COSATU en het beleid van Thabo Mbeki. (Jan Buelinckx)

 

home lijst scripties inhoud vorige volgende  

 

“An injury to one, is an injury to all”[1]

 

Inleiding

 

 

In deze scriptie speelt de grootste Zuid-Afrikaanse vakbondskoepel COSATU de hoofdrol. Ik heb getracht na te gaan wat de positie is van deze vakbondskoepel in het huidige Zuid-Afrika onder Thabo Mbeki. Hoe ben ik nu op dit thema gekomen? Als student en als antiglobalist was ik benieuwd om er achter te komen welke positie een vakbond in het Zuiden inneemt. Bij ons in West-Europa spelen de vakbonden immers een belangrijke rol. Vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog zijn de vakbonden volwaardige partners in het sociaal-economisch beleid geworden. Zij hebben een belangrijke rol gespeeld in de uitbouw van de welvaartsstaat (de Fordistische staat). Sinds de opmars van het neoliberalisme medio jaren tachtig zien zij hun positie afkalven. De economie is gaan globaliseren en heeft de vakbonden de wind uit de zeilen genomen. De opkomst van de antiglobaliseringsbeweging biedt de vakbonden echter nieuwe perspectieven. Als vertegenwoordigende organen van de meerderheid van de bevolking, namelijk van de loontrekkenden, kunnen zij een historische rol vervullen in de opbouw van een andere wereld.[2]

 

Welnu, vanuit deze vaststelling en vanuit deze nieuwsgierigheid koos ik ervoor om na te gaan welke positie de vakbond heeft in een land in het Zuiden. De keuze viel op Zuid-Afrika, een land dat me onmiddellijk deed denken aan apartheid, aan het vrijheidsstreven van de onderdrukte zwarten (Nelson Mandela, Oliver Tambo, Steve Biko) en aan grote ongelijkheid. Ik ontdekte al snel dat in dit land een grote vakbond aanwezig is, één die nota bene deel uitmaakt van de regerende Alliantie. Deze alliantie bestaat uit drie actoren: het African National Congress (ANC), de organisatie die jarenlang strijd leverde tegen de apartheid, de South African Communist Party (SACP), de communistische partij die de ANC steunde in de strijd, het Congress of South African Trade Unions (COSATU), de grote vakbondsfederatie die sinds de oprichting in 1985 een belangrijke rol speelde in de omverwerping van de apartheid. Deze Tripartite Alliantie (kortweg de Alliantie genoemd) regeert over Zuid-Afrika sinds de eerste democratische verkiezingen in 1994. Bij de meerderheid van de bevolking waren er toen grote verwachtingen. Er ging eindelijk een einde komen aan de schrijnende ongelijkheid, aan de grote armoede in de townships, aan het gebrek aan sociale voorzieningen, aan de enorme criminaliteit, etc… Wanneer we vandaag Zuid-Afrika aanschouwen, is er van die grote verwachtingen nog niet veel in huis gekomen. Hier en daar is beterschap te bemerken – dat is waar – maar van een rechtvaardige maatschappij zijn de Zuid-Afrikanen nog mijlenver verwijderd. Deze scriptie is een poging om daar een gedeeltelijke verklaring voor te bieden.

 

Om aan deze scriptie op een ordentelijke manier te beginnen was een minimale kennis van de Zuid-Afrikaanse politieke economie noodzakelijk. Ik wil hier dan ook kort enkele aspecten van de geschiedenis van de Zuid-Afrikaanse politieke economie weergeven. Dit kan verhelderend zijn om de huidige problemen, waarmee het land geconfronteerd wordt, beter te begrijpen.

 

Tot eind de jaren tachtig waren de sleutelsectoren van de Zuid-Afrikaanse economie in handen van de staat en enkele grote conglomeraten. De Zuid-Afrikaanse economie van tijdens de apartheid was één van de meest genationaliseerde ter wereld. Een aantal van de grote Zuid-Afrikaanse staatsondernemingen dateren uit de beginjaren van de Unie van Zuid-Afrika en waren de uiting van een bloeiende, op uitvoer gerichte mijnbouwsector en een ontluikende industrialisatie. Met het aan de macht komen van de Nationale Partij in 1948 en de officiële installatie van de apartheidsstaat kwam de uitbouw van de staatssector in een versnelling terecht. De NP wilde de Afrikaners (de blanke Zuid-Afrikanen) laten participeren in de economische macht (volkskapitalisme) en de industriële ontwikkeling vooruitstuwen. De grote sleutelsectoren (energie, telecommunicatie, vervoer, wapens) werden genationaliseerd ten voordele van de blanke minderheid die de staat in handen had. De relatie tussen de staatsbedrijven en de privésector (de grote conglomeraten zoals Anglo-American) was over het algemeen één van vruchtbare samenwerking, omdat er tussen de twee een hoge graad van interdependentie was. De staat nationaliseerde immers om de kosten voor de private ondernemingen te verlagen, niet om de behoeften van de gehele bevolking tegemoet te komen. De economie tijdens de apartheid werd gekenmerkt door een raciaal gestructureerde accumulatiestrategie. Zowel politiek als economisch hadden de Afrikanen geen zeggenschap (althans niet op het nationale niveau). De Afrikanen vormden in de optiek van het apartheidsregime een goedkoop arbeidsreservoir. Via systemen als trekarbeid, 'influx control' en de 'colour bar' hield men de Afrikanen onder de knoet. Dit was echter niet zo nieuw. In de koloniale periode en in de segregatieperiode was dit ook al het geval.[3]

 

De apartheidsstaat was een blanke Fordistische staat. Fordistisch in die zin dat de staat belangrijke delen van de economie controleerde, dit wel ten gunste van de blanke minderheid.[4] Dit systeem kwam begin de jaren 1970 onder druk te staan, niet alleen door een interne dynamiek, maar ook door het anti-apartheidsverzet en door de buitenlandse druk op het regime. Het economisch systeem kwam in crisis. In feite ging het hier om een overaccumulatiecrisis, wat betekende dat er teveel productief kapitaal was in verhouding tot de plaatselijke markt. Om hieraan te verhelpen, bestonden twee uitwegen. Men had het teveel aan kapitaal en arbeid kunnen samenvoegen op een manier die zowel winstgevend als sociaal rechtvaardig was, maar dat kon eigenlijk niet in de apartheidsideologie. Men opteerde daarom voor kapitaalsvlucht naar andere regio’s, maar ook naar andere markten, meerbepaald speculatieve financiële markten.[5]

 

De economische crisis deinde verder uit in de jaren 1980 en deed de Zuid-Afrikaanse zakenwereld tot de conclusie komen dat het apartheidssysteem een rem was geworden op haar belangen (winstmaximalisatie). De big business begon te lobbyen voor een non-raciaal kapitalisme en voor een exportgeleide groeistrategie. De regerende NP was pas vanaf 1985 echt vatbaar voor deze eisen.[6] De economische peiler van de apartheid werd op korte tijd ontmanteld, maar wel in het voordeel van de blanke elite. Vanaf 1987 werden de eerste privatiseringen aangekondigd. Op dat moment is het anti-apartheidsverzet op haar hoogtepunt en voelt het blanke regime dat haar spel bijna uit is. De strategie van privatiseringen was er dan ook op gericht om het toekomstig verlies aan politieke macht te compenseren. De privatiseringen waren dan ook in het voordeel van de grote kapitaalsgroepen, die altijd goede vriendjes waren geweest met het apartheidsregime. Begin jaren 1990 werd deze exitstrategie – zoals ze door commentatoren werd bestempeld - op punt gesteld in het NEM, het Normative Economic Model (cfr. infra). Het ANC, dat inmiddels uit de clandestiniteit ontheven was, stond voor de aartsmoeilijke opdracht de economie te herstructureren in het voordeel van de grote meerderheid van de bevolking. De blanke elite heeft de eerste democratische regering van Zuid-Afrika een niet zo fraai cadeau gegeven.

 

Hoe ben ik nu te werk gegaan in deze scriptie? In het eerste hoofdstuk heb ik een korte voorstelling gegeven van COSATU. Om wat voor een soort vakbond gaat het hier? Welke ideologie hangt deze aan? Wat zijn de voornaamste strijdpunten? Welke algemene visie wordt er uitgedragen?

 

Hoofdstuk twee behandelt het sociaal-economisch beleid van het ANC. Wat zijn de karakteristieken van dat beleid? Welke evolutie is daarin te ontwaren? Hoe wordt dat beleid bepaald? Wat is de rol van internationale sociaal-economische ontwikkelingen, van de globalisering, van de grote financiële instellingen?

 

In het derde hoofdstuk wordt nader ingegaan op de kern van de probleemstelling. Hoe staat COSATU tegenover de gevoerde politiek van Mbeki? Hoe verdedigt COSATU zich? Hoe handhaaft ze haar positie binnen de Alliantie? Welke acties onderneemt ze tegen het neoliberale beleid? Zorgt dit voor spanningen?

 

Om op al deze vragen een degelijk antwoord te geven, heb ik me gebaseerd op geselecteerde literatuur. In de bibliografie achteraan zijn een aantal belangrijke werken opgenomen over de huidige politieke en sociaal-economische situatie van Zuid-Afrika. Verschillende werken werden geraadpleegd en het ene werd al wat meer geapprecieerd dan het andere. Een auteur die mijn visie zeker beïnvloed heeft is Patrick Bond. Hij is professor politieke economie aan de Universiteit van Witwatersrand en hij is tevens actief in de Zuid-Afrikaanse tak van de antiglobaliseringsbeweging. Zijn boek Elite Transition is een must voor iedereen die een radicale visie wil lezen over post-apartheid Zuid-Afrika.[7] Een ander belangrijk werk is dat van Hein Marais, South Africa. Limits to change, waarin de voornaamste breuklijnen in post-apartheid Zuid-Afrika kritisch worden bekeken.[8] Ook het zeer heldere artikel Politieke economie van postapartheid van mijn promotor, professor Walraet, in de bundel Structuur van de waanzin onder redactie van professor Doom, heeft een belangrijke rol gespeeld in de totstandkoming van deze scriptie.[9] Tot slot verdient ook L’économie Sud-Africaine au sortir de l’apartheid van Jean-Pierre Cling hier een vermelding.[10]

 

Wat de positie en de visie van COSATU betreft – toch de kern van de probleemstelling in deze scriptie - heb ik me vooral gebaseerd op de voortreffelijke website van deze vakbond.[11] Tal van documenten, gaande van politieke resoluties tot discussieteksten, konden online geraadpleegd worden of simpelweg gedownload worden. Ook een aantal artikels uit The Shopsteward, het voornaamste blad van de vakbond, werden geraadpleegd. In de bibliografie achteraan is een overzicht te bekijken van de COSATU-documenten die ik gebruikt heb voor deze scriptie.

 

Het internet bood natuurlijk nog meer informatie. Via zoekmachines werden enkele interessante papers en artikels gevonden in verband met het gekozen onderwerp. In de bibliografie vind je de exacte verwijzingen.

 

 

Hoofdstuk 1: Korte voorstelling van COSATU[12]

 

 

COSATU, het Congress of South African Trade Unions, is de voornaamste vakbondskoepel van Zuid-Afrika. De koepel vormt samen met het ANC en de SACP de zogenaamde Tripartite Alliantie, dat de leiding over Zuid-Afrika waarneemt sinds de eerste democratische verkiezingen in 1994. COSATU is dus geen vakbond op zich, maar een overkoepeling van verschillende vakbonden. Het is in feite een federatie, die bestaat uit 20 bonden.[13] Het is niet de enige vakbond van Zuid-Afrika. Naast COSATU zijn er ook nog de Federation of Unions of South Africa (FEDUSA), de aan het Pan-African Congress (PAN) gelieerde National Council of Trade Unions (NACTU), de Federation of Independent Trade Unions (FITU), de enkel voor blanken South African Confederation of Labour (SACOL) en de aan de Inkatha Freedom Party (IFP) verbonden Union of Workers of South Africa (UWUSA). Over het algemeen zijn deze andere vakbondsfederaties veel gematigder dan COSATU. Ze zijn ook veel kleiner van omvang.

 

COSATU werd opgericht in december 1985 na vier jaar gesprekken over eenheidsvorming tussen verschillende vakbonden die gekant waren tegen de apartheid en die opkwamen voor een niet-raciaal, niet-sexistisch en democratisch Zuid-Afrika. Bij de oprichting telde COSATU ongeveer een half miljoen leden, verenigd in 33 bonden. In 1998 waren er al meer dan twee miljoen leden. Naar internationale standaarden gemeten is het één van de snelst groeiende vakbonden in de wereld. Terwijl vele vakbonden een neergang meemaken in hun ledenaantal is COSATU blijven groeien.

 

COSATU stond vanaf de oprichting voor een strategisch compromis tussen een zogenaamde 'shopfloor' traditie – een arbeidersbeweging onder arbeiderscontrole – en een populistische traditie die de eisen van de arbeiders inschakelde in de nationaal-democratische revolutie onder leiding van het ANC.[14] Deze strategie mondde in 1991 uit in de aansluiting bij de alliantie van ANC en SACP. Aan de onderhandelingen voor een democratisch Zuid-Afrika (CODESA) kon COSATU zelf niet deelnemen, maar het kon wel de achterban mobiliseren om de alliantiepartners te ondersteunen.

 

De belangrijkste objectieven van COSATU zijn tot op vandaag:

De vakbondsfederatie is sedert haar oprichting gebaseerd op een aantal kernprincipes:

 

 

De ideologie van COSATU is het best te omschrijven als socialistisch.[16] In de teksten van COSATU wordt nog dikwijls marxistische fraseologie gebruikt. Begrippen als ‘het kapitaal’, ‘het proletariaat’, ‘de revolutie’ zijn nog steeds actueel in de ogen van COSATU. In hun voorstellingstekst formuleert de federatie haar socialistische ideologie als volgt:

 

“COSATU gelooft in een democratische maatschappij, vrij van racisme, sexisme en uitbuiting van de arbeidersklasse. We geloven in een maatschappij waar de werkers volledige controle hebben over hun leven. We zijn vastbesloten om samen met andere democratische krachten alle vormen van onderdrukking en uitbuiting weg te bannen.”[17]

 

Het samenwerken met andere democratische krachten wordt al sedert de oprichting in 1985 hoog in het vaandel gedragen. In de jaren tachtig vocht COSATU in het United Democratic Front (UDF) tegen het apartheidssysteem. Daarbij trotseerde het hevige repressie vanwege de staat. Nadat de politieke anti-apartheidsorganisaties van hun clandestiniteit werden ontheven, besloten het ANC, de SACP en COSATU samen te werken in een Revolutionaire Alliantie (de zogenaamde Tripartite Alliantie of kortweg de Alliantie). Dit samenwerkingsverband heeft als doelstelling de nationaal-democratische revolutie (NDR) – dit is de verwezenlijking van een democratisch, non-raciaal Zuid-Afrika, van een economische hervorming en van een politieke en economische democratisering. COSATU werkt ook nauw samen met SANCO, de South African Civic Organisation, de koepel van organisaties uit de civiele maatschappij. In feite is dit de vierde officieuze partner van de Alliantie.

 

De huidige socio-economische politiek van COSATU, waar ik later in deze scriptie uitgebreid op terugkom, wordt in het COSATU-voorstellingsdocument op de website als volgt voorgesteld:

 

“Onze socio-economische politiek is gebaseerd op de noodzaak om economische ongelijkheden en armoede te elimineren, zowel in de maatschappij als in de werkplaats. Rekening houdend met COSATU’s verwerping van het macro-economisch kader van de regering, heeft de Alliantie beslist dat we een ontwikkelingsgericht, macro-economisch beleid nodig hebben om tegemoet te komen aan de noden in het land. Dergelijk beleid moet aangepast worden aan die noden. Geen macro-economisch beleid is gebetonneerd en de Alliantie moet discussiëren over die zaken waar onenigheid over is. Tegelijkertijd moeten we ervoor zorgen dat het beleid werkzekerheid en werkgelegenheid promoot.”[18]

 

Vandaag worden de voornaamste functies binnen COSATU ingevuld door de volgende personen:

De Secretaris-Generaal en de Adjunct Secretaris-Generaal zijn full-time vrijgestelden van de federatie, terwijl al de andere ‘officials’ full-time werknemers zijn. Meer dan waarschijnlijk is deze 'shopfloor'-traditie er ook op gericht om het vaak voorkomende fenomeen van de bureaucratisering tegen te gaan.

 

Deze korte voorstelling vertelt uiteraard lang niet alles over COSATU. Om een meer genuanceerd beeld te krijgen van COSATU is het boek Striking Back van Jeremy Baskin een absolute aanrader. Dit boek vertelt over de geschiedenis van de vakbondsfederatie, van de oprichting tot het einde van de apartheid. Hoewel geschreven door een lid van COSATU, is het geen hagiografie. Het behandelt zowel de gloriemomenten als de enorme moeilijkheden waarmee de vakbond geconfronteerd werd. De voornaamste campagnes van COSATU worden uitgelegd, zoals de strijd voor een minimumloon en voor een correcte arbeidswetgeving. Er wordt ook dieper ingegaan op de relatie met het ANC en met de SACP.[20]

 

In deze scriptie gaat het in hoofdzaak over de positie van de vakbondskoepel in het huidige beleid van president Thabo Mbeki. Het is belangrijk om de in dit hoofdstuk geschetste uitgangspunten van COSATU voor ogen te houden als we op de kern van de probleemstelling ingaan.

 

 

Hoofdstuk 2: Evolutie van de sociaal-economische politiek van het ANC

 

 

In dit hoofdstuk tracht ik de evolutie van de sociaal-economische politiek van het ANC weer te geven. Ik begin bij het sociaal-economische luik van het Freedom Charter en eindig bij het huidige neoliberaal beleid van president Thabo Mbeki.

 

1. Het Freedom Charter

 

Het Freedom Charter of het Handvest van de Vrijheid kwam op 26 juni 1955 tot stand tijdens het Volkscongres in Kliptown nabij Johannesburg. Drieduizend afgevaardigden uit heel Zuid-Afrika aanvaardden dit document als het alternatief voor de apartheidsstaat. Nelson Mandela noemde het Handvest het fundament waarop een nieuw Zuid-Afrika kon ontstaan. Het zou geen eindpunt zijn, maar een middel tot een doel. Het sociaal-economische luik van het Freedom Charter van het ANC hechtte veel belang aan herverdeling. De apartheid betekende immers meer dan alleen raciale discriminatie. Het betekende vooral economische uitbuiting en uitsluiting.[21] We nemen hier het sociaal-economische luik van het Handvest over:

 

“Het volk moet delen in ’s lands welvaart.

De nationale rijkdommen van ons land, de erfenis van alle Zuid-Afrikanen, moeten weer ten goede komen aan het volk;

Het bezit van de minerale bodemrijkdommen, de banken en monopolistische industrieën moet worden overgedragen aan het volk in zijn geheel;

Bij alle andere middelen van bestaan en de handel moet erop worden toegezien dat zij bijdragen tot het welzijn van het volk;

Alle mensen dienen gelijke rechten te hebben om handel te drijven waar zij dat wensen, om te fabriceren en op vrije uitoefening van alle beroepen.

 

Het land moet worden herverdeeld aan hen die het bewerken!

Beperkingen op basis van ras wat betreft grondbezit moeten worden opgeheven en al het land moet worden verdeeld onder hen die erop werken teneinde hongersnood en landhonger uit te bannen;

De overheid dient de boeren te helpen met machinerieën, zaad, tractoren en irrigatiewerken om de bodem en zijn bewerkers te beschermen;

Vrijheid van beweging moet worden gegarandeerd aan allen die op het land werken;

Allen moeten het recht hebben om land, waar ook gelegen, in eigendom te hebben;

Mensen mogen niet van hun vee worden beroofd en gedwongen tewerkstelling en gevangenisboerderijen moeten worden afgeschaft.”[22]

 

Als we deze tekst lezen, dan komen we tot de conclusie dat dit allemaal toch nogal vaag geformuleerd is. Van een duidelijke economische strategie was niet echt sprake in het Freedom Charter. Het was “eerder een onwrikbaar engagement om de middelen te herverdelen.”[23] De dominante groep binnen het ANC vond op het moment dat het handvest werd aangenomen, de strijd voor nationale bevrijding belangrijker dan de klassenstrijd. De geciteerde artikels, die opriepen tot de nationalisatie van de sleutelmonopolies en de redistributie van het grondbezit, zouden tot 1990 de kern van het ANC-platform blijven. Vanaf dan komen er veranderingen in de sociaal-economische visie van het ANC (cfr. infra).

 

 

2. Van keynesianisme tot neoliberalisme

 

Toen het ANC samen met haar alliantiepartners in 1994 aan de macht kwam van een democratisch post-apartheid Zuid-Afrika werd het verplicht om duidelijke sociaal-economische keuzes te maken. De apartheid had een sociaal-economische puinhoop achtergelaten voor de meerderheid van de bevolking. Er heerste een economische crisis, die gekenmerkt werd door een vertraging van de groei, vermindering van investeringen, stijgende werkloosheid, verslechtering van de situatie in de rurale gebieden en onaanvaardbare inkomensongelijkheid. Het ANC stond voor de zware taak om deze immense problemen op te lossen.

 

Sinds 1990 had het ANC pogingen ondernomen om haar economische politiek te concretiseren. In het Discussion Document on Economic Policy van 1990 pleitte het ANC voor een keynesiaanse vraaggeleide politiek. De jaren daarop werd het centrale thema van dit document – ‘groei door herverdeling’ – stelselmatig afgezwakt.[24]

 

Er werd meer en meer in de richting gegaan van de economische politiek van de blanke Nationale Partij (NP), die een ‘groei met herverdeling voorstond’. Die aanpak werd door de NP in maart 1993 opgetekend in het document The Restructuring of the South African Economy: A Normative Model Approach (NEM). Het NEM beklemtoonde dat elke groeistrategie zich diende in te schrijven in de nieuwe mondiale tendenzen en realiteiten. Hiermee werd bedoeld dat er een groeiende integratie van de regionale blokken en een sterke concurrentie voor de exportmarkten moest komen. Om deze visie te realiseren, “le NEM prônait une stratégie économique fondée sur des réformes au niveau de l’offre.”[25] De aanbodzijde van de economie diende dus hervormd te worden. Het NEM hield kort samengevat een pleidooi voor privatiseringen, deregulering, terugdringen van de economische rol van de overheid en meer vrijheid voor de zakenwereld; een conservatief neoliberaal pleidooi dus.

 

De term ‘groei door herverdeling’ verdween dus al in 1992 uit het discours van het ANC. Zoals al gesteld werd de keynesiaanse visie van het ANC meer en meer afgezwakt en werd er geopteerd voor meer toenadering naar de zakenwereld en de oude blanke elite. De klassieke eisen van de linkervleugel van het ANC, zoals controle op de centrale bank, een verhoging van de directe belastingen, loonstijgingen, een gewaarborgd minimumloon en een herstructurering van de financiële sector kwamen niet langer aan bod. Toch geloofde men nog steeds dat de staat een rol had te spelen in de economie.

 

Nelson Mandela bracht tussen 1991 en 1994 verschillende bezoeken aan het buitenland om investeerders gerust te stellen en hen te overtuigen dat een toekomstige ANC-regering de vrije markt zou omarmen. Ondanks deze ondernemingsvriendelijke toenadering verschilde de economische strategie van het ANC na 1992 nog op een aantal essentiële aspecten van bijvoorbeeld de neoliberale NEM-politiek van de NP. De economische politiek van de ANC-alliantie na 1992 is onder andere opgetekend in twee rapporten: de MERG en het ISP. Die twee rapporten vormden de aanzet tot het zeer belangrijke Reconstruction and Development Programme (RDP).

 

Het centrale advies van de Macro-Economic Research Group (MERG) en het Industrial Strategy Project (ISP) was dat het dichten van de kloof tussen de ‘haves’ en de ‘havenots’ niet enkel aan de ‘vrije markt’ kon worden overgelaten. Het plan bestond uit twee grote fases: een beginfase van overheidsinvesteringen tussen 1993 en 1999, gevolgd door een fase van duurzame groei tot 2004. In tegenstelling tot het NEM, dat de rol van de overheid wilde terugdringen, pleitte de MERG/ISP voor een uitbreiding van de overheid, althans voor de eerste fase van het plan. Waar het NEM voorrang gaf aan privatisering, deregulering en concurrentie, lagen de prioriteiten van de MERG/ISP in het versterken van de publieke sector en in het efficïent regelen (corrigeren) van de markt.[26]

 

Het MERG-rapport stierf evenwel een snelle dood. Het sloot wel nog in grote lijnen aan bij het in 1993 tot stand gekomen RDP, waarover we hieronder meer kunnen lezen.

 

2.1. Het Reconstruction and Development Programme (RDP)

 

Het Reconstruction and Development Programme (RDP) kwam in 1993 tot stand. Het werd door velen gezien als een ernstig sociaal, economisch en politiek plan om van Zuid-Afrika een meer rechtvaardige en gelijke maatschappij te maken. Het vertrekpunt van het RDP was de analyse van Zuid-Afrika’s ontwikkelingscrisis en van de noodzaak een nieuwe weg te ontwikkelen om de schrijnende sociale, economische en politieke problemen op te lossen. Het plan had de ambitieuze doelstelling om de Zuid-Afrikaanse maatschappij fundamenteel te herordenen. Het ambitieuze plan diende ook als platform voor de eerste democratische verkiezingen in 1994. In de African Communist, het blad van de SACP werd begin 1994 geschreven: “The RDP must become a rallying programme for all left, democratic and progressive forces in our country.”[27] Het was in feite – op enkele puntjes na – een voortzetting van het MERG/ISP rapport. Meer nog, het RDP genoot meer legitimiteit, niet alleen in politieke milieus, maar ook in de Zuid-Afrikaanse zakenwereld. Na april 1994 werd het plan aangenomen als officieel economisch plan van de regering van nationale eenheid.

 

Het RDP werd door haar opstellers gezien als een geïntegreerd en coherent kader voor de sociaal-economische politiek. Het basisprogramma van het RDP was onderverdeeld in vijf subprogramma’s[28]:

 

1. Het tegemoetkomen aan de basisbehoeften

2. Het ontwikkelen van de arbeidskrachten

3. Het opbouwen van de economie

4. Het democratiseren van de staat en de maatschappij

5. Het implementeren van dit alles

 

De eerste aanzetten tot de vorming van het RDP waren er gekomen dankzij de National Union of Metalworkers of South Africa (NUMSA), de voornaamste metaalvakbond. Het RDP werd beschouwd als een programma van maatregelen om een “people-centred society which measures progress by the extent to which it has succeeded in securing for each citizen liberty, prosperity and happiness” te creëren.[29]

 

Het programma zou groei, ontwikkeling, heropbouw en herverdeling integreren in één geheel. Een belangrijke sleutel tot de realisatie ervan zou eerst en vooral op infrastructureel gebied liggen: aan iedereen toegang bieden tot moderne, efficiënte en kwaliteitsvolle diensten zoals electriciteits- en watervoorziening, telecommunicatie, vervoer, gezondheidszorg, onderwijs en scholing.

 

Het basisdocument van het RDP pleitte voor een aantal essentiële zaken:

 

Al snel kwam er kritiek op het RDP. De zakenwereld, die het eigenlijk eerst mee goedkeurde, vond het utopisch en omschreef de programmapunten als een ‘wish list’. Ook bij het brede publiek groeide de kritiek. De beloften werden niet direct waargemaakt. Het programma leek ook het slachtoffer te worden van een overbureaucratisering. In september 1994 werd het RDP-basisdocument vervangen door het RDP-witboek (RDP-White Paper).[31] Het bleek meer dan een bijsturing, ondanks alle linkse retoriek. Er werd in grote mate afgestapt van de keynesiaanse ontwikkelingsvisie van het RDP-basisprogramma en gekozen voor de conservatieve (neoliberale) economische politiek van de NP (cfr. NEM).[32]

 

 

3. De omarming van het neoliberalisme

 

Het ANC wijzigde haar economische politiek op enkele jaren tijd. De keynesiaanse visie (met als motto: ‘groei door herverdeling’) werd op relatief korte tijd vervangen door een meer neoliberale visie (met als motto: ‘groei met herverdeling’). Deze kwam volop tot uiting in de GEAR-strategie en in de integratie van Zuid-Afrika in de neoliberale economische wereldorde.

 

3.1. De Growth Employment and Redistribution Strategy (GEAR)

 

In juni 1996 werd het macro-economisch plan Growth, Employment and Redistribution Strategy (GEAR) gelanceerd. Dit plan betekende een ernstige koerswijziging. Er werd nu door de ANC-top voluit voor het neoliberalisme gekozen. Het RDP werd niet echt afgeschreven, maar werd nog meer afgezwakt en ingeschakeld binnen het nieuwe macro-economisch kader van de GEAR. ‘Hoe meer groei, hoe meer herverdeling’, dat was in feite de korte samenvatting van de GEAR-strategie.[33] Een jaarlijkse economische groei van 4,2 % werd beloofd. De export zou met 8,4% per jaar stijgen. Dit zou tegen het jaar 2000 1,35 miljoen nieuwe jobs opleveren en voldoende middelen om infrastructuurwerken en sociale investeringen te financieren. In de GEAR-logica werden overheidsinvesteringen gezien als een deel van het probleem, als een schadelijke staatsinterventie. Investeringen zouden er maar mogen komen, wanneer men het zich kon veroorloven. De overheid werd aangemaand om over te gaan op privatiseringen en op het promoten van de markt als dominant economisch mechanisme. Eric Webster schreef daarover het volgende:

 

“The GEAR strategy, welcomed by capital and the international financial institutions, aims to accelerate the privatization programme and a reduction in ‘market inflexibilities’.”[34]

 

“GEAR commits the government to global economic orthodoxy; monetary and fiscal discipline; a stable exchange rate; higher public and private investment; lower tariffs; and faster export growth.”[35]

 

Jean-Pierre Cling definieerde de keuze voor GEAR als volgt:

“L’Afrique du Sud s’est engagée depuis 1996 dans un vaste programme de réformes économiques d’inspiration libérale visant à restaurer la confiance des investisseurs, notamment par l’acceleration des privatisations ou la réduction de la fiscalité.”[36]

 

GEAR betekende het echte einde van het keynesianisme en de feitelijke overschakeling naar het neoliberalisme. Thabo Mbeki verwoordde het als volgt: “GEAR […] was the price South Africa had to pay to remain a participant in the world economy.”[37] De prijs die vandaag nog steeds wordt betaald is ongemeen hoog. De GEAR-politiek is gunstig geweest voor een kleine groep: de zakenwereld, de blanke elite, de nieuwe zwarte elite. De overgrote meerderheid, voornamelijk zwarten, hebben niet kunnen profiteren van de transitie. De neoliberale politiek van het ANC is catastrofaal voor deze meerderheid. De werkloosheid is gestegen. De inkomensongelijkheid is nog groter geworden. De armoede en de marginalisatie zijn nog steeds van een enorme omvang.

 

3.2. De aansluiting bij de neoliberale economische wereldorde

 

Onder het presidentschap van Thabo Mbeki[38] (verkozen in 1999) – de man die in zijn jonge jaren nog ideoloog was geweest van de communisten - sluit Zuid-Afrika definitief aan bij de neoliberale globalisering of de nieuwe economische wereldorde, onder de arrogante hegemonie van de Verenigde Staten van Amerika. Het was een proces dat al door Nelson Mandela was ingezet, maar het werd bij de machtsovername van Mbeki voor de buitenwereld zeer duidelijk.[39] President Mbeki verbergt zijn anti-sociale politiek achter de zogenaamde ‘Afrikaanse Renaissance’, een vlag die vele ladingen dekt.[40] Hij gelooft dat het hele Afrikaanse continent (met Zuid-Afrika voorop) zal heropleven dankzij een versnelde integratie in de geglobaliseerde wereldeconomie.

 

Toen in 1989 het communisme ineenstortte, werd door VS-president George Bush sr. het tijdperk van de ‘nieuwe wereldorde’ triomfantelijk aangekondigd. Hij werd daarin geruggesteund door rechtse denkers als Francis Fukuyama en Zbigniew Brzezinski.[41] Zij verkondigden dat de overwinning van het kapitalisme op het communisme het einde van de geschiedenis betekende. Het kapitalisme bleek het best mogelijke systeem, het meest natuurlijke systeem, het meest verwant met de menselijke natuur. Wie dat durfde in vraag te stellen, werd door de heersende klasse afgeschilderd als idioot, waanzinnig, ouderwets of dom. Er was maar één weg meer, zegden de rechtse opiniemakers, de weg van de vrije markt en van de vrijhandel. Deze nieuwe wereldorde betekende in feite een neoliberale wereldorde, gedomineerd door één supermacht: de VSA. De neoliberale wereldorde trachtte haar greep op de wereld te verstevigen en uit te breiden niet alleen via oorlogen, maar ook via de zogenaamde Washington Consensus (‘there is only one way’). Deze consensus werd uitgedragen door de internationale economische instellingen met als belangrijksten het Internationaal Monetair Fonds (IMF), de Wereldbank (WB) en de Wereldhandelsorganisatie (WTO). De Washington Consensus ontstond al in het begin van de jaren 1980, toen beleidsmakers overal ter wereld tot de conclusie kwamen dat het besturen van de samenleving zoveel als mogelijk aan de markt moest overgelaten worden (onder het motto: ‘Wat de markt doet, doet het beter!’). Kort samengevat is de Washington Consensus de heilige drievuldigheid van dereguleren (wetgeving die de handel belemmert, elimineren), liberaliseren (opengooien van markten om concurrentie toe te laten) en privatiseren (openbare bedrijven verkopen aan de privé-sector).[42]

 

Het IMF en de WB waren al van bij hun oprichting in 1945 actief in Zuid-Afrika. Tot 1983 had het IMF goede banden met het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime. Onder druk van sociale onrust en van de VS stopte ze met lenen. Ze bleef wel adviseurs sturen. In 1993, toen er volop werd onderhandeld over de transitie van Zuid-Afrika, werd een internationale lening overeengekomen, die gekoppeld was aan een zogenaamde ‘letter of intent’ aan het IMF. In deze belofte waren een aantal neoliberale dada’s opgetekend: handelsliberalisering, loonbeperking, inflatiecontrole en onderschrijving van de marktprincipes. Ook de Wereldbank was actief in Zuid-Afrika. In de totstandkoming van GEAR had de instelling een duidelijke ideologische rol gespeeld (pleidooi voor het aan banden leggen van de overheid). In 1997 (een jaar na de invoering van de GEAR-strategie) volgde de eerste echte lening aan post-apartheid Zuid-Afrika.

 

Hoe komt het nu dat het ANC voor de neoliberale recepten is gaan kiezen, terwijl zijzelf en haar alliantiepartners – de progressieve vakbond en de communistische partij – steeds pleitbezorger is geweest voor herverdeling van de rijkdom? Een verklaring hiervoor ligt in de politieke transitie van apartheid naar post-apartheid. De overgang naar een democratisch, non-raciaal Zuid-Afrika verliep volgens een consensus (cfr. de CODESA-onderhandelingen), niet volgens een revolutie. De NP heeft, weliswaar onder druk van binnen- en buitenlands verzet, de macht op een vreedzame manier afgestaan, nadat ze eerst een aantal politieke en sociaal-economische beslissingen heeft genomen in het voordeel van haar achterban, de blanke minderheid. In de inleiding van deze scriptie hebben we kunnen lezen dat de NP door middel van een bocht richting deregulering en privatisering een exitstrategie voorbereidde. In de spirit van de consensusvorming in de machtsoverdracht gingen begin jaren 1990 heel wat stemmen op om een sociaal pact te vormen tussen kapitaal, staat en arbeid. Vooral de zakenwereld, die begin jaren 1980 al had geijverd om het kapitalisme te deracialiseren, was wederom een ijverig pleitbezorger van hervormingsscenario’s, zolang die maar in haar voordeel speelden. De ANC-top is sinds dan relaties beginnen aanknopen met het regime De Klerk, met de grote zakenmilieus, de buitenlandse investeerders en de internationale financiële instellingen.[43] Hierdoor werd het almaar gematigder en conservatiever op sociaal-economisch gebied. De basis van het ANC werd min of meer buiten spel gezet. Een deel van de ANC-top raakte vervreemd van haar basis. De neoliberale globalisering en de erfenis van de apartheid besmetten de politiek van het nieuwe regime.[44]

 

