| De Pers van de DeVlag tijdens de bezetting. case : De Gazet. (Toni De Winne) |
| home | lijst scripties | inhoud |
Gezien mijn opleiding als historicus leek het mij evident het onderwerp voor dit seminariewerk te gaan zoeken in een raakvlak tussen enerzijds geschiedenis en anderzijds media en communicatie. De cursus die zich daartoe het best leende, was vanzelfsprekend ‘Ontwikkeling van de Belgische Pers’, een historisch overzicht van de Belgische pers vanaf de Spaanse Nederlanden tot de hedendaagse situatie. Als verdere thematische afbakening werd de Vlaamse collaboratie tijdens Wereldoorlog II, en de wijze waarop deze collaborerende bewegingen hun neerslag vonden in de gedrukte media, weerhouden. Gezien de uitgestrektheid van dit onderwerp werd beslist één collaborerende beweging uit het gamma te selecteren, met name de DeVlag. In het standaardwerk ‘Belgische dagbladpers onder Duitse censuur 1940-1944’ (1973), van de hand van Prof. Dr. De Bens, komen de verschillende persorganen van de DeVlag echter reeds ruim aan bod. Eén ervan, met name ‘De Gazet’, werd door de DeVlag gelanceerd als een boulevardblad, bedoeld om een zo breed mogelijk lezerspubliek te bereiken, wat bijgevolg inhield dat de weergave of verdediging van controversiële standpunten absoluut gemeden diende te worden. Het leek ons nu echter interessant na te gaan of - en, indien de onderzoeksvraag bevestigend beantwoord kon worden, in welke mate ? - de harde DeVlag-ideologie tevens doorsijpelde of onderhuids aanwezig was in het boulevardblad ‘De Gazet’. Het voor de hand liggende instrument om zulke onderzoeksvraag te beantwoorden, is uiteraard een kwantitatieve inhoudsanalyse.
In een eerste hoofdstuk zal vooreerst een breder kader van de situatie in bezet België geschetst worden : als relevante aandachtspunten werden de structuur van het Duitse bezettingsregime en de Duitse perspolitiek in België uitgelicht. In een volgend hoofdstuk behandelen we dan de beweging de DeVlag. Deze vrij ruime historische schets zal afgesloten worden met een bespreking van de persorganen van de DeVlag. Een derde hoofdstuk zal tenslotte de onderzoeksresultaten van de inhoudsanalyse weergeven. De verkregen informatie zal kort geresumeerd worden in een algemeen besluit en aanschouwelijk voorgesteld worden in een tabel, in bijlage opgenomen op pagina 49.
Hoofdstuk I : Algemeen kader van de bezetting
Alvorens de bespreking van de DeVlag en daaropvolgend de weergave van de uitgevoerde inhoudsanalyse aan te vatten, zullen we eerst in enkele krachtlijnen de situatie van bezet België schetsen. Uiteraard zullen we ons beperken tot de domeinen van het bestuurlijk leven die voldoende relevantie in zich dragen met betrekking tot ons afgebakende onderwerp. In concreto komt dit ten eerste neer op een korte bespreking van de structuur van de ingerichte Militärverwaltung, met aandacht voor de belangrijkste knelpunten in zijn functioneren. Dit lijkt ons vooral nodig voor een beter begrip van het conflict tussen SS en Militärverwaltung, waarin de DeVlag als partner van de SS in verwikkeld zal geraken. Als tweede aandachtspunt hebben we het nuttig geacht de krachtlijnen van de Duitse perspolitiek in bezet België kort te schetsen.
1. De Duitse Militärverwaltung in bezet België[1]
Van 1 juni 1940 tot 13 juli 1944 werd bezet België - om militaire en economische redenen samen met de Franse departementen Nord en Pas-de-Calais in één administratief geheel ondergebracht - bestuurd door een Duitse Militärverwaltung. Het land werd dus geleid door militairen, deel uitmakend van het landleger en rechtstreeks afhankelijk van de bevoegde dienst[2] van het Oberkommando des Heeres (OKH), d.i. de opperste legerleiding. Het zou uiteindelijk duren tot 18 juli 1944 vooraleer Hitler de stap aandurfde een Zivilverwaltung in bezet België te installeren.
1.1. Voor een goed begrip van de term ‘Militärverwaltung’ en zijn inhoud, is het allereerst nodig zijn tegenhanger, de ‘Zivilverwaltung’ kort voor te stellen. Beide bezettingsregimes zijn erop gericht de bestaande administratie van het bezette land te controleren en, indien nodig, zelf te leiden. De voornaamste verschillen situeren zich echter op het vlak van het takenpakket en de hiërarchische afhankelijkheid van de topfunctionarissen. Vereenvoudigd gesteld kunnen we zeggen dat Hitler in een Zivilverwaltung wel, en in een Militärverwaltung niet, rechtstreeks zijn wil kon opleggen : Een Zivilverwaltung wordt bemand door burgers onder leiding van een Reichskommisar, rechtstreeks ondergeschikt aan Hitler, terwijl de hiërarchische weg van de Militärbefehlshaber, als hoofd van een Militärverwaltung, eerst het OKH diende te passeren. Voor wat betreft het takenpakket kunnen we alweer vereenvoudigd stellen dat een Zivilverwaltung wel, en een Militärverwaltung niet, verondersteld werd actief aan politiek in het bezette land te doen. Daarom stelt De Jonghe het verschil tussen de beide bezettingsregimes als volgt voor : ‘…een Militärverwaltung komt in aanmerking voor landen of gebieden die niet bestemd zijn om, na de oorlog, rechtstreeks bij het rijk genaast (sic) te worden of welker politiek statuut voor de duur van de bezetting in het onzekere wordt geleten. Een Zivilverwaltung mag men daarentegen kenmerken als de uitdrukking van een streven naar annexatie…’[3].
Aan het hoofd van een Militärverwaltung stond zoals gezegd de Militärbefehlshaber of militaire goeverneur : in bezet België werd deze functie ingevuld door Alexander von Falkenhausen. Deze had de beschikking over twee afzonderlijke diensten, met name de Kommandostab, voor militaire aangelegenheden, en de Verwaltungsstab, voor zowat alle aspecten van het openbare leven. Deze diensten werden in bezet België respectievelijk door kolonel von Harbou en Eggert Reeder geleid. Onder de Kommandostab ressorteerden ook Feldgendarmerie, Geheime Feldpolizei en Abwehr[4]. De Verwaltungsstab werd nog opgedeeld in de eigenlijke Verwaltungsstab en een Wirtschaftsabteilung (afdeling economie). Het verdere hiërarchische verloop van de Militärverwaltung omvatte, in afdalende volgorde Oberfeldkommandanturen, Feldkommandanturen, Ortskommandanturen en Kreiskommandanturen.
1.2. Wanneer we nu specifiek de situatie in bezet België bekijken, kunnen we niet om het belang van de figuur van Eggert Reeder heen. Als Militärverwaltungschef of hoofd van de Verwaltungsstab had deze namelijk een eigen opvatting over het functioneren van het Militair Bestuur in bezet België : hoewel Hitler gestipuleerd had dat een Militärverwaltung apolitiek hoorde te zijn, vond Reeder deze instructie niet van toepassing op de Belgische staat. Ten gevolge van de gebrekkig functionerende Belgische administratie zag de Verwaltungstab onder Reeder zich verplicht meer en meer zelf de administratie uit te voeren in plaats van een louter controlerende taak vol te houden. Daar von Falkenhausen Reeder binnen zijn taakomschrijving zeer veel autonomie toestond, legde deze zich toe op het uitvoeren van een minutieus uitgestippelde ‘Flamenpolitik’[5]. Hij was ervan overtuigd dat ‘…de betekenis van de ‘Volkstumfragen’ tot in de diepste wortels van de Belgische staat reikte, zodat de bezettingsadministratie veel bslissingen op het gebied van de Vlaamse-Waalse verhoudingen niet uit de weg kon gaan…’[6]. Deze Flamenpolitik - die trouwens vrij snel ondersteund werd door Hitler[7] - manifesteerde zich ondermeer in de strikte toepassing van de taalwetgeving, de oprichting van een ‘Herstelcommissie’[8] die gewezen activisten de door de repressie na 1918 geleden financiële schade vergoedde, het sluiten van niet-Nederlandstalige instellingen in Vlaanderen, een verschijningsverbod voor Franstalige dag- en weekbladen in Vlaanderen en een pro-Vlaamse personeelspolitiek[9]. Deze aangehaalde personeelspolitiek steunde in feite volledig op VNV-leden. Reeder verkoos de verschillende administratieve niveaus te ‘doorspekken’ met leden van collaborerende bewegingen, en, gezien de versplintering bij andere nationalistische groeperingen, werd hierbij voluit gekozen voor het VNV[10].
