| Topografie en urbanistische ontwikkeling van Cumae: Vanaf de stichting van de Griekse kolonie tot de laatantieke periode (ca. 730 v.C.-4de/5de eeuw n.C.). (Bart De Graeve) |
| home | lijst scripties | inhoud | vorige | volgende |
V. Romeinse periode (ca. 89 v.C. – 4de/5de eeuw n.C.)
Vanaf het einde van de republiek begon Cumae aan een grondige transformatie die van de constructies van de voorgaande periodes weinig meer overeind liet staan. De belangrijkste elementen die overgeërfd werden, waren het weggennet en de globale urbanistische structuur van de stad, zoals bijvoorbeeld het forum uit ca. 300 v.C. Die bouwwoede begon ongeveer rond het einde van de Sociale Oorlog (89 v.C.) en de machtsgreep van Sulla, en bereikte zijn hoogtepunt bij de lange regering van Augustus. Daarna werd het voor enkele decennia rustiger tot op het einde van de 1ste eeuw n.C., toen onder Domitianus een nieuwe impuls gegeven werd door de aanleg van de Via Domitiana, die de verbinding met Rome en Puteoli aanzienlijk verbeterde. Die economische heropleving bleef doorwerken in de eerste helft van de 2de eeuw n.C., maar daarna zijn er geen grote bouwprojecten meer gekend in de stad.
Deze metamorfose deed zich zowel op de acropolis als in de benedenstad voor. In de 1ste eeuw v.C. werden de versterkingen van de Monte di Cuma nog uitgebreid en verrees op het oostelijke terras een derde tempel. Ten tijde van Augustus werd zowat de volledige acropolis verbouwd. Zowel het Apolloheiligdom, de “Tempel van Jupiter” en de grote toegangspoort kregen een nieuwe gedaante.
Ook in de benedenstad waren de aanpassingen drastisch. Overblijfselen uit de vroegere eeuwen waren vooral de ommuring, het stratenpatroon, het forum en de “Centrale thermen”. Het algemeen urbanistisch plan van Cumae bleef dus voor een aanzienlijk gedeelte bewaard, maar toch werden ook grote structurele ingrepen gerealiseerd. De belangrijkste voorbeelden hiervan zijn de aanleg van twee grote tunnels onder Augustus en de constructie van de Via Domitiana. Het forum werd in zijn oorspronkelijke vorm behouden, maar heraangelegd in de 1ste eeuw v.C. waarbij ook de omliggende publieke gebouwen volledig herbouwd werden. Enkel het Capitolium bleef overeind, al werd ook dit monument sterk aangepast.
Tenslotte zijn er eveneens veel veranderingen in de periferie vastgesteld zoals de uitbreiding van het wegennet en een gedeeltelijke verschuiving van de necropool. Daarnaast werden in het suburbane gebied veel nieuwe constructies opgericht, zoals het amfitheater dat een van de oudste blijkt te zijn in heel Italië. In het laaggelegen kustgebied ten zuiden van de acropolis werden tal van maritieme villa’s opgericht.
Wat de dateringen betreft, kan men in de benedenstad opnieuw meestal een beroep doen op stratigrafische gegevens en andere moderne dateringsmethodes. Op de acropolis is men quasi alleen aangewezen op de bouwtechniek. Gegevens van baksteenstempels zijn niet bekend.
1.1. Versterkingen
1.1.1. Vierde fase (begin 1ste eeuw v.C.)
Na de grootschalige aanpassingen op het einde van de 3de eeuw v.C. werd aan het hoofdcircuit in feite weinig veranderd in de Romeinse tijd. Er zijn slechts twee belangrijke ingrepen meer vast te stellen waarvan de oudste in de eerste decennia van de 1ste eeuw v.C. te situeren is. Op dat moment werd het zogenaamde “Driehoekig terras”, een lager gelegen uitloper die zich op de noordoostelijke flank van de Monte di Cuma bevindt, geïncorporeerd in de defensieve structuren van de acropolis[398]. In het begin van de 1ste eeuw v.C. werd een indrukwekkende constructie uit beton met parement in opus quasi reticulatum gebouwd. Die had net zoals de zware muren bij het heiligdom van Apollo de dubbele functie van ondersteuning van de aardmassa en van verdediging van de heuvel. Momenteel is van de Romeinse fase eigenlijk weinig meer te zien, want na de Byzantijnse verovering van de stad werd het geheel volledig herbekleed met kleine tufsteenblokken[399]. Enkel op de plaatsen waar die latere bekleding verdwenen is, is het oorspronkelijke opus quasi reticulatum nog zichtbaar. Het is wel duidelijk dat de veranderingen in de 6de eeuw n.C. niets fundamenteel meer gewijzigd hebben en slechts bestonden uit het plaatsen van een nieuw parement. De laatrepublikeinse structuur is eenvoudig opgebouwd en bestaat uit twee grote muren die loodrecht op elkaar staan. De lange, noordelijke zijde is versterkt met vierkante of rechthoekige torens die op korte afstand van elkaar stonden, terwijl de kortere, oostelijke zijde uit een rechte muur zonder uitsprongen bestond. Precieze afmetingen en afstanden kunnen echter niet gegeven worden omdat grote delen van de structuren in de laatste twee eeuwen afgebroken zijn of nauwelijks nog zichtbaar zijn door de dichte vegetatie. Tot het einde van de 18de eeuw waren ze wel nog goed bewaard en dankzij een prent uit die tijd hebben we nog een goed idee van de oorspronkelijke toestand[400].
In het midden van de noordelijke flank is nog een korte dwarsmuur zichtbaar die naar binnen loopt (nr. 113) en volgens Fratto mogelijk een deel is van een poortingang. Ook andere overblijfselen zijn hier en daar nog geattesteerd op het terras, zoals een ondergrondse tunnel en een opeenvolging van enkele gewelfde ruimtes, maar hierover ontbreekt elk verder detail. De invulling van deze uitloper van de acropolis is dus nog een groot vraagteken en zonder echte opgravingen is het absoluut onmogelijk om hier enig idee van te krijgen, want aan de oppervlakte is nauwelijks nog iets zichtbaar.
1.1.2. Vijfde fase (eind 1ste eeuw v.C.)
Een laatste belangrijke ingreep vond plaats bij de overgang van de republiek naar de keizertijd, waarschijnlijk kort voor of na de definitieve overwinning van Octavianus bij Actium in 31 v.C. Op dat moment werd het volledige oostelijke terras met de tempel van Apollo volledig heringericht en ook de fortificaties werden daarbij betrokken. De muur die al eerder in de Oskische fase opgetrokken was, werd weliswaar behouden, maar de vroege toegang tot de acropolis werd helemaal afgebroken en enkele meters verder naar het zuidoosten volledig nieuw gebouwd[401]. Die bestond uit een trap van vier kalkstenen treden van 2,80m breed en een vijfde in marmer, aan beide zijden oorspronkelijk geflankeerd door telkens een zware rechthoekige toren[402]. Van het westelijke exemplaar is niets bewaard aangezien de zuidwestelijke zijde van de toegang ingestort is tijdens de belegering van de Byzantijnse generaal Narses in 552 n.C., samen met een deel van de “Romeinse crypte” en de ingang van de “Grot van de Sibylle”. De oostelijke flank is wel nog vrij goed geconserveerd zodat we nog een goed idee kunnen krijgen van de originele Romeinse constructie. Deze wordt de “Byzantijnse toren” genoemd en is een eenvoudig rechthoekig bouwwerk van 14,15m breed en 12,90m diep, opgebouwd in beton en onderaan bekleed met zeer grote, rechthoekige blokken van trachiet die tot een maximale hoogte van 3 meter bewaard is. Daarboven is het originele parement verdwenen en op veel plaatsen is enkel nog de latere, Byzantijnse bekleding met kleine tufsteenblokken overgebleven. De huidige constructie bestaat uit twee verdiepingen maar in de tijd van Augustus bestond enkel de onderste. Bij de bovenste is er immers geen opus caementicium te bespeuren en is er uitsluitend gebruik gemaakt van kleine stenen die met een weinig consistente mortel en op een vrij slordige manier op elkaar gestapeld zijn, een techniek die typerend is voor de 6de eeuw in Cumae. De lager gelegen, authentiek Romeinse binnenruimte van de toren is toegankelijk via een kleine opening in het noordwesten en bestaat uit een rechthoekige kamer die in twee gedeeld wordt door een centrale, vierkante pijler en twee zijpilasters die tongewelven ondersteunen. Hij is 3,5 meter hoog en bevat vier rechthoekige vensters, twee aan de zuidwestelijke zijde waar ze uitkijken op de ingang van de acropolis, en twee aan de noordoostelijke. Boven deze ruimte bevond zich in de Romeinse tijd geen andere verdieping meer maar enkel de bekroning, mogelijk met kantelen zoals op de reconstructietekening te zien is.
Ook de eerste 45 meter van de oostelijke muur van het terras werden bij het project betrokken[403]. Tegen de Oskische constructie werd een betonlaag gegoten die vervolgens bekleed werd met grote trachietblokken, zoals de toren zelf, en die in totaal 1,90 meter breed is. Bij een knik in de oriëntatie van de ommuring stopt de Romeinse vernieuwing en is aan de oudere structuur uit het einde van de 3de eeuw v.C. niet meer geraakt tot in de Byzantijnse tijd.
Andere aanpassingen aan het circuit van de acropolis zijn niet vastgesteld, behalve de bouw van een kleine cisterne in de binnenwand van een stuk muur aan de noordflank[404]. Het is pas in de 6de eeuw n.C. dat er grootscheepse herstellingswerken en zelfs enkele uitbreidingen plaatsgevonden hebben. In de Byzantijnse tijd was de acropolis van Cumae immers een van de allerbelangrijkste fortificaties van geheel Campanië.
1.2. Terras van de Apollotempel
1.2.1. Tempel van Apollo
1.2.1.1. Augusteïsche fase
De tempel zoals die nu zichtbaar is, is het resultaat van een zeer grondige herstructurering tijdens de laatste decennia van de 1ste eeuw v.C.[405] In het begin van de 2de eeuw n.C. zijn er nog enkele aanpassingen gebeurd aan de zuidzijde van het gebouw, maar deze waren niet zo ingrijpend. In de tijd van Augustus werd niet alleen de tempel zelf aangepakt, maar ook de toegang ernaartoe en andere gebouwen in de omgeving werden in dit grootse project betrokken zodat het volledige oostelijke terras een ander aanschijn kreeg[406].
De belangrijkste verandering bestond uit de heroriëntatie van het hele tempelcomplex. Terwijl vóór de Romeinse periode de tempel bestond uit een rechthoekig gebouw van 30,90m x 18,30m dat min of meer noord-zuid gericht was, werd nu aan de oostelijke zijde een grote pronaos aangebouwd van 18,30m breed en 5,65m diep, zodat nu een oost-westoriëntatie gecreëerd werd[407]. Als fundament werd hiervoor gedeeltelijk de archaïsche oostmuur gebruikt[408]. De vroegere bovenbouw werd volledig met de grond gelijk gemaakt en vanaf het podium volledig nieuw opgetrokken. Het enige wat behouden werd, was de stereobaat uit grote tufsteenblokken. Hierop werd een stylobaat aangelegd in travertijnen platen van 10cm dik.
Van de opstand is ook uit deze fase niet zo erg veel bewaard zodat de reconstructie ervan niet op alle punten helemaal zeker is. Wel duidelijk zichtbaar is de cella van 22m x 9,30m die in drie gedeeld wordt door twee rijen van twee vierkante kolommen in trachiet (80cm x 80cm). In het oosten bevindt zich een grote ingang van 7,60m breed die geflankeerd wordt door twee bakstenen pilasters van 100cm breed en 55cm diep. De muren van 90cm dik zijn opgetrokken in opus reticulatum met op de hoeken verstevigingen in baksteen. Aansluitend op de cella bevinden zich in het zuiden twee rechthoekige ruimtes die elk via een eigen opening ermee in verbinding staan. Ze zijn 3,60m lang, hebben dezelfde breedte als de cella (binnenin 7,50m) maar hebben wel wanden van slechts 60cm dik. De grootste heeft in het zuiden ook nog een toegang naar buiten van 2m breed. Volgens Gallo zou deze aanbouw een latere toevoeging zijn, maar andere auteurs betwisten deze opinie en menen dat ze toch tot de originele, Augusteïsche fase behoort[409]. Zoals we nog zullen zien, zijn volgens de laatste gegevens hier zeker toch latere ingrepen gebeurd, maar is een deel van de constructie toch ook al in de 1ste eeuw v.C. te plaatsen en bevond er zich toen waarschijnlijk ook al een tweede ingang aan deze zijde. De hypothese van Pagano dat er aan de noordzijde een toegang was tot de cella van 1,72m breed is erg onwaarschijnlijk[410].
Deze cella wordt zoals gewoonlijk omgeven door zuilen, maar het plan is duidelijk geen gewone peripteros meer zoals in de voorgaande fases. Door de toevoeging van de pronaos werd een uniek plan bekomen dat in geen enkele tempel in Italië bekend is. De aanwezigheid van een uitgebouwde toegang op de korte zijde komt weliswaar hier en daar voor, bijvoorbeeld in Rome bij de tempel van de Concordia en de tempel van Veiovis, maar in Cumae is deze pronoas toch veel prominenter aanwezig dan bij de andere voorbeelden[411]. De grote inkomhal bestaat uit twee rijen zuilen waarvan de eerste er zes telt en de tweede slechts vier. Deze staan in het verlengde van vier kolommen van de oostelijke lange zijde. Zo is een grote open ruimte voor de cella gecreëerd terwijl ook de afstand tussen deze zuilen een stuk breder is dan die tussen de andere buiten de pronaos (2,40m in plaats van 1,90m). Aan weerszijden van deze toegang bevinden zich nog telkens twee kolommen op de oostelijke zijde zodat er het in totaal 10 zijn. Aan de noordkant zijn er duidelijk zes zuilen aanwezig, in het zuiden twee op de hoeken en twee halfzuilen die elk de zuidelijke ingang flankeren. Voor de westelijke zijde is het aantal minder zeker omwille van de zeer slechte bewaartoestand en wordt zowel een cijfer van 10 als 11 genoemd. Als men rekening houdt met de diameter van de zuilen (89cm) en een intercolumnium van 1,90m moeten het er waarschijnlijk tien zijn. De meeste pilaren zijn opgebouwd uit baksteen maar ook enkele exemplaren in trachiet zijn aangetroffen, waarschijnlijk herbruikte elementen van de Oskische fase. Deze zijn allemaal bestreken met een dikke pleisterlaag waarin diepe cannelures zijn aangebracht. Opmerkelijk is het gebruik van drielobbige kolommen op de zes hoeken van de tempel, waarschijnlijk om zoveel mogelijk harmonie in het geheel te hebben.
Van de bovenbouw zijn behalve de aanzet van de zuilen slechts weinig elementen teruggevonden zodat het niet eenvoudig is om een goed beeld te krijgen van het oorspronkelijke uitzicht en decoratie. Op basis van de verhoudingen en de richtlijnen van Vitruvius zou volgens Pagano de hoogte op ca. 8,50m kunnen bepaald worden. Van de kapitelen zijn er enkele teruggevonden die duidelijk op een Ionische orde wijzen. Verdere elementen van de versiering zijn eerst en vooral fragmenten van een marmeren fries die duidelijk een Apollinische thematiek afbeelden[412]. Hierop is tussen acanthusbladeren een lier te zien die onderaan versierd is met een medusahoofd. Boven het muziekinstrument zit een vogel te zingen. Voor het overige zijn vooral onderdelen in terracotta aangetroffen van verschillend formaat die van verschillende lijsten of friezen afkomstig zijn[413]. De gegevens zijn echter te beperkt om een duidelijk idee hierover te krijgen. De voorstellingen die op deze architecturale platen het meest voorkomen, zijn vrouwenfiguren omgeven door plantenslingers, griffioenen, saterkoppen en katachtige wezens en passen in een beeldrepertorium dat erg populair was in de Augusteïsche tijd.
Wat de datering betreft, zijn de meeste auteurs het erover eens dat die in de regering van Augustus moet geplaatst worden. Hierop wijst ten eerste de bouwtechniek, met een nadruk op het gebruik van opus reticulatum. Die is identiek is aan andere gebouwen in de Flegreïsche velden die absoluut zeker gedateerd in de Augusteïsche periode te situeren zijn. Ten tweede zijn er de stilistische en iconografische kenmerken van de afbeeldingen op de marmerplaten en de terracotta-elementen die gelijkenissen vertonen met de tempel van Apollo op de Palatijn, gebouwd kort na de slag bij Actium in 31 v.C. Tenslotte is er ook de historische context. Zoals bekend bouwde Augustus immers een hele ideologie uit waarin de klassieke godsdienst weer een nieuw elan kreeg en waarin onder meer Apollo een prominente rol innam[414]. Na zijn overwinning in de slag bij Actium beschouwde de prille alleenheerser hem als zijn beschermgod en liet hij op de Palatijn een tempel voor hem bouwen. Daarnaast benadrukte hij ook de band met Aeneas en de Trojanen en het is dan ook in deze context dat de Aeneis moet gezien worden. Behalve in Rome vonden ook in tal van andere plaatsen belangrijke bouwactiviteiten plaats, vooral waar er een duidelijke band was met Apollo of met de Trojaanse sagencyclus. Cumae neemt in deze tradities een vrij aanzienlijke positie in aangezien volgens de legende Aeneas hier aan land kwam en de bekende Sibylle hier zou gezeteld hebben. Bij Vergilius is het hele zesde boek gewijd aan de ontmoeting van Aeneas en de Sibylle en haar voorspellingen. Omdat het belang van de stad in de literatuur nog sterk toenam in het begin van de keizertijd meent men soms dat de keizer zelf rechtstreeks een hand had in de omvorming van het heiligdom op het oostelijke terras van de acropolis, maar hiervoor ontbreekt elke concrete aanwijzing.
Op de vraag waarom men bij de verbouwing voor dit atypische plan gekozen heeft, kan nog geen sluitend antwoord gegeven worden. Mogelijk speelt het gebrek aan veel ruimte voor uitbreiding een rol[415], al is die hier niet zo beperkt als op het eerste gezicht misschien lijkt. Zeker in het zuiden was er in principe meer dan plaats genoeg om een klassieke pronaos op te richten. Waarschijnlijk moet de oplossing niet zozeer in een praktische maar eerder in een ideologische context gezocht worden. Typerend voor veel andere monumenten uit de Augusteïsche periode, en ook later uit de keizertijd, is de grotere aandacht voor een globaal urbanistisch concept waarbij de zichtbaarheid en de relatie met de omliggende structuren versterkt worden. De herstructurering van de Apollotempel in Cumae lijkt in deze nieuwe optiek te passen want door de bouw van een grootse pronaos met een brede, opengewerkte ingang in het zuidoosten werd een scenografisch effect bekomen waarbij de tempel veel nauwer betrokken werd met de benedenstad en een veel dominantere stempel drukte op het volledige stadsbeeld.
1.2.1.2. Hadrianeïsche fase
Terwijl de meeste archeologen aannemen dat de tempel na de ingrijpende herstructurering in de Augusteïsche tijd geen noemenswaardige ingrepen meer ondergaan heeft, is dit volgens een recente publicatie niet het geval[416]. Vooral op basis van epigrafisch bewijsmateriaal toont Camodeca overtuigend aan dat ook tijdens de regering van Hadrianus belangrijke ingrepen hebben plaatsgevonden aan het gebouw, meer bepaald aan de zuidzijde. Zoals al eerder vermeld is, dacht Gallo al dat er latere aanpassingen gebeurd waren ten zuiden van de cella[417]. Hij wees er vooral op dat daar een iets andere bouwtechniek gehanteerd werd met een veel groter aandeel van baksteen dan in de centrale ruimte zelf, dat er sporen van verbouwingen zijn bij de zuidelijke deuropening en dat de smalle muur die de twee vertrekken van elkaar scheidt zelfs helemaal uit baksteen opgebouwd is. Pagano en vooral Carafa ontkennen echter de mogelijkheid van een latere verbouwing[418]. Het belangrijkste argument van deze laatste auteur is de vaststelling dat de gebruikte bakstenen en de mortel identiek zijn aan die van de cella zelf en dat er duidelijk geen ingrepen gebeurd zijn bij de halfzuilen aan weerszijden van de zuidelijke ingang. Deze sluiten namelijk mooi aan op de zijmuren en moeten dus tegelijkertijd in de Augusteïsche periode gebouwd zijn.
De studie van enkele opschriften werpt een nieuw licht op de zaak. Het was reeds lang bekend dat er in de tijd van Hadrianus door een belangrijke senator, namelijk Q. Tineius Rufus, een marmeren altaar had geschonken aan het heiligdom[419]. Door deze vondst bij de zuidelijke voorbouw van de tempel heeft De Jorio immers in het begin van de 19de eeuw de identificatie van het heiligdom als dat van Apollo verzekerd. Nu zijn echter ook resten opgedoken van een monumentale inscriptie met dezelfde tekst Apollini Cumano / Q. Tineius Rufus[420]. De grootte van de letters (14,9 cm) en van de marmeren plaat waarop die aangebracht zijn (minimum 177,5cm lang en 74cm hoog), duiden erop dat dit opschrift op een belangrijke plaats was aangebracht, misschien boven de zuidelijke ingang. Bovendien wijst een inscriptie van dergelijke omvang erop dat het vermelde personage niet zomaar een altaar gewijd heeft aan de god, maar ook niet geringe aanpassingen aan de tempel zelf heeft laten uitvoeren. Welke precies deze ingrepen zijn, is zonder bijkomend archeologisch moeilijk vast te stellen. Camodeca stelt wel dat hoogstwaarschijnlijk de marmeren trap van 3m breed en vijf treden hoog (ca. 1,10m) die aan de zuidelijke ingang stond hiermee te verbinden. Mogelijk behoort ook het achthoekige waterbekken (diameter 5,70m), dat op slechts 3,10m voor de zuidelijke toegang staat, tot deze Hadrianeïsche fase[421]. Hoewel dit nog vaak als een vroegchristelijke doopvont wordt omschreven[422], is duidelijk dat het hier om een constructie uit de vroege keizertijd gaat die in zeer verzorgde opus latericium is opgebouwd en vanbinnen nog veel sporen van cocciopesto vertoont[423]. Camodeca denkt dat het vermelde altaar hiermee verbonden was aangezien dit in werkelijkheid ook een fonteintje was, zoals blijkt uit de aanwezigheid van een klein bassin (diameter 33,5cm) bovenaan en de duidelijke sporen van een afvoer- en aanvoerleiding[424]. Q. Tineius Rufus zou dus vooral de waterinfrastructuur verbeterd hebben. Verbouwingen aan de tempel zelf zijn mogelijk het scheidingsmuurtje tussen de twee zuidelijke ruimtes, dat volledig in baksteen is opgebouwd, en enkele kleine aanpassingen aan de deuropening zelf. Toch lijkt het er op dat het overgrote deel van de zuidelijke uitbouw inderdaad al tot de Augusteïsche fase behoort zoals Carafa betoogt.
1.2.2. Andere archeologische resten ten zuiden van de tempel van Apollo
Ook rond de tempel zijn in de Romeinse tijd aanpassingen gebeurd. De belangrijkste was de creatie van een nieuwe toegang tot het heiligdom door net voorbij de acropolispoort een trap te bouwen door de zuidelijke flank van het terras[425]. Hierbij werd een gedeelte van de vroegere Oskische ingang vernield (nr. 2) en ten oosten van de Via Sacra een trapeziumvormig pleintje gecreëerd dat van de weg afgescheiden was door een afboording met grote blokken trachiet. Mogelijk stond hier een colonnade maar deze zone is sterk aangetast door latere veranderingen. In de noordelijke helft werd in de laatantieke periode een cisterne gemaakt. Ook de trap zelf ontsnapte niet aan een herbestemming als drie waterreservoirs, zodat enkel in het begin en op het einde nog enkele treden in trachiet zijn overgebleven. Gelukkig zijn wel de zijmuren in zeer verzorgde opus reticulatum nog bewaard tot vaak meer dan twee meter hoog. Daaruit blijkt dat de trap 3,40m breed was, 33,50m lang en gelijktijdig is met de grondige verbouwing van de tempel zelf. In het bovenste gedeelte was ook een ondergronds magazijn aangebracht dat door enkele treden van bovenaf bereikbaar was en waarin nog een dolium in situ staat[426]. Waarschijnlijk gaat het hier om een latere verbouwing want de noordmuur is opgebouwd uit vrij slordig geplaatste kleine tufsteenblokken.
Vlakbij het uiteinde van de zuidelijke toegangstrap is aan de noordwestelijke zijde nog een grote constructie aangetroffen waarvan echter zeer weinig resten bewaard zijn[427]. Het gaat om twee rechthoekige ruimtes die achter elkaar gelegen zijn en gedeeltelijk op de archaïsche ommuring gebouwd zijn. De grootste is 13,70m breed en 10m diep en de kleinste 9m breed en 6m diep en zijn opgebouwd uit opus vittatum met tussen de fundering en het begin van de bovenbouw een laag in baksteen. In de zuidoostelijke hoek van de hoofdruimte zijn ook sporen te zien van ondiepe nissen en een wandbekleding in marmer en de noordoostelijke zijde bestaat volledig uit een hoge drempel. Gezien de bouwtechniek is deze constructie zeker later te plaatsen dan de regering van Augustus, waarschijnlijk in de tweede helft van de 1ste eeuw n.C. Wat de opstand betreft, is de meest waarschijnlijke optie een aula die open is naar de tempel van Apollo toe en die afgedekt wordt door een tongewelf met erachter een kleine ruimte met zadeldak. Over de functie bestaat ook de grootste twijfel. Pagano en Carafa denken dat dit gebouw misschien de zetel was van collegium van de Apollinares, een vereniging die nauw verbonden was met de cultus van Apollo maar ook met die van de keizer. Hun bestaan in Cumae is bevestigd door een opschrift dat op een vaas aangebracht was die in de necropool teruggevonden is en een schenking is van een zekere C. Pomponius Zoticus[428]. In de nabijheid van de toegangstrap zijn ook twee sokkels ven beelden teruggevonden die door een familielid, C. Pomponius Xystus, opgedragen zijn aan de keizers Lucius Verus en Marcus Aurelius[429]. Een andere mogelijke bestemming is een tentoonstellingsruimte voor de votiefgiften en beelden van het heiligdom.