De neoliberale vloedgolf stuit de laatste jaren meer en meer op kritiek, vooral bij de nieuwe sociale bewegingen. Zij stellen dat de globalisering enkel de belangen en het profijt van een kleine elite dient, terwijl de overgrote meerderheid van de bevolking dagelijks moet knokken om een deftig leven te leiden. De leningen en programma’s van de Wereldbank en het IMF hebben de situatie van de gewone man en vrouw niet verbeterd, luiden de kritieken over gans de wereld. Deze groeiende kritiek op de Washington Consensus, die vooral naar boven kwam na de financiële crisis in Azië en Latijns-Amerika in de tweede helft van de jaren 1990 werd in 1998 gecounterd door ene Joseph Stiglitz[45]. Op een conferentie van het Wider-instituut, een VN-studiebureau in Helsinki, lanceerde hij in een speech de Post-Washington Consensus.[46] In feite gaat het hier hoofdzakelijk om een poging de rangen van de neoliberale elite opnieuw te sluiten, maar dan rond een nieuwe consensus die ingaat op de kritiek van onder andere de antiglobalisten. Stiglitz herontdekt het belang van de staat om marktcompetitie te bevorderen. Om de winst te maximaliseren heb je een stabiele markt nodig. En bij het stabiliseren van markten kan staatsregulering een belangrijke rol spelen. In de woorden van Stiglitz heet dit ‘governance’. De essentiële componenten van Stiglitz’ plan zijn allemaal maatregelen om markten beter te laten functioneren. Het komt in feite neer op het bouwen van een stabielere structuur op dezelfde ongelijke machtsverhoudingen als voorheen.[47] Een aantal NGO’s en traditionele vakbonden zijn mee in het verhaal van de Post-Washington Consensus gestapt, wat hen bij criticasters de benaming CONGO’s (Coöpted NGO’s) opleverde. Zij zijn de bevoorrechte gesprekspartners geworden van de woordvoerders van het financieel kapitaal. In Zuid-Afrika is de Post-Washington Consensus ook al doorgedrongen. Concreet verandert er echter niet veel. De overheid krijgt de opdracht om de markten te stabiliseren, wanneer dat nodig is. Voor de rest blijven de recepten van de Washington Consensus gelden: dereguleren, liberaliseren en privatiseren. Hieronder bekijken we wat deze recepten concreet voor Zuid-Afrika betekenen.

 

3.3. Kenmerken van het neoliberalisme in Zuid-Afrika

 

* Deregulering, liberalisering, privatisering

 

Een belangrijk aspect van de neoliberale koers die Zuid-Afrika vaart, is de privatisering van overheidsdiensten. In feite hangt dit zeer nauw samen met de politiek van deregulering (rol van de overheid terugdringen) en liberalisering (markten openstellen voor de privésector en buitenlandse concurrenten). Het zijn eigenlijk drie begrippen die complementair zijn, het ene volgt uit het andere (niet altijd in dezelfde volgorde).

 

Van de privatisering zijn verschillende voorbeelden te geven. We geven er hier enkele weer. Spoornet, de nationale spoorwegmaatschappij, wordt onderworpen aan het klassieke privatiseringsschema, dat erin bestaat om in eerste instantie de meest winstgevende activiteiten aan de privé te verkopen, terwijl de sociale verantwoordelijkheden en de kosten in de handen van de staat blijven. Bij Portnet (havenactiviteiten) ongeveer hetzelfde verhaal: de activiteiten worden opengesteld voor concurrenten. De elektriciteitsindustrie met als voornaamste exponent het staatsbedrijf Eskom ontsnapt ook niet aan de privatiseringsdrift van de regering. De plannen om 30% van Eskom te privatiseren liggen klaar ter uitvoering. Telkom ontsnapt er ook niet aan. 30% van het telecommunicatiebedrijf werd al verkocht aan Amerikaanse en Maleisische investeerders. Bovendien is men volop bezig met de liberalisering van de telecommunicatie markt. In het onderwijs en in de watervoorziening heeft de politiek van privatisering ook haar intrede gedaan.[48]

 

De argumenten van de regering voor de privatisering kunnen samengevat worden in drie punten:

 

1. Het toelaten van competitie en concurrentie zal leiden tot lagere kosten en betere kwaliteitsdiensten voor alle consumenten.

2. De regering is ervan overtuigd dat de privé-sector over het algemeen meer competent is dan de publieke sector.

3. Volgens de regering zal de privatisering bijkomende middelen binnenbrengen voor overheidsdiensten, en dit zonder kosten voor de staat of de consumenten.[49]

 

De kritiek van onder andere COSATU hierop, zal verder behandeld worden.

 

* Buitenlandse investeringen aantrekken

 

Een ander belangrijk aspect aan het neoliberaal beleid van Mbeki en co is het aantrekken van buitenlandse investeerders. De strategie hiervoor is zoals overal in de wereld een gunstig kader scheppen voor ondernemingen. Wat houdt dat precies in? Het gaat in de eerste plaats om het scheppen van een ‘gezond’ financieel klimaat. De ondernemers worden door de overheid gestimuleerd om te investeren via belastingsverlagingen, extra subsidies en expansiesteun. Door de binnenlandse markt open te gooien voor buitenlandse concurrentie (liberalisering) worden multinationals aangetrokken en die krikken – aldus de regering - de economische groei op.

 

* Exportpromotie

 

Het promoten van de export is nog zo’n typisch aspect van het neoliberaal economisch beleid van Zuid-Afrika. In de GEAR-strategie werd geopteerd voor een exportgeleide groei met als doelstelling om Zuid-Afrika beter te laten participeren in de wereldhandel. De regering probeert haar economisch beleid hier op af te stemmen.

 

* Regionale economische integratie

 

Een ander middel om de participatie aan de wereldeconomie te versterken is de regionale economische integratie.[50] Zuid-Afrika neemt daarin de voortrekkersrol. Het wil meer economische samenwerking met de andere landen in Zuidelijk Afrika. Een belangrijke stap werd in augustus 1996 gezet met de ondertekening van het SADC Trade Protocol. Het akkoord heeft als doelstelling om de regionale markten te integreren en het roept op tot de realisatie van een vrijhandelszone tegen 2005. De grote vraag is of Zuid-Afrika bereid is om haar dominante positie in de regio[51] af te zwakken ten voordele van meer gelijkwaardige relaties met de buurlanden.

 

* Black economic empowerment

 

Het neoliberale beleid van de ANC-top komt niet alleen de oude elite ten goede, maar ook de nieuwe zwarte elite. Deze zwarte bovenklasse is klein in aantal. Ze bestaat voornamelijk uit vrij hooggeschoolde mensen - velen onder hen waren vroeger anti-apartheidsactivisten – die zich hebben kunnen omhoogwerken dankzij de democratisering. De meesten onder hen zijn managers in de publieke en de privé-sector. Een aantal zijn vooraanstaanden in de media en in de academische wereld. De black economic empowerment, in eerste instantie bedoeld om zoveel mogelijk zwarten gelijkwaardige economische kansen te geven, is dankzij de neoliberale invloed gereduceerd tot steun aan het zwarte kapitaal. De regering gebruikt de term tot op vandaag om haar neoliberale beleid te rechtvaardigen.

 

3.4. NEPAD, nog een bewijs van de neoliberale invloed[52]

 

Een ander bewijs voor de neoliberale koers van Mbeki is de lancering van het NEPAD, het Nieuwe Partnerschap voor Afrika’s Ontwikkeling. Dat ontwikkelingsplan – in feite een fusie van het Millennium Afrika Plan (MAP) en het Omegaplan – werd opgesteld door vijf Afrikaanse presidenten: Mbeki van Zuid-Afrika, Wade van Senegal, Mubarak van Egypte, Obasanjo van Nigeria en Bouteflika van Algerije. Op de website omschrijft NEPAD zichzelf als ‘een actueel programma voor de herontwikkeling van het Afrikaanse continent’ en als ‘de belofte van Afrikaanse leiders om Afrika duurzame ontwikkeling te brengen’. Als gemeenschappelijke doelen zien de Afrikaanse leiders:

Ze stellen dat deze doelen onbereikbaar zijn zo lang instabiliteit, corruptie en wanbestuur blijven bestaan. Vrede en ‘good governance’ zijn noodzakelijk voor het welslagen van het plan. Het sleutelwoord is een versnelde integratie van Afrika in de wereldeconomie. De Afrikaanse leiders zoeken dus aansluiting bij de neoliberale globalisering. Zij hopen op die manier welvaart en welzijn in Afrika te realiseren. Sociale bewegingen, NGO’s, vakbeweging, vrouwenorganisaties, milieuactivisten hebben fel stelling genomen tegen NEPAD. Patrick Bond vatte de onvrede samen in vier punten:

 

1. NEPAD is opgesteld zonder overleg met maatschappelijke organisaties; de civil society kwam pas in beeld tijdens consultaties in april 2002, een half jaar nadat het document was vastgesteld;

2. NEPADs toewijding aan goed bestuur is een schijnvertoning, als je ziet hoe Mbeki en Obasanjo de ogen hebben gesloten voor kiezersbedrog en onderdrukking in Zimbabwe en Zambia, maar ook in Nigeria en Zuid-Afrika;

3. NEPAD heeft een eenzijdige voorliefde voor het versterken van de rol van de Wereldbank, IMF en Wereldhandelsorganisatie (WTO), en voor het privatiseren van de infrastructuur;

4. NEPAD versterkt bestaande patriarchale instellingen, praktijken, machtsverhoudingen en zelfs denkwijzen.”[54]

 

 

4. Het voorlopige resultaat van het beleid

 

Het is onmiskenbaar dat de ANC-leiding willens nillens gezwicht is voor de druk van de grote financiële instellingen, de big business, de invloed van de blanke elite. Met wat linkse retoriek (denk aan het concept ‘African Renaissance’) wordt een rechts neoliberaal beleid gevoerd (‘Talking left, acting right’), een beleid dat is opgesteld in de blinkende kantoorgebouwen van Washington DC. Het ANC kon deze neoliberale politiek invoeren door de verworven speciale status van de anti-apartheidsstrijd en door de actieve steun van de nieuwe en oude elites.

 

Anne Walraet typeert de transitie naar een post-apartheid Afrika dan ook als een overgang van een raciaal naar een non-raciaal kapitalisme. Zelf zegt ze het als volgt:

 

“Wat overblijft van het postapartheidsproject van het eens zo combattante ANC is veeleer een gederacialiseerd kapitalisme, niet zo verschillend van de desiderata van de zakenwereld en de oude apartheidspartijen.”[55]

 

Van een welvaart- en welzijnsstaat is tot op heden geen sprake. De structurele ongelijkheid is niet opgelost, integendeel. De werkloosheid is nog toegenomen. De inkomensongelijkheid blijft zeer groot; tweederde van de actieve Zuid-Afrikanen verdient minder dan 250 euro per maand. Meer dan 51% van de bevolking, voornamelijk Afrikanen, is ongeschoold. Twee miljoen kinderen gaan niet naar school. De Gini-coëfficiënt, die de graad van economische ongelijkheid aanduidt, is nog steeds één van de hoogste ter wereld: 0,68.[56]

 

 

Hoofdstuk 3: De positie van COSATU tegenover het gevoerde beleid

 

In dit hoofdstuk tracht ik uit te leggen welke positie de vakbondsfederatie COSATU inneemt tegenover het neoliberaal beleid van Mbeki. Kan COSATU dat beleid afremmen? Komt COSATU meer en meer in conflict met de ANC-leiding? Hoe verdedigt COSATU zich? Wat zijn de toekomstperspectieven?

 

 

1. Voorafgaande opmerking

 

Eerst en vooral moet duidelijk gemaakt worden dat een vakbond niet als één geheel mag beschouwd worden. Een vakbond moet bestudeerd worden als een dialectisch gegeven. Het is een brede kerk waarin diverse opinies leven. Zo is het vrijwel in gans de wereld een constante dat er sterke verschillen bestaan in de gevoerde politiek van vakbondsleidingen en de opinies van de basismilitanten. Ook in de Belgische vakbonden is dat zo.[57] Deze verschillen worden vaak teruggebracht tot het traditionele onderscheid tussen de vakbondsbureaucraten aan de top en de strijdsyndicalisten aan de basis. De eersten willen de opgebouwde onderhandelingspositie niet kwijtspelen, zijn bereid om grote toegevingen te doen aan het kapitaal en opereren binnen de krijtlijnen van de heersende hegemonie. De tweeden zijn van mening dat voornamelijk sociale strijd (stakingen, bezettingen, betogingen) het kapitaal tot toegevingen dwingt, zij trachten ook concrete alternatieven naar voren te schuiven voor het neoliberalisme (economische democratie, werknemerscontrole, nationalisatie). In de verschillende vakbonden die onder de COSATU-koepel ressorteren is, is dit onderscheid ongetwijfeld ook aanwezig, al is het niet zo sterk zoals bij ons in het Westen. Het is belangrijk om deze opmerming voor ogen te houden als we het hebben over ‘de’ visie van COSATU.

 

Bovendien is er nog een ander belangrijk gegeven. COSATU maakt deel uit van de Tripartite Alliantie (‘Alliantie’) en regeert dus in feite mee over Zuid-Afrika. Ook dit gegeven zorgt ongetwijfeld voor interne verschillen tussen gematigden en radicalen. De gematigden (meestal de vakbondstop) menen dat door in de Alliantie te blijven de eisen van de werknemers op de beste manier vertegenwoordigd worden. De radicalen (basismilitanten, strijdsyndicalisten) vinden echter dat COSATU harder op de tafel moet slaan en indien nodig uit de Alliantie moet stappen (cfr. infra).

 

 

2. COSATU versus het Reconstruction and Development Programme (RDP)

 

Het RDP, dat afkomstig was van de National Union of Metalworkers (NUMSA), werd in 1993 de officiële politiek van COSATU. De vakbondsfederatie zag het programma als een minimumplatform voor de electorale steun aan het ANC bij de komende verkiezingen van 1994. In april 1994 werd het plan door Nelson Mandela uitgeroepen tot de hoeksteen van zijn regeringsprogramma. Het RDP bepleitte kort samengevat een herverdelingsstrategie ten voordele van de gemarginaliseerde zwarte meerderheid (cfr. supra).[58]

 

COSATU heeft het RDP altijd verdedigd. Ook vandaag doet het dat nog. Volgens de vakbondsfederatie is het RDP het enige waardige alternatief voor het huidige neoliberaal beleid van ‘groei met herverdeling’, een beleid dat gekenmerkt wordt door deregulering, privatisering en exportpromotie.

 

Zoals hierboven al vermeld, was het RDP een ambitieus, maar concreet plan. COSATU benadrukt dit nog steeds. Om de immense problemen waarmee een grote meerderheid van Zuid-Afrikanen geconfronteerd wordt, op te lossen is in de ogen van de vakbond een macro-economisch plan nodig dat duidelijke keuzes maakt en volgens een welbepaalde strategie te werk gaat.