1.3. Dit brengt ons bij een laatste belangrijk punt, namelijk de houding van de Duitse SS ten aanzien van de Militärverwaltung te Brussel. Slechte ervaringen met het bezettingsregime in Polen hadden Hitler ertoe doen besluiten dat in de organisatie van een Militärverwaltung naast de militairen geen plaats mocht zijn voor vertegenwoordigers van hoge partij- en civiele diensten : de Duitse SS had dus geen enkel wettelijk middel om zijn invloed te vestigen in bezet België, wat hen echter niet tegenhield die invloed toch af te dwingen. De SS streefde openlijk naar de vestiging van een Zivilverwaltung - en dus annexatie of ‘Anschluss’ van België[11] - waarin zij ongehinderd hun invloed zouden kunnen laten gelden[12]. In het kort omvatte de strategie van de SS volgende pijlers : ten eerste de oprichting van nieuwe Duitse diensten naast de bestaande diensten van het Belgisch bezettingsregime[13]; ten tweede tegenwerking van het VNV, dat streefde naar een, in de ogen van de SS onaanvaardbaar, zelfstandig Dietsland.; tenslotte het beïnvloeden van diensten van de Militärverwaltung. Het meest bekende voorbeeld van ‘hineinregieren’ vanwege de SS is de oprichting van de Dienststelle Jungclaus, de Belgische afdeling van de Germanische Leitstelle[14], bedoeld om de Volkstumpolitik[15], eigenlijk behorend tot het takenpakket van de Militärverwaltung, te beïnvloeden en te beheersen. De tegenwerking van het VNV gebeurde door de oprichting van de Algemene SS Vlaanderen[16] en later door steun aan de DeVlag[17]. Een voorbeeld van beïnvloeding van een bestaande dienst tenslotte vinden we in de culturele politiek van de Militärverwaltung : de heren Petri en Reese werden door het Militair Bestuur aangezocht om de culturele politiek uit te stippelen, die dan door de afdeling Kultur van de Propaganda Abteilung[18] (PA) praktisch uitgewerkt diende te worden. Deze PA stond in de praktijk echter sterk onder invloed van het Propagandaministerie (Promi) te Berlijn, zodat de samenwerking tussen PA en Militärverwaltung niet altijd even goed verliep.
We zullen in het volgende hoofdstuk zien dat de DeVlag in de bezettingsjaren voluit meegesleept zal worden in de machtsstrijd tussen SS en Militärverwaltung. In Vlaanderen zou dit conflict zijn weerslag vinden in de strijd tussen Algemene SS Vlaanderen en de DeVlag enerzijds en het VNV anderzijds. Slechts één van de genoemde Vlaamse bewegingen zou zich met recht en rede overwinnaar kunnen noemen naarmate het conflict in een definitieve plooi viel : de DeVlag.
2. De Duitse perspolitiek in bezet België[19]
In deze bespreking stellen we ons niet als doel de volledige Duitse perspolitiek minutieus uit te diepen. Aangezien we in dit werk echter de inhoudsanalyse zullen verslaan van een dagblad dat het levenslicht zag in de bezettingsjaren, is het uiteraard nodig het kader te kennen waarin de Belgische pers tijdens de bezetting zijn activiteiten diende te ontplooien. Onder deze hoofding behandelen we bijgevolg de krachtlijnen van de Duitse perspolitiek in België, met aandacht enerzijds voor de instellingen - zowel Duitse als Belgische - die ingeschakeld werden in de organisatie van het perswezen, en anderzijds voor de censuurregeling en verschillende richtlijnen voor de pers vanwege de Propaganda Abteilung. De hieronder behandelde materie wordt uitgebreid besproken in hoofdstukken 2 tot en met 4 van het werk ‘De Belgische dagbladpers onder Duitse censuur (1940-1944)’ van Prof. Dr. De Bens (1973).
2.1. De Duitse bezetter streefde - in navolging van de politiek van het Promi in Duitsland - in België naar een volledige ‘Gleichschaltung’ van de geschreven pers : het ideaalbeeld was een ‘gelijkschakelde’ pers waarin alle dagbladen trouw de nationaal-socialistische ideologie zouden uitdragen en verdedigen. Het was de taak van de Propaganda Abteilung, en dan vooral van haar persafdeling, om middels een efficiënt censuurbeleid dit vooropgesteld doel te bereiken.
2.2. De Propaganda Abteilung was, als onderdeel van de Verwaltungsstab, ondergeschikt aan Militärverwaltungschef Eggert Reeder. Zoals eerder gezegd was de invloed van Berlijn echter duidelijk voelbaar binnen de organisatie van de Propaganda Abteilung[20]. Deze vermenging van invloedssferen die zo vaak te ontwaren is in de Duitse bezettingsstructuur heeft onder andere geleid tot het ontstaan van concurrentie voor de Propaganda Abteilung als controlerend orgaan voor de Belgische pers. Zo verleende de Militärverwaltung, beducht voor een te grote invloed van Berlijn op de Propaganda Abteilung, tevens steun aan de Duitse Ambassade, die voor haar persdienst een grotere rol wilde opeisen in de controle op de Belgische pers. Uiteindelijk kon deze persdienst - wel op een lager niveau dan de Propaganda Abteilung, die de absolute autoriteit inzake Belgische perspolitiek bleef - zich mengen in de Belgische perspolitiek. Enkele van de taken die zij zich toegeëigend hadden, waren : het opstellen van een dagelijks persoverzicht, overmaken van buitenlandse berichtgeving aan de Belgische redacties, invloed uitoefenen bij de keuze van redactiepersoneel of schorsingen van kranten, financiële steun aan bepaalde kranten,… Daarnaast mengden ook de Germanische Leitstelle en de Sicherheitsdienst, Abteilung III, in de praktijk beide organen van de Duitse SS, zich in de Belgische perswereld. Hun bijdragen bleven echter hoofdzakelijk beperkt tot het verlenen van financiële steun aan collaborerende groepen die het SS-ideeëngoed wilden uitdragen. De Abteilung III van de Sicherheitsdienst stelde daarnaast ook nog wel een dagelijks persoverzicht samen en hield zich tevens bezig met het infiltreren van verschillende redacties. Ondanks deze pogingen van verschillende diensten om de monopoliepositie van de Propaganda Abteilung te ondermijnen, bleef de Propaganda Abteilung echter bij uitstek het belangrijkste controle-orgaan voor wat betreft de geschreven pers in bezet België.
2.3. De belangrijkste opdracht van de Propaganda abteilung was vooreerst het opstellen en doen naleven van censuurmaatregelen. De eerste censuurregeling[21] die door de PA vooropgesteld werd, was er één van preventieve censuur : krantenartikels dienden vóór de publicatie voorgelegd en goedgekeurd te worden. De nadelen van zulke voorafgaande censuur lieten zich echter onmiddellijk gevoelen. Zo was het geen evidentie om tot een omvangrijk korps bekwame censoren te komen. Bovendien werden de censoren niet geruggesteund door geüniformiseerde vaste richtlijnen, zodat het al dan niet doorstromen van artikels naar de publicaties uiteindelijk sterk afhing van de persoonlijke overtuiging of redelijkheid van de censor. Daarbij diende nog in rekening gebracht te worden dat preventieve censuur zeer tijdrovend was, zodat de pers achterop dreigde te geraken op de actualiteit, en dat voorafgaande censuur onvermijdelijk tot een gelijkvormige, monotone pers leidde waarin de propaganda bijgevolg overduidelijk zichtbaar, en dus ineffectief, werd.
Dit alles leidde ertoe dat de PA op 10 oktober 1940 de censuur-a-posteriori instelde. Noodzakelijke voorwaarde hiertoe was het onder controle brengen van het nieuwsagentschap Belgapress. Voortaan werd enkel de doorstroom van informatie naar het nieuwsagentschap onderworpen aan preventieve censuur, terwijl de Belgische dagbladen pas na de publicatie gecontroleerd en eventueel gesanctioneerd werden. De buitenlandse berichtgeving die naar Belgapress stroomde, bestond exclusief uit door het Deutsches Nachrichtenbüro gecensureerde informatie, terwijl de binnenlandse nieuwsvoorziening voorafgaandelijk gecontroleerd werd door PA-censoren. Belgapress werd tevens door de PA gebruikt om hun richtlijnen over te maken aan de verschillende redacties.