Naast deze constructies zijn er ook tal van beelden die aan het heiligdom toebehoorden en rond de tempel, of sommige er misschien ook in, opgesteld stonden. Een precieze inventaris is er jammer genoeg niet en ook de vondstomstandigheden laten niet toe om te weten waar ze zich precies bevonden. Bovendien zijn bij de ombouw van de tempel tot vroegchristelijke basiliek vele sculpturen verplaatst en blijkbaar ook soms van de acropolis gegleden of geworpen. Bij de opgravingen van de “Romeinse crypte” zijn aan de ingang enkele prachtexemplaren aangetroffen. Op sommige hiervan zijn ook inscripties aangebracht die ons toch enkele interessante gegevens vertellen en een duidelijk bewijs zijn dat het heiligdom in de 4de eeuw n.C. nog steeds in gebruik was, een gegeven dat uit de architecturale resten zelf niet af te leiden is. Zo is er onder meer een beeld dat meestal wordt geïdentificeerd als Psyche met Eros op de schoot, maar dat waarschijnlijk een vruchtbaarheidsgodin voorstelt zoals Venus Genetrix of Tellus, en dat aan Apollo gewijd is door Gnaeus Lucceius[430]. Dit is voor Cumae de belangrijkste Romein die in de laatrepublikeinse en Augusteïsche tijd geleefd heeft, omdat hij samen met andere leden van zijn familie een zeer prominente rol gespeeld heeft in de monumentalisering van de benedenstad. Of deze personen ook een aandeel gehad hebben in de verbouwing van de tempel zelf is echter onmogelijk te zeggen. Een ander bekend standbeeld dat hoogstwaarschijnlijk van het heiligdom afkomstig is, is dat van Diomedes, een marmeren kopie naar het bronzen origineel uit de 5de eeuw v.C. van Kresilas, met de naam van de Romeinse opdrachtgever Caius Claudius Pollio Frugianus vreemd genoeg in het Grieks op de voet gebeiteld[431]. Interessant zijn ook enkele latere opschriften van hooggeplaatste Romeinen uit de 3de en 4de eeuw n.C. Vooral de wijding van Fabius Titianus, consul ordinarius in 337 en praefectus urbis in 339/341 en 350 is een zeldzame aanduiding dat Cumae en meer bepaald Apollo ook in de late Oudheid nog belangstelling genoot[432]. Een andere aanduiding voor het onderhoud van het tempelcomplex is een herstelling uit de 3de eeuw van het altaarfonteintje uit de tijd van Hadrianus[433].
1.2.3. “Tempel B”
1.2.3.1. Beschrijving en datering
In de noordelijke uithoek van het terras verrees in de late republiek een nieuw gebouw op een plaats die voordien grotendeels onbebouwd was[434]. Zoals elders op de acropolis is het door de ongepubliceerde opgravingen van bijna een eeuw geleden ook hier moeilijk het oorspronkelijke uitzicht en de bouwgeschiedenis te reconstrueren. De nog zichtbare resten zijn slecht bewaard[435]. Het is nog net mogelijk te zien dat het in zijn huidige vorm om een kleine tempel gaat uit de vroegaugusteïsche periode met een fundering uit ruwe opus caementicium en een opstand met opus reticulatum. De bouwtechiek komt zeer goed overeen met die van de Apollotempel. Het gebouw is zuidoost-noordwest georiënteerd en bestaat eerst en vooral uit een rechthoekige cella van 13,40m lang en 9,20m breed, met funderingen van 1,50m dik waarvan de noordelijke wand op een archaïsche muur steunt die waarschijnlijk deel uitmaakte van de versterking van het terras[436]. Ten oosten bevindt zich de pronaos die 6m op 9,20m meet. Het vloerniveau ligt daar een halve meter lager dan in de hoofdruimte wat waarschijnlijk wijst op een latere ophoging. In deze vloer uit cocciopesto was een groot opschrift in witte mozaïeksteentjes gelegd dat op één lijn van west naar oost liep[437]. Sinds de ontdekking in 1911 is alles verdwenen maar gelukkig heeft Gabrici de gegevens ervan bijgehouden en zijn er nog foto’s genomen. De tekst was 4,07m lang met letters van 15cm hoog en luidt als volgt:
M(arcus) Papirius M(arci) f(ilius) scr(iba) q(uaestorius) Cn(aeus) Carisius L(ucii) f(ilius) pr(aetor) ex s(enatu) c(onsultu) muniv(erunt)
De twee personages Marcus Papirius en Gnaeus Carisius zijn verder onbekend, maar het feit dat zij nog geen cognomina bezitten en de paleografische kenmerken van de letters wijzen in de richting van een datering rond 100 v.C.[438], wat ook betekent dat dit veruit het oudste Latijnse opschrift is dat tot nu toe in Cumae is aangetroffen. Deze bouwinscriptie kan in elk geval niet behoren tot de resten die nu nog zichtbaar zijn, maar van een fase uit die tijd zijn tot nu toe geen andere muurresten gekend, zodat het onduidelijk is of de huidige tempel hetzelfde plan volgde als het vroegere. Het bestaan van twee fases wordt wel bevestigd door twee vloerniveaus op 35cm van elkaar die aangetroffen zijn in de porticus die tegen de zuidmuur aangebouwd is, al is niet zeker of de onderste laag in opus signinum wel gelijktijdig is met die van de pronaos[439]. Er zijn hier echter nog nauwelijks goede sondages gebeurd zodat toekomstig onderzoek nog veel informatie kan opleveren over de stratigrafie en de bouwgeschiedenis.
Wat het plan van de Augusteïsche structuur betreft, zijn er verder nog enkele eigenaardigheden. Achter de cella bevindt zich nog een rechthoekige ruimte van 2,40m diep en 3m breed met een ingang van 1,60m breed. Deze geeft in het zuiden uit op een kleine kamer (3,60m x 1,80m). Over de functie van deze twee kleine vertrekken tast men volledig in het duister. Waarschijnlijk zijn ze ook niet erg lang in gebruik geweest aangezien de toegang achteraan in de cella toegemaakt werd met opus caementicium. Wanneer precies is echter niet uit te maken. Ook in de noordwestelijke hoek van het heiligdom is er nog een opening zichtbaar (0,90m breed) die naar andere achterin gelegen ruimtes uitgeeft. Het precieze uitzicht ervan kan nu niet meer bepaald worden omdat er in de late Oudheid een cisterne is aangebracht die de sporen uit het einde van de 1ste eeuw v.C.-begin 1ste eeuw n.C. heeft uitgewist. Aan elke zijde van de cella en pronaos bevindt zich een lager gelegen muur die een smalle, langgerekte ruimte afbakent. De zuidelijk structuur staat op het noordelijk uiteinde van de oudere porticus die de “Griekse cisterne” flankeert en moet zeer waarschijnlijk eveneens als een zuilengalerij (1,75m breed) geïnterpreteerd worden omwille van de restanten van drie rechthoekige, bakstenen pijlers (1,20m x 0,60m) die aangetroffen zijn op de betonnen fundering van 75cm breed[440]. Aan de noordkant van de tempel is het minder zeker of het om een portiek gaat. Op de muur van 90cm breed die op 1,65m afstand parallel loopt met de noordwand van de cella en die op de imposante versterking uit de Oskische tijd gebouwd is[441], bevindt zich immers een dwarsmuur zonder opening zodat het hier duidelijk om twee aparte vertrekken gaat. In deze zone is op een diep niveau het reeds beschreven votiefdepot aangetroffen. Hoe deze ruimtes moeten gereconstrueerd worden, blijft een groot vraagteken, net zoals de volledige opstand van het noordelijke heiligdom. Het kan zowel een tempel in antis geweest zijn, met twee zuilen tussen verlengde muren van de pronaos, als een prostyle tempel, met vier frontale kolommen[442].
1.2.3.2. Identificatie
Over de godheid aan wie dit heiligdom gewijd was, bestaan er opnieuw diverse hypotheses. De eerste denkpiste die gevolgd werd, is die van Artemis/Diana in de gedaante van Trivia door Pagano[443]. Vooral enkele passages van Vergilius en de commentaar van Servius op de Aeneis lijken op een sterke band te wijzen tussen Apollo en deze godin, wat volgens hem ook betekent dat hun tempels dicht bij elkaar gelegen waren[444]. In twee recente artikels wordt deze stelling echter verworpen. Een eerste element wordt aangebracht door Pesando die de onbetrouwbaarheid van Vergilius in verband met topografische kwesties benadrukt en meent dat de link tussen de twee goden puur symbolisch opgevat is[445]. Een ander argument tegen de eerste interpretatie, dat door hem vreemd genoeg niet aangehaald wordt maar wel door Jannelli, is het feit dat Artemis reeds vanaf de Griekse periode een plaats had in het pantheon van Cumae en dus al in die periode een eigen cultusplaats moet gehad hebben. Aangezien de tempel op het noordelijke uiteinde van het terras ten vroegste rond 100 v.C. gebouwd is en er geen ouder complex gestaan heeft, moet deze godin zeer waarschijnlijk op een andere plaats vereerd geweest zijn[446]. Beide auteurs lanceren ook zelf een eigen tegenvoorstel. Jannelli denkt dat het mogelijk om Asclepius ging, maar ze geeft verder zeer weinig uitleg[447]. Probleem is dat deze god nog niet geattesteerd is in Cumae en er ook geen andere elementen zijn die in zijn richting wijzen. Meer uitgewerkt en beter onderbouwd is de visie van Pesando die meent dat het misschien een tempel van Magna Mater betreft[448]. Hij baseert zich hierbij in de eerste plaats op parallellen met gekende heiligdommen van deze godin, vooral in Rome en in Ostia. Gemeenschappelijke kenmerken zouden de excentrische ligging zijn en het feit dat ze meestal op de rand van versterkingen of van strategische hoogtes staan, wat zou wijzen op een beschermende functie. Daarnaast vertonen haar cultusplaatsen vaak merkwaardige architecturale onderdelen zoals kleine kamers die zich achterin of opzij bevinden. Een laatste kenmerk is de nood aan veel water. Ook de tempel van Cumae lijkt min of meer in dit schema te passen maar erg overtuigend zijn deze argumenten toch niet. Er zijn heel wat andere tempels die aan deze kenmerken voldoen en toch niet aan Magna Mater gewijd zijn. Bovendien moet Pesando toegeven dat de epigrafische bronnen geen sluitende bevestiging geven voor de verering van de godin de stad[449]. Er is dus meer bewijsmateriaal nodig om deze hypothese kracht te kunnen bijzetten.
1.2.4. Andere constructies rond “Tempel B”
Ook dichtbij de structuren die deel uitmaken van de eigenlijke tempel zijn er nog sporen van andere Romeinse constructies aanwezig waarover echter zo weinig informatie beschikbaar is dat ze slechts heel kort vermeld kunnen worden. Ten eerste is er de oude porticus die dwars op de “Griekse cisterne” staat[450]. Die is door de bouw van het noordelijke heiligdom gedeeltelijk afgebroken maar blijkbaar wel in gebruik gebleven en dus mogelijk herbouwd. Boven de vloer in tufsteen zijn op sommige plaatsen nog sporen zichtbaar van een latere bedekking in opus signinum. Ook de “Griekse cisterne” zelf bleef nog in gebruik. Er werden enkele herstellingen met beton vastgesteld, vooral aan de noordkant, en de opvulling van de ondergrondse ruimte is duidelijk pas in de late Oudheid gebeurd[451].
Aan de westzijde van de tempel bevindt zich een cisterne (ca. 8m x 4,50m) die uitgehouwen is in de tuf en bestaat uit betonmuren bedekt met cocciopesto[452]. Dit waterreservoir behoort zeer waarschijnlijk tot de vroege keizertijd, in tegenstelling tot de meeste andere die her en der verspreid zijn over het terras en pas uit de late Oudheid of Byzantijnse tijd stammen. Ten noorden hiervan zijn nog de summiere overblijfselen aangetroffen van twee parallelle muren in de gekende bouwtechniek van beton met bekleding in opus reticulatum[453]. Het lijkt hier om een gang of porticus te gaan van ca. 4m breed die in het noordwesten een opening heeft, maar andere archeologische resten zijn verder naar het noorden toe nog niet gekend. Aan het oostelijke uiteinde is deze structuur aangebouwd tegen een rechthoekige constructie van 5,80m op 4m die aanleunt tegen de noordwestelijke hoek van de tempel[454]. Deze ruimte steunt volledig op een oudere uitbouw van de Oskische verdedigingsstructuur, mogelijk een toren. De functie in de Romeinse tijd is onbekend.
1.3. “Tempel van Jupiter”
Terwijl er voor de Oskische periode geen indicaties voor herstellingen of verbouwingen van de oorspronkelijke structuur zijn, is ook deze tempel tijdens het begin van het principaat volledig vanaf het podium nieuw opgetrokken. Ondanks de ombouw tot christelijke basilica zijn de opstaande resten uit de 1ste eeuw n.C. nog meer dan voldoende bewaard om een duidelijk idee te hebben van het Romeinse concept.
Net zoals bij de Apollotempel werd enkel de tufstenen basisstructuur bewaard, al heeft men in dit geval wel volledig de oorspronkelijke afmetingen (ca. 40m x 25m), oriëntatie en ook de vijfbeukige basisverdeling behouden[455]. Op de buitenfunderingen, waar vroeger waarschijnlijk een zuilenrij bovenop gestaan had, werd nu een volle muur gebouwd van 90cm breed in opus reticulatum waarvan slechts enkele restanten bewaard gebleven zijn. Deze omsluit zo de rest van het gebouw en moet het een erg gesloten karakter gegeven hebben. In de oostwand zijn drie toegangen gemaakt, één centrale van 2,25m breed en twee laterale van elk 1,25m die met een trap uit trachiet konden bereikt worden. Er zijn nog drie treden bewaard. De façade is verder nog versierd met zes halfronde, bakstenen pilasters die symmetrisch geplaatst zijn: telkens twee tussen de grote en de twee kleine ingangen en dan nog één aan de andere kant van beide zijopeningen.
Op 11,75m afstand van de centrale toegang ligt in het midden de cella die in verhouding tot de rest van het complex nogal klein uitvalt. Ze is wel even breed, maar niet meer even lang is als de oorspronkelijke centrale ruimte. Ze meet 11,5m op 7m en is opgebouwd volgens dezelfde manier als de tempel van Apollo met muurbekleding in opus reticulatum, op de hoeken verstevigd met bakstenen. De beide lange wanden van de cella zijn nog tot 3m hoogte bewaard en aan de binnenkant door zes halfzuilen uit baksteen onderverdeeld in vijf rechthoekige, ondiepe nissen die bekleed zijn met tufstenen in reticulatum. Aan de buitenzijde zijn nog resten zichtbaar van smalle pilasters die ongeveer tegenover de halfzuilen aan de andere zijde geplaatst zijn, maar wel verder naar het westen doorlopen. De grote oostelijke ingang vertoont nu aan weerszijden korte muurtjes die echter in opus listatum gebouwd zijn en dus niet tot de originele structuur behoren. Of deze ingreep al tot de vroegchristelijke fase behoort (5de eeuw n.C.) of eerder is uitgevoerd, is echter onduidelijk. De 1ste-eeuwse toegang was vermoedelijk zo breed als de hele centrale ruimte en werd enkel afgebakend door twee vierkante pijlers op de hoeken. Achterin de cella bevindt zich een smalle dwarsmuur van 60cm waartegen een laag podium staat dat bij de opgraving nog rijkelijk voorzien was van marmer. Mogelijk is dit echter een 5de of 6de-eeuwse verbouwing. In deze wand is in het noorden de aanzet te zien van een venster en ook aan de andere kant wordt er een verondersteld. Volgens Pagano zijn deze openingen onterecht als late ingrepen bestempeld en behoren ze wel degelijk tot de eerste Romeinse fase[456]. Zij zouden een doorkijk geboden hebben naar de achterliggende ruimte en belangrijk geweest zijn voor de cultuspraktijken.
Achter de cella ligt inderdaad nog een ander vertrek dat bijna net zo groot is (11m x 6m) en dat niet rechtstreeks van hieruit bereikbaar is. De twee ingangen situeren zich in de lange zijwanden en zijn 1,75m breed. Dit rechthoekig vertrek is in de late Oudheid sterk verbouwd en omgevormd tot doopruimte. Een mooi overblijfsel van de christelijke basilica is het goed bewaarde, ronde bassin met drie trappen dat bekleed is met polychroom marmer. Over de functie van deze grote ruimte tast men volledig in het duister.
In de centrale as van de tempel bevindt zich achter de twee beschreven ruimtes nog een derde, gescheiden van de middelste door een muur van 60cm dik. Dit vertrek is ongetwijfeld kleiner, maar aangezien het westelijke gedeelte geërodeerd is, kan men moeilijk de oorspronkelijke lengte inschatten. Opnieuw situeert de toegang zich aan de zijkant. In dit geval is er mogelijk slechts één in de zuidwand. Van de overdekking is de aanzet van een tongewelf bewaard dat noord-zuid georiënteerd is, dus loodrecht op de lengteas van de tempel.
Voor de cella staan in het verlengde van de lange noord- en zuidmuur drie vierkante zuilen in baksteen van ca. 1m x 1m die van hetzelfde type zijn als de twee rijen pijlers die de drie middelste ruimtes flankeren. Hiervan zijn er in het zuiden nu nog 11 en in het noorden 12 exemplaren over terwijl het er oorspronkelijk minstens 13 geweest moeten zijn. Zij waren al van bij de Romeinse herstructurering overspannen door bogen, eveneens in baksteen[457]. De voorhal, die twaalf zuilen telt en vier corresponderende aanzetten van 1,25m breed tegen de oostmuur, moet zo een erg weidse ruimte geweest zijn en meet 11,75m op 23m. Maiuri dacht dat deze laterale boogrijen een vroegchristelijke ingreep waren om op die manier een vijfschepige basilica te creëren, maar de bouwtechniek, de gebruikte materialen en de mortels zijn volledig vergelijkbaar met zowel de omtreksmuur als met de drie centrale ruimtes. Dit wijst erop dat ze wel degelijk bij de originele tempel horen en alle resten als één samenhangend geheel moeten gezien worden[458].
Hoe de bedekking van deze hele ruimte er oorspronkelijk uitzag, is nog steeds een onopgelost probleem. In de oudere visie van Christern is niet de volledige tempel van een dak voorzien[459], maar dit wordt afgewezen door de recentere studies. Verspreid in de laterale galerijen en in de voorhal zijn overblijfselen aanwezig van een bevloering in cocciopesto met witte marmeren tegeltjes die eenvoudige lijnen vormen en nergens zijn er sporen van afwatering[460]. Mogelijk werd de volledige constructie overspannen met een zadeldak, al ontbreken ook voor deze hypothese echt doorslaggevende argumenten.
Van aanpassingen of herstellingen uit de keizertijd na Augustus zijn tot nu toe geen duidelijke sporen. Enkel de deurposten in opus listatum zijn misschien voorafgaand aan de omvorming tot kerk.
Voor een datering beschikt men enkel over de muurtechniek. Die bestaat voor de muren van de centrale ruimtes en de omheiningsmuur vooral uit opus reticulatum, met verstevigingen op de hoeken in baksteen. De pijlers zijn volledig in opus testaceum opgebouwd. Zowel de bouwmaterialen als de mortellagen zijn gelijkaardig als die van de tempel van Apollo zodat sommige geleerden ervan uitgaan dat ook de “Tempel van Jupiter” uit de tijd van Augustus stamt, al zou dit wel naar het einde van zijn regering zijn wegens het groter gebruik van baksteen[461]. Anderen wijzen er echter op dat hier teveel baksteen gebruikt is om al uit de Augusteïsche periode te kunnen dateren, en pleiten voor een latere datering in de 1ste eeuw n.C.[462] Pagano wijst er echter op dat het veelvuldig gebruik van baksteen in de tijd van Augustus ook op andere plaatsen in de Flegreïsche velden al met zekerheid geattesteerd is en dat er ook andere argumenten zijn om deze datering te bevestigen. Welke deze bijkomende elementen worden echter niet verteld. De discussie over de chronologie is dus nog niet beslecht zodat toekomstig stratigrafisch onderzoek zeker welkom is.
1.4. Andere structuren
Ook op andere plaatsen op de Monte di Cuma zijn nog resten gesignaleerd van Romeinse constructies, maar aangezien geen enkele studie tot nu toe andere gebouwen op deze heuvel besproken heeft, is de informatie erg schaars. Die bestaat enkel uit zeer beperkte en algemene verwijzingen.
De enige weg op de acropolis, de Via Sacra, gaat in zijn huidige vorm zeker terug tot een heraanleg uit de keizertijd zoals men kan afleiden uit de plaveien in trachiet[463]. Normaal schrijft men deze ingreep ook toe aan de periode van Augustus en kadert men die in de volledige herstructurering van de acropolis. Alhoewel dit een aannemelijke hypothese is, zijn er in feite geen archeologische bewijzen en zou het dus ook mogelijk zijn dat datgene wat momenteel zichtbaar is uit een latere fase dateert.
Verder zijn er vermeldingen van cisternes. Eén bevindt zich aan de noordrand en meet 5,50m x 2,90m[464]. Een andere is gesignaleerd op de zuidoostelijke flank, ten westen van de ingang bij een zone die het “Belvedère” wordt genoemd[465]. Daarboven zijn nog beperkte muurresten aangetroffen die lijken te wijzen op een woning. In de omgeving is de aanwezigheid van andere Romeinse constructies vastgesteld die een indicatie zijn dat in deze zone van de acropolis blijkbaar een woonwijk gevestigd was. Een meer uitvoerige beschrijving, foto’s of tekeningen zijn sinds de ontdekking in 1989 nog niet vrijgegeven.
2.1. Versterkingen
Onze kennis over de ommuring van de stad in de Romeinse periode is nog beperkt. Dankzij het onderzoek van de laatste jaren bij de noordmuur van de stad heeft men kunnen vaststellen dat er na de 3de eeuw v.C. geen ingrijpende veranderingen meer hebben plaatsgevonden. In het begin van de 1ste eeuw v.C. heeft men de omwalling zelf nog gerestaureerd, maar vanaf de keizertijd verloor die duidelijk zijn militaire functie. Verbouwingen leken dan vooral te bestaan uit een verfraaiing van de “Middenpoort”. Hetzelfde fenomeen deed zich voor bij de oostmuur van de stad waar op de top van de Monte Grillo onder Domitianus een imposante stadspoort verrees die echter geen defensief karakter had.
2.1.1. Noordelijke stadsmuur
2.1.1.1. Vijfde fase (1ste helft 1ste eeuw v.C.)
Een eerste ingreep bij de noordmuur bestond uit het dumpen van de gracht die voor deze versterking liep rond 100 v.C.[466] Op die plaats werd dan een weg in aangestampte aarde met cocciopesto aangelegd van 6,70m breed die in het noorden afgeboord werd door een afvoerkanaaltje[467]. In het begin van de 1ste eeuw v.C. werden er ook nog herstellingen uitgevoerd die vooral bestonden uit een vernieuwing van de bekleding aan de binnenzijde van de noordmuur[468]. Daar is bij recent onderzoek zowel ten oosten als ten westen van de “Middenpoort” het gebruik van opus quasi reticulatum vastgesteld[469]. Aan de oostzijde werd hierbij de binnenwand wel grondig verbouwd en werd het geheel uiteindelijk nog met zo’n 60cm verbreed tot 13m. Ook de stadspoort zelf werd onder handen genomen en in het midden werd een muur opgericht zodat twee gescheiden openingen gecreëerd werden van elk 3m breed[470]. Deze werden overdekt door twee betonnen tongewelven waarvan nog grote brokstukken op de weg zijn aangetroffen. Van het oorspronkelijke parement is niets meer bewaard. Aan de zijwanden van de poortdoorgang zijn hier en daar nog sporen van een bekleding in verzorgde opus reticulatum met tufblokken van 7cm x 7cm te zien, maar dit zijn de overblijfselen van een latere herstelling. De creatie van de dubbele toegang met betongewelven is duidelijk gelijktijdig met de herstelling van de binnenmuur. Zowel de ononderbroken structuren in opus caementicium als het identieke archeologische materiaal uit de respectievelijke funderingen wijzen hierop. Aan de voorbouw werd helemaal niet geraakt.
Waarschijnlijk moeten deze aanpassingen ook verbonden worden met de imposante ommuring van het “Driehoekige terras” die volgens dezelfde bouwtechniek is gemaakt, al ontbreekt daar nog stratigrafisch onderzoek om dit te bevestigen. Deze werken worden door de archeologen meestal gezien in de context van de oorlogen aan het begin van de 1ste eeuw v.C. met Sulla als hoofdrolspeler, de dictator die Cumae als een van zijn trouwste bondgenoten had.
2.1.1.2. Zesde fase (eind 1ste eeuw v.C.-1ste eeuw n.C.)
Bij de opgravingscampagne van 2002 zijn ook nog elementen aan het licht gekomen die wijzen op een verdere monumentalisering van de “Middenpoort” in de keizertijd[471]. De ommuring zelf werd niet meer hersteld of aangepast na het begin van de 1ste eeuw v.C. Aan de oostelijke voorbouw van de stadspoort werd aan het noordelijke uiteinde nog een muur aangebouwd met aan de oostzijde een parement in opus reticulatum en aan de westzijde een bekleding met dikke platen waarvan echter niets meer bewaard is[472]. De functie noch de datering van dit bouwsel zijn voorlopig duidelijk. Op basis van de bouwtechniek wordt eerder in de richting van de Augusteïsche periode gedacht, maar ook de Flavische tijd wordt niet a priori uitgesloten. In elk geval moeten de plaveien uit trachiet, die in de omgeving zijn aangetroffen, gedateerd worden in de regering van Domitianus zoals bevestigd is door de archeologen van het Centre Jean Bérard die enkele tientallen meters verder een gedeelte van de Via Domitiana buiten de stad onderzoeken[473]. Of men hier te maken heeft met twee verschillende fases of met één en dezelfde die kadert in de aanleg van de grote Romeinse weg blijft momenteel onduidelijk. Opmerkelijk is ook de aanwezigheid van een oudere tufstenen structuur ongeveer in het midden van de voorhof van de stadspoort[474]. Het betreft een rechthoek van 4,20m x 2,60m die opgebouwd is uit platte steenblokken van diverse grootte die tot 46cm boven het Romeinse niveau uitsteken. Dit min of meer vlakke platform is aan de vier zijden afgebroken, maar wel geïntegreerd in de Flavische straataanleg. Aan de noordzijde zijn twee stootstenen aangebracht en is er ook ruimte voorzien voor een groot element in steen. Alhoewel dit misschien een overblijfsel is van een eremonument zijn er momenteel nog te weinig elementen om deze hypothese hard te maken. De toekomstige opgravingen zullen ongetwijfeld een meer coherent beeld kunnen geven van de zone ten noorden van de stadspoort en hopelijk ook meer duidelijkheid kunnen scheppen over deze structuur.
2.1.1.3. Verval
De ommuring zelf is na de herstellingen uit de eerste decennia van de 1ste eeuw v.C. steeds meer aan zijn lot overgelaten en van een verdere monumentalisering in het begin van de keizertijd zoals bij de stadspoort is absoluut geen sprake. Zoals reeds vermeld is, werd bij de werken uit de tijd van Sulla de gracht voor de muur gedempt en werd er daarop een weg aangelegd[475]. Die is zelf slechts enkele tientallen jaren in gebruik gebleven tot ca. 50-40 v.C. en vanaf dat moment werd deze zone geleidelijk aan ingepalmd als necropool, ook vlakbij de “Middenpoort”. Deze evolutie betekende een defunctionalisatie van de versterkingen en naar het einde toe van de 1ste eeuw n.C. werd blijkbaar ook de muur zelf niet ongemoeid gelaten aangezien een graf uit de Flavische periode een deel van de Oskische buitenfaçade heeft aangetast[476]. Toch betekent dit zeker niet dat de omwalling volledig werd afgebroken. De graven en opvullingslagen worden duidelijk nog afgegrensd door de wand uit de 3de eeuw v.C. en men heeft dus op dat moment enkel hier en daar bouwstenen verwijderd. Dit gegeven heeft men niet alleen kunnen vaststellen bij de uitgebreide sondage ten oosten van de “Middenpoort” maar nog veel beter in de omgeving van de oostelijke stadstoegang.