 

De uiteindelijke vraag is of COSATU het RDP daadwerkelijk terug op de agenda kan brengen, nu de ANC-leiding voluit heeft gekozen voor de integratie van Zuid-Afrika in de door de Wereldbank, IMF en WTO gedirigeerde wereldeconomie. Kan de klok nog teruggedraaid worden of zijn er nieuwe initiatieven nodig?

 

COSATU poogt in elk geval elke gelegenheid aan te grijpen om het RDP terug op de agenda te zetten. In vrijwel alle teksten van de vakbond wordt met aandrang de herwaardering van het RDP gevraagd. De strijd voor het RDP is de belangrijkste strijd die COSATU voert tegen de neoliberale koers van de ANC-leiding (cfr. infra).

 

 

3. COSATU versus de Growth, Employment and Redistribution Strategy (GEAR)

 

COSATU voelde zich bedrogen toen in juni 1996 het RDP naar de prullenmand verwezen werd en werd vervangen door het GEAR-document. Zoals we gezien hebben in het tweede hoofdstuk betekende GEAR een ernstige koerswijziging. De ANC-leiding koos volop voor het neoliberalisme. Deze grondige beleidswijziging alarmeerde COSATU (en ook de SACP), evenals verschillende sociale bewegingen en kerkelijke organisaties. Met de keuze voor GEAR opteerde de ANC-top voor de ‘vrije markt’ om problemen op te lossen. De doelstelling van GEAR was immers een economisch beleid creëren dat een herstructurering van de aanbodzijde voorstond. Dit hield in dat de private sector (de big business, de grote multinationals, de grote banken) een centrale rol toebedeeld kreeg, dat buitenlandse directe investeringen moesten gestimuleerd worden en dat de export moest gepromoot worden. Van deze strategie verwachtten de voorstanders dat met de voortgebrachte middelen de ongelijkheden zouden kunnen gecorrigeerd worden. Deze trickle-down-strategie is typisch voor de visie van de Wereldbank. GEAR kwam trouwens tot stand met hulp van deze financiële instelling (cfr. supra). Essentiële kenmerk van deze strategie is dat groei de eerste prioriteit is en dat hiervoor wordt gerekend op het voluntarisme van binnen- en buitenlandse investeerders en op een bedrijfsvriendelijke overheid. Met dat laatste wordt bedoeld dat de overheid het ideale kader schept voor ondernemingen (extra subsidies, expansiesteun, loonlastenverlaging, voordelige belastingssysteem).

 

Vier jaar na de lancering van GEAR blijkt er nog niet veel veranderd aan de structurele ongelijkheid van Zuid-Afrika.[59] COSATU is dan ook niet te spreken over de resultaten. In The Shopsteward van september 2000 wordt het in het editoriaal als volgt verwoord:

 

“Here in South Africa, the Growth, Employment and Redistribution (GEAR) strategy has created neither growth, employment nor redistribution. On the contrary, more jobs have been lost since this strategy was adopted, on average over 100.000 jobs a year have dissapeared. Growth ad redevelopment has been at a snail’s pace and South Africa remains the second most unequal nation on earth. The top ten households control 57% of the national income. Only Brazil is worse.”[60]

 

Van de neoliberale GEAR-strategie moet afgestapt worden, vindt COSATU. Het enige volwaardige alternatief is het RDP:

 

“The only ‘realistic’ alternative for workers – to put socialism back on the agenda, with policies that put the interests of the workers and the poor first, not those of business and the rich. In South Africa that means going back to the Reconstruction and Development Programme (RDP) and implementing it vigorously to redress the inequalities and injustices inherent from the apartheid years which still haunt us today.”[61]

 

COSATU vraagt daarom aan voornamelijk de ANC-leiding om de Alliantie serieus te nemen.

 

“They must stop unilaterally imposing policies without even consulting the trade union wing of the alliance, COSATU. We are insisting that the Alliance use its structures to bring all three partners into the policy-making process. COSATU, in these structures will be demanding:

· an end to unilateral imposition of policies by government;

· a return to the RDP principles;

· the saving and creation of jobs to be the top priority;

· a genuine redistribution of wealth not from one elite to another but from the rich minority to the poor majority.”[62]

 

COSATU werd bij de invoering van de GEAR-strategie amper geraadpleegd. Nochtans beschikte men over een institutionele overlegstructuur, met name de National Economic Development and Labour Council (NEDLAC). Dit orgaan beoogt een kader te zijn waar de regering, de zakenwereld, vakbonden en civiele maatschappij met mekaar in dialoog kunnen gaan. Het gaat hier niet om een klassiek corporatistische structuur, vermits ook de civiele maatschappij enige inspraak heeft. Naast het NEDLAC is er trouwens ook nog de Labour Relations Act van 1995, waarin sociaal overleg wordt aangemoedigd zowel op sectorieel als op bedrijfsniveau. De GEAR bleek echter ‘niet onderhandelbaar’ en COSATU werd dus buiten spel gezet. COSATU kwam en komt hierdoor meer en meer in conflict met alliantiepartner ANC (cfr. infra).

 

 

4. De strijd van COSATU tegen het neoliberalisme

 

Zoals we gezien hebben, verzet COSATU zich tegen de neoliberale GEAR-strategie. GEAR betekende immers de feitelijke introductie van een neoliberaal beleid. Op welke manieren tracht COSATU dit neoliberaal beleid te counteren? Wat zijn de voornaamste strijddomeinen?

 

4.1. Strijd voor het Reconstruction and Development Programma (RDP)

 

Zoals al enkele malen vermeld, was en is COSATU’s belangrijkste objectief de invoering van het in 1993 opgestelde RDP.[63] Volgens de vakbondsfederatie is dit keynesiaans programma van ‘groei door herverdeling’ en staatsinterventie het enige volwaardige alternatief voor het neoliberalisme à la GEAR.

 

In het zeer belangrijke Political Discussion Document, verschenen in december 2002, herbevestigt COSATU dit pro-RDP-standpunt. We nemen hier enkele fragmenten over om aan te tonen op welke manier COSATU haar strijd voor een rechtvaardig ontwikkelingsmodel beargumenteert.

 

“In essence, the RDP argued that the state must intervene to enhance equality of wealth and incomes, which is a precondition for unblocking economic growth. In effect, the state must lead the restructuring of the economy in terms of production, structure and ownership. To that end, it must co-ordinate economic and social policies.”[64]

 

Vervolgens wordt kort de invloed van het kolonialisme en de apartheid op de Zuid-Afrikaanse economie geschetst. Deze invloed was nefast voor een meerderheid van de bevolking. Om hieraan te verhelpen was en is een diepgaande hervorming van de economie absoluut nodig. Het RDP is volgens COSATU een ernstige poging tot zo’n hervorming.

 

“To deal with this situation requires a substantial restructuring of the economy – and by extension, of capital itself. In these conditions, the RDP strategy aimed to combine growth and redistribution by:

 

1. Increasing government spending on infrastructure and services for the poor. Higher productivity would result from improved education, health and security, as well as from the opportunities provided for home-base production by acces to electricity and water. At the same time, the strategy would strengthen the domestic market for basic necessities, such as housing and food, providing a major stimulus to investment.

 

2. Implementing an industrial strategy that would restructure the economy so as to enhance employment as well as growth and investment. The strategy would have to promote laabour-intensive sectors. These sector