waar economische deprivatie, etnische heterogeniteit en weinig sociaal contact is. Sociale desorganisatie in een omgeving zorgt dus voor een grotere kans op de verspreiding van alcoholgebruik. In het onderzoek van Ennett et al. (1997) bleek echter dat hogere socio-economische scholen een grotere kans op druggebruik hebben. Wat buurten betreft, komt zwaar alcoholgebruik meer in landelijke en lagere socio-economische buurten voor.

 

3.6. Overige determinanten

 

In het rapport van “The Academy of Medical Sciences” (2004) wordt aangetoond dat populaties zich collectief gedragen met betrekking tot alcoholgebruik. Het gemiddelde niveau van alcoholgebruik in de samenleving bepaalt dus het alcoholgebruik van individuen: hoe meer alcohol een populatie drinkt, hoe groter het aantal zware drinkers.

Het werken in een door mannen gedomineerde omgeving, dus ook in niet-gemengde, mannelijke verenigingen, is positief gerelateerd aan alcoholgebruik. Naast het positieve effect van een ‘mannelijke’ omgeving op alcoholgebruik, kan de aanwezigheid van vrouwen in een kleinere groep een matigende invloed hebben op het drinkgedrag van mannen (Ham & Hope, 2003)

 

4. Sociale determinanten

 

Tijdens de adolescentie ondergaat de adolescent enkele veranderingen met betrekking tot zijn sociale rol en bepaalde sociale gedragspatronen. Iedere mens vervult immers een sociale rol in een sociale omgeving. De sociale omgeving waarin iemand zich bevindt is een belangrijke determinant van sociaal gedrag en dus ook van het drinkgedrag. De sociale betekenis die men aan het drinken van alcohol geeft, is immers het resultaat van sociale interacties, observatie van rolmodellen en het naleven van bepaalde, door de sociale omgeving opgestelde, regels, normen en waarden met betrekking tot alcohol. Mensen zijn immers geneigd om zich aan te passen aan anderen (Van Gorp, K., Lemmers L. & Paulussen, 1998).

De sociale rol wordt dus beïnvloed door verschillende sociale determinanten, die verwachtingen scheppen over een bepaald gedrag, waaraan iemand wil voldoen (De Wit & Van Der Veer, 1987; Pos & Hekkink, 2004). Er wordt daarom verwacht dat iemand zijn gedrag zal aan sluiten bij de sociale rol die hij inneemt. De Wit & Van Der Veer (1987) vinden in de literatuur de volgende kenmerken van een sociale rol: