|
Het Davidsfonds tijdens het interbellum. (Wouter De Pooter) |
|
|
Van het ontstaan tot de Eerste Wereldoorlog
Hoewel 15 januari 1875 de officiële stichtingsdatum van het Davidsfonds was, kan men stellen dat de idee om een Vlaamse en vooral katholieke vereniging te stichten al veel vroeger ontstond. De wortels van het Davidsfonds lagen bij het Willemsfonds. Het Willemsfonds werd gesticht op 23 februari 1851 te Gent, en de organisatie werd genoemd naar de “vader van de Vlaamse Beweging” Jan Frans Willems. Aanvankelijk profileerde het Willemsfonds zich als een Vlaamse vereniging, waar zowel Katholieken als vrijzinnigen welkom waren en waar de politieke neutraliteit zegevierde. Daar kwam echter verandering in vanaf 1862, toen het zich meer en meer vrijzinnig begon op te stellen. Tussen 1862 en 1880 evolueerde het Willemsfonds van een vrijzinnige naar een antiklerikale organisatie. De katholieken voelden zich niet langer welkom binnen het liberale Willemsfonds. Zij waren dan ook genoodzaakt om hun heil elders te zoeken[2].
De katholieke Vlamingen bleven niet bij de pakken zitten en vanaf 1874 zetten zij het tegenoffensief in. Één van de belangrijkste initiatiefnemers was de Leuvense studentenvereniging “Met Tijd en Vlijt”. Samen met pastoor Lodewijk L. Schuermans begonnen zij in de voorzomer van 1874 in de pastorij van Wilsele aan de concrete uitwerking van een nieuwe organisatie. Op 15 januari 1875 zag het Davidsfonds het levenslicht[3].
Op de stichtingsvergadering van het Davidsfonds werd niet alleen een naam gekozen, er werd ook hard gewerkt aan de programma-uitwerking en het doel dat de vereniging voor ogen had. Het doel was driedelig; ten eerste wilde men de studie en het gebruik van de Vlaamse taal aanmoedigen, ten tweede wilde men alles wat kon strekken tot de verstandelijke en zedelijke ontwikkeling van de Vlaamse volksstam behartigen, en tot slot wilde men de nationale geest versterken en opbeuren[4]. De hoogleraar P.P.M. Alberdingk Thym werd de allereerste voorzitter van het Davidsfonds en als secretaris kreeg hij J. Brouwers Z. aan zijn zijde[5]. Tijdens deze eerste hoofdbestuursvergadering vestigde men de hoofdzetel van het Davidsfonds in Leuven en koos men voor de leuze: “Godsdienst, taal en vaderland”, waarbij ‘vaderland’ stond voor België en niet voor Vlaanderen[6].
Het Davidsfonds kende een zeer succesvolle start. Het eerste jaar waren er 2.500 inschrijvingen verspreid over 27 afdelingen. Na drie jaar mocht het reeds zijn 5.000ste lid verwelkomen[7]. De aanvang van de nieuwe vereniging mocht dan wel succesvol geweest zijn, maar het eerste crisismoment liet niet lang op zich wachten. In 1878 werd de vereniging voor het eerst met een crisis geconfronteerd. Het was er een van financiële aard. Ondanks het feit dat het Davidsfonds financieel gezond zou moeten geweest zijn, dankzij de bijdragen van het steeds groeiende ledenkorps, bleek er toch een tekort te zijn. Dit was te wijten aan wanbeheer binnen de organisatie. Ondanks het feit dat er bij de stichting een commissie voor de financiën was aangesteld, voelde zich niemand echt verantwoordelijk voor de geldelijke toestand van de vereniging. Tot overmaat van ramp werd voorzitter Alberdingk Thym ervan verdacht zich persoonlijk te hebben verrijkt met de gelden van het Davidsfonds. Dit alles maakte dat het hoofdbestuur op 4 april 1878 werd gedwongen ontslag te nemen[8].
Na een kort intermezzo van het voorlopig bestuur o.l.v. pastoor Schuermans en Frans De Potter, werd op 23 juli 1878 professor Pieter Willems tot nieuwe voorzitter verkozen. Zijn voornaamste taak bestond er aanvankelijk in om een grondige reorganisatie binnen het Davidsfonds door te voeren, zeker wat het financiële aspect betrof. In deze moeilijke taak zou hij worden bijgestaan door de kersverse secretaris, Frans De Potter. Samen slaagden ze erin om op korte tijd de financiële balans in evenwicht te brengen en het ledenaantal op te voeren tot 7.000 in 1888. Ook in het hoofdbestuur stelde Willems orde op zaken en onder zijn impuls kreeg het zijn definitieve vorm, met een voorzitter, twee ondervoorzitters, een secretaris en afgevaardigden uit de vijf Vlaamse provincies, in evenredigheid tot het ledenaantal. Toen Willems in 1898 plotseling overleed liet hij 63 afdelingen, met 6.098 leden na[9].
Hij werd opgevolgd door hoogleraar en volksvertegenwoordiger Joris Helleputte. Wegens een te drukke agenda was hij slechts in theorie voorzitter, en werd het voorzittersschap in de praktijk waargenomen door Désiré Claes, hetgeen na zijn overlijden in 1910 werd overgenomen door Emiel Vliebergh die zelf in 1911 volwaardig voorzitter werd[10].
Vliebergh zou in tegenstelling tot zijn voorganger zijn invloed binnen de vereniging wel laten gelden. Samen met zijn secretaris, Karel Heynderickx, die in 1908 Hendrik Evers was opgevolgd, zouden ze samen het Davidsfonds uit het slop trekken, mede dankzij het verdienstelijke werk van de Antwerpse propagandist Eligius J. Ossenblok[11]. Op de vooravond van de Eerste Wereldoorlog had het Davidsfonds met haar meer dan 12.000 leden over 112 afdelingen in Vlaanderen een ware machtspositie verworven[12].
Tijdens de Eerste Wereldoorlog
De Eerste Wereldoorlog betekende voor het Davidsfonds bijna het einde. Bij het uitbreken van de Grote Oorlog in augustus 1914 viel de werking van het hoofdbestuur en de meeste plaatselijke afdelingen zo goed als volledig stil. De enige activiteit die nog te bespeuren viel, was het bibliotheekwezen. De leeshonger bij de bevolking was zo groot, dat men er alles aan deed om de bibliotheek open te houden. Uitzonderlijk was er nog een afdeling die een voordracht plande. Deze voordrachten stonden meestal in het teken van gezondheidszorg of voedingsmiddelen. Al zeer snel lanceerde voorzitter Vliebergh de idee om aan de hand van ooggetuigenverslagen een zogenaamd “Oorlogsboek”[13] samen te stellen, dat na de oorlog zou verschijnen[14].
Ondanks het feit dat de meeste Davidsfondsers zich afzijdig hielden van de Duitse bezetter, waren er toch een aantal leden die niet aan de verleiding van de collaboratie hadden kunnen weerstaan. Zij raakten verstrikt in het net van de Flamenpolitik en kwamen in het activisme terecht. Onder hen twee vooraanstaande bestuursleden; zijnde Karel Heynderickx en Lodewijk Dosfel, die wegens omstandigheden in de Duitse val liepen[15].
Het interbellum
Het interbellum zouden we kunnen beschouwen als een overgangsperiode tussen de twee wereldoorlogen die de twintigste eeuw kende. Maar op die manier zouden we deze boeiende periode oneer aandoen. Alleen al over de geschiedenis van Vlaanderen gedurende deze 22 jaar zou een bibliotheek gevuld kunnen worden. Wij zullen ons echter beperken tot een klein onderdeel van deze uitgebreide geschiedenis, namelijk tot de geschiedenis van het Davidsfonds. We zullen trachten na te gaan hoe een organisatie als het DF tijdens het interbellum evolueerde. Het zal vooral een zoektocht zijn naar zaken die voor de Leuvense vereniging belangrijk waren en waar de nadruk op werd gelegd. Verder moet in dit verband zeker gezocht worden naar de boodschap die ze uitzond naar de buitenwereld. We zullen proberen een beeld te schetsen van hoe de vereniging wou dat ze werd gezien. Tot slot willen we ook uitzoeken hoe het Davidsfonds zich opstelde binnen de Vlaamse Beweging. Het zal vooral een belichting worden van het Vlaamse aspect van de katholieke vereniging, waarbij moet duidelijk worden in hoeverre ze zich ten dienste stelde van de zogenaamde Vlaamse zaak.
Alvorens aan het eigenlijke onderzoek te beginnen, zochten we een aantal breuklijnen om zo een onderverdeling te krijgen in de geschiedenis van het Davidsfonds tijdens het interbellum. Aan de hand van gebeurtenissen, die op de een of andere manier het DF beïnvloed hadden, konden we een indeling maken in periodes. Gemakkelijkheidshalve werden de verschillende periodes gebruikt als een soort van raster voor de verschillende hoofdstukken.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog had het Davidsfonds het moeilijk gehad om het hoofd boven water te houden. Nu is de vraag in hoeverre de oorlog invloed heeft gehad op de Vlaamse en katholieke vereniging. Om de precieze situatie na de Grote Oorlog te kennen, lijkt het ons nuttig om eerst een stand van zaken op te maken. Vervolgens moeten we onderzoeken wie en wat tot het moeilijke herstel bijdroegen. Belangrijk hierbij zijn de hoofdrolspelers, die het initiatief tot het herstel namen en die het uiteindelijk zouden uitvoeren. Aangezien het vooral het ledenaantal en het aantal afdelingen waren, die geleden hadden onder het stilvallen van de activiteit van het DF tijdens WO I, moeten we vooral gaan kijken naar hun situatie. In welke mate wisten het ledenaantal en het afdelingenaantal terug het vooroorlogse niveau te bereiken en wat waren de bepalende factoren. Verder moeten we ook onderzoeken wat er gebeurde als de vooroorlogse situatie terug bereikt werd en hoe de Leuvense vereniging omging met deze situatie.
Het jaar 1925 was een bijzonder jaar voor het Davidsfonds, voornamelijk door het wegvallen van Vliebergh en het aantreden van een nieuwe voorzitter en een nieuwe secretaris. Een van de vragen die we hier moeten trachten te beantwoorden is; of de bestuurswissel enige invloed had op de werking van de cultuurvereniging en in hoeverre de wissel bijdroeg tot de bloei die het DF op het einde van de jaren ’20 kende. Bovendien moet het fenomeen verder onderzocht worden om een duidelijk beeld te krijgen van wat de organisatie er juist onder verstond en in welke mate deze bloei zou bijdragen tot de professionalisering en modernisering. We willen ook nagaan wat de professionalisering en modernisering inhield en hoe ze tot uiting kwamen bij de leden van het Davidsfonds en de rest van Vlaanderen. In de tweede helft van de twintiger jaren leek de Vlaamse Beweging bekomen en hersteld van de zware klap die ze na de Eerste Wereldoorlog had gekregen. De VB begon zich opnieuw te mengen in de Vlaamse strijd. Het DF was van oudsher een onderdeel geweest van de beweging en had dezelfde klappen gekregen. Daarom is de vraag welke rol de vereniging opeiste binnen de beweging en in welke richting het nieuwe bestuur ze leidde.
In het begin van de jaren ’30 werd de hele samenleving geconfronteerd met een crisis. Nu is de vraag of een vereniging als het Davidsfonds ook met dit maatschappelijk fenomeen werd geconfronteerd en hoe de vereniging ermee omging. Ongetwijfeld werden ook Davidsfondsleden getroffen door de economische crisis. Hoe gingen zij om met de situatie; bleven zij lid van het DF of haakten zij af omdat andere zaken primeerden op het lidmaatschap van een cultuurvereniging. Zij die niet afhaakten, moeten ook redenen gehad hebben om te blijven. Hier zullen we bekijken in hoeverre het Davidsfonds er voor zorgde dat zij aangesloten bleven.