Hoewel de directieven van de PA vrij correct opgevolgd werden, waagden de journalisten het na verloop van tijd meer en meer om buiten de lijnen te lopen[22]. Als tegenreactie vond de PA het nodig om voor artikels van politieke, sociale of economische inhoud opnieuw de preventieve censuur op te leggen. Het dient gezegd dat deze censuur vrij streng toegepast werd, wat voor een groot deel te verhalen valt op de grote druk die indirect uitgeoefend werd op de censoren : de angst om na een beroepsfout aan het front terecht te komen, hield de censoren allen strak in het gareel. Het Belgische perslandschap evolueerde bijgevolg opnieuw naar een troosteloos monotone en volledig ‘Gleichgeschalte’ dagbladpers, wat de Duitse propagandistische doeleinden niet ten goede kwam.
2.4.
Tenslotte kunnen we nog kort de overige taken van de Propaganda Abteilung
samenvatten[23].
De allereerste taak die de persafdeling van de PA na de bezetting op de
schouders nam, was het zo snel mogelijk opnieuw opstarten van de Belgische
dagbladen. De ‘opstartprocedure’ werd vrij snel vastgelegd in een reeks
‘Verordnungen’ van de PA. Verder stelde de PA zich als doel zoveel mogelijk
controle te verwerven op alle aspecten van het redactionele gebeuren : de PA
bepaalde de oplage, omvang en prijs van de dagbladen; onder andere via de totale
controle op de, onder impuls van de PA gestichte, ‘Vereeniging van Belgische
Journalisten’, kon de PA journalisten aanstellen of schorsen en tevens hun
loongelden vastleggen; de distributie van alle dagbladen kwam onder controle van
de PA daar zij het bestaande distributieagentschap Dechenne onder hun vleugels
gebracht hadden; een zeer machtig wapen om de Belgische pers aan banden te
leggen, vond de PA in de totale controle over de Papiercentrale; tenslotte
werden, via Belgapress en via een dagelijkse persconferentie, richtlijnen, en
soms zelfs volledige artikels met de verplichting tot publicatie, doorgegeven
aan de verschillende redactieploegen.
In dit hoofdstuk zullen we de geschiedenis van de beweging bekend als de DeVlag verduidelijken. De afkorting DeVlag staat voor Duitsch-Vlaamsche Arbeidsgemeenschap of Deutsch-Flämische Arbeitsgemeinschaft. De beweging werd in 1936 opgericht door J. Van de Wiele en R. Wilkening en was oorspronkelijk gericht op het onderhouden en uitbouwen van contacten tussen Vlaamse en Duitse intellectuelen. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat de DeVlag zich in de oorlogsjaren aan Duitse zijde schaarde. Het werd Van de Wiele’s uitdrukkelijke ambitie om de DeVlag, een beweging die zoals gezegd louter culturele doeleinden diende, tevens op het politieke vlak te profileren.
1. Jef Van de Wiele[24]
Fredegandus Jacobus Josephus Van de Wiele werd geboren in 1903 te Deurne als jongste zoon van de latere burgemeester van Deurne (1919-1933), August Van de Wiele. Na zijn studies te Antwerpen en Gent was Van de Wiele enkele jaren tewerkgesteld als regent in het Rijksmiddelbaar onderwijs te Antwerpen en later te Aarschot. In 1933 richtte hij te Leuven de studentenkring Germania op, een beweging die de eigenlijke aanzet betekende tot het ontstaan van de DeVlag in 1936. In datzelfde jaar 1936 behaalde hij met de grootste onderscheiding de graad van doctor in de Germaanse filologie aan de Leuvense Universiteit. Drie jaar later werd een studie van zijn hand, aangaande de stad Antwerpen in de literatuur, bekroond door de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde.
Gedurende de oorlogsjaren wierp Van de Wiele, die zich met de DeVlag tot dan toe louter met culturele zaken ingelaten had, zich op als absolute topfiguur in de totale collaboratie. Hij verdedigde fel het Groot-Germaanse standpunt dat voorzag in de ‘Anschluss’ van Vlaanderen bij het Duitse rijk. In de loop van de bezetting zou Van de Wiele voor zijn beweging dan ook steun zoeken bij de Duitse SS. In deze periode zette Van de Wiele zich actief in als ‘ronselaar’ voor de Waffen-SS[25] en was hij ondermeer betrokken bij de stichting van de Vlaamse Volksscholen[26], het Veiligheidskorps[27], de Hitlerjugend-Vlaanderen[28] en de Vrouwenwerken van de DeVlag[29]. Voorts bekleedde Van de Wiele vanaf oktober 1940 de post van secretaris van de Vlaamse cultuurraad, onder voorzitterschap van Cyriel Verschaeve, en was hij vanaf augustus 1940 actief in de leiding van het Nationaal Cultuurverbond.
Toen de geallieerden in september 1944 een snelle opmars maakten, week Van de Wiele uit naar Duitsland waar hij erkend werd als leider van het door hem opgerichte Vlaamsch Bevrijdingscomité, een ‘Vlaamse regering’ van emigranten met Van de Wiele als regeringsleider[30]. In dezelfde periode werd hij, net als Léon Degrelle, aangesteld als Obersturmbannführer van de Germaanse SS. Na de definitieve Duitse nederlaag werd Van de Wiele tewerkgesteld als huisleraar bij een Duitse adellijke familie. Later kwam hij, als Hauptmann Löhr, terecht in een kamp voor Duitse krijgsgevangen officieren. Daar werd hij herkend en gearresteerd. In 1946 werd de doodstraf, waar de Antwerpse krijgsraad hem bij verstek toe veroordeeld had, bekrachtigd, maar niet uitgevoerd daar raadsheer Van Laethem het niet bewezen achtte dat Van de Wiele persoonlijk iemand verklikt zou hebben of uit winstbejag gehandeld zou hebben of de weerbaarheid van het Belgische leger ondermijnd zou hebben. In 1963 kwam een einde aan de opsluiting van Van de Wiele. Hij week uit naar Duitsland, trok vervolgens naar Nederland en kwam tenslotte terug naar Vlaanderen, waar hij op 4 september 1979 te Gent overleed.
2. Rolf Wilkening[31]
Aan Duitse kant waren de deelnemers aan het culturele project DeVlag hoofdzakelijk gegroepeerd aan de universiteit van Keulen. Deze studenten werden in de jaren ’30 ingeschakeld in het genazifieerde studentenleven en ondergebracht in de Aussenstelle West van de Reichsstudentenführung. Deze groep, met zetel te Keulen, stond onder de leiding van Rolf Wilkening[32], mede-oprichter van de DeVlag. Van mei 1940 tot 1943 verkreeg Wilkening de leiding over de cultuurafdeling van de Propaganda Abteilung[33]. Van daaruit bezette hij een ideale positie om de DeVlag na de aanvang van de oorlog opnieuw te lanceren en later naar een dominante positie te loodsen. Zo was het onder andere de verdienste van Wilkening dat de DeVlag in mei 1941 ondergeschikt gemaakt werd aan de SS. Wilkening vormde tevens de schakel tussen de DeVlag en de vele miljoenen financiering vanwege de Propaganda Abteilung, het Reichsministerium für Volksaufklärung und Propaganda (Promi) en de Germanische Leitstelle[34] van de SS. Na 1943 werd Wilkening verbonden aan het SS-Hauptamt te Berlijn. Zijn verdere levensloop en sterfdatum zijn ons onbekend.
3. Kroniek van de DeVlag
Zoals gezegd werd de DeVlag-beweging in 1936 opgericht. De stuwende kracht achter de beweging kwam in deze aanvangsfase hoofdzakelijk vanwege de universiteiten van Leuven en Keulen, met respectievelijk Jef Van de Wiele en Rolf Wilkening in een voortrekkersrol. Het doel van de vereniging bestond erin de culturele band tussen Vlaanderen en Duitsland te bestendigen en uit te bouwen. Het tijdschrift ‘De Vlag’[35], waarvan Van de Wiele zelf de hoofdredactie op zich nam[36], vormde het belangrijkste instrument hiervoor. De activiteiten van de DeVlag bestonden vooral uit uitwisselingen van professoren en studenten, bezoeken, vergaderingen en reizen, gemeenschappelijke cultuurdagen, enz. Ook de artikels in ‘De Vlag’ situeerden zich in deze culturele, academische context[37]. Na de Duitse inval in Polen (1 september 1939) staakte de DeVlag haar werkzaamheden, omwille van de Belgische neutraliteitspolitiek.
In augustus 1940 werd, met de steun van de Propaganda Abteilung, de publikatie van het tijdschrift ‘De Vlag’ hernomen, hoewel Eggert Reeder geweigerd had hiertoe toelating te verlenen. In deze periode toonde Rolf Wilkening, zoals gezegd werkzaam in de Propaganda Abteilung, zich als de grote bezieler van de DeVlag. Dat hij niet de intentie had zich te plooien naar de wensen van de Militärverwaltung, blijkt nog duidelijker uit de volgende grote stap in de ontwikkeling van de DeVlag : in mei 1941 reist Wilkening, alweer zonder medeweten van Reeder, naar Berlijn voor een onderhoud met enkele topfunctionarissen van de SS. Eindresultaat van deze uitstap is de opname van de DeVlag in de SS-structuren : in november 1941 zal Gottlob Berger, SS-Obergruppenführer, het algemeen voorzitterschap van de DeVlag op zich nemen. Dit nieuw onderdak voor de DeVlag betekent in concreto dat de beweging ingeschakeld wordt in de machtsstrijd tussen Militärverwaltung en SS, die in Vlaanderen weerspiegeld wordt in de strijd tussen VNV en DeVlag/Algemene SS Vlaanderen. De DeVlag toonde zich een gewillige partner : het Groot-Germaanse standpunt, de Anschluss[38] van Vlaanderen bij het Derde Rijk en zelfs het racisme en antisemitisme van de SS werden de nieuwe pijlers van de DeVlag-doctrine. In april 1942 startte, onder de auspiciën van Richard Jungclaus[39], de samenwerking tussen de Algemene SS-Vlaanderen en de DeVlag[40]. Deze samenwerking kwam in de praktijk op het politieke vlak echter neer op een dominantie van de DeVlag : de rol van de Algemene SS-Vlaanderen werd beperkt tot het aanwerven van soldaten voor het Duitse leger en de Waffen SS[41].
Deze periode is er begrijpelijkerwijs één van groeiende onrust bij de Militärverwaltung en het VNV. Met de SS als machtige bondgenoot zal de DeVlag haar positie in bezet België namelijk snel weten te versterken[42]. De in maart 1942 gepubliceerde ‘Abgrenzung der Aufgaben der DeVlag und den übrigen flämischen Organisationen’[43] is slechts één van de vele vergeefse pogingen vanwege Reeder om de DeVlag opnieuw strikt tot het culturele domein in te krimpen[44]. De strijd tussen VNV en DeVlag zal er één worden van gestadige aftakeling van het VNV en zal culmineren in een onderhoud, op 29 februari 1944, tussen onder andere Himmler, Van de Wiele en toenmalig VNV-leider Elias, waarin het VNV voorgoed afgescheept zal worden. Het meest bekende initiatief vanwege SS en Devlag om hun invloed in België te verstevigen vormt waarschijnlijk de oprichting van de Hitlerjeugd Vlaanderen. Deze beweging werd opgericht op 14 november 1943 en was vooral bedoeld om de concurrentie aan te gaan met de, op het VNV geënte, Nationaal-Socialistische Jeugd in Vlaanderen (NSJV). De activiteiten in de Hitlerjeugd waren in feite vooral gericht op latere toetreding tot de Waffen-SS.
Na de bevrijding bleek duidelijk dat de DeVlag zich gedurende de bezettingsjaren met succes opgeworpen had tot belangrijkste Vlaamse collaborerende partij. Jef Van de Wiele verkreeg, samen met Léon Degrelle, het monopolie op de Vlaamse pers in Duitsland[45]. Daarenboven zagen we reeds eerder dat de opgerichte Vlaamse Landsleiding enkel DeVlag-leden of DeVlag-sympathisanten herbergde. Wanneer het Duitse rijk definitief ineenstortte, ging de DeVlag mee ten onder : na de oorlog zou de beweging geen voortzetting onder de een of andere vorm kennen[46].
4. Structuur van de DeVlag[47]
De DeVlag opteerde van meet af aan voor een cellenstructuur[48]. Twee afzonderlijk gegroeide initiatieven, één te Brussel en één te Antwerpen, werden kort na de heropstarting in 1940 aangehecht als de eerste twee cellen. Enkele maanden later werd ook te Gent een DeVlag-cel opgericht. Naarmate meer cellen opgenomen werden, ontwikkelde zich een volgende verticale structuur, hier weergegeven in afdalende orde : Landsleider - gewesten - cellen - steunpunten - wijken - blokken[49]. De oprichting van nieuwe cellen[50] werd de verantwoordelijkheid van het Hoofdambt Organisatie. Daarnaast werd een Personeelsambt[51] ingericht die de verantwoordelijkheid zou dragen over alle ambtsdragers en personeelsleden van de DeVlag. Het hoofdambt Financie, onder leiding van G. Van Bergen, zorgde voor de hele financiële kant van de organisatie. Door toedoen van Wilkening - en met hem de Propaganda Abteilung - begon zich in die aanvangsfase tevens een staf te ontwikkelen rond Van de Wiele : nog in 1940 werden R. Wyckmans (bureauwerk), J. Henskens (secretaris) en L. Schalenbourg (financiën) op de loonlijst van de DeVlag geplaatst.
Na de opname van de DeVlag in de SS-structuren werd een algemene herstructurering doorgevoerd. Tussen het niveau van de landsleider Jef Van de Wiele en de basis van zijn beweging ontstond het ‘Convent der Celleiders’. Dit Convent werd enkel samengeroepen op uitnodiging van Van de Wiele. De staf rond de landsleider werd uitgebouwd in zes diensten, met name ‘Veranstaltungen’, ‘Pers en Documentatie’, ‘Aktieve Propaganda’, met Pol Le Roy als Propagandaleider, ‘Boekhouding’, ‘Redactiesecretariaat’ en ‘Technische Dienst’. Verder werd een ‘College der Referenten’[52] ingericht dat inhoudelijke adviezen kon geven aan de landsleider. Zoals reeds eerder vermeld, nam Gottlob Berger in november 1941 het algemeen voorzitterschap over de DeVlag op zich, zodat Van de Wiele de ondergeschikte werd van Berger.
Eens onder de vleugels van de SS kon de DeVlag ongehinderd doorgroeien, wat uiteraard repercussies had op de structuur van de beweging. De eerder vermelde R. Wyckmans werd Algemeen Zaakleider. De Zaakleiding of Geschäftsführung stond oorspronkelijk in voor de financiën van de beweging. In de praktijk evolueerde haar rol echter naar een algemene inspraak op verschillende domeinen van de DeVlag. Landsleider Van de Wiele kreeg, in de persoon van de Leidingsreferent en vanaf 1943 de Leider der Adjudantur, een eigen kabinetschef of chef van het protocol toegewezen. In het najaar van 1943 werd een deel van de taken van de Algemene Leiding rond Van de Wiele gedelegeerd naar de Landsorganisatieleiding onder de leiding van Frans Van der Auwera. Van de Wiele omschreef het takenpakket van de Landsorganisatieleider als volgt : ‘…gevolmachtigde van den Landsleider in alle interne partijaangelegenheden (…) pleegt regelmatig overleg met hem (=den Landsleider, TDW), en is uitsluitend aan hem verantwoordelijk. Hij vertegenwoordigt den Landsleider in alle niet disciplinaire of paramilitaire dienstaangelegenheden der partij. Derhalve heeft zijn handteekening bindende kracht tegenover alle gezagvoerders en ambtsdragers der partij en der aangesloten nevenorganisaties (…). Zonder zijn handteekening is geen enkele (…) beslissing geldig. (…) De Landsorganisatieleider bewerkt een principiële en enge samenwerking tusschen de verschillende ambten en diensten der Landsleiding…’[53]. Voorts bewerkstelligde de DeVlag de oprichting van een Landsinspectie, bestaande uit twee inspecteurs, belast met controle op de gewesten en cellen. Binnen de Landsinspectie werden tevens een aantal interne tribunalen gehuisvest, met als hoogste orgaan het Landspartijgerecht onder voorzitterschap van Meester Severinus Verdoodt. Tenslotte werd in 1943 de Algemene Leiding uitgebreid met de oprichting van de Stafleiding, onder leiding van Robert Verbelen[54], die als taak kreeg de DeVlag organisatorisch mee om te vormen.
5. Ideologie van de DeVlag
We zagen reeds dat de DeVlag evolueerde van een culturele beweging met Duitse sympathieën naar een politieke beweging[55] die openlijk het SS-gedachtengoed, met de Groot-Germaanse gedachte als stokpaardje[56], ging propageren. De basisprincipes van de DeVlag worden ons inziens perfect samengevat door Seberechts[57], wanneer hij zegt : ‘Deze ideologie (…) werd gekenmerkt door het aanvaarden van het leidingsprincipe, het streven naar een nieuwe ordening van wereld en maartschappij, een sterk rassenbewustzijn - dat naar racisme evolueerde -, het verheerlijken van strijd en geweld, elitebewustzijn naast een bewerken en gebruiken van de massa[58], het verheerlijken van de jeugd en tenslotte het vuur van een revolutionaire[59] beweging die zich tevens de verdediger van de traditionele waarden noemde’.
De DeVlag zelf vatte haar principes als volgt samen in de ‘Stellingen der DeVlag’[60] :
1. Het nationaalsocialisme waarborgt het behoud en de verdere ontplooiing van den volkschen eigenaard.
2. Het nationaalsocialisme waarborgt het behoud en de ontplooiing van alle in den loop der geschiedenis harmonisch ontstane en gegroeide kultuurwaarden.
3. Het nationaalsocialisme waarborgt het ontstaan en de verwezenlijking eener ware socialistische gemeenschap.
Daarom eischen wij :
I. ONVOORWAARDELIJKE TROUW AAN HET NATIONAALSOCIALISME
4. Alleen het Rijk waarborgt de volledige verwezenlijking van het nationaalsocialisme, ongewijzigd en onverminderd.
5. Alleen het Rijk, zoals de Führer het opbouwen zal, is in staat aan de volkeren van Germaanschen bloede en daarmede ook aan het Vlaamsche volk, weer de sterkte te verschaffen, welke zij noodig hebben voor de ontplooiing hunner volksche krachten.
6. Alleen onvoorwaardelijke trouw aan het Rijk is ware trouw aan de gezonde krachten van het eigen volk.
Daarom eischen wij :
II. ONVOORWAARDELIJKE TROUW AAN HET RIJK
7. Alleen onvoorwaardelijke trouw aan den Führer laat hem toe het nationaalsocialisme volledig te verwezenlijken.
8. Alleen onvoorwaardelijke trouw laat hem toe het Rijk op te bouwen volgens zijn wil.
9. Alleen onvoorwaardelijke trouw verhindert elke imperialistische of particularistische neiging en poging tot verdeeling en verzwakking van het Rijk, nu en in de toekomst.
Daarom eischen wij :
III. ONVOORWAARDELIJKE TROUW AAN DEN FUEHRER
6. Ledenaantallen van de DeVlag
Omtrent de evolutie van het ledenaantal van de DeVlag doorheen de oorlogsjaren is weinig met zekerheid bekend. De bronnen hieromtrent, hoofdzakelijk afkomstig van de DeVlag zelf, zijn namelijk al te vaak met een korrel zout te nemen. Toch zijn we, op basis van schattingen van het Militair Bestuur en verklaringen van DeVlag-leden, tot aanvaardbare aantallen gekomen[61], weergegeven in onderstaande tabel, voor verschillende stadia van de oorlogsperiode[62] :
|
Periode |
Leden |
|
juli 1940 |
230 |
|
januari 1941 |
1.700 |
|
herfst 1941 |
19.000 |
|
april-juni 1943 |
35.272 |
|
januari 1944 |
52.705 |
De aangroei van de DeVlag in het jaar 1941 - toen de relatie met het VNV nog niet vertroebeld was - kan vooreerst verklaard worden door de toetreding van VNV-leden : Staf De Clercq, leider van het VNV in die periode, spoorde zijn leden immers aan tevens lid van de DeVlag te worden. Gedurende het jaar 1941 zou de DeVlag elke maand gemiddeld 1.300 nieuwe leden aanwerven[63] !
De verdere spectaculaire toevloed van leden is vanuit twee invalshoeken mede te verklaren. Allereerst werden Vlamingen die door de DeVlag geworven werden om in Duitsland arbeid te verrichten automatisch lid van de DeVlag : het lidgeld werd eenvoudigweg van hun loon afgehouden[64]. Ook de in 1942 opgestarte samenwerking met de Algemene SS Vlaanderen heeft ongetwijfeld voor een aangroei van het ledenaantal van de DeVlag gezorgd : in een vergadering op 26 juli 1942 werd gestipuleerd dat de Algemene SS Vlaanderen zich zou engageren in het werven van nieuwe leden voor de DeVlag[65].
Voor wat betreft het werven van nieuwe leden volgde de DeVlag zeer nauwgezet de voorschriften van de NSDAP - uiteraard toegepast op de Vlaamse situatie - : DeVlag-leden dienden raszuiver en van onbesproken gedrag te zijn. Verdere uitsluitingsmaatregelen hadden betrekking op Franstaligen, echtgenoten van een niet-raszuiver persoon, joden, mormonen, vrijmetselaars, leden van een theosofisch genootschap, leden van de Rotary-club en leden van een niet-openbare vereniging. Meestal traden nieuwe leden toe ter gelegenheid van speciaal ingerichte feestelijkheden, tentoonstellingen, werkpauzeconcerten, enz[66]. De jaarlijkse bijdrage ter lidmaatschap van de DeVlag bedroeg 30 frank, eventueel maandelijks af te betalen.
7. Persorganen van de DeVlag
Naarmate de DeVlag aan belang won in bezet Vlaanderen, begreep de DeVlag-leiding de noodzaak van eigen persorganen ter verspreiding van hun nationaal-socialistische ideologie. Eén van de zes diensten die ingericht werden na de opname van de DeVlag in de SS-structuren droeg dan ook de naam ‘Pers en Documentatie’. De dienst viel uiteen in een Dienst Pers-Inlichtingen en een Persdienst : waar de eerstgenoemde dienst zich enkel inliet met enerzijds het opstellen van een persoverzicht aan de hand van verschillende dagbladen en periodieken, en anderzijds het doorgeven van informatie aan de Persdienst en de Dienst Aktieve Propaganda, was het de Persdienst die de verantwoordelijkheid droeg over de DeVlag-pers[67].
We zullen ons hier verder beperken tot een kort overzicht van de bladen die we duidelijk kunnen kenmerken als zijnde van DeVlag-signatuur. Allereerst verzorgde de DeVlag de uitgave van een negental periodieken, enkel en alleen bestemd voor DeVlag-leden : De Vlag, Balming, De Vlaamsche Post, Westland, Laagland[68], Odal, Scholingsbrieven, Tijl en Starkadd[69]. Het vooroorlogse tijdschrift ‘De Vlag’ bleef zich profileren als een cultureel maandblad, hoewel op geregelde tijdstippen nationaal-socialistisch geïnspireerde artikels opgenomen werden. In het algemeen werd wel duidelijk dat de populariteit van het blad gedurende de oorlogsjaren zwaar achteruitging[70]. Dat deed de DeVlag-leiding ertoe besluiten in 1943 het lichter verteerbare weekblad ‘Balming’, onder hoofdredactie van Angenet, te lanceren. Daar het blad gericht was op de DeVlag-leden[71], was de strekking van in het begin radicaal nationaal-socialistisch. Dankzij een goed georganiseerde propaganda en Duitse steun kon de oplage vrij snel de 12.000 exemplaren overschrijden[72]. Vermelden we tenslotte nog dat het regionale weekblad ‘Het Brugsch Handelsblad’[73] en het weekblad van de Algemene SS Vlaanderen ‘De SS Man’[74], hoewel ze geen eigendom van de DeVlag waren, toch binnen de invloedssfeer van de DeVlag opereerden.
De DeVlag vond het tevens opportuun zich te engageren in de dagbladpers. De ‘rijksuitgave’ van ‘Het Vlaamsche Land’[75], bestemd voor Vlaamse arbeiders in Duitsland, stond omzeggens volledig onder DeVlag-invloed[76]. Bij de Vlaamse arbeiders in Duitsland en bij de Oostfronters was deze rijksuitgave, samen met andere DeVlag-publikaties, zowat verplichte lectuur : de verspreiding van het populaire VNV-dagblad ‘Volk en Staat’ werd verboden, terwijl de DeVlag-publicaties opgedrongen werden[77]. Na mislukte pogingen om hun invloed te vestigen op de redacties van ‘De Dag’ en ‘Het Laatste Nieuws’, besloot de DeVlag in 1943 een officieel DeVlag-dagblad op te starten : de naam van de vooroorlogse ‘De Gazet’ werd gestolen en het eerste nummer rolde op 31 augustus 1943 - wel onder de vermelding : eerste jaargang - van de persen van de drukkerij-uitgeverij De Vlijt. De DeVlag-strategie bestond erin eerst een ruim lezerspubliek op te bouwen vooraleer de nationaal-socialistische ideologie duidelijk aan bod te laten komen. De Gazet[78] werd dus een boulevardblad dat zijn start niet miste : in januari 1944 kon men de oplage reeds optrekken tot 100.000 exemplaren, om in mei-juni 1944 een piek te bereiken van 136.083 exemplaren[79]. Na zulk een lezerspubliek opgebouwd te hebben, ging de DeVlag over tot deel twee van hun vooropgezette strategie : een dienstnota van 20 april 1944[80] maakt duidelijk dat ‘De Gazet’ nu rijp geacht werd om het masker van boulevardblad af te werpen en de echte DeVlag-ideologie te propageren.
Na de bevrijding trachtte de DeVlag, in opdracht van Goebbels, twee nieuwe bladen van de grond te krijgen[81]. Te Berlijn verscheen het dagblad ‘Vlaanderen Vrij’ onder hoofdredactie van Wijckmans en Sacré, die tevens instonden voor het nieuwe culturele blad ‘De Geuzen’. Ook de publicatie van de weekbladen ‘Balming’ en ‘De Vlaamsche Post’ werd na de bevrijding in Duitsland verdergezet[82]. Zelfs het maandblad ‘De Vlag’ kon te Hildesheim haar bestaan nog even verlengen[83].
Hoofdstuk III : Inhoudsanalyse van De Gazet
1. Inleiding
We geven hieronder de gegevens die Prof. Dr. De Bens over De Gazet verzameld heeft in haar ‘Inventaris van de Belgische gecensureerde informatiepers tijdens de Tweede Wereldoorlog’ (1968).
Plaats van uitgave : Antwerpen
Hoofdredactie : S. De Jonghe
Eerste nummer : 31 augustus 1943, n° 1, jaargang 1
Laatste nummer : 2 september 1944, n° 208, jaargang 2
Uitgeverij : De Vlijt
Drukkerij : De Vlijt
Formaat : 59 x 43
Strekking : officieus orgaan van de DeVlag
Wat betreft de weergegeven strekking menen we te kunnen opmerken dat De Gazet nochtans wel als officieel DeVlag-orgaan betiteld kan worden : we haalden reeds bij de bespreking van de DeVlag-pers in het tweede hoofdstuk aan dat de DeVlag-leiding De Gazet opstartte als een officieel DeVlag-dagblad, en dat achter deze uitgave een hele strategie schuilging. De auteur noemt hier De Gazet een officieus orgaan daar de beginstrategie enkel en alleen gericht was op het opbouwen van een zo breed mogelijk lezerspubliek, middels de bekende boulevardblad-formule. De lezer werd bijgevolg in het ongewisse gelaten over de achterban van het dagblad : niets in de hoofding van De Gazet laat vermoeden dat de DeVlag achter het blad zit. We haalden echter ook reeds aan dat in de loop van 1944 de DeVlag-leiding de tijd rijp achtte om het masker van boulevardblad af te werpen en het echte gelaat achter De Gazet bloot te geven.
Deze inhoudsanalyse stelt zich de vraag in hoeverre deze vooropgestelde tweede stap in de DeVlag-strategie ook daadwerkelijk gezet is, én in hoeverre er vóór deze stap al sprake zou geweest zijn van een zekere doorsijpeling van DeVlag-ideeën in de kolommen van De Gazet. Als onderzoeksvraag stellen we dus : Zijn er - en zo ja, in welke mate ? - harde standpunten van de DeVlag-ideologie in De Gazet doorgedrongen ? Indien de onderzoeksvraag positief beantwoord zou kunnen worden, dan nemen we als secundaire onderzoeksvragen op : Kunnen we één of meerdere rubrieken aanduiden als dé verspreiders van DeVlag-ideologie, en vinden we sporen terug van de voor De Gazet vooropgestelde strategie ?
Vier weken van De Gazet werden onder de loep genomen. Om een egale spreiding van de gekozen weken te bereiken, werden de eerste week van het eerste kwartaal, de tweede week van het tweede kwartaal, de derde week van het derde kwartaal en de vierde week van het vierde kwartaal weerhouden : dit komt respectievelijk neer op de weken 1 tot en met 7 november 1943, 7 tot en met 13 februari 1944, 15 tot en met 21 mei 1944 en 21 tot en met 27 augustus 1944. De eerstgenoemde twee weken telde De Gazet 4 pagina’s, een aantal dat in de loop van 1944 wegens de papierschaarste teruggeschroefd werd tot 2 bladzijden. Doorheen de twee jaargangen bleef de Gazet wel steeds 6 maal per week verschijnen.
23 nummers van De Gazet werden onderzocht. Daar op 1 november geen krant verscheen, werd de krant van zaterdag 30 en zondag 31 oktober in het onderzoek opgenomen. De krant voor donderdag 18 mei bleek onvindbaar, zodat we voor de vier weken dus tot een totaal van 23 nummers gekomen zijn. Tijdens ons onderzoek bleek al gauw dat in de dagelijkse nummering van De Gazet vaak fouten opdoken. Om latere misverstanden te vermijden, geven we hieronder een opsomming van de gebruikte nummers :
1. Zaterdag 30 oktober, zondag 31 oktober & maandag 1 november 1943 : N° 53, jaargang 1
2. Dinsdag 2 november 1943 : N° 54, jaargang 1
3. Woensdag 3 november 1943 : N° 55, jaargang 1
4. Donderdag 4 november 1943 : N° 56, jaargang 1
5. Vrijdag 5 november 1943 : N° 58 (sic !), jaargang 1
6. Zaterdag 6 november & zondag 7 november 1943 : N° 59 (sic !), jaargang 1
7. Maandag 7 februari 1944 : N° 31, jaargang 2
8. Dinsdag 8 februari 1944 : N° 32, jaargang 2
9. Woensdag 9 februari 1944 : N° 33, jaargang 2
10. Donderdag 10 februari 1944 : N° 34, jaargang 2
11. Vrijdag 11 februari 1944 : N° 35, jaargang 2
12. Zaterdag 12 & zondag 13 februari 1944 : N° 36, jaargang 2
13. Maandag 15 mei 1944 : N° 117, jaargang 2
14. Dinsdag 16 mei 1944 : N° 117 (sic !), jaargang 2
15. Woensdag 17 mei 1944 : N° 118, jaargang 2
16. Vrijdag 19 mei 1944 : N° 119 (sic !), jaargang 2
17. Zaterdag 20 & zondag 21 mei 1944 : N° 119 (sic !), jaargang 2
18. Maandag 21 augustus 1944 : N° 197, jaargang 2
19. Dinsdag 22 augustus 1944 : N° 198, jaargang 2
20. Woensdag 23 augustus 1944 : N° 199, jaargang 2
21. Donderdag 24 augustus 1944 : N° 200, jaargang 2
22. Vrijdag 25 augustus 1944 : N° 201, jaargang 2
23. Zaterdag 26 & zondag 27 augustus 1944 : N° 202, jaargang 2
2. Onderzoekscategorieën
Allereerst dienen we natuurlijk te definiëren wat we verstaan onder ‘harde standpunten van de DeVlag-ideologie’. Laten we hier ook onmiddellijk de opmerking maken dat een welomlijnde definiëring van de standpunten van een nationaal-socialistische en racistische beweging ons inziens steeds generaliserend en samenvattend is. Hieronder maken we slechts een onderverdeling in de voornaamste standpunten van de DeVlag.