In de 2de eeuw n.C. ging de teloorgang van de versterkingen verder en werden nu ook effectief gedeeltes van de stadsmuur ontmanteld. Dit heeft men kunnen vaststellen nabij de oostelijke poort[477]. Rond de “Middenpoort” bleef er wel nog een groot stuk staan en werden tegen de binnenwand in opus quasi reticulatum allerlei kleine constructies gebouwd waarbij de oude muur ook bepleisterd werd. Hun grondplan en precieze functie is nog niet gekend omdat de opgravingen in deze zone nog volop bezig zijn, maar waarschijnlijk gaat het om woningen en/of werkplaatsen. Het is pas vanaf de 4de eeuw n.C. dat hier de defensieve structuren op grote schaal geslecht werden[478]. Toch zijn er altijd wel aanzienlijke resten van de ommuring blijven rechtstaan en is de aflijning ervan tot in de Byzantijnse tijd gerespecteerd gebleven. De ophogingslagen en het grafveld aan de buitenkant van de stad uit de 6de eeuw leunen namelijk aan tegen de versterking en lopen niet verder door. De “Middenpoort” zelf is in de loop van de 4de en 5de eeuw n.C. gedeeltelijk ingestort, maar op het puin werden nieuwe straatniveaus in aarde en tufsteengruis aangelegd die in gebruik bleven tot het einde van de 6de eeuw.
2.1.2. Arco Felice
In het oosten van de stad werd op het einde van de 1ste eeuw n.C. nog een zeer monumentale constructie aangelegd die de belangrijkste aanpassing is aan de ommuring van de stad in de keizertijd. Het gaat om de bouw van de Arco Felice die als oostelijke stadspoort functioneerde[479]. De constructie ervan op de top van de Monte Grillo kaderde in een groter project, namelijk de aanleg van de Via Domitiana en is in geen geval te vergelijken met de vroegere aanpassingen aan de omwalling van de stad[480]. Het betreft hier immers niet in de eerste plaats een defensieve structuur, maar een multifunctioneel monument dat ook bedoeld was om te imponeren. In feit was de boog vooral nodig om de flanken van de heuvel te ondersteunen. Om het oversteken van de Monte Grillo te vergemakkelijken had men immers op de top een brede en diepe doorgang van vele tientallen meters lang in de tuf uitgehakt. Het niveau van de weg ligt op het diepste punt maar liefst 31,5m onder de top, wat betekent dat er een enorme hoeveelheid tufsteen uitgehakt is. Die is voor een groot deel gebruikt voor de betonnen kern van de Arco Felice en voor de bekleding van de zijmuren. Uit een serie sondages van een tiental jaren geleden blijkt duidelijk dat deze diepe sleuf op het einde van de 1ste eeuw n.C. is gerealiseerd en dus niet vroeger dan de Arco Felice, zoals soms wel eens gedacht werd[481]. Door deze zware ingreep zijn natuurlijk eventuele vroegere resten uitgewist, zodat het onduidelijk is of er in de Griekse periode hier mogelijk ook al een stadspoort was op een veel hoger niveau. Zoals we al eerder vermeld hebben, heeft deze hypothese aan kracht gewonnen omdat men enkele jaren geleden op het onderste gedeelte van de Monte Grillo onder de Romeinse plaveien van de Via Domitiana wegbeddingen heeft gevonden van in de 5de eeuw v.C.[482]
De Arco Felice zelf is in totaal 31,5m hoog en 17,65m lang en is gebouwd op de top van de Monte Grillo waar de doorgang het diepste is. De breedte gaat van 18m onderaan tot ruim 21m bovenaan. De doorgang wordt gevormd door een centrale boog van 17,5m hoog en 6,30m breed die volledig bekleed is met opus latericium. Die opening is onderaan aan weerszijden afgelijnd door een rij grijze tufsteenblokken van 0,85m x 0,85m waardoor de doorgang voor het verkeer versmald wordt tot ca. 4,60m. De rest van de structuur rond de eigenlijke doorgang is verstevigd door tufstenen die tegen de betonkern geplaatst zijn en aan de buitenzijde bekleed zijn met bakstenen. Aan de zijde van Cumae (westen) is aan weerszijden een nis uitgespaard. Boven de eigenlijke poort zijn nog boogconstructies zichtbaar die verschillend zijn aan de twee zijden van de Arco Felice[483]. De westelijk façade heeft een enkele rij van drie arcades waarvan de middelste breder en hoger is (min. 7,20m hoog x 6m breed) dan de twee laterale (5,20m hoog x 3,40m breed). De basis hiervan ligt lager, maar bovenaan moeten ze allemaal even hoog geweest zijn. Op de top was immers een vlak niveau gemaakt dat waarschijnlijk als viaduct diende om zo het dwarsen van de Via Domitiana in de hoogte mogelijk te maken[484]. Aan de oostelijke zijde zijn er twee verdiepingen met telkens drie bogen geconstrueerd van ca. 4,75m hoog. Beide rijen bestaan uit een centrale arcade van ca. 7m breed die aan weerszijden geflankeerd wordt door een smallere van 3,75m breed. Als men de doorsnede bekijkt, valt op dat de twee gedeeltes niet even diep zijn maar dat de oostelijke zijde dubbel zo diep is als de westelijke, namelijk 11,77m (40 Romeinse voet) tegenover 5,88m (20 Romeinse voet)[485]. Merkwaardig is dat aan de binnenkant van de eerste etage blijkbaar een grote holle ruimte is uitgespaard van ca. 10m diepte en 5m hoog die bereikbaar is via een valluik in het gewelf. Mogelijk gaat het hier om een vertrek dat gebruikt werd door de wachters van de stad. Jammer genoeg maken de latere verbouwingen en de erg slechte toestand van de tweede verdieping het onmogelijk om een precieze reconstructie van het geheel te maken. Het is bijvoorbeeld niet duidelijk of de centrale boog volledig open of gedeeltelijk dicht was.
Van de oorspronkelijke bekleding is niets meer bewaard gebleven al wordt meestal verondersteld dat hij rijkelijk versierd was, gezien het monumentale karakter en de aanwezigheid van nissen waar beelden konden geplaatst worden. De Arco Felice moet immers volgens de meeste geleerden niet alleen beschouwd worden als een stadspoort met bijkomende functie van viaduct en ondersteuning van de doorboorde heuvelflanken, maar ook als een eremonument voor Domitianus.
Om de uitgehakte doorgang ook verder naar het westen toe te beschermen tegen grote erosie en vallende tufsteenblokken werden de flanken daar nog over vele tientallen meters lang verstevigd door muren. Die zijn in de jaren ’30 gedeeltelijk vrijgelegd en vooral de zuidelijke muur met een bekleding in opus reticulatum is nog vrij goed geconserveerd. Het eerste gedeelte van ca. 50m lang heeft nog een dunne kern in beton tot aan de plaats waar een poortopening van ca. 3m breed gesitueerd is. Wat de functie van dit poortje was, is niet duidelijk, al kan het mogelijk wel verbonden worden met een gang die gekend was in de 18de en 19de eeuw en nog zichtbaar is op enkele oude prenttekeningen. De meest waarschijnlijke interpretatie is dat deze tunnel naar de top van de heuvel loopt om zo onder meer toegang te verschaffen tot de ruimtes die boven de grote doorgang gelegen zijn, maar volgens Chiosi is het ook niet uitgesloten dat ze in de diepte gaat[486].
2.2. Urbanistische ingrepen
2.2.1. Tunnels
Ten tijde van de vele oorlogen die het Romeinse rijk teisterden in de 1ste eeuw v.C. bleef Cumae steeds buiten schot behalve tijdens de periode 38-36 v.C. Na de zeeslag die Octavianus verloren had van Sextus Pompeius in de wateren nabij de stad in 38 v.C. moest de vloot van de toekomstige keizer volledig vanaf nul herbouwd worden en dit gebeurde in de zone van het Avernus- en Lucrinusmeer waar de zogenaamde Portus Iulius ingericht werd. Het volledige Flegreïsche gebied werd betrokken bij dit enorme militaire project dat onder leiding stond van Marcus Agrippa waarbij de steden Cumae en Puteoli vooral een ondersteunende, logistieke functie hadden. Om de aanvoer van materiaal en werklui te vergemakkelijken en te beveiligen, werden meerdere tunnels geconstrueerd. Twee ervan vertrokken uit de Cumae zelf. Het gaat hier meer bepaald om de “Romeinse crypte” in het westen en om de “Grot van Cocceius” in het oosten. Andere onderaardse doorgangen die in dezelfde context gerealiseerd werden, zijn de “Grot van de Sibylle” tussen het Lago d’Averno en het Lago Lucrino, de “Grot van Seianus” en de “Napolitaanse crypte” ten westen van Napels[487]. Hoewel deze tunnels in eerste instantie met een militair doel gegraven zijn, werden ze al snel voor civiele doeleinden aangewend en vergemakkelijkten ze het verkeer in dit erg heuvelachtig gebied aanzienlijk. Sommige werden zelfs nog tot in de 20ste eeuw gebruikt.