In de tweede helft van de jaren ’30 leek het ergste van de crisis voorbij. Het wordt in deze periode vooral kijken naar hoe het Davidsfonds de crisis tijdens de eerste 5-6 jaar van het decennium verteerd had. In hoeverre was er een evolutie op het domein van de leden en de afdelingen en waren er grote veranderingen waar te nemen. Verder moeten we ook de evolutie van de vernieuwingen grondig bekijken, of er hier al dan niet veranderingen te bespeuren vielen. Tot slot lijkt het ons aangewezen om even stil te staan bij het overlijden van voorzitter Arthur Boon en de komst van zijn vervanger Arthur Janssen. Het aantreden van Janssen had misschien gevolgen voor de werking van het DF en het is dan ook onontbeerlijk om na te gaan hoe met deze nieuwe situatie werd omgegaan.
Het laatste hoofdstuk overspant heel de jaren dertig. Lode Wils bekijkt in het tweede en derde deel van zijn trilogie over de geschiedenis van het Davidsfonds en de Vlaamse Beweging, eerder de politieke positie van de vereniging tijdens de dertiger jaren. Wij zouden het niet zozeer op het politieke vlak willen gaan zoeken, maar meer in de richting van de zoektocht van zaken die het DF belangrijk vond binnen de VB. De zoektocht zou dan uiteindelijk kunnen uitmonden in een profilering binnen de beweging, maar vooral naar de buitenwereld toe en meer bepaald naar de eigen leden. Bij het begin van de jaren ’30 brak de taalstrijd in alle hevigheid los. We gaan trachten te zoeken naar elementen die er op zouden kunnen wijzen dat het Davidsfonds misschien een rol trachtte te spelen in de strijd op en rond de taalgrens en in Brussel. In verband met de taalstrijd lijkt het ons ook nuttig om dieper in te gaan op de relatie met andere organisaties en hoe de relatie met iemand als Flor Grammens was tijdens deze periode. Tot slot willen we ook nog even ons licht laten schijnen op de toepassing van de taalwetten, die sterk verbonden was met de taalstrijd.
Hoofdstuk I: Moeilijk herstel en stagnatie na WO I (1918-1925)
De oorsprong van de moeilijke periode die het Davidsfonds kende na de Eerste Wereldoorlog, ligt tijdens de oorlog zelf. Tussen 1914 en 1918 viel de werking van het Davidsfonds op alle niveaus volledig stil. Zoals we reeds hebben aangegeven[16], was het enige initiatief dat genomen werd, het zogenaamde Oorlogsboek. Voorzitter Vliebergh had bij het uitbreken van de oorlog de idee gelanceerd om een “Oorlogsboek” samen te stellen aan de hand van ooggetuigenverslagen. Om zijn project te verwezenlijken stuurde hij gezanten uit, die contact zochten met de plaatselijke afdelingen en deze probeerden warm te maken voor het initiatief. Uiteindelijk zou het boek verschijnen en het vormde een interessante historische bron. Omdat er een enorme leeshonger heerste, slaagde men er ook in een aantal bibliotheekjes open te houden. Maar verder zat de organisatie volledig in het slop[17].
De eerste naoorlogse vergadering van het hoofdbestuur vond plaats op 10 juli 1919. Op deze vergadering waren aanwezig: Vliebergh, Siffer, pastoor Van Roey, Ceelen, Leën, Ossenblok, Noterdaeme, Dr. Rubbens en Van Menten. Ook penningmeester Veltkamp woonde de zitting bij. Een aantal bestuursleden lieten zich verontschuldigen: de priesters Joos en Coenen, Van Puyvelde, Sevens, Dewinde en Sobry. Hun afwezigheid was vooral te wijten aan de moeilijke transportmogelijkheden in het algemeen en het slechte treinverkeer in het bijzonder. De slechte verbindingen van de buurtspoorwegen zouden het Davidsfonds nog enige tijd parten spelen bij het heropstarten van de werking. Sommige bestuursleden geraakten onmogelijk op de vergaderingen en de organisatie van een congres met alle afdelingen was zinloos, omdat de meeste toch niet aanwezig konden zijn. Ondanks de moeilijkheden was men er toch in geslaagd om een eerste bestuursvergadering te organiseren in Leuven. De aanwezigen hadden niet echt te kampen gehad met de verkeersmoeilijkheden, maar hen wachtte wel de loodzware taak van het herstel van hun Davidsfonds.
De vergadering begon met de verwelkoming door voorzitter Vliebergh en de huldiging van de overledenen; E.H. Vlerick, H.H. Theelen en Dr. Laporta. Verder drukte het hoofdbestuur bij aanvang van de vergadering zijn spijt uit dat twee bestuursleden zich hadden laten verleiden tot het Activisme. Zij werden dan ook uit het bestuur gesloten. Karel Heynderickx en Lodewijk Dosfel, twee vooraanstaande bestuursleden, waren door chantage verstrikt geraakt in de Duitse netten. Onder druk aanvaardden ze een leerstoel aan de vernederlandste universiteit van Gent. Dosfel had maandenlang geaarzeld, alvorens de aangeboden leerstoel aan te nemen. Uiteindelijk zegde hij toch toe, en dit vermoedelijk om twee redenen. Voor de oorlog was Lodewijk Dosfel juridisch adviseur bij de spoorwegen geweest. Maar bij het uitbreken van de oorlog was hij werkloos geworden. Omdat zijn boeken en papieren vernield waren en omdat het moeilijk was te reizen of te corresponderen, miste hij een zinvolle bezigheid. Hij kon alleen helpen in de winkel van zijn echtgenote, die ze had moeten opzetten om uit de armoede te blijven. Een leerstoel aan de Gentse universiteit en de daaraan gekoppelde hoge wedde, leek de enige reddingsplank. Een andere reden die Dosfel waarschijnlijk overtuigde, was het lot van zijn zwager. Die zou opnieuw opgesloten worden en niet worden vrijgelaten, als Dosfel niet toehapte. Een zware vorm van chantage dus[18]. Ook secretaris Karel Heynderickx werd geleidelijk meegetrokken in het Duits-activistisch raderwerk. In 1916 werd hij hoogleraar in Gent, om vervolgens steeds dieper in het activistische drijfzand weg te zakken. Samen met Dosfel werd de Davidsfondssecretaris, begin 1917, uitgenodigd om deel te nemen aan de vergaderingen tot oprichting van een Raad van Vlaanderen, en dit met het oog op mogelijke vredesonderhandelingen. Geen van beide ging in op de uitnodiging, maar nog in de maand december van datzelfde jaar sloot Heynderickx zich toch aan bij de Raad. Nog in 1917 kreeg hij een bestuurszetel in de pas opgerichte Dietsche Bond. Zijn volgende stap in de collaboratie was zijn verkiezing tot Gevolmachtigde voor Binnenlandse Zaken (Commissie van Gevolmachtigden) in januari 1918. Kort voor het einde van de oorlog, toen hij zag dat zijn situatie uitzichtloos was geworden, vluchtte hij naar het neutrale Nederland[19].
De eerste twee vergaderingen na de Eerste Wereldoorlog, op 10 juli en 9 oktober 1919, waren cruciaal om de hele werking terug draaiende te krijgen. Het voornaamste doel bestond erin om het vooroorlogse peil terug te bereiken. De geldelijke toestand van het Davidsfonds was in dat verband een vitale factor. Het was voor penningmeester Veltkamp[20] niet evident om op de eerste vergadering een overzicht van de geldelijke toestand van de vereniging te geven. De Duitse bezetter had namelijk heel wat papieren doen verdwijnen en ze hadden bladen uit het kopieboek gescheurd. Het DF had alles bij elkaar een budget van 12.000 fr. waarmee ze de vereniging nieuw leven moesten inblazen. Het hiaat dat ontstaan was door het gedwongen ontslag van secretaris Heynderickx en het vrijwillig opstappen van penningmeester Veltkamp, werd na enig aandringen opgevuld door de propagandist Eligius J. Ossenblok. Ossenblok was maar een voorlopige oplossing om de continuïteit te garanderen. Wegens zijn gevorderde leeftijd en zijn andere drukke bezigheden, zou hij de functie, op eigen verzoek, slechts waarnemen tot de volgende vergadering op 9 oktober waar een nieuwe schrijver en schatbewaarder zouden benoemd worden. Gedurende de eerste vergadering werd er door Leo Van Puyvelde een voorstel geformuleerd omtrent de bibliotheken en de boekenuitgaven van het Davidsfonds. In zijn voorstel was er een duidelijke verwijzing naar de eerste taak van de vereniging. Bij de stichting en de verdere geschiedenis van het DF was het bevorderen van de geestelijke ontwikkeling van de Vlaamse mensen, door het verspreiden van goede lectuur een belangrijke taak. Het Davidsfonds had dit steeds gedaan doormiddel van het oprichten en in stand houden van bibliotheken en door middel van boekenuitgaven.
Op 9 oktober 1919 vond de tweede hoofdbestuursvergadering plaats. Voorzitter Vliebergh drukte in zijn verwelkomingsrede de hoop uit dat de oude en nieuwgekozen leden van het hoofdbestuur in de moeilijke omstandigheden, allen met ijver en toewijding zouden werken voor de heropbloei en de vooruitgang van hun geliefde Davidsfonds. Met unanimiteit van de stemmen werd Emiel Vliebergh als algemeen voorzitter herkozen, en Amaat Joos en Alfons Siffer werden zijn nieuwe ondervoorzitters. Floris Van der Mueren werd benoemd tot algemeen schrijver-penningmeester, in opvolging van Ossenblok, die de functies ad interim had waargenomen. Zoals reeds gezegd waren er in de naoorlogse periode verkeersmoeilijkheden. Deze hadden tot gevolg dat de toestand van de verschillende plaatselijke afdelingen onbekend was. Daarom besloot men om voor elke provincie een afdelingsbezoeker en propagandist aan te stellen. Voor de vergoeding van vierhonderd frank werden zij over het Vlaamse land uitgestuurd om polshoogte te gaan nemen bij de afdelingen. Eligius J. Ossenblok en Eugeen Leën werden afdelingsbezoekers-propagandisten voor respectievelijk de provincies Antwerpen en Limburg. De benoemingen voor de provincies Oost- en West-Vlaanderen zouden zo snel mogelijk gebeuren door het dagelijks bestuur. Over de provincie Brabant werd echter met geen woord gerept op 9 oktober. Op de bestuursvergadering werden ook de volgende leden van de boekencommissie aangesteld; Vliebergh (Brabant), Ossenblok (Antwerpen), Leën (Limburg), Van Puyvelde (Oost-Vlaanderen) en Van Cappel (West-Vlaanderen)[21].
Moeilijk herstel
In het kader van het herstel van het Davidsfonds na de Eerste Wereldoorlog was de rol van het hoofdbestuur onontbeerlijk. De verschillende leden van dit bestuur kwamen meestal twee maal per jaar samen tijdens de zogenaamde hoofdbestuursvergaderingen, die werden voorgezeten door voorzitter Vliebergh. E. Vliebergh, A. Joos, A. Siffer, E. Leën, E.J. Ossenblok, J. Noterdaeme, A. De Rees, P. Theelen, E. Clysters, A. Van Huffelen, Dupont, L. Van Puyvelde, M. Sobry, A. Desmet, Mets, pastoor Van Roey, F. Maertens, Ceelen, Dr. Rubbens, Van Menten, Sevens, Dewinde, Van Cappel, De Smedt, F. Van der Mueren, A. Denys, A. Boon, De Munck, Coenen, Bosteels, Hendrickx, Gos, Vanden Daelen zetelden tijdens de periode 1919-1925 in het hoofdbestuur of werden uitgenodigd om de vergaderingen bij te wonen. Uiteraard was hun aandeel binnen de organisatie van het Davidsfonds niet gelijkwaardig. Ze hebben niet allemaal tegelijk in het bestuur gezeten en waren ook niet altijd op de bijeenkomsten aanwezig. Zo nam Rubbens in maart 1922 ontslag, omdat hij de zittingen niet meer kon bijwonen[22].
De belangrijkste man binnen het bestuur of hoofdbestuur van het Davidsfonds was de voorzitter, Emiel Vliebergh[23] (Zoutleeuw 24 januari 1872 – Leuven 6 januari 1925). Vliebergh was onder meer hoogleraar in Leuven, ondervoorzitter van de Boerenbond, redactiesecretaris van Dietsche Warande en Belfort, initiatiefnemer van de “Vlaamse Vacantieleergangen” (of Vliebergh-Sencie-Leergang) en voorzitter van het Vlaamse en katholieke Davidsfonds. Al op zeer jonge leeftijd was hij een gekende figuur in Davidsfondskringen. Één van zijn eerste manuscripten, “De boeren en de maatschappelijke zaak”, werd in 1893 door het fonds bekroond en uitgegeven. Nog voor hij afgestudeerd was, begon hij voordrachten te geven voor de plaatselijke Davidsfondsafdelingen. In 1903 werd E. Vliebergh opgenomen in het hoofdbestuur, als gekozen afgevaardigde van de Brabantse afdelingen. In dezelfde periode werden de gouwbonden opgericht en hij aanvaardde de leiding van de Brabantse Gouwbond. Vanaf dat ogenblik nam zijn invloed binnen de vereniging geleidelijk toe, om gaandeweg de sterke man binnen het Davidsfonds te worden. Een duidelijk voorbeeld van zijn toenemend gezag was het feit dat hij vanaf 1905 de klassieke Davidsfondscongressen wist te verruimen tot groots opgezette katholieke Vlaamse congressen. In 1910 werd Professor E. Vliebergh waarnemend voorzitter, ter vervanging van Joris Helleputte, om vervolgens in 1911 volwaardig voorzitter van het DF te worden. Een functie die hij onafgebroken zou uitoefenen tot aan zijn overlijden in 1925. Vanaf 1908 werd het stilaan duidelijk dat Vliebergh aan de slepende ziekte; multiple sclerose leed, hetgeen hem gaandeweg steeds meer parten zou gaan spelen en zijn mogelijkheden zou beperken. Om die reden werden vanaf 1912 de vergaderingen steevast bij hem thuis gehouden. Ondanks zijn verlamming en het feit dat hij geleidelijk zijn spraakvermogen verloor, had dit geen effect op het verstandelijk vermogen van de voorzitter. Ondanks een groot aantal beperkingen bleef Prof. Vliebergh toch onvermoeibaar verderwerken, met behulp van zijn inwonende zus, een verpleegkundige en een privé-secretaris. Vanaf 1916 werd de jonge en schrandere Eduard Amter zijn, door de Boerenbond ter beschikking gestelde, secretaris. Zo kwam het dat Amter ook regelmatig aanwezig was op de bestuursvergaderingen, die bij Vliebergh thuis plaatsvonden. Op deze manier raakte hij nauw verbonden bij de werking van het Davidsfonds, hetgeen tot gevolg had dat hij in 1924 waarnemend secretaris-penningmeester werd. De Davidsfondsvoorzitter was nog zeer lucide, maar geleidelijk aan zou zijn gezondheidstoestand nefast worden voor het Davidsfonds[24].
In de moeilijke herstelperiode werd Emiel Vliebergh bijgestaan door zijn twee trouwe ondervoorzitters, de geestelijke Amaat Joos en Alfons Siffer. Alfons F. Siffer[25] (Zomergem 21 maart 1850 – Gent 3 maart 1941) was in 1875 samen met Frans De Potter stichter van de Gentse Davidsfondsafdeling. Vanaf 1885 was hij er penningmeester en tussen 1910 en 1930 vervulde hij de functie van voorzitter. Hij zette zich vooral in voor het inzamelen van geld voor de uitbouw van de volksbibliotheken. Bij de reorganisatie van het Davidsfonds in 1878 werd Siffer lid van het hoofdbestuur, waarbinnen hij van 1910 tot 1935 ondervoorzitter was. Zijn mandaat werd in de naoorlogse periode telkens opnieuw vernieuwd. Samen met E. Vliebergh was hij in 1919 één van de drijvende krachten bij het herleven van het Davidsfonds[26].
Kanunnik Amaat Joos (Hamme 3 mei 1855 – Gent 15 augustus 1937) werd in 1907 voorzitter van de Davidsfondsafdeling Sint-Niklaas, om vervolgens in 1909 lid te worden van het hoofdbestuur. In 1910 werd hij aangesteld als voorzitter van het inrichtingscomité van het Davidsfondscongres dat te Sint-Niklaas plaatsvond. Een jaar later werd hij tot ondervoorzitter van het hoofdbestuur verkozen, een functie die hij ook nog na de oorlog zou vervullen. Op deze manier heeft hij de vereniging mee geleid tijdens de moeilijke jaren van heropbouw na de Eerste Wereldoorlog. Toen ziekte en ouderdom hem beletten nog verder actief deel te nemen aan de werkzaamheden van het hoofdbestuur, aanvaarde hij in 1926 de ondankbare taak deel uit te maken van de Boekencommissie, hetgeen hij tot een paar jaar voor zijn dood zou doen. Als blijk van waardering en dankbaarheid werd hij in januari 1927 door het hoofdbestuur van het Davidsfonds benoemd tot ereondervoorzitter. Hetzelfde jaar nog in augustus, volgde hij Monseigneur Rutten op al erevoorzitter[27].
Joos nam op de hoofdbestuursvergadering van 21 maart 1922 ontslag als ondervoorzitter. Na hartelijk bedankt te zijn voor bewezen diensten, werd zijn opvolger verkozen. Ferdinand Maertens (Brugge 31 december 1873 – Kortenberg 10 februari 1957) nam de plaats van Joos naast Siffer in, als ondervoorzitter. Maertens kwam tijdens zijn studententijd in Leuven in contact met het Davidsfonds via mensen als Emiel Vliebergh en Professor Pieter-Jozef Sencie. Sencie was op dat moment secretaris van de Davidsfondsafdeling Leuven. Ingenieur Maertens maakte carrière als ambtenaar van het Ministerie van Openbare Werken en van Landbouw en hij was één van de eerste topfunctionarissen die zich openlijk als flamingant uitte. Zo was hij een drijvende kracht achter de aanklachten van de taaltoestanden in het bestuur, hetgeen ook het Davidsfonds nauw aan het hart lag tijdens het Interbellum. Reeds voor de Grote Oorlog was F. Maertens zeer actief binnen het Davidsfonds en stichtte hij afdelingen in Woluwe en in zijn woonplaats Kortenberg. Hij was ook voorzitter van de gouwbond Brabant. Na WO I was hij binnen het hoofdbestuur een belangrijke pion voor de herleving van het zwaar getroffen Davidsfonds. Tot tweemaal per week ging hij in die periode naar Leuven, om er met de zieke Vliebergh de lopende zaken af te handelen. Zijn gezag nam toe binnen het hoofdbestuur, waardoor hij in maart 1922 algemeen ondervoorzitter werd. Na het opnemen van zijn nieuwe functie hielp hij de vereniging met een grote overtuiging mee leiden[28].
Op de vergadering van het hoofdbestuur van 9 oktober 1919 werd Floris (of Flor) Van der Mueren (Hoogstraten 2 november 1890 – Leuven 23 december 1966) benoemd tot algemeen schrijver-penningmeester, ter vervanging van de voorlopige schrijver en penningmeester E. Ossenblok. Van der Mueren was musicoloog, organist te Leuven en docent aan de Katholieke Vlaamse Hogeschool voor Vrouwen te Antwerpen. Bij de gedeeltelijke vernederlandsing van de Rijksuniversiteit van Gent werd hij er in 1923 benoemd tot docent voor algemene muziekgeschiedenis. Floris van der Mueren was de buurman en een goede vriend van Emiel Vliebergh, hetgeen tot gevolg had dat Van der Mueren Vliebergh hielp bij zijn vele werk voor het Davidsfonds. Tussen 1919 en 1923 was F. Van der Mueren secretaris van de Vlaamse en katholieke vereniging. De functie van secretaris bij het Davidsfonds hield in dat hij zowel schrijver als schatbewaarder was. Wegens te veel andere activiteiten en zijn drukke agenda, kon de musicoloog veel te weinig tijd besteden aan zijn Davidsfondswerk. Na zijn benoeming in Gent werd zijn functie waargenomen door Eduard Amter[29].
Bij het herstel van het Davidsfonds, na een periode van vier jaar inactiviteit, was het noodzakelijk om een overzicht te hebben van de plaatselijke afdelingen, in zoverre dat deze nog bestonden. Sommige waren volledig verdwenen en andere waren op sterven na dood. Het was dus noodzakelijk dat het hoofdbestuur enig zicht kreeg op te toestand in heel Vlaanderen, om vervolgens gepast te kunnen reageren. Niet alleen een situatieschets was nodig, maar ook actie. Bepaalde afdelingen moesten nieuw leven worden ingeblazen, anderen moesten helemaal heropgestart worden. Maar ook het stichten van nieuwe afdelingen, overal te lande, stond op het programma. Voor de zware taak, die deze verschillende zaken omvatte, deed men beroep op een aantal hoofdbestuursleden, die men als propagandisten ging benoemen. De eerste twee afdelingsbezoekers-propagandisten werden reeds benoemd op de tweede naoorlogse bestuursvergadering. Het waren Eligius J. Ossenblok uit Borgerhout voor de provincie Antwerpen en Eugeen Leën uit Hasselt voor de provincie Limburg en later ook voor de provincie Luik. In 1922 werd Ossenblok opgevolgd door Fr. Cantrijn. Andere propagandisten waren De Vreese voor Oost-Vlaanderen, Bekkers (Beckers) voor West-Vlaanderen en Smeesters voor Brabant. De afdelingsbezoekers kregen voor hun onkosten een vergoeding, die aanvankelijk vierhonderd frank bedroeg, maar die, gezien de moeilijke omstandigheden, in 1921 werd opgetrokken tot 600 frank[30].
De bekendste en misschien zelfs de belangrijkste propagandist van het Davidsfonds was ongetwijfeld Eligius J. Ossenblok (Essen 8 november 1854 – Borgerhout 25 juni 1934). Hij was zeer verdienstelijk in de door hem in 1885 opgerichte bloeiende Davidsfondsafdeling te Borgerhout, waarvan hij tien jaar later in 1895 ondervoorzitter en na de oorlog voorzitter werd. Ook in de door hem in 1907, samen met Jakob Muyldermans, gestichte Antwerpse Gouwbond had hij een lovenswaardige inbreng. Van bij de stichting tot 1931, toen hij er erevoorzitter van werd, was Ossenblok voorzitter van de Gouwbond van Antwerpen. Vanaf 1891 werd Ossenblok lid van het hoofdbestuur van het Davidsfonds en dit voor een periode van 41 jaar. In 1908 greep hij net naast de functie van secretaris, maar in ruil werd hij benoemd tot propagandist voor de provincies Antwerpen en Limburg. Toen hij aan zijn taak begon telde het Davidsfonds ongeveer 6.000 leden in een 70tal afdelingen. De groei van het ledenaantal en het aantal afdelingen gebeurde in die tijd relatief traag. Ossenblok wilde een sneller tempo brengen in de vooruitgang. Dit door het rechtstreeks propaganderen in de plaatselijke afdelingen in heel Vlaanderen, maar vooral in de hem aangewezen gouwen. Het gevolg was een geweldige bloeiperiode voor de vereniging tussen 1908 en 1914, die vooral te danken was aan zijn onvermoeide arbeid. Bij het uitbreken van de Eerste wereldoorlog was het ledenaantal opgelopen tot meer dan 13.000[31] en telde het Davidsfonds maar liefst 112 afdelingen. Aan deze fantastische bloeiperiode voor het DF, die vooral het werk was van Ossenblok, dankte hij zijn bijnamen. Binnen het Davidsfonds ging men hem Vader Ossenblok of Apostel van het Davidsfonds noemen. De naam “Vader Ossenblok” kreeg hij als gevolg van de vaderlijke zorg, waarop hij voor het Davidsfonds en de Davidsfondsleden zorgde. Hij werd beschouwd als de vader van alle Davidsfondsers. Zijn andere bijnaam; “Apostel van het Davidsfonds”, was een verwijzing naar zijn ijverigheid als propagandist. Leden en afdelingen winnen, werd door hem namelijk op een apostolische manier ter harte genomen. Ook na WO I bleef Eligius Ossenblok actief als propagandist, en dit ondanks zijn gevorderde leeftijd. In de onmiddellijke naoorlogse periode speelde hij een belangrijke rol bij de herleving van de vereniging. Overal in de provincie Antwerpen stichtte en heractiveerde hij afdelingen. In 1922, op bijna 68 jarige leeftijd, gaf hij de fakkel van Antwerpse propagandist door aan Fr. Cantrijn[32].
Vader Ossenblok was misschien “de” propagandist van het Davidsfonds, maar ook de rol van Eugeen Leën als afdelingsbezoeker-propagandist, in het kader van het herstel, mag zeker niet onderschat worden. Eugeen Leën (Hasselt 26 juli 1862 – Hasselt 20 augustus 1932) was de drijvende kracht achter het Hasseltse Davidsfonds, waarvan hij in 1909 tot aan zijn dood secretaris was. Het ledenaantal zou in die periode spectaculair toenemen. Tussen 1909 en 1914 werd het aantal leden haast verdubbeld. Ook na de oorlog zou de toename zich op een buitengewone manier verder zetten. We moeten er op wijzen dat de Hasseltse afdeling, onder de impuls van E. Leën, zeer actief was gebleven. Leën was ook secretaris van de gouwbond Limburg en afgevaardigde voor de provincie Limburg. Hij zetelde ook in het hoofdbestuur, van waar de opdracht kwam om als propagandist op te treden. Na de Eerste Wereldoorlog werd de Hasselaar verzocht om als afdelingsbezoeker en propagandist voor Limburg op te treden, hetgeen zeker zijn vruchten afwierp, ondanks het feit dat hij in de jaren 1920-1921 toch enige moeite had om de meeste Limburgse afdelingen weer op gang te krijgen. Eugeen Leën slaagde in zijn opzet met de hulp van de geestelijkheid en dankzij een aantal lekenleerkrachten[33].
Nog een ander bestuurslid dat na WO I actief was als propagandist, was Xaveer F. Smeesters (Leuven 11 juli 1885 – Leuven 2 mei 1979). Smeesters was naast stichter van het Davidsfonds van Groot-Brussel, ook secretaris en afgevaardigde van het hoofdbestuur voor Brussel en Brabant. Hij was misschien niet van hetzelfde kaliber als zijn collega’s Ossenblok en Leën, maar toch kan men stellen dat Xaveer Smeesters goed werk heeft geleverd als propagandist van de provincie Brabant[34].
Ook in de provincies Oost- en West-Vlaanderen waren propagandisten actief. In Oost-Vlaanderen, kende het Davidsfonds ondanks het werk van De Vreese een enorme achterstand. In West-Vlaanderen was het nog erger gesteld met het Davidsfonds. In vergelijking met de rest van Vlaanderen waren ze altijd al het zwakke broertje geweest. Hoofdbestuurslid en Gouwvoorzitter Noterdaeme verwachte dat de Bruggeling Alfons Beckers, als propagandist, het West-Vlaamse Davidsfonds uit het slop zou trekken. Maar Beckers is niet in zijn opzet geslaagd[35].
Om de Davidsfondswerking in de plaatselijke afdelingen overal in Vlaanderen terug aan te zwengelen, waren de propagandisten misschien onontbeerlijk, maar de goede intenties en werkkracht zouden zeker niet volstaan. Voor een goede werking op het plaatselijke niveau waren financiële middelen noodzakelijk. Reeds voor de Eerste Wereldoorlog kende het hoofdbestuur “jaarlijkse hulpgelden” toe om de werkzaamheid van de afdelingen aan te moedigen. Ook na de oorlog besliste men al zeer snel om dit systeem te laten voortbestaan, waarschijnlijk omdat het zijn deugdelijkheid al goed bewezen had en omdat het de enige uitweg was om het Davidsfonds overal nieuw leven in te blazen. Het systeem van de steungelden zou wel aanpassingen moeten ondergaan, aangezien de situatie ook enigszins veranderd was. Op de hoofdbestuursvergadering van 16 september 1920 werd reeds besloten om de hulpgelden aan de afdelingen te beperken, omdat de vereniging te kampen had met hoge onkosten van druk en organisatie. Er werd voorgesteld om het bedrag dat ter beschikking was gesteld, te verdelen over de verschillende afdelingen naar gelang hun verdienste. De plaatselijke afdelingen zouden aan het secretariaat een soort van verslag moeten overmaken met daarin een beschrijving van hun activiteiten sedert de wapenstilstand[36]. Van de afdelingen werd verwacht dat ze in de toekomst op dezelfde manier zouden te werk gaan. De afdelingen moesten een bewijs van hun werkzaamheden inzenden en nadien zou het hulpgeld worden verdeeld volgens die bewijsstukken, volgens het advies van de provinciale propagandist en volgens het vroeger bestaande puntenstelsel[37]. Dit laatste ondanks het feit dat het puntensysteem niet meer volledig beantwoordde aan de gegeven omstandigheden. Ook de gouwbonden kregen hulpgelden toegewezen van het hoofdbestuur. Ze kregen een bedrag van 5 fr. per aangesloten afdeling. Bovendien werden de afdelingen aangezet om zich bij de gouwbond aan te sluiten. Hiervoor betaalden zij een bijdrage van 0,05 fr. per lid, of een maximum bedrag van 15 fr. Het was aangewezen dat de provinciale bonden ten minste één maal per jaar bijeenkwamen en dit in de maand september. Op deze manier kon men op tijd aan de besprekingen voor de werkwijze in de wintermaanden beginnen[38].
De propagandisten en de financiële middelen moesten de lokale afdelingen terug aan het werk krijgen en er toe bijdragen dat zoveel mogelijk leden de weg naar de vereniging (terug)vonden. Voor de Eerste Wereldoorlog telde het Davidsfonds 112 afdelingen met een totaal van meer dan 13.000 leden. Na de oorlog was het aantal leden teruggelopen tot ongeveer 500. De voornaamste doelstelling van het Davidsfonds bestond er dan ook uit om het ledenaantal zo snel mogelijk terug op het oude peil te krijgen. Het was zeer moeilijk om een concreet overzicht te krijgen van het aantal leden en afdelingen. Op de naoorlogse hoofdbestuursvergaderingen werden wel voorstellen geformuleerd en oplossingen gezocht en gevonden om de aantallen te vermeerderen, maar echt concrete cijfers werden niet gegeven. Wat wel versnipperd cijfermateriaal over een aantal afdelingen opleverde, maar niet voldoende was om een goed overzicht te bieden. Pas vanaf 1923 beschikken we over voldoende cijfers voor wat het aantal leden in de verschillende Vlaamse provincies betreft[39]. Terwijl Antwerpen in 1913 nog 3.817 leden telde, waren het er in 1923 nog maar 3.691. De provincie Brabant had er nog maar 1.925, waar het er vroeger 2.259 had. Oost-Vlaanderen had na de oorlog nog maar 2.641 leden teruggewonnen van de 3.429 en West-Vlaanderen bleef met zijn 628 beneden de helft van zijn laag vooroorlogse aantal. De enige provincie die merkelijk meer leden telde dan voor de oorlog, namelijk 1.409 tegenover 1.134, was de provincie van propagandist Leën; Limburg. In totaal telde het Davidsfonds 10.294 leden, wat misschien wel minder was dan voor de oorlog, maar het was wel degelijk een vooruitgang in vergelijking met de onmiddellijke naoorlogse toestand. De positieve evolutie gebeurde traag, maar gestaag, hoewel we misschien kunnen stellen dat het iets te traag verliep[40].
De belangrijkste activiteit voor het Davidsfonds was en bleef het uitgeven van boeken. Zoals hierboven reeds aangegeven, kwamen de boekenuitgaven reeds op de eerste naoorlogse vergadering van het hoofdbestuur aan bod. Hetzij wel niet echt in positieve zin. Leo Van Puyvelde prees zich haast gelukkig dat de hoge papier- en drukkosten het onmogelijk maakten om boeken uit te geven zoals men het altijd al gewoon was geweest. De boeken van het Davidsfonds, hoe goed ook, bleken niet te voldoen aan de wensen van de leden. Ofwel waren ze van een te hoog niveau, ofwel waren ze veel te volks. Een andere mogelijkheid was er niet geweest, aangezien de DF-leden verschillend waren en dat het onmogelijk was om ze allemaal tevreden te stellen. Het was bovendien uiterst moeilijk om elk jaar geschikte werken te vinden, om ze vervolgens uit te geven. Met de boeken werden slechts een beperkt aantal leden van de vereniging bereikt. Van Puyvelde wilde de verschillende bezwaren verhelpen door het uitgeven van vele betrekkelijk goedkope boeken van allerlei aard, ook het herdrukken van goede werken uit allerlei tijdperken, die leden van het Davidsfonds tegen verminderde prijs (50%) zouden kunnen bestellen. De leden zouden een ruime keuze van boeken hebben. Ze zouden er geldelijk niets bij verliezen. Bovendien zou het een praktisch voordeel zijn om lid te worden van het Davidsfonds. Hetgeen een belangrijke factor was in verband met de ledenwerving. In de verschillende uitgaven zouden werken kunnen voorkomen met een zekere literaire waarde, maar evengoed werken voor de “mindere” man en zelfs zeer kleine volksboekjes. Voor ieder wat wils, om het zo te stellen. Het was de bedoeling dat de boeken in de handel zouden gebracht worden. Ze zouden in alle boekhandels te koop moeten liggen voor het publiek. Op die manier zou de Leuvense vereniging een veel ruimere kring lezers kunnen bereiken. Men zou zich namelijk niet enkel beperken tot de Davidsfondslezers. Daarenboven zou men de Vlamingen leren boeken kopen. Een groot afzetgebied voor al deze uitgaven kon gevonden worden in de onderwijsinrichtingen, die er een middel in zouden vinden om voor hun prijsuitdelingen betere en Vlaamse werken te bekomen[41].
Voor de hele ontwikkeling van zijn voorstel, had Van Puyvelde de “Hollandsche Maatschappij voor Goede en Goedkope Lectuur”, van wie de boeken van de “Wereldbibliotheek” en “Nederlandsche Bibliotheek” in Vlaanderen zeer veel afgenomen werden, als voorbeeld genomen. Deze Maatschappij, die een particuliere onderneming was, deed winstgevende zaken. Hij was er van overtuigd dat het uitgeven van goede en goedkope lectuur ook voor het Davidsfonds een winstgevende zaak kon worden. Die winsten kon de vereniging gebruiken om deze onderneming te verbeteren en om haar andere werkingen uit te breiden. De praktische inrichting zou verder onderzocht moeten worden door een commissie. Één ding was wel volstrekt noodzakelijk; er moest door het Davidsfonds een bezoldigde beheerder worden aangesteld, die beschikte over kennis van zaken en die over een paar bedienden kon beschikken. De beheerder zou werkzaam zijn onder het toezicht van een controlecommissie, die aangesteld werd door het hoofdbestuur. Met het geld dat het DF elk jaar besteedde aan de boekenuitgaven zouden de eerste onkosten van inrichting en personeel gedekt worden. De verkoop, zelfs indien de leden 50% korting kregen, zou de onkosten kunnen dekken, en na een korte tijd zou deze zelfs winst kunnen opleveren[42].
Voor het uitgeven van boeken, van toch enige kwaliteit, was de boekencommissie van het Davidsfonds zeer belangrijk. Omwille van haar belang werd zij zo snel mogelijk na de Eerste Wereldoorlog terug samengesteld. Op de hoofdbestuursvergadering van 9 oktober 1919 werden de bestuursleden Vliebergh (Brabant), Ossenblok (Antwerpen), Leën (Limburg), Van Puyvelde (Oost-Vlaanderen) en Van Cappel (West-Vlaanderen) aangesteld als leden van de boekencommissie. Hun taak bestond eruit de ingediende handschriften van voor de oorlog onmiddellijk ter lezing te nemen. In 1922 nam pastoor Van Cappel ontslag uit de commissie. In zijn plaats werd pastoor Dupont uit Nieuwpoort aangewezen als lid van de boekencommissie, als vertegenwoordiger van de provincie West-Vlaanderen. Op dezelfde vergadering werd Fernand Stroobants vervangen door Egide Vaes, als nieuwe boekenbewaarder of boekenverzender. Bij de aanstelling van Dupont als lid van de boekencommissie was blijkbaar iets misgelopen, want een jaar later op de vergadering van 13 september 1923 werd Van Cappel voor de tweede maal vervangen, nadat hij ontslag had genomen. De clericus Van Cappel en de hoogleraar Van Puyvelde werden vervangen door Arthur Boon en Achiel Denys[43]. De andere leden van de boekencommissie; Vliebergh, Ossenblok en Leën werden herbenoemd. Denys hield het in januari 1924 al voor bekeken als lid van de boekencommissie. Wegens te veel werk, bood hij zijn ontslag aan. Zijn plaats zou voorlopig niet worden ingevuld[44].
Ondanks het controlewerk van de boekencommissie werd er voortdurend geklaagd over de bedenkelijke kwaliteit van de uitgegeven boeken. Eigenlijk was dit een oud zeer voor het Davidsfonds. Reeds voor WO I waren er klachten omtrent de uitgaven. Dit was vooral te wijten aan het, door Van Puyvelde in 1919 al aangeklaagde, verschil in het profiel van de leden. Het probleem was dat het kruim van de vereniging bestond uit tamelijk ontwikkelde burgers, voor wie de boeken te eenvoudig waren. Terwijl ze voor de kleine man soms nog veel te moeilijk waren. Ook na de oorlog zou dit probleem blijven bestaan. Het hoofdbestuur onderzocht dan ook regelmatig in hoeverre verbeteringen mogelijk waren. Het eerste boek dat na 1914-1918 verscheen was het zogenaamde Oorlogsboek van het Davidsfonds. Het boek bestond uit twee delen en het telde samen 648 bladzijden. De eigenlijke boekenproductie kwam echter pas in 1920 terug tot stand[45].
Nauw verwant met het uitgeven van boeken, was de steun van het Davidsfonds aan bibliotheken en boekerijen. Door het oprichten en in stand houden van bibliotheken kon men namelijk bijdragen tot de spreiding van goede lectuur. Bovendien zou men ze moeten aanwenden tot de verdere vervlaamsing van Vlaanderen. Ook in verband met de bibliotheken formuleerde Leo Van Puyvelde in 1919 een voorstel. Tot dan toe waren de bibliotheken van het Davidsfonds in hoofdzaak volksboekerijen geweest, die in de meeste gevallen al dan niet meer deden dan de leeslust onderhouden. In enkele gevallen, wanneer ze goed en op de correcte manier aangewend werden, konden ze ook verheffend werken op het zedelijk en verstandelijk gehalte van de volksklasse. Er was reeds in de steden en grote dorpen een kern van Vlamingen, die een hoger geestelijk leven hadden. De tijd was misschien rijp voor de Davidsfondsbibliotheken om, nog meer dan in het verleden, lectuur te verschaffen voor de meer ontwikkelden. Hiervoor zou het wenselijk zijn dat er in de bibliotheken openbare leeszalen tot stand kwamen, die enige uren per week zouden open zijn en waar vooral tijdschriften konden gelezen worden. Dit initiatief zou vooral door de afdelingen moeten genomen worden. Het hoofdbestuur zou de lokale afdelingen wel moeten aanzetten en hen in de juist richting sturen, door bijvoorbeeld een boekenlijst voor de meer ontwikkelde lezers op te stellen, waarvan de afdelingen konden gebruik maken[46].
1921 was een cruciaal jaar voor wat de volksbibliotheken betrof. In dat jaar kwam er namelijk een wettelijke regeling, de zongenaamde “Wet Destrée” tot stand. De wet zorgde ervoor dat deze meer dan 1600 bibliotheken voortaan op overheidssteun konden rekenen. Ze moesten wel aan een aantal minimumregels voldoen; zoals het aantal boeken, de openingstijden, de beschikking over een leeszaal en de bibliothecaris diende over een diploma te beschikken. Ook het Davidsfonds was de mening toegedaan dat zeker in de plaatsen waar een lokale afdeling actief was en in zoveel mogelijk gemeenten in de onmiddellijke omgeving van een afdeling, volksbibliotheken moesten tot stand komen. Er werd wel van de gemeenten verwacht dat ze de bibliotheken op een correcte manier zouden ondersteunen. Ofwel moesten ze openbare bibliotheken oprichten, ofwel konden ze reeds bestaande boekerijen adopteren. De gemeenten werden verplicht een bibliotheek in te richten, wanneer 1/5 van de kiezers daarom verzocht. Elke gemeente die een boekerij inrichtte of aannam, moest ten minste 0,25 fr. per inwoner aan de werking en de groei ervan besteden. Daarbij kwamen ook nog eens de kosten voor de inrichting en bemeubeling, het onderhoud, de verwarming en de verlichting van het lokaal. De bibliotheken moesten geleid worden door gediplomeerde bibliothecarissen, zoals het in de Wet Destrée voorzien was. In sommige plaatsen werden er lessen ingericht tot het vormen van geschoolde katholieke bibliothecarissen. Als men in het bezit was van een diploma normaal of middelbaar onderwijs, werd men echter vrijgesteld van het examen voor bibliothecaris. Vele plaatselijke afdelingen van het Davidsfonds bezaten een eigen boekerij. Het hoofdbestuur vond dat ze de afdelingen niet genoeg kon aanzetten boekerijen te stichten in al de gemeenten van hun omschrijving. Om boeken te verkrijgen van het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten moest men een aanvraag zenden naar de Afdeling Volksboekerijen van dit ministerie. In 1923 concludeerde het bestuur van het DF uit de besprekingen van de boekerijcommissie, dat het Davidsfonds een speciaal inlichtingsbureau zou moeten hebben. Dit zou enkel in het voordeel van de vereniging zijn. Zeker als het in goede verstandhouding zou kunnen samenwerken, met het nog te vestigen Algemeen Secretariaat voor Katholieke Boekerijen[47] (ASKB). Als steun voor dit secretariaat stortte het katholieke Davidsfonds 1.000 fr. als toelage. In ruil moest het zich wel aan bepaalde afspraken houden. Als extra steuntje in de rug besliste het bestuur dat de boekerijen van het Davidsfonds en de boekerijen die rechtstreeks door de afdelingen gesteund werden, door tussenkomst van de gouwbond een korting van 60% kregen op alle uitgaven. De uitgaven en prijs ervan, stonden vermeld op de omslag van ieder boek[48].
In de moeilijke herstelperiode van het Davidsfonds na de Eerste Wereldoorlog was het niet echt helemaal duidelijk welke positie de organisatie innam binnen de Vlaamse Beweging. Het was in elk geval geen gemakkelijke periode voor een Vlaamse vereniging, die van oudsher opereerde onder de vleugels van de VB. De Vlaamse Beweging was na WO I een beetje in ongenade gevallen. Ze werd namelijk willens nillens met het activisme geassocieerd. Het viel uiteraard niet te ontkennen dat een aantal Vlamingen zich tijdens de oorlog, om welke reden dan ook, schuldig hadden gemaakt aan collaboratie met de Duitse bezetter. Maar dat gaf de Belgische nationalisten nog niet het recht om alle Vlamingen en de Vlaamse Beweging te beladen met al de zonden van Israël. Zoals elke Vlaamse kudde had ook het Davidsfonds haar verdwaalde schapen. Zowel in de hoogste regionen van de vereniging; Karel Heynderickx en Lodewijk Dosfel zoals we reeds hebben aangeven, als in de lokale afdelingen, hadden leden zich laten verleiden tot het activisme of een andere vorm van collaboratie. Om die reden stelde het DF zich waarschijnlijk in de directe naoorlogse periode iets terughoudender op en nam de vereniging iets minder openlijk standpunten in. Wat niet wilde zeggen, dat ze haar Vlaamse afkomst en achtergrond verloochende. Toch waren er nog een aantal voorbeelden waaruit bleek dat de Leuvense vereniging nog Vlaamsgezind was. Zo riep men de afdelingen op een verzoekschrift te sturen, ten voordele van de vervlaamsing van de universiteit van Gent, aan de Voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Men vroeg hen ook om de nodige propaganda te maken voor de Katholieke Vlaamse Hogeschool voor Vrouwen te Antwerpen[49]. Het hoofdbestuur verzocht de plaatselijke afdelingen ook om zich aan te sluiten bij het Vlaams Verbond, indien dit nog niet het geval was. Men had overwogen om als organisatie toe te treden, maar het bestuur had daarvan afgezien toen bleek dat al verscheidene Davidsfondsafdelingen reeds bij het verbond aangesloten waren[50].
Stagnatie
Tegen 1925 was de voornaamste naoorlogse doelstelling van het Davidsfonds bereikt. Men was er namelijk in geslaagd om, net als voor de Eerste Wereldoorlog, opnieuw een organisatie met ongeveer 13.000 leden te zijn. Hoewel de leiding de nodige moeite had gedaan om terug tot dit aantal te stijgen, berustte zij schijnbaar bij de hoeveelheid van 13.000, hetgeen er waarschijnlijk mede toe heeft bijgedragen dat de werving van leden in zekere zin stil viel. Er brak een periode van stagnatie aan, die tot achteruitgang had kunnen leiden. De oorzaak voor de remming op de ontwikkeling van het Davidsfonds was vooral het hoofdbestuur, en in het bijzonder voorzitter Vliebergh. De Vlaamse en katholieke vereniging had een oud en ziek bestuur. Ondanks zijn slepende ziekte was Vliebergh na de oorlog de spilfiguur geworden binnen de vereniging, die als het ware de hele organisatie alleen leidde. Net zoals zijn voorzitter, raakte ook het DF hierdoor verlamd. De gezondheidstoestand van Vliebergh, die aan Multiple Sclerose leed, ging er steeds op achteruit. Ondanks zijn verlamming en het feit dat hij geleidelijk zijn spraakvermogen verloor, had dit niet echt effect op het verstandelijk vermogen van de voorzitter. Toch was dit alles niet gunstig voor een organisatie zoals het Davidsfonds. Ook andere bestuursleden uit de leidende kern waren ziek of hadden te kampen met een hoge leeftijd. Alfons Siffer had op 68 jarige leeftijd, na de oorlog nog wel zijn steentje kunnen bijdragen tot de herleving van de vereniging, maar zijn hoge leeftijd zou hem steeds meer parten beginnen te spelen. Toch zou hij nog geruime tijd actief blijven binnen de katholieke Vlaamse vereniging. Ook bij zijn collega-ondervoorzitter was de dynamiek wat verdwenen. De clericus Amaat Joos was misschien jonger dan Siffer, maar hij sukkelde dan weer met zijn gezondheid, hetgeen zijn productiviteit zeker niet ten goede kwam. Ook propagandisten, zoals Ossenblok en Leën hadden een gezegende leeftijd, die ongetwijfeld ook in hun nadeel moet gespeeld hebben, wat op het eerste zicht misschien niet zo belangrijk leek, aangezien hun rol bij het besturen van de organisatie uiterst gering was. Toch waren zij voorbeelden van een duidelijke trend binnen het Davidsfonds. De grote ramp van het verouderde en zieke bestuur was dat de Davidsfondstop feitelijk onafzetbaar was[51].
Ondanks de stagnatie waarmee het Davidsfonds geconfronteerd werd, viel de activiteit niet volledig stil. Vanaf september 1923 startte men met de voorbereidingen voor de viering van het 50 jarig[52] bestaan van de vereniging. In 1925 moest een halve eeuw Davidsfonds namelijk met de nodige luister gevierd worden. Ter gelegenheid van het jubileum wilde het bestuur graag een bijzondere uitgave publiceren. Een bevoegd specialist zou aangezocht worden om de publicatie; “Geschiedenis der Vlaamsche Schilderkunst” voor te bereiden. D. Roggen nam de taak voor het schrijven van dit werk in 1924 op zich. Verder zouden prijskampen worden uitgeschreven voor “letterkunde” en voor “Geschiedenis der Vlamingen in den vreemde”. Ook zij zouden vallen onder de categorie van jubileumuitgaven. De handschriften voor de letterkundige prijskamp moesten worden ingezonden vóór 1 mei 1925 en die voor het werk “Vlamingen in den vreemde” vóór 1 januari 1926. Aanvankelijk bedroeg het prijzengeld voor de jubileumuitgaven 15.000 fr., maar dit bedrag zou opgetrokken worden tot 20.000 fr. Om alle feestelijkheden concreet uit te werken en in goede banen te leiden werd een soort van comité opgericht, waarin Arthur Boon, voorzitter Vliebergh en de algemene secretaris Van der Mueren zetelden. De jubileumviering moest plaatsvinden te Leuven en dit ter gelegenheid van de algemene vergadering, die zou bestaan uit: een Heilige Mis met kanselredenaar, een feestzitting, een gezamenlijk middagmaal en een optocht naar het graf van Jan-Baptist David. Het dagelijks bestuur kreeg opdracht om een uitvoerig programma op te maken. Ook de plaatselijke afdelingen werden aangezet om het 50ste verjaardag van het Davidsfonds, op het lokale niveau, te vieren. Elke vierende afdeling werd een vaste toelage van 50 fr. en een supplement van 0,50 fr. per lid toegekend[53].
Besluit
Onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog kende het Davidsfonds een zeer moeilijke periode. De cultuurvereniging was nagenoeg al zijn leden verloren en was eigenlijk ten dode opgeschreven. Onder impuls van een gedreven bestuur, onder leiding van Emiel Vliebergh en met de hulp van een aantal propagandisten wist het DF zich te herstellen. Het ledenaantal steeg gestaag en door de inzet op alle gebied leek de Vlaamse en katholieke vereniging zich te kunnen herstellen. Toen het vooroorlogse ledenaantal opnieuw werd bereikt, begon een gevoel van berusting te overheersen. Het gevolg was een periode van stagnatie, die versterkt werd door een verziekt en verouderd bestuur, dat alle dynamiek uit de vereniging nam. De activiteit van het Davidsfonds viel gelukkig niet stil, hetgeen de redding van de Leuvense vereniging betekende.
Hoofdstuk II: Nieuwe start en modernisering (1925-1930)
1925: een rouwjaar, jubeljaar en jaar van glorie
1925 was voor het Davidsfonds een “rouwjaar”. Het jaar was nog maar zes dagen oud, of de katholieke Vlaamse vereniging verloor haar voorzitter. De 52 jarige professor Emiel Vliebergh was na een slepende ziekte overleden. Hij had het DF van 1912 tot 1925 geleid. Onder zijn bewind had de organisatie tot aan de Eerste Wereldoorlog een zekere bloei gekend, maar daar was een einde aangekomen bij het uitbreken van de oorlog. Gedurende vier jaar had de vereniging uit Leuven in een hachelijke positie verkeerd. Vanaf 1918 was het Davidsfonds, met Vliebergh als onbetwiste leider aan zijn herstel begonnen. De rol van de voorzitter was hierin zeer belangrijk geweest. Hij had het DF gebracht tot wat het in 1925 was. Toen overleed niet alleen voorzitter Vliebergh, maar ook een aantal andere mensen die het Davidsfonds na aan het hart lagen. Op zondag 22 februari moest men afscheid nemen van oud-voorzitter en Minister van Staat Joris Helleputte. Hij was het DF steeds genegen geweest. Van 1898 tot 1912 was hij voorzitter[54] geweest en na zijn ontslag uit deze functie, was hij erevoorzitter geworden, wat hij zou blijven tot aan zijn dood. Enkele maanden later ontviel advocaat Eugeen Bosteels het Davidsfonds. Naast burgemeester van Aalst was hij hoofdbestuurslid voor de provincie Oost-Vlaanderen geweest. In deze laatste functie had hij de nodige steun aan de vereniging bezorgd. De drie overledenen kregen op de algemene vergadering van 6 september 1925 van de nieuwe algemene voorzitter een eervolle huldiging, waarbij werd beloofd dat hun nagedachtenis zou geëerd blijven, zolang het Davidsfonds zou bestaan[55].
Het overlijden van Vliebergh betekende ook een nieuwe start voor het Davidsfonds. Tijdens de bestuursvergadering van 29 januari 1925[56] duidde het hoofdbestuur met unanimiteit Arthur Boon (Blaasveld 7 april 1883 – Jette 3 januari 1938) aan als opvolger van de overleden Vliebergh. Boon was een zeer interessante figuur om als voorzitter E. Vliebergh op te volgen. Hij was niet alleen een geestelijke, maar hij was net als zijn voorganger hoogleraar aan de universiteit te Leuven. Het was dan ook voor de tweede reden dat men hem als voorzitter koos. Toch mag men zijn rol als priester niet onderschatten. In het bestuur van heel wat plaatselijke afdelingen was een belangrijke rol voor de pastoors en onderpastoors weggelegd. Als kanunnik had Boon bij deze groep van bestuursleden een voetje voor[57]. Professor Boon was aan de universiteit een zeer toegewijd docent, die veel tijd vrijmaakte voor zijn studenten en oud-studenten. Dit maakte hem zeer populair bij zijn studenten, waardoor hij door hen op handen werd gedragen en op hen een grote invloed kon uitoefenen. Op die manier verspreidde hij zijn katholieke en Vlaamse gedachtegoed. Ondanks zijn enorme gedrevenheid, bleef zijn aandeel wat wetenschappelijke publicaties betrof eerder beperkt. Dit had vooral te maken met zijn bezigheden als voorzitter van de grootste cultuurvereniging van het land. In de functie van Davidsfondsvoorzitter had hij dezelfde gedrevenheid als hoogleraar aan de universiteit. Het voorzitterschap van het Davidsfonds zou ook nog tot andere functies leiden. Zo werd Boon stichter-voorzitter van de Katholieke Vlaamsche Radio-Omroep (KVRO), lid van de Raad van Beheer en het Dagelijks Bestuur van het Nationaal Instituut voor Radio-Omroep (NIR) en lid van de Hoge Raad voor Volksopleiding. Ondanks zijn zwakke gezondheid, hij had namelijk hartproblemen, trachtte kanunnik Boon in al zijn taken het beste van zichzelf te geven. Maar door zijn hartkwaal bleef zijn aandeel in het Davidsfonds en bij zijn andere activiteiten eerder beperkt[58].
Eduard Amter (Leuven 13 december 1898 – Leuven 2 juli 1969) werd tijdens dezelfde vergadering van 29 januari definitief aangesteld als de vervanger van Floris Van der Mueren. In 1924 was Amter wel al aangeduid als waarnemend secretaris in de plaats van Van der Mueren, maar hij moest wachten tot na de dood van Vliebergh om volwaardig secretaris (secretaris-penningmeester) te worden. De spectaculaire groei die het Davidsfonds kende na zijn aantreden en dat van Boon, was vooral zijn verdienste. E. Amter was zijn carrière gestart onder de voorganger van Boon, Emiel Vliebergh. Na het beëindigen van de lagere moderne humaniora was Eduard Amter een tijdlang bediende bij de Boerenbond. Vervolgens werd hij vanaf 1916 als privé-secretaris ter beschikking gesteld van de verlamde ondervoorzitter Emiel Vliebergh[59]. Zo werd Amter naast het werk voor de Boerenbond, ook belast met een deel van het secretariaatswerk voor het Davidsfonds. Aanvankelijk combineerde hij dit secretariaatswerk nog met zijn werk bij de Boerenbond. Maar toen hij zijn werk als bediende bij de Boerenbond en de administratie van het Davidsfonds niet meer kon combineren, verliet hij op 1 oktober 1927 de Boerenbond om voltijds secretaris van de katholieke en Vlaamse vereniging te worden. Dit was een noodzakelijke voorwaarde voor een verdere professionalisering van de vereniging. Naast de professionalisering van het Davidsfonds, trok Eduard Amter, als voltijds secretaris, steeds meer de leiding naar zich toe. Voor het eerst in de geschiedenis van de katholieke Vlaamse vereniging was de functie van secretaris belangrijker geworden dan de functie van voorzitter. Dit alles kwam het herstel en de groei Davidsfonds zeker ten goede. Secretaris Amter zorgde voor een spectaculaire groei van het aantal leden. Het steeg van 11.401 naar 13.355, wat een vermeerdering van bijna 2.000 leden betekende. De bloei was tot dan toe nog nooit zo groot geweest. In de naoorlogse jaren was 1925 duidelijk het meest succesvolle jaar. Parallel met de stijging van het ledenaantal was er ook een toename van het aantal afdelingen. Een trend die zich al drie jaar aankondigde[60].
Onder impuls van Amter en Boon kwamen er ook heel wat nieuwe initiatieven, vernieuwingen en uitbreiding van de werkzaamheid. De inrichting van het Davidsfonds als vereniging zonder winstoogmerk, de uitgave van een maandblad voor bestuursleden (Leiding) en voor leden (De Belleman), de aankoop van een secretariaatsgebouw en de ombouw van het secretariaatsgebouw tot een modern kantoorhuis, de installatie van de Katholieke Vlaamsche Radio-Omroep (KVRO), de uitgave van een reeks keurboeken, het uitgeven van jeugdboeken, een jaarlijkse liederbundel “Het Vlaamse Lied”, de oprichting van een reisdienst (Onder Ons) en van een Centrale voor Projectie-Onderwijs (CPO), de maandelijkse culturele radio-uitzendingen, de jaarlijkse congressen, het uitschrijven van letterkundige prijsvragen, waren een aantal van hun initiatieven[61].
Maar 1925 was, ook een jubeljaar voor het Davidsfonds, dat immers zijn 50 jarig bestaan vierde. Het organiseerde voor dit gouden jubileum grote feestelijkheden. Het opteerde voor Lier, de geboortestad van kanunnik David, in plaats van Leuven, waar men aanvankelijk het hele gebeuren wilde laten plaatsvinden. Op 6 september 1925 vond de Davidsfondsdag plaats in de Netestad, dankzij de bijdragen van mensen als: Mets en de andere ijverige bestuursleden van de afdeling Lier, die de inrichting van de feestelijkheden op zich hadden genomen en dit werk tot een goed einde hadden gebracht; de geestelijke en wereldlijke overheden: monseigneur Van Cauwenbergh (vicaris-generaal van het aartsbisdom), senator Broeckx, de katholieke gemeenteraadsleden van de stad Lier; de vertegenwoordigende zusterverenigingen: de Katholieke Vlaamse Hogeschooluitbreiding (KVHU), de Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde; de Lierse verenigingen; al de leden, vrienden en sympathisanten van het Davidsfonds, die de vereniging met veel tegemoetkoming en welwillendheid hadden gesteund en onthaald. Iedereen die een bijdrage had geleverd, werd door het hoofdbestuur bedankt. Aan de katholieke Vlaamse pers werd nog een apart dankwoord gericht. Zij had namelijk met veel bereidwilligheid haar kolommen ter beschikking gesteld van de talrijke propaganda-artikelen en oproepen, die bestemd waren voor haar Vlaamse en katholieke lezers. Al maanden op voorhand brachten verschillende bladen aan hun lezers, naar aanleiding van het jubileum, artikelen over de geschiedenis van het Davidsfonds; het ontstaan, de ontwikkeling, de 50 jarige werking op de verschillende gebieden, die het culturele spectrum omvatte, kwamen uitvoerig aan bod. Een aantal geïllustreerde weekbladen leverde bij de geschiedenis zelfs beeldmateriaal, wat het geheel nog versterkte. Verder werden alle berichten en mededelingen die uitgingen van het hoofdbestuur, met het oog op de organisatie van het feest, welwillend in de Vlaamse katholieke kranten geplaatst[62].