2.1. Antisemitisme
In strikte navolging van het Duitse nationaal-socialisme, en sterk onder invloed van het antisemitisme en racisme van de SS, leefde binnen de DeVlag een sterk antisemitisme. Theorievorming omtrent de verschillende rassen had geleid tot een vooropgesteld spectrum van rassen met als hoogte- en dieptepunt respectievelijk de Ariërs en de Joden : ‘Het scherpst denkbare contrast met den Ariër vormt de Jood’[84]. De DeVlag sprak zich in enkele pamfletten en scholingsteksten openlijk uit voor een definitieve oplossing van het jodenprobleem. Zo schreef Van de Wiele zelf in zijn brochure ‘Joden zijn ook menschen’, na een opsomming die de Joden in verband bracht met alles wat slecht of fout was : ‘…Verwijderen moet men de volksparasieten uit het volkslichaam (…) Bloeien of vergaan, - uitroeien en uitdrijven, of de alsmaardoor zwellende kanker. En niet wachten tot morgen !…’[85]. De verklaring voor de titel van Van de Wiele’s brochure vinden we terug in een ander DeVlag-pamflet : ‘De Jood is toch ook een mensch ! Antwoord : Wij zeggen met Dr. Goebbels : De wandluis is toch ook een dier ! Maar wat voor één !’[86]. Ook het Veiligheidskorps van de DeVlag heeft zich waarschijnlijk meer dan eens ‘verdienstelijk gemaakt’ in de jodenvervolging[87].
2.2. Grootgermaanse gedachte
De DeVlag zag voor Vlaanderen enkel toekomst als deel van het Grootgermaanse Rijk dat na de oorlog, en gestoeld op een nationaal-socialisme, gevormd zou worden. Hoewel Van de Wiele weigerachtig stond tegenover het gebruik van de term[88], streefde de DeVlag dus naar ‘Anschluss’ of aanhechting van Vlaanderen bij het Duitse Rijk. ‘… Ons vaderland heet Vlaanderen en, dat werd ons door den Belgischen verfranschenden staat ontstolen. Daarom zoeken wij Vlamingen, een vaderland. Ons vaderland zien wij echter groot en breed. Niet de vijf provincies, maar heel de Germaansche grond is ons groote vaderland. Wij noemen het : het komende Rijk. Niet het Duitsche rijk, maar het Rijk waarin alle Vlamingen en Nederlanders, samen met de Duitsche arbeidskameraden, als gelijkberechtigde Germanen zullen wonen, moet eens ons vaderland worden…’[89].
Aansluitend bij dit streven naar een nieuwe orde, zal kritiek op het oude Belgische regime bijgevolg tevens een kenmerk van de DeVlag-ideologie zijn. Onder dit puntje rangschikken we tevens de verheerlijking van de Führer, onder wiens leiding het Grootgermaanse Rijk tot stand dient te komen : ‘…Het zal het Rijk zijn (…) onder de leiding van den éénen grooten Leider, Adolf Hitler…’[90].
2.3. Verheerlijking van de Vlaamse volksaard
In het kader van een waarlijk NATIONAAL-socialisme wierp de DeVlag zich op als verdediger van Vlaanderen en de Vlaamse volksaard en cultuur. Kritiek op België, als creatie van het Frans imperialisme, en de toenemende verfransing ressorteren uiteraard ook onder dit DeVlag-standpunt. Ook verheerlijking van de Vlaamse jeugd rangschikken we onder deze noemer. Verheerlijking van de Vlaamse volksaard houdt tevens verdediging van traditionele waarden, met name omtrent gezin, jeugd, vrouw, …[91] in.
2.4. Verheerlijking van de arbeider
De DeVlag was een arbeidsgemeenschap en toonde zich als dusdanig - in het kader van een nationaal-SOCIALISME - als een beweging die opkwam voor de rechten van de kleine man. De consequentie van deze opvatting is een negatieve houding tegenover het kapitaal. De oorlog werd door de DeVlag voorgesteld als een wereldrevolutie van arbeiders tegen het kapitaal : ‘…Deze wereldoorlog is in feite een wereldrevolutie. Het is de revolutie van den arbeider ! Arbeid tegen kapitaal, daarom gaat het ! (…) de anderen moeten door uwen arbeid vallen, de anderen, d.w.z. de kapitalisten, de vroegere uitbuiters van den werkman. Die zitten echter niet in Duitschland, maar in Londen en overal daar waar men met het Engelsch-Joodsch grootkapitaal samenspant…’[92].
2.5. Pro nationaal-socialisme. Contra bolsjevisme.
‘…Deze oorlog is een strijd tusschen twee wereldbeschouwingen : de kommunistische en de nationaalsocialistische…’[93]. Zo het Vlaamse volk niet onder een verstikkend sovjet-regime terecht wilde komen, kon maar beter alle nodige steun verleend worden aan het Duitse nationaal-socialisme : ‘…als het bolsjevisme moest triomferen, dan triomfeert de Jood, (…) het kapitaal : uw doodsvijand (…) dan is het uit met Vlaamsche kultuur en Vlaamsche zelfstandigheid, dan worden, katholieke arbeider, uw kerken gesloten en uw scholen afgeschaft…’[94]. Enkel het nationaal-socialisme werd in staat geacht de communistische dreiging af te wenden : ‘…Arbeider, zoudt ge nog eens uw lot in de handen willen leggen van de hansworsten van voor 10 mei ? (…) Of meent ge dan werkelijk, dat de Engelschen, die u op 10 mei niet verdedigen konden of wilden, de bolsjewistische legers aan de grens te Herbestal of elders zullen tegenhouden, nadat het sterke Duitsche leger heeft moeten begeven ? Zalig zijn de zotten en onnoozelen die het gelooven…’[95].
Alle uitingen van sympathie ten aanzien van Duitsland (en dus kritiek op alle vijanden van Duitsland) en kritiek ten aanzien van de Sovjetunie, en mogelijke oproepen voor steun aan het Duitse nationaal-socialisme en het Duitse leger, zijn onder deze noemer te rangschikken.
2.6. ‘Reclame’ voor de eigen beweging
Het meest voor de hand liggende standpunt waarin De Gazet het ware gelaat van zijn bezielers kan tonen, bestaat uiteraard uit expliciete reclameteksten voor de DeVlag. We denken hierbij aan wervingsadvertenties, verslagen van DeVlag-aktiviteiten, eventuele artikels van Jef Van de Wiele of andere DeVlag-notabelen, en dergelijke meer. Het valt ons inziens echter ten zeerste te betwijfelen dat de DeVlag, vooral in de beginperiode van De Gazet, zou overgegaan zijn tot expliciete DeVlag-reclame.
3. Analyse-, context- en meeteenheden
Als contexteenheden hebben we alle rubrieken van De Gazet geselecteerd, behoudens drie uitzonderingen : buitenlands nieuws, militair nieuws en sportnieuws werden voor deze inhoudsanalyse niet onderzocht. Het opnemen van sportnieuws was ons inziens te weinig relevant met het oog op onze onderzoeksvraag. De uitsluiting van buitenlands en militair nieuws is te verhalen op de preventieve censuur, uitgevoerd door Duitse diensten. Elke buitenlandse berichtgeving werd namelijk in gecensureerde vorm door het Deutsches Nachrichtenbüro naar Belgapress doorgezonden[96], zodat de rubrieken ‘buitenland’ van de Vlaamse dagbladen bijgevolg een zeer grote uniformiteit vertoond zullen hebben. Militaire berichten werden steeds onderworpen aan een voorafgaande controle door een Zensuroffizier der Wehrmachtpropaganda[97]. Mochten er dus in de buitenlandse of militaire berichtgeving van De Gazet harde DeVlag-standpunten doorgedrongen zijn, dan zijn deze op rekening te plaatsen van het Deutsches Nachrichtenbüro en de Duitse censuur, en níet op rekening van de DeVlag (hoewel de DeVlag zich waarschijnlijk kon verzoenen met de inhoud). Zulke berichten, waarvan de lezer ongetwijfeld weet dat ze doorheen heel de Vlaamse dagbladpers gelijklopend zijn, zullen door de lezer niet aanzien zijn als DeVlag-ideologie, maar louter als gecensureerde of verplichte publicaties.
Alle artikels binnen de geselecteerde rubrieken van de geselecteerde kranten vormen dan de analyse-eenheden. We hebben tenslotte verkozen de resultaten procentueel weer te geven. Allereerst zullen we aangeven hoeveel procent van de bekeken artikels één of meer van de gedefinieerde onderzoekscategorieën bevatten. Vervolgens maken we een opsplitsing van de resultaten, eerst per onderzoekscategorie en later per contexteenheid.