2.2.1.1. “Grot van Cocceius”
In het zuidoosten van Cumae, op de flank van de Monte Grillo, vertrekt de meest indrukwekkende tunnel van de Flegreïsche velden die uitmondt bij de noordwestelijke oever van het Lago d’Averno[488]. Jammer genoeg is dit belangrijke Romeinse monument niet zo goed gekend omdat het sinds de Tweede Wereldoorlog niet meer toegankelijk is. In die tijd werd het namelijk gebruikt als wapenopslagplaats en door een ongeluk is die ontploft waardoor een groot gedeelte ingestort is. Reeds vele jaren wordt aangekondigd dat de “Grot van Cocceius” weer vrijgemaakt en opnieuw opengesteld zal worden voor het publiek. Tot nu toe is dit echter nog altijd niet gebeurd en laat ook een grondig archeologisch onderzoek op zich wachten. In 1844 werd de min of meer verstopte doorgang vrijgemaakt, maar echte opgravingen hebben in het verleden nooit plaatsgevonden. Gelukkig zijn er wel enkele waarnemingen genoteerd door Maiuri zodat we toch over enige informatie beschikken.
De tunnel van bijna een kilometer lang, 970m om exact te zijn, en 4,5m breed is een staaltje van Romeins meesterschap want hij is perfect rechtlijnig van begin tot einde[489]. Hij is volledig in de tuf uitgehakt op 50 tot 80 meter onder de heuveltop en vertoont een goed afgewerkt, boogvormig profiel. Bij de ingang aan de kant van Cumae zijn de wanden verstevigd met beton en bekleed met opus reticulatum terwijl dit voor de rest van de gehele tunnel niet meer het geval is en de tuf onbedekt gelaten is. De opening aan het Avernusmeer zou gemonumentaliseerd geweest zijn door een vestibule met zuilen en aan de andere kant zou zich een herdenkingsopschrift bevonden hebben, maar deze beweringen zijn momenteel niet te verifiëren[490]. De hoogte is niet precies gekend maar situeert zich tussen de 4,50m en 5m. Ook over het aantal lichtkokers bestaat geen volledige duidelijkheid[491]. In de eerste 630m vanaf Cumae zijn er minstens zes, mogelijk zeven, aanwezig. Nabij de westelijke ingang bevinden zich twee schuine schachten die samenkomen bij hetzelfde gat in de heuveltop. Wat verder is er een horizontale opening waar ook een andere gang vertrekt die in zuidwestelijke richting lijkt te lopen, ongeveer naar het amfitheater toe. Deze tunnel is echter nog nooit onderzocht zodat men niet weet of die ook Romeins is en waar hij precies uitkomt. In het middelste gedeelte van de “Grot van Cocceius” zijn er drie of, volgens anderen, vier verticale schachten gesignaleerd. Deze hebben een brede basis en versmallen sterk naar boven toe zodat ze een klokvormig profiel vertonen. Ze zijn bekleed met opus reticulatum maar vertonen ook sporen van herstellingen met plat gelegde, rechthoekige tufsteenblokken in opus vittatum. De “Grot van Cocceius” vertoont in de laatste 360m naar het Avernusmeer toe geen enkele opening in de rotswand zodat daar ongetwijfeld artificiële verlichting noodzakelijk was. Waarschijnlijk is het ontbreken van lichtkokers te wijten aan de toegenomen dikte van de Monte Grillo in dit gedeelte die het te moeilijk maakten om stabiele schachten te realiseren. Het aardoppervlak bevindt zich hier op 80m boven de gang terwijl dat in de eerste honderden meters rond de 50m schommelt.
Als de tunnel over zijn gehele lengte beschouwd wordt, is er een sterke daling vast te stellen van ca. 40m tussen begin- en eindpunt, wat meer is dan in de andere constructies, maar in de Oudheid moet de hellingsgraad wel een stuk minder geweest zijn. We moeten er rekening mee houden dat in de zone van het Lago d’Averno het grondniveau door bradysisme gevoelig gedaald is.
Wat de bouwdatum betreft, kunnen we zeker zijn dat die 38-37 v.C. is. Er is niet alleen de bouwtechniek die op de Augusteïsche periode wijst, maar bovendien beschikken we over waardevolle historische informatie van de hand van Strabo[492]:

“Nadat Agrippa het bos rond het Avernusmeer heeft omgehakt, de streek tot aan Baiae omgevormd is tot een woonwijk en er een ondergrondse gang gegraven is vanaf het Avernusmeer tot aan Cumae, is dit alles legende geworden want Cocceius heeft deze tunnel gemaakt en degene die van Dikaiarcha naar Napels loopt…”
Deze tekst levert ons naast een datering ten tijde van de bouw van de Portus Iulius onder leiding van Agrippa ook de naam van de architect op die voluit Lucius Cocceius Auctus luidt. Veel is er niet over hem gekend behalve dat hij een vrijgelatene was van C. Postumius Pollio en voordien gediend had onder L. Cocceius Nerva en in de Flegreïsche regio ook aan andere bouwwerken heeft meegeholpen, waarschijnlijk ook als geldschieter. Zeker is dat hij het Capitolium in Puteoli grondig heeft verbouwd[493]. Mogelijk was ook nog bij andere projecten betrokken in Cumae zelf in de functie van redemptor, een verpachter, maar jammer genoeg is het desbetreffende opschrift niet volledig bewaard zodat het niet volledig zeker is dat het om hem gaat[494]. Meestal worden ook de andere tunnels in het gebied aan Cocceius toegeschreven omdat ze eveneens uit de Augusteïsche periode dateren, ook al is er eigenlijk geen verder bewijs hiervoor.
In origine had de “Grot van Cocceius” vooral een militaire functie om snel goederen en personen te transporteren tussen de haven van Cumae, die naar alle waarschijnlijkheid ten noorden van de stad moet gesitueerd worden in het vroegere Lago di Licola, en het Lago d’Averno en Lago Lucrino. De westelijke opening sloot dan ook goed aan op het wegennet in de stad om zo snel transitverkeer mogelijk te maken[495]. Langs de noordzijde werd in dezelfde tijd ook een ondergrondse waterleiding gebouwd die een aftakking was van het grote “Aquaduct van Serino” en werd de voornaamste waterleverancier van de nederzetting[496]. Na het verplaatsen van de militaire haven naar Misenum werd de tunnel voornamelijk voor civiele doeleinden gebruikt.
2.2.1.2. “Romeinse crypte”
Aan de andere zijde van de stad ligt er een kortere tunnel van 292,5m lang die onder het zuidelijkste punt van de acropolis loopt en de zone van het forum verbindt met de westelijke periferie bij de zee[497]. Bij de opgraving in de jaren 1920 dacht Maiuri eerst dat hij de grot van de Sibylle gevonden had[498], maar later bleek het om een gewone doorgang te gaan en werd de woonplaats van de profetes geïdentificeerd met de andere nabij gelegen ondergrondse ruimte. Op dat moment werd de ondergrondse structuur omgedoopt tot “Romeinse crypte”, de conventionele benaming die het nog steeds draagt. Hoewel deze tunnel als gelijktijdig wordt beschouwd met de net beschreven “Grot van Cocceius” is ze erg verschillend. Hier is het traject allesbehalve rechtlijnig maar zeer onregelmatig. Over de volledige lengte, waarvan heden ten dage 100,5m niet overdekt zijn, zijn er vier verschillende, min of meer rechte delen te onderscheiden[499]. De redenen voor dit ongewone verloop moeten gezocht worden in de aanwezigheid van enkele vroegere structuren, vooral een complex van grote cisternes, die geïncorporeerd werden, het ontwijken van het terras van de Apollotempel dat net ten noorden gelegen is, de weinig beschikbare ruimte om de westelijke opening op een strategische en laag gelegen plaats te creëren en de noodzaak om het geheel aan te sluiten op het bestaande stratennet.
Vooraleer overgegaan wordt tot een beschrijving van de “Romeinse crypte” is het belangrijk op te merken dat de structuur die momenteel zichtbaar is volgens recent onderzoek van Caputo niet enkel toe te schrijven is aan de tijd van de oorlog tussen Octavianus en Pompeius. Er is namelijk ook een belangrijke tweede fase vastgesteld waarbij vooral een monumentalisering heeft plaatsgegrepen door de toevoeging van een ruime vestibule in het westen en de oprichting van een grote ereboog bij de oostelijke toegang. Daarmee gepaard ging ook een gevoelige verhoging van het grondniveau met 2,30m, waarschijnlijk om de stabiliteit te verbeteren. Deze ingrepen zijn te situeren in de Flavische periode, waarschijnlijk onder keizer Domitianus. In de late Oudheid heeft de tunnel nog een complexe geschiedenis gekend[500]. Na de instorting van het westelijke gedeelte in de tweede helft van de 3de eeuw n.C. werden er in de wanden van de oostelijke helft een vijfentwintigtal christelijke graven gegraven en werd er ook een kerkje ingericht. Na de verovering door de Byzantijnse generaal Belisarius werd het puin geruimd en slaagde men er weer in een volledige doorgang te realiseren (ca. 535-540 n.C.). Deze heropening was echter geen lang leven beschoren. Bij de belegering van Narses in 552 n.C. om de acropolis te heroveren op de Goten stortte het westelijke gedeelte opnieuw in, dit keer voorgoed.
De oostelijke ingang van de “Romeinse crypte” situeert zich op slechts 150m van de noordwestelijke hoek van het forum en is gemakkelijk bereikbaar via de straat die langs de noordzijde van het Capitolium ernaartoe leidt[501]. Waar de plaveien stoppen, zijn nog de basissen zichtbaar van een monumentale boog waarvan ook nog marmeren fragmenten van de kroonlijst en pilasters aangetroffen zijn[502]. Het onderste gedeelte vertoont een parement van opus vittatum met baksteen en ook nog stuk