De feestelijkheden in Lier waren niet enkel bedoeld om het Davidsfonds te vieren, ook Jan-Baptist David, waaraan het DF zijn naam had ontleend. Vooral de Lierenaars vonden het belangrijk om hun stadsgenoot, die een belangrijke rol had gespeeld binnen de Vlaamse Beweging, te herdenken. Het programma van de feestdag zag er als volgt uit: om 10 uur werd in de kerk van het begijnhof een plechtige mis van dankzegging opgedragen door vicaris-generaal monseigneur Van Cauwenbergh. Het gelegenheidssermoen werd door pastoor K. Elebaers op zich genomen. Het gemengde koor “Orpheus”, met symfoniebegeleiding van het “Lyra-orkest” zorgden voor de muzikale omlijsting met een vierstemmige mis van Van Wassenhoven, die kapelmeester te Lier was. Een uur later, om 11 uur, vond er een optocht plaats van alle katholieke verenigingen van de stad, van al de afgevaardigden van de plaatselijke Davidsfondsafdelingen en van de zusterverenigingen. De stoet leidde naar het standbeeld van kanunnik J.-B. David, waar een gelegenheidstoespraak werd gehouden door kanunnik Broeckx. Vervolgens ging het naar de “Vredebergzaal”. Daar startte men op het middaguur met de plechtige jaarlijkse algemene vergadering, die slechts één uur in beslag zou nemen. Men beperkte zich tot de toespraak van de algemene voorzitter[63] en het verslag over het jaar 1924, dat door de algemeen schrijver-penningmeester[64] werd voorgelezen. Na het gezamenlijk eetmaal volgde om 15 uur een opvoering in schouwburg “De Vlak”. De aanwezigen kregen “Fabiola of de kerk der catacomben”, een opera in vier bedrijven van Paul Van Wassenhoven, op tekstbewerking van de Lierse voorzitter Fr. Mets te zien. Tot zijn grote ontsteltenis moest het Davidsfonds vaststellen dat sommige lokale afdelingen geen afgevaardigden gezonden hadden naar het gouden jubileum. Men vond het niet aangenaam dat slechts 67 van de 111 afgevaardigden, die de aanwezigheidslijst op de algemene vergadering getekend hadden, ook effectief aanwezig waren. De 67 vertegenwoordigers uit de verschillende provincies waren als volgt verdeeld: 20 uit Brabant, 20 uit Antwerpen, 12 uit Oost-Vlaanderen, 6 uit West-Vlaanderen en 9 uit Limburg[65].
Ook talloze plaatselijke afdelingen namen het initiatief om het 50 jarig jubileum van hun vereniging te vieren. Het hoofdbestuur was zeer tevreden over de programma’s, die ze kreeg uit 41 afdelingen, die samen goed waren voor meer dan de helft van de leden. Voor het inrichten van de feestelijkheden kregen de lokale besturen een jubileumtoelage toegekend. In totaal werd er zo 5.411,50 fr. uitgekeerd. Bovendien kreeg de Davidsfondsafdeling van Lier een bedrag van 1.000 fr. hulpgeld toegekend om de algemene herdenking te kunnen bekostigen[66].
Bloei
Vanaf 1926 zette de vernieuwing en de daaraan gekoppelde bloei zich door. Ze was het duidelijkst zichtbaar aan de spectaculaire toename van het aantal leden en plaatselijke afdelingen. In 1925 bereikte men voor het eerst terug het vooroorlogse ledenaantal. Het jaar werd afgesloten met een aantal van 13.355 leden, wat tot dan toe nog nooit bereikt was. Men hoopte om het volgende jaar nog beter te doen, door de kaap van 15.000 leden te overschrijden. De verwachting voor 1926 werd ingelost, meer zelfs; er was een stijging van 5.040 leden, wat het totaal bracht op 18.395. Bovendien werden er ook 19 nieuwe afdelingen[67] gesticht. Verscheidene lokale afdelingen wonnen meer dan 50 nieuwe leden op één jaar tijd. Er waren zelfs afdelingen die er meer dan 100 mochten verwelkomen. Tot dan toe was een verhoging van meer dan 5.000 Davidsfondsers nog niet voorgekomen. Om die reden ging men op zoek naar verklaringen, waaraan die machtige bloei in 1926 te danken was[68].
De eerste verklaring was de toewijding en de ijver van de verschillende bestuursleden en dit op de verschillende niveaus. Zowel de leden van het hoofdbestuur, als het “minste” bestuurslid van de kleinste afdeling waren belangrijk voor het Davidsfonds. Ook de rol van de gewestelijke afgevaardigden of propagandisten[69] was zeer belangrijk. Hun aandeel in de vereniging nam steeds toe. Ze werden werkzamer en het bestuur was er zich bewust van dat daarmee ook de last toenam. Toch bleven zij zich verder inzetten en bleven zij verdergaan met het zaaien van het goede graan, dat elk jaar voor een goede oogst zorgde. In het moeilijke herstel na de Eerste Wereldoorlog hadden ze hun degelijkheid bewezen. Bovendien zouden ze ook in de toekomst nog belangrijk zijn.
De aanhoudende welwillendheid van de katholieke Vlaamse pers tegenover het DF was eveneens van groot belang. Hoewel de mededelingen elkaar vaak snel opvolgden, werden ze steeds in de kranten opgenomen. Men was de Vlaamse en katholieke pers zeer dankbaar voor deze blijk van waardering. Er werd dan ook van de leden verwacht dat zij dezelfde genegenheid terug zouden schenken.
Ook het premiestelsel dat sinds enkele jaren in voege was voor het aanwerven van nieuwe leden, had een grote bijdrage geleverd aan de verhoging van het ledenaantal. Uit de cijfers bleek duidelijk dat de persoonlijke propaganda haar vruchten had afgeworpen. Het was blijkbaar ook een middel voor het Davidsfonds om, buiten zijn eigen uitgaven, nog andere Vlaamse boeken te verspreiden. In de toekomst wenste men nog gebruik te maken van dit middel, om de persoonlijke propaganda aan te sporen. Zo kon men ook de Davidsfondsmensen, door het aanbieden en ze te laten lezen van degelijke katholieke en Vlaamse lectuur, laten kennis maken met het eigen geestelijke leven en de eigen schoonheid. Waardoor het stambewustzijn opgewekt werd, de nationale fierheid aangroeide en de aandacht werd gevestigd op het warme Vlaamse gemoed.
Nog een belangrijk gegeven was de invoering van een vierde boek. De leden kregen nu in plaats van drie boeken, vier boeken voor dezelfde jaarlijkse bijdrage. Het feit dat men nu een extra boek kreeg, was zeer attractief om lid te worden van de cultuurvereniging. Het Davidsfonds bracht in 1926 van de vier boeken, 77.500 exemplaren aan de man. Daarenboven was de kwaliteit van de boeken er merkelijk op verbeterd. Het bestuur ging prat op de degelijkheid en keurigheid van de uitgaven.
Een andere factor, die men van zeer groot belang vond voor de bloei van het Davidsfonds, was dat de vereniging geen keuze maakte tussen de verschillende richtingen in de katholieke Vlaamse Beweging. In de Davidsfondskringen moest op dat vlak ruime verdraagzaamheid heersen. Men wenste alle politieke strijd uit de lokale afdelingen te bannen. Tussen de katholieke en Vlaamse leden moest er godsvrede zijn. Ook in de dorpspolitiek mochten de lokale afdelingen zich niet mengen. Men mocht zich alleen met cultureel werk inlaten[70].
Het jaar 1927 werd door het Davidsfonds uitgeroepen tot een “wonderjaar”. Er werd weer een grote sprong voorwaarts gemaakt op het gebied van leden en afdelingen. In juni ’27 kon men zich er reeds over verheugen dat er al 43 nieuwe afdelingen gesticht waren. Het resultaat was dat het DF nu 173 afdelingen telde. De eindbalans op het einde van het jaar was nog beter. Er kwamen bij het aantal van 173 nog eens 28 lokale afdelingen bij, wat het totaal op 201 plaatselijke afdelingen bracht[71]. Ook het ledenaantal nam op deze spectaculaire manier toe. Samen met de stijging tot 173 afdelingen, was er een aanwinst van 9.572 nieuwe leden voor de periode januari-juni 1927. Voor wat betrof de verspreiding van leden en afdelingen in de verschillende provincies zag de situatie er als volgt uit; de provincie Antwerpen was op het gebied van de leden en afdelingen sterk vertegenwoordigd met 8.689 leden in 45 afdelingen. De provincie Oost-Vlaanderen telde 8.075 leden verspreid over 39 afdelingen. Brabant-Henegouwen met 5.632 leden en 46 plaatselijke afdelingen deed het op het gebied van de afdelingen net iets beter dan Antwerpen, maar telde duidelijk minder leden. Het arrondissement Brussel was in Brabant-Henegouwen het sterkst vertegenwoordigd met 19 afdelingen en ongeveer 3.000 leden. West-Vlaanderen had net als het arrondissement Brussel 19 afdelingen met slechts 2.857 leden, wat niet echt veel was voor een volledige provincie. Alleen Limburg-Luik deden het nog slechter met maar 2.634 leden in 24 afdelingen. Men verwachtte om op het einde van het jaar de kaap van de 30.000 leden te overschrijden. De verwachtingen werden meer dan ingelost, want men sloot het jaar af met 31.575 Davidsfondsleden. Tussen het einde van 1926 en het einde van 1927 was er een stijging geweest van 13.180 leden. Als men bedenkt dat de vereniging bijna 40 jaar, tussen 1875 en 1914, nodig had om een aantal van 12.500 zieltjes te winnen, was dit uiteraard fenomenaal en ongezien. Per provincie was de totale aanwinst op het einde van het jaar de volgende; Brabant: 22 afdelingen en 2.825 leden, Antwerpen: 16 afdelingen en 3.686 leden, Oost-Vlaanderen: 14 afdelingen en 3.586 leden, West-Vlaanderen: 16 afdelingen en 2.106 leden, en Limburg-Luik: 3 afdelingen en 943 afdelingen. Men besloot uit dit cijfermateriaal dat het Davidsfonds een gezonde populariteit verworven had[72].
Samen met de toename van zowel plaatselijke afdelingen als leden, was er ook een uitbreiding en verbetering van de activiteiten. De belangrijkste activiteit bleef nog steeds het uitgeven van boeken. In 1927 kregen de leden van het DF 4 boeken aangeboden. Van de 4 boeken werden in totaal 140.000 exemplaren gedrukt, wat voor die tijd zeer veel was. De leden konden ook nog, naast hun gewone boekenpakket, goedkoper boeken bekomen dankzij het systeem van de “gunstkoopjes”, dat enorm veel bijval kende. Dankzij de grote oplage kon men besparen op de uitgaven. Dat geld kon het Davidsfonds gebruiken voor de Vlaamse culturele actie. De actie bestond er onder andere uit om verschillende boekerijen regelmatig kosteloos van boeken te voorzien of ze extra steunpakketten toe te kennen. Verder steunde het Davidsfonds ook scholen, door prijsboeken te voorzien om toe te kennen aan de laureaten van het “onderwijs in het Nederlands”. Er werden ook merkelijk veel hulpgelden uitgekeerd aan allerlei organismen van culturele aard, zoals de Vlaamse Leergangen te Leuven, het Verbond van Katholieke Toneelkringen en het Verbond van Katholieke Boekerijen. Uit een aantal zaken bleek duidelijk dat het Davidsfonds zich niet alleen meer als katholiek wilde profileren, maar ook terug als een Vlaamsgezinde organisatie. Ook de plaatselijke afdelingen leverden hun bijdrage bij het organiseren van activiteiten. Men organiseerde muziekavonden, toneelfeesten en voordrachten. Maar vaak stond men op het plaatselijke niveau ook in voor het openhouden en ondersteunen van de lokale boekerij[73].
Zoals in het verleden ging men op zoek naar de oorzaken van de voortschrijdende opbloei van de vereniging. Het katholieke geloof was zeker een belangrijke factor, want men vergeleek “de Heer” met de eerste stuurman. Hij werd geloofd en bedankt, omwille van “de voorspoedige wind” waarmee hij het Davidsfonds zegende. De ijverige en toewijdingsvolle bestuursleden van de afdelingen, de gewestelijke propagandisten (die succesvol “vissen naar mensen”) en de katholieke Vlaamse pers die welwillend tegenover het DF stond, waren werktuigen in zijn handen. Naast het bovennatuurlijke, waren er ook nog andere oorzaken die tot de bloei hadden bijgedragen. Één van de zaken was de bijval van het premiestelsel. Dankzij het premiestelsel werd er door de afdelingen nog harder gewerkt. In ruil voor de premieboeken was men namelijk bereid om een extra inspanning te leveren. Blijkbaar was de geestelijke honger met het basisboekenpakket niet verzadigd en wilde men nog andere boeken aan zijn collectie toevoegen[74].