4. Onderzoeksresultaten
In totaal werden 405 artikels uit De Gazet onderzocht op de aanwezigheid van één of meer van de vijf vooropgestelde harde DeVlag-standpunten. In deze totaalsom werden zoals gezegd alle artikels met buitenlands of militair nieuws en sportnieuws niet opgenomen. Ook de vele advertenties, huwelijksaankondigingen, overlijdensberichten, reclames, en dergelijke meer, maken geen deel uit van dit totaal. In 67 van deze artikels werd een positieve correlatie met één of meer van de onderzoekscategorieën bekomen. We kunnen dus besluiten dat in ongeveer 16,5 % van de onderzochte artikels de DeVlag-leiding zijn overtuigingen in De Gazet trachtte door te drukken.
Wegens het optreden van artikels die meerdere van de onderzoekscategorieën bevatten, zorgen deze 67 artikels voor een aantal van 74 harde standpunten. We zullen hieronder per onderzoekscategorie het procentuele aandeel in dit totaal van 74 standpunten weergeven.
4.1. Resultaten per onderzoekscategorie
4.1.1. Antisemitisme (zes standpunten; 8,5 %)
Zes artikels (ongeveer 9 % van de 67 teruggevonden artikels) spraken zich expliciet uit tegen de Joden. De Joden worden vooral verweten de aanstokers van de oorlog te zijn, een oorlog die ze zouden aangrijpen om de Europese cultuur ten gronde te richten en hun Joodse wereldheerschappij te vestigen. Waar in nummer 58 van De Gazet nog vrij neutraal gesteld wordt “ …hetAngelsaksisch-Joodsche kapitalisme dat den oorlog verklaarde…”, (N° 58, p.1, kol. 6-7 & p.2, kol. 1) ontaardt de toon van twee volgende artikels in een openlijke beschuldiging en een ware scheldtirade versus de Joden : “Twee gieren grijpen met gretige klauwen naar een erfenis van vier eeuwen : de USA en Sowjet-Rusland (…) Achter twee maskers, één gezicht : de jood : doorheen het watermerk van den dollar en den roebel grijnst de vunzige, vieze havikssmoel van den Shylock. Deze oorlog vecht Europa tegen hem. (…) Of hij hunkert naar geld of hunkert naar bloed, het is overal dezelfde demonische grijns, die uit staalkoude oogen blikt en Europa naar het leven staat. Het is de demonie van Juda….” (N° 197, Jg.2, p.1, kol 7-8 + p.2, kol.1) en “We kunnen niet genoeg hameren op het jodendom, dat een bedreiging inhoudt voor onze beschaving, onze kultuur, ons christendom (…) De joden der VSA lanceren nu de openbare meening en overstelpen de wereld met leugens om aan den oorlog, die hun oorlog is, zoveel mogelijk te verdienen en langs dien weg de wereldheerschappij der joden te vestigen. Dat is hun doel !” (…) De 1e en 2e wereldoorlog zijn hun werk, dat hebben de akten, die gevonden werden in de grootsteden der door het Duitsche leger veroverde gebieden, bewezen (…) Dezen oorlog, dien ‘t zelf heeft uitgelokt, vecht het jodendom, en het weet zulks om heel zijn bestaan. Het heeft nogmaals al zijn krachten samengebracht om zijn wereldheerschappij te verwezenlijken” (N° 59, p. 2, kol. 3-5, onder de hoofding ‘De moderne bloedzuigers’). De Gazet legt er kortom de nadruk op dat het antwoord op de schuldvraag voor deze wereldoorlog een uitgemaakte zaak is :“…men is het er nu wel ongeveer in alle logisch denkende kringen over eens dat de joden de aanstichters zijn geweest tot dezen oorlog…” (N° 35, Jg.2, p.2, kol. 3-4).
Artikels die deze beschuldiging niet propageren, hebben het dan weer over de verschillende slechte eigenschappen van de Jood. Nadruk wordt gelegd op hun oneerlijke financiële praktijken, hun wil tot destabilisering van de Europese staten, hun lafheid, hun totale onbekwaamheid in de militaire dienst en hun liederlijke levensstijl : “het zaakjes-doen der joden, hun zwarthandel en bedriegerijen (…) duistere zaakjes te drijven en in het openbaar het hoogste woord te voeren (…) het ontbindingsproces, het geliefde strijdmiddel der joden, is in Engeland in vollen gang (…) Bij alle politieke schokken waren het joden en vrijmetselaars die de leiding hadden” (N° 59, p. 2, kol. 3-5); onder de hoofding ‘Waarom komt er geen joodsch leger tot stand ? Totale ongeschiktheid der joden weerhoudt Londen zelfs tot de vorming van muilezelkompanies…’ : “…zelfs hun vrienden zijn weinig opgetogen over hun physieke en geestelijke talenten…” (N° 35, Jg.2, p.1, kol. 6-7 + p. 2, kol. 1); onder de hoofding ‘Waar zijn de strijdende Joden’ : “…dat de Duitschers deze joden nog nergens op een slagveld hebben ontmoet (…) Er is in Noord-Afrika een Joodsch generaal gevallen. Niet op het slagveld. Wel 80 km achter het front door per ongeluk op een mijn te trappen. Hij was belast met de dienst van de kantine. Zaken doen voor alles, zegt de jood, zelfs, neen vooral in oorlogstijd…” (N° 35, Jg. 2, p. 2, kol 3-4). In een artikel dat bericht dat vele Joden zich onder de hoede van Badoglio aan de Italiaanse Riviera gevestigd hebben, valt de sneer “men kan zich gemakkelijk voorstellen wat voor een orgieën er gevierd werden”. De Joden in kwestie werden volgens het artikel verjaagd door Duitse troepen, waarna ze zich, nog steeds onder de hoede van Badoglio, te Bari vestigden. Het artikel besluit : “…hij moge er veel plezier aan beleven” (N° 54, p.2, kol. 5).
4.1.2. Grootgermaanse gedachte (zeven standpunten; 9,5 %)
Slechts twee artikels spreken, en dan nog in zeer bedekte termen, over de opbouw van een Grootgermaans Rijk : “…Duitschland kampt voor den opbouw van een gansch nieuw Europa (…) waarin het zuivere socialisme (…) het cement zal zijn dat alle volken aaneengebonden houdt (…) Het gaat tevens om den opbouw van een geënigd en stevig Europa, waarin elke volkengemeenschap zich verder zal kunnen ontplooien …” (N° 58, p.1, kol. 6-7 & p.2, kol.1) en “…zullen de ogen van de menschen nu eindelijk open gaan en zullen ze zich er rekenschap van geven dat de zin [van de oorlog] iets mooiers, iets grootscher was, …en nog is, als ons volk, het europeesche volk, maar tijdig weet te reageren” (N° 54, p.1, kol.6-7 & p.2, kol.1). Verder kunnen we enkel nog een advertentie voor het boek “Vlaanderen’s Germaansch Volksgezicht” (N° 31, p.3, kol.1) en de weergave van een toespraak van Cyriel Verschaeve, bekend DeVlag-sympathisant, ter gelegenheid van zijn ontvangen eredoctoraat aan de Keulse Universiteit, onder deze hoofding rangschikken : “…tot mijn volk in Germanje’s moederschoot gaat mijn eer in Germanje terug. Ik hoop de eer trouw te dragen. Ik verheug mij moeder Germanje zoo nabij te voelen (…) het maakt mij gelukkig dat ik een Germaan ben …” (N° 118, p. 2, kol. 8).
Onder deze onderzoekscategorie hadden we tevens ruimte opengelaten voor het eventuele optreden van vormen van kritiek op het oude regime. Drie artikels zijn van zulke teneur. N° 34, p.2, kol. 3-5 verwerkt zulke kritiek in een verslag van de ‘plaag van het bandietenwezen’ : “…in naam van deze grondwet zijn wij dus verstoken van een doelmatige anti-bandietenwetgeving. In naam van de grondwet kan een land dus rustig te gronde gaan aan het banditisme (…) Daarbij komt dat de Belgische magistratuur niet altijd ‘meewil’ (…) Er zijn waarachtig ogenblikken waarin een nuchter en logisch denkend mensch zich afvraagt of ons heele land één reusachtig gekkenhuis geworden is…”. Tenslotte laakt De Gazet in twee artikels de zwakke houding van respectievelijk kardinaal Van Roey en premier Pierlot ten opzichte van de geallieerde luchtaanvallen op stellinge