Het wonderjaar was niet alleen een jaar vol vreugde. Het Davidsfonds moest afscheid nemen van een aantal prominenten, die gehuldigd werden omwille van hun verdienstelijk werk voor de vereniging. Op 17 juli 1927 overleed Monseigneur Rutten. Rutten was niet enkel erevoorzitter van het DF, maar ook bisschop van Luik. Hij probeerde Limburg zoveel mogelijk katholiek en Vlaams te houden. Zijn aandeel in het Davidsfonds en in de Vlaamse Beweging was zeker niet te onderschatten. Hij werd opgevolgd door ereondervoorzitter Amaat Joos. Ook de plaatselijke, minder bekende, maar daarom niet minder verdienstelijke werkers werden geëerd door het hoofdbestuur. Pastoor Felix Imschoot, de stichter en voorzitter van de afdeling Schilde, werd bij zijn overlijden omwille van zijn verwezenlijkingen herdacht. Het hoofdbestuur moest ook afscheid nemen van een aantal bestuursleden, die om verschillende redenen uitgetreden waren. Mets, De Smedt, Noterdaeme, Sobry, Hendrickx en Gos werden bedankt voor bewezen diensten. Zij werden in het hoofdbestuur opgevolgd door Mortier, De Coninck, Maes, Thiers, Philips en Lysens[75].
Een tijd van professionalisering en modernisering
Zoals hierboven reeds vermeld, verliet Eduard Amter op 1 oktober 1927 de Boerenbond om zich voltijds met de functie van secretaris van het Davidsfonds bezig te houden. Deze stap was noodzakelijk omwille van de spectaculaire groei op het gebied van het aantal leden, maar ook omwille van de groei op tal van andere vlakken. Het was voor Amter namelijk onmogelijk geworden om zijn professionele bezigheden bij de Boerenbond te combineren met zijn tweede dagtaak als secretaris-penningmeester van een sterk groeiend Davidsfonds. Zijn aanstelling tot voltijds secretaris van het DF leidde tot een professionalisering van de vereniging, wat gepaard ging met enige modernisering. De professionelere aanpak van de Vlaamse en katholieke vereniging had wel financiële gevolgen. In januari 1927 besliste het hoofdbestuur om aan de algemene vergadering een verhoging van de bijdrage (tot 10 fr.) aan Leuven te vragen. Dat was voor een stuk ter compensatie voor de devaluatie van de Belgische munt in het jaar ’26, maar vooral om Amter voltijds in Davidsfondsdienst te kunnen nemen. Amter voerde onmiddellijk, al dan niet in samenspraak met de andere bestuursleden, een aantal nieuwe zaken in om de organisatie van het Davidsfonds verder te versterken. Één van zijn eerste wapenfeiten was de omvorming van het DF tot een Vereniging Zonder Winstbejag (VZW). Op deze manier kreeg de vereniging rechtspersoonlijkheid. In verband met de auteursrechten werd een overeenkomst gesloten met de Nationale Vereeniging voor Auteursrecht (NAVEA)[76], waardoor de lokale afdelingen tot eind september 1927 vrij bleven van auteursrechten. Deze rechten moesten niet alleen betaald worden bij het organiseren van muzikale activiteiten, maar golden voor alle kunsttakken. Naast muziek trad NAVEA ook op voor toneel, letteren, beeldende kunst en film. Met andere woorden ongeveer het hele gamma van activiteiten die de plaatselijke Davidsfondsafdelingen organiseerden. Tot slot stichtte secretaris Amter een bestendig “algemeen secretariaat”[77].
In 1928 werd een eerste grote stap gezet in het nieuwe proces van modernisering van de Vlaamse en katholieke organisatie. Het Davidsfonds gaf in juni 1928 voor het eerst het tijdschrift Leiding uit. Naast het DF was er nog een andere initiatiefnemer; namelijk de Algemeene Katholieke Vlaamsche Hoogeschooluitbreiding[78]. Vandaar dat de volledige en officiële titel van het blad “Leiding voor de kringen van Davidsfonds en Katholieke Vlaamsche Hoogeschooluitbreiding” was. De Algemeen Voorzitter van het Davidsfonds A. Boon en de Algemeen Voorzitter van de AKVHU A. Van Huffelen stelden het nieuwe tijdschriftje met enige trots voor. In een openingsartikel met de titel “Ons Blad” verduidelijkten ze de redenen voor het bestaan en de doelstellingen van het blad.
Leiding was het tijdschriftje voor de bestuursleden van de plaatselijke Davidsfondsafdelingen. Het kwam er ter vervanging van de talrijke circulaires die nauwelijks gelezen werden. De omzendbrieven moesten dienen om inlichtingen en leiding te geven voor propaganda en werkzaamheid. Onmiddellijk na de oorlog werden er een drietal circulaires per jaar verzonden. Dit aantal vergrote naar mate het hoofdsecretariaat in Leuven meer voeling met de plaatselijke bestuursleden tot stand wilde brengen. Om die reden werd in 1927 het idee opgevat om een administratief maandblad te stichten, dat Leiding zou gedoopt worden. De twee verenigingen wilden via het tijdschrift enerzijds meer eenheid in de werking van de afdelingen en de plaatselijke kringen verwezenlijken, en anderzijds wilde men de plaatselijke verenigingen inlichtingen verstrekken die noodzakelijk waren voor een goede werking van zowel het DF als de KVHU op het lokale niveau. De beide hoofdbesturen wilden de bestuursleden zoveel mogelijk informatie verstrekken over hoe ze moesten omgaan met het programma van een bepaald werkjaar, welke ondervindingen ze opdeden, op welke sprekers ze eventueel een beroep konden doen en over welke onderwerpen ze voordrachten gaven. Op termijn moest Leiding, naast de aangelegenheden van bestuurlijke aard, de besturen van de verschillende afdelingen en aangesloten kringen ook op cultureel gebied voorlichten. Het moest hen op de hoogte houden van de belangwekkende intellectuele en artistieke bedrijvigheid en gebeurtenissen in Vlaanderen. Het blad zou ongeveer achtmaal per jaar verschijnen, maandelijks van oktober tot maart-april, en één of tweemaal, naar gelang de noodzaak, in de verlofperiode tussen twee academische of werkjaren. Het tijdschrift was niet alleen een mooi uithangbord voor een organisatie als het Davidsfonds, maar het droeg ook bij tot vernieuwing en professionalisering van de steeds talrijker wordende plaatselijke afdelingen en hun besturen[79].
Het samen uitgeven van een tijdschrift door twee gelijkgezinde verenigingen was het gevolg van een eerdere en succesvolle samenwerking. Toen het Davidsfonds begon met het inrichten van reeksen lessen of wetenschappelijke lezingen in een aantal steden, gebeurde dit vaak met de medewerking van andere verenigingen zoals de Katholieke Vlaamse Hogeschooluitbreiding. De KVHU, die soms gesticht werd door of met de hulp van het plaatselijke DF, wilde graag als volksuniversiteit de wetenschap populariseren. Dit had tot gevolg dat er nauwelijks verschil was tussen de activiteiten van de volksuniversiteit en de tientallen voordrachten die het Davidsfonds jaarlijks organiseerde, verspreid over de verschillende grote centra met een dynamische werking. Maar ook de kleinere afdelingen lieten zich niet onbetuigd. Ondanks het feit dat zij in kleinere en meer afgelegen dorpen lagen, slaagden zij er evenzeer in om jaarlijks één of twee lezingen te organiseren. De kwaliteit was misschien niet dezelfde als in de grotere afdelingen, maar ondanks alles slaagden zij erin om een voordracht van enig niveau aan te bieden. Alles samen werden er ongeveer 1.300 voordrachten per winter georganiseerd. Het overgrote deel van de sprekers en de onderwerpen werd door de Katholieke Vlaamsche Hoogeschooluitbreiding aangebracht, hetgeen het Davidsfonds later nog parten zou spelen. Ongeveer één derde van de voordrachten werd door priesters gegeven, hetgeen een daling was in vergelijking met de vooroorlogse periode, toen zij nog voor meer dan de helft zorgden. Heel wat lezingen handelden over reizen en vreemde landen. Op dit gebied waren vooral de missionarissen actief. Verder werd er ook veel aandacht besteed aan letterkunde, kunst en geschiedenis. Er waren ook voordrachtgevers zoals Stijn Streuvels, Felix Timmermans, Ernest Claes, Jozef Simons en Eduard Amter, die “uit eigen werk” voordroegen. Deze literaire oriëntering werd door de Leuvens leiding aangemoedigd.
Het samenwerken van de twee organisaties wierp op het plaatselijk vlak vaak vruchten af. De reden hiervoor was dat ze dikwijls door dezelfde personen ondersteund en gestuwd werd. In Antwerpen was bijvoorbeeld Arthur Van Huffelen de drijvende kracht achter het succesverhaal. Toen hij Algemeen Voorzitter was van de KVHU, die toen 38 afdelingen en aangesloten kringen telde, kwam het zelfs tot een samenwerking op nationaal vlak. Hetgeen zou leiden tot het gezamenlijk uitgeven van een tijdschrift met de titel Leiding. Deze nauwe samenwerking tussen het Davidsfonds en de Katholieke Vlaamse Hogeschooluitbreiding was echter maar van korte duur. Na één werkjaar werd in het laatste nummer van de eerste jaargang van Leiding het afscheid aangekondigd van de KVHU. Toen het Davidsfonds besliste om een aparte reeks gevulgariseerde boeken (de zogenaamde keurreeks) uit te geven, werd dit door de KVHU ervaren als een aantasting van zijn specifiek werkterrein. Het leidde tot het einde van de samenwerking en de algemene vergadering van de KVHU stopte met zijn bijdrage aan het tijdschrift Leiding. Voortaan zou Leiding verschijnen als een exclusief orgaan van het Davidsfonds. Dit had tot gevolg dat “Leiding voor de kringen van het Davidsfonds en Katholieke Vlaamsche Hoogeschooluitbreiding” veranderde in “Leiding voor de Davidsfondsafdelingen”. Het DF hield toch prettige indrukken over aan de betrekkingen die ze met de KVHU had. Naar eigen zeggen moest de Leuvense organisatie voor het verder uitgeven van het tijdschrift tamelijk diep in de beurs tasten. Deze zware financiële inspanning had tot gevolg dat de vereniging zich moest beperken tot het gratis abonneren van slechts twee bestuursleden per afdeling. Maar ondanks alles was de werking van het Davidsfonds zonder Leiding ondenkbaar geworden. Het tijdschrift was namelijk een noodzakelijke factor geworden voor de uitbreiding en de groei van de grootste cultuurvereniging van Vlaanderen. De hoofdbestuursleden konden zich dan ook geen werking meer voorstellen, waarin alle informatie zou moeten meegedeeld worden via omzendbrieven. Vroeg of laat zou het nefaste gevolgen hebben gehad. Op termijn was het zelfs de bedoeling om het blad verder uit te breiden. Al gauw was immers gebleken dat de vrijgekomen ruimte na het wegvallen van de bijdragen van de Katholieke Vlaamse Hogeschooluitbreiding niet volstond voor de extra informatie die het Davidsfonds aan zijn plaatselijke besturen wenste te verstrekken. Bovendien wilde men in de toekomst Leiding niet enkel meer gebruiken voor administratieve doeleinden, maar ook als volwaardig algemeen cultureel tijdschrift[80].
Het blad Leiding was enkel bestemd voor de bestuursleden van de plaatselijke afdelingen. Mensen die niet stonden ingeschreven als plaatselijk bestuurslid konden geen abonnement bekomen. Elke lokale afdeling kreeg wel slechts twee exemplaren van een bepaald nummer. Deze waren bestemd voor de voorzitter en de secretaris. Zij werden vervolgens verondersteld om één exemplaar ter lezing door te geven aan de andere medebestuursleden en het tweede te bewaren in het archief van de afdeling. De beperking van twee stuks per afdeling was te wijten aan financiële overwegingen. Het Davidsfonds kon het zich namelijk niet veroorloven om alle leden van de lokale Davidsfondsbesturen een exemplaar van Leiding toe te sturen. Indien ze toch wensten om het tijdschrift te ontvangen, kon dit mits het betalen van 10 fr. abonnementsgeld per jaargang. Dit bedrag werd meestal betaald met geld uit de afdelingskas. Het hoofdbestuur moedigde dit ten zeerste aan, omdat